31 - NL.IMRO.1674.1232GASTELSEWG237-0301 ruimtelijke onderbouwing.pdf
Tekst van het document
Archeologie
Toetsingskader
Om het aspect archeologie goed mee te wegen in de gemeentelijke ruimtelijke besluitvorming heeft de gemeente Roosendaal in 2010 een Erfgoedverordening opgesteld, waarin tevens het archeologisch beleid is vastgelegd. Dit beleid is vertaald naar het geldende bestemmingsplan. De gemeente is verplicht om archeologische randvoorwaarden mee te nemen in planologische afwegingen.
20220069 | Gastelseweg 237 te Roosendaal Ruimtelijke onderbouwing
| 24 van 38 d02
Afbeelding 5.3: Archeologische beleidskaart gemeente Roosendaal; globale ligging projectgebied is rood omcirkeld
Beoordeling en conclusie
Op basis van de archeologische beleidskaart van de gemeente is het projectgebied gelegen in een zone met een lage archeologische verwachting. Voor dergelijke locaties bestaat alleen een onderzoeksverplichting wanneer het gaat om een MER-plichtig projecten of projectontwikkeling met een oppervlakte van meer dan 1,0 hectare. Beide voorwaarden zijn niet van toepassing op dit project. Een archeologisch onderzoek kan daardoor achterwege blijven. Wel geldt er een meldingsplicht bij het aantreffen van archeologische vondsten conform de nationale archeologie wetgeving. Het aspect archeologie vormt geen belemmering voor dit initiatief. 5.6
Natuur Bij elke ruimtelijke ontwikkeling dient te worden aangetoond dat er geen negatieve effecten optreden voor ter plaatse aanwezige flora en fauna of dat er negatieve effecten optreden voor beschermde natuurgebieden (Natuurnetwerk Brabant of Natura 2000-gebieden) door bijvoorbeeld geluid, trilling of lichthinder. De natuurwet- en regelgeving kent twee sporen, een soortgericht spoor en een gebiedsgericht spoor. De bescherming van deze twee sporen is geregeld in de Wet natuurbescherming. Ruimtelijke plannen, zoals bestemmingsplannen, dienen te worden beoordeeld op de uitvoerbaarheid in relatie tot actuele natuurwetgeving.
Beoordeling
Bureau Veldbiologische Werken heeft een quickscan Wet natuurbescherming uitgevoerd. De rapportage van dit onderzoek is als bijlage aan deze ruimtelijke onderbouwing toegevoegd. De belangrijkste conclusies worden hierna weergegeven.
Beoordeling gebiedsbescherming Het plangebied is niet zichtbaar vanuit nabijgelegen Natura 2000-gebieden. Van optische verstoring van soorten in Natura 2000-gebieden is derhalve geen sprake. Gelet op de ligging van het plangebied en de beperkte impact van de ingreep, kan verstoring van soorten in Natura 2000-gebied door licht, geluid of trilling op voorhand worden uitgesloten. Significante gevolgen door oppervlakteverlies, verstoring door licht of geluid of optische verstoring zijn op voorhand met zekerheid uitgesloten. 20220069 | Gastelseweg 237 te Roosendaal Ruimtelijke onderbouwing
| 25 van 38 d02
Het plangebied valt buiten gebieden bestemd als ‘Nationaal Landschap‘. Het plangebied ligt buiten het Natuurnetwerk Nederland/Natuurnetwerk Brabant (NNN/NNB). Gezien de aard van de voorgenomen ingreep en het toekomstig gebruik is aantasting van Natuurnetwerk Nederland/Natuurnetwerk Brabant (NNN/NNB) redelijkerwijs uit te sluiten. Het plangebied ligt buiten specifieke zones en aanwijzingen uit het Provinciale natuurbeheerplan. Gezien de aard en omvang van de voorgenomen ingreep vallen redelijkerwijs geen effecten te verwachten die van invloed zijn op de doelstellingen van de Provinciale natuurvisie of anderszins Provinciaal natuurbeleid. Het dichtstbijzijnde Natura 2000 gebied ‘Brabantse Wal’ is gelegen op een afstand van circa 11 kilometer. Voor wat betreft indirecte effecten als gevolg van stikstofdepositie wordt verwezen naar de volgende paragraaf.
Soortenbescherming Uit de bevindingen van het veldonderzoek, het literatuur- en bronnenonderzoek en toetsing van de resultaten van dit onderzoek aan de Wet natuurbescherming en de Interim Omgevingsverordening Noord-Brabant, blijkt dat de uitvoering van de voorgenomen werkzaamheden niet wetsovertredend kunnen zijn t.a.v. beschermde soorten. Voor alle soortgroepen valt het redelijkerwijs uit te sluiten dat de geplande ingreep een overtreding vormt t.a.v. de Wet natuurbescherming dan wel de Interim Omgevingsverordening Noord-Brabant, mits wordt voldaan aan de in de rapportage beschreven voorwaarden. Er zijn geen strikte tegenstrijdigheden geconstateerd tussen realisatie van de voorgenomen activiteiten binnen het plangebied en de Interim Omgevingsverordening Noord-Brabant. In algemene zin moet ook de Zorgplicht in acht worden genomen. Deze Zorgplicht geldt met name ten aanzien van broedgevallen van alle vogelsoorten. Aangezien alle vogels tijdens het broeden zijn beschermd, kunnen werkzaamheden tijdens het broedseizoen leiden tot een overtreding van de Wet natuurbescherming. Waarbij wordt opgemerkt dat er geen vaste periode in het jaar voor het broedseizoen kan worden aangegeven. Voor aanvang van de werkzaamheden dient het plangebied gecontroleerd te worden op aanwezigheid van broedende vogels.
Ook tijdens de werkzaamheden dient regelmatige controle op aanwezigheid van broedende vogels plaats te vinden. Voorkom verstoring van nesten bij aanen afvoer van materieel. Plaats geen materiaal tegen beplanting. Ook voor mogelijke aanwezigheid van Egel of Konijn dient Zorgplicht in acht te worden genomen. Voorkom opslag van materialen waaronder dieren kunnen gaan verblijven. Als deze soorten worden waargenomen dienen zij zichzelf in veiligheid te kunnen brengen. Indien een soort die niet in deze rapportages wordt genoemd in het terrein wordt geconstateerd bij aanvang van de werkzaamheden, dient hier passend op te worden gereageerd. Het is hierbij nodig om contact op te nemen met een ter zake kundige en een maatregel toe te passen zodat de wet niet wordt overtreden. Conclusie
Gelet op het voorgaande wordt geconcludeerd dat het aspect natuur geen belemmeringen oplevert voor de haalbaarheid van dit initiatief.
20220069 | Gastelseweg 237 te Roosendaal Ruimtelijke onderbouwing
| 26 van 38 d02
5.7
Stikstofdepositie
Toetsingskader
De Wet natuurbescherming (Wnb) regelt de bescherming van natuurgebieden die uniek zijn voor Nederland en Europa, de bescherming van planten en dieren en van bossen en andere houtopstanden. De Wnb geeft uitvoering aan de verplichtingen van de Europese Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn. De gebiedsbescherming in de Wnb richt zich uitsluitend op Natura 2000-gebieden. Natura 2000 is een Europees netwerk van beschermde natuurgebieden waarin belangrijke flora en fauna voorkomen. In Nederland zijn ruim 160 Natura 2000-gebieden aangewezen. Per Natura 2000-gebied zijn instandhoudingsdoelen (voor soorten en vegetatietypen) opgesteld. Handelingen of activiteiten binnen en buiten beschermde natuurgebieden die schadelijk kunnen zijn voor de doelstellingen van het gebied zijn verboden, tenzij door het bevoegd gezag hier vergunning voor is verleend. Stikstof vormt een van de grootste belemmeringen voor het behalen van de Natura 2000-instandhoudingsdoelstellingen. In 118 van de Nederlandse Natura 2000-gebieden bevinden zich stikstofgevoelige habitattypen.
Op grond van artikel 2.7, tweede lid, Wnb is vastgelegd dat het verboden is zonder vergunning van Gedeputeerde Staten van de provincie een project te realiseren of andere handelingen te verrichten die gelet op de instandhoudingsdoelstellingen voor een Natura 2000-gebied de kwaliteit van de natuurlijke habitats of de habitats van soorten in dat gebied kunnen verslechteren of een significant verstorend effect kunnen hebben op de soorten waarvoor dat gebied is aangewezen. Samengevat betekent dat wanneer een plan gevolgen heeft voor het gebied, maar de instandhoudingsdoelstellingen van het gebied niet in gevaar brengt, significante gevolgen zijn uitgesloten. Indien op basis van objectieve gegevens blijkt dat er geen sprake is van een toename van stikstofdepositie, kan in ieder geval worden geconcludeerd dat er geen significant negatieve effecten zijn te verwachten voor de instandhoudingsdoelen van het betrokken Natura 2000-gebied. Bij het berekenen van de stikstofdepositie mogen in beginsel de bestaande feitelijke en planologische legale activiteiten op de planlocatie en de daarmee samenhangende vermindering van de stikstofdepositie in mindering worden gebracht op de toename van de stikstofdepositie als gevolg van het plan (ABRvS 24 december 2014, ECLI:NL:RVS:2014:4672).
Dat kan ertoe leiden dat per saldo de effecten op de stikstofgevoelige habitattypen in Natura 2000gebieden gelijk blijven (en soms zelfs verminderen als gevolg van het verdwijnen van bijvoorbeeld een agrarische functie). Er hoeft dan geen passende beoordeling te worden uitgevoerd. Indien uit onderzoek (de voortoets) blijkt dat significant negatieve effecten op de instandhoudingsdoelstellingen van de betrokken Natura 2000-gebieden niet kunnen worden uitgesloten, dan moet een vervolgonderzoek worden uitgevoerd (de ‘passende beoordeling’) en dient een Wnb vergunning te worden aangevraagd.
Beoordeling en conclusie
In de wijde omgeving van het bouwplan is het gebied ‘Brabantse Wal’ (± 11 km) gelegen. In onderstaande afbeelding is het Natura 2000-gebied weergegeven ten opzichte van het projectgebied (rode stip).
20220069 | Gastelseweg 237 te Roosendaal Ruimtelijke onderbouwing
| 27 van 38 d02
Afbeelding 5.4: Ligging Natura 2000-gebieden t.o.v. de globale ligging projectgebied
De realisatie van het bouwplan zorgt voor emissie van stikstof doordat de bouwactiviteiten verkeersbewegingen genereren en er (mobiele) werktuigen, voorzien van verbrandingsmotoren, op de bouwplaats in werking zijn. Nadat het bouwplan is opgeleverd vindt ook stikstofemissie plaatst tijdens het gebruik ervan. Uitgangspunten Sinds 1 juli 2021 is de ‘Spoedwet aanpak stikstof’ van kracht. Met deze spoedwet is artikel 2.9a toegevoegd in de Wet natuurbescherming. De strekking van dit artikel is dat de tijdelijke activiteiten voor de bouwsector niet hoeven te worden getoetst. Kortom, voor de sloop van de bestaande bebouwing en de bouw van de logiesgebouwen is geen onderzoek naar de stikstofdepositie uitgevoerd. Aangegeven is dat de nieuwe logiesgebouwen ‘gasloos’ worden gerealiseerd, waardoor er geen stikstof uitstotende installaties aanwezig zijn in de nieuwe gebouwen. Daardoor wordt de stikstofdepositie bepaald door de verkeersaantrekkende werking van gemotoriseerd verkeer in de toekomstige gebruiksfase. Onder het kopje ‘Verkeersgeneratie’ in paragraaf 3.2 is de maximale verkeersaantrekkende werking bepaald. De aangehouden verkeersgeneratie voor de logiesgebouwen bedraagt in totaal 192 verkeersbewegingen per etmaal. De nieuwe logiesgebouwen worden ontsloten op de Gastelseweg. Aangenomen is dat het verkeer hoofdzakelijk in zuidelijke richting gaat richting de Bochwerf/Wagonstraat.
Het extra verkeer op openbare wegen dient te worden beschouwd totdat het extra verkeer niet meer onderscheidend is ten opzichte van het overige verkeer en daarmee is opgenomen in het heersende verkeersbeeld. Volgens de Raad van State is dit het geval op het moment dat het aanen afrijdende verkeer door zijn snelheid en rij- en stopgedrag niet meer onderscheidend is van het
20220069 | Gastelseweg 237 te Roosendaal Ruimtelijke onderbouwing
| 28 van 38 d02
overige verkeer dat zich op de betrokken weg bevindt. Voor onderhavige situatie is hiervan sprake bij de kruising van de Gastelseweg met de Borchwerf/Wagonstraat. Omdat aangenomen is dat de bouw van de nieuwe logiesgebouwen in 2022 wordt afgerond. Voor de toekomstige gebruiksfase is in de berekening rekening gehouden met het zichtjaar 2022 aangehouden (=worst-case). Berekeningsresultaten De berekening van de stikstofdepositie ter plaatse van stikstofgevoelige habitattype binnen de nabijgelegen Natura 2000-gebieden is uitgevoerd met behulp van de AERIUS Calculator 2021 (releasedatum 13 januari 2022). De calculator rekent op basis van het Operationele Prioritaire Stoffen model (OPS) versie 5.0.1.3 van het RIVM. Uit de berekeningen blijkt voor de toekomstige gebruiksfase het volgende: Er zijn geen rekenresultaten hoger dan 0,00 mol/ha/jaar Dit houdt in dat, met betrekking tot stikstofdepositie, negatieve effecten op stikstofgevoelige habitaten leefgebieden zijn uit te sluiten. De natuurlijke kenmerken van de stikstofgevoelige gebieden blijven onaangetast. Hieruit wordt geconcludeerd dat de toekomstige gebruiksfase van de nieuwe logiesgebouwen Gastelseweg wordt uitgezonderd van de vergunningplicht. Op grond van de Wet Natuurbescherming geldt een vrijstelling van de vergunningplicht en is nader onderzoek niet noodzakelijk. De Wet natuurbescherming vormt daarom geen belemmering.
Voor de gedetailleerde ingevoerde emissiebronnen en rekenresultaten voor de toekomstige gebruiksfase wordt verwezen naar het berekeningsjournaal van de AERIUS Calculator dat als bijlage bij deze ruimtelijke onderbouwing is gevoegd. 5.8
Geluid
Toetsingskader
Een logiesgebouw is op grond van artikel 1.2 van het Besluit geluidhinder niet aangewezen als een (ander geluids)gevoelig gebouw. Hierdoor zijn de geluidgrenswaarden uit het Activiteitenbesluit milieubeheer niet van toepassing. In het kader van een goede ruimtelijke ordening zijn de geluidsaspecten desalniettemin beoordeeld. Daarbij is als streefwaarde de grenswaarden voor het binnenniveau van nieuwe woningen aangehouden.
Beoordeling en conclusie
Door Agel Adviseurs is een onderzoek verricht naar de akoestische aspecten. Van dit onderzoek is een rapport opgesteld dat als bijlage bij deze ruimtelijke onderbouwing is gevoegd. In het rapport worden de volgende conclusies getrokken: Vanuit de huidige akoestische regelgeving is een logiesgebouw niet aan te merken als geluidgevoelige bebouwing, waardoor grenswaarden en eisen omtrent geluidhinder niet van toepassing zijn. In het kader van een goede ruimtelijke ordening is onderzocht welke gevelmaatregelen noodzakelijk zijn om aan een goed woon- en leefklimaat te voldoen in de geluidgevoelige vertrekken van de logiesgebouwen. Daarbij is als streefwaarde de grenswaarden voor het binnenniveau van nieuwe woningen aangehouden. Met het treffen van de aangegeven geluidisolerende gevelmaatregelen (zie hoofdstuk 5 en bijlage 4 van het akoestisch rapport) wordt aan de gestelde streefwaarden voldaan. Daardoor is er sprake van een goed woon- en leefklimaatin de units van de logiesgebouwen. 20220069 | Gastelseweg 237 te Roosendaal Ruimtelijke onderbouwing
| 29 van 38 d02
Op basis van de resultaten van het akoestisch onderzoek wordt vastgesteld dat voldoende aannemelijk is gemaakt dat ter plaatse van de logiesgebouwen met de toegepaste geluidisolerende maatregelen aan de geluidgrenswaarden uit het Activiteitenbesluit milieubeheer voor het binnenniveau wordt voldaan. Daardoor is sprake van een goed woon- en leefklimaat in de units van de logiesgebouwen. 5.9
Externe veiligheid
Toetsingskader
Activiteiten met gevaarlijke stoffen leveren risico’s op voor de omgeving. Het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi), het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) en het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) vormen op dit moment het wettelijk kader voor het omgaan met deze risico’s. Door het stellen van eisen aan afstanden tussen de activiteiten met gevaarlijke stoffen en (beperkt) kwetsbare objecten (woningen, kantoren, scholen, enz.) worden de eventuele gevolgen van deze risico’s zoveel mogelijk beperkt. In het externe veiligheidsbeleid wordt onderscheid gemaakt in het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR). Het PR is de kans per jaar dat een persoon op een bepaalde plaats overlijdt als rechtstreeks gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen, indien hij onafgebroken en onbeschermd op die plaats zou verblijven. Het PR wordt weergegeven met risicocontouren rondom een inrichting of langs een vervoersas. Het GR drukt de kans per jaar uit dat een groep mensen van minimaal een bepaalde omvang overlijdt als rechtstreeks gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Voor het GR geldt een oriëntatiewaarde. De gemeente heeft een verantwoordingsplicht als het GR toeneemt en/of de oriëntatiewaarde overschrijdt.
Beoordeling en conclusie
Om te bepalen of er in de directe omgeving van het projectgebied risicobronnen aanwezig zijn, is de risicokaart geraadpleegd. In de volgende afbeelding is een uitsnede van de risicokaart opgenomen. Uit de afbeelding blijkt dat de nieuwe logiesgebouwen niet worden gebouwd binnen 200 meter van een transportroute gevaarlijke stoffen, maar ook niet in het invloedsgebied een buisleiding of een risicovolle inrichting. Om deze reden is het uitvoeren van een groepsrisicoberekening naar de hoogte en toename van het groepsrisico niet benodigd. In de omgeving van de nieuwe logiesgebouwen zijn vier transportroutes gevaarlijke stoffen aanwezig, te weten de spoorlijnen Roosendaal - Lage Zwaluwe ( 445 m) en Roosendaal - Breda ( 1,3 km) en de Rijkswegen A17 ( 750 m) en A58 ( 2,3 km). Over al deze transportroutes worden zowel brandbare als toxische stoffen vervoerd. Het invloedsgebied van de toxische stoffen die over alle 4 de transportroutes worden vervoerd is over de nieuwe logiesgebouwen gelegen. Daarnaast is over het zuidoostelijke gedeelte van de locatie is tevens het invloedsgebied van brandbare stoffen die over de spoorlijn Roosendaal - Lage Zwaluwe worden vervoerd.
20220069 | Gastelseweg 237 te Roosendaal Ruimtelijke onderbouwing
| 30 van 38 d02
Afbeelding 5.5: Uitsnede risicokaart; globale ligging projectgebied aangeduid met groene stip Op basis van artikel 7 van het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) dient daardoor inzicht te worden gegeven in de aspecten bestrijdbaarheid en zelfredzaamheid. De nieuwe logiesgebouwen zijn niet specifiek bedoeld voor het huisvesten van minder zelfredzame personen, zoals kinderen of ouderen. Dit betekent dat personen zich bij een eventuele dreigende situatie over het algemeen op eigen kracht goed in veiligheid kunnen brengen. Gelet op het voorgaande kan worden volstaan met de standaard verantwoording groepsrisico. De Standaard Verantwoording Groepsrisico gemeente Roosendaal, opgesteld door de Omgevingsdienst Midden- en West-Brabant, is als bijlage toegevoegd aan de ruimtelijke onderbouwing. Vanuit het aspect externe veiligheid zijn derhalve geen belemmeringen aanwezig voor de nieuwe logiesgebouwen. Het aspect buisleidingen en externe veiligheid vormt geen belemmering voor onderhavig planvoornemen. 5.10 Luchtkwaliteit
Toetsingskader
Het onderzoek naar luchtkwaliteit wordt uitgevoerd op grond van hoofdstuk 5, titel 5.2 ‘Luchtkwaliteitseisen’ van de Wet milieubeheer (Wm). De titel 5.2 ‘Luchtkwaliteitseisen’ is beter bekend als de Wet luchtkwaliteit. Een belangrijk onderdeel van de Wet luchtkwaliteit is het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL). Het NSL is een bundeling maatregelen op regionaal, nationaal en internationaal niveau die de luchtkwaliteit verbeteren. Daarnaast zijn daarin alle ruimtelijke ontwikkelingen opgenomen die de luchtkwaliteit verslechteren. Het doel van de NSL is om overal in Nederland te voldoen aan de Europese normen voor de luchtverontreinigende stoffen. Voor wegverkeer zijn stikstofdioxide (NO2), fijnstof (PM10) en zeer fijnstof (PM2,5) de belangrijkste stoffen. De gestelde grenswaarden zijn weergegeven in onderstaande tabel. 20220069 | Gastelseweg 237 te Roosendaal Ruimtelijke onderbouwing
| 31 van 38 d02
Tabel 5.2: Overzicht grenswaarden NO2, PM10 en PM2,5 Stof Grenswaarde NO2 jaargemiddelde grenswaarde 40 µg/m3 PM10 jaargemiddelde grenswaarde 40 µg/m3 PM10 24 uurgemiddelde grenswaarde 35 dagen > 50 µg/m3 PM2,5 jaargemiddelde grenswaarde 25 µg/m3
Naast de introductie van het NSL is het begrip ‘niet in betekenende mate’ (NIBM) bijdragen een belangrijk onderdeel van de Wet luchtkwaliteit. Een project draagt NIBM bij aan de verslechtering van de luchtkwaliteit als de NO2 en PM10 jaargemiddelde concentraties niet meer toenemen dan 1,2 µg/m3. In dat geval is de ontwikkeling als NIBM te beschouwen. In de ‘Regeling niet in betekenende mate bijdrage (luchtkwaliteitseisen)’ (Regeling NIBM) zijn voor verschillende functiecategorieën cijfermatige kwantificaties opgenomen, waarbij een ontwikkeling als een NIBM-project kan worden beschouwd. Deze categorieën betreffen landbouwinrichtingen, spoorwegemplacementen, kantoorlocaties, woningbouwlocaties en een combinatielocatie van woningbouw en kantoren. Een ruimtelijke ontwikkeling kan volgens de Wet luchtkwaliteit doorgang vinden als: de ontwikkeling is opgenomen in het NSL; de ontwikkeling aangemerkt wordt als een NIBM-ontwikkeling; de gestelde grenswaarden in bijlage 2 van de Wet luchtkwaliteit niet worden overschreden; projectsaldering wordt toegepast. Voor zover de ruimtelijke ontwikkeling is opgenomen in het NSL of de ontwikkeling kan worden aangemerkt als NIBM-project is toetsing aan de grenswaarden van de Wet luchtkwaliteit niet nodig.
Beoordeling en conclusie
De realisatie van logiesgebouwen, welke gelijk worden gesteld aan een hotelfunctie, past niet in één van de hiervoor genoemde functiecategorieën. Daardoor is een onderzoek nodig om aan te tonen of aan de normen van de Wet luchtkwaliteit wordt voldaan. Voor kleine ontwikkelingen is een specifieke rekentool ontwikkeld waarmee op een eenvoudige en snelle manier kan worden bepaald of er sprake is van een NIBM bijdrage. In deze tool wordt de toename van de jaargemiddelde concentraties NO 2 en PM10 aan de hand van de verkeerstoename als gevolg van de realisatie van de logiesgebouwen. De verwachte verkeersaantrekkende werking voor de logiesgebouwen is bepaald op basis van kengetallen uit de CROW-publicatie 381 ‘Toekomstbestendig parkeren, van parkeerkencijfers naar parkeernormen’. Voor het bepalen van de verkeersgeneratie is voor de onderhavige locatie uitgegaan van een stedelijkheidsgraad dat is aan te merken als ‘weinig stedelijk’ en is gelegen in een gebied dat wordt aangeduid als ‘rest bebouwde kom’. Onder het kopje ‘Verkeersgeneratie’ in paragraaf 3.2 is de maximale verkeersaantrekkende werking bepaald. De aangehouden verkeersgeneratie voor de logiesgebouwen bedraagt in totaal 192 verkeersbewegingen per etmaal. In de volgende afbeelding is de ingevulde NIBM-tool (versie 2021) weergegeven.
20220069 | Gastelseweg 237 te Roosendaal Ruimtelijke onderbouwing
| 32 van 38 d02
Afbeelding 5.6: Resultaten NIBM-rekentool, versie 2021
Uit de berekeningen met de NIBM-rekentool blijkt, dat de jaargemiddelde concentratie NO2 maximaal 0,13 µg/m3 toeneemt en de jaargemiddelde concentratie PM 10 maximaal 0,03 µg/m3. De beide toenamen zijn ruimschoots lager dan de toegestane NIBM-norm van 1,2 µg/m3. Daardoor draagt de toename van het verkeer door de realisatie van de logiesgebouwen NIBM bij aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Toetsing aan de grenswaarden uit de Wet luchtkwaliteit is niet aan de orde. Op basis van artikel 5.16, lid 1 aanhef en onder c Wm leidt het aspect luchtkwaliteit dan ook niet tot belemmeringen voor de realisatie van de logiesgebouwen. In het kader van een goede ruimtelijke ordening zijn de jaargemiddelde concentraties NO 2, PM10 en PM2,5 in de omgeving van het adres Gastelseweg 237 inzichtelijk gemaakt op basis van de gegevens in de NSL-monitoringstool. In deze tool is onder andere de Gastelseweg opgenomen. In de afbeelding hieronder zijn de concentraties NO2, PM10 en PM2,5 voor het peiljaar 2020 nabij de locatie weergegeven. Deze concentraties zijn afkomstig uit de NSL-monitoringstool 2020.
Afbeelding 5.7: Overzicht concentraties NO2, PM10 en PM2,5, peiljaar 2020 (NSL-monitoringstool 2020)
20220069 | Gastelseweg 237 te Roosendaal Ruimtelijke onderbouwing
| 33 van 38 d02
Uit de voorgaande afbeelding blijkt dat in de omgeving van het projectgebied de jaargemiddelde concentraties NO2, PM10 en PM2,5 respectievelijk maximaal 18 µg/m3, 18 µg/m3 en 11 µg/m3 bedraagt. De jaargemiddelde grenswaarden voor NO2, PM10 (beide 40 µg/m3) en PM2,5 (25 µg/m3) worden niet overschreden. Het aantal overschrijdingsdagen van de 24 uurgemiddelde concentratie is maximaal 6, waardoor het maximum van 35 dagen eveneens niet wordt overschreden. De algemene trend is dat in de toekomst de emissies en de achtergrondconcentraties van deze stoffen zullen dalen. Overschrijdingen van de grenswaarden zijn dan ook in de toekomst niet te verwachten. Vanwege de algemene trend dat de emissies en achtergrondconcentraties zullen dalen worden er ook in de toekomst geen overschrijdingen verwacht, waardoor er sprake is van een acceptabel woon- en leefklimaat. 5.11 Veehouderijen Op basis van WEB bvb van de provincie Noord-Brabant is een analyse gemaakt van de aanwezige (intensieve) veehouderijen binnen 2 km van het plangebied. Binnen een straal van 2 km bevinden zich 9 veehouderijen waarvan 3 intensieve veehouderijen. In afbeelding 5.8 is de ligging van de omliggende (intensieve) veehouderijen weergegeven en in tabel 5.3 zijn de bijbehorende kenmerken opgenomen.
4.
3. 2. 5.
9. 8. 6.
7. 1.
Afbeelding 5.8: Inventarisatie (intensieve) veehouderijen binnen 2 km plangebied
20220069 | Gastelseweg 237 te Roosendaal Ruimtelijke onderbouwing
| 34 van 38 d02
Tabel 5.3: Overzicht kenmerken omliggende (intensieve) veehouderijen Nr. Adres Gemeente Bedrijfstype 1 2 3 4 5 6 7 8 9
Spiekestraat 26 Oude Roosendaalsebaan 2 Opperstraat 2A Roosendaalsebaan 84C Oude Roosendaalsebaan 5 Meirestraat 70 Vogelenzangstraat 6 Vaartkant 3A Vlietweg 32
Roosendaal Halderberge Halderberge Halderberge Halderberge Roosendaal Roosendaal Roosendaal Roosendaal
Paarden Zeugen Melkrundvee Paarden Schapen Melkrundvee Melkrundvee Vleesvarkens Melkrundvee
Emissies Geur 0 Ou/s 20.872 Ou/s 0 Ou/s 0 Ou/s 234 Ou/s 0 Ou/s 0 Ou/s 2.760 Ou/s 0 Ou/s
Fijnstof 0,00 kg/jaar 66,48 kg/jaar 2,01 kg/jaar 0,00 kg/jaar 0,00 kg/jaar 2,51 kg/jaar 6,78 kg/jaar 18,36 kg/jaar 5,58 kg/jaar
Ammoniak 250 kg/jaar 745 kg/jaar 233 kg/jaar 246 kg/jaar 21 kg/jaar 290 kg/jaar 371 kg/jaar 550 kg/jaar 522 kg/jaar
Wet geurhinder en veehouderijen
De Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) en/of het Activiteitenbesluit vormt het toetsingskader voor de geurhinder vanuit de omliggende veehouderijen. Dat kader stelt normen aan de geurbelasting van veehouderijen op geurgevoelige objecten (alleen intensieve veehouderijen) en stelt minimale afstanden vast van veehouderijen tot geurgevoelige objecten (alle veehouderijen). De dichtstbij gelegen veehouderij betreft de veehouderij aan de Vaartkant 3a. De afstand van deze veehouderij tot het plangebied bedraagt ongeveer 600 meter, zodat kan worden geconcludeerd dat voldaan wordt aan de algemeen geldende vaste afstanden en de vaste afstanden uit de Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) die gelden voor niet-intensieve veehouderijen. Roosendaal bevindt zich in een niet-concentratiegebied en het plangebied is gelegen binnen de bebouwde kom zodat voor het plangebied een eis van 2 OU/m3 van toepassing is voor de geur afkomstig van de intensieve veehouderijen. Middels berekening is de cumulatieve geurbelasting ten gevolge van alle intensieve veehouderijen binnen een straal van 2 km inzichtelijk gemaakt. De berekeningen zijn gebaseerd op de gegevens uit Web bvb. Hieruit blijkt dat sprake is van een cumulatieve geurbelasting van maximaal 0,17 OU/m3. Hiermee wordt ruim voldaan aan de grenswaarde van 2 OU/m3 die geldt van één intensieve veehouderij.
Bij een cumulatieve geurbelasting van 0,17 OU/m3 is sprake van een ‘zeer goed’ woon- en leefklimaat voor het milieuaspect geur en veehouderij. Verder bevinden zich tussen de veehouderijen en het plangebied bestaande woningen zodat de veehouderijen als gevolg van de realisatie van het nieuwe geurgevoelige object niet (aanvullend) worden beperkt in hun mogelijkheden.
Gezondheid en veehouderijen
Het Ondersteuningsteam Veehouderijen en Volksgezondheid van het Bestuurlijk Platform Omgevingsrecht (BPO) heeft de ‘Notitie Handelingsperspectieven Veehouderij en Volksgezondheid: Endotoxine toetsingskader 1.0’ opgesteld. Deze notitie haakt in op de lopende ontwikkelingen van het landelijke endotoxinetoetsingskader. Voor iedere individuele varkens- en pluimveehouderij dient bepaald te worden of de endotoxineblootstelling op zijn omgeving niet te hoog is. De Gezondheidsraad stelt dat de endotoxineblootstelling is te hoog als de advieswaarde van 30 EU/m3 wordt overschreden. De toetsing vindt plaatse met behulp van afstandscontouren, waarbij de afstand afhankelijk per gehouden diersoorten en de totale jaarlijkse uitstoot fijn stof (in kg). Voor de varkens- en pluimveehouderijen worden de afstandscontouren als volgt bepaald: Vleeskuikens (variabele emissie): y=p1 * xp2 (p1=6,46065585 en p2=0,9242746); Leghennen (constante emissie): y=p1 * xp2 (p1=14,1291356 en p2=0,31511434); Vleesvarkens (constante emissie): y=p1 * ln(x) - p2 (p1=60,0608184 en p2=231,712643). In deze formules is y de afstandscontour en x is de PM 10 emissie in kg/jaar.
20220069 | Gastelseweg 237 te Roosendaal Ruimtelijke onderbouwing
| 35 van 38 d02
Uit tabel 5.3 blijkt dat binnen 2 km van het plangebied één intensieve veehouderij met vleesvarkens aanwezig is. Dit betreft de veehouderij op het adres Vaartkant 3a en bevindt zich op ongeveer 600 meter van het plangebied. De PM10 emissie voor de veehouderij aan de Vaartkant 3a bedraagt 18,36 kg/jaar. Bij invulling van de voorgaande formule wordt een negatieve afstandscontour berekend, waardoor de endotoxine niet belemmerend is door het voorgenomen initiatief.
Gezondheid en geitenhouderijen
Uit het RIVM Rapport 2017-0062 (Veehouderij en Gezondheid (VGO) (aanvullende studies)) komt naar voren dat omwonenden van o.a. geitenhouderijen, tot een afstand van 2 km, een grotere kans hebben op het krijgen van een longontsteking. Naar aanleiding daarvan hebben Provinciale Staten van Noord-Brabant besloten tot een moratorium op de geitenhouderij, om het uitbreiden van dierverblijven en omschakelen naar geitenhouderijen tegen te gaan. Uit tabel 5.3 blijkt dat binnen 2 km rondom het plangebied geen geitenhouderij aanwezig is, waardoor dit aspect geen belemmering oplevert. 5.12 Kabels en leidingen Planologisch relevante kabels, leidingen (zoals waterleidingen of rioleringsleidingen), beschermingszones en straalpaden dienen te worden beschermd tegen ingrepen die de werking ervan kunnen bedreigen. Aan de andere kant dient de omgeving te worden beschermd tegen het gevaar dat van bestaande en toekomstige leidingen, kabels en hoogspanningslijnen kan uitgaan. In of nabij het plangebied bevinden zich geen overige planologisch relevante kabels, leidingen en/of straalpaden. Derhalve zijn er geen belemmeringen ten aanzien van technische infrastructuur. 5.13 Milieueffectrapportage
Toetsingskader
Het maken van een milieueffectrapport is nodig bij de voorbereiding plannen en besluiten, die activiteiten mogelijk maken die belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kunnen hebben. In onderdeel C van de bijlage bij het Besluit milieueffectrapportage (Besluit m.e.r.) staan de activiteiten benoemd waarvoor het maken van een milieueffectrapport verplicht is. In onderdeel D van de bijlage het Besluit m.e.r. staan de activiteiten benoemd waarvoor een m.e.r.beoordelingsplicht geldt: er moet worden beoordeeld of sprake is van (mogelijke) belangrijke nadelige milieugevolgen. Als deze niet uitgesloten kunnen worden moet een milieueffectrapport worden gemaakt. Kunnen belangrijke nadelige milieugevolgen wel uitgesloten worden, dan is het maken van een milieueffectrapport niet nodig. Voor de activiteiten in onderdeel D gelden indicatieve drempelwaarden. Boven de drempelwaarden is een m.e.r.-beoordeling nodig. Beneden de drempelwaarden is voor deze activiteiten sprake van een vormvrije m.e.r.-beoordelingsplicht. Deze vormvrije m.e.r.-beoordeling kan tot twee conclusies leiden: Belangrijke nadelige milieugevolgen zijn uitgesloten: er is geen m.e.r-beoordeling noodzakelijk; Belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu zijn niet uitgesloten: er moet een m.e.r-beoordeling plaatsvinden of er kan direct worden gekozen voor een milieueffectrapportage.
Beoordeling en conclusie
De oprichting van een logiesvoorziening voor arbeidsmigranten is geen activiteit die voorkomt in onderdeel C van de bijlage bij het Besluit m.e.r. Er geldt daarom geen rechtstreekse plicht tot het maken van een milieueffectrapport. 20220069 | Gastelseweg 237 te Roosendaal Ruimtelijke onderbouwing
| 36 van 38 d02
In dit geval kan sprake zijn van een activiteit als bedoeld in categorie 11.2, onderdeel D, van de bijlage bij het Besluit m.e.r., namelijk een stedelijk ontwikkelingsproject. Voor een stedelijk ontwikkelingsproject zijn in het Besluit m.e.r. drie indicatieve drempelwaarden opgenomen: een oppervlakte van 100 hectare of meer, een aaneengesloten gebied en 2000 of meer woningen, of een bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m2 of meer. De ontwikkeling die met dit plan wordt mogelijk gemaakt, overschrijdt deze drempelwaarden niet. Het projectgebied behoort niet tot een waterwinlocatie, waterwingebied of grondwaterbeschermingsgebied. Ook behoort het projectgebied niet tot een gebied waarbinnen een Rijksmonument ligt en maakt het geen onderdeel uit van een Belvédèregebied. Er is derhalve geen sprake van een landschappelijk waardevol gebied. Het projectgebied ligt op een afstand van circa 9,5 km van de grens met België. Gelet op de aard en omvang van het project is er geen sprake van grensoverschrijdende effecten. Gelet op de kenmerken van het project (zoals het karakter in vergelijking met de drempelwaarden uit het Besluit m.e.r.), de plaats van het project en de kenmerken van de potentiële effecten zullen geen belangrijke negatieve milieugevolgen optreden.
Dit blijkt ook uit de beoordeling van de verschillende milieuaspecten zoals deze in de voorgaande paragrafen zijn opgenomen. Het plan heeft geen significant negatieve gevolgen voor het woon- en leefmilieu in de omgeving. Er worden ook geen significant negatieve effecten verwacht vanwege de ligging van het plangebied ten opzichte van gevoelige gebieden. Derhalve kan worden geconcludeerd dat er geen sprake is van een mer-plicht.
20220069 | Gastelseweg 237 te Roosendaal Ruimtelijke onderbouwing
| 37 van 38 d02
6
Uitvoerbaarheid
6.1
Economische uitvoerbaarheid Wanneer sprake is van een bij algemene maatregel van bestuur aangewezen bouwplan (zoals gedefinieerd in artikel 6.2.1 Besluit ruimtelijke ordening) dient hierbij conform artikel 6.12 Wet ruimtelijke ordening een exploitatieplan te worden opgesteld. Deze eis is echter niet van toepassing wanneer het kostenverhaal anderszins is verzekerd. De gronden zijn in eigendom van de opdrachtgever. De voorbereidings- en uitvoeringskosten komen voor rekening van de initiatiefnemer. Tussen de gemeente Roosendaal en de initiatiefnemer is bovendien een anterieure overeenkomst gesloten. Het plan is voor de gemeente derhalve een kostenneutrale ontwikkeling. Het opstellen van een exploitatieplan kan hiermee achterwege blijven en de financiële uitvoerbaarheid is gewaarborgd.
6.2
Maatschappelijke uitvoerbaarheid In het kader van de voorbereiding van voorliggend plan heeft vanuit de initiatiefnemer afstemming plaatsgevonden met omwonenden en omliggende bedrijven. Omgevingsdialoog omgeving Tijdens de ruimtelijke procedure voor het noordelijke gedeelte in 2018 hebben uiteindelijk 5 belanghebbende partijen (3 omwonenden en 2 bedrijven) bezwaren ingediend. Voor onderhavig planvoornemen hebben tussen september en begin november 2021 constructieve gesprekken plaatsgevonden tussen de belanghebbende partijen en de initiatiefnemer. In deze gespreken heeft de initiatiefnemer het planvoornemen toegelicht. Belanghebbenden hebben hun standpunten en reacties kenbaar gemaakt. Naar aanleiding van die gesprekken zijn privaatrechtelijke afspraken tussen de afzonderlijke belanghebbende partijen en de initiatiefnemer gemaakt. Deze afspraken zijn door partijen ondertekend. Zienswijzeprocedure Voorliggende ruimtelijke onderbouwing is opgesteld ten behoeve van een afwijking van het vigerende bestemmingsplan, conform artikel 2.12 lid 1 sub a onder 2 van de Wet algemene bepaling omgevingsrecht (Wabo). De vergunning doorloopt de uitgebreide voorbereidingsprocedure zoals opgenomen in hoofdstuk 3 van de Wabo.
Daarnaast is op grond van het bepaalde in artikel 3.1.1 van het Besluit ruimtelijke ordening jo artikel 3.6 van de Algemene wet bestuursrecht over dit initiatief vooroverleg gevoerd met het bestuur van het betrokken waterschap en met die diensten van provincie en Rijk die betrokken zijn bij de zorg voor de ruimtelijke ordening of belast met de behartiging van belangen welke in het plan in het geding zijn. Vooroverlegreacties werden ontvangen van deze instanties waarbij een samenvatting van de inhoud is gegeven: PM
20220069 | Gastelseweg 237 te Roosendaal Ruimtelijke onderbouwing
| 38 van 38 d02
Bijlage 1
Wematech Bodem Adviseurs B.V., Verkennend bodemonderzoek en verkennend onderzoek asbest ‘Gastelseweg ong.’ Roosendaal, VBB-50170531
Wematech Bodem Adviseurs B.V.
VERKENNEND BODEMONDERZOEK EN VERKENNEND ONDERZOEK ASBEST “GASTELSEWEG ONG.” ROOSENDAAL
Opdrachtgever :
LeanBouw bv Vijfhuizenberg 171 4708 AJ Roosendaal
Projectnummer : Kenmerk rapport: Status rapport: Datum:
VBB-50170531 RN50170531.R001-0 Definitief 2 november 2017
UBI-code(s) locatie: Wbb-code locatie:
000000 n.v.t.
Projectleider
Ing. M.E. Haan
par:
(Mede)auteur
Ing. M.E. Haan Ing. M.M.J. Rademakers
par:
Wematech Advies Groep B.V. is gecertificeerd door KIWA volgens de gestelde criteria conform ISO-9001:2008 onder nummer KSC-K96808/01
Postbus 1817, 4700 BV Roosendaal . Windmolen 23, 4751 VM Oud Gastel Tel. +31 (0)165 565910 . Fax +31 (0)165 544468 . bodemadviseurs@wematech.nl . www.wematech.nl KvK 20104743 . BTW nr. NL 810303206B01 . Rabobank IBAN NL82 RABO 0102 5687 07 Algemene voorwaarden zijn gedeponeerd bij de Kamer van Koophandel
Kenmerk : Projectnummer :
RN50170531.R001-0 VBB-50170531
SAMENVATTING In opdracht van LeanBouw bv is door Wematech Bodem Adviseurs B.V. in oktober 2017 een verkennend bodemonderzoek en verkennend onderzoek asbest uitgevoerd ter plaatse van het perceel aan de Gastelseweg ong. te Roosendaal. Doel van het onderzoek is het verkrijgen van een inzicht in de actuele bodemkwaliteit ter plaatse van de onderzoekslocatie en op basis hiervan na te gaan of de bodemkwaliteit een belemmering kan opleveren voor de voorgenomen bouwplannen ter plaatse. Het veldwerk is uitgevoerd in oktober 2017. Bij de uitgevoerde grondboringen zijn op basis van zintuiglijke beoordeling in nagenoeg de gehele bovengrond van het terrein sporen puin, bakstenen en stenen aangetroffen. Bij de maaiveldinspectie is visueel geen asbestverdacht materiaal aangetroffen. Bij het graven van de gaten zijn geen stukjes asbesthoudend (plaat)materiaal aangetroffen. Wet bodembescherming Geconcludeerd kan worden dat de bovengrond licht verontreinigd is met lood en PAK en plaatselijk licht verontreinigd is met kwik, zink en PCB’s. De ondergrond is niet verontreinigd. De grond is niet verontreinigd met asbest. Het grondwater is licht verontreinigd met xylenen.
Besluit bodemkwaliteit Geconcludeerd kan worden dat de bovengrond plaatselijk voldoet aan de klasse wonen en plaatselijk voldoet aan de klasse industrie voor ontvangende bodem en indicatief als toe te passen bodem voldoet aan de klasse industrie. De ondergrond voldoet aan de achtergrondwaarde. De eventueel tijdens de bouwactiviteiten vrijkomende bovengrond is geschikt voor hergebruik ter plaatse. Voor een formeel oordeel van de toepassingsmogelijkheden van de vrijkomende grond (hergebruik) dient voldaan te worden aan hetgeen wat beschreven staat in de Regeling en het Besluit bodemkwaliteit (aanwezigheid bodemfunctiekaart en/of AP04 onderzoek). Vooralsnog dienen voor de overtollige grond, afkomstig van de onderzoekslocatie, de eisen van het binnen de gemeente van toepassing zijnde beleid in acht genomen te worden. Gezien de verkregen resultaten van het onderzoek dient de gestelde hypothese "niet verdachte locatie" formeel gezien verworpen te worden. Gezien de geringe overschrijdingen is het echter gerechtvaardigd de gestelde hypothese te accepteren. Op basis van het historisch onderzoek, de zintuiglijke beoordeling van de grond- en grondwatermonsters en de resultaten van het chemisch-analytisch onderzoek kan gesteld worden dat binnen de huidige functieklasse geen gebruiksbeperkingen hoeven te worden gesteld aan de onderzoekslocatie.
De verkregen resultaten geven geen aanleiding tot het uitvoeren van een nader bodemonderzoek. De resultaten van het onderzoek vormen geen belemmering de voorgenomen bouwplannen ter plaatse te realiseren. Geadviseerd wordt de resultaten van het onderzoek bij de aanvraag om omgevingsvergunning te voegen.
Datum: Pagina:
2 november 2017 2 / 22
Kenmerk : Projectnummer :
RN50170531.R001-0 VBB-50170531
INHOUDSOPGAVE: Blz. SAMENVATTING 1.
INLEIDING
5
1.1. 1.2.
Aanleiding en doelstelling onderzoek Opbouw rapportage
5 5
2.
VOORONDERZOEK
6
2.1. 2.2. 2.3. 2.4. 2.5. 2.6. 2.7. 2.8. 2.9. 2.10.
Locatiegegevens Historie Huidige situatie Belendende percelen Bodemonderzoeken/saneringen Informatie regionale achtergrondconcentraties Geo(hydro)logie Toekomstige situatie Conclusie vooronderzoek Onderzoeksstrategie
6 6 7 7 7 7 8 8 8 8
3.
VERRICHTE WERKZAAMHEDEN
11
3.1. 3.2. 3.3.
Inleiding Veldwerkzaamheden Laboratoriumonderzoek
11 11 12
4.
RESULTATEN
13
4.1. 4.2. 4.3.
4.4. 4.5. 4.6.
Bodemopbouw Zintuiglijke waarnemingen Toetsing 4.3.1. Wet bodembescherming 4.3.2. Besluit bodemkwaliteit 4.3.3. Asbest Grond Wet bodembescherming Grondwater Wet bodembescherming Grond Besluit bodemkwaliteit
13 13 13 13 14 15 16 17 18
5.
BESPREKING RESULTATEN
19
5.1. 5.2.
Grond Grondwater
19 19
6.
CONCLUSIES EN ADVIES
20
6.1. 6.2.
Conclusies Advies
20 20
7.
RESTRISICO EN BETROUWBAARHEID
21
7.1. 7.2.
Restrisico Betrouwbaarheid
21 21
GERAADPLEEGDE BRONNEN
Datum: Pagina:
2 november 2017 3 / 22
Kenmerk : Projectnummer :
RN50170531.R001-0 VBB-50170531
Datum: Pagina:
2 november 2017 4 / 22
BIJLAGEN: 1. Regionale situatieschets 2. Situatieschets met boringen, gaten en peilbuis 3. Profielbeschrijvingen grondboringen 4. Analyseresultaten grond 5. Analyseresultaten grondwater 6. Toetsingskader grond en grondwater Wbb 7. Foto’s onderzoekslocatie 8. Toetsingskader BBk
Kenmerk : Projectnummer :
1.
RN50170531.R001-0 VBB-50170531
INLEIDING
1.1. Aanleiding en doelstelling onderzoek In opdracht van LeanBouw bv is door Wematech Bodem Adviseurs B.V. in oktober 2017 een verkennend bodemonderzoek en verkennend onderzoek asbest uitgevoerd ter plaatse van het perceel aan de Gastelseweg ong. te Roosendaal. In bijlage 1 is de globale ligging van het perceel aangegeven in een regionale situatieschets. Het onderzoek is uitgevoerd in verband met de voorgenomen nieuwbouw ter plaatse. In verband met deze bouwplannen wordt in het kader van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) door de overheid een inzicht gevraagd in de kwaliteit van grond en grondwater, alvorens een omgevingsvergunning (activiteit bouwen) verleend kan worden. Doel van het onderzoek is het verkrijgen van een inzicht in de actuele bodemkwaliteit ter plaatse van de onderzoekslocatie en op basis hiervan na te gaan of de bodemkwaliteit een belemmering kan opleveren voor de voorgenomen bouwplannen ter plaatse. Op basis van de verkregen informatie is, in overleg met de opdrachtgever, een onderzoeksprogramma voor het verkennend bodemonderzoek opgesteld op basis van de Nederlandse Norm 5740. Deze norm beschrijft de werkwijze voor het opstellen van de onderzoeksstrategie bij uitvoering van een verkennend bodemonderzoek naar de aanwezigheid van bodemverontreiniging.
Op basis van de verkregen informatie, is in overleg met de opdrachtgever, voor het verkennend onderzoek asbest een onderzoeksprogramma opgesteld op basis van de NEN 5707. Als referentiekader bij de beoordeling van de resultaten worden de interventiewaarden uit de Circulaire bodemsanering per 1 juli 2013 en de (maximale) waarden uit de (wijzigingen) Regeling bodemkwaliteit gebruikt. Wematech Bodem Adviseurs B.V. werkt volgens een kwaliteitsborgingsysteem dat is gebaseerd op de NEN-EN-ISO 9001:2008 en de BRL SIKB 2000. De werkzaamheden voor onderhavig onderzoek worden onder certificaat uitgevoerd conform de beschreven kwaliteitseisen (protocol 2001, 2002 en 2018). De naleving wordt periodiek getoetst door externe auditors, onder toezicht van de Raad van Accreditatie. Verder is van belang te melden dat de te onderzoeken locatie geen eigendom is van Wematech Bodem Adviseurs B.V. dan wel gerelateerde (zuster)bedrijven. Tevens is Wematech Bodem Adviseurs onafhankelijk van de opdrachtgever en/of terreineigenaar. De wettelijke voorgeschreven functiescheiding is hiermede geborgd.
1.2. Opbouw rapportage In dit rapport wordt verslag gedaan van de uitgevoerde werkzaamheden. Het vooronderzoek, op basis van de NEN 5725, is opgenomen in hoofdstuk 2. Vervolgens worden in hoofdstuk 3 de verrichte werkzaamheden beschreven. In hoofdstuk 4 worden de resultaten van het onderzoek weergegeven en in hoofdstuk 5 worden de resultaten besproken. In hoofdstuk 6 zijn de conclusies en het advies opgenomen. Tot slot worden in hoofdstuk 7 het restrisico en de betrouwbaarheid van het onderzoek besproken.
Datum: Pagina:
2 november 2017 5 / 22
Kenmerk : Projectnummer :
2.
RN50170531.R001-0 VBB-50170531
VOORONDERZOEK Op basis van de verzamelde basisinformatie, aanleiding, en verdenking is het type vooronderzoek bepaald. Onderhavig onderzoek betreft een standaard vooronderzoek.
2.1. Locatiegegevens De onderzoekslocatie is gelegen aan de Gastelseweg ong. te Roosendaal. Het perceel is kadastraal bekend als gemeente Roosendaal en Nispen, sectie B, nummers 5796 en 7198. De onderzoekslocatie heeft een oppervlakte van circa 3.100 m2. De onderzoekslocatie is gelegen ten westen van de Gastelseweg, welke gelegen is ten noorden van het centrum van Roosendaal.
2.2. Historie - gebruik Uit verkregen informatie is gebleken dat de onderzoekslocatie sinds geruime tijd braakliggend is. Daarvoor was op de locatie een tuincentrum aanwezig. Uit historische topografische kaarten blijkt dat voor de jaren 60 van voorgaande eeuw het westelijke deel van de onderzoekslocatie in gebruik was als agrarische grond. Op deze kaarten zijn langs de Gastelseweg op/nabij de locatie diverse kleine gebouwen te zien (al vanaf circa 1900 te zien op de kaarten). Bij het bevoegd gezag en de opdrachtgever was geen informatie bekend dat ter plaatse van de onderzoekslocatie potentieel bodembedreigende activiteiten hebben plaatsgevonden. Ter plaatse van de onderzoekslocatie hebben, voor zover bekend, geen ondergrondse tanks, kabels, leidingen e.d. gelegen. - vergunningen Ter plaatse van het tuincentrum was tot 1971 een bovengrondse tank aanwezig. Deze tank was echter niet op de huidige onderzoekslocatie gesitueerd. In 1998 is een milieuvergunning verleend voor het oprichten en in werking hebben van een bloemkwekerij annex tuincentrum ter plaatse van de onderzoekslocatie. Het tuincentrum omvatte een grotere oppervlakte dan de huidige onderzoekslocatie waarbij een groot deel van het tuincentrum op het zuidelijk aangrenzende gebied aanwezig was. Destijds was de locatie bekend als Gastelseweg 233-235.
Het tuincentrum was voor 1998 reeds aanwezig, wanneer het tuincentrum precies ter plaatse is gevestigd is onbekend. - overig Voor zover bekend hebben zich ter plaatse van de onderzoekslocatie geen calamiteiten voorgedaan die tot gevolg hebben gehad dat verontreinigende stoffen op of in de bodem zijn geraakt. De locatie is op het bodemloket opgenomen onder locatie-ID NB167404646 als locatie waar eerder bodemonderzoek heeft plaatsgevonden. Uit de archeologische beleidskaart van de gemeente blijkt dat de locatie is gelegen in een gebied met een lage archeologische verwachtingswaarde. Voor zover bekend is liggen er op de onderzoekslocatie geen conventionele explosieven. Aangezien er geen kaarten voorhanden zijn, is dit echter niet volledig uit te sluiten.
Datum: Pagina:
2 november 2017 6 / 22
Kenmerk : Projectnummer :
RN50170531.R001-0 VBB-50170531
2.3. Huidige situatie Ter plaatse van het perceel is braakliggend, onverhard en onbebouwd terrein aanwezig. Op het zuidwestelijke deel van het perceel is een depot grond aanwezig. Opgemerkt wordt dat het depot niet is onderzocht/beoordeeld tijdens onderhavig onderzoek. Ter plaatse van de onderzoekslocatie en de directe omgeving vinden voor zover bekend geen potentieel bodembedreigende activiteiten plaats. Uit informatie van het kadaster blijkt dat ten tijde van het uitvoeren van onderhavig onderzoek Haast Projectontwikkeling Bv eigenaar is van de onderzoekslocatie.
2.4. Belendende percelen Het bodemgebruik van de omliggende percelen is als volgt: - aan de noordzijde bevindt zich een woning; - aan de oostzijde bevindt zich een openbare weg (Gastelseweg); - aan de zuidzijde bevindt zich een eigen weg; - aan de westzijde bevindt zich een bedrijf.
2.5. Bodemonderzoeken/saneringen - eerdere bodemonderzoeken locatie In 2000 is door Heeren een verkennend bodemonderzoek verricht op het terrein van het voormalige tuincentrum, waar onderhavige locatie onderdeel van uitmaakt. In de grond werden slechts licht verhoogde gehaltes aangetroffen. In het grondwater werd zeer plaatselijk een sterk verhoogd gehalte zink aangetroffen (bron niet bekend). Voor een volledig overzicht van de resultaten wordt kortheidshalve verwezen naar de rapportage [Heeren Milieutechniek, projectcode 663.21, februari 2000]. - eerdere bodemonderzoeken omgeving Voor zover bekend is ter plaatse van de directe omgeving van de onderzoekslocatie niet eerder een bodemonderzoek verricht, welke in het kader van onderhavig onderzoek van belang is. - eerdere saneringen locatie Voor zover bekend is ter plaatse van de onderzoekslocatie niet eerder een bodemsanering uitgevoerd. - eerdere saneringen omgeving Voor zover bekend is ter plaatse van de directe omgeving van de onderzoekslocatie niet eerder een bodemsanering uitgevoerd, welke in het kader van onderhavig onderzoek van belang is.
2.6. Informatie regionale achtergrondconcentraties Er is bij de gemeente en de provincie informatie beschikbaar over mogelijk regionaal verhoogde achtergrondconcentraties in het grondwater op en nabij de locatie. Op basis van de bestudeerde onderzoeksgegevens blijkt dat regionaal verhoogde concentraties zware metalen in het grondwater worden gemeten zonder dat hiervoor een duidelijke bron van verontreiniging is aan te wijzen. De locatie is volgens de gemeentelijke bodemkwaliteitskaart gelegen in een niet gezoneer gebied met als bodemfunctieklasse industrie.
Datum: Pagina:
2 november 2017 7 / 22
Kenmerk : Projectnummer :
RN50170531.R001-0 VBB-50170531
2.7. Geo(hydro)logie De ondergrond in Westelijk Noord-Brabant is opgebouwd uit afzettingen, die geo(hydro)logisch kunnen worden onderverdeeld in relatief goed en slecht waterdoorlatende lagen. In de ondergrond van Westelijk Noord-Brabant komen twee watervoerende pakketten voor, min of meer gescheiden door een slecht doorlatende laag. Het eerste watervoerende pakket (formatie van Twente en Sterksel) is over het algemeen zeer wisselend en varieert zeer sterk in dikte. De scheidende laag bestaat uit de afzetting van Kallo, waarin bovenin een ca. 10 meter dikke kleilaag (Kallo Klei) aanwezig is. Het diepste watervoerende pakket wordt gevormd door de Zanden van Kattendijk. De geo(hydro)logische basis wordt gevormd door de Boomse Klei. De regionale stromingsrichting van het grondwater is, op basis van de grondwaterkaarten van de Dienst Grondwaterverkenning TNO, noord tot noordwestelijk. Hoewel, zover bekend, in de directe omgeving geen particuliere grondwateronttrekking plaats vindt, is een particuliere onttrekking van grondwater niet uit te sluiten. Gegevens hieromtrent zijn echter niet beschikbaar.
2.8. Toekomstige situatie De opdrachtgever is voornemens ter plaatse nieuwbouw te realiseren.
2.9. Conclusie vooronderzoek Op basis van de verkregen informatie is de hypothese gesteld dat ter plaatse van de onderzoekslocatie geen bodemverontreiniging is te verwachten. De onderzoekslocatie is aangemerkt als een onverdachte locatie.
2.10. Onderzoeksstrategie Verkennend bodemonderzoek In tabel 2.1 wordt een overzicht gegeven van de geplande werkzaamheden gebaseerd op de NEN 5740 (strategie onverdacht niet lijnvormig). Tabel 2.1. Uit te voeren werkzaamheden Locatie
Locatie
Protocol
ONV-NL
Verharding
Onverhard
Aantal boringen tot 0,5 en tot 2 m-mv m-mv 10 2
en peilbuis 1
Aantal analyses Grond 2 standaard bg 1 standaard og
Grondwater 1 standaard gw
Het standaardpakket voor landbodem en grond bestaat uit de volgende parameters: • 9 metalen: barium (Ba), cadmium (Cd), kobalt (Co), koper (Cu), kwik (Hg), lood (Pb), molybdeen (Mo), nikkel (Ni), zink (Zn); • PAK (10 VROM); • PCB (7); • minerale olie; • lutum- en humusgehalte.
Datum: Pagina:
2 november 2017 8 / 22
Kenmerk : Projectnummer :
RN50170531.R001-0 VBB-50170531
Het standaardpakket voor grondwater bestaat uit de volgende parameters: • 9 metalen: barium (Ba), cadmium (Cd), kobalt (Co), koper (Cu), kwik (Hg), lood (Pb), molybdeen (Mo), nikkel (Ni), zink (Zn) • VAK (vluchtige aromatische koolwaterstoffen); benzeen, tolueen, ethylbenzeen, som-xylenen (som o, m, p), styreen en naftaleen; • VOCl (vluchtige gehalogeneerde koolwaterstoffen): vinylchloride, 1,1-dichlooretheen, dichloormethaan, trans-1,2-dichlooretheen, cis -1,2-dichlooretheen, som 1,2-dichlooretheen, 1,1dichloorethaan, chloroform, 1,1,1-trichloorethaan, tetrachloormethaan, 1,2 dichloorethaan, trichlooretheen, 1,2-dichloorpropaan, 1,1-dichloorpropaan, 1,3-dichloorpropaan, som dichloorpropanen, 1,1,2-trichloorethaan, tetrachlooretheen en bromoform; • minerale olie (GC). De geleidbaarheid, zuurgraad en troebelheid zullen tijdens het bemonsteren van het grondwater worden bepaald. Verkennend onderzoek asbest In verband met het aantreffen van antropogene bijmengingen in de grond is, in overleg met de opdrachtgever, gekozen om een verkennend onderzoek asbest van de grond te verrichten. Het uit te voeren asbestonderzoek in grond dient plaats te vinden volgens NEN5707:2015. De werkzaamheden worden uitgevoerd door een erkende veldwerkmedewerker. Ingeval sprake is van > 50% (puin)bijmengingen dient het onderzoek plaats te vinden volgens de NEN5897.
Indien uit het aanvullend uit te voeren vooronderzoek geen bijzonderheden naar voren komen dan zullen de onderstaande werkzaamheden worden verricht. Fase 1 Voorafgaand aan de werkzaamheden zal de toplaag van de locatie visueel geïnspecteerd worden door een deskundig asbestonderzoeker volgens 6.2 uit de NEN5707. De inspectie kan plaatsvinden onder de volgende weersomstandigheden: - bij droog weer: geen regen (> 10 mm), hagel of sneeuw; - bij daglicht (geen schemering); - bij helder weer (geen mist); het zicht moet minimaal 100 meter bedragen. Bij uitvoering van de veldinspectie dient rekening gehouden te worden met de inspectie-efficiëntie. Hieronder worden de richtpercentages voor grond gegevens, waarbij uitgegaan is van droog en helder weer en een deskundig onderzoeker. Tabel 2.2. Inspectie efficiëntie Type grond Zand Klei/leem en veen
Conditie toplaag Droog, los en geen vegetatie Vochtig, vastgereden en/of matige vegetatie Droog, los en geen vegetatie Vochtig, vastgereden en/of matige vegetatie
Inspectie-efficiëntie 90-100% 70-90% 70-90% 50-70%
Bij de interpretatie van de gegevens dient rekening gehouden te worden met deze efficiëntie-percentages. Het percentage wordt vermeld in het rapport.
Datum: Pagina:
2 november 2017 9 / 22
Kenmerk : Projectnummer :
RN50170531.R001-0 VBB-50170531
Fase 2 Na uitvoering van de toplaaginspectie worden het onderstaande onderzoek verricht. Mochten er bij de toplaaginspectie asbestverdachte materialen worden aangetroffen, dan zal waar nodig nader onderzoek asbest plaatsvinden Tabel 2.3. Graaf- en analyseschema Deellocatie
Terrein
Protocol
6.4.5 uit NEN5707
Verharding onverhard
Aantal gaten tot 0,5 m-mv van min. 0,3x0,3 m 12
en tot ongeroerde grond tot max 2 m-mv (boor ø 12 cm) 2
Aantal analyses Grond (NEN5898) 2
De uit de gaten vrijkomende grond wordt uitgeharkt met een hark met een maaswijdte van 20 mm. Het materiaal > 20 mm wordt geïnspecteerd op de aanwezigheid van asbestverdacht materiaal. Uitgangspunt is dat na harken alle asbestverdachte materialen > 20 mm zijn verwijderd. De mengmonsters worden samengesteld uit grond, welke nog over een zeef van 20 mm wordt gebracht (fractie < 20 mm). Asbestverdachte materialen (> 20 mm) worden per gat en per laag van maximaal 50 cm bemonsterd (materiaalverzamelmonster).
Datum: Pagina:
2 november 2017 10 / 22
Kenmerk : Projectnummer :
3.
RN50170531.R001-0 VBB-50170531
VERRICHTE WERKZAAMHEDEN
3.1. Inleiding Voor het onderzoeksprogramma zijn de richtlijnen van de Nederlandse Norm 5740 en 5707 als uitgangspunt gehanteerd. Het bodemonderzoek heeft betrekking op het terrein zoals dat in bijlage 2 is weergegeven. De veldwerkzaamheden worden uitgevoerd volgens de protocollen 2001, 2002 en 2018 behorende bij de BRL SIKB 2000.
3.2. Veldwerkzaamheden Voordat met het veldwerk is begonnen, is, zoals te doen gebruikelijk, het maaiveld van het terrein visueel gecontroleerd op mogelijke verontreinigingen als gevolg van o.a. illegale lozingen en/of stortingen (bijv. afgewerkte olie, gevaarlijk afval, asbestverdachte materialen e.d.). Tijdens deze controle zijn geen bijzonderheden aangetroffen. Het veldwerk is uitgevoerd in oktober 2017 zoals in paragraaf 2.10 is aangegeven. Op 5 oktober 2017 zijn de grondboringen verricht en is de peilbuis geplaatst. Op 20 oktober 2017 is het grondwater van de peilbuis bemonsterd en zijn de gaten voor het verkennend onderzoek asbest gegraven. De profielen van de uitgevoerde grondboringen zijn beschreven en de opgeboorde grond is zintuiglijk beoordeeld. De grond is bemonsterd per traject van maximaal 50 cm. De situering van de boorplaatsen en de peilbuis is aangegeven in bijlage 2. Foto’s van de onderzoekslocatie zijn opgenomen in bijlage 7. Afwijkingen op BRL SIKB 2000 Bij de uitvoering van de veldwerkzaamheden is niet afgeweken van de protocollen 2001, 2002 en 2018 behorende bij de BRL SIKB 2000. De veldwerkzaamheden zijn uitgevoerd door: • erkende veldmedewerker plaatsen grondboringen en peilbuis: C.A.L. Mol; • erkende veldmedewerker bemonsteren peilbuis: J.R. Flanagan; • erkende veldmedewerker graven gaten voor verkennend onderzoek asbest: J.R. Flanagan.
Datum: Pagina:
2 november 2017 11 / 22
Kenmerk : Projectnummer :
RN50170531.R001-0 VBB-50170531
3.3. Laboratoriumonderzoek De verzamelde grond- en grondwatermonsters zijn zo spoedig mogelijk na monsterneming aangeboden aan het laboratorium met RvA accreditatie Alcontrol Laboratories te Rotterdam, waar conservering en analyse volgens de AS3000 heeft plaatsgevonden. - grond Het laboratorium is verzocht mengmonsters samen te stellen en te analyseren volgens tabellen 3.1 en 3.2. De analysecertificaten van de grondmengmonsters zijn opgenomen in bijlage 4. Tabel 3.1. Mengmonsters grond verkennend bodemonderzoek Deellocatie Mengmonster MM1 Boringnummers 01 (0-50) 02 (0-50) met traject (cm-mv) 03 (0-50) 04 (0-50) 05 (0-50) 06 (0-50) Motivatie Analysepakket
Algemene kwaliteit bovengrond Standaardpakket
Terrein MM2 07 (0-50) 08 (0-40) 09 (0-50) 10 (0-50) 11 (0-50) 12 (0-50) 13 (0-50) Algemene kwaliteit bovengrond Standaardpakket
Tabel 3.2. Mengmonsters asbestonderzoek Mengmonster Traject Motivatie monster cm-mv MM G01t/mG07 0-50 Bepalen asbestconcentratie in grond MM G08t/mG14 0-50 Bepalen asbestconcentratie in grond
MM3 01 (70-100) 01 (100-150) 06 (100-150) 12 (80-110) 12 (110-150) Algemene kwaliteit ondergrond Standaardpakket
Analysepakket NEN5898 NEN5898
- grondwater Het laboratorium is verzocht het aangeboden grondwatermonster te analyseren volgens tabel 3.3. Het analysecertificaat is opgenomen in bijlage 5. Tabel 3.3. Grondwatermonster Deellocatie Peilbuisnummer met filterstelling (cm-mv) Motivatie Analysepakket
Terrein 06 (230-330) Algemene kwaliteit grondwater Standaardpakket
De geleidbaarheid, zuurgraad en troebelheid zijn tijdens het bemonsteren van het grondwater bepaald.
Datum: Pagina:
2 november 2017 12 / 22
Kenmerk : Projectnummer :
4.
RN50170531.R001-0 VBB-50170531
RESULTATEN
4.1. Bodemopbouw De beschrijvingen van de bodemprofielen zijn opgenomen in bijlage 3. Aan de hand van de uitgevoerde grondboringen kan een globale beschrijving van de bodemopbouw worden gegeven. Deze globale beschrijving wordt weergegeven in de volgende tabel. Tabel 4.1. Globale beschrijving bodemopbouw Traject (cm-mv) Grondsoort 0-80 Zwak tot matig humeus zwak siltig matig fijn zand 80-150 Zwak siltig matig fijn zand 150-300 Matig siltig matig fijn zand 300-320 Matig humeus sterk zandig leem