121050 Kabaal in Roosendaal. Rapport.pdf
Tekst van het document
Een evaluatie van de aanpak van de vuurwerkrellen in Roosendaal van november 2020
Kabaal in Roosendaal Timo Peeters Amella Mesic Hans Boutellier
Kabaal in Roosendaal Een evaluatie van de aanpak van de vuurwerkrellen in Roosendaal van november 2020
Auteurs Timo Peeters Amella Mesic Hans Boutellier
Utrecht, april 2021
2
Inhoud 1 Introductie 1.1. Probleemstelling en opzet 1.2. Methode
4 4 5
2 Reconstructie van de aanpak 2.1. De aanpak op korte termijn 2.2. De aanpak in de nasleep
6 6 8
3 Evaluatie 3.1. Operationaliteit en uitvoerbaarheid beleidsuitgangspunten 3.2. Proportionaliteit en subsidiariteit instrumentarium 3.3. Scenario’s 3.4. De samenwerking en besluitvorming 3.5. Informatievoorziening en -deling 3.6. Inwonersperspectief
10 10 12 14 14 17 19
4 Kabaal in Roosendaal: de geleerde lessen 4.1. Tweesporenbeleid 4.2. Succes- en faalfactoren 4.3. Verbinding met wijk en wijkbewoners
21 21 21 22
Literatuur24
3
1
Introductie
Vuurwerkoverlast, vernielingen, brandstichting, vuurwerkbommen en molotovcocktails die naar de politie gegooid werden: eind november 2020 waren er grote ongeregeldheden in de gemeente Roosendaal, die begonnen in de wijk Kalsdonk en oversloegen naar andere wijken. Het leidde tot een aantal ingrijpende maatregelen vanuit de gemeente, het Openbaar Ministerie en de politie om de openbare orde te herstellen - o.a. samenscholingsverboden, preventief fouilleren, het doorzoeken van auto’s, en het ‘op slot zetten’ van een aantal wijken. Maar de Roosendaalse reactie op de rellen kenmerkte zich niet alleen door de harde hand. Er kwam ook een uitgestoken hand. Er werd een jongerenprogramma op touw gezet in de weken na de ongeregeldheden, vanuit de gedachte dat het vuurwerkverbod en de ‘coronaverveling’ mogelijke katalysatoren zijn voor verdere ongeregeldheden. Ook ging de burgemeester met jongeren in gesprek. Daarnaast werd het voornemen uitgesproken om de rellen ten positieve aan te wenden en iets te doen aan de structurele problemen in de wijken die het toneel vormden van de rellen. In een raadsdebat van de gemeente Roosendaal op 10 december 2020 is gevraagd om een onderzoek naar de aanpak van de ongeregeldheden door de gemeente en haar veiligheidspartners en het daarbij ingezette instrumentarium tijdens de ongeregeldheden en in de nasleep ervan.
Het onderhavige onderzoek geeft gehoor aan deze vraag. We merken daarbij op dat het beoogde Roosendaalse tweesporenbeleid, met aandacht voor zowel de korte termijn als de (midden-)lange termijn, en zowel een regulerende als een sociaaleconomische component, een bewezen pad volgt (Boutellier, Boelens & Hermens 2019; Peeters & Boutellier 2020; Noordanus
e.a. 2021). Hoewel dit onderzoek geen onderzoek is naar de oorzaken van de ongeregeldheden, lijkt er consensus te bestaan in Roosendaal over het feit dat ze niet los te zien zijn van de problemen die spelen in deze wijken. Net zoals ze niet los te zien zijn van de coronaverveling onder met name jongeren en het vuurwerkverbod dat half november 2020 afgekondigd werd. Binnen een dergelijke context, zo weten we uit onderzoek, kan een louter repressieve reactie vanuit de overheid de voedingsbodem van ongeregeldheden niet wegnemen. Sterker nog, een overheid die zich in zo’n geval alleen bestraffend laat zien, loopt het risico stigmatisering en wrok ten opzichte van een overheid in de hand te werken (Wacquant 2009). De harde hand en de uitgestoken hand, in andere woorden, ontlenen hun kracht áán elkaar en komen tot hun recht in combinatie mét elkaar. De vraag die in dit onderzoek centraal staat is in hoeverre het tweesporenbeleid van de Roosendaalse aanpak gerealiseerd is. De oplettende lezer zal zich afvragen of ons onderzoek, dat plaatsvond een aantal maanden na de ongeregeldheden, niet te vroeg komt om iets te kunnen zeggen over de lange-termijnaanpak. Dit is ontegenzeggelijk het geval. Wel zijn we van mening dat we, op basis van ons onderzoek, iets kunnen zeggen over wat voor de lange termijn nodig is om de aanpak te laten slagen. We komen er later op terug.
1.1.
Probleemstelling en opzet
De evaluatie bestaat uit drie delen. We beginnen met een korte reconstructie die we zo feitelijk mogelijk proberen te houden: hoe heeft de aanpak eruit gezien en, in het bijzonder, voor welke strategie werd gekozen? Welk bestuurlijk en strafrechtelijk instrumentarium is ingezet tijdens en na de ongeregeldheden? En hoe is hier over gecommuniceerd (met verschillende doelgroepen)? Steeds wordt gekeken naar welke partijen hierbij betrokken waren.
4
Aansluitend hierop volgt een aantal vragen waarmee we de aanpak in volle breedte proberen te evalueren. De volgende vragen worden opgeworpen en beantwoord: z z z z z z
Waren de beleidsuitgangspunten voldoende operationeel duidelijk en uitvoerbaar? Was het ingezet instrumentarium proportioneel en subsidiair? Is tijdig aandacht besteed aan verschillende scenario’s en de mogelijke gevolgen ervan? Hoe verliep de samenwerking en besluitvorming tussen de gemeente en haar veiligheidspartners? Hoe verliep de informatievoorziening en -deling? Is in voldoende mate gebruik gemaakt van beschikbare informatie, kennis en deskundigheid? Wat vonden de inwoners van de maatregelen en de wijze waarop hierover gecommuniceerd werd?
werden twee of meer personen tegelijk geïnterviewd. De interviews werden gehouden in februari en maart 2021. Het rapport volgt de hierboven geïdentificeerde stappen. Het betekent dat we beginnen met een korte reconstructie van de aanpak (hoofdstuk 2) om vervolgens deze aanpak te evalueren (hoofdstuk 3) en hier lessen aan te verbinden (hoofdstuk 4).
In het laatste deel van het rapport identificeren we de geleerde lessen uit de evaluatie. Het betekent dat de evaluatie zich niet alleen op het verleden richt, maar ook op de toekomst.
1.2.
Methode
Het onderzoek is erop gericht geweest om de verschillende actoren die vorm en invulling hebben gegeven aan de aanpak van de ongeregeldheden te laten reflecteren op de aanpak. Het ging hierbij om mensen van de gemeentelijke organisatie: van burgemeester tot beleidsadviseur en van wethouder tot jurist. Maar ook bijvoorbeeld om mensen van de politie (wijkagent, teamchef, SGBO), het Openbaar Ministerie, de brandweer en de provinciale organisatie (piketfunctionaris van de commissaris van de Koning). In totaal spraken we, verdeeld over twintig interviews, met 47 personen die betrokken zijn geweest bij de aanpak. Vanwege de coronamaatregelen betroffen het steeds digitale interviews. In acht gevallen ging het om individuele interviews. In twaalf gevallen 5
2
Reconstructie van de aanpak
In dit hoofdstuk geven we op basis van interne documenten van de gemeente Roosendaal, waaronder de noodverordeningen en de notulen van de overleggen binnen de Lokale Driehoek, een reconstructie van de aanpak van de ongeregeldheden eind november 2020. In die aanpak is zowel oog geweest voor de korte termijn, met als belangrijkste doel het laten wederkeren van de rust, als voor de midden-lange en lange termijn. Vanaf het begin in de aanpak was namelijk duidelijk dat er niet alleen brandjes geblust moesten worden in de wijken, letterlijk en figuurlijk, maar dat het gesprek met de jeugd aangegaan moest worden. Ook moest er wat gebeuren aan de coronaverveling onder jongeren. We bespreken allereerst de aanpak op korte termijn, waarna we ingaan op de aanpak op de midden-lange termijn. De lange-termijnaanpak blijft buiten beschouwing in dit hoofdstuk gezien het feit dat deze nog niet te reconstrueren is.
2.1.
De aanpak op korte termijn
De aanpak op korte termijn was om te beginnen gericht op de relschoppers: zij moesten uit de anonimiteit gehaald worden, zodat zij strafrechtelijk dan wel bestuursrechtelijk aangepakt konden worden. Om deze reden stelde de politie een lijst op van jongeren die zij kende en herkende als relschoppers. Naast deze persoonlijke aanpak, was er op korte termijn ook sprake van een algemene aanpak. De inwoners van Roosendaal moesten een ‘redelijk doel’ hebben om de wijken waar de noodverordening gold in te kunnen. Het preventief fouilleren en het cameratoezicht hadden een impact op de privacy van de bewoners. We zullen in deze paragraaf stilstaan bij beide aspecten van de aanpak.
In het weekend van 20, 21 en 22 november 2020 begon de onrust in de wijken Kalsdonk en Langdonk in Roosendaal. De politie werd ingezet om de situatie onder controle te krijgen. Het lukte echter niet om de geest weer in de fles te krijgen. Om deze reden kwamen op maandag 23 november de politiechef, het OM, de burgemeester en een veiligheidsadviseur bijeen. Tijdens dat overleg werd besproken dat er in ieder geval extra politiecapaciteit nodig was om het primaire doel te bereiken: de rust terug laten keren in een aantal wijken in Roosendaal. Om dat doel te bereiken, werd de volgende strategie bepaald: 1. 2. 3. 4.
Eerst inzetten op de raddraaiers (observeren en vervolgen via strafrecht en bestuurlijke maatregel opleggen). Groepsvorming niet toestaan. Hierdoor rust creëren in de wijk. De jongeren die overblijven middels een goed netwerk opvangen, naar luisteren en alternatieven bieden. Daarna met andere partners de wijk in om de rust te houden voor de komende weken. Geen ME inzetten tenzij er grote schade aan personen/ objecten plaatsvindt. De inzet van ME altijd in overleg met de burgemeester.
Diezelfde maandagavond (23 november) brak grote onrust uit in Langdonk. De burgemeester was die avond ter plaatse en aanschouwde de onrustige situatie. Er werd veel vuurwerk afgestoken en er werden diverse branden gesticht. In de daaropvolgende dagen vonden diverse overleggen plaats van de lokale driehoek met daarin in ieder geval aanwezig de burgemeester, de gebiedsofficier van het OM en de teamchef van de politie. Noodbevel en noodverordening Van 24 tot en met 28 november 2020 vond iedere dag een overleg met de lokale driehoek plaats. Tijdens de eerste bijeenkomst (24 november 2020) werd besloten om een noodbevel in te stellen in de wijk Langdonk: personen mochten 6
zich vanaf 24 november 23.00 uur tot de volgende ochtend niet meer zonder redelijk doel bevinden in die wijk. Een dag later, op 25 november, werd in de lokale driehoek besloten om over te gaan tot een noodverordening voor de wijken Kalsdonk, Langdonk, Kroeven en Westrand. Deze noodverordening hield het volgende in: een vuurwerkverbod, een samenscholingsverbod, een verbod op toegang in de wijken zonder redelijk doel en een verbod om in die gebieden objecten bij te hebben die als wapens kunnen fungeren. De noodverordening kon uiterlijk tot en met 9 december 2020 gelden. Op 28 november werd deze noodverordening ingetrokken en kwam er een nieuwe noodverordening welke nu in vijf wijken (de eerder beschreven wijken én Kortendijk) ingesteld was en waarin meer overlastfeiten (de eerder beschreven feiten én brandstofverbod en verbod op gezichtbedekkende kleding) waren opgenomen. Verder werden Kalsdonk en Langdonk aangewezen als veiligheidsrisicogebieden waar de politie preventief mocht fouilleren. Daarnaast kwam er cameratoezicht in de wijken waar de onrust het grootst was en waar de noodverordening van kracht was.
Over de noodverordening werden burgers geïnformeerd via persberichten, digitale billboards, tekstkarren, websites, sociale media (waaronder de Facebook, Instagram en Twitter van de gemeente Roosendaal en de burgemeester) en via een Q&A en webcare waarin inwoners hun vragen konden stellen over de (gevolgen van de) noodverordening. Op 1 december 2020 om 15:00 uur werd de noodverordening ingetrokken. Aanspreken van ouders en jongeren Naast het noodbevel en de noodverordening werd ten tijde van de ongeregeldheden energie gestoken in het toespreken van Roosendaalse ouders en jongeren. Zo schreef de burgemeester op 26 november een brief aan alle ouders met thuiswonende kinderen van 12 tot 23 jaar waarin hij ouders aansprak op hun verantwoordelijkheden ten aanzien van hun kinderen en hen adviseerde het gesprek aan te gaan over de vuurwerkrellen met hun kinderen (of hun kinderen nu wel of niet betrokken waren bij de rellen). In totaal werden circa 6.100 brieven verstuurd naar ouders. Daarnaast bezocht de wethouder Jeugd en Onderwijs middelbare scholen om in gesprek te gaan met leerlingen over de rellen.
Beleidsuitgangspunten Tijdens de overleggen in de lokale driehoek, kwamen de beleidsuitgangspunten iedere keer aan bod. Op 24 november 2020 waren de volgende beleidsuitgangspunten van kracht: z
z z
z
z
Samenscholing vanaf twee personen is verboden (APV art. 2.1) en personen waarvan vermoedens bestaan dat zij vuurwerk op zak hebben, worden gefouilleerd (Wet economische delicten). Dit wordt door de burgemeester naar de pers gecommuniceerd. De politie heeft voldoende capaciteit om deze twee aspecten waar te maken. Andere vormen van misdrijven worden tevens aangepakt: openlijke geweldpleging, brandstichting etc. Bij overtreding kan een gebiedsverbod door politie opgelegd worden. Bij een nieuwe overtreding kan een gebiedsverbod opgelegd worden op basis van de gemeentewet (Voetbalwet) met meldplicht. Bij concrete aanwijzingen doet politie in overleg met OvJ huiszoeking ten behoeve van vuurwerk. Indien gemeentelijke bevoegdheden kunnen helpen, kan dat in overleg een mogelijkheid bieden. Het aanwijzen van een veiligheidsrisicogebied is afhankelijk van een goede bestuurlijke rapportage die in overleg met het OM wordt opgeleverd door de politie.
Een dag later werden de beleidsuitgangspunten bijgesteld. Vanaf 25 november tot en met 28 november golden de volgende beleidsuitgangspunten: z z z
Het maken van verbinding en het vergaren van informatie (namen van raddraaiers). Richten op herstel van de openbare orde en veiligheid en daarmee rust in de wijken. Opvolging geven aan de noodverordening, eventueel overgaan tot aanhouding. 7
z z
Opsporing van strafbare feiten (zero tolerance). Indien informatievergaring, de-escalatie, handhaving noodverordening niet werken, dan is ME stand-by op de achtergrond (tijdens de laatste bijeenkomst werd het aanwijzen van een veiligheidsrisicogebied hierbij toegevoegd, alsook de inzet van ME).
1.
2. 3.
2.2.
De aanpak in de nasleep
In de aanpak van de ongeregeldheden werd direct rekening gehouden met de midden-lange termijn en de lange termijn. De rellen ontstonden namelijk niet zonder reden, zo werd geredeneerd. De coronacrisis beperkte de vrijheid van veel jongeren. Zij konden een lange tijd niet naar school, de sportclub en/of het café. Ook het afspreken met de vriendengroep kon niet of alleen in afgeslankte vorm. De rellen zouden, in ieder geval ten dele, een gevolg zijn van de ‘coronavermoeidheid’ onder jongeren en het vuurwerkverbod dat half november wordt afgekondigd. En alhoewel de rust vrij snel wederkeerde door de genomen maatregelen, was waakzaamheid geboden. Immers, de coronamaatregelen waren nog steeds van kracht en Oud en Nieuw stond om de hoek. Om te voorkomen dat de vlam weer in de pan zou slaan rondom de jaarwisseling, werd gezocht naar middelen om de verveling bij jongeren tegen te gaan en met jongeren in gesprek te gaan. In de week na de rellen vonden daarom gesprekken plaats in de verschillende wijken tussen de burgemeester en jongeren. Ook bezochten de burgemeester en wethouders samen met de politie, opbouwwerkers en buurtpreventieleden de vijf wijken waar overlast was geweest en gingen zij in gesprek met inwoners (zij deden dit op 30-11-21 t/m 04-12-2021).
Verder werd er een jongerenprogramma ontwikkeld met als doel Roosendaalse jongeren (niet alleen de relschoppers) alternatieve activiteiten aan te bieden. De volgende activiteiten werden onder andere georganiseerd:
4. 5.
6.
Nu of Nooit. Een samenwerking tussen het Korps Commando Troepen en De Harde Leerschool in Roosendaal resulteerde in een vierdaagse ‘commandotraining’. Ruim 70 jongeren deden hieraan mee. Duo Fortnite Toernooi. Aan dit vierdaagse toernooi deden ongeveer 200 jongeren uit Roosendaal mee. Maria’s eeuwige villa. Inwoners van Roosendaal konden meedoen aan een digitale escaperoom. Kickboksen en voetbalclinics. In de Westrand, Kalsdonk en Langdonk zijn jongeren op diverse dagen actief bezig geweest met kickboksen en voetbal. FIFA Politie toernooi. In samenwerking met de landelijke politie is een online FIFA toernooi opgezet. Deelnemers uit verschillende steden streden tegen elkaar. Graffiti workshops. In diverse wijken, waaronder Tolberg, Westrand, Kalsdonk en Langdonk, zijn in de open lucht graffiti workshops gegeven.
Om de activiteiten onder de aandacht te brengen bij de jeugd, werd er een marketingcampagne gestart, genaamd ‘Iets te doen’. De jeugd werd via (digitale) borden in de stad, social media en websites op de hoogte gebracht van de activiteiten. Tot slot werden in december 2020 extra jongerencentra geopend en meer straathoekwerkers en jongerenwerkers ingezet in de wijk. Dit alles om meer contact met jongeren te krijgen en zo uiteindelijk meer rust in en grip op de wijken te krijgen. Ook werden er samenwerkingen aangegaan tussen onder andere jongerenwerk, straathoekwerk Spring, Aleco, Stichting Open Door, handhaving, wijkagenten, buurthuizen, opbouwwerk, streetcoaches en veiligheidsadviseurs van de Gemeente Roosendaal. Verder trachtte de burgemeester de jeugd op een bijzondere manier te bereiken: via een rap. Aanleiding van de rap was het gevoel van discriminatie bij een deel van de jeugd. Burgemeester Han van Midden opent de rap met de volgende woorden: 8
‘Ja mannen, ik begrijp hoe ongelooflijk irritant het moet zijn als je elke keer weer wordt staande gehouden. In jullie situatie zou ik dat net zo irritant vinden. Maar er is natuurlijk wel een reden waarom dit gebeurt. Ik wil het met jullie hebben over die reden.’ De rap werd uitgebracht op oudejaarsdag, wat wederom een dag was waarop Roosendaal werd geteisterd door rellen, hoewel van minder destructieve aard dan de novemberrellen. Ook naar aanleiding van het instellen van de avondklok in januari 2021 ging het weer mis in Roosendaal. Zo erg als in november van het jaar ervoor liep het echter niet meer uit de hand.
9
3
Evaluatie
De reconstructie uit het vorige hoofdstuk laat een beeld zien van ongeregeldheden die snel oplaaien, maar uiteindelijk ook beperkt blijven tot een aantal dagen. Hiervoor was wel een aantal forse maatregelen nodig, waarbij met name het op slot zetten van wijken (noodverordening) en het preventief fouilleren opvallen. In de nasleep ervan is een jongerenprogramma op touw gezet om de coronaverveling – en daarmee nieuwe ongeregeldheden - tegen te gaan. In dit hoofdstuk nemen we de processen die achter deze aanpak liggen onder de loep. We evalueren respectievelijk de operationaliteit en uitvoerbaarheid van de beleidsuitgangspunten die geformuleerd werden in de lokale driehoek; de proportionaliteit en subsidiariteit van het bestuursrechtelijk en strafrechtelijk instrumentarium dat is ingezet; de mate waarin rekening is gehouden met verschillende scenario’s en de mogelijke gevolgen daarvan; de samenwerking en besluitvorming; de informatievoorziening en -deling; en de wijze waarop gecommuniceerd is. Tot slot proberen we ook het buitenperspectief binnen te halen aangaande deze processen door ons te buigen over de vraag wat de inwoners vonden van de maatregelen en de wijze waarop hierover gecommuniceerd werd.
3.1.
Operationaliteit en uitvoerbaarheid beleidsuitgangspunten
De eerste evaluatievraag die we behandelen richt zich op de operationaliteit en uitvoerbaarheid van de beleidsuitgangspunten. Was de strategie voor iedereen duidelijk? En was deze goed uit te voeren? Het zwaartepunt ten aanzien van het formuleren van de beleidsuitgangspunten lag bij de lokale driehoek, bestaande uit de burgemeester, de gebiedsofficier van het Openbaar Ministerie en de
teamchef van de politie. Dit was het strategisch middelpunt van de aanpak van de rellen. De burgemeester is daarbij verantwoordelijk voor de handhaving van de openbare orde en het Openbaar Ministerie draagt de verantwoordelijkheid voor de opsporing en vervolging. De politie staat onder duaal gezag en is, om in de woorden van de gebiedsofficier te spreken, een ‘zeer serieuze derde partij’ in de driehoek. Zoals eerder is gebleken, kende de aanpak zowel een harde hand (korte termijn) als een uitgestoken hand (midden-lange termijn, lange termijn). De eerste werd ingezet om de geest in een aantal wijken weer terug in de fles te krijgen. Deze heeft zowel een algemene component, het op slot zetten van wijken, als een persoonlijke component die zich richt op het identificeren en aanhouden van rellende personen. De tweede had als doel in gesprek te raken met de jongeren en iets voor de jongeren te doen om de coronaverveling tegen te gaan. Het is een strategie die vervolgens zijn weg dient te vinden naar uitvoerende professionals en partijen. Respondenten geven over het algemeen aan dat het duidelijk was wat van hen verwacht werd. Jeugdwerkers en straathoekwerkers maken lange dagen op straat om in gesprek te gaan met de jongeren.
BOA’s zorgen voor het toezicht in de andere wijken in Roosendaal, zodat de politie zich kan richten op de wijken waar de ongeregeldheden plaatsvinden; politie en ME gaan de straat op met als doel de orde te herstellen, niet in de laatste plaats door relschoppers te identificeren en aan te houden - de driehoek vraagt ‘namen en rugnummers’. Twee zaken vallen hierbij in kritische zin op. Allereerst geven sommige respondenten aan dat de politie een moeizame start heeft. Deze zou zich in eerste instantie niet aan de instructies hebben gehouden die volgen uit de lokale driehoek. Daarnaast is er onduidelijkheid over de beleidsuitgangspunten bij een aantal respondenten die wel bij de aanpak betrokken waren, maar niet direct bij het driehoeksoverleg. We bespreken ze kort in bovenstaande volgorde. 10
Moeizame start politie Roosendaal wordt overrompeld door de rellen. De burgemeester ziet dit zelf op maandagavond 23 november bij een bezoek aan de wijk Langdonk. Hij ziet een politie en een ME die ogenschijnlijk niets doen omdat ze, zo vertelt een van de agenten de burgemeester, het niet willen laten ontaarden in een kat en muisspel. Als gevolg hiervan roept de burgemeester de driehoek bij elkaar op dinsdagochtend 24 november. Hier wordt een aantal beleidsuitgangspunten geformuleerd. De politie krijgt die dag als opdracht mee om mensen die over de schreef gingen aan te houden voor bijvoorbeeld openbaar openlijk geweld en/of wapenbezit. Die dag worden er echter geen, of nauwelijks, relschoppers geïdentificeerd. Ook worden er geen aanhoudingen verricht of boetes uitgeschreven, terwijl de rellen voortduren. Aan het uitblijven hiervan worden verschillende verklaringen gegeven. Vanuit de kant van de politie wordt de lastigheid van de opdracht benadrukt. Een wijkagent gaf aan dat het heel moeilijk werken is in een donkere omgeving, met grote groepen jongeren die allemaal hetzelfde gekleed zijn en mondbedekking dragen. ‘Je kunt jongeren niet herkennen.’ De districtchef laat de burgemeester weten dat de politie moeite heeft met de uitvoering, omdat ze de politie niet voldoende geëquipeerd achtte. Het is een verklaring waarmee de burgemeester geen genoegen neemt.
Burgemeester: ‘Dan zorg je maar dat je daar geëquipeerd voor bent, je hebt het hele plein vol staan met agenten.’ Dat de burgemeester bezorgd is over de aansturing van de politie blijkt ook uit het feit dat hij zijn zorgen uitspreekt bij Theo Weterings (o.a. burgemeester van Tilburg en voorzitter van de veiligheidsregio), die in de hoedanigheid van regioburgemeester van de politie-eenheid Zeeland/West-Brabant contact opneemt met de plaatsvervangend korpschef van de politie Zeeland/West-Brabant met de boodschap dat hij van de politie verwacht dat deze doet wat van hen gevraagd wordt door de lokale driehoek.
Ook de veiligheidsadviseurs van de burgemeester stellen dat zij geschrokken zijn over het niveau van uitvoering door de politie op die dinsdag. Wat hen daarbij opviel was het gebrek aan juridische kennis bij de politie. Met artikel 2.1 APV (samenscholing en ongeregeldheden) had de politie ‘alle mogelijkheden om aan te pakken’, maar dit artikel hadden ze niet op het netvlies. Na dinsdag wordt de uitvoering van de politie, ook naar de smaak van de burgemeester en diens veiligheidsadviseurs, beter. Op het waarom hiervan komen we later terug Onduidelijkheid omtrent beleidsuitgangspunten Bij twee partijen ontstaat (in meer of mindere mate) onduidelijkheid over de strategie die ingezet wordt. Het betreft hier partijen die niet direct - of in ieder geval niet standaard - bij de driehoek vertegenwoordigd zijn, te weten een communicatieadviseur van de gemeente en de brandweer. De communicatieadviseur geeft aan dat de strategie van harde hand bij overtreding van de wet aan de ene kant en uitgestoken hand aan de andere kant niet proactief werd teruggekoppeld naar haar. Ze kon dit wel ontdekken in de stukken die ze las, maar moest hier zelf achter komen. ‘Als je dit eerder weet, kan je er ook eerder op analyseren.’ Het gebrek aan vaste terugkoppeling, zo stelt ze, is niet los te zien van het feit dat de groep communicatie niet op volle sterkte was.
Veiligheid is de enige groep in de gemeente Roosendaal waarbij de woordvoerder van de burgemeester geen vaste adviseur heeft. Een gat dat ontstaan is nadat de vorige adviseur een nieuwe functie kreeg. En omdat de woordvoerder zijn handen vol had met de pers ten tijde van de rellen, ging dit ten koste van de regie en structuur binnen de groep communicatie. Het hielp daarbij niet dat communicatie, vanwege de coronaregels, niet met een fysieke ‘newsroom’ konden werken, zoals ze dit normaal gesproken doen. In de newsroom zijn verschillende ‘dienstdoende’ disciplines vertegenwoordigd: een woordvoerder, een analist, een adviseur en een webcare medewerker. ‘Als er iets gebeurt, dan is het aan die vier personen om actie te ondernemen.’
11
Ook bij de brandweer waren de beleidsuitgangspunten van de aanpak niet duidelijk. Begrijpelijk, zo geeft een van de respondenten van de brandweer aan, gezien de onverwachtheid van de rellen in november. Maar ook bij Oud en Nieuw werd de brandweer niet meegenomen in het overleg in de lokale driehoek. Wel kwam de burgemeester langs over de afspraken die waren gemaakt. Maar, zo stellen de twee respondenten van de brandweer, ze hebben de brandweer niet betrokken bij het overleg en er is nog te weinig duidelijkheid over de verschillende scenario’s die zich kunnen voordoen bij dergelijke gebeurtenissen. Hier is nog winst te behalen, zo geven ze aan. Tegelijkertijd benadrukken ze de goede bescherming die ze hebben gekregen van de politie tijdens de ongeregeldheden: ‘Bij de eerste dagen van de rellen waren er onderling geen afspraken gemaakt, maar het was wel goed geregeld. We bevonden ons toen in één wijk en daar stonden we zij aan zij met de politie. Die begeleidde ons de wijk in met busjes en er ook weer uit. Toen wij ons werk uitvoerden, bijv. blussen van branden, stonden wij omsingeld door politie. Dat was voor ons een veilig idee. Ik heb zelf geen angst gehad dat de jongeren zich tegen ons zouden keren. De politie stond ons echt bij.’
3.2.
Proportionaliteit en subsidiariteit instrumentarium
De volgende evaluatievraag die aan de orde is richt zich op de proportionaliteit en subsidiariteit van het bestuurlijke en strafrechtelijke instrumentarium dat is ingezet. In dit verband is het belangrijk te beginnen met het feit dat niemand van de respondenten de ernst van de voorvallen bestrijdt en de ‘overrompelende snelheid’ - om een lid van het presidium te parafraseren - waarmee het uit de hand liep in een aantal wijken. Er wordt regelmatig gesproken over een ‘oorlogssituatie’, niet alleen door wijkbewoners (zie o.a. Hagenaars 27 november 2020; NOS 10 december 2020) maar ook bijvoorbeeld door de teamchef van de politie en een lid van het presidium. Het maakt dat respondenten die in de getroffen buurten woonden onze vragen vaak niet alleen vanuit hun functie
beantwoordden, maar ook als inwoners; geschrokken inwoners, soms met bange kinderen of, in een geval, een hond die de hele dag in een hoekje weggekropen zat. Dit is belangrijke informatie als we de proportionaliteit en subsidiariteit van de genomen maatregelen bezien. Immers, proportionaliteit draait om de vraag of het belang van een bepaalde maatregel in verhouding staat tot de inbreuk waarmee deze gepaard gaat. Bij subsidiariteit wordt gekeken naar of de maatregel de beste manier is om het te gestelde doel te bereiken. Of zijn er nog andere, ‘lichtere’ maatregelen die genomen kunnen worden? Zware maatregelen Uiteindelijk is er een aantal zware maatregelen genomen. Met name de noodverordening (in vijf wijken), het preventief fouilleren (in twee wijken) en het (tijdelijke) extra cameratoezicht zijn maatregelen die de vrijheden van burgers fors inperken, zeker in samenhang met elkaar. Let wel, het gaat hierbij om de vrijheden van alle Roosendalers in het desbetreffende gebied en niet alleen om de vrijheid van (mogelijke) relschoppers. Wat opvalt in de gesprekken met de respondenten is dat niemand de proportionaliteit en subsidiariteit van de maatregelen betwist. Dit is extra opvallend in het geval van het presidium, dat de verscheidenheid aan politieke kleuren in Roosendaal vertegenwoordigt.
Interessant gegeven daarbij is dat de burgemeester ervoor heeft gekozen om op dinsdagochtendvroeg alle fractievoorzitters te bellen met, in de woorden van de burgemeester, de volgende boodschap: ‘Jongens, heel eenvoudig, ik heb een hele week nodig om de geest terug in de fles te krijgen, ik ga alle mogelijkheden die ik heb uit de kast trekken, ook zware maatregelen die je niet verwacht in een gemeente als Roosendaal. En ik verwacht jullie steun voor een hele week, ik wil geen berichten in de media van ‘‘wat is die burgemeester aan het doen?’’’ Berichten in de media van ontevreden fractievoorzitters zouden nooit komen. De lijn van de redenatie bij respondenten, zowel van het presidium als daarbuiten, 12
is over het algemeen: het liep vreselijk uit de hand in een aantal wijken en dus moest er hard opgetreden worden. Tegelijkertijd geven veel respondenten die niet betrokken zijn geweest bij het driehoeksoverleg aan dat de afweging bij bijvoorbeeld het instellen van de noodverordening en het preventief fouilleren in de driehoek is gemaakt en dat zij daar niet over kunnen oordelen. Dit neemt niet weg dat respondenten gevoelsmatig met de maatregelen instemden. Niet te vroeg, niet te laat, niet te lang? Ook bij de betrokkenen van de driehoek wordt de proportionaliteit en de subsidiariteit van de genomen maatregelen niet betwist. In de woorden van een juridisch adviseur van de gemeente: ‘Iedere keer is bewust afgewogen welke bestuurlijke instrumenten ingezet konden worden. Hierbij zijn nadrukkelijk alle instrumenten aan bod gekomen en uiteindelijk bleek na het noodbevel de noodverordening in combinatie met de aanwijzing als veiligheidsrisicogebied én het cameratoezicht het enige instrument wat op dat moment het doel kon bereiken.’ Wel verschillen de inhoudelijke afwegingen die partijen maken ten aanzien van de proportionaliteit en de subsidiariteit van met name het preventief fouilleren. De burgemeester had de noodverordeningen tezamen met het preventief fouilleren al eerder willen invoeren.
‘Ik vind altijd dat als er angst in het spel is, dan is al gauw iets proportioneel,’ zo stelt hij. Het OM wilde hier in eerste instantie niet in meegaan. De gebiedsofficier is duidelijk over de proportionaliteitstoets die geldt bij preventief fouilleren. Het is een zwaar middel, zo legt zij uit, dat zijn wettelijke basis vindt in de Wet Wapens en Munitie (WWM) en daarom alleen kan worden gebruikt als er aanwijzingen zijn dat er wapens – zo gekenmerkt in de WWM - in het spel zijn. Uiteindelijk heeft ze akkoord gegeven voor preventief fouilleren toen op sociale media onder andere over shells, Molotov cocktails en ander zwaar gemodificeerd vuurwerk werd gesproken. Daarnaast waren er de waarnemingen van de politie, die spraken over enorme dreunen en knallen, en het feit dat er mensen waren die hun huis uit vluchtten van angst
vanwege het vuurwerk. Het betekende volgens de gebiedsofficier dat er teveel onschuldige inwoners in het gedrang waren en dat de rust moest wederkeren. Genoeg grond voor preventief fouilleren dus. De maatregel is in twee wijken ingezet – wijken waar al onrust was geweest en ten aanzien waarvan op sociale media ‘agendaatjes’ werden gedeeld over rellen. De gebiedsofficier: ‘Enerzijds werd alles uit de kast gehaald wat kon en proportioneel was, maar het werd ook niet doelloos ingezet, er werd steeds wel even afgewacht of het beter zou worden; nee, dan werd het ingezet. Er is altijd eerder over de maatregelen gesproken dan dat het werd toegepast.’ Tegelijkertijd draait de proportionaliteits- en subsidiariteitstoets niet alleen om het wel of niet instellen van een bepaalde maatregel, maar ook de lengte van de maatregel; steeds moet gekeken worden of de gronden voor het instellen van de maatregel blijven bestaan of dat er afgeschaald moet worden. Alle betrokken partijen in de driehoek benadrukken dat dit het geval is geweest. In de woorden van een juridisch adviseur van de gemeente: ‘Met de proportionaliteit en subsidiariteit in het achterhoofd, is het ook een belangrijk punt om aan te halen dat die maatregelen ook op tijd weer zijn ingetrokken. Die hebben we niet onnodig lang laten aanhouden.
Als de ernstige verstoring is geweken, moet je de noodverordening intrekken.’ Tekst noodverordening Ook de piketfunctionaris van de commissaris van de Koning – deze laatste moet op de hoogte worden gesteld van een noodverordening (artikel 176 Gemeentewet) - staat achter de genomen maatregelen. Wel zijn er kritische noten ten aanzien van de tekst van de noodverordening: ‘Qua proportionaliteit vond ik de omschrijving van ‘redelijk doel’ discutabel. Er stond namelijk: “het is verboden om zich te begeven in een bepaald gebied zonder redelijk doel. Onder redelijk doel wordt onder meer verstaan: als een persoon in de bevolkingsadministratie van het gebied woonachtig is, of als 13
een persoon werkzaam is in het gebied dan wel ingeschreven staat in een onderwijsinstelling van het gebied”. Ik ben toen gaan kijken wat er onder die gebieden valt. En daar vielen ook huisartsen, apotheken, supermarkten, horeca (maar die waren gesloten) onder … Ik heb wel eens eerder meegemaakt dat iemand rigoureus een artikel opnam waarin een soortgelijke beschrijving stond, maar dat betekent eigenlijk dat je alle bruiloftsfeesten en kroegfeesten niet door kunt laten gaan, omdat er altijd wel iemand van buiten komt. Het voordeel nu – eind november 2020 – was dat de horeca dicht was, maar iemand buiten het gebied zou hypothetisch gezien niet naar de huisarts of apotheek mogen om iets op te halen. Verder gebruikt het artikel nog de worden ‘onder meer’, en dat is niet wenselijk want dat biedt ruimte voor interpretatie aan de politie. Je mag geen mandaat geven aan de politie. Een noodverordening moet zo helder mogelijk zijn. Het is een bestuurlijk besluit en je moet voorkomen dat de politie aan de grenzen van de wijk gaat besluiten: ‘jij mag wel en jij mag niet naar binnen’. Dus het helpt de politie als je een zo helder mogelijke artikelbeschrijving hebt.’ Daarnaast geeft de piketfunctionaris aan dat hij liever had gezien, hoewel het hier geen wettelijke verplichting betreft, dat ze de conceptnoodverordening eerst hadden laten toetsen door hem.
‘Als ze dat concept konden afstemmen met het juristenbureau, waarom konden ze dat dan niet met ons?’ Tegelijkertijd geeft hij aan dat er een paar dagen na het afkondigen van de noodverordening een uitgebreide toelichting kwam op de website van de gemeente over wat verstaan werd onder ‘redelijk doel’. Een welkome toevoeging volgens de piketfunctionaris, die wel benadrukt dat een website geen juridische status heeft. De juridisch adviseurs van de gemeente stellen dat bewust is gekozen voor de open termen ‘redelijk doel’ en ‘onder meer’. Juist om bepaalde doeleinden niet op voorhand uit te sluiten, zoals een bezoek aan de huisarts of een andere persoonlijke aangelegenheid. Ook geven zij aan dat de burgmeester de eerste noodverordening vooraf heeft besproken met de commissaris van de Koning en nadien heeft toegezonden aan de piketfunctionaris en dat de noodverordeningen die volgden (uitbreiding van de wijken) wel telkens vooraf getoetst zijn door de piketfunctionaris.
3.3.
Scenario’s
De vraag of tijdig aandacht besteed is aan verschillende scenario’s en de mogelijke gevolgen daarvan, is het meest relevant ten aanzien van situaties waar zaken snel uit de hand kunnen lopen. Oftewel, tijdens de aanpak van de rellen. Met name ten aanzien van de inzet van de ME wordt steeds gekeken hoe deze het beste ingezet kan worden, hierbij duidelijk rekening houdend met het signaal dat de ME afgeeft aan relschoppers en wijkbewoners. De ME lokt agressie uit aan de voorkant, zo legt de burgemeester uit. Het is een van de redenen waarom is afgewisseld met de inzet van de ME – ‘in de wijk, bij de wijk, op afstand, niet,’ zo beschrijft de gebiedsofficier van het OM de verschillende toepassingen. Een belangrijk gegeven bij de rellen in Roosendaal is dat de plekken waar de ongeregeldheden plaatsvonden in veel gevallen niet ideaal blijken te zijn voor de inzet van ME. ‘ME’ers,’ zo stelt de burgemeester, ‘krijgen een professionele waas voor hun ogen, wat ze doen is een plein leegvegen, mensen achter de linie trekken en arresteren. Dat werkt op een Museumplein, maar niet in een doolhof als Langdonk.’ Tegelijkertijd geeft de burgemeester aan dat de ME inzetten de enige manier was om capaciteit te krijgen. Uiteindelijk heeft hij toestemming gegeven om een flexibele ME in te zetten. ‘Dat zijn gewone politieagenten met een specialistische training en uitrusting.
Maar om nou te zeggen dat de ME tot z’n recht komt zoals bij rellen bij Feyenoord, nee.’
3.4.
De samenwerking en besluitvorming
De volgende evaluatievraag die we behandelen richt zich op de samenwerking en besluitvorming binnen en buiten de driehoek. Wat waren de succes- en faalfactoren? Over de samenwerking binnen de driehoek zijn de burgemeester, de gebiedsofficier en de teamchef allen tevreden. De sfeer was goed, er was respect 14
voor ieders rol en tegelijkertijd waren er, om de burgemeester aan te halen, wat ‘hete momenten’, daarbij toevoegend dat hij ‘geen makkelijk mannetje’ is. Inderdaad, de burgemeester, zo stellen ook de andere twee leden van de driehoek, is iemand die veel eist van anderen. Maar ook van zichzelf en zijn organisatie, vult de gebiedsofficier van het OM aan: ‘Dus dat is in balans ... Hij heeft heel snel camera’s weten op te hangen, road blocks neergelegd waardoor daar niet een agent neergezet hoefde te worden, ogen en oren in de buurt geregeld door middel van buurtwerkers, hij is zelf ook veel in de buurt geweest. Hij realiseert zich dat er meer gemeenten zijn en als hij iets wil, dat hij daar zelf eerst voor verantwoordelijk is.’ Ook de teamchef spreekt van goede samenwerking en (tegelijkertijd) van een veeleisende burgemeester: ‘Goed betekent ook soms dat het schuurt en dat je soms tegenover elkaar staat met het afwegen van belangen. Maar dan noem ik de samenwerking nog steeds goed, omdat we altijd hetzelfde doel voor ogen hebben gehad. Dat ging bijvoorbeeld over het inzetten van mensen en wanneer. Of over de beleidsuitgangspunten. Op een gegeven moment was de burgemeester ten einde raad en die kwam met voorstellen die niet altijd konden, juridisch of strafrechtelijk niet of omdat we de mensen simpelweg niet hadden daarvoor.’
Het OM nam volgens de veiligheidsadviseurs aanvankelijk een te afwachtende houding in. Zij zat niet ‘in de meedenkstand’, zo stelt een van de adviseurs, hierbij doelend op het gegeven dat het OM in eerste instantie terughoudend was met het instellen van het preventief fouilleren. ‘Het OM was alleen maar alles aan het verzinnen waarom het niet kon … Als het zo lang onrustig is, mag je best een beetje buiten de lijntjes kleuren.’ De burgemeester herkent zich deels in de kritiek op het OM: ‘De gebiedsofficier was vooruitstrevend in initiële gedachten,’ zo vertelt hij, ‘maar bij toetsing bleken de zaken complexer. Dat werd later beter, er kwam een beleidsmedewerker bij die aan de voorkant gelijk meedacht.’ Uiteindelijk is hij blij dat hij op maandagmiddag al over preventief fouilleren begonnen is, zodat het middel op donderdag kon worden ingezet. Maar liever had hij dit eerder gedaan. De gebiedsofficier, zo bleek al uit de vorige paragraaf, was van mening dat ze niet anders kon dan de boot in eerste instantie af te houden ten aanzien van het preventief fouilleren – de maatregel kwam ‘niet te vroeg, niet te laat’, volgens haar. Ook kon ze zich niet vinden in het idee dat de regie en coördinatie heel duidelijk bij één partij had gelegen. ‘Je hebt elkaar ook nodig, bijvoorbeeld bij de combinatie preventief fouilleren en veiligheidsrisicogebied.
Je kunt wel een gebied aanwijzen, maar als je geen bevel preventief fouilleren hebt dan wordt het moeilijk werken.’ Het is een boodschap waarmee de burgemeester instemt. Ook hij benadrukt dat de beleidsuitgangspunten gezamenlijk zijn geformuleerd in de driehoek.
Kritische noten Met name uit de hoek van de veiligheidsadviseurs van de burgemeester, die naar eigen zeggen ‘rond de driehoek hebben gezweefd’, klinken wat meer kritische geluiden over de samenwerking in de driehoek. De gemeente heeft heel veel zelf moeten doen, zo geven zij aan. De politie had weinig eigen ideeën, bijvoorbeeld over hoe ze de openbare orde konden herstellen. Ze stemden vooral in met wat er uit de gemeente kwam. Ook het idee dat er overdag volop ingezet moest worden op het verkrijgen van een goede informatiepositie en het bezoeken van jongeren is een strategie geweest uit de koker van de gemeente.
SGBO De leden van de driehoek vertegenwoordigen alle drie een andere organisatie en het is daarom logisch dat ook interne processen en structuren binnen deze organisaties hun stempel op de samenwerking in de driehoek drukken. Met name vanuit de hoek van de gemeente is er forse kritiek op de rol van de Staf Grootschalig en Bijzonder Optreden (SGBO). Dit, zo leert ons het Instituut Fysieke Veiligheid (z.d.), ‘is een bevelstructuur speciaal voor een (terroristische) crisis, (dreigende) rampen en calamiteiten’, dat onder lokaal bevoegd gezag van 15
de burgemeester of de (hoofd)officier van justitie werkt en de inzet leidt van de politie. De burgemeester rekent de SGBO het feit dat er geen aanhoudingen waren op dinsdag 24 november aan. ‘De SGBO,’ zo zegt hij, ‘is een log ding. Er gaat informatie in en er komt nooit iets uit. Je hebt geen idee wat ermee gebeurt. We geven beleidsuitgangspunten mee en dan wordt er gewoon iets heel anders uitgevoerd.’ Het is reden voor de burgemeester om de SGBO een ‘blue box’ te noemen, een term die refereert aan het blauw van de politie en de onbekende constructie van een black box. Volgens een van de veiligheidsadviseurs zit de SGBO te ver weg (Bergen op Zoom) en hebben ze ‘onvoldoende tot geen zicht’ op wat er lokaal gebeurt. Het maakt volgens hem dat de teamchef van de politie ‘niet zoveel kan’, omdat zij weer met de SGBO moet afstemmen, hetgeen tot onnodige vertraging leidt.
SGBO doet niet altijd duidelijk is, ook niet voor het bestuur. Er wordt vaak gedacht dat de SGBO een doetank is, maar de SGBO is een denktank. Wij moeten vóór het incident zien te komen. Veel mensen denken dat als een SGBO komt, dat wij het gaan dóen, maar dat is niet waar want de lokale politie moet aan de bak.’
Ook de algemeen commandant van de SGBO haalt de afstand tussen de SGBO en het bestuur aan als een bemoeilijkende factor:
Na dinsdag 24 november is er een manier gevonden die voor alle partijen beter leek te werken, hoewel deze manier door de verschillende partijen op andere wijze wordt omschreven. Zoals hierboven vermeld, geeft de algemeen commandant van de SGBO aan dat de teamchef verantwoordelijk is gemaakt voor het ‘bijpraten’ van de burgemeester. De burgemeester en zijn veiligheidsadviseurs spreken echter van het ertussenuit halen van de SGBO, waarbij het Team Districtelijke Aanpak het heeft overgenomen en de lokale teamchef commandant werd hiervan. De burgemeester geeft aan dat de SGBO er tijdens de ongeregeldheden van Oud en Nieuw wederom tussen zat. ‘Dus dat ging niet goed,’ aldus de burgemeester.
‘De afstand tussen mij, Algemeen Commandant, en het bestuur is groot. Ik had met de burgemeester afgesproken dat ik steeds een update zou geven. Dit was op de eerste avond van de rellen eigenlijk niet haalbaar. Ik ben namelijk bezig met de aansturing van een hele organisatie en bedenken wat we in verschillende scenario’s moeten doen. We kwamen er al snel achter, dat dit op een andere manier moest worden georganiseerd. Later hebben we afgesproken dat de teamchef hem bijpraat. En dat is beter gegaan. Dat is een lesson learned: neem het bestuur goed mee, maar manage ook de verwachtingen daarin.’ Tegelijkertijd is er volgens de algemeen commandant onduidelijkheid over het takenpakket van de SGBO: ‘De commandant heeft verschillende ‘knoppen’ die alle in hun eigen proces verantwoordelijk zijn (opsporing, handhaving, informatievoorziening, communicatie) zodat de crisis kan worden aangepakt … Ik merk dat wat een
De teamchef wijt de problemen aan een gebrek aan ervaring binnen de politie met het werken met de SGBO: ‘Daar hebben we niet veel ervaring mee. Uiteindelijk hebben we in november en met Oud en Nieuw meteen terug kunnen pakken op die structuur. En nu weten we hoe dat moet, maar in de novemberperiode waren we aan het leren. Ik zou jokken dat we daar toen al goed bezig mee waren in die periode.’
Verbinding, betrokkenheid en daadkracht De samenwerking tijdens de aanpak van de vuurwerkrellen beperkte zich niet tot de driehoek. Een aantal respondenten wijst op de vele verbindingen die zijn gemaakt in de aanpak van de ongeregeldheden. Het gaat om interne verbindingen, zo vertelt een communicatieadviseur, maar ook om verbindingen ‘met de politie, het OM, jongerenwerkers, straathoekwerkers, betrokken Roosendalers, ondernemers.’ Het feit dat er aan een gezamenlijk doel gewerkt werd, gaf een gevoel van verbondenheid. 16
Dit laatste geldt ook voor de vele overuren die gezamenlijk werden gemaakt door betrokkenen. Een crisissituatie vraagt veel van betrokken partijen. Burgemeester, adviseurs, straathoekwerkers – ze kwamen allemaal weinig aan slaap toe met name in de week van de rellen. In deze context viel het meerdere respondenten binnen de gemeente op dat er weinig betrokkenheid was van de directie. ‘Misschien dat ze geen rol hadden tijdens de ongeregeldheden,’ zo stelt een respondent, ‘maar het draagt bij als je tijdens de warme fase zichtbaar en actief bent als directie zodat je in de koude fase mogelijk ook beter kunt bij dragen aan lange termijn beleid en oplossingen.’ Ook de burgemeester had meer van de directie verwacht: ‘Als ik directie was geweest had ik gezegd: “burgemeester hoe kunnen we je ondersteunen?” Dat heeft me verbaasd, misschien wilde ze me niet in de weg lopen. Feit is dat ik daar nog een keer met ze over wil praten, op een rustig tijdstip.’ Geconfronteerd met deze kritiek stelt de Algemeen Directeur dat de betrokkenheid van de directeuren bij de aanpak van de rellen juist groot is geweest, van mails naar medewerkers over hoe het met hen gaat en hoe de situatie is tot bemiddeling bij het ophalen van plastic zakken voor het vuurwerkafval. Hij kan zich niet vinden in de kritiek.
Tot slot benadrukken meerdere respondenten het feit dat er veel mogelijk bleek tijdens en na de ongeregeldheden op bestuurlijk vlak. De gemeente en haar partners slagen erin om in korte tijd een jongerenprogramma op touw te zetten met een verscheidenheid aan activiteiten. Ook worden er twee jongerencentra geopend, terwijl eerdere pogingen hiertoe faalden. In de woorden van de wethouder Jeugd: ‘Waar ik me over heb verbaasd in de samenwerking met de verschillende partijen, is de snelheid en creativiteit. Als ik dit had willen bedenken vanuit het reguliere beleidsprogramma, had het opzetten van een dergelijk programma lang geduurd. We hebben door de vuurwerkrellen sneller ‘ja’ durven zeggen en sneller moeten doorpakken. We hebben laten zien dat we durven te experimenteren met een breed programma wat voor het Roosendaalse niet voor de hand lag.’
Het laat de daadkracht zien van de Roosendaalse respons op de rellen, hoewel er tegelijkertijd tegengeluiden te horen zijn vanuit wijkbewoners die vinden dat de relschoppers ten onrechte beloond worden voor slecht gedrag, terwijl niets gedaan wordt voor de meerderheid. Ook de burgemeester haalt dit aan in relatie tot het openen van een van de jongerencentra. Hij had dit liever in samenhang gedaan met andere gevoelens die leven, de meerderheid meegenomen in de beslissing in plaats van buiten hen om te handelen. Hij wijt het aan de verkokering van de ambtelijke organisatie in Roosendaal dat dit niet gebeurd is.
3.5.
Informatievoorziening en -deling
In deze paragraaf nemen we de informatievoorziening onder de loep. Hoe is deze verlopen? En is in voldoende mate gebruik gemaakt van beschikbare informatie, kennis en deskundigheid? Het staat buiten kijf dat informatievergaring en -deling over de rellen en relschoppers een belangrijke rol dient in te nemen bij het herstellen van de (rechts)orde bij wanordelijkheden zoals deze plaatsvonden in Roosendaal. Een belangrijke pijler van de aanpak in Roosendaal was daarom gericht op het verkrijgen van ‘namen en rugnummers’ van de relschoppers. Ook werd er intensief gespeurd op sociale media naar informatie over de relschoppers en hun plannen. Stroom aan informatie Ten aanzien van de informatievoorziening valt een aantal zaken op. Allereerst de veelheid aan informatie en reacties die binnenkomt tijdens de rellen via de chat en de inbox van de burgemeester. Communicatieadviseurs en veiligheidsadviseurs, zo geven ze aan, hebben tot laat in de avond berichten beantwoord. Wat hierbij mee lijkt te spelen - we noemden het al eerder - is het feit dat de relschoppers weinig draagvlak onder de inwoners hebben. Dit blijkt ook uit de sociale media analyses die een belangrijke thermometer vormen binnen de driehoek. Er zijn zelfs signalen dat burgers het recht in eigen handen willen nemen. 17
Ook wordt er actief gevraagd om informatie door de burgemeester. Alle gemeentelijke ambtenaren wordt gevraagd hun oren en ogen open te houden. Ditzelfde geldt ook voor de leden van het presidium, jeugdwerkers op straat en andere professionals met een mogelijke informatiepositie. Verder hebben de burgemeester en zijn veiligheidsadviseurs regelmatig contact met gemeentelijke ambtenaren die in de getroffen wijken wonen. Ook zijn er verschillende appgroepen actief waarin informatie snel kan worden gedeeld. De burgemeester, op zijn beurt, houdt de leden van het presidium op de hoogte van de ontwikkelingen in de wijken. Het is iets wat gewaardeerd wordt door de verschillende fractievoorzitters.
Vanuit de basisscholen klinken ook kritische geluiden. Er is niet of nauwelijks contact met straathoekwerkers en andere hulpverleners. Dit terwijl de basisscholen bij uitstek plekken zijn waar contact gemaakt wordt met verder moeilijk te bereiken (probleem)gezinnen. Daarbij geven respondenten aan dat ontsporende jongeren al vaak op de basisschool beginnen met afwijkend gedrag te vertonen. Alle reden dus om hier vanuit de gemeente in te investeren op het gebied van hulpverlening en voorlichting. Ook worden basisscholen tijdens de rellen niet meegenomen in de aanpak om informatie te vergaren en/of te communiceren met de jongeren. Gebrekkige informatiepositie van de politie
De rellen als reality check Tegelijkertijd laten de rellen ook de afstand zien tussen gemeente aan de ene kant en bepaalde wijken en inwoners aan de andere kant. Signalen dat het vreselijk uit de hand zou lopen, worden gemist. De rellen waren een ‘reality check’, aldus een veiligheidsadviseur. Het is een belangrijke opmerking die in soortgelijke bewoordingen vaker voorbijkomt. Ook blijkt de groep relschoppers moeilijk bereikbaar en identificeerbaar, hoewel het voor een deel ook om mensen van buiten Roosendaal gaat, zo wordt duidelijk uit het feit dat veel van de aangehouden personen niet in Roosendaal woonachtig zijn. Het leidt tot de conclusie dat de gemeente en haar professionele partners minder goed in de haarvaten van de wijken zit dan gedacht. Dit blijkt ook als in de week na de rellen in een wijk (Westrand) geen enkele jongere komt opdagen bij een bijeenkomst waarin de burgemeester hoopt in gesprek te gaan met de jongeren. Tekenend is het verhaal van een veiligheidsadviseur, die aangeeft dat hij er altijd vanuit ging dat hij een breed netwerk had, maar toen hij informatie nodig had over de situatie in bepaalde wijken tijdens de rellen merkte dat veel contacten verwaterd waren en dus niet ‘startklaar’ waren.
Een teken voor hem dat hij minder beleidsmatig moet werken en ‘meer met de tenen in de klei moet komen.’ Ook geven respondenten aan dat ze ervan uitgaan dat ze de rellende groep niet hebben bereikt met het jongerenprogramma dat opgestart werd in de nasleep van de rellen.
Net als de gemeente blijkt ook de politie een teleurstellende informatiepositie te hebben tijdens de rellen. Sterker nog, ‘de gemeente wist veel meer dan de politie in eerste instantie,’ aldus de burgemeester, die eraan toevoegt dat de politie dit wel heeft weten bij te stellen naarmate de onlusten voortduurden. Een veiligheidsadviseur van de burgemeester twijfelt eraan of de politie intern heeft gezocht naar de agenten die het meeste over de wijken wisten of überhaupt signalen heeft opgehaald bij agenten die in de desbetreffende wijken wonen. Een andere respondent, die zich vanuit de gemeente bezighoudt met buurtpreventieteams, vertelt dat ze diverse appjes heeft gekregen van buurtpreventieleden, omdat zij niet in ‘het heetst van de strijd’ de politie of 112 wilden bellen: ‘Die buurtpreventieleden zien heel veel, maar de meldingsbereidheid is soms ver te zoeken. Daar hebben we een hele wereld te winnen. Die mensen beschikken over veel informatie, delen met politie en gemeente wordt vaak niet gedaan omdat men niet het vertrouwen heeft dat melden helpt.’ Ook de gebiedsofficier van het OM merkt op dat heel veel heftige incidenten, die een melding zouden verdienen, niet gemeld werden via de officiële kanalen. Illustratief voor deze lage meldingsbereidheid onder bewoners, zo stelt ze, was 18
het feit dat de maatregel tot preventief fouilleren niet volledig onderbouwd kon worden door noodnummermeldingen en bevindingen van de politie. Uiteindelijk waren het met name sociale media berichten (waaronder filmpjes) waarop de onderbouwing van de maatregel steunde.
3.6.
Inwonersperspectief
In de vorige paragrafen hebben we met name de perspectieven van de betrokken actoren bij de aanpak belicht. Daarnaast hebben we tijdens de interviews ook aandacht geschonken aan het inwonersperspectief: een buitenperspectief dat niet onderbelicht mag blijven. De vraag die daarbij centraal heeft gestaan was: ‘Hoe hebben inwoners gereageerd op de maatregelen en de communicatie erover?’ Gezien de opzet van het onderzoek was het beantwoorden van deze vraag niet altijd gemakkelijk. Enerzijds kwam dit doordat het onderzoek met name gericht was op de evaluatie van de ingezette maatregelen en de manier waarop is samengewerkt. Anderzijds kwam dit door het beperkt aantal interviews met respondenten die dit perspectief daadwerkelijk voor (groepen) Roosendaalers konden weergeven. Tegelijkertijd bieden de interviews wel enige houvast ten aanzien van de hierboven opgeworpen vraag. Zo kwam het inwonersperspectief soms impliciet naar boven, doordat de respondenten hun ervaringen deelden als inwoner. Daarnaast werd het inwonersperspectief vertegenwoordigd door respondenten die veel contacten hebben met (groepen) Roosendaalse inwoners. Dat was bijvoorbeeld het geval bij jongeren- en opbouwwerkers, maar ook bij de politie en de coördinator buurtpreventie. De leden van het presidium, op hun beurt, vertegenwoordigen tezamen de gekozen volksvertegenwoordigers.
Tot slot vormde het inwonersperspectief input voor de overleggen binnen de lokale driehoek. Die input werd gevormd door een sociale media analyse. Zoals een medewerker communicatie van de gemeente Roosendaal uitlegt, zoomt deze analyse ‘in op een bepaald onderwerp en geeft daarbij het mediabeeld, opiniemakersbeeld en het bewonersbeeld’.
Kortom, de interviews boden mogelijkheden om het inwonersperspectief over de maatregelen en de communicatie erover te belichten. We beginnen met het inwonersperspectief over de genomen maatregelen, waarna we ingaan op het perspectief over het politieoptreden. Vervolgens besteden we kort aandacht aan wat de inwoners vonden van de communicatie naar hen toe. Tot slot gaan we in op enige kritiek van de inwoners over de midden-lange termijn aanpak. Positieve reacties op maatregelen en optreden burgemeester Vrijwel alle respondenten vertelden dat zij een positief geluid van de inwoners hoorden over de genomen maatregelen én over het optreden van de burgemeester. Dit gold ook voor de respondenten die zelf in Roosendaal woonachtig waren. Ook de noodverordening, die voor Roosendaalse termen ‘buitensporig’ was, om de wethouder Jeugd en Onderwijs te citeren, werd positief ontvangen. Het toonde aan dat de ‘burgemeester goed doorpakt’, zoals verschillende inwoners op de Facebookpagina’s schrijven. Ook het kordate optreden van de burgemeester en zijn inzet om naar de inwoners te luisteren, inclusief de jongeren, werd gewaardeerd door inwoners, zo stellen respondenten. Hij was empathisch, bood een luisterend oor aan boze en verdrietige inwoners aan en liet zien dat hij durfde in te grijpen.
Communicatie over de maatregelen Hoewel de inwoners positief reageerden op de noodverordening, riep de noodverordening in het begin wel ‘een tsunami aan vragen’ op, om een communicatieadviseur van gemeente Roosendaal aan te halen. De noodverordening had verstrekkende gevolgen voor inwoners, maar die waren niet altijd duidelijk. Zo vroegen veel inwoners zich af of ‘ze nog wel op bezoek mochten of boodschappen mochten doen’ in de wijken waar die noodverordening gold. De meeste leden van het presidium zijn van mening dat er meer aandacht besteed had mogen worden aan de informatievoorziening richting de inwoners, met name op de dag dat de noodverordening afgekondigd werd. In de dagen erna kwam er meer informatie beschikbaar voor de inwoners en werden ook de sociale media goed ingezet. 19
Kritiek optreden politie Over het politieoptreden waren inwoners, zeker in eerste instantie, minder positief. Er was weinig politie op de been, die, zo leek het, ook nog eens ‘niets deed’. Inwoners voelden zich ‘verlaten’ en ‘in de steek gelaten’ door de politie, zo geven leden van het presidium aan. Tegelijkertijd merkt een lid van het presidium op dat er waarschijnlijk legitieme verklaringen zijn voor de wijze waarop de politie optrad: zij werd overrompeld door de situatie en had te weinig mankracht. De ontevredenheid bij inwoners maakte plaats voor tevredenheid toen de ME werd ingezet en er meer politie op de been kwam. En dat bleek ook uit de dank- en steunbetuigingen die de politie van inwoners kregen met de boodschap ‘jullie hebben goed gewerkt!’.
20
4
Kabaal in Roosendaal: de geleerde lessen
In het onderhavige onderzoek heeft de aanpak van de vuurwerkrellen van eind november 2020 in Roosendaal centraal gestaan. We evalueerden de aanpak door deze te reconstrueren en vervolgens thematisch op te knippen en verder onder de loep te nemen. We bespraken achtereenvolgens de operationaliteit en uitvoerbaarheid van de beleidsuitgangspunten die geformuleerd werden in de lokale driehoek; de proportionaliteit en subsidiariteit van het bestuursrechtelijk en strafrechtelijk instrumentarium dat is ingezet; de mate waarin er rekening is gehouden met verschillende scenario’s en de mogelijke gevolgen daarvan; de samenwerking en besluitvorming; en de informatievoorziening en -deling. Tot slot keken we naar wat de inwoners vonden van de maatregelen en de wijze waarop hierover gecommuniceerd werd. Het is tijd om de balans op te maken en de geleerde lessen uit de evaluatie op een rijtje te zetten. Maar niet voordat we de aanpak eerst kort beschrijven.