CConstaterende datRoosendaal
Koppel je AI →
Document · PDF

215475_AdB_RAP_0001_v5.1 Toelichting.pdf

Gemeenteraad 5 juni 2024, gemeente RoosendaalBij agendapunt: 5f: Voorstel 032 Vaststellen bestemmingsplan Norbartlaan16.927 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

In het VGRP 2020-2023 zijn doelstellingen voor de komende jaren vastgesteld. Daarbij is op basis van de gekozen strategie op hoofdlijnen aangegeven welke maatregelen uitgevoerd moeten worden om de gestelde doelen te bereiken en welke (financiële) middelen daarvoor nodig zijn. Hierbij worden ook de gevolgen voor de rioolheffing voor burgers en bedrijven aangegeven. Op welke wijze de noodzakelijke maatregelen, zoals vervanging van de riolering of hydraulische maatregelen, zullen worden uitgevoerd, wordt in latere operationele plannen opgenomen. De randvoorwaarden voor de uitvoering van het stedelijk watersysteem zijn vastgelegd in het document ‘Ontwerpen materiaaleisen ontwikkeling openbare ruimte Gemeente Roosendaal Team Beheer. Dit, alsmede nieuwe inzichten binnen de gemeente, hebben mede geleid tot de volgende aandachtspunten en mogelijkheden waarmee bij de verdere uitwerking van de waterhuishouding rekening kan worden gehouden.

datum referentie

15 april 2024 215475_AdB_RAP_0001_v5.0

P 24/59

• • • •

•

Er komt geen hemelwaterriolering. Er zal gebruik worden gemaakt van oppervlakkige afvoer richting oppervlaktewaterstructuren. De wateropgave is 60 mm over het bruto oppervlak In het plangebied bevindt zich een oud kokerriool dat kan dienen als afvoer- en bergingsvoorziening. Het kokerriool bevindt zich in goede staat en er zijn geen vuilwateraansluitingen op de koker aangesloten. Er kan een zuiverende voorziening (zoals een helofytenfilter) worden aangelegd waar het water doorheen wordt geleid. 30 - Er wordt een lagere ontwateringsdiepte onder het parkeerterrein toegestaan dan vastgesteld in het beleid van de gemeente. Negatieve effecten worden voorkomen door cunetdrainage. Op basis van de verstrekte grondwatergegevens is door RHDHV de gemiddelde hoogste grondwaterstand (GHG) bepaald. Aangezien op basis van de metingen vooralsnog geen betrouwbare GHG is af te leiden zijn een tweetal scenario’s beschouwd: • Scenario 1: GHG = NAP +1,90 meter • Scenario 2: GHG = NAP +2,20 meter

Bij de uitwerking van het plan is uitgegaan van een GHG van NAP + 2,00 meter. •

•

Het waterpeil van het bestaande oppervlaktewater in het gebied wordt nu (actief) gehandhaafd op ca. +1,50 meter. Dit blijft het uitgangspunt. Dit betekent dat er in de winter (bij hoge grondwaterstanden) grondwater wordt gedraineerd, gelijk aan de huidige situatie. De waterstand van het oppervlaktewater voor de berging van hemelwater, mag niet hoger zijn dan de GHG, omdat die anders tot grondwateroverlast buiten het plangebied kan leiden. Er kan dus maximaal een waterverschil van 0,5 meter worden geborgen.

Beoordeling Door MILON bv is ten behoeve van de beoogde ontwikkeling een watertoets uitgevoerd. Het onderzoeksrapport is opgenomen in de bijlage. De belangrijkste resultaten worden hieronder weergeven. De onderzoekslocatie ligt in centraal Roosendaal, in de wijk De Donk. De locatie ligt ten oosten van de Antwerpseweg, ten zuiden van de Meidoornlaan en in oostelijk richting is de Norbartlaan gelegen. Hemelwater dat op de onderzoekslocatie valt infiltreert in de bodem gezien er in de huidige situatie een groot deel onverhard is. Voor zover bekend is er doorgaans geen sprake van wateroverlast op of in de omgeving van de onderzoekslocatie. Volgens het beleid van waterschap Brabantse Delta dient, in bepaalde gevallen, de benodigde compensatie te worden berekend. In de toekomstige situatie zal de verhardingssituatie veranderen. De hemelwatervoorziening dient dan ook aangepast te worden aan de nieuwe inrichting. In de hemelwatervoorziening wordt het hemelwater afkomstig van het terrein geborgen. De ontwikkeling op de onderzoekslocatie heeft, zoals blijkt uit de tabel, tot gevolg dat het verhard oppervlak toeneemt met circa 3.783 m2. Gezien er nieuwbouw gerealiseerd gaat worden stelt het bevoegd gezag dat dit op hydrologisch neutrale manier ontwikkeld dient te worden en er eveneens compenserende voorzieningen dienen te worden gerealiseerd.

datum referentie

15 april 2024 215475_AdB_RAP_0001_v5.0

P 25/59

Voor het toekomstige verhard oppervlak wordt de vereiste compensatie berekend door het toekomstige verhard oppervlak (m2) te vermenigvuldigen met een waterschijf van 60 mm (0,06 m) en met de plaatselijke gevoeligheidsfactor (1). Daaruit volgt de omvang van de vereiste compensatie in kubieke meters (m 3). De benodigde compensatie bedraagt 227 m3 (3.783 m2 x 0,06 x 1). Gezien de grootte van het plangebied zal er in de toekomstige situatie voldoende ruimte beschikbaar zijn om invulling te geven aan de bergingseis. Gedacht kan worden aan het graven van bijvoorbeeld een wadi, vijver of greppel. Door het aanleggen van bijvoorbeeld een van de bovengenoemde voorzieningen wordt invulling gegeven aan de bergingseis van het waterschap en hydrologisch neutraal ontwikkelt. Wateroverlast Om wateroverlast op de locatie en de omgeving te voorkomen moet men rekening houden met: • het afstromende hemelwater wordt zoveel mogelijk oppervlakkig (bovengronds) naar de infiltratie- of bergingsvoorziening afgevoerd; • wateroverlast ter plaatse van de toekomstige bebouwing wordt mede voorkomen door een drempelhoogte van enkele decimeters boven maaiveld. Hemelwater zal zo in geen geval de panden instromen; • Indien wenselijk dient een overstortvoorziening naar het riool of oppervlaktewater opgenomen te worden om overlast te voorkomen tijdens extreem weer.

Conclusie Er is binnen het plangebied voldoende ruimte om te voldoen aan de omvang van de vereiste compensatie ten behoeve van de ontwikkeling. Hiermee vormt het aspect water geen belemmering voor beoogde ontwikkeling. 4.4 Archeologie en cultuurhistorie Toetsingskader In het Europese Verdrag van Malta, ondertekend door een groot aantal EU-landen, waaronder ook Nederland, is de veiligstelling van het (Europese) archeologische erfgoed als doelstelling opgenomen. In 1998 is dit verdrag goedgekeurd door het Nederlandse parlement. Ter implementatie van het Verdrag van Malta in de Nederlandse wetgeving is in 2007 de Wet op de archeologische monumentenzorg in werking getreden. Dit is een aanpassingswet waarmee de Monumentenwet 1988 gewijzigd is op het onderdeel archeologie. Door middel van de gewijzigde Monumentenwet moet het archeologisch erfgoed in de bodem bescherming krijgen in het ruimtelijke ordeningsbeleid. Als gevolg van Europese en nationale wetgeving stellen rijk en provincies zich op het standpunt dat in het ruimtelijk beleid zorgvuldig met het archeologisch erfgoed moet worden omgegaan. In de provincie Noord-Brabant dienen in het kader van het behoud van waardevolle cultuurhistorische elementen en archeologische vindplaatsen, ruimtelijke plannen te worden getoetst aan de provinciale Cultuurhistorische Waardenkaart (CHW).

Hierop staan de bepalende cultuurhistorische elementen aangeven. De provincie Noord-Brabant ziet het Brabantse erfgoed als belangrijk onderdeel van haar identiteit en wil het een plaats geven in de verdere ontwikkeling van Brabant. Daarom heeft ze haar ruimtelijk erfgoed opgenomen op de Cultuurhistorische Waardenkaart (CHW). De CHW is vastgesteld in 2010 en op kleine onderdelen aangepast in de herziening 2016. Op de CHW is het provinciaal cultuurhistorisch belang aangegeven. Het gaat hierbij om erfgoed dat van belang is voor de regionale identiteit. Dit belang hangt nauw samen met het provinciaal ruimtelijk belang, zoals benoemd in de provinciale Structuurvisie ruimtelijke ordening. Het provinciaal belang is beperkt tot het landelijk gebied, waar de provincie haar belangrijkste taak heeft. De kaartlagen ‘cultuurhistorische vlakken’ en ‘complexen van cultuurhistorisch belang’ zijn ook opgenomen in de Verordening ruimte Noord-Brabant. Onderstaand kaartbeeld uit de CHW geeft aan dat ten aanzien van archeologie en cultuurhistorie voor het plangebied geen provinciale belangen in het geding zijn.

datum referentie

15 april 2024 215475_AdB_RAP_0001_v5.0

P 26/59

De gemeente Roosendaal heeft de beleidsnota ‘Toekomst voor het verleden’, vastgesteld door het college van burgemeester en wethouders in 2007, biedt de beleidsmatige onderlegger voor het gemeentelijk streven naar het behoud van het cultuurhistorisch en monumentaal erfgoed. Daarnaast heeft de gemeente Roosendaal een Archeologische beleidskaart opgesteld. Een uitsnede hiervan is weergeven in onderstaande afbeelding.

Figuur 10: Uitsnede archeologische beleidskaart Roosendaal. De ster geeft globaal het plangebied weer

Beoordeling Op basis van de ‘Archeologische beleidskaart’ van de gemeente Roosendaal ligt het plangebied binnen een gebied aangemerkt met een ‘lage archeologische verwachting’. Binnen dergelijke gebieden zijn bodemingrepen in principe toegestaan en behoeft geen archeologisch onderzoek te worden uitgevoerd. Uit de cultuurhistorische waardenkaart blijkt dat er binnen het plangebied een enkele historische boom staat. Deze dienen zoveel mogelijk behouden te blijven. Verder bevinden zich binnen het plangebied geen cultuurhistorische elementen. Conclusie Het aspect ‘archeologie en cultuurhistorie’ vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling. 4.5

Ecologie

4.5.1 Natuurgebieden Toetsingskader De Wet natuurbescherming (Wnb) is een wet van 16 december 2015, houdende regels ter bescherming van de natuur. De Wet natuurbescherming is in werking getreden op 1 januari 2017 en vervangt daarmee het voorheen

datum referentie

15 april 2024 215475_AdB_RAP_0001_v5.0

P 27/59

geldende wettelijke stelsel voor de natuurbescherming, zoals neergelegd in de Natuurbeschermingswet 1998, de Flora- en faunawet en de Boswet. De wet regelt ten eerste de taken en bevoegdheden ten behoeve van de bescherming van natuurgebieden en planten- en diersoorten. Daarnaast bevat de wet onder meer bepalingen over de jacht en over houtopstanden. In de Wet natuurbescherming is de Europese regelgeving omtrent natuurbescherming, zoals vastgelegd in de Vogelrichtlijn (Richtlijn 2009/147/EG, 30 november 2009) en Habitatrichtlijn (Richtlijn 92/43/EEG, 21 mei 1992) als uitgangspunt genomen. De gebiedsbescherming van de Natura 2000-gebieden is geregeld in hoofdstuk 2 van de Wnb en richt zich onder meer op het verminderen van de depositie van stikstof op de Natura 2000-gebieden en het versterken van de natuur. Op 1 januari 2017 is de 'Wet natuurbescherming' in werking getreden. De 'Boswet', de 'Flora en faunawet' en de 'Natuurbeschermingswet 1998' zijn per die datum ingetrokken. De Wet natuurbescherming vormt het voornaamste beleidsmatige toetsingskader op het gebied van de soortenbescherming en gebiedsbescherming. Beoordeling De planlocatie maakt geen deel uit van een Natura 2000-gebied. Op een afstand van circa 8,8 km ligt het Natura 2000-gebied ‘Brabants wal’, zoals weergeven in onderstaande figuur.

Figuur 11: Het plangebied t.o.v. natura2000-gebied 'Brabantse Wal Het plangebied is niet gelegen binnen de grenzen, of in de directe nabijheid van een gebied dat aangewezen is als Natura 2000. Het meest nabijgelegen Natura 2000-gebied, Brabantse Wal, bevindt zich op circa 8,8 kilometer afstand ten zuidwesten van het besluitgebied.

datum referentie

15 april 2024 215475_AdB_RAP_0001_v5.0

P 28/59

Directe externe effecten als gevolg van de voorgenomen plannen op de onderzoekslocatie zoals bijvoorbeeld toename van licht, trilling of geluid zijn gezien de afstand tot de meest nabijgelegen Natura 2000-gebieden in combinatie met de aard van de voorgenomen plannen niet te verwachten. Het planvoornemen betreft de realisatie van 70 appartementen in 2 gebouwen. Hierdoor zal het verkeer toenemen ten opzichte van de huidige situatie. Hoewel directe effecten op natura 2000-gebieden niet aan de orde zijn is er mogelijk wel sprake van stikstofuitstoot. De woonblokken met de 70 appartementen zullen gasloos worden gerealiseerd. Als gevolg daarvan zal geen stikstofemissie plaatsvinden door het stoken van stookinstallaties. Op 4 juli 2023 is door De Roever een stikstofonderzoek uitgevoerd waaruit blijkt dat voor zowel de aanlegfase als in de gebruiksfase van de herontwikkeling van het bouwperceel aan de Norbartlaan in Roosendaal geen significante stikstofuitstoot te verwachten is ter plaatse van de relevante Natura 2000-gebieden. Het onderzoeksrapport is opgenomen in de bijlage De planlocatie maakt geen deel uit van een beschermd gebied betreffende het Natuurnetwerk Brabant of de Groenblauwe mantel. Op een afstand van circa 600 m ligt ecologische verbindingszone toe behorende aan het Natuurnetwerk Brabant. Op een afstand van circa 1,8 km ligt de Groenblauwe mantel.

Ten aanzien van het Natuurnetwerk Brabant geldt dat externe werking (o.a. geluid, licht of betreding) een toetsingskader biedt.

Figuur 12: De planlocatie t.o.v. Natuurnetwerk Brabant (ca. 600m) Conclusie De planlocatie maakt geen onderdeel uit van een Natura 2000-gebied of provinciaal aangewezen beschermde gebieden. Hiermee vormt gebiedsbescherming geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling. 4.5.2 Flora en fauna Toetsingskader De Wet natuurbescherming (Wnb) is een wet van 16 december 2015, houdende regels ter bescherming van de natuur. De Wet natuurbescherming is in werking getreden op 1 januari 2017 en vervangt daarmee het voorheen geldende wettelijke stelsel voor de natuurbescherming, zoals neergelegd in de Natuurbeschermingswet 1998, de Flora- en faunawet en de Boswet.

datum referentie

15 april 2024 215475_AdB_RAP_0001_v5.0

P 29/59

De wet regelt ten eerste de taken en bevoegdheden ten behoeve van de bescherming van natuurgebieden en planten- en diersoorten. Daarnaast bevat de wet onder meer bepalingen over de jacht en over houtopstanden. In de Wet natuurbescherming is de Europese regelgeving omtrent natuurbescherming, zoals vastgelegd in de Vogelrichtlijn (Richtlijn 2009/147/EG, 30 november 2009) en Habitatrichtlijn (Richtlijn 92/43/EEG, 21 mei 1992) als uitgangspunt genomen. Voor de soortenbescherming is wettelijk bovendien rechtstreeks verwezen naar het Verdrag van Bern en het Verdrag van Bonn. Het beschermingsregime betreffende soorten (flora en fauna) is opgenomen in hoofdstuk 3 van de Wnb. De verbodsbepalingen zijn hierbij afhankelijk gesteld van de soort (en daarmee de opname van die soort op de diverse lijsten) en de voorgenomen handelingen. Bovendien is een algemeen geldende zorgplicht opgenomen om handelingen achterwege te laten of maatregelen te treffen, om te voorkomen dat nadelige gevolgen ontstaan voor in het wild levende dieren en planten. Conform de Wet natuurbescherming is de initiatiefnemer bij ruimtelijke ingrepen verplicht op de hoogte te zijn van mogelijke voorkomende beschermde soorten binnen het besluitgebied. Vanuit die kennis dienen plannen en projecten getoetst te worden aan eventuele strijdigheid met de verbodsbepalingen uit de Wnb.

Conform vaste jurisprudentie kan een plan worden vastgesteld indien aannemelijk wordt gemaakt dat het aspect flora en fauna niet aan de uitvoerbaarheid van het plan in de weg staat. Beoordeling Op 28 januari 2022 is door Blom Ecologie een Quickscan Wet natuurbescherming uitgevoerd binnen het plangebied. Het onderzoeksrapport is opgenomen in de bijlage. Hieruit blijkt dat de planlocatie geen essentiële betekenis heeft voor beschermde soorten. De planlocatie is mogelijk geschikt leefgebied voor soorten welke niet beschermd zijn (behoudens de algemene zorgplicht) en/of waarvoor een vrijstelling geldt. Voor broedvogels geldt dat de nesten van alle soorten beschermd zijn tijdens het broedseizoen (indicatief 15 maart – 15 juli).Aanvullend onderzoek naar soorten is dan ook niet benodigd Bij de uitvoering van de werkzaamheden dienen navolgende maatregelen aangehouden te worden: • Tijdens de werkzaamheden moet voorzichtig worden gehandeld met alle voorkomende flora en fauna (algemene zorgplicht). • Wanneer ondanks zorgvuldig handelen, onderzoek en advies schade lijkt te ontstaan voor beschermde flora en fauna, dient direct contact opgenomen te worden met een ter zake deskundige. • Eventueel aanwezige vegetatie of bodemmateriaal (takken, stronken) voorafgaand aan de werkzaamheden gefaseerd verwijderen. Dit om grondgebonden dieren de kans te bieden zelfstandig de planlocatie te verlaten.

• De planlocatie en omliggende bomenrijen en bosschages tijdens de werkzaamheden en in de nieuwe situatie bij voorkeur niet verlichten en in de periode april-oktober de werkzaamheden tussen zonsopgang en zonsondergang uitvoeren (buiten schemerperiodes). Mocht verlichting noodzakelijk zijn hierbij een vleermuisvriendelijke verlichtingswijze toepassen (amberkleurig licht, lichtbundel nederwaarts richten, toepassen geconvergeerde lichtbundel). • De kapwerkzaamheden opstarten of uitvoeren buiten het broedseizoen van vogels (indicatief medio maart t/m medio juli). Als dit niet mogelijk is dienen de potentiële nestlocaties van algemene broedvogels ruim voorafgaand aan het broedseizoen ongeschikt of ontoegankelijk gemaakt te worden. E.e.a. op aanwijzing van deskundige. Als werkzaamheden in het broedseizoen worden uitgevoerd die mogelijk resulteren in het wegnemen of verstoren van broedgevallen dient voor aanvang door een ter zake deskundig gecontroleerd te worden of er broedvogels aanwezig zijn. • Indien er verstoring plaatsvindt, dient er een passende vluchtroute beschikbaar te zijn. Dit geldt in het bijzonder voor grondgebonden zoogdieren (zoals muizen en egels), maar ook voor vogels, om verkeersslachtoffers te voorkomen. Werk vanaf één zijde en bij voorkeur van een drukke naar een rustige locatie toe, zoals een open veld of ruigte.

Werk ook op een aangepast tempo, zodat dieren kunnen vluchten.

datum referentie

15 april 2024 215475_AdB_RAP_0001_v5.0

P 30/59

Conclusie Het planvoornemen heeft geen negatieve effecten op soorten in de omgeving. Flora en fauna vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling. 4.6 Akoestiek Toetsingskader Bij het doorlopen van een procedure op grond van artikel 3.1 van de Wet ruimtelijke ordening geldt een onderzoeksplicht voor geluid. Dit onderzoek richt zich op woningen en andere geluidsgevoelige bestemmingen die binnen een geluidszone van een weg, een spoorweg of een industrieterrein zijn gelegen. De onderzoekszone voor wegen zoals bedoeld in art. 74 lid 1 Wgh is afhankelijk van de hoeveelheid rijbanen. Onderstaande tabel geeft hier een overzicht van: Stedelijk

Buitenstedelijk

Aantal rijstroken

Aantal meter aan weerszijden van de weg

5 of meer

350 m

600 m

3 of 4

350 m

400 m

1 of 2

200 m

250 m

Artikel 74 lid 2 Wgh regelt dat indien de bovengenoemde ontwikkelingen zijn gelegen binnen een als 'woonerf' aangeduid gebied of in een zone nabij wegen waarvoor een maximum snelheidsregime van 30 km/u geldt, de betreffende waarden niet in acht hoeven te worden genomen. Wanneer een nieuw geprojecteerde geluidsgevoelige functie binnen de geluidszonering van een weg valt, dient getoetst te worden of voldaan wordt aan de voorkeursgrenswaarde (48 dB) en de hoogst toelaatbare grenswaarde. Deze grenswaarde is voor autosnelwegen 53 dB en voor wegen in stedelijk gebied 63 dB. Geluidsgevoelige functies zijn onder andere woningen, onderwijsgebouwen, zorggebouwen en kinderdagverblijven. Wanneer nieuwe geluidsgevoelige functies mogelijk worden gemaakt binnen de onderzoek zone van de aanwezige wegen, moet akoestisch onderzoek plaatsvinden. Beoordeling Om de voorgenomen ontwikkeling mogelijk te maken is door De Roever een akoestisch onderzoek uitgevoerd op 13 juli 2023. De geluidbelastingen door de gezoneerde wegen zijn apart berekend. Daarnaast is de cumulatieve geluidbelasting door alle wegen in de omgeving berekend. Het betreffende rapport is toevoegt als bijlage. De geluidbelasting afkomstig van de Antwerpseweg bedraagt op zijn hoogst 54 dB ter plaatse van de westgevel van de hoogbouw van het appartementencomplex.

De voorkeursgrenswaarde van 48 dB wordt op negen beoordelingspunten op het appartementencomplex overschreden (alle etages). Bij de overige beoordelingspunten wordt de voorkeursgrenswaarde van 48 dB niet overschreden. De hoogst toelaatbare geluidbelasting van 63 dB wordt nergens overschreden. De hoogst berekende waarde afkomstig van de Laan van België bedraagt maximaal 38 dB ter plaatse van de westgevel van de laagbouw (2e verdieping) en de hoogst berekende waarde afkomstig van de Burgerhoutsestraat bedraagt maximaal 20 dB ter plaatse van de noordgevel van de laagbouw. Bij de beoordelingspunten wordt de voorkeursgrenswaarde van 48 dB niet overschreden.

datum referentie

15 april 2024 215475_AdB_RAP_0001_v5.0

P 31/59

De geluidbelasting afkomstig van de A58 bedraagt op zijn hoogst 61 dB ter plaatse van de zuidgevel van de hoogbouw (verdieping 12-13). De voorkeursgrenswaarde van 48 dB wordt op zes beoordelingspunten overschreden (alle hoogtes). De maximale ontheffingswaarde van 53 dB wordt op vier toetspunten overschreden (meerdere hoogtes). Er zijn maatregelen nodig om de geluidbelasting terug te brengen tot onder de maximale ontheffingswaarde. Tevens dient de zuidgevel van de laagbouw eveneens voorzien te worden geluidwerende voorzieningen. Er zijn maatregelen nodig om de geluidbelasting vanwege de A58 terug te brengen tot onder de maximale ontheffingswaarde van 53 dB. Na het nemen van maatregelen moeten verdere bron- en overdrachtsmaatregelen beschouwd worden om te onderzoeken of een grotere reductie in geluid mogelijk is voor de A58 en de Antwerpseweg tot onder de voorkeursgrenswaarde van 48 dB. Hierbij valt te denken aan bronmaatregelen zoals het toepassen van geluidreducerend wegdek, het verlagen van verkeersintensiteiten of het aanpassen van de maximale snelheid kan leiden tot lagere geluidniveaus. Echter, zijn deze maatregelen moeilijk te realiseren in onderhavig geval.

Daarom dienen maatregelen bij de ontvanger te worden genomen in de vorm van hogere waarden Bij het ontwerp van de appartementen is er reeds verkozen om bij sommige gevels extra afscherming te realiseren waardoor de geluidsbelasting van de A58 op de gevel zelf wordt teruggebracht tot onder de voorkeursgrenswaarde. Hierbij gaat het om de volgende aspecten: •

•

Bij appartementen in de hoogbouw die op het zuiden zijn gericht zal er een extra afscherming bij het balkon worden aangebracht, terwijl er wel buitenluchtcondities op het balkon blijven heersen. Een dergelijke afscherming geeft doorgaans een extra geluidwering van tenminste 15 dB, waardoor de achterliggende gevel direct als geluidluw beschouwd kan worden. Bij sommige gevels op de hoogbouw zullen er dubbele vensters worden gecreëerd, waarbij het buitenste raam fungeert als gebouwgebonden geluidscherm. De geluidbelasting op de achterliggende gevel wordt hiermee teruggebracht tot maximaal 53 dB. Hiermee wordt voldaan aan de eisen die aan een dove gevel worden gesteld mét behoud van thermische isolatie, daglichttoetreding en vereiste spuiventilatie. De exacte technische toepassing die hiervoor zal worden ingezet zal in een verder stadium van de ontwikkeling worden bepaald.

De milieukwaliteit wordt geclassificeerd van ‘Goed’ tot ‘Slecht’. Voor de laagbouw is het woon- en leefklimaat aan de oostzijde te kwalificeren als ‘Goed’ en aan de noordwestzijde ‘Redelijk’ en aan de zuidwestzijde ‘Matig’. De hoogbouw kent een woon- en leefklimaat variërend van ‘redelijk tot ‘Slecht’. Met name de zuidzijde is als een ‘Slecht’ woon- en leefklimaat te benoemen. Het woon- en verblijfsklimaat ter plaatse van de appartementen kan evenwel alsnog als acceptabel worden aangemerkt daar door het nemen van bouwkundige maatregelen er alsnog een acceptabel woon – en leefklimaat gerealiseerd kan worden. Conclusie Geluid vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling door het nemen van bouwkundige maatregelen. Voor zover noodzakelijk en ruimtelijk relevant zijn deze maatregelen geborgd in de regels van onderhavig bestemmingsplan. 4.7 Bedrijven en milieuzonering Toetsingskader In het kader van een goede ruimtelijke ordening is het van belang dat bij de aanwezigheid van bedrijven in de omgeving van milieugevoelige functies zoals woningen: •

ter plaatse van de woningen een goed woon- en leefmilieu kan worden gegarandeerd;

datum referentie

15 april 2024 215475_AdB_RAP_0001_v5.0

P 32/59

•

rekening wordt gehouden met de bedrijfsvoering en milieuruimte van de betreffende bedrijven.

Als uitgangspunt geldt dat het project niet leidt tot milieuoverlast bij milieugevoelige functies in de omgeving en dat de komst van milieugevoelige functies de activiteiten van milieubelastende activiteiten niet in de weg staat. Ten behoeve van de milieuzonering rond bedrijven is door de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) het systeem ‘Bedrijven en milieuzonering’ (2009) ontwikkeld in de vorm van een bedrijvenlijst. Daarin worden op basis van de SBI-code indicatieve afstanden bepaald voor allerlei vormen van bedrijfsactiviteiten. De afstand criteria hebben betrekking op de milieuaspecten geluid, stank, stof en gevaar. Naast de gegeven richtafstanden hanteert de VNG-publicatie twee omgevingstypen, namelijk: een rustige woonwijk/buitengebied en een gemengd gebied. In een rustige woonwijk of buitengebied (omgevingstype 1) wordt functiescheiding nagestreefd. Tussen milieuhinder gevoelige functies en bedrijven dient de minimaal aan te houden 'richtafstand' in acht te worden genomen. In geval van een gemengd gebied (omgevingstype 2), waar sprake is van functiemenging, kan een verkleinde richtafstand worden gehanteerd. In tegenstelling tot rustige woongebieden worden in dergelijke levendige gebieden milieubelastende activiteiten op kortere afstand van milieuhinder gevoelige functies acceptabel geacht.

De richtafstand mag in deze gebieden met één afstandsstap worden verkleind (10 meter behorende bij milieucategorie 1 wordt 0 meter, 30 meter van milieucategorie 2 wordt 10 meter van milieucategorie 1, etc.). Beoordeling In de directe omgeving zijn een aantal activiteiten aanwezig die mogelijk hun invloed hebben op de beoogde ontwikkeling. Het betreffen de volgende locaties en activiteiten: 1. Tankstation met LPG installatie met minder dan 1.000 m3/jr omzet, milieucategorie 3.1. Op deze locatie zijn maximaal categorie 3.1 bedrijven toegestaan. Afstand tot de beoogde ontwikkeling bedraagt circa 75 meter. 2. KPO basisschool, milieucategorie 2. Op deze locatie zijn meerdere maatschappelijke activiteiten toegestaan. Hiervan zijn onderwijsvoorzieningen met buitenspelende kinderen het meest belastend voor de omgeving en daarmee maatgevend. De afstand bedraagt circa 15 meter. 3. Ten zuiden van de Rijksweg A58 in Langdonk is een zone met gemengde functies aanwezig. Toegestaan zijn kantoren en maatschappelijke functies. De toegelaten functies zijn maximaal milieucategorie 2. De afstand tot het planbied bedraagt circa 250 meter. 4. Ten zuiden van de Rijksweg A58 in Kroeven is een maatschappelijke functie aanwezig. Ook hier zijn maximaal milieucategorie 2 functies mogelijk. De afstand tot de ontwikkeling bedraagt circa 270 meter.

datum referentie

15 april 2024 215475_AdB_RAP_0001_v5.0

P 33/59

2 1

4 3

Figuur 13 Uitsnede geldende bestemmingsplannen. Het plangebied is met een gele ster aangeduid. Potentiële belemmerende activiteiten zijn genummerd.

Het plangebied is gelegen in een gemengd gebied waardoor alle milieucategorieën met één afstandstrap verminderd kunnen worden. Milieucategorie 3.1 is de zwaarst mogelijke categorie en heeft voor een rustige woonwijk een richtafstand van 50 meter. Door de ligging in een gemengd gebied wordt de richtafstand terug gebracht tot 30 meter. Aan de richtafstanden wordt met uitzondering van locatie 2 ruimschoots voldaan. Ten aanzien van die locatie wordt hieronder nader op ingegaan. In het kader van bedrijven en milieuzonering is door de Roever op 24 juli 2023 een akoestisch onderzoek industrielawaai uitgevoerd. Het onderzoeksrapport is opgenomen in de bijlage. De omgeving van het plangebied wordt aangemerkt als een gemengd gebied vanwege de matige tot sterke functiemenging in de omgeving (maatschappelijk, wonen, gemengd en bedrijf) én de ligging direct langs de hoofdinfrastructuur (Antwerpseweg en A58). Rondom het plangebied ligt 1 risicobron te weten de KPO basisschool. De werkelijke afstand tussen de gewenste appartementen ,uitgaande van het bouwvlak, en de basisschool bedraagt circa 15 meter. Daarmee wordt aan de richtafstand van 10 meter in een gemengd gebied voldaan. In het kader van een goede ruimtelijke ordening is de geluidbelasting vanwege de basisschool alsnog onderzocht.

Bij de basisschool, inclusief peutergroep, vormen kinderen op de speelplaats, installaties op het dak en personenwagens (personeel en halen & brengen kinderen) de voornaamste geluidbronnen. De geluidrelevante activiteiten beperken zich enkel tot de dagperiode. Uit het onderzoek is gebleken dat ter plaatse van een aantal gewenste appartementen niet per definitie sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat (geluid afkomstig van de buitenspeelplaats). Hiervoor zijn maatregelen noodzakelijk om het woon- en leefklimaat te verbeteren. Aangezien bron en overdrachtsmaatregelen niet mogelijk en/of niet doelmatig worden geacht, worden er maatregelen bij de ontvanger getroffen. Geluidwerende voorzieningen aan de gewenste appartementen kunnen uitkomst bieden. De overschrijdingen worden enkel berekend op de oostgevel van de meest noordelijke bouwmassa ‘laagbouw. De benodigde gevelwering bedraagt maximaal 20,2 dB. Bij nieuwbouw wordt een

datum referentie

15 april 2024 215475_AdB_RAP_0001_v5.0

P 34/59

dergelijke gevelwering vrijwel in alle gevallen behaald (eis uit het Bouwbesluit bedraagt reeds 20 dB). Wanneer deze gevelwering wordt gerespecteerd dan is binnen in de gewenste appartementen sprake van een aanvaardbaar woon- en verblijfsklimaat. Conclusie Wanneer er maatregelen bij de ontvanger worden getroffen en de benodigde gevelwering wordt gerespecteerd dan wordt er een aanvaardbaar woon- en leefklimaat in de gewenste appartementen gerealiseerd. Hiermee vormt ‘bedrijven en milieuzonering’ geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling. 4.8 Externe veiligheid Toetsingskader Het beleid voor externe veiligheid is gericht op het verminderen en beheersen van risico's van zware ongevallen met gevaarlijke stoffen in inrichtingen en tijdens het transport ervan. Op basis van de criteria zoals onder andere gesteld in het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) worden bedrijven en activiteiten geselecteerd die een risico op zware ongevallen met zich mee (kunnen) brengen. Daarbij gaat het vooral om de grote chemische bedrijven, maar ook om kleinere bedrijven als LPG-tankstations en opslagen van bestrijdingsmiddelen. Daarnaast zijn (hoofd)transportassen voor gevaarlijke stoffen, zoals buisleidingen, spoor-, auto-, en waterwegen, ook als potentiële gevarenbron aangemerkt.

Het externe veiligheidsbeleid heeft tot doel zowel individuele burgers als groepen burgers een minimum beschermingsniveau te bieden tegen een ongeval met gevaarlijke stoffen. Om dit doel te bereiken zijn gemeenten en provincies verplicht om bij besluitvorming in het kader van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo), de Wet milieubeheer en de Wet op de ruimtelijke ordening de invloed van een risicobron op zijn omgeving te beoordelen. Daartoe wordt binnen het werkveld van de externe veiligheid veelal het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR) gehanteerd. Het plaatsgebonden risico Het plaatsgebonden risico is de kans dat een persoon die zich gedurende een jaar onafgebroken onbeschermd op een bepaalde plaats bevindt, overlijdt als gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Dit risico wordt per bedrijf en transportas vastgelegd in contouren. Er geldt een contour waarbinnen deze kans 1x10 -6 (één op de miljoen) bedraagt. Het groepsrisico Het groepsrisico is een maat voor de kans dat een groep personen binnen een bepaald gebied ,gelijktijdig, overlijdt ten gevolge van een ongeval met gevaarlijke stoffen. De orientatiewaarde geeft hierbij de indicatie van een aanvaardbaar groepsrisico. Indien een ontwikkeling is gepland in de nabijheid van een risicobron geldt afhankelijk van de ontwikkeling een verantwoordingsplicht voor het toelaten van gevoelige functies.

Het groepsrisico is niet ruimtelijk weer te geven met contouren, maar wordt uitgedrukt in een grafiek waarin de groepsgrootte van aantallen slachtoffers wordt uitgezet tegen de cumulatieve kans dat een dergelijke groep slachtoffer wordt van een ongeval: de Fn-curve. Beoordeling Het plangebied is gelegen binnen het invloedsgebied van het LPG-tankstation aan de Antwerpseweg 6. Inzicht in de hoogte en verandering van het groepsrisico is daarom noodzakelijk. Ook ligt het plangebied binnen 200 m van rijksweg A58 waarover vervoer van gevaarlijke stoffen plaatsvindt. Inzicht in de hoogte en verandering van het groepsrisico is ook hier noodzakelijk in het kader van externe veiligheid. Daarnaast ligt het bestemmingsplan binnen het invloedsgebied, maar niet binnen 200 meter, van de spoorroute Roosendaal West – Essen (B) dat onderdeel is van het basisnet spoor. Vanwege de grote afstand is het maken van een risicoberekening voor het spoor niet voorgeschreven. Onderstaande figuur geeft de locaties van de relevante risicobronnen weer. Om de

datum referentie

15 april 2024 215475_AdB_RAP_0001_v5.0

P 35/59

beoogde ontwikkeling mogelijk te maken is door AVIV op 22 augustus 2022 een onderzoek naar externe veiligheid uitgevoerd. Het onderzoeksrapport, evenals de verantwoording van het groepsrisico, is opgenomen in de bijlagen. De belangrijkste conclusies naar aanleiding van de resultaten worden navolgend benoemd.

Figuur 14: Ligging plangebied t.o.v. risicobronnen Rijksweg A58 De externe veiligheidsrisico’s door het transport van gevaarlijke stoffen over de rijksweg A58 zijn berekend. Het plaatsgebonden risico vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling. Het groepsrisico neemt nauwelijks waarneembaar af door de toekomstige ontwikkeling. De verdere verantwoording van het groepsrisico kan achterwege blijven. Hierdoor kan voldaan worden met het standaard advies van de veiligheidsregio Middenen West- Brabant. Dit standaard advies is opgenomen in de bijlagen. Er is sprake van een plasbrandaandachtsgebied rond de beschouwde spoorroute. Het plan ligt op ca. 110 m afstand van de rijksweg A58. Het plasbrandaandachtsgebied vormt hierdoor geen belemmering. LPG-tankstation Het plangebied ligt buiten de plaatsgebonden risicocontouren 10-6 van het LPG-tankstation. Het groepsrisico neemt toe in de toekomstige situatie. Het groepsrisico is in zowel de huidige als de toekomstige situatie kleiner dan de oriëntatiewaarde. Een verantwoording van het groepsrisico is vereist. De veiligheidsregio dient in de gelegenheid te worden gebracht om advies uit te brengen. De gemeente Roosendaal heeft hiervoor een standaard document, waardoor voldaan worden met het standaard advies van de veiligheidsregio Midden- en WestBrabant. Aanvoerroute LPG

datum referentie

15 april 2024 215475_AdB_RAP_0001_v5.0

P 36/59

Het plaatsgebonden risico vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling. In zowel de huidige als toekomstige situatie is het groepsrisico kleiner dan 10% van de oriëntatiewaarde. De verdere verantwoording van het groepsrisico kan daarom achterwege blijven. Voldaan kan worden met het standaard advies van de veiligheidsregio Midden- en West- Brabant. Overige risicobronnen Het plangebied ligt meer dan 200 m van de spoorlijn Roosendaal West – Essen (B), maar binnen het invloedsgebied van meer dan 4 km. Voor deze spoorlijn volstaat het om conform artikel 7 van het Bevt in te gaan op zelfredzaamheid en bestrijdbaarheid. Hierdoor kan voldaan worden met het standaard advies van de veiligheidsregio Midden- en West- Brabant. Conclusie Met de beoogde ontwikkeling neemt het plaatsgebonden risico niet toe. Wel dient het groepsrisico verantwoord te worden en dient het bestuur in gelegenheid te worden gesteld om advies uit te brengen. Wanneer dit gebeurt vormt externe veiligheid geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling. 4.9 Luchtkwaliteit Toetsingskader Op basis van hoofdstuk 5, titel 5.2 ‘Luchtkwaliteitseisen’ van de Wet milieubeheer dient onderzoek naar luchtkwaliteit te worden uitgevoerd. De titel 5.2 ‘Luchtkwaliteitseisen’ is beter bekend als de Wet luchtkwaliteit (Wlk). De kern van de Wet luchtkwaliteit is het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL).

Het NSL is een bundeling maatregelen op regionaal, nationaal en internationaal niveau die de luchtkwaliteit verbeteren en waarin alle ruimtelijke ontwikkelingen/projecten zijn opgenomen die de luchtkwaliteit in belangrijke mate verslechteren. Op grond van de Wet mogen nieuwe ontwikkelingen niet leiden tot een overschrijding van de normen (grenswaarden) die aan een aantal verontreinigende stoffen zijn gesteld. Met betrekking tot luchtkwaliteit moet rekening worden gehouden met het gestelde in de Wet milieubeheer (Wm), hoofdstuk 5, titel 5.2 Luchtkwaliteitseisen en de bijbehorende bijlagen. Als aan minimaal één van de volgende voorwaarden wordt voldaan, vormen luchtkwaliteitseisen in beginsel geen belemmering voor het uitoefenen van de bevoegdheid: • • •

•

er is geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde; een plan leidt – al dan niet per saldo – niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit; een plan draagt ‘niet in betekenende mate’ (NIBM) bij aan de luchtverontreiniging (meer dan 3%) ten opzichte van de grenswaarde (een grenswaarde van 3% staat gelijk aan de bouw van circa 1.500 woningen of 100.000 m2 kantoorruimte met één ontsluitingsweg); een plan past binnen het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL), of binnen een regionaal programma van maatregelen.

Naast de effecten van de voorgenomen ontwikkeling op de luchtkwaliteit, moet worden bezien of er voor de te realiseren woningen voldaan kan worden aan een goed woon- en leefklimaat ten aanzien van het aspect luchtkwaliteit. Om te bepalen of de plaatselijke luchtkwaliteit voldoet aan de normen voor een goed woon- en leefklimaat is gebruik gemaakt van de RIVM kaarten welke weergeven staan op www.atlasleefomgeving.nl. Indien uit de monitoring blijkt dat de doelstellingen van het NSL niet worden gehaald, kunnen extra maatregelen worden getroffen. Beoordeling De beoogde ontwikkeling betreft het omzetten van een maatschappelijke bestemming naar een woonbestemming ten behoeve van de realisatie van 70 appartementen in 2 woongebouwen. Gesteld kan worden dat dit plan in

datum referentie

15 april 2024 215475_AdB_RAP_0001_v5.0

P 37/59

verhouding tot de wettelijke ondergrens voor onderzoek, gelegen op de realisatie van 1.500 woningen, niet in betekenende mate (NIBM) bijdraagt aan het verslechteren van de luchtkwaliteit. De luchtkwaliteitseisen vormen dan ook geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling. Bovendien is blijkens de kaarten van het Nationale Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL) van het ter hoogte van het besluitgebied geen sprake van een hoge achtergrondbelasting inzake fijnstof of stikstofdioxide. Daarmee kan worden gesteld dat met betrekking tot luchtkwaliteit een goed woon- en leef klimaat binnen het besluitgebied is gegarandeerd. Zie hiervoor onderstaande afbeelding.

Figuur 15: Uitsnede NSL-monitoringskaart 2020. Het plangebied is globaal aangeduid met de gele ster

Conclusie Het aspect ‘luchtkwaliteit’ vormt geen belemmering voor het planvoornemen. 4.10 Kabels en leidingen

datum referentie

15 april 2024 215475_AdB_RAP_0001_v5.0

P 38/59

Toetsingskader De hierna volgende leidingen zijn planologisch relevant, voor zover zij geen deel uitmaken van een inrichting zoals bedoeld in de Wet milieubeheer1. a. hoogspanningsverbindingen van 50 kV en hoger; b. buisleidingen voor transport van aardgas met een uitwendige diameter van meer dan 50 mm en een druk van meer dan 16 bar; c. buisleidingen voor transport van aardolieproducten met een uitwendige diameter van meer dan 70 mm en een druk van meer dan 16 bar; d. buisleidingen met een diameter van 400 mm of meer buiten de bebouwde kom; e. buisleidingen voor transport van andere stoffen dan aardgas en aardolieproducten, die risico's met zich meebrengen voor mens en/of leefomgeving wanneer deze leidingen beschadigd raken2. Beoordeling Ter plaatse van het besluitgebied zijn geen planologisch relevante kabels en leidingen aanwezig. Indien nodig zal in een later stadium van onderhavig project een KLIC-melding worden uitgevoerd. Conclusie Er zijn geen belemmeringen met betrekking tot de aanwezigheid van kabels en leidingen. 4.11 Milieueffectrapportage en vormvrije m.e.r.-beoordeling Toetsingskader Behalve aan de uitvoeringsaspecten bedoeld in de Awb en het Bro dient ook te worden getoetst aan de Wet milieubeheer en het Besluit m.e.r. of er sprake is van een mogelijke verplichting tot het opstellen van een milieueffectrapportage.

Een milieueffectrapportage (MER), en de bijbehorende procedure (m.e.r.), is een hulpmiddel om de belangen van het milieu volwaardig te betrekken bij de besluitvorming omtrent plannen en projecten. Het gaat hierbij wel enkel om plannen en projecten die kunnen leiden tot initiatieven waarmee het milieu mogelijk nadelig kan worden beïnvloed. Beoordeling Een plan is kaderstellend voor een toekomstig m.e.r.- (beoordelings)plichtig besluit indien er sprake is van een overschrijding van de grenswaarden uit de C- of D-lijst van het Besluit m.e.r. In onderhavige situatie is er sprake van de bouw van 70 appartementen. Een dergelijke activiteit wordt niet genoemd op de C-lijst. Het bouwen van woningen komt wel voor op de D-lijst, onder categorie D11.2, ‘de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen.’ Bij een dergelijke activiteit is er sprake van een m.e.r.-beoordelingsplichtig besluit indien de activiteit betrekking heeft op: 1. 2. 3.

een oppervlakte van 100 hectare of meer; een aaneengesloten gebied en 2000 woningen of meer omvat; een bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m2 of meer.

Onderhavige ontwikkeling betreft het bouwen van 70 appartementen. Hiermee blijft de ontwikkeling ruimschoots

1 'Leidingen die deel uitmaken van een inrichting' zijn leidingen binnen de inrichtingsgrens die in beheer zijn van de drijver van de inrichting

én leidingen die in beheer zijn van derden waarmee een product wordt geleverd aan de betreffende inrichting (laatstgenoemde leidingen hebben een zgn. functionele binding met de inrichting, zoals bedoeld in de Wet milieubeheer). 2 Onder zgn. 'leidingen voor andere stoffen dan aardgas en aardolieproducten' worden in ieder geval leidingen verstaan voor transport van nafta, waterstof, koolstofdioxide, stikstof, zuurstof, ethyleen en propyleen.

datum referentie

15 april 2024 215475_AdB_RAP_0001_v5.0

P 39/59

onder de gestelde grenswaarde. Geconcludeerd kan worden dat het plan derhalve niet kaderstellend is voor een m.e.r.-(beoordelings)plichtig besluit. Wel wordt het planvoornemen aangeduid als stedelijk ontwikkelingsproject waarvoor een vormvrije mer is uitgevoerd. Het besluit op de vormvrije mer vindt separaat plaats.

datum referentie

15 april 2024 215475_AdB_RAP_0001_v5.0

P 40/59

5

Uitvoerbaarheid

5.1 Maatschappelijke uitvoerbaarheid 5.1.1 Omgevingsdialoog Op dinsdag 19 april 2022 is door de initiatiefnemers van onderhavige ontwikkeling een informatieavond georganiseerd. Van deze avond is een verslag opgesteld welke als bijlage aan deze toelichting is toegevoegd. Naar aanleiding van de informatieavond is het ontwerp aangepast door de hoogbouw met twee verdiepingen te verlagen. In ruil hiervoor is de laagbouw verlengd waardoor het totaal aantal appartementen gelijk is gebleven. Verder is naar aanleiding van de gemaakte opmerkingen een verkeerskundig advies aangevraagd om de invloed van de ontwikkeling op de verkeersituatie in de omgeving in beeld te krijgen. Het onderzoek is een separaat document. 5.1.2 Vooroverleg Artikel 3.1.1 van het Besluit op de ruimtelijke ordening (Bro) geeft aan dat bij de voorbereiding van een bestemmingsplan burgmeester en wethouders overleg met de besturen van bij het plan betrokken waterschappen plegen. Waar nodig plegen zij tevens overleg met besturen van andere gemeenten, met de provincie, de inspecteur voor de ruimtelijke ordening en met eventuele andere diensten van Rijk en provincie die belast zijn met de behartiging van belangen die in het plan in het geding zijn. Het plan is in het kader van vooroverleg voorgelegd aan de provincie, het waterschap en de veiligheidsregio.

Het bestemmingsplan heeft gedurende zes weken voor een ieder ter inzage gelegen van 12 september 2022 tot en met 24 oktober. In totaal zijn er zes inspraakreacties ontvangen. De inspraakreacties en de vooroverlegreacties zijn verwerkt in de Nota inspraak en vooroverleg. Deze is als bijlage aan deze toelichting toegevoegd. 5.1.3 Zienswijzen De vaststellingsprocedure van het bestemmingsplan vindt plaats volgens artikel 3.8 van de Wet ruimtelijke ordening. Het ontwerpbestemmingsplan heeft vanaf 18 december 2023 voor zes weken ter inzage gelegen. In deze periode zijn in totaal vier zienswijzen door de gemeente ontvangen. In bijlage 15 bij deze toelichting is de geanonimiseerde Nota zienwijze “Norbartlaan” opgenomen. In deze nota zijn de ingekomen zienswijzen samengevat en voorzien van een reactie. Waar relevant is aangegeven of en op welke wijze het bestemmingsplan is aangepast. 5.2 Economische uitvoerbaarheid Er wordt een anterieure overeenkomst met de initiatiefnemer gesloten waarin afspraken worden gemaakt over de voorgenomen ontwikkeling, alsmede alle financiële kaders waaronder mogelijke planschade, de exploitatiebijdrage en de daadwerkelijke investeringskosten van de beoogde ontwikkelingen. Op basis van deze overeenkomst wordt het voorliggende voornemen economisch uitvoerbaar geacht. Het kostenverhaal zal geen belemmering vormen voor uitvoerbaarheid van het voorliggende plan.

datum referentie

15 april 2024 215475_AdB_RAP_0001_v5.0

P 41/59

6

Juridische plantoelichting

6.1 Standaard vergelijkbare BestemmingsPlannen (SVBP) De Standaard Vergelijkbare BestemmingsPlannen (hierna SVBP 2008), die voortvloeit uit de nieuwe Wet ruimtelijke ordening, maakt het mogelijk om bestemmingsplannen te maken die op vergelijkbare wijze zijn opgebouwd en op eenzelfde manier worden verbeeld. SVBP 2008 geeft bindende standaarden voor de opbouw en de verbeelding van het bestemmingsplan, zowel digitaal als analoog. Dit om de gewenste vergelijkbaarheid zeker te stellen. De standaarden hebben geen betrekking op de toelichting van het bestemmingsplan. Wel dient het bestemmingsplan van een toelichting vergezeld te gaan. Het bestemmingsplan zelf bestaat uit een verzameling geografische bepaalde objecten, die zijn opgeslagen in een digitaal ruimtelijk informatiesysteem. De objecten zijn voorzien van bestemmingen met bijbehorende doeleinden en regels. Er wordt uitdrukkelijk op gewezen dat de standaarden geen betrekking hebben op de inhoud van een bestemmingsplan. 6.2 Opzet van de nieuwe bestemmingsregeling 6.2.1 Uitgangspunten en doelstellingen Het centrale onderdeel van een bestemmingsplan is de bestemming. Ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening worden aan de in het plan begrepen grond bestemmingen toegewezen met bijbehorende doeleinden.

Aan de bestemmingen zijn regels gekoppeld over het gebruik van de in het plan begrepen grond en van de zich daar bevindende bouwwerken. Kenmerk van bestemmingen is dat het gehele plangebied ermee is bedekt. Elke bestemming is geometrisch bepaald. Een bestemmingsplan kan ook dubbelbestemmingen bevatten. Deze overlappen bestemmingen en geven eigen regels, waarbij sprake is van een rangorde tussen de bestemmingen en de dubbelbestemmingen. De dubbelbestemmingen hoeven het gehele plangebied niet te bedekken. Aanduidingen worden gebruikt om bepaalde zaken binnen een bestemming of dubbelbestemming nader of specifieker te regelen. Het gaat hierbij om specificaties met betrekking tot het gebruik of de bouwmogelijkheden. De aanduidingen hebben daardoor juridische betekenis en komen ook altijd in de regels van het bestemmingsplan voor. Verklaringen zijn de overige in de verbeelding van het bestemmingsplan voorkomende zaken. Verklaringen hebben geen juridische betekenis. Zij zijn bedoeld om nadere informatie te verschaffen of om de duidelijkheid en raadpleegbaarheid te bevorderen. Omdat verklaringen geen juridische betekenis hebben, wordt hierop niet nader ingegaan.

Het uitgangspunt bij het opstellen van het bestemmingsplan is dat de van kracht zijnde regelingen zodanig worden geactualiseerd dat samenhangende, op actuele beleidsinzichten en gebruikerswensen afgestemde bestemmingsregelingen ontstaan. Als doelstellingen en uitgangspunten kunnen daarbij worden onderscheiden: • Rechtszekerheid en klantgerichtheid, dat wil zeggen voor de burger een duidelijk, toegankelijk en op actuele behoeften en eisen afgestemd plan. • Makkelijke toepasbaarheid en hanteerbaarheid voor de gemeentelijke diensten; een plan waaraan bouwaanvragen op heldere wijze kunnen worden getoetst met als resultaat een minimale bestuurslast. • Duidelijkheid en inzichtelijkheid van hetgeen is toegestaan, dit houdt in dat de bestemmingen met hun bouw- en gebruiksmogelijkheden zoveel als mogelijk is via de verbeelding zichtbaar worden gemaakt. De aandacht richt zich in eerste instantie op de woonfunctie en de aard en de verschijningsvorm van de woonbebouwing in de plangebieden. Bij de opbouw van de regeling wordt uitgegaan van een collectieve doelstelling die van toepassing zal zijn bij alle woningen. Deze doelstelling is om enerzijds een goede regeling voor de uitbreidingsmogelijkheden van de woningen te bieden ten behoeve van een maximaal woongenot voor de bewoners en anderzijds de bestaande ruimtelijke kwaliteit in het plangebied te handhaven.

datum referentie

15 april 2024 215475_AdB_RAP_0001_v5.0

P 42/59

6.2.2 Opbouw van de regels De opbouw van de regels is gelijk aan Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen 2008. a.

b.

De opbouw van de regels is als volgt: • Betekenisafspraken (Hoofdstuk 1 Inleidende regels); • De gebruiks- en bouwregels per bestemming (Hoofdstuk 2 Bestemmingsregels); • Algemene regels (Hoofdstuk 3 Algemene regels); • Overige regels (Hoofdstuk 4 Overgangs- en slotregels). Een bestemmingsartikel (Hoofdstuk 2 Bestemmingsregels) wordt uit de volgende leden in deze volgorde opgebouwd: • Bestemmingsomschrijving; • Bouwregels; • Nadere eisen; • Specifieke gebruiksregels; • Afwijken van de gebruiksregels; • Omgevingsvergunning; • Wijzigingsbevoegdheid.

De specifieke nadere eisenregelingen, bevoegdheden om af te wijken van de regels en wijzigingsbevoegdheden en mogelijk aanlegvergunningregels zullen zoveel mogelijk per bestemming worden opgenomen. Hierdoor wordt direct per bestemming inzicht geboden in de eventuele afwijkingsmogelijkheden en onnodig verwijzen naar andere artikelen voorkomen. Deze werkwijze bevordert de toegankelijkheid van het bestemmingsplan. Er wordt derhalve voor de volgorde van de regels een standaardindeling gehanteerd 6.2.3 Flexibiliteitsregels Aan het bestemmingsplan kan flexibiliteit worden toegevoegd door met een omgevingsvergunning af te wijken van de regels, het stellen van nadere eisen of een wijzigingsbevoegdheid. Dit flexibiliteitinstrumentarium kent zekere begrenzingen. Het is niet mogelijk om met een omgevingsvergunning een bestemmingswijziging tot stand te brengen. Een nadere eis mag slechts worden gesteld per afzonderlijk geval en geen algemene regel inhouden. Bovendien moet het bestemmingsplan al een regel bevatten omtrent het punt ten aanzien waarvan een nadere eis wordt gesteld. Op basis van het vorenstaande wordt voor het opnemen van flexibiliteitsregels de volgende benadering gehanteerd. • • •

Flexibiliteitregels alleen gebruiken als van een wezenlijke belangenafweging sprake kan zijn, voor de onderbouwing waarvan de toelichting de noodzakelijke bouwstenen bevat. Bij het besluit tot het opnemen van flexibiliteit planschade risico meewegen. Nadere eisen alleen stellen als er als regels zijn opgenomen met betrekking tot hetzelfde onderwerp.

6.3 Bestemmingen 6.3.1 Groen De gronden waarop deze bestemming is gelegd, zijn onder meer bestemd voor beplantingen, bermen en voorzieningen voor sport en spel. Binnen deze bestemming mogen uitsluitend gebouwen ten behoeve van algemeen nut worden gerealiseerd en bouwwerken, geen gebouwen zijnde. 6.3.2 Verkeer De gronden binnen deze bestemming zijn onder meer bestemd voor wegen met ten hoogste 2 keer 1 doorgaande rijstroken, opstelstroken en busstroken daar niet onder begrepen, vervolgens: voet- en fietspaden, speel-, spelen daarmee vergelijkbare sportvoorzieningen, niet zijnde sportvoorzieningen in clubverband, beplantingen,

datum referentie

15 april 2024 215475_AdB_RAP_0001_v5.0

P 43/59

bermen, watergangen en andere waterpartijen, voorzieningen ten behoeve van algemeen nut, zoals bergbezinkbassins en transformatorhuisjes, en afvalinzameling, parkeerplaatsen, kunstwerken en kunstobjecten. 6.3.3 Wonen - 4 Deze bestemming regelt de bouw en het gebruik van de aangewezen gronden voor wonen. Binnen deze bestemming mogen uitsluitend gestapelde woningen worden gerealiseerd binnen de daartoe opgenomen bouwlakken. Verder zijn voorzieningen ten behoeve van afvalinzameling alsmede aan-huis-gebonden- beroepsof bedrijfsmatige activiteiten toegestaan.

datum referentie

15 april 2024 215475_AdB_RAP_0001_v5.0

P 44/59

Bijlage 1 Bodemonderzoek

datum referentie

15 april 2024 215475_AdB_RAP_0001_v5.0

P 45/59

Bijlage 2 Watertoets

datum referentie

15 april 2024 215475_AdB_RAP_0001_v5.0

P 46/59

Bijlage 3 Voortoets Stikstof

datum referentie

15 april 2024 215475_AdB_RAP_0001_v5.0

P 47/59

Bijlage 4 Quickscan Wet natuurbescherming

datum referentie

15 april 2024 215475_AdB_RAP_0001_v5.0

P 48/59

Bijlage 5 Akoestisch onderzoek Industrielawaai

datum referentie

15 april 2024 215475_AdB_RAP_0001_v5.0

P 49/59

Bijlage 6 Akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai

datum referentie

15 april 2024 215475_AdB_RAP_0001_v5.0

P 50/59

Bijlage 7 Onderzoek externe veiligheid

datum referentie

15 april 2024 215475_AdB_RAP_0001_v5.0

P 51/59

Bijlage 8 Verantwoording groepsrisico

datum referentie

15 april 2024 215475_AdB_RAP_0001_v5.0

P 52/59

Bijlage 9 Standaard advies

datum referentie

15 april 2024 215475_AdB_RAP_0001_v5.0

P 53/59

Bijlage 10 Verslag omgevingsdialoog

datum referentie

15 april 2024 215475_AdB_RAP_0001_v5.0

P 54/59

Bijlage 11 Verkeerskundig advies

datum referentie

15 april 2024 215475_AdB_RAP_0001_v5.0

P 55/59

Bijlage 12 Analyse parkeernorm voor nieuwbouw Norbartlaan

datum referentie

15 april 2024 215475_AdB_RAP_0001_v5.0

P 56/59

Bijlage 13 Nota inspraak en vooroverleg

datum referentie

15 april 2024 215475_AdB_RAP_0001_v5.0

P 57/59

Bijlage 14 Aanmeldnotitie vormvrije m.e.r.-beoordeling

datum referentie

15 april 2024 215475_AdB_RAP_0001_v5.0

P 58/59

Bijlage 15 Nota zienswijze “Norbartlaan”

datum referentie

15 april 2024 215475_AdB_RAP_0001_v5.0

P 59/59

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://raad.roosendaal.nl/api/v1/meetings/1675/documents/42679