5f - Bijlage Emmastraat5-Toelichting.pdf
Tekst van het document
Het aspect ‘geluid’ vormt geen belemmering voor onderhavig planvoornemen.
5.7
Geur
Beleidskader
De Wet geurhinder en veehouderij beschermt geurgevoelige objecten zoals woningen tegen geurhinder van veehouderijen. Bij aanvragen van veehouderijen om een omgevingsvergunning (activiteit milieu) vormt deze wet het toetsingskader voor geurhinder uit dierverblijven. De Wet geurhinder en veehouderij maakt onderscheid tussen dieren met geuremissiefactoren en dieren zonder geuremissiefactoren. Voor dieren met geuremissiefactoren (zoals varkens en pluimvee) gelden normen voor geurbelasting, die wordt uitgedrukt in aantal odour units in kubieke meter lucht (ouE/m3). Daarnaast gelden voor dieren met geuremissiefactoren minimumafstanden tot (voormalige) bedrijfswoningen bij andere veehouderijen. Voor dieren zonder geuremissiefactoren (zoals melkrundvee en paarden) gelden alleen minimumafstanden, die moeten worden aangehouden tussen een veehouderij en een geurgevoelig object. Het Activiteitenbesluit milieubeheer bevat vergelijkbare bepalingen voor veehouderijen die geen omgevingsvergunning voor de activiteit milieu nodig hebben. Voor ruimtelijke plannen is de Wet geurhinder en veehouderij ook van belang. Dit wordt wel de omgekeerde werking genoemd. Als een ruimtelijk plan de realisatie van geurgevoelige objecten mogelijk maakt moeten twee aspecten bekeken worden.
Ten eerste moet worden gemotiveerd dat ter plaatse van de geurgevoelige objecten sprake is van een goed woon- en leefklimaat. Ten tweede is van belang dat omliggende veehouderijen niet onevenredig hun zijn belangen worden geschaad.
NL.IMRO.1674.2158EMMASTRAAT5-0301
26 De wet geeft de mogelijkheid om op lokaal niveau gemotiveerd af te wijken van de wettelijk norm met een verordening. De gemeente Roosendaal heeft geen verordening met afwijkende normen vastgesteld. Dit betekent dat de geurnormen en –afstanden uit de Wet geurhinder en veehouderij van toepassing zijn. Toetsing
Onderhavig planvoornemen betreft de ontwikkeling van één woning ter plaatse van de te slopen autoreparatie inrichting. Woningen worden aangemerkt als een geurgevoelig object. Omdat onderhavig plangebied in stedelijk gebied ligt, zijn er geen veehouderijen in de nabije omgeving aanwezig. Op de kaart in onderstaande afbeelding wordt de achtergrondbelasting voor geur weergegeven. De achtergrondbelasting is de totale geurbelasting veroorzaakt door alle veehouderijen in de omgeving. Uit de kaart blijkt dat het woon- en leefklimaat voor het aspect geur ter plaatse van het plangebied zeer goed is.
Achtergrondbelasting voor geur in ouE/m³ (plangebied rood omcirkeld)
Conclusie
Het aspect ‘geur’ vormt geen belemmering voor onderhavig planvoornemen.
NL.IMRO.1674.2158EMMASTRAAT5-0301
27
5.8
Luchtkwaliteit
Beleidskader
Op 15 november 2007 is de Wet luchtkwaliteit in werking getreden. Sindsdien staan de hoofdlijnen voor regelgeving rondom luchtkwaliteitseisen beschreven in de Wet milieubeheer (hoofdstuk 5 Wm). Artikel 5.16 Wm geeft weer onder welke voorwaarden bestuursorganen bepaalde bevoegdheden mogen uitoefenen. Als aan minimaal één van de volgende voorwaarden wordt voldaan, vormen luchtkwaliteitseisen in beginsel geen belemmering voor het uitoefenen van de bevoegdheid: a) b) c) d)
Er is geen sprake van een feitelijke over dreigende overschrijding van een grenswaarde; Een project leidt – al dan niet per saldo – niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit; Een project draagt ‘niet in betekende mate’ (NIBM) bij aan de luchtverontreiniging; Een project past binnen het NSL (Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit), of binnen een regionaal programma van maatregelen.
Het toetsingskader voor luchtkwaliteit wordt gevormd door hoofdstuk 5.2 luchtkwaliteitseisen van de Wet Milieubeheer (ook wel Wet luchtkwaliteit genoemd). De Wet luchtkwaliteit bevat grenswaarden voor zwaveldioxide, stikstofdioxide en stikstofoxiden, fijnstof, lood en koolmonoxide en benzeen. Hierbij zijn in Nederland met name de grenswaarden voor stikstofdioxide (NO₂) en fijnstof (PM₂,₅ en PM₁₀) van belang. De vigerende grenswaarde voor stikstofdioxide en fijnstof zijn in onderstaande tabel weergegeven. Stof Stikstofdioxide (NO2) Fijnstof (PM10) Fijnstof (PM2,5)
Toetsing van Jaargemiddelde concentratie Jaargemiddelde concentratie Jaargemiddelde concentratie
Grenswaarde 40 µg/m³ 40 µg/m³ 25 µg/m³
In de algemene maatregel van bestuur ‘Niet in betekende mate bijdragen’ (Besluit NIBM) en de ministeriele regeling (regeling NIBM) zijn de uitvoeringsregels vastgelegd die betrekking hebben op het begrip NIBM. Het begrip ‘niet in betekende mate bijdragen’ is gedefinieerd als 3% van de grenswaarde. In de Regeling NIBM is een lijst met categorieën van gevallen (inrichtingen, kantoor- en woningbouwlocaties) opgenomen die ‘niet in betekende mate’ bijdragen aan de luchtverontreiniging. Deze gevallen kunnen zonder toetsing aan de grenswaarden voor het aspect luchtkwaliteit uitgevoerd worden. Het betreft de volgende categorieën: • • •
Woningen: 1.500 met een enkele uitsluitingsweg; Woningen: 3.000 met twee ontsluitingswegen; Kantoren: 100.000 m² bruto-vloeroppervlak met een enkele ontsluitingsweg.
Als een ruimtelijke ontwikkeling niet genoemd wordt staat in de regeling NIBM dat deze nog steeds in ‘niet betekende mate’ kan bijdragen. De bijdrage aan NO₂ en PM₁₀ moet dan minder zijn dan 3% van de grenswaarden. Dit komt overeen met 1,2 microgram/m3 voor NO₂ en PM₁₀.
NL.IMRO.1674.2158EMMASTRAAT5-0301
28 Toetsing
Luchtkwaliteit ter plaatse Volgens de Grootschalige Concentratie- en Depositiekaarten van Nederland (GCN en GND van het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en milieu – RIVM) is de concentratie NO₂ in 2025 (gegevens 2023) ter plaatse gelegen tussen de 15 en 17 µg/m³. De concentratie PM₁₀ in 2025 (gegevens 2023) is ter plaatse tussen de 14 en 16 µg/m³. De concentratie PM₂,₅ in 2025 (gegevens 2023) is ter plaatse tussen de 6 en 8 µg/m³. Op basis van de kaarten van het RIVM is de luchtkwaliteit ter plaatse hiermee ruimschoots voldoende. Daarnaast zal naar verwachting de luchtkwaliteit in de toekomst nog verder verbeteren. Onderzoek luchtkwaliteit In de regeling NIBM is de bovenstaande lijst met categorieën opgenomen die 'niet in betekende mate' bijdragen aan de luchtverontreiniging. Deze gevallen kunnen zonder toetsing aan de grenswaarden voor het aspect luchtkwaliteit uitgevoerd worden. In onderhavig planvoornemen wordt er één woning toegevoegd aan de woningvoorraad en daarmee valt het planvoornemen ruimschoots binnen de gestelde randvoorwaarde van 1.500 woningen zoals eerder in deze paragraaf is benoemd. Een aanvullend onderzoek luchtkwaliteit is derhalve niet noodzakelijk. Conclusie
Het aspect ‘luchtkwaliteit’ vormt geen belemmering voor het planvoornemen.
5.9
Natuurwetgeving
Wet natuurbescherming
Per 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming (Wnb) in werking getreden. De wet bevat regels voor de bescherming van in het wild levende dier- en plantensoorten en de belangrijkste natuurgebieden in Nederland. Natura 2000-gebieden
Natura 2000 is de benaming voor een Europees netwerk van natuurgebieden waarin belangrijke flora en fauna voorkomen, gezien vanuit een Europees perspectief. Per Natura 2000-gebied zijn (instandhoudings)doelen (voor soorten en vegetatietypen) opgesteld. Iedereen die vermoedt of kan weten dat zijn handelen of nalaten nadelige gevolgen voor een Natura 2000-gebied kan hebben, is verplicht deze handelingen achterwege te laten of te beperken. Natuurnetwerk Nederland
Het Natuurwerk Nederland (NNN), voorheen de Ecologische Hoofdstructuur (EHS), is het Nederlandse netwerk van bestaande en nieuw aan te leggen natuurgebieden. Het netwerk moet natuurgebieden beter met elkaar en het omringende agrarische gebied verbinden. In het Natuurpact hebben de provincies met het Rijk afgesproken om tot 2027, 80.000 ha natuur in te richten. Het NNN moet uiteindelijk samen met de natuurgebieden in andere Europese landen een aaneengesloten Pan-Europese Ecologische Netwerk (PEEN) vormen.
NL.IMRO.1674.2158EMMASTRAAT5-0301
29 Beschermde planten en dieren
De Wet natuurbescherming kent drie algemene beschermingsregimes: 1. Soorten Vogelrichtlijn: dit zijn alle van nature in Nederland in het wild levende vogels (zoals bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn); 2. Soorten Habitatrichtlijn: dit zijn soorten die genoemd worden in de Bijlage IV van de Habitatrichtlijn, Bijlage I en II van het Verdrag van Bern en Bijlage II van het Verdrag van Bonn. In de bijlage van de Verdragen van Bern en Bonn worden ook vogels genoemd; 3. Andere soorten: dit zijn soorten die genoemd zijn in Bijlage A van de Wnb. Het gaat hier om de bescherming van zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen, dagvlinders, libellen, kevers en vaatplanten voorkomend in Nederland. De beschermde status van soorten kan echter per provincie verschillen, provincies hebben de bevoegdheid om bij een provinciale verordening vrijstelling te verlenen voor nationaal beschermde soorten. Voor soorten die ook niet in de bijlage van de Wnb worden genoemd, fungeert de zorgplichtbepaling (artikel 1.11 Wnb) als vangnet. Op grond van deze bepalingen moeten schadelijke behandelingen voor alle in het wild levende dieren en planten en hun directe leefomgeving in beginsel achterwege worden gelaten, dan wel moeten maatregelen worden genomen om schadelijke gevolgen (zoveel mogelijk) te beperken. Quickscan natuurwetgeving
In juni 2023 heeft Aeres Milieu een Quickscan Natuurwetgeving uitgevoerd, opgenomen als bijlage bij dit bestemmingsplan. In de Quickscan is onderzoek gedaan naar de flora en fauna in het gebied welke betrekking hebben op onderhavig planvoornemen. Het doel van het onderzoek is om vast te stellen of de natuurwetgeving de geplande ontwikkeling in de weg staat. Onderstaand zijn de conclusies van het onderzoek opgenomen. Natura 2000 – gebieden Op basis van de Quickscan is de verwachting dat onderhavig planvoornemen geen negatief effect heeft op de natuurwaarden in Natura 2000-gebieden. Echter wordt er geadviseerd, om ieder risico uit te sluiten, te toetsen aan de stikstofdepositieberekening. Deze AERIUS stikstofdepositieberekening is verderop in deze paragraaf nader toegelicht. Natuurnetwerk Brabant De bouw en het gebruik van de woning hebben waarschijnlijk geen negatieve effecten op het NNB. Omdat er geen negatieve effecten op het NNB zijn te verwachten, zijn er op dit punt geen bezwaren vanuit het provinciale natuurbeleid. Beschermde planten en dieren In het plangebied komen mogelijk zoogdieren voor, die onder de Wnb zijn beschermd. Het gaat om algemeen voorkomende soorten (zogenaamde A-soorten), waarvoor in de provincie Noord-Brabant een algemene vrijstelling geldt in geval van ruimtelijke ontwikkeling en beheer en onderhoud.
Dit houdt in dat deze soorten verstoord mogen worden, zonder dat daar vooraf een ontheffing voor is verkregen. Wel geldt altijd de Zorgplicht (artikel 1.11 Wnb); deze houdt in dat nadelige gevolgen voor dieren en planten altijd zoveel mogelijk moeten worden voorkomen. Om aan de algemene zorgplicht te voldoen, moeten dieren die tijdens de werkzaamheden worden aangetroffen, zo snel mogelijk naar een aangrenzende locatie buiten het plangebied worden verplaatst. Wanneer dieren worden aangetroffen zal hier te alle tijden melding van worden gemaakt bij de betrokken instanties.
NL.IMRO.1674.2158EMMASTRAAT5-0301
30 Stikstofdepositie Met de uitspraak van de Raad van State (29 mei 2019) is het Programma Aanpak Stikstof komen te vervallen. In ieder plan en project zal daarom moeten worden aangetoond dat er geen sprake is van negatieve effecten op de instandhoudingsdoelstellingen voor de kwalificerende soorten en habitattypen uit de dichtstbijzijnde stikstofgevoelige delen van de dichtstbijzijnde Natura 2000gebieden middels de AERIUS Calculator. Projecten waarvan (met behulp van deze rekenmethode) kan worden bewezen dat ze de natuur niet raken, komen in aanmerking voor een vergunning. De natuur wordt niet geraakt zolang de depositie van stikstof op beschermde natuurgebieden niet hoger bedraagt dan 0,00 mol/ha/jaar. De gemeente Roosendaal heeft de notitie ‘standaard advies met betrekking tot stikstofdepositie’ opgesteld. In de notitie is het gemeentebrede stikstofonderzoek opgenomen, welke voor woningbouwprojecten de significante effecten op omliggende Natura 2000-gebieden in kaart brengt. De gemeente is bij vaststelling van de effecten uitgegaan van een worstcasescenario. Daarbij is de gemeente onderverdeeld in kleinere deelgebieden. Per deelgebied is een berekening gemaakt om te bepalen wat de bouwmogelijkheden zijn zonder dat de omliggende Natura 2000-gebieden negatieve effecten ondervindt van de bouwwerkzaamheden.
In onderstaande tabel is een overzicht weergegeven van de bouwmogelijkheden per deelgebied. Onderhavig planvoornemen betreft de ontwikkeling van één woning ter plaatse van de te slopen autoreparatie inrichting aan de Emmastraat 5 te Roosendaal. Het plangebied is gelegen in deelgebied ‘Noord (2)’. Uit de tabel is af te lezen dat voor de ontwikkeling van één woning in deelgebied ‘Noord (2)’ geen stikstofonderzoek noodzakelijk is.
Tabeloverzicht notitie gemeentebreed stikstofonderzoek
Conclusie
Het aspect ‘natuurwetgeving’ vormt geen belemmering voor onderhavig planvoornemen.
NL.IMRO.1674.2158EMMASTRAAT5-0301
31
5.10
Verkeer en parkeren
Verkeer
Het planvoornemen wordt ontsloten aan de Emmastraat van Roosendaal. Uitgangspunt is dat het planvoornemen niet leidt tot een onevenredige toename van de verkeersgeneratie. Op basis van de CROW-publicatie kan de verkeersgeneratie van een ruimtelijke ontwikkeling bepaald worden. In de onderstaande tabel is de veranderende verkeersgeneratie weergegeven. Functie Bestaande situatie Bedrijf arbeidsintensief/ bezoekersextensief (schil centrum – sterk stedelijk) Toekomstige functie Koop, huis, vrijstaand (schil centrum – sterk stedelijk)
Norm
Eenheid
Generatie
7,9 mvt/ etmaal per 100 m² BVO
220 m²
17,4 mvt/ etmaal
Totaal
17,4 mvt/ etmaal
1 aantal
7,7 mvt/etmaal
Totaal
7,7 mvt/etmaal 9,7 mvt/etmaal
7,7 mvt/etmaal per woning Afname
Uit de bovenstaande tabel is af te lezen dat in de toekomstige situatie de verkeersgeneratie met circa 10 mvt/ etmaal afneemt. Het planvoornemen heeft een positief effect op de verkeersgeneratie ter plaatse. Het plangebied zal, net als in de bestaande situatie, ontsloten worden via de Emmastraat. De beoogde woning wordt aan de voorzijde van het perceel gesitueerd. Het perceel zal hierbij via een op- en afrit aan de niet aaneengebouwde zijde van de woning te bereiken zijn. Parkeren
In het kader van ‘een goede ruimtelijke ordening’ dient bij de vaststelling van een bestemmingsplan inzichtelijk te worden gemaakt dat aan de parkeerbehoefte voor de nieuwe woning wordt voldaan. Het aantal parkeerplaatsen wordt bepaald door de geldende ‘Nota Parkeernormen’ vastgesteld in december 2011 door de Raad van de gemeente Roosendaal. De parkeernormen in Roosendaal zijn gebaseerd op de gemiddelde parkeercijfers van het CROW. Binnen het plangebied wordt één ‘koophuis hoge prijsklasse’ ‘binnen centrumring’ ontwikkeld. Daarvoor geldt een parkeernorm van 1,4 per woning. Het uitgangspunt is dat parkeren zoveel mogelijk op eigen terrein wordt opgelost. Op het perceel zullen twee parkeerplaatsen op eigen terrein worden aangelegd. Het parkeren wordt derhalve volledig op eigen terrein afgehandeld. Conclusie
Het aspect ‘verkeer en parkeren’ vormt geen belemmering voor onderhavig planvoornemen.
NL.IMRO.1674.2158EMMASTRAAT5-0301
32
5.11
Waterparagraaf
Beleidskader
Europees beleid De Europese Kaderrichtlijn Water (2000/60/EG) is op 22 december 2000 in werking getreden en is bedoeld om in alle Europese wateren de waterkwaliteit chemisch en ecologisch verder te verbeteren. De Kaderrichtlijn Water omvat regelgeving ter bescherming van het binnenlandse oppervlaktewater, overgangswateren (waaronder estuaria worden verstaan), kustwateren en grondwater. Voor het uitwerken van de doelstellingen worden er op (deel)stroomgebied plannen opgesteld. In deze (deel)stroomgebiedbeheerplannen staan de ambities en maatregelen beschreven voor de verschillende (deel)stroomgebieden. Met name de ecologische ambities worden op het niveau van de deelstroomgebieden bepaald. Rijksbeleid Het Rijksbeleid op het gebied van waterbeheer is vastgelegd in het Nationaal Waterplan (NWP) 20222027 (vastgesteld 18 maart 2022). Het plan geeft op hoofdlijnen de ambities weer van het Rijk ten aanzien van het nationale waterbeleid en het daaraan gerelateerde ruimtelijke beleid. De belangrijkste ambities richten zich op waterveiligheid, bevaarbaarheid, waterkwaliteit en natuur, beschikbaarheid zoetwater en klimaatadaptatie.
De doorwerking van de beleidsambities/ uitgangspunten naar lagere overheden is geregeld in de Hoogwaterbeschermingsprogramma (HWBP), het Deltaprogramma Zoetwater, het Deltaprogramma Ruimtelijke adaptatie (DPRA), Integraal Riviermanagement (IRM), de Programmatisch Aanpak Grote Wateren (PAGW) en het Meerjarenprogramma Infrastructuur, Ruimte en Transport (MIRT). Provinciaal beleid Vigerend is het Regionaal Water en Bodem Programma 2022-2027 (RWP). Het RWP is de strategische basis voor het Brabantse water- en bodembeleid en-beheer voor de korte en de lange termijn, rekening houdend met Europese, landelijke, provinciale en regionale doelen, duurzaamheid en klimaatverandering. Het Regionaal Water en Bodem Programma 2022–2027 integreert de milieu- en de wateropgave. Doel van dit nieuwe RWP is: een klimaatadaptief Brabant met veilig, schoon en voldoende water en een vitale bodem. Deze opgaven zijn ook van belang voor vrijwel alle andere provinciale opgaven: wonen en werken, infrastructuur en mobiliteit, landbouw en voedsel, natuur en biodiversiteit, erfgoed, een concurrerende en duurzame economie, en de energietransitie. De ambitie van het RWP luidt: ‘Brabant heeft in 2050 een klimaatbestendig en veerkrachtig water- en bodemsysteem en is bestand tegen extremen’. Om deze ambitie te bereiken werkt het RWP 5 beleidsopgaven uit: 1. Voldoende water (o.a. Europese KRW-doelen); 2.
Schoon water (o.a. Europese KRW-doelen); 3. Waterveiligheid; 4. Vitale bodem; 5. Klimaatadaptatie.
NL.IMRO.1674.2158EMMASTRAAT5-0301
33 Beleid waterschap Brabantse Delta Het waterschap Brabantse Delta is verantwoordelijk voor de waterstaatkundige verzorging in de gemeente Roosendaal. Haar taken zijn waterkwantiteits en -kwaliteitsbeheer, de waterkeringzorg, waterzuivering, het grondwaterbeheer, het waterbodembeheer en vaak ook het scheepvaartbeheer. Het beleid en de daarmee samenhangende doelen van het waterschap zijn opgenomen in het waterbeheerprogramma 2022-2027. Zo zijn bijvoorbeeld relevante waterthema’s gekoppeld aan de belangrijkste ruimtelijke ontwikkelingen in de regio. Daarnaast heeft het waterschap, waar nodig, nog specifiek beleid en beleidsregels op de verschillende thema’s/speerpunten uit het waterbeheerprogramma. Naast het waterbeheerprogramma 2022-2027 heeft waterschap Brabantse Delta een eigen Keur, legger en verordeningen. De Keur bevat gebods- en verbodsbepalingen met betrekking tot ingrepen die consequenties hebben voor de waterhuishouding en het waterbeheer. De Keur is onder andere te raadplegen via de website van waterschap Brabantse Delta. De drie Brabantse waterschappen, Aa en Maas, De Dommel en Brabantse Delta, hebben hun keuren geharmoniseerd. De waterschappen Aa en Maas, Brabantse Delta en De Dommel hebben in de Noord-Brabantse Waterschapsbond (NBWB) besloten om de keuren te uniformeren en tegelijkertijd te dereguleren.
Hierbij is aangehaakt bij het landelijke uniformeringsproces van de Unie van Waterschappen. Er is conform het nieuwe landelijke model een sterk gedereguleerde keur opgesteld, met bijbehorende algemene regels en beleidsregels. Deze zijn voor de drie waterschappen gelijkluidend. De nieuwe uniforme keuren zijn gezamenlijk in werking getreden op 1 maart 2015. In de nieuwe keur is opgenomen dat het in beginsel verboden is om zonder vergunning neerslag door toename van verhard oppervlak of door afkoppelen van bestaand oppervlak, tot afvoer naar een oppervlaktewaterlichaam te laten komen. Dit verbod is van toepassing tenzij: a. het afkoppelen van verhard oppervlak maximaal 10.000 m² is, of; b. de toename van verhard oppervlak maximaal 500m² is, of; c. de toename van het verhard oppervlak bestaat uit een groen dak; d. de toename van verhard oppervlak tussen 500 m² en 10.000 m² is en compenserende maatregelen zijn getroffen om versnelde afvoer van hemelwater tegen te gaan, in de vorm van een voorziening met een minimale retentiecapaciteit conform de rekenregel: Benodigde retentiecapaciteit in (m³) = toename verhard oppervlak (in m²) x gevoeligheidsfactor x 0,06 Daarbij dient de voorziening te voldoen aan de volgende voorschriften: a. de bodem van de voorziening dient boven de gemiddelde hoogste grondwaterstand (GHG) te liggen; b.
de afvoer uit de voorziening via een functionele bodempassage naar het grondwater en/of via een functionele afvoerconstructie naar het oppervlaktewater plaatsvindt. Indien een afvoerconstructie wordt toegepast, dient deze een diameter van 4 cm te hebben; c. daarnaast moet er altijd een overloopconstructie zijn, om uitspoeling naar de sloot te voorkomen. Voor het overige zijn er in de keur diverse regels opgenomen om gebieden met een specifieke functie te beschermen, zoals de attentiegebieden en invloed gebieden Natura 2000. Er geldt een specifiek beschermingsregime, afhankelijk van het type gebied en de ligging in of nabij een beschermd gebied.
NL.IMRO.1674.2158EMMASTRAAT5-0301
34 Gemeentelijk beleid Het Verbreed Gemeentelijk Rioleringsplan (VGRP) 2020-2023 is een strategisch beheerplan waarin de zorgplichten van de gemeente Roosendaal zijn vastgelegd voor het afval-, hemel- en grondwater. In het VGRP 2020-2023 zijn doelstellingen voor de komende jaren vastgesteld. Daarbij is op basis van de gekozen strategie op hoofdlijnen aangegeven welke maatregelen uitgevoerd moeten worden om de gestelde doelen te bereiken en welke financiële middelen daarvoor nodig zijn. Hierbij worden ook de gevolgen voor de rioolheffing voor burgers en bedrijven aangegeven. Op welke wijze de noodzakelijke maatregelen, zoals vervanging van de riolering of hydraulische maatregelen, zullen worden uitgevoerd, wordt in latere operationele plannen opgenomen. De randvoorwaarden voor de uitvoering van het stedelijk watersysteem zijn vastgelegd in het document ‘Ontwerpen materiaaleisen ontwikkeling openbare ruimte Gemeente Roosendaal Team Beheer. Dit, alsmede nieuwe inzichten binnen de gemeente, hebben mede geleid tot de volgende aandachtspunten en mogelijkheden waarmee bij de verdere uitwerking van de waterhuishouding rekening kan worden gehouden: • • • •
•
Er komt geen hemelwaterriolering. Er zal gebruik worden gemaakt van oppervlakkige afvoer richting oppervlaktewaterstructuren. De wateropgave is 60 mm over het bruto oppervlak. In het plangebied bevindt zich een oud kokerriool dat kan dienen als afvoer- en bergingsvoorziening. Het kokerriool bevindt zich in goede staat en er zijn geen vuilwateraansluitingen op de koker aangesloten. Er kan een zuiverende voorziening (zoals een helofytenfilter) worden aangelegd waar het water doorheen wordt geleid. 30 - Er wordt een lagere ontwateringsdiepte onder het parkeerterrein toegestaan dan vastgesteld in het beleid van de gemeente. Negatieve effecten worden voorkomen door cunetdrainage. Op basis van de versterkte grondwatergegevens is door RHDHV de gemiddelde hoogste grondwaterstand (GHG) bepaald. Aangezien op basis van de metingen vooralsnog geen betrouwbare GHG is af te leiden zijn een tweetal scenario’s beschouwd: o Scenario 1: GHG = NAP + 1,90 meter o Scenario 2: GHG = NAP + 2,20 meter
Bij de uitwerking van het plan is uitgegaan van een GHG van NAP + 2,00 meter. •
•
Het waterpeil van het bestaande oppervlaktewater in het gebied wordt nu (actief) gehandhaafd op circa +1,50 meter. Dit blijft het uitgangspunt. Dit betekent dat er in de winter (bij hoge grondwaterstanden) grondwater wordt gedraineerd, gelijk aan de huidige situatie. De waterstand van het oppervlaktewater voor de berging van hemelwater, mag niet hoger zijn dan de GHG, omdat die anders tot grondwateroverlast buiten het plangebied kan leiden. Er kan dus maximaal een waterverschil van 0,5 meter worden geborgen.
Watertoets
Sinds 1 november 2003 is de zogenaamde Watertoets verplicht. Dat wil zeggen dat in elk ruimtelijk plan gemotiveerd moet worden aangegeven hoe met het water in het gebied wordt omgegaan en wat de ruimtelijke veranderingen voor het water betekenen.
NL.IMRO.1674.2158EMMASTRAAT5-0301
35 Huidige waterhuishouding Het plangebied ter grootte van 430 m² is in het geheel verhard. Het bedrijfspand kent een oppervlakte van 220 m², het verharde voorterrein kent een oppervlakte van 210 m². Ten tijde van natte perioden zal het hemelwater tussen de betegeling infiltreren in de bodem en stroomt het water af op de nabijgelegen straatkolk. Het plangebied ligt niet binnen een grondwaterbeschermingsgebied/ grondwaterbeschermingszone, Keur beschermde gebieden en/of waterbergingsgebied. In het plangebied zelf is geen open water aanwezig dat verbonden is met het watersysteem van het waterschap. Toekomstige waterhuishouding De ontwikkeling voorziet in de realisatie van één nieuwbouwwoning. In onderstaande tabel is de oppervlakteverdeling tussen de bestaande en toekomstige situatie weergegeven. Oppervlaktes Verharding (100% verhard) Dak (100% verhard) Groen (0%) verhard Totaal Verhard oppervlak
Huidige situatie 210 m² 220 m² 0 430 m² 430 m²
Toekomstige situatie 239 m² 105 m² 86 m² 430 m² 344 m²
Op basis van deze gegevens is er sprake van een verhardingsafname. Hiermee valt onderhavig planvoornemen binnen de grenswaarde van minder dan 500 m². Vanuit de Algemene Regel van het waterschap Brabantse Delta is er geen verplichting tot aanleg van een bergingsvoorziening. De gemeente Roosendaal hanteert echter een zwaarder wegend beleid voor watercompensatie. De gemeente gaat uit van het toekomstig verhard oppervlak. Met een toekomstig verhard oppervlak van 344 m² is er vanuit het VGRP een verplichting tot het aanbrengen van een bergingsvoorziening van volgens de norm 60mm/m². Voor het plangebied is de rekensom te maken: 344 m² * 60 mm = 21 m³. De realisatie van voldoende waterberging wordt door middel van een voorwaardelijke verplichting geborgd in het bestemmingsplan. Advies behandeling regenwater (HWA) In de toekomstige situatie neemt de verharding op het terrein af. Het type verharding wijzigt in de toekomstige situatie, waarbij een deel van het parkeerterrein verdwijnt en daar een woning voor in de plaatst komt. In de toekomstige situatie zal de afvoer van neerslag, afkomstig van de daken en verharding moeten worden opgevangen op eigen terrein. Het streven van de gemeente is om hemelwater zoveel mogelijk vast te houden in het gebied, bij voorkeur door het in de bodem te infiltreren.
Hiervoor wordt de volgende volgorde aangehouden: vasthouden – infiltreren in bodem – afvoer naar oppervlaktewater (aanliggend) – afvoer naar gemeentelijk hemelwaterriool. In het plangebied is geen ruimte om het water vast te houden. Ook is er geen (openbaar) groen in het plangebied waarin het hemelwater in geïnfiltreerd kan worden. In bovenstaande berekening is rekening gehouden met 20% tuin. Er bestaat de mogelijkheid om hemelwater te infiltreren in de tuin. Het hemelwater afvoeren naar oppervlakte water is niet mogelijk, omdat er geen oppervlaktewater in/ nabij het plangebied is gelegen. Om deze reden zal het hemelwater afkomstig van daken en verharding worden afgevoerd naar het gemeentelijke hemelwaterriool.
NL.IMRO.1674.2158EMMASTRAAT5-0301
36 Advies behandeling vuilwater (DWA) Het vuilwater vanuit het plangebied wordt aangesloten op het bestaande gemeentelijke rioolstelsel. Materiaalgebruik Uitlogende bouwmateriaal, zoals lood, koper, zink en zacht PVC kunnen een nadelige invloed hebben op het milieu. De stoffen kunnen zich ophopen in het water(bodem)systeem en hebben daardoor een zeer nadelige invloed op de water(bodem)kwaliteit en ecologie. Het gebruik van milieuvriendelijke bouwmaterialen wordt daarom aangeraden. Conclusie
Het aspect ‘waterparagraaf’ vormt geen belemmering voor onderhavig planvoornemen.
5.12
Vormvrije m.e.r.
Beleidskader
In onderdeel C en D van de bijlage van het Besluit m.e.r. is aangegeven welke activiteiten merplichtig zijn, of mer-beoordelingsplichtig. Voor deze activiteiten zijn in het Besluit m.e.r. drempelwaarde opgenomen. Het bevoegd gezag moet bij dergelijke activiteiten, voor zover deze niet aan de drempelwaarde voldoen, nagaan of er sprake kan zijn van belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu. De omstandigheden als bedoeld in bijlage III van de EEG-richtlijn milieueffectbeoordeling moeten hierbij in beschouwing genomen worden. Deze omstandigheden betreffen: • De kenmerken van het project; • De plaats van het project; • De kenmerken van de potentiële effecten. Onderzoek
Gelet op de kenmerken van het plan, zoals de kleinschaligheid in vergelijking met de norm van de drempelwaarde, de plaats van het project en de kenmerken van potentiële effect, zal uitvoering van het plan niet leiden tot belangrijke negatieve gevolgen voor het milieu. Dit blijkt ook uit de onderzoeken voor de verschillende milieuaspecten zoals die in voorgaande paragrafen zijn opgenomen. Conclusie
Voor deze bestemmingsplanwijziging is geen Mer-procedure of Mer-beoordelingsprocedure noodzakelijk.
NL.IMRO.1674.2158EMMASTRAAT5-0301
37
6.
PLANSYSTEMATIEK
6.1
Toelichting op de plansystematiek
In de voorgaande hoofdstukken is ingegaan op het plangebied, het relevante beleid en de milieu- en omgevingsaspecten. De informatie uit deze hoofdstukken is gebruikt om keuzes te maken bij het maken van het juridische deel van het bestemmingsplan: de verbeelding en de regels. In dit hoofdstuk wordt dieper ingegaan op de opzet van dit juridische deel. Daarnaast wordt een verantwoording gegeven van de gemaakte keuzes op de verbeelding en in de regels. Dat betekent dat er wordt aangegeven waarom een bepaalde functie ergens is toegestaan en waarom bepaalde bebouwing daar acceptabel is.
6.2
Opzet van de regels
Algemeen
In de Wet ruimtelijke ordening (Wro) die op 1 juli 2008 in werking is getreden, is de verplichting opgenomen om ruimtelijke plannen en besluiten digitaal vast te stellen. De digitaliseringsverplichting geldt vanaf 1 januari 2010. In de ministeriële Regeling standaarden ruimtelijke ordening is vastgesteld dat de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen (SVBP) de norm is voor de vergelijkbaarheid van bestemmingsplannen. Naast de SVBP zijn ook het Informatiemodel Ruimtelijke Ordening en de Standaard Toegankelijkheid Ruimtelijke Instrumenten normerend bij het bastleggen en beschikbaar stellen van bestemmingsplannen. De SVBP geeft normen voor de opbouw van de planregels en voor de digitale verbeelding van het bestemmingsplan. Dit bestemmingsplan is opgesteld conform de normen van de SVBP2012. Het juridisch bindend gedeelte van het bestemmingsplan bestaat uit planregels en bijbehorende verbeelding waarop de bestemmingen zijn aangegeven. Deze verbeelding kan zowel digitaal als analoog worden verbeeld. De verbeelding en de planregels dienen in samenhang te worden bekeken. De regels zijn onderverdeeld in vier hoofdstukken: 1. Inleidende regels; 2. Bestemmingsregels; 3. Algemene regels; 4. Overgang- en slotregels. Inleidende regels
Hoofdstuk 1 bevat de inleidende regels. Deze regels gelden voor het gehele plangebied en bevatten: Begrippen (Artikel 1) In dit artikel zijn definities van de in de regels gebruikte begrippen opgenomen. Hiermee is een eenduidige interpretatie van deze begrippen vastgelegd. Wijze van meten (Artikel 2) Dit artikel geeft op een eenduidige manier aan op welke wijze bouwhoogtes, afstanden, dakhellingen en oppervlakten moeten worden gemeten en hoe voorkomende eisen betreffende de maatvoering begrepen moeten worden.
NL.IMRO.1674.2158EMMASTRAAT5-0301
38 Bestemmingsregels
Wonen 2 (artikel 3) De voor ‘Wonen – 2’ aangewezen gronden zijn bestemd voor twee- aaneen gebouwde, geschakelde en vrijstaande woningen, aan-huis-gebonden-beroeps- of bedrijfsmatige activiteiten. Hoofdgebouwen mogen uitsluitend gebouwd worden ter plaatse van een bouwvlak. De afstand van twee-aaneen gebouwde hoofdgebouwen aan de niet aaneengebouwde zijde van het hoofdgebouw tot de zijdelingse perceelsgrens dient ten minste 3 meter te bedragen. De maximale goothoogte bedraagt de op de verbeelding aangegeven hoogte. De bouwhoogte mag niet meer bedragen dan 4 meter hoger dan de toegestane goothoogte. Algemene regels
Hoofdstuk 3 bevat de algemene regels. Deze regels gelden voor het gehele plangebied. Dit hoofdstuk is op gebouwd uit: • Anti-dubbeltelregel; • Algemene bouwregels; • Algemene gebruiksregels; • Algemene afwijkingsregels; • Algemene wijzigingsregels; • Algemene procedureregels. Overgangs- en slotregels
Het overgangsrecht geldt voor bouwwerken die ooit met een bouwvergunning of een melding zijn gebouwd, of een gebruik dat ooit is toegestaan, maar die nu vanwege een bestemmings- of beleidswijziging onder het overgangsrecht zijn gebracht. Het overgangsrecht is er op gericht dat deze bouwwerken uiteindelijk zullen verdwijnen of het gebruik ervan wordt beëindigd, zodat de situatie in overeenstemming komt met de gegeven bestemming. In beginsel mogen de bouwwerken die onder het overgangsrecht vallen, slechts in ondergeschikte mate gedeeltelijk worden vernieuwd of veranderd. Meestal is dat een eenmalige handeling aan het bouwwerk. Het is niet mogelijk om hiermee geheel of in stappen tot een nieuw bouwwerk te komen.
6.3
Verantwoording regels
Kenmerk van de Nederlandse ruimtelijke ordeningsregelgeving is dat er uitgegaan wordt van toelatingsplanologie. Een bestemmingsplan geef aan welke functies waar zijn toegestaan en welke bebouwing mag worden opgericht. Bij het opstellen van dit bestemmingsplan zijn toegestaan en welke bebouwing mag worden opgericht. Bij het opstellen van dit bestemmingsplan zijn keuzes gemaakt over welke functies waar worden mogelijk gemaakt en is gekeken welke bebouwing stedenbouwkundig toegestaan kan worden. Het is noodzakelijk dat het bestemmingsplan een compleet inzicht biedt in de bouw- en gebruiksmogelijkheden binnen het betreffende plangebied. Het bestemmingsplan is het juridische toetsingskader dat bindend is voor de burger en overheid en geeft aan wat de gewenste planologische situatie voor het plangebied is. In deze paragraaf worden de gemaakte keuzes nader onderbouwd. De bestemmingplanherziening is benodigd waarbij de huidige bestemming ‘Bedrijf – 2’ wordt omgezet naar de bestemming ‘Wonen – 2’. Er is gekozen om deze planologische richting in te slaan omdat onderhavig planvoornemen in strijd is met het vigerende bestemmingsplan. Binnen het vigerende bestemmingsplan zijn geen woningen toegestaan.
NL.IMRO.1674.2158EMMASTRAAT5-0301
39
6.4
Handhaving
Uit de jurisprudentie zoals die door de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State is gevormd, blijkt dat de gemeente haar handhavingstaak serieus moet nemen. Handhaving is een verplichting, waarvan alleen mag worden afgezien als er concreet zicht is op legalisatie van de overtreding, dan wel als handhaving zodanig onevenredig is in verhouding tot de daarmee te dienen belangen dat van optreden in die concrete situatie behoort te worden afgezien. Daar waar overtredingen worden geconstateerd, treedt de gemeente zo vroeg mogelijk op. Als de overtreder de overtreding niet vrijwillig beëindigt, dan maakt de gemeente gebruik van de haar ter beschikking staande handhavingsinstrumenten. Van handhaving kan alleen worden afgezien in situaties waarin dit op grond van de jurisprudentie is toegelaten. Blijkens de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht is het verboden om gronden en bouwwerken te gebruiken in strijd met een bestemmingsplan. Een overtreding hiervan is een strafbaar feit. Strafrechtelijk optreden is complementair op bestuursrechtelijke handhaving en kan met name ingezet worden bij overtredingen waarvan de gevolgen niet ongedaan gemaakt kunnen worden. Een voorbeeld hiervan is het kappen van houtwallen. Ook bij overtredingen die zich telkens herhalen en bij kortdurende overtredingen is deze aanpak wenselijk.
NL.IMRO.1674.2158EMMASTRAAT5-0301
40
7.
ECONOMSICHE UITVOERBAARHEID
Artikel 6.12 van de Wet ruimtelijke ordening stelt dat de gemeenteraad gelijktijdig met de vaststelling van het bestemmingsplan moet besluiten om al dan niet een exploitatieplan vast te stellen. Hoofdregel is dat een exploitatieplan moet worden vastgesteld bij elk bestemmingsplan. Er zijn echter uitzonderingen. Het is mogelijk dat de raad verklaart dat met betrekking tot een bestemmingsplan geen exploitatieplan wordt vastgesteld indien het verhaal van kosten van de grondexploitatie anderszins is verzekerd of het stellen van nadere eisen en regels niet noodzakelijk is. Op grond van artikel 6.12 lid 1 van de Wet ruimtelijke ordening (Wro) stelt de gemeenteraad een exploitatieplan vast voor gronden waarop een bij algemene maatregel van bestuur aangewezen bouwplan is voorgenomen. Van een dergelijk project of ontwikkeling is in dit geval geen sprake, omdat het niet voldoet aan onder andere het begrip bouwplan als bedoeld in artikel 6.12, eerste lid, van de Wet ruimtelijke ordening en zoals aangewezen in artikel 6.2.1 van het Besluit ruimtelijke ordening. De initiatiefnemer zal met de gemeente en anterieure overeenkomst sluiten om de kosten voor de begeleiding van het bestemmingsplan en de daarbij behorende procedures te verzekeren.
Hiermee wordt het verhaal van kosten van de grondexploitatie over in het plan begrepen gronden anderszins verzekerd en hoeft geen exploitatieplan conform de Wro te worden opgesteld.
NL.IMRO.1674.2158EMMASTRAAT5-0301
41
8.
OVERLEG, INSPRAAK EN ZIENSWIJZEN
8.1
Vooroverleg
In het kader van overleg ex artikel 3.1.1 van het Besluit ruimtelijke ordening, wordt het bestemmingsplan toegezonden aan een aantal overleginstanties, waarvan in ieder geval de provincie en het waterschap.
8.2
Inspraak
Het voorontwerpbestemmingsplan wordt, conform de gemeentelijke inspraakverordening, voorafgaand aan de formele bestemmingsplanprocedure voor inspraak vrijgegeven. Het voorontwerpbestemmingsplan wordt gedurende zes weken ter inzage gelegd. Gedurende deze inspraaktermijn wordt eenieder in de gelegenheid gesteld schriftelijk en/of mondeling te reageren op het bestemmingsplan. De ontvangen reacties worden te zijner tijd voorzien van een gemeentelijke beantwoording.
8.3
Zienswijzen
Het ontwerpbestemmingsplan heeft van 18 december 2023 tot en met 29 januari 2024 ter inzage gelegen. Tijdens de terinzagelegging zijn geen zienswijzen ingediend.
NL.IMRO.1674.2158EMMASTRAAT5-0301