3. Roosendaalse Vliet 20210622GRO ZP.pdf
Tekst van het document
Een landschappelijke kwaliteitsverbetering is aanvullend op de landschappelijke inpassing en bedraagt op De Brabantse Wal en in het park- en coulissenlandschap tenminste 10% van de oppervlakte van het zonnepark. Binnen het agrarisch werklandschap wordt minimaal 5% van de oppervlakte van het zonnepark aangewend voor landschappelijke kwaliteitsverbetering. Eén en ander conform de Stikarichtlijnen. Indien een landschappelijke kwaliteitsverbetering weinig tot geen meerwaarde heeft, kan er voor gekozen worden een bijdrage te storten in het gemeentelijke groenfonds. Dit groenfonds wordt ingezet om bestaande grootschalige landschappelijke structuren te versterken of nieuwe grootschalige structuren te ontwikkelen. Hierna worden per landschapstypen de ingrediënten benoemd om te komen tot een goede landschappelijke inpassing c.q. kwaliteitsverbetering. De voorgenoemde opsommingen zijn niet uitputtend. De landschappelijke inpassing en kwaliteitsverbetering van zonneparken is immers maatwerk; daarom dient u voorafgaand aan de aanvraag contact op te nemen met de landschapsdeskundige van de gemeente.
Landschappelijke inpassing binnen het agrarisch werklandschap Een groot deel van de gemeente bestaat uit dekzandgronden, met een overwegend agrarische functie. Dit agrarisch werklandschap wordt gekenmerkt door lichte glooiingen, beken en een grote mate van openheid, dat - met name aan de (noord)westzijde van de gemeente - contrasteert met het meer besloten karakter van De Brabantse Wal en het park- en coulissenlandschap. Het losse patroon van verspreide erven en slingerende wegen, soms omzoomd met laanbeplanting, is karakteristiek voor een groot deel van het buitengebied. Het licht glooiende reliëf is door de wind gevormd en loopt in noordelijke richting geleidelijk af naar de polders van het deltalandschap. De beekdalen, die op de hogere delen ontspringen, hebben zich in het dekzand ingesleten en vormen de structuurdragers van het landschap. De relatief grootschalige opzet maakt het gebied geschikt voor grootschalige zonneparken, mits deze op zorgvuldige wijze worden ingepast in het landschap. De openheid en bestaande landschappelijke structuur zijn belangrijke kwaliteiten, die zoveel mogelijk overeind moet worden gehouden. Bij de realisatie van een nieuw zonnepark in het agrarisch werklandschap is de landschappelijke inpassing dan ook een belangrijk aandachtspunt.
Dit kan op verschillende manieren vorm krijgen: • de aanleg van een natuuroever met riet, bestaande uit een plas- of drasberm waarvan de vegetatie hoofdzakelijk uit riet en/of lisdodde bestaat; 28
• de aanleg van een inheemse struweelhaag en/of knip- en scheerhaag, met overwegend doornachtige struiken (o.a. meidoorn, sleedoorn); • de aanleg van een bomenrij met inheemse bomen (o.a. hazelaar, berk en eik), mits passend in de landschappelijke structuur. Afhankelijk van de exacte locatie en reeds aanwezige landschapskenmerken en - structuren kan gekozen worden voor één of meerdere van de voorgenoemde wijzen van landschappelijke inpassing. Uitgangspunt is dat alle zijden van het zonnepark landschappelijk worden ingepast en - voor wat betreft de inrichting - wordt aangesloten bij de richtlijnen en normen van het Groen Blauw Stimuleringskader (STIKA). Belangrijk is in ieder geval dat de hoogte van zonnepanelen beperkt wordt tot 2,5 meter boven maaiveld, teneinde de grootschalige openheid te kunnen waarborgen. Overigens dient een landschappelijke inpassing van zonneparken in het agrarisch werklandschap altijd gepaard te gaan met een landschappelijke kwaliteitsverbetering, tenzij de beoogde locatie is gelegen binnen de randzone direct grenzend aan bestaand stedelijk gebied. In dat geval is een kwaliteitsverbetering niet benodigd. In verband met de ligging in de randzone om Borchwerf II zal met de landschapsdeskundige van de gemeente hierover worden afgestemd.
Landschappelijke kwaliteitsverbetering Wenst u een zonnepark te realiseren, dan wil de gemeente hier constructief aan meewerken. De gemeente stelt als voorwaarden dat zonneparken in het buitengebied gecombineerd worden met een landschappelijke inpassing en vraagt in een aantal gevallen om een extra kwaliteitsverbetering van het landschap. Dit laatste sluit aan bij het 'Afsprakenkader Kwaliteitsverbetering van het landschap in de regio West-Brabant', dat zijn oorsprong vindt in het provinciaal beleid. In dit afsprakenkader is de minimale basisinspanning voor de investering in het landschap opgenomen. Daarin is aangegeven of en welke vorm van kwaliteitsverbetering van toepassing is bij ontwikkelingen, aan de hand van drie categorieën. De ontwikkeling van een zonnepark is aan te merken als een categorie 3 ontwikkeling, die over het algemeen een beduidende invloed op de omgeving hebben. Derhalve moet uw initiatief - afhankelijk van de locatie en omvang - bijdragen aan het verder versterken van de aanwezige kwaliteiten. Het realiseren van deze kwaliteitsverbetering zal als voorwaardelijke verplichting aan de omgevingsvergunning gekoppeld worden. Is uw initiatief binnen de randzone (direct grenzend aan bestaand stedelijk gebied) gelegen? Dan is een kwaliteitsverbetering niet aan de orde (wel inpassing).
De gemeente ziet de volgende maatregelen als (landschappelijke) kwaliteitsverbetering: • Het aanleggen c.q. herstellen van natuur- en landschapselementen - die vanuit het STIKA beschikbaar zijn - buiten de locatie waar het zonnepark gerealiseerd wordt. Houdt hierbij rekening met de specifieke ecologische en cultuurhistorische waarden van het gebied waarin het zonnepark wordt gerealiseerd: • in het agrarisch werklandschap, de Brabantse Wal en het parken coulissenlandschap zijn dit onder andere amfibieënpoelen, natuur(vriendelijke)oevers met riet of nat grasland, een bloemrijke of kruidenrijke zoom, een weiderand of een hakhoutbosje. • Het aanleggen van extensieve recreatieve voorzieningen zoals een nieuw wandel- of struinpad of het herstellen van een oud wandelpad. Voorzieningen als bankjes en bebording zijn zinvolle voorzieningen, mits ze op de juiste locatie geplaatst worden. 29
• Het behouden en restaureren van cultuurhistorisch waardevolle bebouwing/ beeldbepalende gebieden; • Het slopen van ontsierende (niet cultuurhistorisch waardevolle) bebouwing en het verwijderen van verharding; • Een fysieke bijdrage aan het NatuurNetwerk Brabant (NNB) en ecologische verbindingszones. • Het aanleggen van extra waterberging ten behoeve van verbetering van de waterhuishouding (o.a. de aanleg van een amfibieënpoel). Initiatiefnemer vindt het belangrijk dat het zonnepark een bijdrage levert aan de biodiversiteit, met speciaal daarvoor geselecteerde kruiden- en bloemenranden, zodat het de flora en fauna ten goede komt. Gezien de ligging van het perceel, grenzend aan Borchwerf waarbij feitelijk alleen vanaf de Vlietweg op afstand op het perceel wordt gekeken, is een maatwerk plan voor de landschappelijke inpassing opgesteld. Aan de Noord en noord-oost zijde zijn bossages aanwezig waarmee het zicht op het perceel wordt weggenomen. Aan de zuidzijde kan de watergang worden verbreed en een rietkraag gerealiseerd. Ten behoeve van onderhoud aan de watergangen wordt een strook vrij gehouden. Op delen van het perceel waar wegens belemmeringen geen panelen kunnen worden geplaatst wordt de landschappelijke inpassing daarop aangepast De landschappelijke inpassing wordt behandeld in paragraaf 4.1 en het Plan landschappelijk inpassing is bijgevoegd in Bijlage 1
30
3.5 Het verzoek Samenhangende activiteiten die deel uitmaken van deze omgevingsvergunning Bij deze aanvraag om omgevingsvergunning voor de realisatie van het zonnepark hangen de volgende activiteiten met elkaar samen. -
Het tijdelijk afwijken van het bestemmingsplan Buitengebied voor wat betreft het gebruik van de gronden voor een zonnepark Het bouwen van de opbouwconstructie waarop de zonnepanelen worden geplaatst Het plaatsen van een hekwerk/ erfafscheiding rondom het zonnepark Het aanleggen van een interne parkbekabeling met een tweetal transformatorstations voor het transporteren van de opgewekte energie naar het inkoopstation van het windpark Het inrichten van een zone rondom het zonnepark ten behoeve de landschappelijke inpassing
Er wordt gestreefd naar een optimale inrichting van het zonnepark. Hierbij spelen een aantal factoren een rol, die elkaar beïnvloeden. Daarbij gaan de ontwikkelingen op gebied van de zonnepanelen zelf vrij snel, zoals bv de toename van het vermogen per paneel/m², de grootte van een paneel. Hierbij komt dat, in tegen stelling tot andere parken, de netinpassing de bepalende factor is. De netcapaciteit van het windpark kan niet worden overschreden. Alleen op de momenten dat deze netcapaciteit niet volledig/optimaal wordt benut, kan door het zonnepark de beschikbare netcapaciteit worden gebruikt. In de onderstaande tabel zijn de specificaties van de parkinrichting vermeld. Hierbij wordt uitgegaan van een maximaal netto oppervlakte voor zonnepanelen van 3,7 ha in een zuid opstelling. De optimale opstelling wordt mede bepaald door de kaders van de gemeente Roosendaal en de capaciteit van de stroomkabel van het windpark en daarmee het percentage afschakelingen van het zonnepark als de maximale capaciteit wordt overschreden.
Specificaties parkinrichting - Aantal panelen : ca 9656 - Afmetingen panelen : 2.384x1.303 mm (lxb) - Hellingshoek : 15 graden - Tiphoogte : 2.40 m - Aantal rijen boven elkaar : 2 rijen - Afstand tussen rijen : ca 1,28 m - Totaal vermogen : ca 6,5 MWp - Vermogen per paneel : ca 670 Wp - Aantal transformatorstations : 2 De ontsluiting van het zonnepark zal in de bouwfase plaatsvinden via de Vlietweg, in de gebruiksfase via de Gastelse dijk zuid.
31
Procedure Uitgebreide voorbereidingsprocedure Aangezien sprake is van een activiteit die is aangewezen in artikel 3.10 lid 1 sub a van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo), moet de uitgebreide voorbereidingsprocedure uit de Wabo worden gevolgd. Dat houdt in dat eerst een ontwerp van de omgevingsvergunning met de bijbehorende documenten ter inzage wordt gelegd op basis waarvan eenieder zijn zienswijze naar voren kan brengen. Na de periode van terinzagelegging van het ontwerp van de omgevingsvergunning, beslist het college van burgemeester en wethouders definitief binnen 6 maanden na ontvangst van de aanvraag. Verklaring van geen bedenkingen gemeenteraad Artikel 2.27 van de Wabo in combinatie met artikel 6.5 van het Besluit omgevingsrecht (Bor) bepaalt dat voor het verlenen van een omgevingsvergunning voor afwijken van het bestemmingsplan, eerst een verklaring van geen bedenkingen (vvgb) moet worden gevraagd aan de gemeenteraad. De gemeenteraad kan echter categorieën van gevallen aangeven waarbij een vvgb niet is vereist. De realisatie van het zonnepark valt niet in één van deze categorieën daarom is een verklaring van geen bedenkingen aangevraagd. Deze is door de gemeenteraad afgegeven op: ……..
32
4 Ruimtelijke en milieuaspecten 4.1 Natuur en landschap Per 1 januari 2017 is de nieuwe Wet natuurbescherming in werking getreden. Deze nieuwe wet vervangt drie voormalige wetten: de Natuurbeschermingswet 1998, de Boswet en de Flora- en faunawet. Op basis van de Wet natuurbescherming is het van belang bij de ruimtelijke planvorming vooraf te onderzoeken of en welke dier -en plantensoorten er in en nabij het plangebied voorkomen, wat hun beschermingsstatus is en wat de effecten zijn van de ingreep op het voortbestaan van de gevonden soorten.
Figuur 11: Initiatieflocatie binnen cirkel Bron: Natuurbeheerplan Brabant
33
Figuur 12; Initiatieflocatie op kaart Natuurbeheerplan Provincie Noord-Brabant
Op bovenstaande kaartuitsnede is het Natuurnetwerk Brabant weergegeven. In groen is de Bestaande Natuur zichtbaar. De Roosendaalse Vliet is als onderdeel van de NNB en EVZ weergegeven in okergeel. Het meest nabijgelegen Natura2000 gebied is gelegen op een afstand van 10 km van het initiatiefperceel en betreft de Brabantse Wal. De Wet natuurbescherming heeft evenwel ook betrekking op beschermde planten- en diersoorten buiten de aangewezen gebieden. Ten behoeve hiervan moet worden onderzocht of en welke dier- en plantensoorten er in het plangebied voorkomen en wat hun beschermingsstatus is. De beoogde ontwikkeling voorziet in de realisatie van een zonnepark. Het perceel is volledig agrarisch in gebruik en wordt regelmatig onderhouden. Het projectgebied maakt geen onderdeel uit van een natuur- of groengebied met een beschermde status, zoals Natura 2000. Het projectgebied maakt ook geen deel uit van het Natuurnetwerk Brabant. Vanwege de aard van de ontwikkeling, realisatie zonnepanelen, en de afstand tot beschermde natuurgebieden zijn negatieve effecten op voorhand uit te sluiten. Areaalverlies, versnippering, verandering van de waterhuishouding, verontreiniging, vermesting/verzuring en verstoring treden niet op.
Gelet hierop, én de afstand van het plangebied ten opzichte van Natura 2000-gebied, kan redelijkerwijs gesteld worden dat de beoogde ontwikkeling geen significante gevolgen heeft voor het behalen van de instandhoudingsdoelstellingen van Natura 2000-gebieden.
Landschap Het bestaande landschapsbeeld zal op perceelniveau veranderen. Het is noodzakelijk zorgvuldig te kijken naar de landschappelijke inpassing. Zonnepark Roosendaalsche Vliet BV vindt het belangrijk dat het zonnepark een bijdrage levert aan de biodiversiteit, bijvoorbeeld met speciaal daarvoor geselecteerde bloemenranden, zodat het de flora 34
en fauna ten goede komt. Gezien de ligging van het perceel, waarbij feitelijk alleen vanaf de Vlietweg op afstand op het perceel wordt gekeken, is maatwerk voor de landschappelijke inpassing toegepast. Aan de Noord en noord-oost zijde zijn bossages aanwezig waarmee het zicht op het perceel wordt weggenomen. Aan de zuidzijde wordt de watergang verbreed en een rietkraag gerealiseerd. De verdere detaillering van het plan voor landschappelijke inpassing is hieronder en in bijlage 1 weergegeven. Vanuit de zienswijze dat er zoveel als mogelijk getracht moet worden de biodiversiteit te versterken, (bloemrijke randen etc.) is er gebruik gemaakt van diverse begroeiingstypen. Het Noordoostelijk deel en het Westelijke deel worden versterkt door de aanleg van een gesloten struikbeplanting / houtwal. Aan de Noordzijde, langs de grens met een bestaand bos worden bomen geplant. Aan de Noord- en Zuidzijde wordt een knip of scheerhaag aangebracht. Tevens wordt er in het Noordoostelijk deel een poel aangelegd.
Figuur 13 Plan landschappelijke inpassing
Bij de windturbine zal een informatiebord worden geplaatst waarmee voorbijgangers over het gecombineerde initiatief; zon en wind worden geïnformeerd. Het volledige Plan voor de landschappelijke inpassing is bijgevoegd in Bijlage 1
35
4.2 Geluid Het zonnepark op zich veroorzaakt geen geluidsemissie naar de directie omgeving. De zonnepanelen worden vastgelegd in of aan de constructie van de onderbouw van de zonnepanelen. Het zonnepark wordt echter gerealiseerd in de omgeving van windturbine 3 van het windturbinepark. Door windturbines vindt er wel een geluidsemissie plaats naar de directe omgeving/directe omwonenden. Hierbij komt de vraag aan de of door de combinatie van windturbines en het zonnepark er een toename van de geluidsemissie te verwachten is door de weerkaatsing van het geluid door de zonnepanelen. Onderzoek Goeree-Overflakkee Op Goeree-Overflakkee is tussen Middelharnis en Stad aan ’t Haringvliet eveneens een combinatie van een windturbinepark en een zonnepark. Door Pondera is een onderzoek uitgevoerd naar de te verwachte geluidstoename op woningen door de combinatie windturbines en het zonnepark. De resultaten zijn beschreven in het rapport: Pondera “Akoestisch effect definitief ontwerp zonneweide op WP Haringvliet” d.d. 18 mei 2017 met project nummer 714123. In deze situatie is het zonnepark direct gelegen naast 3 windturbines, dit in tegen stelling tot bij het zonnepark Roosendaalsche Vliet, waar de afstand tussen turbine 3 en het zonnepark meer dan 200m.
Daarnaast wordt op GoereeOverflakkee een woning (aan de Johannisweg 12 te Middelharnis) aan 3 kanten omsloten door de zonnepanelen en waarbij alle andere woningen op een afstand staan van 350m of meer. De afstanden bij het zonnepark van Roosendaalsche Vliet zijn groter dan 350m. De resultaten uit het onderzoek van Pondera geven aan dat er voor alle woningen op een grotere afstand van 350m er een toename is van 0,1 tot 0,2 Lden eenheden. (voor de woning tussen de zonnepanelen is dit 1,2 Lden). Conclusie. Uit het onderzoek van Pondera valt af te leiden dat er in de situatie bij de Roosendaalsche Vliet een verwaarloosbaar tot geen effect te verwachten is van de geluidsbelasting op de woningen in de directe omgeving door de komst van het zonnepark. Onderzoek Evertkreekweg De bovenstaande aspecten zijn ook aan de orde geweest in de planologische procedure bij de realisatie van het project aan de Evertkreekweg. Er is een zienswijze ingediend namens enkele omwonenden aan de Wildenhoeksestraat. In opdracht van de initiatiefnemer van de “Evertkreekweg” is er door Peutz een onderzoek uitgevoerd naar de eventuele effecten. Door Peutz zijn de bevindingen verwoord in een rapportage d.d. 22 mei 2019 met de referentie “WvdM/WvdM/CJ/D 3155-2-NO-0.
De conclusies uit dit onderzoek zijn : “In de zienswijze wordt gesteld dat de geluidbijdrage vanwege reflecties ertoe kan leiden dat de geluidbelasting van de windturbines met 3 dB kan toenemen. Dit is op onjuiste gronden gebaseerd. Er wordt voorbijgegaan aan maatgevende effecten die ertoe leiden dat er slechts een marginale toename optreedt van de geluidbelasting vanwege het zonnepark. Een en ander is reeds beschreven in het Peutz-rapport en aanvullend toegelicht. Overige genoemde bezwaren zijn niet relevant en/of hebben geen invloed op de conclusie van het onderzoek namelijk dat uitgaande van een 'worst-case'berekening er rekenkundig slechts een marginale toename van +0,2 dB optreedt van de geluidbelasting van het windpark na realisatie van het zonnepark. “ Conclusies vertaald naar voorliggend initiatief: De afstanden van het zonnepark Roosendaalsche Vliet tot aan woningen in de directe omgeving zijn groter dan in de beide onderzoeken. Uit beide onderzoeken blijkt dat er nagenoeg geen hoorbare toename te verwachten is. Dit geldt ook bij de realisatie van zonnepark Roosendaalsche Vliet voor de direct omwonenden. De rapportages van de onderzoeken zijn bijgevoegd in bijlage 2.
36
4.3 Veiligheid Beveiliging door middel van hekwerken is noodzakelijk om enerzijds de eigendommen te beschermen, anderzijds om te voorkomen dat derden zich op het terrein begeven waar gevaarlijke situaties kunnen ontstaan door de elektrische installaties met hoge spanningsniveaus.
Niet gesprongen explosieven Onderstaande is de risicokaart conventionele Explosieven opgenomen. Deze kaart geeft een indicatie van locaties in Roosendaal, waar mogelijk conventionele explosieven in de bodem gevonden kunnen worden.
Figuur 14: risicokaart conventionele explosieven met initiatieflocatie met blauwe cirkel aangegeven rechtsboven op de kaart
Initiatieflocatie betreft geen risicogebied.
4.4 Milieuhinder Door het aanbrengen van een zone tussen bedrijvigheid en milieugevoelige bestemmingen (zoals woningbouw) kan de overlast ten gevolge van bedrijfsactiviteiten zo laag mogelijk gehouden worden. Zonering is met name van toepassing bij nieuwbouw van woningen en andere gevoelige functies in de directe omgeving van een bedrijf en bij vestiging van een nieuw bedrijf in de directe omgeving van gevoelige bestemmingen. Op basis van de VNG-brochure ‘Bedrijven en Milieuzonering 2009’ wordt 37
onder milieugevoelige functies verstaan: woningen, woongebieden, ziekenhuizen, scholen en verblijfsrecreatie. Een zonnepark is niet gecategoriseerd in de VNG-brochure bedrijven en milieuzonering 2009. Hieraan kan dan ook geen richtafstand worden afgeleid. Op voorhand kan verwacht worden dat het aspect ‘weerkaatsing’ of ‘reflectie’ vragen oproept. Over het aspect ‘weerkaatsing’ en ‘reflectie’ kan het volgende worden gesteld op basis van kennis van zonnepanelen die beschikbaar is. Tegenwoordig wordt gebruik gemaakt van hoogwaardige panelen die voorzien zijn van antireflectieglas. Dit heeft als voordeel dat reflectie sterk wordt beperkt en de opgevangen energie zoveel mogelijk geabsorbeerd wordt en zodoende een hoog rendement oplevert. Op overige milieuaspecten zijn geen effecten te verwachten. In de omgeving van het beoogde zonnepark is beperkt bebouwing aanwezig. In het gebied begrensd door Vlietweg/Nieuwe Roosendaalse Vliet – Gastelsedijk zuid – Aanwas – A17 staat één agrarisch bedrijf en een aantal woningen. Het dichtstbij is het agrarisch bedrijf waarvan de grens van het bouwvlak ligt op 125 m en de bedrijfswoning op ruim 200 m. Op een afstand van ruim 400 m ligt de Roosendaalse roeivereniging. De woningen aan de Vlietweg (tenminste 675 m) en Gastelsedijk zuid (550 m) liggen op ruime afstand.
Het dichtstbijzijnde niet agrarische bedrijf op de Borchwerf II ligt op een afstand van ten minste 250 m. Op dit moment geldt een richtafstand van 30 meter tussen woningen en de agrarische functie van de gronden. De toevoeging van zonnepanelen op de agrarische gronden zal niet zorgen van een toename van deze richtafstand. Het aspect milieuhinder vormt derhalve geen belemmering voor de realisatie van het zonnepark.
4.5 Kabels en leidingen De initiatieflocatie grenst aan de oostkant aan de buisleidingstraat met een gebiedsaanduiding vrijwaringszone buisleidingstraat; een zone van 5 m daarin mogen geen nieuwe (beperkt) kwetsbare objecten worden gebouwd. Aan de zuidzijde ligt een 150 kV leiding. Aan de leidingbeheerders is toestemming gevraagd voor het realiseren van het zonnepark. De resultaten van de gevoerde overleggen zijn hieronder weergegeven en komen tevens aan de orde in de rapportage over de cocreatie zoals weergegeven in paragraaf 6.2 en bijlage 4. LS Ned is beheerder van de buisleiding straat. In een gesprek met LS Ned is overleg gevoerd over de noodzakelijke afstand van de buisleidingstraat tot aan de zonnepanelen. Voor deze minimale afstand wordt door LS Ned verwezen naar de eisen, zoals deze worden gesteld door de Gas Unie. Wordt aan de eisen van de Gas Unie voldaan, dan is ook LS Ned akkoord. Toegang tot het zonnepark. LS Ned is ook bereid om medewerking te verlenen voor de toegang tot het zonnepark, welke loopt over een eigen weg van LS Ned. Binnen de leidingstraat is de meest westelijke leiding, en daarmee de leiding die het dicht bij het zonnepark ligt, de gasleiding van de Gas Unie. De Gas Unie stelt eisen aan de minimale afstand, welke mede afhankelijk is van de grootte van de omvormers. Bij de parkinrichting wordt rekening
38
gehouden met deze eisen. De Gas Unie heeft geen bezwaren tegen het beoogde park als aan hun eisen wordt voldaan, deze zijn opgenomen in Bijlage 3. Aan de zuidzijde van de locatie loopt ondergronds de 150 kV leiding van Tennet van het onderstation aan de Zwaanhoefstraat naar het glastuinbouwgebied in Dinteloord, zie de licht blauwe lijn in de bijgevoegde kaart.
Figuur 15: Leidingen van Tennet (licht blauw) en het windpark (rood) Bron : Green Trust
De gestuurde boring onder de buisleidingstraat eindigt op het beoogde perceel, maakt een bocht naar het aangrenzende perceel van grondeigenaar 1 en loopt over dit perceel verder naar het westen. Met Tennet is per mail en telefonisch overleg gevoerd over de aanleg van het zonnepark. Tennet stelt hieraan de voorwaarde dat er een totale strook van 15 m dient vrij te blijven voor eventueel onderhoud aan deze leiding. Hierbij wordt er uitgegaan, waar het mogelijk is van een strook van 7,5m aan beide kanten van de leiding. Bij de parkinrichting wordt met deze voorwaarde rekening gehouden. Wordt aan deze voorwaarde voldaan, dan heeft Tennet geen bezwaar tegen de aanleg van het zonnepark. De netinpassing van het windturbinepark loopt eveneens door het beoogde zonnepark, zie de rode lijn op kaart hierboven. Met Enexis zijn 2 gesprekken gevoerd over de aanwezigheid van de aangegeven kabel door de beoogde locatie. Enexis stelt dezelfde voorwaarden als Tennet m.b.t. een vrije strook voor onderhoud van de kabel. Een breedte van 4m is echter voldoende. Daarnaast is er overleg gevoerd over de aansluiting van het zonnepark in het inkoopstation van het windturbinepark. Hiervoor is door de technisch beheerder een locatiebezoek uitgevoerd met Enexis. Hieruit is naar voren gekomen dat de aansluiting van het zonnepark in het inkoopstation mogelijk is.
Naast de aangegeven gesprekken en bezoek heeft er overleg plaats gevonden per telefoon en per mail. Bij de parkinrichting wordt rekening gehouden met de voorwaarden van Enexis. In een dergelijke situatie werkt Enexis mee aan de realisatie van het beoogde park.
4.6 MER beoordeling Voor activiteiten die zijn genoemd in lijst C en D in de bijlage bij het Besluit m.e.r. moet worden nagegaan of er sprake is van een geval waarin een m.e.r.-beoordelingsbesluit moet worden genomen (D-lijst) of een MER moet worden opgesteld en een m.e.r.-procedure moet worden doorlopen (Clijst). Voor elke activiteit is een drempelwaarde genoemd. Indien de drempelwaarde niet wordt 39
behaald moet een zogeheten ‘vormvrije m.e.r.-beoordeling’ worden uitgevoerd waarin wordt nagegaan of er sprake is van belangrijke negatieve gevolgen voor het milieu die een for mele m.e.r.beoordeling of een m.e.r. noodzakelijk maken. Een installatie voor de opwek van duurzame energie met behulp van zonnepanelen komt op geen van beide lijsten voor. Er hoeft daarom in geen geval aandacht te worden besteed aan de m.e.r.-plicht of m.e.r.-beoordelingsplicht op grond van het Besluit m.e.r.
4.7 Bodem Op grond van het Bro dient in verband met de uitvoerbaarheid van een plan rekening te worden gehouden met de bodemkwaliteit in het plangebied. Bij functiewijzigingen dient te worden bekeken of de bodemkwaliteit voldoende is voor de beoogde functie. In de Wet bodembescherming is bepaald dat indien de desbetreffende bodemkwaliteit niet voldoet aan de norm voor de beoogde functie, de grond zodanig dient te worden gesaneerd dat zij kan worden gebruikt voor de desbetreffende functie (functiegericht saneren). Voor een nieuw geval van bodemverontreiniging geldt, in tegenstelling tot oude gevallen (voor 1987), dat niet functiegericht maar in beginsel volledig moet worden gesaneerd. Het Bouwstoffenbesluit en het Besluit Bodemkwaliteit stellen verder regels hoe om te gaan met vrijkomende grond- en materiaalstromen en hoe deze toe te passen. Bij het voorgenomen gebruik in het plangebied is geen sprake van een transformatie naar een bodemgevoeliger gebruik en/of is de te bebouwen oppervlakte minder dan 50 m2 (vrijstellingsregeling). Hierdoor is onderzoek naar de bodemkwaliteit niet noodzakelijk. Het zonnepark wordt gevormd door bouwwerken, waar geen personen verblijven. Bovendien zijn geen grootschalige bodemingrepen aan de orde, waardoor grond moet worden afgevoerd. Binnen het terrein is sprake van een gesloten grondbalans.
Tot slot worden geen ernstige verontreinigingen verwacht, gelet op het voormalig agrarisch gebruik. Het is dus aannemelijk dat de bodemkwaliteit geschikt is voor de beoogde functie. De kwaliteit van de bodem staat daardoor de uitvoerbaarheid van de omgevingsvergunning niet in de weg. Om die reden kan worden geconcludeerd dat vanuit de bodemkwaliteit geen belemmeringen zijn te verwachten voor de ontwikkeling.
4.8 Luchtkwaliteit In het kader van een goede ruimtelijke ordening wordt bij het opstellen van een ruimtelijk plan uit het oogpunt van de bescherming van de gezondheid van de mens rekening gehouden met de luchtkwaliteit. Het toetsingskader voor luchtkwaliteit wordt gevormd door hoofdstuk 5, artikel 5.2 van de Wet milieubeheer. De Wet milieubeheer (Wm) bevat grenswaarden voor zwaveldioxide, stikstofdioxide en stikstofoxiden, fijn stof, lood, koolmonoxide en benzeen. Hierbij zijn in de ruimtelijke ordeningspraktijk langs wegen vooral de grenswaarden voor stikstofdioxide (NO2jaargemiddelde) en fijn stof (PM10-jaar- en daggemiddelde) van belang.
40
Op grond van artikel 5.16 van de Wm kunnen bestuursorganen bevoegdheden die gevolgen kunnen hebben voor de luchtkwaliteit onder andere uitoefenen indien de ontwikkelingen niet leiden tot een overschrijding van de grenswaarden of de ontwikkelingen niet in betekenende mate bijdragen aan de concentratie in de buitenlucht. NIBM In dit Besluit 'niet in betekenende mate' is bepaald in welke gevallen een project vanwege de gevolgen voor de luchtkwaliteit niet aan de grenswaarden hoeft te worden getoetst. Hierbij worden twee situaties onderscheiden: -
-
een project valt in een categorie die is vrijgesteld aan toetsing aan de grenswaarden; deze categorieën betreffen onder andere woningbouwprojecten met niet meer dan 1.500 woningen bij één ontsluitingsweg en 3.000 woningen bij twee ontsluitingswegen. een project heeft een effect van minder dan 3% van de jaargemiddelde grenswaarde stikstofdioxide (NO2) en fijnstof (PM10).
Het zonnepark draagt niet in betekenende mate bij aan de luchtkwaliteit. Het project gaat namelijk in de gebruiksfase niet gepaard met verbranding van (fossiele) brandstoffen. Ook is er geen sprake van een significante verkeer aantrekkende werking. Alleen in de aanlegfase vinden wat meer verkeersbewegingen plaats. In de gebruiksfase vinden incidenteel verkeersbewegingen plaats die samenhangen met het beheer en onderhoud van het zonnepark. De verkeerbewegingen ten behoeve van het landbouwkundig gebruik vallen daartegen weg.
4.9 Cultuurhistorie en archeologie Archeologie De Erfgoedwet bundelt bestaande wet- en regelgeving voor behoud en beheer van het cultureel erfgoed in Nederland. Bovendien zijn aan de Erfgoedwet een aantal nieuwe bepalingen toegevoegd. Het beschermingsniveau zoals die in de oude wetten en regelingen golden, blijven gehandhaafd. De Erfgoedwet vormt straks samen met de nieuwe nog vast te stellen Omgevingswet het wettelijke fundament voor de archeologie in Nederland. Onderdelen van de voormalige Monumentenwet over archeologie worden te zijner tijd overgeheveld naar de Omgevingswet. Vooruitlopend op de datum van ingang van de Omgevingswet zijn deze artikelen te vinden in het Overgangsrecht in de Erfgoedwet, waar ze ongewijzigd van toepassing blijven zolang de Omgevingswet nog niet van kracht is. Voor de initiatieflocatie zijn geen bijzondere archeologische waarden bekend. Cultuurhistorie Op basis van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) is het wettelijk verplicht om in de toelichting van een bestemmingsplan of in een ruimtelijke onderbouwing een beschrijving op te nemen van de wijze waarop met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening is gehouden.
Naast archeologie (zie daarvoor paragraaf 4.2) dienen ook de facetten historische (stede)bouwkunde en historische geografie te worden meegenomen in de belangenafweging. Hierbij gaat het om zowel beschermde als niet formeel beschermde objecten en structuren. In de directe nabijheid van het initiatief zijn geen bijzondere cultuurhistorische waarden. 41
4.10 Waterparagraaf Water en ruimtelijke ordening hebben met elkaar te maken. Enerzijds is water één van de sturende principes in de ruimtelijke ordening en kan daarmee beperkingen opleggen aan het ruimtegebruik. Anderzijds kunnen ontwikkelingen in het ruimtegebruik ongewenste effecten hebben op de waterhuishouding. Een goede afstemming tussen beide is daarom noodzakelijk om problemen, zoals bijvoorbeeld wateroverlast, slechte waterkwaliteit, verdroging, etc. te voorkomen. Per 1 november 2003 is door een wijziging van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) een watertoets in ruimtelijke plannen verplicht geworden. In deze paragraaf wordt beschreven op welke wijze in het plangebied met water en watergerelateerde aspecten wordt omgegaan. Waterbeleid 21e eeuw (Rijksbeleid) In het afgelopen decennium heeft Nederland meerdere keren te kampen gehad met wateroverlast. Dit heeft geresulteerd in een omslag in het waterbeleid en het denken over water. Het Rijk, de provincies, de waterschappen en de gemeenten zijn onder meer overeengekomen dat: • •
het water zoveel mogelijk moet worden vastgehouden, daarna moet worden geborgen en daarna pas afgevoerd mag worden; voor ruimtelijke plannen een zogenaamde watertoets uitgevoerd dient te worden, hierin dienen de keuzes ten aanzien van waterhuishoudkundige aspecten gemotiveerd beschreven te worden.
Beleid waterschap Brabantse Delta Het waterschap Brabantse Delta is verantwoordelijk voor het waterbeheer in de gemeente op basis van de volgende wettelijke kerntaken: het zuiveringsbeheer, watersysteembeheer, beheer van dijken en beheer van vaarwegen. Het watersysteembeheer -waaronder grondwater- heeft daarbij twee doelen: zowel de zorg voor gezond water als de zorg voor voldoende water van voldoende kwaliteit. Het beleid en de daarmee samenhangende doelen van het waterschap zijn opgenomen in het waterbeheerplan 2016-2021, wat tot stand is gekomen in samenspraak met de waterpartners. Zo zijn bijvoorbeeld relevante waterthema’s gekoppeld aan de belangrijkste ruimtelijke ontwikkelingen in de regio. Daarnaast heeft het waterschap waar nodig nog toegespitst beleid en beleidsregels op de verschillende thema’s/speerpunten uit het waterbeheersplan en heeft het waterschap een eigen verordening; De Keur en de legger. De Keur bevat gebods- en verbodsbepalingen met betrekking tot ingrepen die consequenties hebben voor de waterhuishouding en het waterbeheer. De legger geeft aan waar de waterstaatswerken liggen, aan welke afmetingen en eisen die moeten voldoen en wie onderhoudsplichtig is. Veelal is voor deze ingrepen een watervergunning van het waterschap benodigd. De Keur is onder andere te raadplegen via de site van waterschap Brabantse Delta.
Het waterschap hanteert bij nieuwe ontwikkelingen het principe van waterneutraal bouwen, waarbij gestreefd wordt naar het behoud of herstel van de ‘natuurlijke’ waterhuishoudkundige situatie. Vanwege dit principe wordt bij uitbreiding van verhard oppervlak voor de omgang met hemelwater uitgegaan van de voorkeursvolgorde infiltreren, bergen, afvoeren. De technische eisen en uitgangspunten voor het ontwerp van watersystemen zijn opgenomen in de ‘beleidsregel Afvoer hemelwater door toename en afkoppelen van verhard oppervlak, en de hydrologische uitgangspunten bij de keurregels voor afvoeren van hemelwater’. 42
Watertoets Het watertoetsproces is een belangrijk instrument om het waterbelang in ruimtelijke plannen en besluiten te waarborgen. Het gaat daarbij om alle waterhuishoudkundige aspecten, waaronder veiligheid, wateroverlast, watertekort, waterkwaliteit en verdroging, en om alle wateren: rijkswateren, regionale wateren en grondwater. Het is niet een toets achteraf, maar een proces dat de initiatiefnemer van een ruimtelijk plan en de waterbeheerder in een zo vroeg mogelijk stadium met elkaar in gesprek brengt. Het initiatief Het perceel is nu in gebruik als landbouwgrond. Met de realisering van het zonnepark zal het toekomstig verhard oppervlak niet significant toenemen. Door de realisatie van het zonnepark zal de grond niet verhard worden. Er is genoeg ruimte tussen de zonnepanelen om regenwater in de bodem te laten infiltreren. Er zal wel een trafohuisje worden opgericht. De maximale maat hiervan is nog niet bekend. Dit zal echter zo’n minimale toename van het verhard oppervlak inhouden dat dit op de naastgelegen grond kan worden opgevangen. Voor een deel is het perceel aangeduid als reserveringsgebied waterberging. Initiatiefnemer zal met het waterschap overleggen hierover. Zonnepanelen worden van niet uitloogbare materialen gemaakt. Er zijn (daardoor) geen nadelige gevolgen voor de oppervlaktewaterkwaliteit. Ook voor het overige zijn geen effecten m.b.t.
de waterhuishouding te verwachten. Met het waterschap is een vooroverleg gevoerd. Het waterschap vraagt aandacht voor: Het zonnepark ligt in buitendijks gebied. Alle initiatieven in buitendijks gebied moeten worden voorgelegd aan ons bestuur voor instemming. Indien wordt ingestemd is de ontwikkeling op eigenrisico en heeft het waterschap geen beschermingstaak bij overstromingen en inzet als berging van dit buitendijks gebied. De categorie A watergang wordt door het waterschap onderhouden toegankelijkheid naar en mogelijkheid tot onderhoud moet gewaarborgd blijven. Bij de hoogte van de stellages voor de zonnepanelen dient rekening te worden gehouden met de effecten van de inzet van de waterberging VolkerakZoommeer. Waterschap denkt graag mee bij de verdere vertaling van de aandachtpunten in een meer gedetailleerde uitwerking. Eerst dient echter de gemeente Roosendaal geen (planologische) bezwaren te hebben bij het initiatief. Het formele wateradvies volgt op basis van de aanvraag om een omgevingsvergunning en/of aanpassing van het bestemmingsplan
43
5 Conclusies Het vigerende bestemmingsplan voorziet niet in de realisatie van een zonnepark aan Vlietweg in Roosendaal Om de beoogde ontwikkeling planologisch-juridisch mogelijk te maken is een omgevingsvergunning in afwijking van het bestemmingsplan noodzakelijk. Het initiatief is acceptabel: -
-
de ontwikkeling past binnen het vigerende beleid van Rijk; de ontwikkeling past binnen het vigerende beleid van de provincie Nord-Brabant; de ontwikkeling past binnen het vigerende beleid van gemeente zoals o.a. verwoord in de Visie op Zonne-energie gemeente Roosendaal; met dit initiatief wordt door lokale ondernemers een zonnepark gerealiseerd en een bijdrage geleverd aan de productie aan duurzame energie met dubbelgebruik van bestaande netcapaciteit zoals aangelegd voor het windpark; de ontwikkeling is ruimtelijk en functioneel goed inpasbaar in de omgeving; de ontwikkeling heeft geen (onaanvaardbare) nadelige ruimtelijke of milieueffecten; de economische uitvoerbaarheid is gewaarborgd; de maatschappelijke uitvoerbaarheid is gewaarborgd; voor het initiatief is een zorgvuldig cocreatieproces doorlopen.
Alle belangen afwegend kan worden geconcludeerd dat er geen sprake is van belemmeringen die de realisatie van een zonnepark aan de Vlietweg in Roosendaal in de weg staan. Realisatie van dit nieuwe gebruik volgens voorliggende inrichtingsplan is in overeenstemming met een ‘goede ruimtelijke ordening’.
44
6 Uitvoerbaarheid 6.1 Economische uitvoerbaarheid Kostenverhaal In de Wro is in afdeling 6.4 de regelgeving rondom grondexploitatie opgenomen. Centrale doelstelling van deze afdeling is om in de situatie van particuliere grondexploitatie te komen tot een verbetering van het gemeentelijk kostenverhaal en de versterking van de gemeentelijke regie bij locatieontwikkeling. In artikel 6.12 van de Wro is bepaald dat de gemeenteraad een exploitatieplan vaststelt voor gronden waarop een bouwplan is voorgenomen. In artikel 6.2.1 Bro is vastgelegd wat onder een bouwplan wordt verstaan. De bouw van bouwwerken geen gebouwen zijnde vallen hier niet onder, waardoor het opstellen van een exploitatieplan niet noodzakelijk is. Tussen gemeente en initiatiefnemer wordt uiterlijk voorafgaand aan de publicatie van de definitieve omgevingsvergunning een anterieure overeenkomst gesloten waarin onder meer afspraken worden opgenomen over planschadevergoeding en verwijdering van het zonnepark na afloop van de 25 jaar dat het park is vergund.
Economische uitvoerbaarheid De beoogde ontwikkeling is een particulier initiatief. De voorgenomen ontwikkeling wordt door de initiatiefnemer uitgevoerd. De kosten in verband met de realisatie zijn voor rekening van initiatiefnemer. Voor de gronden ter plaatse van de ontwikkelingslocatie wordt een opstalrecht gevestigd. De eigenaar van de grond is tevens aandeelhouder van WP Roosendaalsche Vliet bv. Het zonnepark heeft geen nieuwe netinpassing nodig maar kan gebruik maken van de kabel die is aangelegd voor het windpark Roosendaalsche Vliet. Dit dubbelgebruik van de kabel heeft een positief effect op de economische uitvoerbaarheid. Voor de realisatie van de zonneweide wordt na verkrijging van de omgevingsvergunning, de SDE++subsidie aangevraagd. Uit onderzoek van de initiatiefnemer blijkt dat een zonnepark op de betreffende locatie qua projectrendement financieel haalbaar is, onder de aanname dat SDE++subsidie wordt verkregen.
45
6.2 Maatschappelijke uitvoerbaarheid Het ontwikkelen en plaatsen van een zonnepark dient te worden besproken met de omgeving; De bewoners van Roosendaal. ZP Roosendaalsche Vliet BV vormt door de samenstelling op zich al een vorm van burgerparticipatie.
Co-creatieproces. Door ZP Roosendaalsche Vliet BV is een uitvoerig co-creatieproces uitgevoerd. Hiervoor heeft er een uitvoerige en uitgebreide afstemming plaats gevonden met de gemeente Roosendaal. Het gehele proces is beschreven in een rapportage, welke is bijgevoegd als bijlage 4 aan deze ruimtelijke onderbouwing. De samenvatting en conclusies in de rapportage zijn : Door het zonnepark Roosendaalsche Vliet is een co-creatieproces doorlopen in het kader van het beleid van de gemeente Roosendaal. De samenvatting en conclusies zijn onderstaand weergegeven. A. Alle mogelijke methoden om de direct omwonenden en burgers van de gemeente Roosendaal te betrekken van “het idee naar een project” zijn toegepast. De coronaproblematiek heeft de uitvoering van het proces lastiger gemaakt. B. Met de direct omwonenden zijn individuele gesprekken gevoerd. C. De belangstelling om aan activiteiten deel te nemen was (zeer) beperkt tot gering. De meeste belangstelling ging uit naar de mogelijkheden voor financiële participatie. De uitwerking hiervan komt in een latere fase terug aan de orde. D. Tijdens de uitvoering van het co-creatieproces heeft geen enkele persoon zich uit gesproken tegen het beoogde zonnepark. (Dit hoort in principe ook thuis in het ruimtelijk ordeningsproces). E.
De direct omwonenden en tijdens de digitale bijeenkomst over de landschappelijke inpassing is nadrukkelijk naar voren gekomen om rekening te houden met een bijenproject en het stimuleren van de biodiversiteit. De beplanting dient hierop afgestemd te zijn, waarbij bloemrijke randen, struweel en/of scheerhagen een sterke voorkeur hebben. F. De direct omwonenden hebben er geen problemen mee als het zonnepark zichtbaar zou zijn vanaf de Vlietweg, mede omdat het ca 250m van de weg af ligt. G. De deelnemers worden in de periode tot aan de realisatie regelmatig geïnformeerd en betrokken over de ontwikkelingen van het project. Voor de financiële participatie mogelijkheden worden over ongeveer 1 jaar aparte, nieuwe activiteiten georganiseerd. Alle direct omwonenden en burgers van de gemeente Roosendaal kunnen hier aan deelnemen. H. Via de website van het zonnepark kunnen altijd reacties en/of vragen worden ingebracht. Regelmatig zal de stand van zaken/ontwikkelingen op de website worden vermeld.
46
7 Resultaten overleg met andere overheden en instanties - Provincie Noord-Brabant PM - Waterschap Brabantse Delta PM
8 Procedure In artikel 3.10 Wabo is bepaald dat op de voorbereiding van een omgevingsvergunning, zoals bedoeld in artikel 2.12, lid 1, onder a, onder 3, afdeling 3.4 Algemene wet bestuursrecht (Awb) van toepassing is. In afdeling 3.4 Awb is bepaald dat het ontwerp van de omgevingsvergunning gedurende 6 weken ter inzage zal liggen. Tijdens deze periode kan een ieder schriftelijk of mondeling zienswijzen kenbaar maken aan burgemeester en wethouders omtrent hun voornemen om medewerking te verlenen aan de onderhavige omgevingsvergunning.
47
Bijlagen
48
Bijlage 1: landschappelijke inpassing (losse bijlage)
Bijlage 2: Rapportages geluid zonneparken en windturbines (losse bijlage)
Bijlage 3: Uitgangspunten Gasunie
51
52
Bijlage 4: Cocreatie (losse bijlage)
53