CConstaterende datRoosendaal
Koppel je AI →
Document · PDF

3. Roosendaalse Vliet 20210622GRO ZP.pdf

Gemeenteraad 13 juli 2022, gemeente RoosendaalBij agendapunt: 5b: Voorstel 41 Afgifte definitieve verklaring van geen bedenkingen Zonnepark Roosendaalse Vliet14.477 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

Ruimtelijke onderbouwing Zonnepark Roosendaalsche Vliet

Ruimtelijke onderbouwing

Opdrachtgever: Directie ZP Roosendaalsche Vliet BV p/a J.A.C. Denissen Zonnelandstraat 6 4709 RA Nispen tel : 06 22490135 jdenzon@home.nl Opgesteld door: Mw. ir. P.A.M. Brouwer

06-17005241 elly@brouweragrarischadvies.nl 22 juni 2021 Op de dienstverlening zijn de Algemene voorwaarden van Elly Brouwer Agrarisch Advies van toepassing, deze staan vermeld op www.brouweragrarischadvies.nl. U kunt de algemene voorwaarden ook kosteloos opvragen.

2

3

Inhoud 1.

2.

3

Inleiding ........................................................................................................................................... 6 1.1

Doel van de ruimtelijke onderbouwing ................................................................................... 6

1.2

Omschrijving planlocatie ......................................................................................................... 6

1.3

Vigerend bestemmingsplan..................................................................................................... 7

1.4

Leeswijzer ................................................................................................................................ 7

Omschrijving project ....................................................................................................................... 8 2.1

Initiatiefnemer ........................................................................................................................ 8

2.2

Het plan ruimtelijk ................................................................................................................... 8

2.3

Functioneel.............................................................................................................................. 9

Vigerend beleid ............................................................................................................................. 11 3.1

Rijksbeleid.............................................................................................................................. 11

3.2

Provinciaal beleid .................................................................................................................. 14

3.3. Regionale Energie Strategie West-Brabant ................................................................................ 18 3.4

Gemeentelijk beleid ............................................................................................................... 19

3.4.1. Bestemmingsplan ................................................................................................................ 19 3.4.2. Visie op Zonne-energie gemeente Roosendaal................................................................... 20 3.5 Het verzoek.................................................................................................................................. 31 4

Ruimtelijke en milieuaspecten ...................................................................................................... 33 4.1 Natuur en landschap ................................................................................................................... 33 4.2 Geluid.......................................................................................................................................... 36 4.3 Veiligheid ..................................................................................................................................... 37 4.4 Milieuhinder ................................................................................................................................ 37 4.5 Kabels en leidingen...................................................................................................................... 38 4.6 MER beoordeling ......................................................................................................................... 39 4.7 Bodem ......................................................................................................................................... 40 4.8 Luchtkwaliteit ..............................................................................................................................

40 4.9 Cultuurhistorie en archeologie .................................................................................................... 41 4.10 Waterparagraaf ......................................................................................................................... 42

5

Conclusies ...................................................................................................................................... 44

6

Uitvoerbaarheid ............................................................................................................................ 45 6.1

Economische uitvoerbaarheid ............................................................................................... 45

6.2

Maatschappelijke uitvoerbaarheid ....................................................................................... 46

7

Resultaten overleg met andere overheden en instanties ............................................................. 47

8

Procedure ...................................................................................................................................... 47

Bijlagen .................................................................................................................................................. 48 4

Bijlage 1: landschappelijke inpassing (losse bijlage) ............................................................................. 49 Bijlage 2: Rapportages geluid zonneparken en windturbines (losse bijlage) ........................................ 50 Bijlage 3: Uitgangspunten Gasunie ....................................................................................................... 51 Bijlage 4: Rapport Cocreatie (losse bijlage) ........................................................................................... 53

5

1. Inleiding 1.1 Doel van de ruimtelijke onderbouwing ZP Roosendaalsche Vliet BV wil een zonnepark ontwikkelen op een perceel van 5,2 hectare tussen de Vlietweg, Gastelsedijk zuid en de Aanwas in Roosendaal. Het park is gepland achter de 3e windturbine van WP Roosendaalsche Vliet, waarmee in dit initiatief als een van de eerste in Nederland zonne-energie en windenergie combineert.

Figuur 1: initiatieflocatie in geel in de omgeving

De opgewekte elektriciteit kan via de kabel, die voor het windpark al is aangelegd, in het net worden gebracht. Het realiseren van het zonnepark past niet in het bestemmingsplan. Deze ruimtelijke onderbouwing dient om de ruimtelijke aanvaardbaarheid van dit initiatief te wegen.

1.2 Omschrijving planlocatie De aanvraag betreft een perceel van 5,2 ha tussen de Vlietweg, Gastelsedijk zuid en de Aanwas in Roosendaal, kadastraal bekend Roosendaal A 4951 (deels), zie de kaartbeelden hieronder.

Figuur 2: de initiatieflocatie in oranje ten opzichte van de Vlietweg en turbine 3

Netto zal er maximaal 3,7 hectare zonnepanelen worden geplaatst.

6

1.3 Vigerend bestemmingsplan Vigerend op de initiatieflocatie is het onherroepelijke bestemmingsplan buitengebied Roosendaal Nispen, vastgesteld 02-11-2016. De initiatieflocatie heeft een enkelbestemming agrarisch en een gebiedsaanduiding vrijwaringszone radar 13. Voor een deel van het perceel geldt tevens de gebiedsaanduiding geluidszone industrie, een gebiedsaanduiding overige zone – reservering waterberging, gebiedsaanduiding vrijwaringszone buisleidingstraat. Het bestemmingsplan biedt geen afwijkingsmogelijkheden voor het realiseren van een zonnepark. Om de ontwikkeling mogelijk te maken, is de gemeente Roosendaal voornemens een procedure te doorlopen voor een tijdelijke omgevingsvergunning (max 25 jaar). Voor het opstarten van een afwijkingsprocedure volgens artikel 2.12, lid 1, sub a onder 3 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) is een ruimtelijke onderbouwing noodzakelijk. Het voorliggende document betreft de goede ruimtelijke onderbouwing zoals is opgenomen in artikel 2.12, lid 1, onder a, sub 3 Wabo. Hiermee kan het plan planologisch-juridisch mogelijk gemaakt worden.

1.4 Leeswijzer In Hoofdstuk 2 is een omschrijving van het project opgenomen, waarna in Hoofstuk 3 het vigerend beleid, voor zover van belang voor dit project, wordt behandeld. In Hoofstuk 4 worden relevante ruimtelijke en milieuaspecten besproken. In Hoofstuk 5 worden conclusies getrokken over de ruimtelijke aanvaardbaarheid van het plan. Tenslotte worden in Hoofstuk 6, 7 en 8 de procedurele aspecten behandeld.

7

2. Omschrijving project 2.1 Initiatiefnemer De initiatiefnemer van dit project is ZP Roosendaalsche Vliet BV, bestaande uit agrarische ondernemers uit de gemeente Roosendaal, waaronder ZLTO Roosendaal, die willen investeren in duurzame energie in hun eigen omgeving; een groep lokale burgers. Deze ondernemers hebben Windpark Roosendaalsche Vliet ontwikkeld en gerealiseerd en willen in aanvulling daarop een verdere verduurzaming realiseren door nabij Turbine 3 een zonnepark te ontwikkelen en tegelijkertijd de stroomkabel beter benutten.

2.2 Het plan ruimtelijk Vigerend is het onherroepelijke bestemmingsplan buitengebied Roosendaal Nispen, vastgesteld 9-10-2017. De initiatieflocatie heeft een enkelbestemming agrarisch en een gebiedsaanduiding vrijwaringszone radar 13. Voor een deel van het perceel geldt tevens de gebiedsaanduiding geluidszone industrie, een gebiedsaanduiding overige zone – reservering waterberging, gebiedsaanduiding vrijwaringszone buisleidingstraat. Initiatienemer is voornemens een zonnepark te realiseren nabij het windpark Roosendaalsche Vliet waarbij de opgewekte stroom uit het zonnepark door de kabel van het windpark kan worden geleverd aan het net. Van de aandeelhouders van ZP Roosendaalsche Vliet BV heeft al een aantal ondernemers zonnepanelen op daken gerealiseerd. Daarnaast zijn er een aantal installaties op daken in voorbereiding. Bij het zoeken naar een geschikte locatie voor een zonnepark, zijn er diverse aspecten die een rol spelen. In eerste instantie heeft ZP Roosendaalsche Vliet gezocht naar een perceel dat zich dicht genoeg bij de windturbines bevindt, zodat gebruik kan worden gemaakt van de huidige kabel. Met deze gedachte zijn een aantal percelen als geschikt gekenmerkt. Aan de hand van de volgende selectiecriteria is tot een voorlopige keuze gekomen. • • • • • •

Visie gemeente; Landbouwkundige kwaliteit; Landschappelijke inpassing; Kosten netinpassing; Bezwaren omgeving; Schaduwwerking;

De keuze is gevallen op een perceel van ongeveer 5,2 hectare groot , zie onderstaande afbeeldingen. Netto zal er maximaal 3,7 hectare zonnepanelen worden geplaatst.

8

Figuur 3: Initiatieflocatie Zonnepark Roosendaalsche Vliet in de omgeving

2.3 Functioneel Het opwekken van zonne-energie is een mooie aanvulling op de windenergie. Uiteraard omdat het beide manieren zijn om duurzame energie op te wekken. Maar ook om een reden van een veel praktischer aard. Doordat de wind en zon beide op andere momenten pieken in de energieproductie, kan efficiënt gebruik gemaakt worden van dezelfde netaansluiting. Gemiddeld per maand kan de gezamenlijke stroom door de kabel, het kan echter zo zijn dat op enig moment de gezamenlijke opwekking zo hoog is dat het zonnepark tijdelijk moet worden afgeschakeld. Voor het zonnepark kan gebruik worden gemaakt van de kabel van WP Roosendaalsche Vliet BV. De kabel kan op deze manier efficiënt worden gebruikt. Hiermee kan meer duurzame energie worden gerealiseerd binnen de bestaande (beperkende) netcapaciteit. Het perceel ligt op een locatie op ruime afstanden van omwonenden. Door de ligging op afstand van de Vlietweg en achter de beplanting/bossages langs de Gastelseweg zuid is er beperkt tot geen zicht op. Op basis daarvan is er geen overlast voor omwonenden te verwachten en is er in de basis al een goede landschappelijke inpassing aanwezig.

9

De initiatieflocatie betreft een perceel landbouwgrond dat wat minder geschikt is voor landbouwkundig gebruik door de hoogte verschillen binnen het perceel, zie onderstaande weergave.

Figuur 4: Hoogteligging initiatiefperceel Bron: Boerenbunder.nl

Inrichting park Voor de inrichting van het zonnepark is gekozen voor een en zuidopstelling. In verband met benodigde ruimte voor landschappelijke inpassing, onderhoudsstroken en mogelijke planologische beperkingen, de daadwerkelijk te realiseren oppervlakte en daarmee het vermogen lager zijn. De oppervlakte van het zonnepark is begrensd op 3,7 ha, aansluitend wordt de landschappelijke inpassing gerealiseerd zoals uitgewerkt in paragraaf 4.1.

Figuur 5: zuidopstelling

10

Figuur 6: inrichting Zonnepark

3 Vigerend beleid 3.1 Rijksbeleid Nationale Omgevingsvisie; Duurzaam perspectief voor onze leefomgeving (NOVI) (september 2020) De NOVI is een instrument van de nieuwe Omgevingswet en loopt vooruit op de inwerkingtreding van die wet. De NOVI komt als structuurvisie uit onder de bestaande Wet ruimtelijke ordening (WRO). Het Nationaal Milieubeleidsplan (NMP4, 2001) en de Rijksnatuurvisie 2014 gaan op in en worden vervangen door de NOVI en het bijbehorende Nationaal Milieubeleidskader. De Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) vervalt geheel, behalve paragraaf 4.9 Caribisch Nederland en Caribische Exclusieve Economische Zone. De NOVI geldt verder als wijziging van enkele onderdelen van het Nationaal Waterplan 2016-2021 (NWP) op grond van de Waterwet. Zodra de Omgevingswet in werking is getreden, zal deze structuurvisie gelden als een omgevingsvisie, zoals in de nieuwe wet bedoeld. De Omgevingswet geeft aan de NOVI mee dat deze ‘met het oog op duurzame ontwikkeling, de bewoonbaarheid van het land en de bescherming en verbetering van het leefmilieu, gericht is op het in onderlinge samenhang: (a) bereiken en in stand houden van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit en (b) doelmatig beheren, gebruiken en ontwikkelen van de fysieke leefomgeving ter vervulling van maatschappelijke behoeften’.

De NOVI stelt een nieuwe aanpak voor: integraal, samen met andere overheden en maatschappelijke organisaties, en met meer regie vanuit het Rijk. Met steeds een zorgvuldige afweging van belangen werken we aan onze prioriteiten: ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie, een duurzaam en 11

(circulair) economisch groeipotentieel, sterke en gezonde steden en regio’s en een toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied. Regie betekent ook dat we richting meegeven aan afwegingen door andere overheden, met zogenaamde voorkeursvolgorden. Concreet voorbeeld: onze voorkeur gaat uit naar de plaatsing van zonnepanelen op daken en gevels van gebouwen, maar lukt dat niet, dan komen onbenutte stukken grond binnen de bebouwde omgeving in aanmerking. Wanneer ook dat geen optie is, richten we onze blik op het landelijke gebied. Met de NOVI geeft de Rijksoverheid zo richting aan een toekomstbestendige ontwikkeling van onze leefomgeving zonder een blauwdruk op te leggen. Ladder voor duurzame verstedelijking Op grond van artikel 3.1.6 het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) moet een bestemmingsplan of een omgevingsvergunning voor afwijken van het bestemmingsplan, waarmee een nieuwe stedelijke ontwikkeling wordt mogelijk maakt, voldoen aan een aantal voorwaarden. Uit jurisprudentie (ECLI:NL:RVS:2019:178) is gebleken dat de realisatie van een zonnepark ruimtelijk gezien geen stedelijke ontwikkeling betreft. Derhalve hoeft niet nader te worden ingegaan op de ladder voor duurzame verstedelijking.

Zonneladder In een tweede kamer motie van Carla Dik Faber in mei 2019 is verzocht om zonneparken te toetsen aan een zogenaamde zonneladder. De minister heeft op 23 augustus 2019 in een brief aangeven op welke manier uitvoering wordt gegeven aan dit verzoek. Het kabinet is met het IPO en de VNG overeengekomen dat provincies en gemeenten een voorkeursvolgorde zullen hanteren bij het toestaan van nieuwe zonneparken. De voorkeursvolgorde luidt als volgt: Daken en gevels: Een voorkeur bestaat voor zonnepanelen op daken en gevels van gebouwen. Omdat hier al sprake is van bebouwing zal het introduceren van zonnepanelen op deze plekken doorgaans minder invloed hebben op de kenmerken of identiteit van een gebied. Bebouwd gebied: Om dezelfde reden hebben daarna onbenutte terreinen in bebouwd gebied de voorkeur. Landelijk gebied: Om aan de gestelde energiedoelen te voldoen, kan blijken dat ook locaties in het landelijk gebied nodig zijn. Ook in dat geval gaat de voorkeur uit naar het zoeken van slimme functiecombinaties. Hoewel natuur- en landbouwgebieden daarbij niet volledig worden uitgesloten, ligt de voorkeur bij gronden met een andere primaire functie dan landbouw of natuur, zoals waterzuiveringsinstallaties, vuilnisbelten, binnenwateren of bermen van spoor- en autowegen.

Het is daarnaast de bedoeling dat netbeheerders actief worden betrokken bij keuzes voor opweklocaties, zodat mogelijkheden voor aansluiting en transport hierbij worden meegewogen. Op dit moment kampt een aantal regio’s in Nederland met een tekort aan netcapaciteit, waardoor de realisatie van verschillende hernieuwbare energieprojecten wordt vertraagd of in gevaar komt. De Minister gaf daarom eerder al aan dat hij een transportindicatie verplicht wil stellen bij de aanvraag van SDE+ subsidies.

12

Duurzame energie De rol van de Rijksoverheid in het ruimtelijke beleid voor nationale elektriciteitsvoorziening is gelegen in het zorgen voor voldoende ruimte voor een adequate infrastructuur. Energiezekerheid is een belangrijk economisch goed. De verdere integratie van de Europese energiemarkt maakt dat er een steeds groter beroep op internationale verbindingen wordt gedaan en hoogspanningsverbindingen mogelijk om uitbreiding vragen. Het Rijk wijst daarbij de tracés van hoogspanningsverbindingen (vanaf 220 Kilovolt) en locaties voor de opwekking van elektriciteit (vanaf 500 Megawatt) aan en zorgt voor de inpassing hiervan. Het project valt hier niet onder, aangezien minder dan 10 MWp zal worden opgewekt. Het Rijk zet in op een transitie naar een duurzame, hernieuwbare energievoorziening en het geschikt maken van de elektriciteitsinfrastructuur op de langere termijn voor meer decentrale opwekking van elektriciteit. In de Structuurvisie wordt aangegeven dat het aandeel van duurzame energiebronnen als wind, zon, biomassa en bodemenergie in de totale energievoorziening omhoog moet. De ambitie is dat Nederland in 2040 een robuust internationaal energienetwerk kent en dat de energietransitie ver gevorderd is. Het is primair de taak van provincies en gemeenten om voldoende ruimte te bieden voor duurzame energievoorziening (zoals zonne-energie en biomassa).

Het ruimtelijk rijksbeleid voor (duurzame) energie beperkt zich daarom enkel tot grootschalige windenergie op land en op zee, gelet op de grote invloed op de omgeving en de omvang van deze opgave. Voor andere energiefuncties is geen nationaal ruimtelijk beleid nodig, naast het faciliteren van ontwikkelingen door het aanpassen van wet- en regelgeving en het delen en ontwikkelen van kennis. Het voorliggende project moet ruimte gaan bieden aan de realisatie van een zonneweide. Het project levert daarmee een bijdrage aan de doelstelling voor 2040 uit het rijksbeleid.

Doelstellingen internationaal en nationaal klimaatbeleid De uitstoot van broeikasgassen als gevolg van de energiebehoefte kan worden beperkt door energiebesparing en door grootschalige inzet van duurzame energiebronnen. Een dergelijke omschakeling in de Nederlandse elektriciteitsvoorziening betekent een forse inspanning. Nederland heeft voor wat betreft de doelstelling op het gebied van duurzame energie aansluiting gezocht bij de taakstelling die in Europees verband is geformuleerd. In het Energieakkoord (2013) is de basis gelegd voor een breed gedragen, robuust en toekomstbestendig energie- en klimaatbeleid. Het energieakkoord biedt een langetermijnperspectief met afspraken op de korte- en middellange termijn. Hiervoor zijn de volgende doelen geformuleerd: • • • •

een besparing van energieverbruik met gemiddeld 1,5% per jaar; 100 PetaJoule (PJ) energiebesparing per 2020; een toename van het aandeel duurzame energie naar 14% van het totale jaarverbruik in Nederland in 2020 met een doorgroei naar 16% in 2023; het creëren van ten minste 15.000 voltijdsbanen binnen de duurzame energiesector.

Deze doelen zijn verder uitgewerkt in verschillende pijlers. Voor de ontwikkeling van het zonnepark zijn vooral pijler 2 ‘Opschalen hernieuwbare energieopwekking' en pijler 3 ‘Stimuleren van decentrale duurzame energie (DDE)’ van belang. In het energieakkoord wordt uitgegaan van een opwekking van 186 PJ energie uit hernieuwbare energiebronnen. Om te komen tot deze energieopwekking zijn alle vormen van energieopwekking nodig: wind, biomassa en zon.

13

Momenteel bedraagt het aandeel zonne-energie minder dan 1% van de totale energievraag. Het toekomstige zonnepark levert daarom een belangrijke bijdrage aan de doelstelling van het rijk om te komen tot een aandeel van 16% van duurzaam opgewekte energie in het totale Nederlandse energieverbruik in 2023. Het project past zodoende in het energiebeleid van het Rijk zoals dat is neergelegd in het Energieakkoord.

3.2 Provinciaal beleid De provincie Noord-Brabant streeft naar een energie-neutrale samenleving in 2050. Om dat voor elkaar te krijgen zet zij fors in op het gebruik van duurzame energie, jaagt ze baanbrekende innovaties in de energiewereld aan en betrekt ze zo veel mogelijk Brabanders bij de energietransitie. De provincie schrijft daar o.a. over: Steeds vaker hebben we te maken met hittegolven, droogte en extreme buien. De klimaatverandering is niet alleen meer een wetenschappelijk feit, maar het beïnvloedt ons dagelijks leven. Internationale en nationale ambities onderstrepen de ernst. Het is tijd om nu écht door te pakken. In Brabant hebben we een duidelijke ambitie: 100% duurzame energie in 2050. Een ambitie die we bij veel partijen in de provincie zien. Nu nog is 90% van de energie afkomstig uit fossiele bronnen zoals kolen, aardolie en aardgas. De transitie naar 100% duurzame energie is een transitie die impact heeft op hoe we wonen, hoe we reizen en hoe we werken.

Energieagenda 2019-2030 We gebruiken in 2030 in Brabant 240 PJoule en willen dat de helft hiervan is van duurzame bronnen. Denk aan windturbines, zonneparken, maar ook nieuwe technieken kunnen de transitie versnellen. Naast opwekken van duurzame energie werken we aan conversie en opslag om tijdelijke disbalans in vraag en aanbod op te vangen. Hiermee werken we met z'n allen aan een schoon Brabants energiesysteem. Wat betreft de ruimtelijke inrichting en ontwikkeling hebben we als provincie een speciale rol om integrale afwegingen te maken met een ruimtelijke helicopterview, kijkend over de gemeentelijke grenzen heen. We zoeken naar complementariteit, immers de mogelijkheden verschillen tussen de gemeenten, dus ook de mogelijkheden om bij te dragen aan de energietransitie. Ook streeft de provincie naar omgevingskwaliteit en besteedt zij aandacht aan de vormgeving van de energie-opwekking in het landschap, zoals in de Omgevingsvisie (2018) is toegelicht. We hanteren hierbij principes als meervoudig, efficiënt en zorgvuldig ruimtegebruik. Als provincie bevorderen we het tijdelijk gebruik van gebieden voor de inrichting van zonnevelden, bijvoorbeeld gebieden die wachten op een bestemming wonen of natuur kunnen tijdelijk worden gebruikt voor de transitie. Na de terugverdientijd van de installatie (vaak na zo'n 15 jaar) kan de ruimte alsnog een nieuwe functie krijgen.

Bovendien bestaat de kans dat technieken na 15 jaar efficiënter zijn geworden of dat zich nieuwe, betere oplossingen aandienen, die dan weer geadopteerd kunnen worden.

14

Energietransitie is van ons allen De energietransitie gaat ons allemaal aan. De energietransitie in Brabant is sterk afhankelijk van meerdere partners en stakeholders van de provincie. Partners zoals woningcorporaties, de vervoersector, agrariërs, het MKB, hightech-bedrijven en energieproducenten dragen bij vanuit hun eigen expertise. Daarom moeten we inhoudelijk en procesmatig de juiste relaties leggen, binnen en buiten de opgave, en partijen aan elkaar verbinden. Hiermee volgen we als provincie ook de samenwerkingsgedachte uit de Omgevingsvisie. We bevorderen de energietransitie en nodigen andere partners uit om mee te doen. Andere partijen zijn daarbij in de gelegenheid om hun eigen doelen in het proces in te brengen. Onze rol in het netwerk varieert; deze kan heel beperkt of enkel ondersteunend zijn, maar partijen kunnen ons als overheid ook vragen om juist een leidende rol te nemen. Als provincie kiezen we daarbij uit een range aan mogelijkheden, van geen bemoeienis tot reguleren en handhaven. We zullen dat verder specificeren in de transitiepaden en in de latere uitvoeringsprogramma's, en deze rollen zullen in de tijd verschuiven (dynamisch). We zoeken samen met gemeenten en andere partijen naar combinaties van functies en initiatieven en kunnen randvoorwaarden stellen. Integraliteit, meekoppeling of het bieden van een meerwaarde zijn hierbij leidend.

We hebben daarbij aandacht voor landschappelijke karakteristieken en waarden, die we concretiseren in onze Verordening Ruimte/Omgevingsverordening. In de Omgevingsvisie die in december 2018 is vastgesteld schrijft de provincie over het realiseren van duurzame energie: Van een marginale toepassing van duurzame technologie gaan we via een enorme groeispurt grootschalig gebruik maken van energie via wind, zon, water en duurzame warmte. Elektriciteit Voor de periode tot 2030 zetten de provincie vol in op het mogelijk maken van zoveel mogelijk zon- en breed gedragen windprojecten, binnen de spelregels die nu in de Verordening Ruimte een plek hebben gekregen. Draagvlak en sociale randvoorwaarden zijn daarbij belangrijk. Ook zet de provincie zich in om de elektriciteitsvraag van de gebouwde omgeving zoveel mogelijke binnen die omgeving op te wekken.

Interim omgevingsverordening Noord-Brabant (geconsolideerd 01-03-2020) In de Interim omgevingsverordening is initiatieflocatie gelegen in Gemengd Landelijk gebied. Met betrekking tot zonneparken is in de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant het volgende opgenomen. Het initiatief wordt hieronder en overigens in deze ruimtelijke onderbouwing getoetst. Artikel 3.41 zonneparken in landelijk gebied Lid 1. Binnen Landelijk gebied is nieuwvestiging mogelijk van zelfstandige opstellingen van zonnepanelen om te kunnen voldoen aan de doelstellingen voor het opwekken van duurzame energie als: a. uit onderzoek blijkt dat de capaciteit voor het opwekken van duurzame energie in Stedelijk gebied, op bestaande bouwpercelen en rekening houdend met de ontwikkelingsmogelijkheden van windenergie onvoldoende is;

15

b. de nieuwvestiging past in het onderzoek naar geschikte locaties voor zelfstandige opstellingen van zonnepanelen, gelet op zorgvuldig ruimtegebruik en omgevingskwaliteit; c. de ontwikkeling qua omvang inpasbaar is in de omgeving; d. de ontwikkeling een maatschappelijke meerwaarde geeft; e. de ontwikkeling op regionaal niveau is afgestemd met omliggende gemeenten en de netwerkbeheerder, gelet op de ontwikkeling van overige duurzame energie initiatieven in de omgeving. Lid 2. De maatschappelijke meerwaarde wordt onderbouwd vanuit de volgende criteria: a. de mate van meervoudig ruimtegebruik; b. de maatregelen die getroffen worden om de impact op de omgeving te beperken; c. de bijdrage die wordt geleverd aan andere maatschappelijke doelen. Lid 3. Er kan uitsluitend toepassing gegeven worden aan het eerste lid met een omgevingsvergunning waarbij door toepassing te geven aan artikel 2.12, eerste lid, onderdeel a, onder 2 of 3, Wet algemene bepalingen omgevingsrecht wordt afgeweken van een bestemmingsplan, waarbij aan de omgevingsvergunning in ieder geval de volgende voorwaarden worden verbonden: a. de omgevingsvergunning geldt voor een bepaalde termijn, die ten hoogste 25 jaar bedraagt; b. na het verstrijken van de termijn wordt de vóór de verlening van de omgevingsvergunning bestaande toestand hersteld en wordt de opstelling voor zonne-energie verwijderd; c.

voor het gestelde onder b. wordt financiële zekerheid gesteld.

Toelichting Artikel 3.41 zonne-parken in landelijk gebied In toenemende mate worden er initiatieven ontwikkeld voor het opwekken van zonne-energie. Hiervoor bestaan mogelijkheden op daken. Daarnaast zijn er mogelijkheden voor grondgebonden zonneparken in stedelijk gebied, in zoekgebieden verstedelijking en op bestaande bebouwde locaties in het landelijk gebied zoals rioolzuiveringsinstallaties, stortplaatsen maar ook op vrijkomende agrarische locaties tot een omvang van 5000 m2. Vanuit het beleid bestaat er een voorkeur voor plaatsing van zonnepanelen op daken of op braakliggende gronden in of aansluitend op stedelijk gebied. Dat heeft het voordeel dat ze dicht bij de gebruiker en energiesystemen worden geplaatst wat bijdraagt aan zorgvuldig ruimtegebruik en effectief is vanuit kostenminimalisatie. De verwachting is dat dit onvoldoende blijkt om in de behoefte te voorzien. Daarom is er ook een mogelijkheid om onder voorwaarden zelfstandige opstellingen van zonne-energie te ontwikkelen in landelijk gebied. Afwegingskader Belangrijke voorwaarde is dat de noodzaak van de ontwikkeling volgt uit een onderzoek waaruit blijkt dat de mogelijkheden voor de opwekking van duurzame energie binnen Stedelijk gebied en op daken onvoldoende is. Hierbij ligt uiteraard ook een relatie met de mogelijkheden van duurzame energie door wind.

Vervolgens is onderzocht waar de ontwikkeling van een zonnepark dan het beste kan plaatsvinden. Het onderzoek biedt

16

dus een gedegen ruimtelijke onderbouwing van de behoefte aan duurzame energie en een afweging van locaties en gaat in op aspecten als: - Wat is de energiebehoefte op langere termijn?; - Hoe kan daarin worden voorzien (wind, zon, geothermie)? - Waar kan dat het beste gerealiseerd worden? - Welke randvoorwaarden zijn er vanuit omgevingskwaliteit / zorgvuldig ruimtegebruik? Bij de afweging van locaties vragen wij specifiek aandacht voor transformatie en meervoudig gebruik van locaties zoals op vliegvelden, langs snelwegen, stortplaatsen, zuiveringsinstallaties, grond- en slibdepots, gunstig gelegen vrijkomende locaties in het buitengebied etc. Een vervolgstap is dat de uitkomsten van dit onderzoek ook regionaal worden afgestemd en worden afgestemd met de netwerkbeheerder. Afstemming Vanuit een zorgvuldig gebruik van de open ruimte, afstemming van duurzame energieprojecten in een gebied en de in sommige gebieden beperkte capaciteit van het netwerk, geldt als randvoorwaarde dat projecten zijn afgestemd met omliggende gemeenten en de netwerkbeheerder. Bij de afweging spelen diverse aspecten een rol, zoals een efficiënte aansluiting op het energienet in samenspraak met de netwerkbeheerders, de kosten die gemoeid zijn met het aanleggen van energie-infrastructuur maar ook aspecten rondom zorgvuldig ruimtegebruik en omgevingskwaliteit.

Deze aanpak past ook bij de regionale energie strategieën die vanuit het Rijk worden gevraagd.

Maatschappelijke meerwaarde Vanuit het nu voorgestelde kader worden er op voorhand geen beperkingen gesteld aan de locatie waar zonneparken ontwikkeld kunnen worden of aan de omvang daarvan. Dat betekent dat er ook mogelijkheden voor nieuwvestiging zijn of een ruimere omvang dan 5000 m² op een vrijkomende locatie. Daarom is in de voorwaarden een bepaling opgenomen rondom maatschappelijke meerwaarde. Naarmate de inbreuk op de basisregels groter is, verwachten de provincie een grotere inspanning op het gebied van een bijdrage aan maatschappelijke doelen. Bijvoorbeeld als er in afwijking van de reguliere omvang van 5000 m² voor nietagrarische functies een zonnepark gerealiseerd wordt van 10 hectare dat dit bijdraagt aan sloop van vrijkomende opstallen elders. Maatschappelijke meerwaarde is ook gericht op de betrokkenheid van inwoners bijvoorbeeld doordat inwoners kunnen participeren in het project of doordat de ontwikkeling bijdraagt aan maatschappelijke cohesie of (financiële) bijdragen aan maatschappelijke opgaven. Het enkele gegeven dat het project duurzame energie oplevert is niet voldoende. Een goede invulling van deze voorwaarde garandeert tevens betrokkenheid van de inwoners door meespraak bij het project. Tijdelijkheid In beginsel gaat de provincie er vanuit dat de realisatie van zonneparken voorziet in een tijdelijke behoefte.

De technologische ontwikkeling voor het opwekken van zonne-energie gaat steeds verder waardoor er steeds meer mogelijkheden ontstaan voor meervoudig ruimtegebruik zoals op daken (op het noorden), op muren, geïntegreerd in ruiten, op wegen enzovoorts. Het is daarom goed al bij het toelaten na te denken over hoe de sanering wordt veiliggesteld. Vanwege dit tijdelijke karakter van zelfstandige opstellingen voor zonne-energie is de ontwikkeling daarom uitsluitend mogelijk met de toepassing van een omgevingsvergunning inhoudende afwijking van het bestemmingsplan. Aan een dergelijke vergunning kan een termijn worden verbonden en de voorwaarde dat na afloop van de termijn de situatie van voor de vergunningverlening wordt hersteld.

17

Het vereiste van een omgevingsvergunning is efficiënt vanuit het terugdringen van bestuurslasten omdat er geen bestemmingsplanprocedures doorlopen hoeven te worden bij aanvang en bij afloop van het gebruik. Bovendien ontstaan er met een dergelijke procedure geen planologische rechten die op termijn kunnen leiden tot andere gebruiksfuncties of planschade claims. De vestiging van zelfstandige opstellingen groter dan 5000 m² of de nieuwvestiging van zelfstandige opstellingen buiten zoekgebieden voor verstedelijking is dus niet mogelijk met een herziening van een bestemmingsplan. De provincie verwacht van de gemeente dat zij een overzicht bijhouden van verstrekte tijdelijke omgevingsvergunningen dat ook openbaar is, zodat het voor eenieder duidelijk is wanneer de gunningstermijn is afgelopen. Uiteraard geldt vanuit het vereiste van tijdelijkheid ook dat de gemeente na afloop van de periode toeziet op de sanering van het zonne-park.

Toetsing: De gemeente heeft de Visie op Zonne-energie gemeente Roosendaal vastgesteld. Daarnaast is bij de planvorming zorgvuldig invulling gegeven aan de gestelde voorwaarden. Aan de voorwaarden uit het bepaalde in lid 3 wordt tevens voldaan. De vergunningaanvraag voor deze zonneweide is voor de duur van 25 jaar. De gronden waarop de zonneweide is voorzien wordt na exploitatie weer teruggebracht in de oorspronkelijke staat. De financiële zekerheid wordt gewaarborgd in de anterieure overeenkomst. De aanvraag is passend binnen het provinciaal beleid. In het vervolg van deze ruimtelijke onderbouwing wordt dit nader uitgewerkt.

3.3. Regionale Energie Strategie West-Brabant Op 3 februari 2021 heeft de regio West-Brabant haar Regionale energiestrategie gepresenteerd (RES 1.0). De RES beschrijft keuzes en randvoorwaarden van de 16 gemeenten in West-Brabant, de provincie en het Waterschap. Er staan met name afspraken in over hoe en waar duurzame elektriciteit opgewekt kan worden, over de verduurzaming van de warmtevoorziening – zonder aardgas-, en over de uitbreiding van de energie-infrastructuur binnen de regio. Na het Klimaatakkoord van Parijs is het Nederlandse Klimaatakkoord ondertekend. De Regionale Energiestrategie (RES 1.0) volgt nu uit dit landelijke Klimaatakkoord. Hierin spraken Rijk, provincies, waterschappen en gemeenten af om samen 35 TWh duurzame elektriciteit op land op te wekken en om de warmtevoorziening in de gebouwde omgeving te verduurzamen. De RES is ontwikkeld in een brede samenwerking van gemeenten, provincie, waterschappen en de netbeheerder. Zij blijven de komende jaren samenwerken bij de uitvoering en bij de tweejaarlijkse actualisatie. Nu de RES door de regio is afgerond gaat deze naar de overheden in de regio ter besluitvorming. Naar verwachting ligt er in april een besluit en kan de RES 1.0 worden aangeboden aan het Rijk. West-Brabant heeft de ambitie dat de energietransitie haalbaar en betaalbaar is voor alle inwoners.

Met oog voor innovatie en zorgvuldig gebruik van de ruimte. Hierbij verwachten inwoners een stevige rol van de overheid. Ten eerste als initiatiefnemer voor projecten, daarnaast in het zorgen voor financiële arrangementen (subsidies en duurzaamheidsleningen). En tenslotte als verstrekker van betrouwbare informatie. 18

De belangrijkste bronnen van duurzame elektriciteit de komende jaren zijn zon- en windenergie. De RES bevat voorkeuren en voorwaarden over waar zonnepanelen en windturbines mogen en kunnen komen. Met dit advies gaan gemeenten zelf een keuze maken over specifieke inrichting en locatie. Voorwaarde is het zorgvuldig omgaan met de natuur en het (open) landschap in de regio. De West Brabantse overheden hechten sterk aan participatie van inwoners en bedrijven uit de regio. Door betrokkenen op de hoogte te houden en mee te laten doen hebben zij invloed. Ook willen gemeenten en projectontwikkelaars kijken hoe inwoners financieel kunnen participeren in winden/of zonprojecten. In de RES is het streven naar 50% participatie van de lokale omgeving. Dit kan via lokaal eigendom (mee-investeren en risico nemen) of via financiële afdracht (zoals omgevingsfondsen of omgevingsregelingen). Beide vormen versterken het lokaal eigenaarschap. In West-Brabant zijn in de afgelopen jaren al goede stappen gezet om de energievoorziening te verduurzamen. Een groot deel van de nieuwe opgave zal worden opgewekt met zonnepanelen op daken, een kleiner deel met zonneparken en 9 tot 12 extra windturbines. De regio verwacht ook een rol voor warmtenetten richting 2050. Eén van de oplossingen die wordt onderzocht is de mogelijkheid om restwarmte van de industrie bij Moerdijk beter te gebruiken.

In pilots met lokale bronnen -warmte winnen uit de zon, water of bodem- beoogt West-Brabant de beste oplossingen voor de warmtevoorziening in de praktijk te leren kennen. Voorliggend initiatief betreft een invulling van een duurzame energievoorziening met een zonnepark in combinatie met een bestaand windpark op een goede locatie. In de opzet is het initiatief al lokaal verankerd doordat het wordt ontwikkeld door een groep lokale ondernemers. Participatie is gewaarborgd en wordt nader uitgewerkt in paragraaf 6.2.

3.4 Gemeentelijk beleid 3.4.1. Bestemmingsplan Vigerend is het onherroepelijke bestemmingsplan buitengebied Roosendaal Nispen, vastgesteld 02-11-2016.

Figuur 7: Uitsnede Ruimtelijke Plannen

19

De initiatieflocatie heeft een enkelbestemming agrarisch en een gebiedsaanduiding vrijwaringszone radar 13. Voor een deel van het perceel geldt tevens de gebiedsaanduiding geluidszone industrie, een gebiedsaanduiding overige zone – reservering waterberging, gebiedsaanduiding vrijwaringszone buisleidingstraat. Het initiatief voor een zonnepark op genoemde locatie past niet binnen het bestemmingsplan. Onderstaande visie op zonne-energie geeft beleidsruimte om af te wijken van het bestemmingsplan.

3.4.2. Visie op Zonne-energie gemeente Roosendaal In februari 2018, gewijzigd 8 januari 2019, heeft de gemeente Roosendaal de Visie op Zonne-energie vastgesteld. De gemeente Roosendaal heeft met het actieplan Roosendaal Futureproof (20172021) concrete stappen beschreven om de duurzame ambities om te zetten naar daden en resultaten. Dit actieplan steunt op twee uitgangspunten: • De Roosendaler (inwoners, bedrijven, instellingen, enz.) is in staat om zelf met duurzaamheid aan de slag te gaan. Met Roosendaal Futureproof kunnen initiatieven gesteund en mogelijk gemaakt worden. • Het principe van de circulaire economie is leidende. Investeringen in duurzaamheid hebben ook een economische waarde. De beleidsvisie zonne-energie is hier een logisch gevolg van. De gemeente Roosendaal wenst namelijk een substantiële bijdrage te leveren aan de energietransitie om te komen tot een aandeel van 14% hernieuwbare energie te bereiken in 2020 en een energieneutrale samenleving in 2050. Hoewel het aandeel hernieuwbare energie nu meer is dan het landelijk gemiddelde, is naast de reeds bekende projecten extra inzet nodig om de energieambities te halen. Een duurzame blik op Energie & Klimaat betekent in Roosendaal dat een schone leefomgeving en voldoende energie naast elkaar bestaan. Dit wordt bereikt door de uitstoot van broeigassen verder te verminderen.

Voor de totstandkoming van een klimaatneutrale gemeente is het daarbij van belang dat - naast energiebesparende maatregelen - alle mogelijkheden om duurzame energie op te wekken, worden benut. Dus door in te zetten op heilzame energiebronnen als zon, wind en aardwarmte. En door minder afhankelijk te zijn van vervuilende en eindige energiebronnen als olie, kolen en gas. In dat kader zien we dat er actie nodig is op het bewegen richting energieneutraliteit. We zien kansen in aansluiting op duurzame, gesubsidieerde Rijksinitiatieven. Onze overtuiging is 'de trias energetica’: 1. minimaliseer energieverbruik door besparingsmaatregelen. 2. gebruik duurzame energie zoals zonne-energie of windenergie. 3. nog meer nodig: gebruik energie van bronnen die op raken (aardgas, kolen) zo slim mogelijk. De provinciale Verordening ruimte biedt binnen de ‘Groenblauwe mantel’ en het ‘Gemengd Landelijk gebied’ de mogelijkheid om onder voorwaarden en met een omgevingsvergunning voor ten hoogste 25 jaar ‘zelfstandige opstellingen van zonnepanelen’ op te richten. Belangrijke voorwaarde is dat sprake is van een gemeentelijke visie waaruit de noodzaak blijkt, een locatie-afweging heeft 20

plaatsgevonden, sprake is van maatschappelijke meerwaarde en de ontwikkeling inpasbaar is in de omgeving. Het gemeentelijk beleid voor zonne-energie heeft een uitnodigend karakter, maar bevat tegelijkertijd concrete spelregels waaraan voldaan moet worden. De beoordeling van een concreet initiatief is sterk afhankelijk van de gekozen locatie: matcht het initiatief met de eigenschappen en kwaliteiten van de specifieke plek? De beoordeling van een concreet initiatief is daarom altijd maatwerk. De gemeente legt de bal bij initiatiefnemers, zij moeten een passend voorstel presenteren, dat op volgorde van de datum van indiening in behandeling wordt genomen. De voorliggende beleidsnotitie biedt de nodige handvatten. Om de kans van slagen te vergroten, verwacht de gemeente wel dat er vroegtijdig overleg plaatsvindt met onder andere de landschapsadviseur van de gemeente. De visie zonne-energie vormt een samenhangend afwegingskader dat zowel de gemeente als initiatiefnemer(s) inzicht geeft in de ruimtelijke haalbaarheid van ontwikkelingen op het vlak van zonne-energie. Hiermee wordt tevens invulling gegeven aan de vereisten vanuit de provinciale verordening. Bij het toepassen van voornoemde benadering hanteert de gemeente de zogenaamde 'zonneschijf'. Deze schijf maakt onderscheid in vijf zones: • • • • •

Zone 1: Gebouwgebonden zonnepanelen (op daken en gevels); Zone 2: Grondgebonden zonnepanelen binnen bestaand stedelijk gebied; Zone 3 : Grondgebonden zonnepanelen direct grenzend aan bestaand stedelijk gebied, waaronder zoekgebied voor stedelijke ontwikkeling Zone 4: Grondgebonden zonnepanelen in het agrarisch werklandschap Zone 5: Grondgebonden zonnepanelen in De Brabantse Wal, het park- en coulissenlandschap

Figuur 8: Zonneschijf

Om wildgroei te voorkomen en aandacht te houden voor andere belangen (o.a. voedselproductie, omwonenden, natuur en landschap) en innovaties, maximeert de gemeente de realisatie van zonneparken tot en met 2023 op 75 hectare netto (circa 25% van de netto behoefte aan 21

zonneparken bij 0% energiebesparing per jaar tot 2040 (en inclusief de uitbreiding van bedrijventerreinen). Op het moment dat de ingekomen aanvragen de 75 hectare netto overtreffen worden deze in de wachtrij geplaatst. Deze wachtrij kan doorschuiven wanneer aanvragen deels of helemaal afvallen. De gemeente behoud zich het recht te prioriteren in de initiatieven die doorschuiven vanuit de wachtrij.

Figuur 9: visiekaart

Zone 4 en 5 Vanwege de netto-behoefte aan zonneparken komen ook grondgebonden opstellingen in het overige buitengebied in beeld. Voorwaarde voor dit soort initiatieven is dat ze kunnen rekenen op zowel een goede landschappelijke inpassing, alsmede betrokkenheid en breed maatschappelijk draagvlak vanuit de directe omgeving. Daarnaast vragen initiatieven in het buitengebied om een landschappelijke kwaliteitsverbetering. Dit is een extra inspanningsverplichting ten opzichte van zone 3. Op deze manier leveren zonneparken een bijdrage aan het versterken van de kwaliteit van het landschap.

Aansluiting op het (bestaande) net Vanwege de financiële uitvoerbaarheid (aanleg kabels) zullen ontwikkelaars nieuwe zonneparken in de nabijheid van afnemers en/of aansluitpunten op het net willen realiseren. Op dit moment moet voor een zonnepark met een omvang van 2-6 MW gedacht worden aan een afstand van maximaal 1 kilometer tot middenspanningstations. Voor zonneparken met een omvang van 6-10 MW wordt een afstand van maximaal 3 kilometer tot een hoofdtransportstation gehanteerd.

22

De afstand tot het net, dat is gerealiseerd voor de windturbines en waarop het zonnepark kan aansluiten, beslaat voor dit initiatief slechts 200 m. Er dient geen nieuwe aansluiting op het openbare net te worden gerealiseerd. Ter attentie zijn voor initiatiefnemers de belangrijkste (voorkeurstracés voor) hoofdaardgastransportleidingen en hoogspanningsverbindingen aangegeven op de beleidskaart. Zonneparken zijn hier uitsluitend mogelijk indien de betreffende leidingbeheerder een positief advies heeft afgegeven. Initiatiefnemer heeft afgestemd met de leidingbeheerders. Meer gedetailleerd komt dit in paragraaf 4.5 aan de orde. De gemeente wil daarnaast partijen en kansen verbinden. Speciale aandacht gaat daarom uit naar de Roosendaalse Energiestraat. Uit oogpunt van het samenbrengen van verschillende vormen van duurzame energie is de Energiestraat een interessant ruimtelijk energetisch concept. In de Energiestraat is al ruimte voor industriële restwarmte en zijn er kansen voor een combinatie met zonne-energie, waterstof en thermische energie uit afvalwater en oppervlaktewater. Voorliggend initiatief vormt een volgende invulling van de Roosendaalse energiestraat: de combinatie van wind en zon. Hierdoor kan de gerealiseerde infrastructuur; de kabel, efficiënter worden benut en meer duurzame energieproductie worden gerealiseerd binnen de beperkende netcapaciteit.

Stroomschema beleidsvisie zonne-energie

Figuur 10: stroomschema beleidsvisie zonne-energie

Toetsing Grondgebonden: ja Is de maximale oppervlakte van 75 ha al bereikt; initiatief is passend binnen de 75 ha;

23

Initiatiefnemer verzoekt de gemeente medewerking op basis van de lokale initiatiefnemers, het dubbelgebruik van de stroomkabel, het gebruik van landbouwkundig minder geschikte gronden en de landschappelijk geschikte locatie, niet in het open agrarisch gebied maar grenzend aan Borchwerf II. De beoogde locatie ligt niet in een zone ‘zonneparken uitgesloten’ De locatie is aangemerkt als ‘aandachtsgebied leidingen’ op de kaart in Bijlage 1 van de visie: initiatiefnemer heeft afgestemd met de leidingbeheerders, de afstemming wordt behandeld in paragraaf 4.5, In welke landschapstype: Agrarisch werklandschap. Op basis van het bovenstaande is het mogelijk een zonnepark op te richten, mits: -

Voldaan wordt aan de voorwaarden in hoofdstuk 4 van de visie Voorzien is van een landschappelijk inpassingsplan zoals genoemd in hoofdstuk 5 van de visie Voorzien is in een landschappelijke kwaliteitsverbetering (5%), paragraaf 5.5

Voorwaarden H4 De gemeente hanteert de volgende ruimtelijke randvoorwaarden/ kent de volgende aandachtspunten voor zonneparken: de specifieke invulling voor dit initiatief wordt erachter cursief weergegeven of verwezen naar de paragraaf waar dit onderwerp aan de orde komt. Waar niet specifiek iets vermeld wordt beleid conform gevolgd. Planologische randvoorwaarden & aandachtspunten De gemeente hanteert de volgende planologische randvoorwaarden/ kent de volgende aandachtspunten voor zonneparken: • De provincie Noord-Brabant geeft in de interim omgevingsverordening Noord-Brabant aan te verwachten dat naast zonnecellen op daken ook veldopstellingen van zonnepanelen noodzakelijk zijn om de doelstellingen van de energietransitie te halen. Daarom wordt de mogelijkheid geboden om zelfstandige opstellingen van zonne-energie te ontwikkelen, mits voldaan wordt aan de gestelde voorwaarden. • De interim omgevingsverordening biedt binnen de ‘Groenblauwe mantel’ en het ‘Gemengd Landelijk gebied’ de mogelijkheid om onder voorwaarden en met een omgevingsvergunning voor ten hoogste 25 jaar ‘zelfstandige opstellingen van zonnepanelen’ op te richten. Belangrijke voorwaarde is dat sprake is van een gemeentelijke visie waaruit de noodzaak blijkt, een locatie-afweging heeft plaatsgevonden, sprake is van maatschappelijke meerwaarde en de ontwikkeling inpasbaar is in de omgeving.

Het is daarbij verplicht om gebruik te maken van een buitenplanse omgevingsvergunning. De omgevingsvergunning zal voor een periode van maximaal 25 jaar worden aangevraagd op basis van de Visie op Zonne-energie gemeente Roosendaal. • Aangetoond moet worden dat sprake is van een goede ruimtelijke ordening. In het kader van een nieuw ruimtelijk plan zal onder meer indicatief onderzoek verricht moeten worden naar het aspect ecologie en de invloed op de waterhuishouding (extra verhard oppervlak (gebouwen en ontsluiting) en objectvrije zones langs watergangen). Daarnaast kan het in sommige gevallen nodig zijn onderzoek te doen naar de archeologische waarde op de beoogde locatie voor een zonnepark. Zie hoofdstuk 4. • Duitse studies tonen aan dat hinder door spiegeling/flikkering/weerkaatsing geen kritisch aspect is, dat de ‘planvorming voor’ of ‘locatiekeuze van’ een zonnepark beïnvloedt. Overigens is het voor het opwekken van energie ook van belang dat er zo min mogelijk weerkaatsing van zonlicht is, omdat dit 24

leidt tot energieverlies. Initiatiefnemers hebben er dan ook belang bij dat er zo min mogelijk lichtverlies in de vorm van spiegeling/flikkering/ weerkaatsing optreedt, de huidige stand van techniek is ook wat dat betreft verder doorontwikkeld. Door het opstellen van zonnepanelen onder een juiste hoek, het aanbrengen van een coating op de zonnepanelen en/of door een goede landschappelijke inpassing wordt dit nog verder ingeperkt. Ruimtelijke randvoorwaarden & aandachtspunten De gemeente hanteert de volgende ruimtelijke randvoorwaarden/ kent de volgende aandachtspunten voor zonneparken: • Ten aanzien van de specifieke inpassingsvereisten voor een locatie is te allen tijde overleg vereist met de landschapsadviseur van de gemeente. Door dit vroegtijdig in het planproces plaats te laten vinden, zal dit het planproces ten goede komen. • Uitgangspunt voor nieuwe zonneparken is het behoud van het bestaande landschapspatroon c.q. de bestaande verkaveling. Het zonnepark heeft een groene en/of blauwe inrichting op het maaiveld in de vorm van oppervlaktewater, grasland of andere gebiedseigen vegetatie. Een combinatie met agrarisch gebruik is mogelijk (meervoudig ruimtegebruik). De bestaande verkaveling blijft behouden. Op het maaiveld wordt gras ingezaaid met rondom het park speciaal daarvoor geselecteerde kruidenen bloemenranden, zodat het de flora en fauna ten goede komt..

De stroomkabel die voor het windpark is aangelegd kan ook voor het zonnepark worden gebruikt. • De landschappelijke inpassing bestaat in de basis uit een strook van minimaal 5 meter breed rondom het zonnepark. Specifieke omgevingskarakteristieken (bijvoorbeeld om langs snelwegen juist één zijde van een zonnepark zichtbaar te maken) kunnen aanleiding zijn om hiervan af te kunnen wijken. Beplanting is altijd landschapseigen: inheems plantmateriaal wat past bij de grondsoort en grondwaterstand ter plaatse. In paragraaf 4.1 wordt de landschappelijke inpassing verder uitgewerkt binnen deze kaders. • Beplanting met struweel en/of hakhout bestaan uit minimaal drie rijen en wordt in driehoeksverband aangeplant. De onderlinge plantafstand van hagen en struweel bedraagt 1,0 tot 1,5 meter. Zie paragraaf 4.1 • Een landschappelijke kwaliteitsverbetering is aanvullend op de landschappelijke inpassing en bedraagt op De Brabantse Wal en in het park- en coulissenlandschap tenminste 10% van de oppervlakte van het zonnepark. Binnen het agrarisch werklandschap wordt minimaal 5% van de oppervlakte van het zonnepark aangewend voor landschappelijke kwaliteitsverbetering. Eén en ander conform de Stika-richtlijnen (inmiddels STILA-richtlijnen). Zie paragraaf 4.1 • In het kader van de landschappelijke inpassing c.q.

kwaliteitsverbetering wordt nagegaan of en hoe er combinatiemogelijkheden kunnen worden gemaakt met andere beleidsdoelen/projecten zoals EVZ, uitbreiding NNB, waterberging en waarbij mogelijk (ook) andere partijen participeren. Zie paragraaf 4.1 • De maximum bouwhoogte van de zonnepanelen mag niet meer dan 2,50 meter bedragen. ₰ • De constructie van de opstellingen van zonnepanelen moet zo eenvoudig mogelijk worden vormgegeven om zo min mogelijk op te vallen. ₰ • De gronden waarop een zonnepark wordt gerealiseerd moet de mogelijkheid bieden tot het funderen van zonnepanelen tot maximaal circa 1,5 meter minus maaiveld (met in acht name van

25

eventuele archeologische waarden). Het gebruik van ballast als fundatiewijze acht de gemeente niet gewenst, aangezien dit ten koste gaat van de ecologische waarden. • De gronden waarop een zonnepark wordt gerealiseerd moeten de mogelijkheid bieden tot het volledig schaduwvrij plaatsen van zonnepanelen. De locatie biedt deze mogelijkheid. De bestaande bebossing ligt aan de noordzijde en zorgt daarmee niet voor schaduw op de panelen. • De minimum afstand van het transformatorgebouw en het omvormerrek (t.b.v. het zonnepark) tot bestaande woningen van derden bedraagt 30 meter: het maatgevende hinderaspect betreft geluid. Vanaf ongeveer 20 hectare aan zonnepanelen neemt de richtafstand toe tot 50 meter. In beginsel wordt aangesloten bij de richtafstanden uit de VNG-brochure 'bedrijven en milieuzonering'. Middels specifiek onderzoek is afwijking van deze richtafstanden mogelijk. Zie paragraaf 4.4 • Bij het ontwerpen van een zonnepark moet rekening gehouden worden met de aanwezige kabels en leidingen en moeten afspraken gemaakt worden met de desbetreffende leidingbeheerder. Op de beleidskaart ‘Zonneparken’ is een aanduiding ‘aandachtsgebied leidingen’ opgenomen, waar de belangrijkste (zoekzones voor) hoofdaardgastransportleidingen en hoogspanningsverbindingen op zijn aangegeven.

Zie paragraaf 4.5 • Indien de locatie van een zonnepark in de Verordening ruimte Noord Brabant of in de Cultuurhistorische Waardenkaart is aangeduid als ‘cultuurhistorisch vlak’ respectievelijk ‘historisch waardevol vlak’ (zie bijlage 2) is de ontwikkeling mede gericht op het behoud, herstel of de duurzame ontwikkeling van de cultuurhistorische waarden en kenmerken van het betreffende gebied. N.v.t. • Ondersteunende bouwwerken als schakelcellen, algemene laagspanningsborden en transformatoren moeten zo gepositioneerd worden dat zij zich voegen naar het patroon van de opstelling van de zonnepanelen. • Zonneparken zijn beperkt toegankelijk omwille van risicobeperking ten aanzien van diefstal en/of vandalisme. Bij voorkeur wordt gebruik gemaakt van natuurlijke oplossingen voor de beveiliging aan de rand van een zonnepark. Het aanbrengen van hekwerken moet zoveel mogelijk vermeden worden. Eventuele hekwerken worden landschappelijk ingepast. Zie paragraaf 4.1 en 4.2 • Bij voorkeur is er bij een zonnepark voor derden informatie te vinden over duurzame energie in de vorm van een informatiebord. Hierop kunnen bijvoorbeeld de hoeveelheid opgewekte stroom, het aantal ton koolstofdioxide (CO2) dat niet wordt uitgestoten en het aantal huishoudens dat wordt voorzien van groene stroom worden weergegeven.

Zie paragraaf 4.1 • Zonneparken worden zoveel mogelijk ontsloten via de bestaande infrastructuur. Waar dit niet mogelijk is worden nieuwe toegangswegen uitgevoerd in half-verharding of geheel onverhard. Economische en maatschappelijke randvoorwaarden & aandachtspunten De gemeente hanteert de volgende economische randvoorwaarden/ kent de volgende aandachtspunten voor zonneparken: • Het aanleggen en onderhouden van zonneparken moet bij voorkeur uitgevoerd worden door lokale/regionale bedrijven. • Er moeten afspraken gemaakt worden met de gemeente over de (eventuele) tijdelijkheid van een zonnepark. • De initiatiefnemer betrekt omwonenden en andere belanghebbenden vroegtijdig bij de planvorming. 26

• De initiatiefnemer onderzoekt de mogelijkheden voor participatie/ omgevingsfonds/energiecoöperatie. Maatschappelijke meerwaarde De provincie Noord-Brabant stelt in de Verordening ruimte geen beperkingen aan de locaties in het buitengebied waar buiten de natuurgebieden (in casu de Groenblauwe mantel het en Gemengd landelijk gebied) zonneparken ontwikkeld kunnen worden of aan de omvang daarvan. Daarom heeft de provincie een bepaling in de Verordening ruimte opgenomen rondom maatschappelijke meerwaarde. Naarmate de inbreuk op de basisregels uit de Verordening groter is, verwacht de provincie een grotere inspanning op het gebied van een bijdrage aan maatschappelijke doelen. De maatschappelijke meerwaarde wordt beoordeeld op basis van de volgende criteria: • de mate van meervoudig ruimtegebruik; • de maatregelen die getroffen worden om de impact op de omgeving te beperken; • de bijdrage die wordt geleverd aan maatschappelijke doelen. Bij maatschappelijke doelen kan gedacht worden aan de afzet van de opgewekte zonne-energie aan een kern of een maatschappelijke, recreatieve en/of sportvoorziening ten behoeve van de lokale gemeenschap. Verder kan gedacht worden aan projecten waarin bewoners participeren of zelfs initiëren middels energiecoöperaties. De gemeente hecht ook grote waarde aan deze maatschappelijke meerwaarde en weegt dit mee in de beoordeling van eventuele aanvragen.

Invulling zonnepark Roosendaalsche Vliet •

Participatie door burgers en bedrijven uit de omgeving in de vorm van financiële deelname en/financieel rendement

•

Natuurversterking ter plaatse door middel van een bijenproject

•

Meervoudig ruimtegebruik door de kabel van de windturbines te gebruiken voor het zonnepark

•

Betrekken van bedrijven uit de regio bij de ontwikkeling, realisatie en/of beheer

•

Werkgelegenheid bieden voor mensen met afstand tot de arbeidsmarkt

•

Educatieve meerwaarde; plaatsen informatiebord

•

Landschappelijke inpassing in afstemming met omgeving

Voorwaarden H5 In Hoofdstuk 5 van de visie op zonne-energie schrijft de gemeente het volgende over de landschappelijke inpassing. Landschappelijke inpassing Indien u een zonnepark wenst te realiseren, moet voorzien worden in een landschappelijk inpassingsplan. Het realiseren van deze landschappelijke inpassing zal als voorwaardelijke verplichting gekoppeld worden aan de omgevingsvergunning. Landschappelijke inpassing en kwaliteitsverbetering is maatwerk en moet aansluiten bij de schaal en het karakter van het betreffende landschapstype. Bestaande landschappelijke (kavel)structuren zijn hierbij leidend. Bij het ontwerpen van zonneparken moet verder rekening gehouden worden met de bestaande landschaps27

en bebouwingskarakteristieken zoals landschapselementen, beplantingssoorten, waardevolle historische bebouwing of beeldbepalende gebieden en de mate van openheid. Daarnaast zijn de hoogte van het zonnepark, de zichtlijnen vanuit de omgeving en eventuele afscherming door beplanting van minder fraaie delen belangrijke aandachtspunten. Voor meer inspiratie verwijst de gemeente naar het landschapsontwikkelingsplan 'De Zoom van West-Brabant', het 'Afsprakenkader kwaliteitsverbetering van het landschap in de regio West-Brabant' en het Groen Blauw Stimuleringskader (STIKA) van de provincie Noord-Brabant. De landschappelijke inpassing bestaat in de basis uit een strook van minimaal 5 meter breed rondom het zonnepark. Specifieke omgevingskarakteristieken (bijvoorbeeld de wens om bij Weihoek aan de zijde van de snelweg het zonnepark juist zichtbaar te maken) kunnen aanleiding geven hiervan af te wijken. Beplanting is altijd landschapseigen: inheems planmateriaal wat past bij de grondsoort en grondwaterstand ter plaatse. Beplanting met struweel en/of hakhout bestaan minimaal uit drie rijen en wordt in driehoeksverband aangeplant. De onderlinge plantafstand van hagen en struweel bedraagt 1,0 tot 1,5 meter. Afhankelijk van de locatie en omvang van het zonnepark dient een bijdrage geleverd te worden aan het versterken van de bestaande landschapskwaliteiten.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://raad.roosendaal.nl/api/v1/meetings/1299/documents/34342