5e - Bijlage Herelsestraat93-95-Bestemmingsplan.pdf
Tekst van het document
Figuur 6. Afbeelding van de te verwachten kabels en leidingen binnen het plangebied op basis van het KLIC (27 september 2023).
19 www.bagviewer.kadaster.nl.
Pagina | 22
AM23433
5. VELDWERKZAAMHEDEN 5.1
Algemeen
Het doel van het verkennend veldonderzoek door middel van boringen is het toetsen van de opgestelde gespecificeerde archeologische verwachting voor het plangebied (Hoofdstuk 4). Hiertoe zijn op 3 oktober 2023 in totaal zes boringen gezet (zie Bijlage 2 en 8). De boringen zijn uitgevoerd met een Edelmanboor met een diameter van 7 centimeter. De boordiepte varieert van 200 tot 250 centimeter onder maaiveld. De boorkernen zijn conform ASB (Archeologische Standaard Boorbeschrijving 5.2) beschreven, zie Bijlage 8. De hoogteligging van de boorpunten ten opzichte van NAP is afgeleid van het AHN4. 20 De maaiveldhoogte is nagenoeg gelijk binnen het plangebied en varieert tussen de 7,38 en 7,54 meter +NAP. Er is geen aanvullende oppervlakte kartering uitgevoerd in verband met de aanwezige bebouwing en bestrating.
Figuur 7. Foto van het centrale deel van het plangebied, kijkende in noordwestelijke richting (Foto: oktober 2023).
20 www.ahn.nl Pagina | 23
AM23433
5.2
Fysisch geografische beschrijving van de bodemopbouw
De top van de bodem wordt in boringen 1, 3, 4 en 5 gevormd door een grijsbeige, matig fijn, zwak silitig zandpakket. Het zand is (matig) goed tot matig slecht gesorteerd. De dikte van dit pakket varieert van 7 tot 48 cm. In boring 1 ligt onder deze laag een 35 cm dik pakket van matig fijn, zwak siltig zand. Het zand is donker beige grijs van kleur en slecht gesorteerd. Het pakket is zwak baksteenhoudend en bevat brokken gips en humeuze zandbrokken. Onder het bovenste pakket bevindt zich een matig humeus pakket van matig fijn, zwak silitig zand. Dit pakket ligt in boringen 2 en 6 direct aan het maaiveld. Het pakket is donker bruingrijs van kleur en tussen de 40 en 120 cm dik. Het pakket bevat spikkels houtskool (boringen 1 en 3), sporen van baksteen (in boringen 1, 2, 3, 6) en sporen van aardewerk (boring 2). In boringen 1 en 6 is onder dit humeuze pakket een 20 tot 30 centimeter dik zandpakket aangetroffen. Dit pakket bestaat uit zwak tot matig humeus, matig fijn, zwak siltig zand dat bruinbeige van kleur is. De top van deze laag bevindt zich op circa 90 – 95 cm beneden maaiveld (6,47 – 6,55 +NAP). In alle boringen is een oranje-, geelbeige of grijsbeige, matig tot zwak siltig zandpakket aangetroffen. Het zand is (matig) goed gesorteerd. De top van dit pakket ligt op 1,05 – 1,30 meter diepte beneden maaiveld (6,43 – 6,20 meter +NAP).
Het pakket is zwak roesthoudend in boringen 1, 4, 5 en 6. In boringen 1 en 5 heeft de overgang van de twee bovenstaande humeuze pakketten met het onderliggende zandpakket een zwak vlekkerig karakter. In de overige boringen is de overgang scherp. Onder de grijsbeige toplaag van boring 3 ligt een dikke matig humeuze laag die reikt tot de top van een grijsbeige zandlaag op ongeveer 220 meter beneden maaiveld (5,36 meter +NAP). Het dikke pakket is donker bruingrijs van kleur.
Figuur 8. Boorprofiel van boring 1, leesrichting van linksboven naar rechtsonder (0 – 200 centimeter) (Foto: oktober 2023). Pagina | 24
AM23433
5.3
Interpretatie
Alle boringen vertonen een AC-profiel. Hierbij bevindt de toplaag (Aa-horizont of Apb-horizont) zich op de natuurlijke ondergrond (C-horizont). De overgang tussen de A-horizont en de C-horizont is veelal scherp. In boringen 1, 3, 4 en 5 wordt de top van de bodem gevormd door een (sub-)recente opgebracht pakket. Deze zandlaag is waarschijnlijk aangelegd ter stabilisatie voor de klinkerverharding en bebouwing. De onderliggende A-horizont is tussen de 40 en 115 cm dik. Dit is een grote variatie. De verwachte laarpodzolgronden zijn daarmee aanwezig in het plangebied. In boringen 1 en 6 bevindt zich een 20 tot 30 cm dik zwak humeus zandpakket. Het betreft een Apb-horizont. In de rest van de boringen is deze laag afwezig. De schone C-horizont begint op een diepte variërend van 105 tot 130 centimeter beneden maaiveld. Dit komt neer op een gemiddelde diepte van 6,20 tot 6,43 meter +NAP. In boring 3 ligt de top van de C-horizont beduidend dieper, op circa 220 centimeter beneden maaiveld (5,36 meter +NAP). Het betreft dekzand uit het Laagpakket van Wierden, onderdeel van de Formatie van Boxtel. In boring 3 is sprake van een diepe verstoring tot circa 220 cm beneden maaiveld. De oorzaak van deze verstoring is met gebruik van beschikbare bronnen en het verkennend booronderzoek niet te achterhalen.
5.4
Archeologische indicatoren
Alhoewel geen doel van een verkennend veldonderzoek met boringen, is gelet op de aanwezigheid van archeologische indicatoren die kunnen wijzen op archeologische waarden in de ondergrond. Tijdens het onderzoek is in boring 2 een fragment van een aardwerken pijpje gevonden in de Aa-horizont, op 30 – 50 cm beneden maaiveld.
Pagina | 25
AM23433
6. CONCLUSIE 6.1
Algemeen
Op basis van het uitgevoerd verkennend veldonderzoek middels boringen kan worden gesteld dat de hoge zwarte enkeerdgronden aanwezig zijn. Op basis van het bureauonderzoek werden er laarpodzolgronden verwacht. Uit het verkennend booronderzoek blijkt dat de natuurlijke ondergrond uit dekzandafzettingen van het Laagpakket van Wierden (Formatie van Boxtel). Het zand is (matig) goed gesorteerd. De top van het dekzand bevindt zich op een diepte van circa 105 tot 130 centimeter onder maaiveld. Dit komt neer op een gemiddelde diepte van circa 6,20 tot 6,43 meter +NAP. Er is tijdens het veldonderzoek ook vastgesteld dat de bodem in meer of mindere mate verstoord is. In het plangebied bestaat de bodem veelal uit een scherp AC-bodemprofiel. De scherpe overgang naar de C-horizont is mogelijk het gevolg van een egalisatie voorafgaand aan de voormalige en huidige bebouwing in het plangebied en/of door opname in het bovenliggend dek middels (diep)ploegen. Dit betekent dat de top van het potentieel archeologisch niveau voor de periode jagers-verzamelaars niet meer intact is. Deze vindplaatsen zijn immers erg kwetsbaar en zullen, indien deze aanwezig zijn geweest, alleen nog exsitu kunnen worden aangetroffen. Op basis hiervan wordt de verwachting voor deze periode bijgesteld van middelhoog naar laag.
Voor de daaropvolgende periode van meer sedentaire bewoningsvormen met robuustere sporen kan worden gesteld dat deze naar verwachting nog goed aangetroffen kunnen worden. Op basis hiervan blijft de (middel)hoge verwachting voor de periode neolithicum – vroege middeleeuwen gehandhaafd. Uit de historische kaarten blijkt dat het plangebied sinds medio 19e eeuw bebouwd is. Het kan niet uitgesloten worden dat in de nieuwe tijd bebouwing aanwezig was. Een veldonderzoek middels boringen is derhalve geen geschikte methode voor het opsporen van deze dieper in gegraven heterogeen verdeelde sporen, zoals muren en funderingsresten. Om deze redenen blijft de middelhoge verwachting voor de periode late middeleeuwen - nieuwe tijd gehandhaafd.
6.2
Beantwoording onderzoeksvragen •
Is er sprake van stratigrafische lagen die potentieel archeologische waarden kunnen bevatten? Ja. In het plangebied bestaat de bodem uit veelal een scherp AC-profiel. Dit is mogelijk het gevolg van (sub)recente bewerking van de bodem. Het opgebrachte (plaggen)dek heeft een conserverende werking op de eventueel aanwezige archeologische resten. Eventuele archeologische resten kunnen aanwezig zijn op de overgang van de A-horizont (Ap- en/of Aa- en/of Apbhorizont) naar de C-horizont
•
In hoeverre zijn deze lagen intact en hoe reflecteert dit de kwaliteit van de mogelijk aanwezige archeologische resten? De afwezigheid van een oorspronkelijk (podzol)bodem kan duiden op bewerking van de bodem in het verleden. Eventuele archeologische resten van jagers-verzamelaars zullen daarom vermoedelijk niet meer in situ aanwezig zijn. Archeologische resten van latere perioden kunnen nog wel worden aangetroffen.
Pagina | 26
AM23433
•
Wat is de diepteligging van mogelijke archeologische resten en wat is de daadwerkelijke bedreiging van deze resten door de voorgenomen bodemingrepen? Eventueel aanwezige archeologische resten worden verwacht onder de A-horizont. Deze wordt vanaf 105 centimeter onder maaiveld aangetroffen. Ten tijde van dit onderzoek is de exacte einddiepte en locatie van de toekomstige ingrepen niet bekend. De graafwerkzaamheden bij de voorgenomen plantontwikkeling kunnen een negatieve impact hebben en resulteren in de aantasting van eventueel aanwezige archeologische resten.
Pagina | 27