CConstaterende datRoosendaal
Koppel je AI →
Document · PDF

215475_AdB_RAP_0001_v5.1 Toelichting.pdf

Gemeenteraad 5 juni 2024, gemeente RoosendaalBij agendapunt: 5f: Voorstel 032 Vaststellen bestemmingsplan Norbartlaan16.927 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

Bestemmingsplan Norbartlaan Roosendaal Gemeente Roosendaal

datum projectnummer

15 april 2024 215475

Bestemmingsplan Norbartlaan Roosendaal

Aveco de Bondt BV Boschstraat 35, 4811 GB Breda T +31 76 522 52 62 www.avecodebondt.nl

Gemeente Roosendaal Toelichting

1projectleider

Bestemmingsplan Norbartlaan Roosendaal 215475 Marcel Volbeda

opdrachtgever

Aannemersbedrijf Van Agtmaal bv

project projectnummer

versie fase auteur

5.0 Vastgesteld Thom Busschers

paraaf gecontroleerd

Marcel Volbeda

datum referentie

15 april 2024 215475_AdB_RAP_0001_v5.0

Inhoudsopgave 1 1.1 1.2 1.3

Inleiding Aanleiding en doel Ligging en begrenzing plangebied Vigerend bestemmingsplan

1 1 1 3

2 2.1 2.2 2.3 2.3.1 2.3.2

Planbeschrijving Bestaande situatie Beoogde situatie Verkeer en parkeren Parkeren Verkeer

4 4 5 7 7 9

3 3.1 3.1.1 3.1.2 3.2 3.2.1 3.2.2 3.2.3 3.3 3.3.1 3.3.2 3.3.3

Beleidskader Rijksbeleid Nationale Omgevingsvisie (NOVI) Ladder duurzame verstedelijking Provinciaal beleid Omgevingsvisie ‘De kwaliteit van Brabant, Visie op de leefomgeving’, 2018 Interim omgevingsverordening Noord-Brabant Omgevingsverordening Noord-Brabant Gemeentelijk beleid Structuurvisie Roosendaal 2025 Woonagenda Roosendaal 2021-2025 Welstandsnota

10 10 10 10 13 13 13 17 18 18 18 19

4 4.1 4.2 4.3 4.4 4.5 4.5.1 4.5.2 4.6 4.7 4.8 4.9 4.10 4.11

Planologische relevante milieuaspecten Inleiding Bodem Waterhuishouding Archeologie en cultuurhistorie Ecologie Natuurgebieden Flora en fauna Akoestiek Bedrijven en milieuzonering Externe veiligheid Luchtkwaliteit Kabels en leidingen Milieueffectrapportage en vormvrije m.e.r.-beoordeling

21 21 21 22 26 27 27 29 31 32 35 37 38 39

5 5.1 5.1.1 5.1.2 5.1.3 5.2

Uitvoerbaarheid Maatschappelijke uitvoerbaarheid Omgevingsdialoog Vooroverleg Zienswijzen Economische uitvoerbaarheid

41 41 41 41 41 41

datum referentie

15 april 2024 215475_AdB_RAP_0001_v5.0

6 6.1 6.2 6.2.1 6.2.2 6.2.3 6.3 6.3.1 6.3.2 6.3.3

Juridische plantoelichting Standaard vergelijkbare BestemmingsPlannen (SVBP) Opzet van de nieuwe bestemmingsregeling Uitgangspunten en doelstellingen Opbouw van de regels Flexibiliteitsregels Bestemmingen Groen Verkeer Wonen - 4

Bijlagen Bijlage 1 Bodemonderzoek Bijlage 2 Watertoets Bijlage 3 Voortoets Stikstof Bijlage 4 Quickscan Wet natuurbescherming Bijlage 5 Akoestisch onderzoek Industrielawaai Bijlage 6 Akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai Bijlage 7 Onderzoek externe veiligheid Bijlage 8 Verantwoording groepsrisico Bijlage 9 Standaard advies Bijlage 10 Verslag omgevingsdialoog Bijlage 11 Verkeerskundig advies Bijlage 12 Analyse parkeernorm voor nieuwbouw Norbartlaan Bijlage 13 Nota inspraak en vooroverleg Bijlage 14 Aanmeldnotitie vormvrije m.e.r.-beoordeling Bijlage 15 Nota zienswijze “Norbartlaan”

datum referentie

15 april 2024 215475_AdB_RAP_0001_v5.0

42 42 42 42 43 43 43 43 43 44

1

Inleiding

1.1 Aanleiding en doel Initiatiefnemer is voornemens een bestaand bouwperceel gelegen aan de Norbartlaan - Meidoornlaan in Roosendaal te herontwikkelen ten behoeve van woningbouw. Beoogd wordt om verspreid over twee bouwmassa’s in totaal 70 appartementen te realiseren. Het aansluitende terrein wordt ingericht als parkeerruimte, als park en overige bijbehorende voorzieningen. Het bouwplan is gewijzigd ten opzichte van het voorontwerp bestemmingsplan. Het parkeren in een halfverdiepte kelder is niet uitvoerbaar gebleken waardoor het parkeren nu volledig op maaiveld plaatsvindt. Als gevolg hiervan is het noordelijke woonblok in westelijke richting opgeschoven. Het zuidelijke woonblok is ten opzichte van het voorontwerpplan met 900 graden gedraaid en staat nu met de lange zijde richting de A58 in plaats met de korte zijde. De beoogde ontwikkeling is niet realiseerbaar binnen het geldend juridisch-planologisch kader. Het onderhavige bestemmingsplan voorziet in een passend juridisch kader en onderbouwd de uitvoerbaarheid van het voornemen. 1.2 Ligging en begrenzing plangebied Het plangebied ligt ten zuiden van het centrum van Roosendaal. De locatie is gelegen aan de Norbartlaan. Het plangebied wordt aan de zuidkant omsloten door de A58 en ten westen ligt de Antwerpseweg.

datum referentie

15 april 2024 215475_AdB_RAP_0001_v5.0

P 1/59

Figuur 1: Luchtfoto plangebied waarbij de rode contour het plangebied aangeeft. Bron: ruimtelijkeplannen.nl

datum referentie

15 april 2024 215475_AdB_RAP_0001_v5.0

P 2/59

1.3 Vigerend bestemmingsplan Toetsingskader Het vigerende bestemmingsplan betreft het bestemmingsplan “Burgerhout” van de gemeente Roosendaal zoals vastgesteld op 26 juni 2013. In dit bestemmingsplan zijn de gronden binnen het plangebied bestemd als ‘Maatschappelijk’.

Figuur 2: Uitsnede vigerend bestemmingsplan 'Burgerhout' met rood omkaderd het plangebied. Bron: ruimtelijkeplannen.nl

Beoordeling De voor ‘Maatschappelijk’ aangewezen gronden zijn bestemd voor bibliotheken, gezondheidszorg, onderwijs en andere voorzieningen. Hierbinnen is wonen niet mogelijk. Daarnaast bestaat het planvoornemen uit het realiseren van hoogbouw. Dit is binnen de huidige bouwregels van het bestemmingsplan ‘Burgerhout’ niet mogelijk. Om het voorgenomen initiatief juridisch-planologisch mogelijk te maken dient een nieuw bestemmingsplan te worden opgesteld. Conclusie Geconcludeerd kan worden dat het voorliggende planvoornemen niet mogelijk is op basis van het vigerende bestemmingsplan. Door middel van onderhavige bestemmingsplan wordt de ruimtelijke aanvaardbaarheid van het initiatief aangetoond. Leeswijzer In hoofdstuk 2 wordt een beschrijving gegeven van de huidige en de nieuwe situatie. Hoofdstuk 3 beschrijft de relevante beleidsdocumenten die door de te onderscheiden overheden zijn gepubliceerd. In hoofdstuk 4 komen de planologisch relevante milieuaspecten (zoals bodem, water, flora en fauna en milieuzonering) aan de orde. In hoofdstuk 5 wordt de juridische vormgeving van het plan toegelicht. Hierna komen in hoofdstuk 6 en 7 de economische uitvoerbaarheid en de maatschappelijke toetsing/overleg aan de orde.

datum referentie

15 april 2024 215475_AdB_RAP_0001_v5.0

P 3/59

2

Planbeschrijving

2.1 Bestaande situatie Het plangebied ligt aan de Norbartlaan, circa 500 meter ten zuidoosten van het centrum van Roosendaal. Het plangebied betreft momenteel grasland met enkele bomen. In het zuiden van het plangebied heeft vroeger het Da Vinci College gezeten. De gebouwen zijn reeds gesloopt en betreffen in de huidige situatie braak liggend terrein dat nog deels verhard is. Het plangebied staat kadastraal bekend als gemeente Roosendaal en Nispen, sectie D, perceelnummers 10240, 10239 en 3298. Op figuur 3 is een luchtfoto van de bestaande situatie weergeven.

Figuur 3: Luchtfoto situering plangebied. Bron: ruimtelijkeplannen.nl

Ten oosten van het plangebied ligt Rooms Katholieke Basisschoool Joseph. Verder liggen er ten oosten van het plangebied enkel woningen. Ten noorden van het plangebied liggen enkele maatschappelijke- en gemengde

datum referentie

15 april 2024 215475_AdB_RAP_0001_v5.0

P 4/59

bestemmingen. Aan de west en zuid kant wordt het plangebied ingesloten door de A58 en de Antwerpseweg. Tussen het plangebied en de wegen ligt een groenzone. 2.2 Beoogde situatie Initiatiefnemer is voornemens een bestaand bouwperceel gelegen aan de Norbartlaan - Meidoornlaan in Roosendaal te herontwikkelen ten behoeve van woningbouw. Beoogd wordt om in totaal 70 appartementen te realiseren verspreid over 2 bouwmassa’s. Het noordelijke gebouw betreft een appartementengebouw van 3 etages waarbinnen 40 appartementen worden gerealiseerd. Op de begane grondlaag worden 14 appartementen, op de eerste verdieping eveneens 14 appartementen en op de tweede verdieping 12 appartementen. Het parkeren zou oorspronkelijk plaatsvinden onder het gebouw in een half verdiepte parkeerkelder. Dit is niet haalbaar gebleken en het parkeren vindt nu plaats op maaiveld. In totaal worden 131 parkeerplaatsen gerealiseerd. De bouwhoogte van dit gebouw bedraagt maximaal 12 meter. Door de verandering van het parkeren is het bouwvlak van het noordelijke gebouw iets in westelijke richting opgeschoven om voldoende ruimte voor het parkeren te krijgen. Het tweede, zuidelijke, gebouw betreft hoogbouw bestaande uit 11 bouwlagen. Op elke laag is plek voor 3 appartementen waardoor er een totaal van 30 appartementen wordt gerealiseerd. Het bouwwerk krijgt een maximale bouwhoogte van 36 meter.

Hierbij is tevens rekening gehouden met het plaatsen van voorzieningen op het dak. Het aansluitende terrein wordt ingericht als park en overige bijbehorende voorzieningen. In totaal worden er binnen het plangebied nog eens 76 parkeerplaatsen in de openbare ruimte gerealiseerd. In totaal worden daarmee 131 parkeerplaatsen gerealiseerd. Hiermee is er voldoende ruimte om te parkeren binnen het plangebied. Het plangebied wordt ontsloten via de Norbartlaan. De situering van het bouwvlak is na het voorontwerp aangepast. Het bouwvlak is 900 gedraaid en staat nu met de lange zijde naar het zuiden gericht.

Figuur 4: Beoogde ontwikkeling Norbartlaan

datum referentie

15 april 2024 215475_AdB_RAP_0001_v5.0

P 5/59

Figuur 5: Artist impression beoogde ontwikkeling Norbartlaan kijkend in zuidelijke richting.

Figuur 6 Uitsnede bezonningsstudie Norbartlaan, meting 19 februari

Voor de beoogde ontwikkeling is een bezonningsstudie uitgevoerd. Hierin zijn de effecten van de nieuwe bebouwing op de bezonning van de bestaande omliggende bebouwing inzichtelijk gemaakt. Voor deze bezonningsstudie wordt uitgegaan van de TNO norm bezonning. Deze normering stelt dat ontvangende partijen tenminste 2 uur zonlicht per etmaal dienen te ontvangen gedurende de periode van 19 februari tot 21 oktober,

datum referentie

15 april 2024 215475_AdB_RAP_0001_v5.0

P 6/59

waarbij de meeting op 19 februari maatgevend is. Hieruit blijkt dat de omliggende gebouwen weinig hinder ervaren van de nieuwe gebouwen. Het is veelal de achterzijde, de zijde van de Antwerpseweg, die bezonning hinder ervaart. Hier zijn geen woningen gelegen waardoor de beoogde ontwikkeling geen belemmering vormt. 2.3 Verkeer en parkeren 2.3.1 Parkeren Toetsingskader Met de inwerkingtreding van de “Reparatiewet BZK” op 29 november 2014 is het verplicht om het parkeren te reguleren middels de bestemmingsregeling. In de bestemmingsregeling kan worden opgenomen dat bij aanvraag om omgevingsvergunning (voor het bouwen en / of afwijken) dient te worden aangetoond dat wordt voldaan aan de van toepassing zijnde parkeernormen. In het kader van ‘een goede ruimtelijke ordening’ dient echter al bij vaststelling van een ruimtelijk plan inzichtelijk te worden gemaakt dat redelijkerwijs in de aldus benodigde parkeerplaatsen feitelijk duurzaam kan worden voorzien (ECLI:NL:RVS:2017:1036, r.o. 5.3). Het aantal benodigde parkeerplaatsen wordt bepaald door het geldende parkeerbeleid. Beoordeling Naar aanleiding van de omgevingsdialoog is een nader verkeerskundig onderzoek uitgevoerd door Aveco de Bondt. Het betreffende onderzoek is als bijlage aan deze toelichting toegevoegd. Voor meer informatie wordt kortheidshalve verwezen naar dit onderzoek.

Hieronder wordt nader ingegaan op het onderwerp parkeren. Voor de beoogde ontwikkeling wordt de parkeerbehoefte berekend op basis van de Nota parkeernormen Beleidsregel gemeente Roosendaal van februari 2022, hierna te noemen “parkeernormenbeleid” en CROW publicatie 381. Voor het te hanteren parkeerkencijfer wordt uitgegaan van een stedelijkheidsgraad van sterk stedelijk (Bron: CBS). In het parkeernormenbeleid wordt aangegeven dat de parkeernormen zijn gebaseerd op de gemiddelde parkeerkencijfers. Voor de functie wonen is een norm opgesteld voor verschillende gebieden en woonvormen. Binnen het parkeernormenbeleid wordt onderscheid gemaakt tussen binnen- en buiten centrumring. Het plangebied ligt buiten de centrumring. De parkeernormen worden weergeven in onderstaande figuur.

datum referentie

15 april 2024 215475_AdB_RAP_0001_v5.0

P 7/59

Figuur 7: Parkeernormen gemeente Roosendaal

Voor het plangebied gelden de parkeernormen ‘buiten centrumring’. Binnen het beoogde planvoornemen worden appartementen gerealiseerd in de vrije sector. Het betreffen koopappartementen waarbij in de berekening is uitgegaan van koopappartementen. De vigerende Nota Parkeernormen van de Gemeente Roosendaal bevat de volgende prijsklassen voor woningen: • Lagere prijsklasse: onder € 185.000,-. • Middenklasse: tussen € 185.000,- en € 275.000,-. • Hoge prijsklasse: boven € 275.000,-. Op grond van deze indeling vallen de appartementen in de hoge prijsklasse waarvoor een parkeernorm van 2.0 per woning geldt. Echter, deze prijzen zijn gebaseerd op de prijzen van 1 maart 2012 zoals vermeld in de Nota Parkeernormen. Door Aveco de Bondt is op 25 januari 2023 een rapport opgesteld ‘Analyse parkeernorm voor nieuwbouw Norbartlaan’ waar hier uitgebreider op in gegaan wordt. Dit rapport is als bijlage bij deze toelichting gevoegd. In dit rapport is onderbouwd dat de op grond van de huidige marktprijzen de beoogde appartementen vallen in de middenklasse. Voor deze klasse geldt een parkeernorm van 1,8 parkeerplaatsen per woning. Met de realisatie van 70 appartementen moeten er op grond van deze norm 126 parkeerplaatsen worden gerealiseerd. Binnen het plangebied worden 131 parkeerplaatsen gerealiseerd, zoals weergeven in figuur 4.

Er kan aan de parkeerbehoefte van de ontwikkeling worden voorzien op eigen terrein. Conclusie Er zijn voldoende parkeerplekken binnen het plangebied.

datum referentie

15 april 2024 215475_AdB_RAP_0001_v5.0

P 8/59

2.3.2 Verkeer Toetsingskader Naar aanleiding van de omgevingsdialoog is een nader verkeerskundig onderzoek uitgevoerd door Aveco de Bondt. Het betreffende onderzoek is als bijlage aan deze toelichting toegevoegd. Voor meer informatie wordt kortheidshalve verwezen naar dit onderzoek. Hieronder wordt nader ingegaan op het onderwerp verkeer na ingebruikname van de appartementen. Bij het bepalen van de verkeersgeneratie die het planvoornemen met zich meebrengt dienen de kengetallen uit de CROW publicatie 381 van het CROW te worden geraadpleegd. De cijfers van het CROW maken onderscheid naar stedelijkheidsgraad. Voor de beoogde ontwikkeling geldt dat gemeente Roosendaal wordt getypeerd als ‘sterk stedelijk’. Binnen de parkeernormen ligt het plangebied buiten de centrumring, wat binnen de gebiedstypen van de CROW overeenkomt met ‘buiten centrumring’. Voor appartementen in de hoge prijsklasse gelden minimale normen (6,4) en maximale normen (7,2) voor het aantal vervoersbewegingen per etmaal. Beoordeling Bij de berekening van de verkeersgeneratie is uitgegaan van het gemiddelde aantal vervoersbewegingen dat voor het beoogde type woningen 6,8 vervoersbewegingen per woning / appartement per etmaal is. Hiermee komt de totale verkeersgeneratie op (70 * 6,8) 476 motorvoertuigbewegingen per etmaal. Via de Norbartlaan bereiken de motorvoertuigen via de Burgerhoutsestraat de Antwerpsestraat.

Deze wegen hebben voldoende capaciteit om het toenemende verkeer te verwerken. Via de Antwerpsestraat kunnen automobilisten de A58 opdraaien. Conclusie Het verkeer levert geen belemmering op voor de beoogde ontwikkeling.

datum referentie

15 april 2024 215475_AdB_RAP_0001_v5.0

P 9/59

3

Beleidskader

3.1 Rijksbeleid 3.1.1 Nationale Omgevingsvisie (NOVI) Toetsingskader Op 11 september 2020 is de Nationale Omgevingsvisie vastgesteld. De Nationale Omgevingsvisie vervangt integraal de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR). Tegelijkertijd met het vervallen van de SVIR vervalt ook het Nationaal Milieubeleidsplan. De Nationale Omgevingsvisie (NOVI) biedt een duurzaam perspectief voor de leefomgeving. Hiermee wordt ingespeeld op de grote uitdagingen in de komende jaren. Allerlei trends en ontwikkelingen hebben invloed op de leefomgeving. Veranderende en groeiende steden, de overgang naar een duurzame en circulaire economie en het aanpassen aan de gevolgen van de klimaatverandering vormen slechts een deel van de opgave. Dit biedt kansen, maar vraagt wel om zorgvuldige keuzes. Want de ruimte, zowel boven-, als ondergronds, is een schaars goed. Het combineren van al die opgaven vraagt een nieuwe manier van werken. Niet van bovenaf opgelegd, maar in goede samenwerking tussen overheden, bedrijven, kennisinstellingen, maatschappelijke organisaties en burgers. De NOVI biedt een kader, geeft richting en maakt keuzes waar dat kan. Tegelijkertijd is er ruimte voor regionaal maatwerk en gebiedsgerichte uitwerking.

Omdat de verantwoordelijkheid voor het omgevingsbeleid voor een groot deel bij provincies, gemeenten en waterschappen ligt, kunnen inhoudelijke keuzes in veel gevallen het beste regionaal worden gemaakt. Aan de hand van een toekomstperspectief op 2050 brengt de NOVI de langetermijnvisie in beeld. Op nationale belangen wil het Rijk sturen en richting geven. Die komen samen in vier prioriteiten: • • • •

Ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie; Duurzaam economisch groeipotentieel; Sterke en gezonde steden en regio's; Toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied.

Beoordeling De schaal van de NOVI heeft betrekking op heel Nederland en doet geen uitspraken die vertaald kunnen worden naar bouwplannen binnen bestaand stedelijk gebied. Conclusie De NOVI heeft geen doorwerking naar dit plan . 3.1.2 Ladder duurzame verstedelijking Toetsingskader Op 1 oktober 2012 is art. 3.1.6, lid 2 toegevoegd aan het Besluit ruimtelijke ordening (Bro); dit artikel bevat de ‘ladder voor duurzame verstedelijking’. Met de toevoeging van dit artikel in het Bro is beoogd vanuit een oogpunt van ruimtelijke ordening ongewenste leegstand te vermijden en zorgvuldig ruimtegebruik te stimuleren (ECLI:NL:RVS:2017:353, r.o. 18.5). Op 1 juli 2017 is een wijziging van art. 3.1.6, lid 2 Bro in werking getreden. Het Bro regelt thans dat ‘de verantwoording van een juridisch verbindend ruimtelijk besluit van een decentrale overheid dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, een beschrijving dient te bevatten van de behoefte aan die ontwikkeling. Tevens is geregeld dat indien het ruimtelijk besluit die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, de verantwoording een motivering dient te bevatten waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien’. De definiëring van enkele van de in het artikel genoemde begrippen in art.

1.1.1 Bro laat onverlet dat de ‘ladder voor duurzame verstedelijking’ als een ‘open norm’ is te kwalificeren. Dit houdt in dat de norm inhoudelijk open is en onder verschillende omstandigheden

datum referentie

15 april 2024 215475_AdB_RAP_0001_v5.0

P 10/59

nader ingevuld moet worden. Sinds de inwerkingtreding van het artikel heeft de Afdeling bestuursrechtspraak Raad van State (ABRvS) in haar jurisprudentie de norm veelvuldig ingevuld en daardoor verder begrensd. Op 28 juni 2017 heeft de ABRvS een zogenoemde ‘overzichtsuitspraak’ gedaan (ECLI:NL:RVS:2017:1724, r.o. 2 t/m 12.8), waarin de dan geldende en op basis van de voornoemde wijziging te behouden jurisprudentielijnen nader uiteen worden gezet. Op basis van deze jurisprudentielijnen kan de ‘ladder voor duurzame verstedelijking’ concreet worden toegepast. Beoordeling Toepassing van de ‘ladder voor duurzame verstedelijking’ houdt een antwoord op de volgende rechtsvragen in. Indien een rechtsvraag positief kan worden beantwoord, dient de ‘ladder’ verder te worden doorlopen. Indien een rechtsvraag negatief wordt beantwoord, dan is de ‘ladder’ niet (verder) van toepassing dan wel kan niet aan de ‘ladder voor duurzame verstedelijking’ worden voldaan. a. b. c. d. e.

Voorziet het onderhavige besluit in een stedelijke ontwikkeling? Voorziet het onderhavige besluit in een nieuwe stedelijke ontwikkeling? Is er sprake van een behoefte aan de voorziene ontwikkeling? Is de voorziene ontwikkeling gelegen buiten bestaand stedelijk gebied? Is het mogelijk om de voorziene ontwikkeling binnen bestaand stedelijk gebied te realiseren?

Voorziet het onderhavige besluit in stedelijke ontwikkeling? Uit de ‘overzichtsuitspraak’ van de ABRvS blijkt dat wanneer een ruimtelijk besluit voorziet in méér dan 11 woningen die gelet op hun onderlinge afstand als één woningbouwlocatie zijn aan te merken, deze ontwikkeling in beginsel als een stedelijke ontwikkeling dient te worden aangemerkt. Ten aanzien van andere vormen van gebruik van gronden dan ten behoeve van het wonen geldt dat indien het ruimtelijk besluit voorziet in een terrein met een ruimtebeslag van meer dan 500 m² of in een gebouw met een bruto-vloeroppervlakte groter dan 500 m², deze ontwikkeling in beginsel als een stedelijke ontwikkeling dient te worden aangemerkt. De beoogde ontwikkeling voorziet ter plaatse van het plangebied in de realisatie van 70 appartementen binnen 2 appartementengebouwen. Het plan voorziet in een toename van meer dan 11 woningen. Derhalve is deze ontwikkeling als ‘stedelijke ontwikkeling’ te classificeren. De ‘ladder voor duurzame verstedelijking’ moet verder worden doorlopen.

Voorziet het onderhavige besluit in een nieuwe stedelijke ontwikkeling? Uit de ‘overzichtsuitspraak’ van de ABRvS blijkt dat van een ‘nieuwe’ stedelijke ontwikkeling’ kan worden gesproken als uit een onderling samenhangende beoordeling van het ruimtelijke besluit, in vergelijking met het voorgaande planologische regime, blijkt dat sprake is van een functiewijziging en dat sprake is van een groter planologisch beslag op de ruimte. Het plangebied kent thans een maatschappelijke bestemming. Met onderhavig bestemmingsplan wordt de realisatie van 70 appartementen en een parkeerkelder mogelijk gemaakt door de maatschappelijke bestemming te veranderen naar een woonbestemming. Gelet hierop is sprake van een functiewijziging voor meer dan 11 woningen . De ‘ladder voor duurzame verstedelijking’ moet verder worden doorlopen. Is er sprake van een behoefte aan de voorziene ontwikkeling? Uit de ‘overzichtsuitspraak’ van de ABRvS blijkt dat, indien sprake is van een ‘nieuwe stedelijke ontwikkeling’, de behoefte aan de nieuwe stedelijke ontwikkeling in het ruimtelijk besluit dient te worden beschreven. Het kan hierbij zowel gaan om een kwantitatieve behoefte als een kwalitatieve behoefte. De beschrijving van de behoefte dient te worden gebaseerd op voldoende actuele, concrete en zo mogelijk cijfermatige gegevens. Het is niet in

datum referentie

15 april 2024 215475_AdB_RAP_0001_v5.0

P 11/59

strijd met art. 3.1.6, lid 2 Bro als voor de onderbouwing van de behoefte in het ruimtelijk besluit wordt verwezen naar een of meer onderzoeksrapporten of beleidsdocumenten. Binnen de Structuurvisie Roosendaal 2025 wordt op het gebied van ‘wonen’ aangegeven dat er gebouwd dient te worden binnen de stedelijke contouren van de stad om zo bestaande infrastructuren te benutten. Ook wordt gerefereerd aan de provinciale prognoses waaruit blijkt dat Roosendaal tot 2025 nog ruimte heeft om extra woningen te realiseren. Dit blijkt ook uit het Woningbehoefteonderzoek West-Brabant dat is uitgevoerd in 2019. Ook al zal op den duur de huishoudensgroei stabiliseren de komende jaren verwacht de gemeente Roosendaal een groei in het aantal huishoudens. Tussen 2020 en 2030 wordt er een huishoudensgroei van 1.260 huishoudens verwacht (lage situatie). Daar komt bij dat er vergrijzing optreedt in de gemeente. Ouderen hebben andere woonbehoeftes. De behoefte aan koop- en huurappartementen neemt toe, vooral onder ouderen. Uit het bevolkingsonderzoek, de woonvisie en de structuurvisie blijkt dat vraag naar woningen blijft groeien de komende jaren. Hiermee is de kwantitatieve behoefte voor nieuwe woningen aangetoond. De gemeente Roosendaal gaat voor doorstromen, differentiatie en duurzaamheid in haar Woonagenda Roosendaal 2021-2025 (zie ook paragaraaf 3.3.2).

In de komende jaren wordt een significatie huishoudensverdunning verwacht als gevolg van individualisering en dubbele vergrijzing waardoor er een toename aan 1 en 2 persoonshuishoudens zal zijn. Het realiseren van middeldure koop appartementen zoals in onderhavig plan ondersteunt het beleid waardoor het bouwplan ook voorziet in de kwalitatieve behoefte. Is de voorziene ontwikkeling gelegen buiten bestaand stedelijk gebied? Uit de wetstekst en de ‘overzichtsuitspraak’ van de ABRvS blijkt dat indien de ‘nieuwe stedelijke ontwikkeling’ buiten ‘bestaand stedelijk gebied’ is gelegen, de verantwoording in het ruimtelijke besluit een motivering dient te bevatten waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien. Ex artikel 1.1.1 van het Bro wordt onder 'bestaand stedelijk gebied' verstaan: bestaand stedenbouwkundig samenstel van bebouwing ten behoeve van wonen, dienstverlening, bedrijvigheid, detailhandel of horeca, alsmede de daarbij behorende openbare of sociaal culturele voorzieningen, stedelijk groen en infrastructuur. Bij de beantwoording van de vraag of een plangebied als een bestaand stedelijk gebied in de zien van art.

1.1.1 Bro kan worden aangemerkt dient te worden beoordeeld of het voorgaande bestemmingsplan binnen het gebied reeds een stedenbouwkundig samenstel van bebouwing ten behoeve van wonen, dienstverlening, bedrijvigheid, detailhandel of horeca mogelijk maakt, of het gebied op grond van het voorgaande plan kan worden beschouwd als bij een bestaand stedenbouwkundig samenstel van bebouwing behorende openbare of sociaal culturele voorzieningen, stedelijk groen en infrastructuur. Op dit moment kent het plangebied een maatschappelijke bestemming gelegen vlak buiten het centrum van Roosendaal. Het plangebied wordt omringd door voornamelijk woningen en daarnaast enkele maatschappelijkeen gemengde bestemmingen. De omgeving kan getypeerd worden als ‘bestaand stedelijk gebied’. Hiermee is de ladder duurzame verstedelijking succesvol gelopen. Conclusie Geconcludeerd kan worden dat de onderhavige ruimtelijke ontwikkeling is aan te merken als een ‘nieuwe stedelijke ontwikkeling’. De ‘nieuwe stedelijke ontwikkeling’ voorziet in een behoefte en er is aangetoond dat het plangebied is gelegen in bestaand stedelijk gebied.

datum referentie

15 april 2024 215475_AdB_RAP_0001_v5.0

P 12/59

3.2

Provinciaal beleid

3.2.1 Omgevingsvisie ‘De kwaliteit van Brabant, Visie op de leefomgeving’, 2018 Toetsingskader De Omgevingsvisie Noord-Brabant 'De Kwaliteit van Brabant, Visie op de Brabantse leefomgeving', is vastgesteld door Provinciale Staten op 14 december 2018. Aan de hand van de Omgevingsvisie geven Provinciale Staten aan wat de belangrijkste ambities voor de fysieke leefomgeving voor de komende jaren zijn. De Omgevingsvisie geldt als opvolger van de strategische elementen van eerdere provinciale plannen, zoals de structuurvisie, het verkeersen vervoersplan, het milieu-en waterplan en de natuurvisie. Voor wat betreft sectorale beleidsdoelen blijven de huidige plannen, waaronder de SVRO, vooralsnog gelden. In de aankomende Omgevingswet staan de waarden veiligheid, gezondheid en duurzame omgevingskwaliteit centraal. De Brabantse Omgevingsvisie voegt daar ambities aan toe voor vier hoofdopgaven: de energietransitie, een klimaatproof Brabant, Brabant als slimme netwerkstad en een concurrerende, duurzame economie. Voor elk van deze opgaven geeft de Omgevingsvisie aan wat de ambities op lange termijn zijn, te weten wat is er nodig om Brabant in 2050 een gezonde, veilige en prettige leefomgeving te laten zijn. Ook is een concreet tussendoel geformuleerd voor het jaar 2030, om zo te kijken wat in dat jaar minimaal bereikt moet zijn om het lange termijndoel te kunnen halen.

De Omgevingsvisie geeft ook aan op welke nieuwe manieren de provincie met betrokkenen wil samenwerken aan omgevingsvraagstukken en welke waarden daarbij centraal staan. Het bereiken van een gezonde leefomgeving is essentieel. Om die doelstelling kracht bij te zetten wordt de Brabantse Omgevingsscan vanaf de vaststelling van de Omgevingsvisie geïmplementeerd in de nieuwe werkwijze onder de Omgevingswet. Deze omgevingsscan is een instrument om invulling te geven aan de positie van gezondheid in de nieuwe bestuurspraktijk onder de Omgevingswet. Beoordeling Met de omgevingsvisie kiest de provincie er voor om haar rol te veranderen. Waar zij eerst concreet richting en sturing gaf aan de hand van min of meer concrete regels en uitgangspunten, gaat het nu meer om het beoordelen van initiatieven in ruimer verband en gericht op het behalen van doelen voor de leefomgeving waarbij een belangrijke rol voor de gemeente is weggelegd. Het voorliggend initiatief betreft de realisatie van 70 appartementen, waardoor ingespeeld wordt op de regionale en lokale kwalitatieve behoefte. Het planvoornemen past daarmee binnen de omgevingsvisie.

Conclusie De beoogde ontwikkeling past binnen de Omgevingsvisie van de provincie Noord-Brabant 3.2.2 Interim omgevingsverordening Noord-Brabant Toetsingskader In de Omgevingsvisie zijn de strategische doelen van het provinciale beleid voor de langere termijn aangegeven. Het beleid en de daartoe te treffen maatregelen zijn uitgewerkt in programma’s en waarden worden beschermd via de omgevingsverordening. Per 25 oktober 2019 is de nieuwe Interim omgevingsverordening Noord-Brabant (Iov) vastgesteld. Provincies zijn verplicht om een omgevingsverordening te hebben voordat de Omgevingswet ingaat. Met een Interim omgevingsverordening zet de provincie Noord-Brabant een eerste stap op weg naar de definitieve omgevingsverordening. De Interim omgevingsverordening bevat geen nieuwe regels, maar voegt bestaande regels uit zes bestaande verordeningen samen, waaronder de Verordening Noord-Brabant. Met de Interim omgevingsverordening zet de provincie een eerste stap om de regels beter te laten aansluiten bij de werkwijze van de Brabantse Omgevingsvisie en de Omgevingswet. De Interim omgevingsverordening zorgt ervoor dat de provincie en partijen waar ze mee

datum referentie

15 april 2024 215475_AdB_RAP_0001_v5.0

P 13/59

samenwerkt ervaring kunnen opdoen met die nieuwe werkwijze, waarbij er meer ruimte is om goede initiatieven van inwoners, ondernemers en andere overheden te ondersteunen en maatwerk toe te passen. Beoordeling Voorliggend besluitgebied is op de integrale plankaart van de Verordening ruimte Noord-Brabant gelegen binnen 'Stedelijk gebied'. Ten aanzien van onderhavig initiatief zijn er meerdere sporen die gevolgd moeten worden in het kader van toetsing aan de verordening. Er moet ten eerste getoetst worden aan de geldende regels voor de opgenomen structuren en aanduidingen. Voor het overige moet getoetst worden aan de algemene regels voor de bevordering van de zorgplicht voor een goede omgevingskwaliteit uit artikel 3.5 Interim omgevingsverordening Noord-Brabant. Navolgend wordt deze toetsing uitgevoerd.

Figuur 8: Uitsnede kaart instructieregels voor gemeenten: basiskaart. Planlocatie aangegeven met rode aanwijzer. Bron: www.ruimtelijkeplannen.nl

Artikel 3.42: Duurzame stedelijke ontwikkeling Toetsingskader Een bestemmingsplan (waaronder mede begrepen ruimtelijke onderbouwingen) dat voorziet in de ontwikkeling van een locatie voor wonen, werken of voorzieningen ligt binnen 'Stedelijk gebied' en bevat een onderbouwing dat: a. de ontwikkeling past binnen de regionale afspraken, bedoeld in afdeling 5.4 Regionaal samenwerken; b. het een duurzame stedelijke ontwikkeling is.

datum referentie

15 april 2024 215475_AdB_RAP_0001_v5.0

P 14/59

Een duurzame stedelijke ontwikkeling voor wonen, werken of voorzieningen: a. bevordert een goede omgevingskwaliteit met een veilige en gezonde leefomgeving; b. bevordert zorgvuldig ruimtegebruik, waaronder de transformatie van verouderde stedelijke gebieden; c. geeft optimaal invulling aan de mogelijkheden voor productie en gebruik van duurzame energie; d. houdt rekening met klimaatverandering, waaronder het tegengaan van hittestress en voldoende ruimte voor de opvang van water; e. geeft optimaal invulling aan de mogelijkheden voor duurzame mobiliteit; f. draagt bij aan een duurzame, concurrerende economie. Beoordeling Onderhavig plangebied is gelegen in bestaand stedelijk gebied en voorziet in realisatie van 70 nieuwe appartementen. In regionaal verband zijn afspraken gemaakt over wonen. Het ‘Perspectief op wonen en woningbouw WestBrabant west 2021’ is het kader waaraan getoetst moet worden. In het kader van een duurzaam verstedelijkingsbeleid legt de regio prioriteit bij zorgvuldig en zuinig ruimtegebruik. Daarbij is het van belang om de gemeentelijke woningbouwprogramma’s in te zetten op binnenstedelijke (transformatie)locaties. Het onderhavige plangebied is te typeren als een binnenstedelijke transformatie van een maatschappelijke bestemming naar een woonbestemming binnen bestaand stedelijk gebied.

Verder stelt het kader dat op grond van de verwachte huishoudensontwikkeling een steeds groter deel van het woningbouwprogramma in passende woningen voor senioren/ouderen en kwetsbare doelgroepen zal moeten voorzien. Beoogde ontwikkeling kan interessant zijn voor ouderen waardoor de gewenste doorstroming op gang kan worden gebracht. Roosendaal heeft ook een eigen woonvisie waarbij de focus ligt op een toekomstbestendige woningmarkt. Het aantal kleine een- en tweepersoonshuishoudens groeit vanwege de vergrijzing en verdunning. Als gevolg van de vergrijzing ontstaat er meer behoefte aan nultreden-woningen. Voorgenomen ontwikkeling voorziet in de realisatie van 70 appartementen in twee woonappartementen. De ontwikkeling kan zorgen voor doorstroming op de woningmarkt, waardoor er meer beschikbare woningen beschikbaar zijn voor huishoudens. Regio WestBrabant heeft een woningbehoefteonderzoek gedaan waaruit blijkt dat de beoogde ontwikkeling voorziet in de kwalitatieve en kwantitatieve behoefte vanuit de samenleving. Conclusie Onderhavig initiatief voldoet aan de voorwaarden van artikel 3. 42 en is dus in zoverre in lijn met de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant.

Artikel 3.5, 3.6, 3.7 en 3.8: Basisprincipes voor een evenwichtige toedeling van functies Toetsingskader In de basisprincipes voor een evenwichtige toedeling van functies (Paragraaf 3.1.2) is in artikel 3.5 opgenomen dat een bestemmingsplan bij de evenwichtige toedeling van functies invulling geeft aan een goede omgevingskwaliteit met een veilige, gezonde leefomgeving. Voor een goede omgevingskwaliteit en een veilige, gezonde leefomgeving wordt rekening gehouden met: 1. zorgvuldig ruimtegebruik; 2. de waarden in een gebied door toepassing van de lagenbenadering; 3. meerwaardecreatie.

datum referentie

15 april 2024 215475_AdB_RAP_0001_v5.0

P 15/59

Ad a) - Zorgvuldig ruimtegebruik: 1. Zorgvuldig ruimtegebruik houdt in dat: a. de toedeling van functies in beginsel plaatsvindt binnen bestaand ruimtebeslag voor bebouwing, behalve in de gevallen dat: i. nieuwvestiging mogelijk is op grond van de bepalingen in dit hoofdstuk; ii. er feitelijk of vanuit kwalitatieve overwegingen onvoldoende ruimte is en uitbreiding, al dan niet gelijktijdig met de vestiging van een functie, op grond van de bepalingen in dit hoofdstuk is toegestaan; b. bij stedelijke ontwikkeling toepassing is gegeven aan artikel 3.1.6, tweede lid, van het Besluit ruimtelijke ordening (ladder voor duurzame verstedelijking); c. gebouwen, bijbehorende bouwwerken en andere permanente voorzieningen worden geconcentreerd binnen een bouwperceel. 2. Onder bestaand ruimtebeslag voor bebouwing wordt verstaan bestaand stedelijk gebied of een bestaand bouwperceel. Ad b) - Toepassing van de lagenbenadering 1. De toepassing van de lagenbenadering omvat het effect van de ontwikkeling op de lagen in onderlinge wisselwerking met elkaar en het actief benutten van de factor tijd. 2. De lagenbenadering omvat de effecten op: a. de ondergrond, zoals de bodem, het grondwater en archeologische waarden; b. de netwerklaag, zoals infrastructuur, natuurnetwerk, energienetwerk, waterwegen waaronder een goede, multimodale afwikkeling van het personen- en goederenvervoer. c.

de bovenste laag zoals cultuurhistorische en landschappelijke waarden, de omvang van de functie en de bebouwing, de effecten op bestaande en toekomstige functies, de effecten op volksgezondheid, veiligheid en milieu. 3. Door de factor tijd actief te benutten wordt rekening gehouden met de herkomstwaarde, vanuit het verleden, de (on)omkeerbaarheid van optredende effecten en de toekomstwaarde gelet op duurzaamheid en toekomstbestendigheid. Ad c) - meerwaarderecreatie 1. Meerwaardecreatie omvat een evenwichtige benadering van de economische, ecologische en sociale aspecten die in een gebied en bij een ontwikkeling zijn betrokken, waaronder: a. de mogelijkheid om opgaven en ontwikkelingen te combineren waardoor er meerwaarde ontstaat; b. de bijdrage van een ontwikkeling aan andere opgaven en belangen dan die rechtstreeks met de ontwikkeling gemoeid zijn. 2. De fysieke verbetering van de landschappelijke kwaliteit, bedoeld in artikel 3.9 Kwaliteitsverbetering landschap kan deel uitmaken van de meerwaardecreatie. Beoordeling Voorwaarden ad a: a. De toedeling van functies dient in beginsel plaats te vinden binnen bestaand ruimtebeslag voor bebouwing. Het onderhavig initiatief vindt plaats binnen bestaand stedelijk gebied waar reeds bebouwing is toegestaan. Er is dus sprake van zorgvuldig ruimtebeslag.

datum referentie

15 april 2024 215475_AdB_RAP_0001_v5.0

P 16/59

b. c.

Bij een stedelijke ontwikkeling dient toepassing te worden gegeven aan de ladder voor duurzame verstedelijking. De laddertoets is uitgevoerd in paragraaf 3.1.2. De ontwikkeling maakt gebruik van een bestaand bouwperceel in het stedelijk gebied.

Voorwaarden ad b: a. Toepassing van de lagenbenadering omvat de effecten op de ondergrond. In hoofdstuk 4 van onderhavige toelichting wordt ingegaan op deze effecten. b. Toepassing van de lagenbenadering omvat de effecten op de netwerklaag. De beoogde ontwikkeling heeft geen effecten op de netwerklaag. De nieuwe woningen worden ontsloten via bestaande infrastructuur. Verder wordt het pand gasloos uitgevoerd. De afwikkeling van verkeer is toegelicht in paragraaf 2.3. c. Toepassing van de lagenbenadering omvat de effecten op de bovenste laag. De effecten op het milieu zijn beschreven in hoofdstuk 4. Er wordt geen effect verwacht op de bovenste laag. Voorwaarden ad c: De mogelijkheden voor meerwaarde creatie is in voor de onderhavige ontwikkeling beperkt daar het slechts één locatie betreft. Het betreft een ontwikkeling van 70 appartementen in bestaand stedelijk gebied. Er zijn verder geen ontwikkelingen in de directe omgeving die gecombineerd kunnen worden met deze ontwikkeling. Conclusie Het onderhavige planvoornemen voldoet aan de basisprincipes voor een evenwichtige toedeling van functies. Hiermee voldoet het plan aan de eisen gesteld voor ‘Stedelijke ontwikkeling’ binnen de interim Omgevingsverordening 3.2.3 Omgevingsverordening Noord-Brabant Toetsingskader Op 11 maart 2022 is de Omgevingsverordening Noord-Brabant vastgesteld.

De Omgevingsverordening treedt op 1 januari 2024, gelijk met de Omgevingswet, in werking. De wijzigingen ten opzichte van de huidige Interim omgevingsverordening Noord-Brabant worden hoofdzakelijk veroorzaakt door de eisen die de aankomende Omgevingswet stelt aan de Omgevingsverordening. Verder zijn er een aantal andere inzichten verwerkt. Dit betreft de volgende onderwerpen: • • • •

• •

Er zijn regels opgenomen voor een maximale boordiepte voor bodemenergiesystemen. Er zijn regels opgenomen voor grondverzet in grondwaterbeschermingszones, inclusief de toepassing voor PFAS-houdende grond. De regels voor het kappen van houtopstanden zijn aangepast aan de Brabantse Bossenstrategie. Omgevingskwaliteit heeft een centrale plek gekregen bij de instructieregels voor het omgevingsplan aan gemeenten. Hierbij is een bouw-sloop regeling vormgegeven en is een ruime maatwerkregeling opgenomen ter versterking van omgevingskwaliteit. De mogelijkheden voor collectieve woonvormen in het buitengebied zijn verruimd. Er zijn wijzigingen doorgevoerd in de gebieden op de kaart die aangeven waar welke regels gelden. Naast actualisaties zijn er ook gebieden vervallen of samengevoegd.

Beoordeling De Omgevingsverordening heeft geen grote veranderingen ten opzichte van de interim Omgevingsverordening Noord-Brabant. Ook onder de Omgevingsverordening Noord-Brabant is de beoogde ontwikkeling in overeenstemming met het provinciale beleid.

datum referentie

15 april 2024 215475_AdB_RAP_0001_v5.0

P 17/59

Conclusie Het planvoornemen voldoet aan de omgevingsverordening. 3.3

Gemeentelijk beleid

3.3.1 Structuurvisie Roosendaal 2025 Toetsingskader In de Structuurvisie Roosendaal 2025 wordt aangegeven dat Roosendaal in 2025 een stad van mensen, van wonen en van (net)werken zal zijn. Om dit te bereiken, zal Roosendaal de komende jaren moeten inspelen op trends als ontgroening, vergrijzing, globalisering, individualisering, informatisering, veranderingen in mobiliteit en bereikbaarheid en decentralisatie van overheidstaken én hier duurzame antwoorden op moeten dichten. Op al deze ontwikkelingen zijn geformuleerd binnen twee beleidsuitgangspunten: • Een duurzame ontwikkeling van een compact, compleet en verbonden Roosendaal • Een haalbare en betaalbare lokale ruimtelijke ontwikkeling. Voor het aspect ‘wonen’ wordt daarnaast aangegeven dat er gebouwd dient te worden binnen de stedelijke contouren van de stad om zo bestaande infrastructuren te benutten. Ook wordt gerefereerd aan de provinciale prognoses waaruit blijkt dat Roosendaal tot 2025 nog ruimte heeft om extra woningen te realiseren. Daarbij wordt opgemerkt dat toevoegingen aan de voorraad strategisch van aard moeten zijn en noodzakelijke veranderingen in de voorraad niet in de weg mogen staan. In de bestaande voorraad dient een speciale focus te liggen op het aanpassen van de bestaande woningvoorraad op de toekomstige woningbehoefte. Het grootste deel daarvan is particulier woningbezit.

Ook dienen bestaande wijken en dorpen een gevarieerd woningaanbod en gevarieerde woonmilieus te bieden. Verder staan toevoegingen aan de woningvoorraad in het teken van de versterking van de bestaande woningvoorraad en sluiten ze aan bij de wijkperspectieven. Beoordeling De beoogde ontwikkeling voorziet in de realisatie van 70 appartementen. De appartementen worden gebouwd binnen ‘bestaand stedelijk gebied’ door een maatschappelijke bestemming te veranderen in een woonbestemming. Hierdoor is er sprake van duurzaam ruimtegebruik. Met de realisatie van de appartementen wordt voorzien in de kwalitatieve vraag naar gelijkvloerse en betaalbare woningen en wordt er ingespeeld op de toekomstige woningbehoefte waarbij rekening wordt gehouden met ontgroening en vergrijzing. Met de toevoeging van appartementen in het midden en hoge segment zorgt de ontwikkeling voor een gevarieerder woningaanbod in de wijk. Waardoor een versterking van de woningvoorraad plaatsvindt die aansluit bij de wijkperspectieven. Conclusie De ontwikkeling past binnen de uitgangspunten van de structuurvisie Roosendaal. 3.3.2

Woonagenda Roosendaal 2021-2025

Toetsingskader In de Woonagenda 2021-2025 wordt de ingezette koers vanuit de woonagenda 2015 voortgezet. Tegelijkertijd is duidelijk dat de gemeente door de huidige trends en ontwikkelingen op de woningmarkt, voor andere opgaven staat. In 2015 was het door de economische recessie een uitdaging om de woningbouw weer op gang te brengen en waren de doelstellingen in de woonagenda vooral daarop gericht. Sinds 2015 zijn er in Roosendaal ruim 1200 woningen opgeleverd in de vorm van diverse projecten van hoge kwalitatieve waarde. Stedelijke transformatie staat hoog in het vaandel. Er staan ook de komende jaren diverse (grote) projecten op stapel. Anno nu heeft de woningmarkt te maken met nieuwe, belangrijke opgaven. Deze ontwikkelingen zijn niet echt “Roosendaals” maar vragen wel om een lokale oplossing, vaak in nauwe samenwerking met betrokken partners.

datum referentie

15 april 2024 215475_AdB_RAP_0001_v5.0

P 18/59

Volgens de provinciale prognoses is er in Noord-Brabant tot 2050 een enorme groei van het aantal één- en tweepersoonshuishoudens te verwachten. De groei van kleine huishoudens is het gevolg van het toenemend aantal oudere alleenstaanden en de individualisering van de samenleving. Tegelijkertijd moet geconstateerd worden dat het voor starters lastig is om hun intrede te doen op de woningmarkt. Het gemeentelijk beleid is erop gericht Roosendaalse inwoners in elke levensfase de mogelijkheid te geven, te kunnen verhuizen naar een type woning, passend bij hun woonwens en bestedingsmogelijkheden. De gemeente kan hier samen met andere partijen een bijdrage aan leveren, door goed te overwegen welke nieuwbouwplannen welke verhuisbewegingen op gang brengen en dus vraag en aanbod uiteindelijk beter op elkaar aan te laten sluiten. Geconstateerd moet worden dat de leefbaarheid van enkele wijken en buurten op dit moment onder druk staat en dat er een forse duurzaamheidsopgave ligt. Zoals in de vorige woonagenda is aangegeven gaat het om een continu proces van verbetering van het woon- en leefklimaat en zijn concrete resultaten hiervan afhankelijk van een brede integrale aanpak. Beoordeling De beoogde ontwikkeling voorziet in de realisatie van 70 appartementen. De appartementen worden gebouwd binnen ‘bestaand stedelijk gebied’, waar braakliggend gebied wordt omgevormd tot woningbouw locatie.

Hiermee wordt ingespeeld op de behoefte naar woningen en wordt tevens een versterking aan het lokale woon- en leefklimaat gegeven. Met deze appartementen worden er geschikte woningen gecreëerd voor senioren en middeninkomens en wordt doorstroming op de woningmarkt op gang gebracht. Conclusie Het planvoornemen voldoet aan de uitgangspunten van de woonagenda 2021-2025. 3.3.3 Welstandsnota Toetsingskader De gemeente Roosendaal heeft sinds 2004 een welstandsnota zoals aangegeven in de Woningwet. Deze nota is in 2008 geactualiseerd. Met de herziening van 2013 wil de gemeente het welstandsbeleid wederom actualiseren en versoepelen. Uitgangspunt van de nota is kort en krachtig beleid. Volgens de wet moet een bouwplan voldoen aan redelijke eisen van welstand, tenzij de gemeente van oordeel is dat in afwijking hiervan de vergunning toch moet worden verleend. Deze redelijke eisen van welstand betreffen het bouwwerk op zichzelf en in zijn omgeving. De welstandsnota bevat meerdere beoordelingskaders om een bouwplan te toetsen. Het bouwplan wordt getoetst door de welstandscommissie. De welstandscriteria die zijn opgenomen in nota bestaan uit; algemeen, aanvullend beleid grote projecten en excessen. Algemeen is bijvoorbeeld het beoordelen van de relatie tussen bouwwerk en omgeving. Voor grote projecten kunnen er specifieke welstandscriteria worden opgesteld.

Van een exces is sprake als een bouwwerk sterk afwijkt en afbreuk doet aan de omgeving.

datum referentie

15 april 2024 215475_AdB_RAP_0001_v5.0

P 19/59

Figuur 9: Kaart behorende bij de welstandsnota

Beoordeling Voor objecten en gebieden zijn er welstandscriteria opgesteld. Het plangebied ligt in een gebied dat in de welstandsnota is aangewezen als ‘gewoon’. Het wordt getypeerd als gewoon omdat het aan de rand van woongebieden langs enkele hoofdwegen ligt. In de gebieden met de aanwijzing soepel geldt dat er ruimte wordt geboden voor vernieuwing en experimenten. De lichte toetsing beperkt zich tot de voorgevels, bouwmassa en architectonische uitwerking inclusief materialen en kleur. Conclusie De uitgangspunten van de welstandsnota worden getoetst als onderdeel van de omgevingsvergunningsprocedure voor het bouwen.

datum referentie

15 april 2024 215475_AdB_RAP_0001_v5.0

P 20/59

4

Planologische relevante milieuaspecten

4.1 Inleiding Volgens artikel 3.2 van de Algemene wet bestuursrecht dient een bestuursorgaan bij de voorbereiding van een besluit, zoals het verlenen van een omgevingsvergunning, de nodige kennis te vergaren omtrent de relevante feiten en de af te wegen belangen. In artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening is bepaald dat de uitkomsten van dit onderzoek worden neergelegd in een toelichting bij dit besluit. Ten behoeve van onderhavig project heeft onderzoek plaatsgevonden naar een aantal planologische- en milieuaspecten. Hieronder wordt verslag gedaan van de uitkomsten van het gepleegde onderzoek. Hieronder wordt verslag gedaan van de uitkomsten van het gepleegde onderzoek. De onderzoeksrapporten zijn als bijlagen gevoegd bij deze ruimtelijke onderbouwing. Hierin worden de volgende aspecten behandeld: bodem, waterhuishouding, Archeologie en cultuurhistorie, ecologie, akoestiek, bedrijven en milieuzonering, externe veiligheid, kabels en leidingen, luchtkwaliteit, milieueffectrapportage en vormvrije m.e.r.-beoordeling. Als gevolg van de aanpassingen aan het ontwerp zijn een aantal onderzoeken aangepast. Het betreft dan het stikstof onderzoek (paragraaf 4.5.1), akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai (paragraaf 4.6) en het akoestisch onderzoek industrielawaai (paragraaf 4.7).

Deze onderzoeken dienen aangepast te worden als gevolg van de verschuiving van de bouwvlakken en het volledig op maaiveld parkeren. Als gevolg hiervan veranderen de berekeningen die onderdeel van deze onderzoeken uitmaken. De aanpassingen in het bouwplan hebben verder geen gevolgen voor de uitkomsten van de overige onderzoeken. 4.2 Bodem Toetsingskader Op grond van het Bro dient in verband met de uitvoerbaarheid van een plan rekening te worden gehouden met de bodemgesteldheid in het plangebied. Bij functiewijzigingen dient te worden bekeken of de bodemkwaliteit voldoende is voor de beoogde functie en moet worden vastgesteld of er sprake is van een saneringsnoodzaak. In de Wet bodembescherming is bepaald dat indien de desbetreffende bodemkwaliteit niet voldoet aan de norm voor de beoogde functie, de grond zodanig dient te worden gesaneerd dat zij kan worden gebruikt door de desbetreffende functie (functiegericht saneren). Voor een nieuw geval van bodemverontreiniging geldt, in tegenstelling tot oude gevallen (voor 1987), dat niet functiegericht maar in beginsel volledig moet worden gesaneerd. Nieuwe bestemmingen dienen bij voorkeur te worden gerealiseerd op bodem die geschikt is voor het beoogde gebruik. Onderzocht moet worden of de bodem verontreinigd is en wat voor gevolgen een eventuele bodemverontreiniging heeft voor de uitvoerbaarheid van het plan.

Een nieuwe bestemming mag pas worden opgenomen als is aangetoond dat de bodem geschikt (of geschikt te maken) is voor de nieuwe of aangepaste bestemming. Dit kan worden aangetoond met een actueel bodemonderzoek. De geschiktheid is ook voldoende aangetoond als uit het vooronderzoek op basisniveau conform NEN 5725 blijkt dat de bodem niet verdacht is op bodemverontreinigingen er geen risico’s voor het toekomstige gebruik te verwachten zijn. Wanneer (een deel van) de bodem in het plangebied verontreinigd is, moet worden aangetoond dat het bestemmingsplan, rekening houdend met de kosten van sanering, financieel uitvoerbaar is. Indien er sprake is van bouwactiviteiten, is ook in het kader van de omgevingsvergunning mogelijk ook een actueel onderzoek naar de kwaliteit van de bodem nodig. Hiernaast geldt dat de gemeente bevoegd gezag is in het kader van het Besluit bodemkwaliteit. In het Besluit bodemkwaliteit wordt hergebruik van licht verontreinigde grond mogelijk gemaakt.

datum referentie

15 april 2024 215475_AdB_RAP_0001_v5.0

P 21/59

Beoordeling Voor de realisatie van onderhavig planvoornemen is door Milon op 24 januari 2022 een verkennend bodem- en asbestonderzoek uitgevoerd ter plaatse van het plangebied. Het onderzoeksrapport is opgenomen in de bijlage. Hieruit zijn de volgende resultaten naar voren gekomen •

•

•

een dikte van circa 0,3 meter. De boven- en ondergrond bestaat overwegend uit zwak siltig, matig fijn zand met plaatselijk zwak humeuze bijmengingen. Zintuiglijk is sporadisch een bijmenging met baksteenresten aangetroffen welke zijn beoordeeld als niet verdacht op het voorkomen van asbestverontreiniging. Voor het overige zijn geen bodemvreemde bijmengingen waargenomen of waarnemingen gedaan die kunnen duiden op een bodemverontreiniging. In de bovengrond zijn plaatselijk lood en PCB in een gehalte boven de achtergrondwaarde aangetoond. In de ondergrond zijn geen van de geanalyseerde parameters in een gehalte boven de achtergrondwaarde aangetroffen. In het grondwater zijn licht verhoogde gehaltes barium en xylenen aangetoond. Tijdens de maaiveldinspectie zijn geen asbestverdachte materialen aangetroffen. In het ontgraven materiaal uit de gaten is geen asbestverdacht materiaal waargenomen. Uit laboratoriumonderzoek blijkt dat in de fijne fractie van het samengestelde mengmonster van het menggranulaat geen asbest is aangetoond. Er is geen sprake van een verontreiniging met asbest en een nader onderzoek asbest is niet noodzakelijk.

In dit bodemonderzoek is niet het gehele plangebied meegenomen, enkel het gebied waar de grond wordt geroerd. Voor de overige gronden is in 2018 een bodemonderzoek uitgevoerd. Na 2018 is aan de hand van luchtfoto’s geconstateerd dat er sindsdien geen groenroerende activiteiten hebben plaatsgevonden. Hierdoor is een nader onderzoek niet aan de orde. Conclusie De aangetoonde gehaltes en concentraties zijn gering en vormen geen aanleiding tot vervolgonderzoek. Op basis van de vastgestelde milieuhygiënische bodemkwaliteit wordt geacht dat geen belemmeringen aanwezig zijn voor het huidige en toekomstige gebruik van de locatie en de voorgenomen herontwikkeling. Het aspect ‘bodem’ vormt hiermee geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling. 4.3 Waterhuishouding Toetsingskader In ruimtelijke plannen dient aandacht besteed te worden aan waterhuishoudkundige aspecten. Daarbij staan naast een duurzaam waterbeheer de integrale afweging en het creëren van maatwerk voorop. Water moet altijd bekeken worden in het licht van het watersysteem of stroomgebied waarin een stad of een dorp ligt. Een goede afstemming van waterbeleid en ruimtelijke ordening, ook in het direct aangrenzende gebied, is daarom noodzakelijk. De integratie van water in ruimtelijke plannen vindt plaats via de zogenaamde watertoets.

Concreet betekent de watertoets, dat een plan een zogenaamde waterparagraaf dient te bevatten, die keuzes ten aanzien van de waterhuishoudkundige aspecten gemotiveerd beschrijft. Daarin dient een wateradvies van de waterbeheerder te worden meegenomen. De watertoets is wettelijk verankerd in artikel 3.1.6 lid 1, sub b Bro. Beleid provincie Noord-Brabant Vigerend is het Regionaal Water en Bodem Programma 2022-2027 (RWP). Het RWP is de strategische basis voor het Brabantse water- en bodembeleid en -beheer voor de korte en de lange termijn, rekening houdend met Europese, landelijke, provinciale en regionale doelen, duurzaamheid en klimaatveranderingen. Het Regionaal Water en Bodem Programma 2022–2027 integreert de milieu- en de wateropgave. Doel van dit nieuwe RWP is: een klimaatadaptief Brabant met veilig, schoon en voldoende water en een vitale bodem. Deze opgaven zijn ook van belang voor vrijwel alle andere provinciale opgaven: wonen en werken, infrastructuur en mobiliteit, landbouw en voedsel, natuur en biodiversiteit, erfgoed, een concurrerende en duurzame economie, en de energietransitie.

datum referentie

15 april 2024 215475_AdB_RAP_0001_v5.0

P 22/59

De ambitie van het RWP luidt: ‘Brabant heeft in 2050 een klimaatbestendig en veerkrachtig water- en bodemsysteem en is bestand tegen extremen’. Om deze ambitie te bereiken werkt het RWP 5 beleidsopgaven uit: 1. 2. 3. 4. 5.

Voldoende water (o.a. Europese KRW-doelen); Schoon water (o.a. Europese KRW-doelen); Waterveiligheid; Vitale bodem; Klimaatadaptatie

Beleid waterschap Brabantse Delta Het water- en bodemsysteem is onontbeerlijk voor een gezonde en leefbare ruimtelijke inrichting van NoordBrabant. Meer dan ooit is het belangrijk om rekening te houden met het concept van de lagenbenadering om een toekomstbestendige leefomgeving te waarborgen. Door klimaatverandering en ruimtelijke druk, staat immers de veerkracht van het water en bodemsysteem onder druk. De lagenbenadering beschrijft de ruimte in drie lagen. De eerste laag bestaat uit de fysieke ondergrond, het water- en bodemsysteem. De tweede laag bevat netwerken van infrastructuur met onder meer wegen, spoorlijnen en waterwegen. Tot slot de derde laag met de menselijke activiteiten zoals wonen, werken en recreëren en de fysieke neerslag daarvan. Ruimtelijke planning en gebiedsontwikkeling is een proces waarin continu keuzes worden gemaakt. De lagenbenadering helpt in dit keuzeen afwegingsproces en dient als kwaliteitskader voor alle (ruimtelijke) plannen. Elke laag draagt bij aan de ontwikkeling. De lagenbenadering betekent wel dat een onderliggende laag voorwaarden stelt aan andere lagen. Zeker vanuit een perspectief van duurzame ontwikkeling zijn veerkracht en omkeerbaarheid van ingrepen belangrijke gegevenheden. Met het Waterbeheerprogramma 2022-2027 start Waterschap De Dommel met de ‘watertransitie’; op weg naar een toekomstbestendige waterhuishouding.

Uiterlijk in 2050 is de waterhuishouding in ons hele beheergebied toekomstbestendig. Dit betekent een waterhuishouding die in een goede waterkwaliteit voorziet. En een waterhuishouding die robuust, wendbaar en in balans is met de omgeving. Zowel in het bebouwde als het landelijke gebied en van de beekdalen tot en met de hoge zandruggen. Het grond- en oppervlaktewatersysteem kan de grotere weersextremen opvangen door maximaal gebruik te maken van de dempende sponswerking van de bodem/ondergrond en de natuurlijke hoogteverschillen voor het vasthouden van water. We hanteren drie principes die inhoudelijke sturing geven aan de watertransitie: • Elke druppel vasthouden en infiltreren waar deze valt • Functies passen zich aan het bodem- en watersysteem aan • Wat schoon is moet schoon blijven De mens moet zich, nog meer dan voorheen, aanpassen aan de veranderende leefomgeving en op zoek gaan naar nieuwe oplossingen en antwoorden. Juist de voor Midden-Brabant zo karakteristieke verwevenheid van bebouwing, landbouw en natuur is een kans om de wateropgaven slim in te passen. Dit vereist een integrale, gebiedsgerichte aanpak samen met alle partijen. Een gebiedsgerichte aanpak is alleen succesvol als naast de wateropgaven ook de opgaven vanuit natuur, stikstof, economie, landbouwtransitie, energietransitie, biodiversiteit, mobiliteit en woningbouw onderdeel van de aanpak zijn.

Niet sectoraal, maar integraal. Alleen dan gaan we oplossingen vinden voor een leefbaar Midden-Brabant met een duurzaam en toekomstbestendig watersysteem dat goed is voor inwoners, bedrijven, landbouw en natuur. De grote uitdaging zit hem vooral in de vraag hoe we dit gaan bereiken. Meer dan voorheen gaan we daarbij:

datum referentie

15 april 2024 215475_AdB_RAP_0001_v5.0

P 23/59

• • •

van beekdalgericht naar gebiedsgericht; onze aandacht gaat naast het beekdal ook uit naar de flanken, de hoge zandruggen en bebouwd gebied. van sectoraal naar integraal; samen met overheden en gebiedspartners maken we keuzes over meerdere opgaven in een gebied. van water afvoeren naar elke druppel telt; maximaal water conserveren, minder grondwater gebruiken en slimmer sturen.

De waterschappen Aa en Maas, Brabantse Delta en De Dommel hebben in de Noord-Brabantse Waterschapsbond (NBWB) besloten om de keuren te uniformeren en tegelijkertijd te dereguleren. Hierbij is aangehaakt bij het landelijke uniformeringsproces van de Unie van Waterschappen. Er is conform het nieuwe landelijke model een sterk gedereguleerde keur opgesteld, met bijbehorende algemene regels en beleidsregels. Deze zijn voor de drie waterschappen gelijkluidend. De nieuwe uniforme keuren zijn gezamenlijk in werking getreden op 1 maart 2015. In de nieuwe keur is opgenomen dat het in beginsel verboden is om zonder vergunning neerslag door toename van verhard oppervlak of door afkoppelen van bestaand oppervlak, tot afvoer naar een oppervlaktewaterlichaam te laten komen. Dit verbod is van toepassing tenzij: a. het afkoppelen van verhard oppervlak maximaal 10.000 m² is, of; b. de toename van verhard oppervlak maximaal 500 m² is, of; c. de toename van verhard oppervlak bestaat uit een groen dak. d.

de toename van verhard oppervlak tussen 500 m² en 10.000 m² is en compenserende maatregelen zijn getroffen om versnelde afvoer van hemelwater tegen te gaan, in de vorm van een voorziening met een minimale retentiecapaciteit conform de rekenregel: Benodigde retentiecapaciteit (in m³) = toename verhard oppervlak (in m²) x gevoeligheidsfactor x 0,06 Daarbij dient de voorziening te voldoen aan de volgende voorschriften: a. de bodem van de voorziening dient boven de gemiddelde hoogste grondwaterstand (GHG) te liggen; b. de afvoer uit de voorziening via een functionele bodempassage naar het grondwater en/of via een functionele afvoerconstructie naar het oppervlaktewater plaatsvindt. Indien een afvoerconstructie wordt toegepast, dient deze een diameter van 4 cm te hebben; c. daarnaast moet er altijd een overloopconstructie zijn, om uitspoeling naar de sloot te voorkomen. Voor het overige zijn er in de keur diverse regels opgenomen om gebieden met een specifieke functie te beschermen, zoals de attentiegebieden en invloed gebieden Natura 2000. Er geldt een specifiek beschermingsregime, afhankelijk van het type gebied en de ligging in of nabij een beschermd gebied. Beleid gemeente Roosendaal Het Verbreed Gemeentelijk Rioleringsplan (VGRP) 2020-2023 is een strategisch beheerplan waarin de zorgplichten van de Gemeente Roosendaal zijn vastgelegd voor het afval-, hemel- en grondwater.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://raad.roosendaal.nl/api/v1/meetings/1675/documents/42679