CConstaterende datRoosendaal
Koppel je AI →
Document · PDF

20220220_2023-10-09 Bestemmingsplan Philipslaan 63 te Roosendaal D01.pdf

Commissie Ruimte 30 november 2023, gemeente RoosendaalBij agendapunt: 4a: Raadsvoorstel vaststellen bestemmingsplan Philipslaan 6314.870 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

Conclusie De bodemkwaliteit vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het plan.

4.6

WATER

Toetsingskader Het watertoetsproces is een belangrijk instrument om het waterbelang in ruimtelijke plannen en besluiten te waarborgen. Het gaat daarbij om alle waterhuishoudkundige aspecten, waaronder veiligheid, wateroverlast, watertekort, waterkwaliteit en verdroging, en om alle wateren: rijstwateren, regionale wateren en grondwater. Het is niet een toets achteraf, maar een proces dat de initiatiefnemer van een ruimtelijk plan en de waterbeheerder in een zo vroeg mogelijk stadium met elkaar in gesprek brengt. Waterwet De Waterwet regelt in hoofdzaak het beheer van watersystemen, waaronder waterkeringen, oppervlaktewater- en grondwaterlichamen. De wet is gericht op het voorkomen dan wel beperken van overstromingen, wateroverlast en waterschaarste, de bescherming en verbetering van kwaliteit van watersystemen en de vervulling van maatschappelijke functies door watersystemen. De Waterwet stelt integraal waterbeheer centraal op basis van het geheel van relaties binnen watersystemen. Denk hierbij aan de relaties tussen waterkwaliteit en -kwantiteit, oppervlakte- en grondwater, maar ook aan de samenhang tussen oppervlaktewater en het gebruik van water. Hiernaast kenmerkt integraal waterbeheer zich ook door de samenhang met de omgeving. Dit komt tot uitdrukking in relaties met beleidsterreinen als natuur, milieu en ruimtelijke ordening.

De Waterwet eist dat de aanleg of wijziging van een waterstaatswerk wordt uitgevoerd volgens een door het waterschap vast te stellen projectplan, een waterstaatkundig besluit waartegen rechtsbescherming open staat. De Waterwet is opgenomen in de Omgevingswet. De integratie van de regelgeving uit de Waterwet in de Omgevingswet bestaat niet alleen uit het verplaatsen van artikelen uit de Waterwet naar de Omgevingswet. Met de opname in de Omgevingswet zijn de regels van de Waterwet gecombineerd met andere wetgeving over onder meer milieu, infrastructuur en bodem. De Keur De Keur is een aanvulling op regels uit de Waterwet. De Keur is van toepassing op de rivieren, beken, sloten, grondwater en waterkeringen die in beheer zijn bij het waterschap. In de Keur zijn verbodsbepalingen opgenomen, waarmee inbreuk van derden op het watersysteem kunnen worden voorkomen. Voor wijzigingen in de natte infrastructuur en voor obstakels en activiteiten op onderhoudsstroken langs leggerwateren kan in uitzonderingsgevallen een vergunning van de Keur worden verleend.

Onder wijzigingen in de natte infrastructuur vallen o.a.: • De aanleg van nieuwe of het dempen van bestaande oppervlaktewaterlichamen; • Het wijzigen van het profiel van bestaande oppervlaktewaterlichamen; • Het verbinden van oppervlaktewaterlichamen; • Het aanbrengen van werken, zoals duikers, buizen, stuwen, steigers, bruggen en taludafwerking; • Het aanbrengen dan wel verwijderen van (opgaande) beplanting en boomgroepen.

Stantec | 20220220 Ontwerp Bestemmingsplan Philipslaan 63 te Roosendaal 26

Het streefbeeld van de Omgevingswet is om de regels over de fysieke leefomgeving te bundelen in één regeling per overheidsniveau om zo de toegankelijkheid en het overzicht van deze regels te vergroten. Daartoe introduceert de Omgevingswet, naast het omgevingsplan, de provinciale omgevingsverordening en de waterschapsverordening. Provinciale staten respectievelijk het algemeen bestuur van een waterschap dienen één omgevingsverordening respectievelijk waterschapsverordening vast te stellen die regels bevatten over de fysieke leefomgeving. De waterschapsverordening heeft alleen betrekking op het watersysteem binnen het beheergebied van het waterschap en op wegen, voor zover die bij het waterschap in beheer zijn. Bij de inwerkingtreding van de Omgevingswet wordt de Keur omgezet naar een waterschapsverordening. Waterschapsbeleid Brabantse Delta Het waterschap Brabantse Delta is verantwoordelijk voor het waterbeheer in de gemeente op basis van de volgende wettelijke kerntaken: het zuiveringsbeheer, watersysteembeheer, beheer van dijken en beheer van vaarwegen. Het watersysteembeheer -waaronder grondwater- heeft daarbij twee doelen: zowel de zorg voor gezond water als de zorg voor voldoende water van voldoende kwaliteit.

Het beleid en de daarmee samenhangende doelen van het waterschap zijn opgenomen in het waterbeheerplan 2016-2021, wat tot stand is gekomen in samenspraak met de waterpartners. Zo zijn bijvoorbeeld relevante waterthema's gekoppeld aan de belangrijkste ruimtelijke ontwikkelingen in de regio. Het waterschap heeft een eigen verordening; De Keur en de Legger. De Keur bevat gebods- en verbodsbepalingen met betrekking tot ingrepen die consequenties hebben voor de waterhuishouding en het waterbeheer. De legger geeft aan waar de waterstaatswerken plus bijbehorende beschermingszones liggen, aan welke afmetingen en vorm die moeten voldoen en wie onderhoudsplichtig is. Veelal is voor deze ingrepen een watervergunning van het waterschap benodigd. In sommige gevallen vallen de werkzaamheden onder een Algemene regel. De Keur en de Algemene regels zijn te raadplegen via de site van waterschap Brabantse Delta. Met betrekking tot hydrologisch neutraal ontwikkelen hebben de drie Brabantse waterschappen, Aa en Maas, De Dommel en Brabantse Delta hun keuren geharmoniseerd, genaamd “Hydrologische uitgangspunten bij de Keurregels voor afvoeren van hemelwater, Brabants waterschappen”. De waterschappen maken bij het beoordelen van plannen met een toegenomen verhard oppervlak onderscheid tussen grote en kleine plannen.

Voor plannen met een bijkomend verhard oppervlak kleiner dan 500 m² geldt vanuit het waterschap een vrijstelling tot realisatie van compensatie. Beleid gemeente Roosendaal Sinds 23 december 2019 geld in de gemeente Roosendaal het verbreed gemeentelijk rioleringsplan Roosendaal 2020-2023 (VGRP). In het VGRP is het beleid opgenomen van de gemeente met betrekking tot het stedelijk water en het afvalwater. Hierin zijn de zorgplichten van de gemeente uitgewerkt tot ambities voor de komende jaren. In het VGRP zijn ook beleidsregels opgenomen die relevant zijn voor de herontwikkeling. Op particuliere percelen waarop een herontwikkeling wordt uitgevoerd hebben een plicht om wateroverlast te voorkomen. Om dit te garanderen moet er bij de herontwikkeling een waterberging worden gerealiseerd van 60 mm voor het volledige toekomstig verhard oppervlak. Daarnaast als er wordt gekozen voor een vertraagde afvoer op de riolering dient het systeem er minimaal 24 uur over te doen om volledig de berging te lozen op het rioolstelsel van de gemeente.

Stantec | 20220220 Ontwerp Bestemmingsplan Philipslaan 63 te Roosendaal 27

Beoordeling Huidige waterhuishouding Het plangebied is in gebruik als voormalige supermarkt en heeft een oppervlakte van 1.900 m². Ten tijde van droge of natte perioden zal het regenwater infiltreren dan wel verdampen binnen het plangebied. Het plangebied ligt niet binnen een grondwaterbeschermingsgebied/ grondwaterbeschermingszone, Keur beschermde gebieden en/of waterbergingsgebied. In het plangebied zelf is geen open water aanwezig dat verbonden is met het watersysteem van het waterschap.

4.6.1

Toekomstige waterhuishouding

Waterbezwaar regenwater De ontwikkeling voorziet in de realisatie van een appartementengebouw. In onderstaande tabel is de oppervlakteverdeling tussen de bestaande en toekomstige situatie weergegeven. Oppervlaktes

Huidige situatie [m2]

Toekomstige situatie [m2]

Verharding (100% verhard) Dak (100% verhard) Groen (0% verhard) Totaal Verhard oppervlak

817 934 149 1.900 1.751

1.038 570 292 1.900 1.608

Op basis van deze gegevens is er sprake van een verhardingsafname van 143 m 2. Met een afname van het verhard oppervlak van 143 m² valt de planontwikkeling binnen de grenswaarde van minder dan 500 m2. Vanuit de Algemene Regel van het waterschap Brabantse Delta is er geen verplichting tot aanleg van een bergingsvoorziening. De gemeente Roosendaal hanteert echter een zwaarder wegend beleid voor watercompensatie. De gemeente gaat uit van het toekomstig verhard oppervlak. Met een toekomstig verhard oppervlak van 1.608 m2 is er vanuit het VGRP een verplichting tot het aanbrengen van een beringsvoorziening volgens de norm 60 mm/m2. Voor het plangebied is de rekensom te maken: 1.608 m2 * 60 mm = 96 m3. Advies behandeling regenwater (HWA) In de toekomstige situatie zal de afvoer van neerslag, afkomstig van de daken en verharding moeten worden opgevangen op eigen terrein. Het streven van de gemeente om hemelwater zoveel mogelijk vast te houden in het gebied, bij voorkeur door het in de bodem te infiltreren. Hierdoor wordt de volgende volgorde aangehouden: vasthouden – infiltreren in bodem – afvoer naar oppervlaktewater (aanliggend) – afvoer naar gemeentelijk hemelwaterriool. De uiteindelijke uitwerking zal pas na het vaststellen van het bestemmingsplan worden uitgevoerd. In het plangebied is er te weinig openbaar groen oppervlakte voor het aanleggen van een wadi.

Dit komt omdat het aanwezige groen bestaat uit meerdere zelfstandige vlakken. Er is een oppervlakte van 178,29 m2 nodig voor bovengrondse waterberging. Een ondergrondse waterberging is wel mogelijk. Er is genoeg oppervlakte in het plangebied voor het toepassen van een ondergrondse waterberging. Advies behandeling vuilwater (DWA) In totaal zal er vanuit het plangebied 5,54 m3 per dag worden afgevoerd naar het gemeentelijke rioleringsstelsel. Daarnaast zal het riool moeten worden gedimensioneerd op de piekbelasting van 0,55 Stantec | 20220220 Ontwerp Bestemmingsplan Philipslaan 63 te Roosendaal 28

m3 per uur. Het vuilwater vanuit het plangebied dient te worden aangesloten op het gemeentelijk rioolstelsel. De verdere uitwerking hiervan dient in samenspraak met de gemeente Roosendaal te worden uitgevoerd. Materiaalgebruik Uitlogende bouwmateriaal, zoals lood, koper, zink en zacht PVC kunnen een nadelige invloed hebben op het milieu. De stoffen kunnen zich ophopen in het water(bodem)systeem en hebben daardoor een zeer nadelige invloed op de water(bodem)kwaliteit en ecologie. Het gebruik van milieuvriendelijke bouwmaterialen wordt daarom aangeraden.

Conclusie Het voornemen is om op het terrein aan de Phillipslaan 63 in Roosendaal de voormalige supermarkt te slopen en het gebied te herontwikkelen tot een appartementencomplex met 21 woningen. Door de (her)ontwikkeling zal het verhard oppervlak met 143 m2 afnemen. Uitgaande van deze afname aan verhard oppervlak en gelet op het beleid van Waterschap Brabantse Delta, is er geen watercompensatie nodig. De gemeente Roosendaal hanteert echter een strenger beleid voor een watercompensatie. Gekeken naar een toekomstig verhard oppervlak van 1.608 m 2 en het beleid van gemeente Roosendaal, kan er geconcludeerd worden dat er een watercompensatie van 96 m 3 nodig is.

4.7

FLORA EN FAUNA

Toetsingskader De natuurwet- en regelgeving kent twee sporen, namelijk een soortgericht spoor en een gebiedsgericht spoor. De bescherming van deze twee sporen is geregeld in de Wet natuurbescherming. Ruimtelijke plannen, zoals bestemmingsplannen, worden beoordeeld op de uitvoerbaarheid in relatie tot actuele natuurwetgeving. Er mogen geen ontwikkelingen plaatsvinden die op onoverkomelijke bezwaren stuiten door effecten op beschermde natuurgebieden en/of flora en fauna. In dit kader is inzicht gewenst in de aanwezige natuurwaarden en de mogelijk daarmee samenhangende consequenties vanuit de natuurwetgeving. Door Ecodat is een quickscan flora- en faunawetgeving uitgevoerd. Doel van deze quickscan is het inzichtelijk maken of beschermde natuurwaarden in het plangebied aanwezig zijn en welke betekenis deze hebben voor de verdere uitvoering van het initiatief. Verder wordt inzichtelijk gemaakt of door de geplande ontwikkeling negatieve effecten te verwachten zijn op beschermde gebieden. De onderzoeksrapportage is als bijlage aan voorliggend bestemmingsplan toegevoegd. De resultaten van het onderzoek zijn hier kort samengevat. Beoordeling gebiedsbescherming Het plangebied bevindt zich niet in de directe nabijheid van gebieden die zijn aangewezen als Europees Natura 2000-gebied. Eventueel verstorende factoren t.a.v.

een dergelijk gebied, zoals oppervlakteverlies, versnippering, verdroging en verstoring door trilling, licht en geluid zijn met de voorgenomen planontwikkeling en werkwijze niet aanwezig. Het plangebied maakt geen onderdeel uit van het Nationaal NatuurNetwerk, het NatuurNetwerk Brabant of een ander gelijkwaardig netwerk. Met de voorgenomen planontwikkeling is er geen sprake van directe vernietiging van deze netwerken. Van negatieve uitstralingseffecten door geluid, licht en verdroging op een NatuurNetwerk zal geen sprake zijn.

Stantec | 20220220 Ontwerp Bestemmingsplan Philipslaan 63 te Roosendaal 29

Beoordeling soortenbescherming In de Wet natuurbescherming is een zorgplicht opgenomen. Dit houdt in dat voorafgaand aan de ingreep alle maatregelen dienen te worden getroffen om nadelige gevolgen op flora en fauna voor zover mogelijk te voorkomen, te beperken of ongedaan te maken. Deze zorgplicht geldt altijd en voor alle soorten, ook als ontheffing of vrijstelling is verleend. Planten Geen van de beschermde soorten is aangetroffen, noch geschikt biotoop dat bewijs zou leveren dat deze soort(en) er aanwezig zouden kunnen zijn. Zoogdieren Er zijn geen marterachtigen te verwachten in het plangebied. Het openbaar groen in de omgeving is geen essentieel onderdeel van het leefgebied. Andere zoogdieren, behalve algemene soorten, worden ook niet verwacht in het plangebied. Voor de algemene soorten is geen nader onderzoek nodig. Wel dient rekening te worden gehouden met de algemene soortplicht Vleermuizen Er is een voormalig winkelpand aanwezig in het plangebied. Deze kent diverse mogelijkheden voor vleermuizen om een verblijf te creëren. De bomen, tuinen en het openbaar groen die in de omgeving liggen, zijn geen onderdeel van de ingreep en liggen op afdoende afstand, zodat er geen sprake van verstoring zal zijn. De foerageermogelijkheid voor vleermuizen zal niet worden aangetast.

Er zijn geen lijnvormige elementen in het plangebied zelf aanwezig die duiden op de aanwezigheid van een vliegroute. Door zich te houden aan de zorgplicht (geen verlichting aan tijdens nachtelijke uren), zal er geen verstoring optreden en blijven de vliegroutes gehandhaafd. Er is nader onderzoek noodzakelijk naar eventuele verblijfplaatsen van vleermuizen in het winkelpand. Vogels In het winkelpand zijn geen mogelijkheden tot nestgelegenheid voor broedvogels met een jaarrond beschermde status. Overige broedwegels kunnen voorkomen in de beplanting rondom het plangebied. Amfibieën Het plangebied is ongeschikt als leefomgeving voor beschermde amfibieën (w.o. Alpenwatersalamander). Aangezien er geen geschikt biotoop aanwezig is, kan volstaan worden met de algemene zorgplicht. Reptielen Geen van de beschermde soorten (w.o. de levendbarende hagedis) is aangetroffen, noch geschikt biotoop dat bewijs zou leveren dat deze soort(en) er aanwezig zouden kunnen zijn. Vissen In het terrein is gekeken naar de geschiktheid van de biotoop. Aangezien er geen oppervlaktewater aanwezig is, kan volstaan worden met de algemene zorgplicht. Insecten Het gebied, bestaande uit een winkelpand, is ongeschikt als leefomgeving voor de beschermde soorten. Houtopstanden Op de locatie zijn geen houtopstanden aanwezig die vallen onder artikel 4.3 van de Wet natuurbescherming.

Stantec | 20220220 Ontwerp Bestemmingsplan Philipslaan 63 te Roosendaal 30

Conclusie Er is nader onderzoek noodzakelijk naar het voorkomen van en het gebruik van het plangebied door gebouwgebonden vleermuizen. Er is door het plan geen invloed op de omliggende Natura 2000- en Natuurnetwerk Brabant-gebieden. Een eventuele invloed van stikstofdepositie op de Natura 2000gebieden wordt in paragraaf 4.8 behandeld.

4.8

STIKSTOF

Toetsingskader De bescherming van de natuur is per 1 januari 2017 in Nederland vastgelegd in de Wet natuurbescherming. Deze wet vormt voor wat betreft soortenbescherming en gebiedsbescherming een uitwerking van de Europese Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn. Natura 2000-gebieden zijn gebieden die op grond van de Europese Habitatrichtlijn en/of Vogelrichtlijn moeten worden beschermd. Veel van die gebieden in Nederland zijn gevoelig voor stikstofdepositie en overbelast door een teveel aan stikstof. Voor elk Natura 2000-gebied zijn instandhoudingsdoelstellingen geformuleerd voor beschermde soorten en habitats die daar aanwezig zijn. Het is verboden zonder vergunning op grond van de Wet natuurbescherming projecten te realiseren die, gelet op de instandhoudingsdoelstellingen voor een Natura 2000-gebied, de kwaliteit van de natuurlijke habitats of de habitats van soorten in dat gebied kunnen verslechteren of een significant verstorend effect kunnen hebben op de soorten waarvoor dat gebied is aangewezen. Er moet daarom worden beoordeeld of de met het bestemmingsplan mogelijk gemaakte ontwikkelingen significant negatieve effecten zouden kunnen hebben voor Natura 2000-gebieden. Een plan dat meer dan 0,00 mol/ha/jaar bijdraagt aan de stikstofdepositie op een overbelast stikstofgevoelig habitattype of leefgebied in een Natura 2000-gebied heeft in potentie een significant negatief effect.

Beoordeling Door de OMWB is onderzoek uitgevoerd naar het effect van stikstofdepositie. De berekeningen zijn als bijlage bij de toelichting toegevoegd. De belangrijkste bevinden zijn hieronder weergegeven. Het dichtstbijzijnde Natura-2000 gebied is gelegen op circa 9,3 kilometer. Het gaat om het Natura2000 gebied Brabantse Wal. Gelet op deze afstand zijn externe effecten als licht- en geluidsverstoring uit te sluiten. Het plan genereert in twee fases stikstof: in de aanlegfase en in de gebruiksfase. Om te bepalen of het plan een stikstofdepositie met een negatief effect op Natura 2000-gebieden kan veroorzaken is voor de bouw- en gebruiksfase een berekening uitgevoerd met het rekenprogramma Aerius (versie: Aerius 2022). Hierbij zijn de volgende aannames gedaan: In de aanlegfase gelden de volgende uitgangspunten: • Er is uitgegaan van de volgende inzet aan mobiele werktuigen conform tabel 2 uit de bijlage. Tevens is rekening gehouden met 50 uur aan onvoorziene werktuigen. • Uitgangspunt is dat stageklasse IV werktuigen (bouwjaar 2014 en later) worden ingezet. • Voor het vrachtverkeer is uitgegaan van 500 zware vrachtwagenbewegingen en 2.000 lichte verkeersbewegingen per jaar. Aangenomen is dat het bouwverkeer op de Van Beethovenlaan opgaat in het heersende verkeersbeeld.

De Van Beethovenlaan is een drukke ontsluitingsweg waar het bouwverkeer niet meer herleidbaar is tussen het overige verkeer.

Stantec | 20220220 Ontwerp Bestemmingsplan Philipslaan 63 te Roosendaal 31

•

Er is bij de mobiele werktuigen niet uitgegaan van AdBlue-verbruik of de toepassing van elektrische werktuigen. Dit is een belangrijk worst-case uitgangspunt aangezien de toepassing van AdBlue leidt tot substantieel lagere NOx-emissies en het gebruik van elektrische werktuigen niet leidt tot relevante emissies.

Voor de gebruiksfase zijn deze uitgangspunten gedaan: • De woningen worden gasloos gerealiseerd; • Met de huidige emissie wordt niet gesaldeerd (interne saldering); • De verkeersaantrekkende werking is ingeschat op maximaal 8,6 verkeersbewegingen per woning (worst-case); • De rijlijn is ingevoerd voor 70% naar de A58 en voor 30% naar het centrum voor dagelijkse boodschappen en overige voorzieningen. De werkelijke verkeersverdeling ligt genuanceerder maar andere aannames zullen op deze afstand tot Natura 2000-gebied niet leiden tot andere resultaten. Uit de berekening, die is opgenomen in de bijlage, blijkt dat het plan leidt tot een bijdrage aan stikstofdepositie van 0,00 mol/ha/jaar op omliggende Natura 2000-gebieden. Significante effecten zijn uit te sluiten. Een passende beoordeling is niet noodzakelijk.

Conclusie De bijdrage van het plan aan de stikstofdepositie op de Natura 2000-gebieden is voor de gebruiksfase gelijk aan 0,00 mol/ha/jaar. Om die reden zijn significante effecten op de Natura 2000-gebieden uit te sluiten. Het aspect stikstofdepositie vormt geen belemmering voor de vaststelling van het bestemmingsplan. Een passende beoordeling is niet aan de orde.

4.9

GEUR

Toetsingskader De Wet geurhinder en veehouderij beschermt geurgevoelige objecten zoals woningen tegen geurhinder van veehouderijen. Bij aanvragen van veehouderijen om een omgevingsvergunning (activiteit milieu) vormt deze wet het toetsingskader voor geurhinder uit dierverblijven. De Wet geurhinder en veehouderij maakt onderscheid tussen dieren met geuremissiefactoren en dieren zonder geuremissiefactoren. Voor dieren met geuremissiefactoren (zoals varkens en pluimvee) gelden normen voor geurbelasting, die wordt uitgedrukt in aantal odour units in kubieke meter lucht (ouE/m3). Daarnaast gelden voor dieren met geuremissiefactoren minimumafstanden tot (voormalige) bedrijfswoningen bij andere veehouderijen. Voor dieren zonder geuremissiefactoren (zoals melkrundvee en paarden) gelden alleen minimumafstanden, die moeten worden aangehouden tussen een veehouderij en een geurgevoelig object. Het Activiteitenbesluit milieubeheer bevat vergelijkbare bepalingen voor veehouderijen die geen omgevingsvergunning voor de activiteit milieu nodig hebben. Voor ruimtelijke plannen is de Wet geurhinder en veehouderij ook van belang. Dit wordt wel de omgekeerde werking genoemd. Als een ruimtelijk plan de realisatie van geurgevoelige objecten mogelijk maakt moeten twee aspecten bekeken worden. Ten eerste moet worden gemotiveerd dat ter

Stantec | 20220220 Ontwerp Bestemmingsplan Philipslaan 63 te Roosendaal 32

plaatse van de geurgevoelige objecten sprake is van een goed woon- en leefklimaat. Ten tweede is van belang dat omliggende veehouderijen niet onevenredig hun zijn belangen worden geschaad. De wet geeft de mogelijkheid om op lokaal niveau gemotiveerd af te wijken van de wettelijk norm met een verordening. De gemeente Roosendaal heeft geen verordening met afwijkende normen vastgesteld. Dit betekent dat de geurnormen en –afstanden uit de Wet geurhinder en veehouderij van toepassing zijn.

Beoordeling Met het plan worden maximaal 21 nieuwe woningen mogelijk gemaakt. Woningen zijn een geurgevoelig

object. Omdat het plangebied in stedelijk gebied ligt, zijn er geen veehouderijen in de directe omgeving aanwezig.

Op de kaart in onderstaande afbeelding wordt de achtergrondbelasting voor geur weergegeven. De achtergrondbelasting is de totale geurbelasting veroorzaakt door alle veehouderijen in de omgeving. Uit de kaart blijkt dat het woon- en leefklimaat voor het aspect geur ter plaatse van het plangebied zeer goed is.

Figuur 9: Achtergrondbelasting voor geur in ouE/m3 (Bron: Kaart Provincie Noord-Brabant – Omgevingsdienst Zuidoost-Brabant 2022, met als bronnenbestand een export van het bestand veehouderijen Brabant (maart 2022)).

Conclusie Het aspect agrarische geurhinder vormt geen belemmering voor de vaststelling van het bestemmingsplan.

Stantec | 20220220 Ontwerp Bestemmingsplan Philipslaan 63 te Roosendaal 33

4.10

CULTUURHISTORIE, ARCHEOLOGIE EN MONUMENTEN

4.10.1 Cultuurhistorie Geomorfologie en bodem De ondergrond van Roosendaal wordt gevormd door een pleistoceen zandplateau (Kempisch Hoog), bestaande uit fluviatiele en eolische afzettingen van zand en leem. Roosendaal ligt op het punt waar het zandoppervlak naar het noorden afhelt in de richting van jongere holocene afzettingen. Tijdens de laatste ijstijd werden door verstuivingen jonge dekzanden afgezet en werden dekzandruggen gevormd. Elders werden oude beekdalen uitgestoven waardoor geïsoleerde laagtes ontstonden. Kenmerkend voor het westen van Brabant zijn de pleistocene afzettingen van leem, voorheen gerekend tot de formatie van Tegelen. Het leem komt bij Bergen op Zoom aan het oppervlak maar ligt in Roosendaal wat dieper en is daar bedekt door het jongere dekzand. In het begin van het Holoceen begon veen te groeien in de lage kommen en dalen van het landschap, waar vrijwel geen afwatering was en waar leem in de ondergrond aanwezig was. Dit veen wordt gerekend tot de Formatie van Griendsveen. In de Bronstijd (ca. 2000 v. Chr.) ging het veen zich tot een hoogveen ontwikkelen en groeide dermate aan, dat het ook de omringende hogere gebieden ging bedekken. In de late middeleeuwen is dit veen vrijwel volledig ontgonnen, maar uit historische bronnen is bekend, dat het een dikte van vier meter kon bereiken.

Vanwege het veen en de slechte bereikbaarheid van de daarin liggende hogere dekzanden, de zogenoemde donken, bleef de omgeving tot aan de late middeleeuwen geïsoleerd en nauwelijks bewoonbaar. Het plangebied ligt binnen de bebouwde kom en is zodoende niet geomorfologisch gekarteerd.

4.10.2 Archeologie Archeologische waarden Over het westelijk deel van het plangebied ligt een archeologische dubbelbestemming. Deze gronden hebben een middelhoge archeologische bestemming. Voor het bouwen van bouwwerken, met een grotere oppervlakte dan 100 m2 en een grotere diepte dan 0,5 meter beneden maaiveld, waarvoor een omgevingsvergunning is vereist, geldt dat deze uitsluitend mogen worden gebouwd nadat de aanvrager een archeologisch rapport heeft overlegd. In het kader van het bestemmingsplan is daarom archeologisch onderzoek uitgevoerd. Het onderzoek is uitgevoerd door Transect en is als bijlage bij de toelichting toegevoegd. De resultaten worden hieronder samengevat. Uit het bureauonderzoek blijkt dat het plangebied waarschijnlijk op een dekzandrug ligt, op enige afstand ten zuiden van het historische buurtschap Kalsdonk. Dergelijke dekzandruggen hebben reeds vanaf het Laat-Paleolithicum gunstige omstandigheden voor bewoning gehad, waardoor sprake is van een hoge verwachting op de aanwezigheid van archeologische resten. Daarbij moet wel worden opgemerkt dat in de omgeving van het plangebied nog maar weinig archeologische resten zijn aangetroffen en dat de ondergrond naar alle waarschijnlijkheid sterk geroerd is geraakt door de inrichting van de huidige wijk Kalsdonk.

Uit het veldonderzoek blijkt dat tot een diepte van 105-135 cm -Mv (4,1-4,4 m +NAP) rekening moet worden gehouden met een verstoringspakket, dat waarschijnlijk samenhangt met de bouw van het bestaande winkelpand in het plangebied, evenals de inrichting van de omgeving in de wijk Kalsdonk. Hierdoor is geen sprake meer van een intact archeologisch relevant niveau uit de periode LaatStantec | 20220220 Ontwerp Bestemmingsplan Philipslaan 63 te Roosendaal 34

Paleolithicum tot en met de Nieuwe tijd, waardoor sprake is van een lage verwachting op het aantreffen van intacte archeologische waarden. Dit betekent een bijstelling naar beneden van de hoge verwachting. Landschappelijk gezien is door de diepte van de aangetroffen verstoringen niet duidelijk waar het plangebied op de dekzandrug gelegen is. Op basis van dit vooronderzoek is vastgesteld dat sprake is van een lage verwachting op het aantreffen van archeologische waarden. Het is daarom onwaarschijnlijk dat de voorgenomen ingrepen in het plangebied, de sloop van het bestaande pand en de bouw van een appartementengebouw, zal zorgen voor een verstoring van archeologie.

Conclusie Vanwege de lage verwachting op het aantreffen van archeologische waarden is geen nader onderzoek nodig. De aanduiding ‘Waarde – Archeologie 2’ kan komen te vervallen.

4.10.3 Monumenten Binnen of nabij het plangebied bevinden zich geen monumenten.

4.10.4 Gebieden met cultuurhistorische waarden Het plangebied maakt deel uit van een gebied met een hoge stedenbouwkundige waarde. In het gebied zijn in de jaren ’40 van de 20e eeuw woningen gebouwd volgens een strak, lineair stedenbouwkundig ontwerp. De ontwikkeling maakt een appartementengebouw mogelijk waarbij deze strakke lijnen weer terugkomen. Daarmee wordt recht aangedaan aan het stedenbouwkundig karakter van de omgeving.

Figuur 10: Uitsnede Cultuurhistorische Waardenkaart Brabant

Stantec | 20220220 Ontwerp Bestemmingsplan Philipslaan 63 te Roosendaal 35

4.11

M.E.R.-BEOORDELING

Toetsingskader Bepaalde activiteiten kunnen belangrijke nadelige gevolgen hebben voor het milieu, waardoor het opstellen van een milieueffectrapportage (m.e.r.) of het verrichten van een m.e.r.-beoordeling noodzakelijk is. In het Besluit milieueffectrapportage is vastgelegd welke activiteiten het betreft. In het Besluit m.e.r. wordt een onderscheid gemaakt in activiteiten die m.e.r.-plichtig zijn (de zogenaamde bijlage C-activiteiten) en activiteiten die m.e.r.-beoordelings-plichtig zijn (de zogenaamde bijlage Dactiviteiten); er moet beoordeeld worden of sprake is van (mogelijke) nadelige milieugevolgen. Als deze niet uitgesloten kunnen worden geldt een m.e.r.-plicht. Kunnen deze belangrijke nadelige milieugevolgen wel uitgesloten worden is een m.e.r. niet noodzakelijk. In kolom 2 van bijlage D: 'gevallen' staan drempelwaarden waar de in kolom 1 benoemde activiteit aan moet voldoen. Deze drempelwaarde is vaak uitgedrukt in een bepaalde lengte (minimaal x kilometer) of een bepaalde grootte (minimaal x stuks/woningen/hectare), etc. Als de betreffende activiteit genoemd staat in kolom 1: 'activiteiten' en er wordt voldaan aan de drempelwaarden in kolom 2: 'gevallen' geldt voor het te nemen besluit een m.e.r.-beoordelingsplicht. Per 7 juli 2017 is het Besluit m.e.r.

gewijzigd: ook voor activiteiten beneden de drempelwaarden dient voortaan nagegaan te worden of sprake kan zijn van mogelijke belangrijke nadelige milieugevolgen. Ook de Wet natuurbescherming of een provinciale verordening kan hierbij van belang zijn. De toets wordt door (of in opdracht van) het bevoegd gezag uitgevoerd. Voor deze toets wordt de term vormvrije m.e.r.-beoordeling gehanteerd. De m.e.r.-beoordeling dient altijd te worden uitgevoerd als een besluit wordt voorbereid over activiteiten die voorkomen op de D-lijst van het Besluit m.e.r. en die onder de drempelwaarden liggen. Voor de m.e.r.-beoordeling gelden twee voorwaarden: • het gaat over één of meer activiteiten die voorkomen op de D-lijst van het Besluit m.e.r; • de omvang van al die activiteit(en) ligt onder de drempelwaarde (kolom 2 van de D-lijst).

Beoordeling Woningbouw is geen activiteit die voorkomt in onderdeel C van de bijlage bij het Besluit m.e.r. Er geldt daarom geen rechtstreekse plicht tot het maken van een milieueffectrapport. In het geval van woningbouw kan sprake zijn van een activiteit als bedoeld in categorie 11.2, onderdeel D, van de bijlage bij het Besluit m.e.r., namelijk een stedelijk ontwikkelingsproject. Voor een stedelijk ontwikkelingsproject zijn in het Besluit m.e.r. drie indicatieve drempelwaarden opgenomen: ▪ een oppervlakte van 100 hectare of meer, ▪ een aaneengesloten gebied en 2.000 of meer woningen, of ▪ een bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m2 of meer. De beoogde herontwikkeling, die met dit plan wordt mogelijk gemaakt, overschrijdt deze drempelwaarden niet. Of sprake is van een stedelijk ontwikkelingsproject in de zin van het Besluit m.e.r. hangt af van de concrete omstandigheden van het geval, waarbij onder meer aspecten als de aard en de omvang van de voorziene wijziging van de stedelijke ontwikkeling een rol spelen. Voorliggende herziening voorziet in de realisatie van 21 woningen. De drempelwaarden zijn vele malen hoger. Daarnaast is geen sprake van ligging in een gevoelig gebied. Gelet op de kenmerken van het project (zoals het karakter in Stantec | 20220220 Ontwerp Bestemmingsplan Philipslaan 63 te Roosendaal 36

vergelijking met de drempelwaarden uit het Besluit m.e.r.), de plaats van het project en de kenmerken van de potentiële effecten treden geen belangrijke negatieve milieugevolgen op. Dit blijkt ook uit de beoordeling van de verschillende milieuaspecten zoals deze in de voorgaande paragrafen zijn opgenomen.

Conclusie Het plan heeft geen belangrijke negatieve gevolgen voor het woon- en leefmilieu in de omgeving. Er worden geen negatieve effecten verwacht vanwege de ligging van het plangebied ten opzichte van gevoelige gebieden. Het maken van een milieueffectrapport of een (vormvrije) m.e.r.-beoordeling is niet nodig.

Stantec | 20220220 Ontwerp Bestemmingsplan Philipslaan 63 te Roosendaal 37

5.0

VISIE OP PLANGEBIED

5.1

UITGANGSPUNTEN EN RANDVOORWAARDEN

De ontwikkeling is gebaseerd op enkele randvoorwaarden. Er is sprake van vier bouwlagen, en op de hoek van de Voltastraat en Philipslaan wordt een vijfde laag gebouwd. De woningen (maximaal 21) zijn bedoeld voor het middeldure huursegment, net boven de liberalisatiegrens. Om deze huurprijs te rechtvaardigen zijn de woningen tenminste 70 m2 groot. Parkeren voor bewoners vindt plaats op eigen terrein, aan de achterzijde van het gebouw. Parkeren voor bezoekers vindt deel plaats op eigen terrein en deels op de openbare weg, in zowel de Philipslaan als de Voltastraat.

Figuur 11: Impressie beoogde ontwikkeling (bron: Stek architecten)

Ontsluiting Ontsluiting van het plangebied vindt plaats via de Philipslaan. Ten noorden van het gebouw komt een in- en uitrit te liggen voor het parkeerterrein aan de achterzijde van het gebouw. Vanaf daar kan het verkeer naar het noorden richting de Rector Hellemonsstraat of naar het zuiden richting de Voltastraat of de Bredaseweg om de wijk te verlaten.

Stantec | 20220220 Ontwerp Bestemmingsplan Philipslaan 63 te Roosendaal 38

Parkeren Op eigen terrein worden tenminste 21 parkeerplaats aangelegd. De parkeerbehoefte is echter 1,8 parkeerplaatsen per woning, dus 38 in totaal. Een deel van de parkeerplaatsen wordt daarom aangelegd in de openbare ruimte, waarbij ook 9 parkeerplaatsen voor openbaar gebruik gerealiseerd of gehandhaafd dienen te worden.. Deze parkeerplaatsen maken geen deel uit van onderliggend bestemmingsplan. Deze zijn echter wel geschikt in het kader van dubbelgebruik. Ten tijde van de activiteit van de supermarkt waren er al parkeerplaatsen die werden gebruikt door bezoekers van de supermarkt. Nu de supermarkt is verdwenen, kan van deze parkeerplaatsen gebruik worden gemaakt door bewoners.

Stantec | 20220220 Ontwerp Bestemmingsplan Philipslaan 63 te Roosendaal 39

6.0

JURIDISCHE ASPECTEN

6.1

STANDAARD VERGELIJKBARE BESTEMMINGSPLANNN (SVBP)

De Standaard Vergelijkbare Bestemmings Plannen (hierna SVBP 2012), die voortvloeit uit de Wet ruimtelijke ordening, maakt het mogelijk om bestemmingsplannen te maken die op vergelijkbare wijze zijn opgebouwd en op een zelfde manier worden verbeeld. De SVBP 2012 geeft bindende standaarden voor de opbouw en de verbeelding van het bestemmingsplan, zowel digitaal als analoog. Dit om de gewenste vergelijkbaarheid zeker te stellen. De standaarden hebben geen betrekking op de toelichting van het bestemmingsplan. Wel dient het bestemmingsplan van een toelichting vergezeld te gaan. Het bestemmingsplan zelf bestaat uit een verzameling geografische bepaalde objecten, die zijn opgeslagen in een digitaal ruimtelijk informatiesysteem. De objecten zijn voorzien van bestemmingen met bijbehorende doeleinden en regels. Er wordt uitdrukkelijk op gewezen dat de standaarden geen betrekking hebben op de inhoud van een bestemmingsplan.

6.2

OPZET VAN DE NIEUWE BESTEMMINGSREGELING

6.2.1

Uitgangspunten en doelstellingen

Het centrale onderdeel van een bestemmingsplan is de bestemming. Ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening worden aan de in het plan begrepen grond bestemmingen toegewezen met bijbehorende doeleinden. Aan de bestemmingen zijn regels gekoppeld over het gebruik van de in het plan begrepen grond en van de zich daar bevindende bouwwerken. Kenmerk van bestemmingen is dat het gehele plangebied ermee is bedekt. Elke bestemming is geometrisch bepaald. Een bestemmingsplan kan ook dubbelbestemmingen bevatten. Deze overlappen bestemmingen en geven eigen regels, waarbij sprake is van een rangorde tussen de bestemmingen en de dubbelbestemmingen. De dubbelbestemmingen hoeven het gehele plangebied niet te bedekken. Aanduidingen worden gebruikt om bepaalde zaken binnen een bestemming of dubbelbestemming nader of specifieker te regelen. Het gaat hierbij om specificaties met betrekking tot het gebruik of de bouwmogelijkheden. De aanduidingen hebben daardoor juridische betekenis en komen ook altijd in de regels van het bestemmingsplan voor. Het uitgangspunt bij het opstellen van het bestemmingsplan is dat de van kracht zijnde regelingen zodanig worden geactualiseerd dat samenhangende, op actuele beleidsinzichten en gebruikerswensen afgestemde bestemmingsregelingen ontstaan.

Als doelstellingen en uitgangspunten kunnen daarbij worden onderscheiden: • Rechtszekerheid en klantgerichtheid, dat wil zeggen voor de burger een duidelijk, toegankelijk en op actuele behoeften en eisen afgestemd plan. • Makkelijke toepasbaarheid en hanteerbaarheid voor de gemeentelijke diensten, een plan waaraan bouwaanvragen op heldere wijze kunnen worden getoetst met als resultaat een minimale bestuurslast. • Duidelijkheid en inzichtelijkheid van hetgeen is toegestaan, dit houdt in dat de bestemmingen met hun bouw- en gebruiksmogelijkheden zoveel als mogelijk is via de verbeelding zichtbaar worden gemaakt.

Stantec | 20220220 Ontwerp Bestemmingsplan Philipslaan 63 te Roosendaal 40

6.2.2

Opbouw regels

De opbouw van de regels is gelijk aan Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen 2012. a. De opbouw van de regels is als volgt: • Betekenisafspraken (Hoofdstuk 1 Inleidende regels); • De gebruiks- en bouwregels per bestemming (Hoofdstuk 2 Bestemmingsregels); • Algemene regels (Hoofdstuk 3 Algemene regels); • Overige regels (Hoofdstuk 4 Overgangs- en slotregels). b. Een bestemmingsartikel (Hoofdstuk 2 Bestemmingsregels) wordt uit de volgende leden in deze volgorde opgebouwd: • Bestemmingsomschrijving; • Bouwregels; • Nadere eisen; • Specifieke gebruiksregels; • Afwijken van de gebruiksregels; • Omgevingsvergunning; • Wijzigingsbevoegdheid. De specifieke nadere eisenregelingen, bevoegdheden om af te wijken van de regels en wijzigingsbevoegdheden en mogelijk aanlegvergunningregels zullen zoveel mogelijk per bestemming worden opgenomen. Hierdoor wordt direct per bestemming inzicht geboden in de eventuele afwijkingsmogelijkheden en onnodig verwijzen naar andere artikelen voorkomen. Deze werkwijze bevordert de toegankelijkheid van het bestemmingsplan. Er wordt derhalve voor de volgorde van de regels een standaardindeling gehanteerd.

6.2.3

Flexibiliteitsregels

Aan het bestemmingsplan kan flexibiliteit worden toegevoegd door met een omgevingsvergunning af te wijken van de regels, het stellen van nadere eisen of een wijzigingsbevoegdheid. Dit flexibiliteitinstrumentarium kent zekere begrenzingen. Het is niet mogelijk om met een omgevingsvergunning een bestemmingswijziging tot stand te brengen. Een nadere eis mag slechts worden gesteld per afzonderlijk geval en geen algemene regel inhouden. Bovendien moet het bestemmingsplan al een regel bevatten omtrent het punt ten aanzien waarvan een nadere eis wordt gesteld. Op basis van het vorenstaande wordt voor het opnemen van flexibiliteitsregels de volgende benadering gehanteerd: • Flexibiliteitregels alleen gebruiken als van een wezenlijke belangenafweging sprake kan zijn, voor de onderbouwing waarvan de toelichting de noodzakelijke bouwstenen bevat. • Bij het besluit tot het opnemen van flexibiliteit planschade risico meewegen. • Nadere eisen alleen stellen als er als regels zijn opgenomen met betrekking tot hetzelfde onderwerp. De hoofdlijn bij het bestemmen is dat zo helder als mogelijk wordt vastgelegd wat vastgelegd kan worden. Daar waar zekerheid over bestaat in de plannen worden die plannen zo helder als mogelijk vastgelegd. Als er meer onzekerheid is wordt deze onzekerheid ook vertaald in het bestemmingsplan.

Stantec | 20220220 Ontwerp Bestemmingsplan Philipslaan 63 te Roosendaal 41

Het plan kent de volgende enkelbestemmingen:

Verkeer De gronden met de bestemming Verkeer zijn bedoeld voor parkeervoorzieningen, beplantingen, watergangen en andere waterpartijen en voorzieningen ten behoeve van algemeen nut.

Wonen – 5 De gronden met de bestemming Wonen – 5 zijn bedoeld voor woningen en aan huis gebonden beroepsof bedrijfsmatige activiteiten. Ter plaatse van de aanduiding gestapeld zijn gestapelde woningen mogelijk. Het plan kent de volgende dubbelbestemmingen:

Waarde – Archeologie 2 De voor Waarde - Archeologie 2 aangewezen gronden zijn, naast het bepaalde in de andere voor die gronden aangewezen bestemmingen, bestemd voor het behoud van middelhoge archeologische waarden.

Waarde – Cultuurhistorie De voor 'Waarde - Cultuurhistorie' aangewezen gronden zijn mede bestemd voor het behoud van de aanwezige cultuurhistorische waarden in het gebied, in dit geval een woningbouwproject uit de wederopbouwperiode.

Stantec | 20220220 Ontwerp Bestemmingsplan Philipslaan 63 te Roosendaal 42

7.0

ECONOMISCHE UITVOERBAARHEID

7.1

ECONOMISCHE UITVOERBAARHEID

7.1.1

Exploitatieverplichting

De gronden zijn in eigendom van de initiatiefnemer. Alle voorbereidings- en uitvoeringskosten komen voor rekening van de initiatiefnemer. Tussen de gemeente Roosendaal en de initiatiefnemer is een anterieure overeenkomst gesloten. Het plan is voor de gemeente Roosendaal derhalve een kostenneutrale ontwikkeling. Op basis van het bovenstaande wordt geconcludeerd dat het opstellen van een exploitatieplan achterwege kan blijven. De economische uitvoerbaarheid is hiermee gewaarborgd.

Stantec | 20220220 Ontwerp Bestemmingsplan Philipslaan 63 te Roosendaal 43

8.0

OVERLEG EN INSPRAAK

8.1

OVERLEG

In het kader van het overleg ex artikel 3.1.1 Besluit ruimtelijke ordening is het voorontwerp bestemmingsplan toegezonden aan diverse instanties, namelijk de provincie, het waterschap en de veiligheidsregio. Het waterschap is akkoord maar geeft wel het volgende aan: “Wij verzoeken u in de waterparagraaf aandacht te schenken aan het gebruik van milieuvriendelijke bouwmaterialen en het achterwege laten van uitlogende bouwmaterialen, zoals lood, koper, zink en zacht PVC. Deze stoffen kunnen zich ophopen in het water(bodem)systeem en hebben hierdoor een zeer nadelige invloed op de water(bodem)kwaliteit en ecologie.” In paragraaf 4.6 is deze verwijzing opgenomen. De vooroverleginstanties Provincie en veiligheidsregio hebben aangegeven akkoord te zijn.

8.2

INSPRAAK

Het voorontwerpbestemmingsplan heeft met ingang van 12 september 2022, gedurende zes weken ter inzage gelegen in het kader van de inspraakprocedure. Gedurende deze periode is geen inspraakreactie ontvangen. De vooroverleginstanties Provincie, Waterschap en veiligheidsregio hebben aangegeven akkoord te zijn.

8.3

ZIENSWIJZEN

Het ontwerpbestemmingsplan ‘Philipslaan 63’ heeft vanaf 14 augustus 2023 gedurende zes weken ter inzage gelegen. Gedurende die termijn was er de mogelijkheid een zienswijze in te dienen. Er zijn geen zienswijzen ingekomen.

Stantec | 20220220 Ontwerp Bestemmingsplan Philipslaan 63 te Roosendaal 44

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://raad.roosendaal.nl/api/v1/meetings/1452/documents/40113