CConstaterende datRoosendaal
Koppel je AI →
Document · PDF

1 Toelichting - NL.IMRO.1674.2120LAANVBRABANT65-0401.pdf

Gemeenteraad 22 juli 2021, gemeente RoosendaalBij agendapunt: 3a: Voorstel 42 Bestemmingsplan Laan van Brabant 6517.071 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

Bestemmingsplan “Laan van Brabant 65”

29

In het VGRP 2014-2019 zijn doelstellingen voor de komende jaren vastgesteld. Daarbij is op basis van de gekozen strategie op hoofdlijnen aangegeven welke maatregelen uitgevoerd moeten worden om de gestelde doelen te bereiken en welke (financiële) middelen daarvoor nodig zijn. Hierbij worden ook de gevolgen voor de rioolheffing voor burgers en bedrijven aangegeven. Op welke wijze de noodzakelijke maatregelen, zoals rioleringvervanging of hydraulische maatregelen, zullen worden uitgevoerd, worden in latere operationele plannen opgenomen. Met behulp van het VGRP 2014-2019 worden de volgende doelstellingen en maatregelen nagestreefd: • Doelmatige inzameling van het binnen het stedelijk gebied geproduceerde stedelijk afvalwater. • Doelmatige inzameling en verwerking van overtollig hemelwater. • Doelmatig transport van het stedelijk afvalwater. • Voorkomen van vuiluitworp naar bodem, grond- en oppervlaktewater. • Invulling geven aan grondwaterzorgplicht. • Minimale overlast voor de omgeving. • Doelmatig en effectief rioleringsbeheer op basis van het Bestuursakkoord Water. Geohydrologische situatie De originele bodem bestaat volgens de bodemkaart van Nederland uit een zwarte enkeerdgrond die voornamelijk is opgebouwd uit leemarm en zwak lemig fijn zand.

Het eerste watervoerend pakket heeft een dikte van ± 77 m en wordt gevormd door de grove en grindrijke zanden van de Formaties van Peize, Waalre en Maassluis. Op deze fluviatiele formaties liggen de fijnzandige, matig goed doorlatende dekzandafzettingen, behorende tot de Formatie van Boxtel, met een dikte van ± 3,5 m. Het eerste watervoerend pakket wordt aan de onderzijde begrensd door kleiafzettingen van de Formatie van Oosterhout. De gemiddelde stand van het freatisch grondwater bedraagt ± 4 m +NAP, waardoor het grondwater zich op ± 1 m -mv zou bevinden. Het water van het eerste watervoerend pakket stroomt volgens de isohypsenkaart van de Dienst Grondwaterverkenning van TNO, in noordelijke richting. Er liggen geen pompstations in de buurt van het plangebied die van invloed zouden kunnen zijn op de grondwaterstroming ter plaatse van het plangebied. Het plangebied ligt niet in een grondwaterbeschermings- en/of grondwaterwingebied. Beoordeling Keur Uit de kaarten behorende bij de Keur waterschap Brabantse Delta 2015 volgt dat de locatie niet is gelegen binnen de beschermde gebieden. Er is derhalve geen specifiek beschermingsregime uit de Keur van toepassing.

30

Gemeente Roosendaal

Uitsnede keurkaart Keur waterschap Brabantse Delta, waarop de projectlocatie is weergegeven met een blauwe cirkel. Bron: Keur, 2019.

Verharding Het project betreft de realisatie van drie woningen met bijbehorende woonfuncties op een locatie die al gedeeltelijk bebouwd en verhard is. De ter plaatse aanwezige bebouwing wordt geamoveerd in ruil voor nieuwbouw. Per saldo zal de omvang van het bebouwd en verhard oppervlak afnemen. Mitigerende maatregelen (zoals retentievoorzieningen) zijn op grond van de Keur pas nodig indien er sprake is van een toename van het verhard oppervlak boven de 2.000 m 2. Het perceel heeft een omvang van 1.422 m2, waardoor het uitgesloten is dat het verhard oppervlak middels het voorgenomen plan met meer dan 2.000 m2 zal toenemen. Bij de nieuwbouw wordt er rekening mee gehouden dat geen gebruik wordt gemaakt van uitlogende of schadelijke bouwmaterialen. Hierdoor heeft de ontwikkeling geen gevolgen voor de waterhuishouding en zijn geen mitigerende maatregelen (zoals een retentievoorziening) noodzakelijk. Riolering Binnen het bouwplan wordt het huishoudelijke afvalwater (DWA) gescheiden van het regenwater (RWA). Dit gescheiden rioleringsstelsel wordt aangesloten op het bestaande gescheiden rioleringsstelsel in de omgeving. In de toekomst kan aangesloten worden op een eventueel gescheiden rioleringsstelsel, mocht deze in de omgeving worden aangelegd.

Het (afval)water dat voor de nieuwe woningen afgevoerd moet worden bevat geen chemische stoffen die schadelijk zijn voor het water in het openbaar riool. Ook geeft het af te voeren water geen stankoverlast en bevat het water geen snel bezinkende- en/of grove afvalstoffen. Van een verontreiniging van het rioolwater door toedoen van het afvalwater is dan ook geen sprake. Hemelwater Ook voor het hemelwater kan worden gesteld dat de afvoer op een dusdanige manier plaats vindt dat er geen sprake is van verontreiniging en er geen bezwaren zijn om deze af te voeren op het bestaande rioolstelsel. Tevens kunnen de aan te leggen

Bestemmingsplan “Laan van Brabant 65”

31

groenvoorzieningen (tuinen) binnen onderhavig project gebruikt worden als een natuurlijke infiltratievoorziening voor niet-verontreinigd hemelwater. De parkeervoorzieningen worden voorzien van een aaneengesloten verharding. Ten aanzien van het materiaalgebruik van de bebouwing worden geen uitlogende bouwmaterialen zoals lood, koper, zink en zacht PVC toegepast. Dit om verontreiniging van het hemelwater te voorkomen. De ontwikkeling heeft hierdoor geen mogelijke schadelijke gevolgen voor de (grond)waterkwaliteit. Klimaatadaptatie In het kader van klimaatadaptatie wordt geadviseerd om het bouwpeil 0,25 m boven de aanliggende wegen te leggen. Conclusie Het aspect waterhuishouding heeft geen gevolgen voor het voorgenomen plan.

5.4

Cultuurhistorie Toetsingskader In de toelichting van het bestemmingsplan dient een beschrijving te worden opgenomen hoe met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening wordt gehouden (artikel 3.1.6, lid 5 Bro). De opsteller en vaststeller van het bestemmingsplan is daarmee dus verplicht om breder te kijken dan alleen naar het facet archeologie. Ook de facetten historische (steden)bouwkunde en historische geografie dienen te worden meegenomen in de belangenafweging. Hierbij gaat het om zowel beschermde als niet formeel beschermde objecten en structuren. Beleid provincie In de provincie Noord-Brabant dienen in het kader van het behoud van waardevolle cultuurhistorische elementen, ruimtelijke plannen te worden getoetst aan de provinciale Cultuurhistorische Waardenkaart (CHW) uit 2010. Hierop staan de bepalende cultuurhistorische elementen aangegeven. Beoordeling Om te bepalen of er cultuurhistorische waarden in het plangebied aanwezig zijn, is de Cultuurhistorische Waardenkaart van de provincie Noord-Brabant geraadpleegd. Het plangebied is gelegen binnen de cultuurhistorische regio West-Brabantse Venen. In deze regio stond eeuwenlang de winning en het transport van turf centraal. Dankzij de ontginning van het veen werd ontwikkeling van het gebied mogelijk gemaakt.

Op de afgeveende gronden werden nieuwe dorpen gesticht en landgoederen, landbouwgronden en productiebossen aangelegd. De strategie voor dit gebied is vooral gericht op het behoud en versterking van de dragende structuren van de regio en de cultuurhistorische waarden in hun samenhang verder ontwikkeling, beschermen en toeristisch recreatief ontsluiten. Onderhavig plan is zodanig kleinschalig van aard, dat het op zichzelf beschouwd onvoldoende kan bijdragen aan de cultuurhistorische waarden van het gebied. Het voorgenomen initiatief draagt ook niet bij aan aantasting

32

Gemeente Roosendaal

van deze waarden. Voor het overige geldt dat er geen cultuurhistorische waarden in of nabij het plangebied aanwezig zijn.

Uitsnede Cultuurhistorische Waardenkaart waarop de projectlocatie is weergegeven met een blauwe cirkel (Bron: Provincie Nood-Brabant, 2019).

Conclusie Er zijn vanuit cultuurhistorisch opzicht geen belemmeringen voor onderhavige ontwikkeling.

5.5

Archeologie Toetsingskader In Europees verband is het zogenaamde ‘Verdrag van Malta’ tot stand gekomen. De uitgangspunten van dit verdrag dienen te worden vertaald in nationale wetgeving. In Nederland heeft deze vertaling plaatsgevonden in de Erfgoedwet, welke in werking is getreden op 1 juli 2016. Ten aanzien van het aspect ‘archeologie’ is in art. 9.1, lid 1 van de Erfgoedwet, welk artikel een deel van het overgangsrecht regelt, bepaalt dat tot het tijdstip waarop de Omgevingswet in werking treedt onder meer Hoofdstuk V, paragraaf 1 van de inmiddels vervallen Monumentenwet 1988 van toepassing blijft. In Hoofdstuk V, paragraaf 1 is vastgelegd dat een gemeente in de ruimtelijke besluitvorming (w.o. bestemmingsplannen en omgevingsvergunningen voor planologisch afwijken) rekening dient te houden met de in de grond aanwezige dan wel te verwachten monumenten (art. 38a t/m 41 Monw 1988). Daartoe kan de gemeente in dat besluit regels stellen, bijvoorbeeld tot het doen van archeologisch onderzoek. Het al dan niet stellen van regels ten aanzien van archeologie dient te rusten op voldoende informatie over de archeologische situatie (ECLI:NL:RVS:2011:BU7102, r.o. 2.9.7). Deze informatie kan worden verkregen door gebiedsdekkende kaarten waarop archeologische verwachtingswaarden zichtbaar zijn. Op basis hiervan kan archeologisch beleid worden ontwikkeld.

Bestemmingsplan “Laan van Brabant 65”

33

Beleid gemeente Het gemeentelijk archeologiebeleid is vervat in een archeologische verwachtingskaart en beleidskaart. Beoordeling Op de erfgoedkaart van Roosendaal ligt het plangebied in een gebied waarvoor een lage archeologische verwachting geldt. Bodemingrepen zijn in principe toegestaan. Archeologisch onderzoek is uitsluitend noodzakelijk bij MER-plichtige projecten en/of een planoppervlak van 1 hectare of meer. Van beiden is in onderhavig geval geen sprake.

Uitsnede van de archeologische beleidskaart met het plangebied met blauwe cirkel aangeduid.

Conclusie Archeologische waarden worden niet geschaad.

5.6

Ecologie

5.6.1 Natuurgebieden Toetsingskader De Wet natuurbescherming (Wnb) is een wet van 16 december 2015, houdende regels ter bescherming van de natuur. De Wet natuurbescherming is in werking getreden op 1 januari 2017 en vervangt daarmee het voorheen geldende wettelijke stelsel voor de natuurbescherming, zoals neergelegd in de Natuurbeschermingswet 1998, de Flora- en faunawet en de Boswet. De wet regelt ten eerste de taken en bevoegdheden ten behoeve van de bescherming van natuurgebieden en planten- en diersoorten. Daarnaast bevat de wet onder meer

34

Gemeente Roosendaal

bepalingen over de jacht en over houtopstanden. In de Wet natuurbescherming is de Europese regelgeving omtrent natuurbescherming, zoals vastgelegd in de Vogelrichtlijn (Richtlijn 2009/147/EG, 30 november 2009) en Habitatrichtlijn (Richtlijn 92/43/EEG, 21 mei 1992) als uitgangspunt genomen. De gebiedsbescherming van de Natura 2000-gebieden is geregeld in hoofdstuk 2 van de Wnb. Onderdeel van deze gebiedsbescherming wordt gevormd door het Programma Aanpak Stikstof 2015 - 2021 (PAS), welke in werking is getreden per 1 juli 2015. Het PAS betreft een programma, voorheen op grond van de Natuurbeschermingswet 1998 en gecontinueerd onder de Wnb, en heeft als doel om de depositie van stikstof op de Natura 2000-gebieden te verminderen, de natuur te versterken en ruimte te bieden voor economische ontwikkelingen. Beoordeling Het dichtstbij gelegen Natura 2000-gebied betreft ‘Brabantse Wal’, welke is gelegen op een afstand van circa 7 km ten zuidwesten van het plangebied. Natura 2000-gebieden kunnen schade ondervinden wegens diverse aspecten, zoals verdroging, oppervlakteverlies, verontreiniging, versnippering, optische verstoring, verzuring en vermesting. In onderhavige situatie is er sprake van de bouw van drie grondgebonden woningen. Als bijlage 5 is een AERIUS-berekening toegevoegd.

Op basis van de uitgevoerde berekening kan geconcludeerd worden dat bij de te beschermen gebieden geen relevante bijdrage (0,00 mol/ha/jaar) aan stikstofdepositie berekend wordt. Aangezien geen significante negatieve effecten mogen worden verwacht, vormt stikstofdepositie geen belemmering voor de planrealisatie. Conclusie Onderhavig initiatief voldoet aan de vereisten van de Wet natuurbescherming. 5.6.2 Flora en fauna Toetsingskader De Wet natuurbescherming (Wnb) is een wet van 16 december 2015, houdende regels ter bescherming van de natuur. De Wet natuurbescherming is in werking getreden op 1 januari 2017 en vervangt daarmee het voorheen geldende wettelijke stelsel voor de natuurbescherming, zoals neergelegd in de Natuurbeschermingswet 1998, de Flora- en faunawet en de Boswet. De wet regelt ten eerste de taken en bevoegdheden ten behoeve van de bescherming van natuurgebieden en planten- en diersoorten. Daarnaast bevat de wet onder meer bepalingen over de jacht en over houtopstanden. In de Wet natuurbescherming is de Europese regelgeving omtrent natuurbescherming, zoals vastgelegd in de Vogelrichtlijn (Richtlijn 2009/147/EG, 30 november 2009) en Habitatrichtlijn (Richtlijn 92/43/EEG, 21 mei 1992) als uitgangspunt genomen. Voor de soortenbescherming is wettelijk bovendien rechtstreeks verwezen naar het Verdrag van Bern en het Verdrag van Bonn.

Het beschermingsregime betreffende soorten (flora en fauna) is opgenomen in hoofdstuk 3 van de Wnb. De verbodsbepalingen zijn hierbij afhankelijk gesteld van de

Bestemmingsplan “Laan van Brabant 65”

35

soort (en daarmee de opname van die soort op de diverse lijsten) en de voorgenomen handelingen. Bovendien is een algemeen geldende zorgplicht opgenomen om handelingen achterwege te laten of maatregelen te treffen, om te voorkomen dat nadelige gevolgen ontstaan voor in het wild levende dieren en planten. Conform de Wet natuurbescherming is de initiatiefnemer bij ruimtelijke ingrepen verplicht op de hoogte te zijn van mogelijke voorkomende beschermde soorten binnen het plangebied. Vanuit die kennis dienen plannen en projecten getoetst te worden aan eventuele strijdigheid met de verbodsbepalingen uit de Wnb. Conform vaste jurisprudentie kan een plan worden vastgesteld indien aannemelijk wordt gemaakt dat het aspect flora en fauna niet aan de uitvoerbaarheid van het plan in de weg staat. Beoordeling Ter plaatse van het plangebied is de voorheen aanwezige beplanting geheel verwijderd en de bestaande bebouwing geheel gesloopt (buiten het broedseizoen) ten behoeve van de uitgevoerde bodemonderzoeken. Aangezien er momenteel geen beplanting noch bebouwing aanwezig is, mag aangenomen worden dat er geen natuurwaarden meer aanwezig zijn. In algemene zin moet wel de zorgplicht in acht worden genomen. Deze zorgplicht geldt met name ten aanzien van broedgevallen van alle vogelsoorten.

Aangezien alle vogels tijdens het broeden zijn beschermd, kunnen werkzaamheden tijdens het broedseizoen leiden tot een overtreding van de Wet natuurbescherming. Conclusie Het voorgenomen project heeft geen gevolgen voor het aspect flora en fauna.

5.7

Wegverkeerslawaai Toetsingskader Op basis van artikel 76 van de Wet geluidhinder (Wgh) dienen bij de vaststelling van een bestemmingsplan, wijzigingsplan of uitwerkingsplan als bedoeld in art. 3.6 lid 1 van de Wet ruimtelijke ordening (Wro) de waarden als bedoeld in art. 82 t/m 85 van de Wgh in acht te worden genomen, indien dat plan gelegen is in een zone rondom een weg als bedoeld in art. 74 lid 1 Wgh en (het betreffende onderdeel van) dat plan mogelijkheden biedt voor: • de realisatie van woningen, andere geluidsgevoelige gebouwen en van geluidsgevoelige terreinen (functies zoals genoemd in art. 1 Wgh en art 1.2 Bgh – het Besluit geluidhinder zoals gewijzigd op 4 april 2012); • de aanleg van een nieuwe weg en/ of een reconstructie van een bestaande weg; • functiewijzigingen van een niet-geluidsgevoelige functie in een geluidsgevoelige functie (bijvoorbeeld via afwijkings- of wijzigingsbevoegdheid). De onderzoekszone voor wegen zoals bedoeld in art. 74 lid 1 Wgh is afhankelijk van de hoeveelheid rijbanen. Onderstaande tabel geeft hier een overzicht van:

36

Gemeente Roosendaal

Stedelijk

Buitenstedelijk

Aantal rijstroken

Aantal meter aan weerszijden van de weg

5 of meer

350 m

600 m

3 of 4

350 m

400 m

1 of 2

200 m

250 m

Artikel 74 lid 2 Wgh regelt dat indien de bovengenoemde ontwikkelingen zijn gelegen binnen een als 'woonerf' aangeduid gebied of in een zone nabij wegen waarvoor een maximum snelheidsregime van 30 km/u geldt, de betreffende waarden niet in acht hoeven te worden genomen. Uit een akoestisch onderzoek moet blijken of, indien sprake is van een van de bovengenoemde ontwikkelingen binnen een zone als bedoeld in art. 74 lid 1 Wgh, deze binnen de waarden valt zoals deze voor diverse typen ontwikkelingen is vastgelegd in de Wgh. De grenswaarde voor de toelaatbare etmaalwaarde van de equivalente geluidbelasting van wegen binnen zones langs wegen is voor woningen 48 dB. In bijzondere gevallen is een hogere waarde mogelijk; Burgemeester en Wethouders zijn binnen de grenzen van de gemeente en onder voorwaarden bevoegd tot het vaststellen van een hogere waarde voor de ten hoogste toelaatbare geluidsbelasting. Beoordeling Wematech heeft op 25 april 2019 een akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai uitgevoerd. De rapportage daarvan is toegevoegd als bijlage 6 bij de toelichting. Onderstaand worden de belangrijkste bevindingen uiteengezet. Wet geluidhinder Als gevolg van de Rijksweg A58 wordt ter plaatse van de nieuwe woningen ten hoogste 60 dB berekend (incl. aftrek 2 dB). De ten hoogste toelaatbare geluidbelasting van 53 dB wordt overschreden.

Aangezien het treffen van geluidreducerende maatregelen vanuit financieel, stedenbouwkundig en verkeerskundig oogpunt niet reëel is, dienen de geveldelen van de woningen waarop de geluidbelasting >53 dB bedraagt als dove gevel (zonder te openen delen) te worden uitgevoerd. Voor de geveldelen waar de geluidbelasting 49 t/m 53 dB bedraagt als gevolg van de Rijksweg A58 dienen door de gemeente Roosendaal hogere grenswaarden te worden aangevraagd. Als gevolg van het wegverkeer ter plaatse van de Laan van Brabant wordt de voorkeursgrenswaarde van 48 dB eveneens overschreden. De geluidbelasting bedraagt ten hoogste 61 dB. De ten hoogste toelaatbare geluidbelasting van 63 dB wordt niet overschreden. Ook voor de Laan van Brabant zijn geluidreducerende maatregelen geen reële maatregel. Voor de geveldelen waar de voorkeursgrenswaarde als gevolg van de Laan van Brabant wordt overschreden dient de gemeente Roosendaal hogere grenswaarden aan te vragen. Behoudens het criterium voor de aanwezigheid van een geluidluwe gevel (waar de voorkeursgrenswaarde van 48 dB als gevolg van wegverkeerslawaai niet wordt overschreden) kan worden voldaan aan het hogere waardenbeleid van de gemeente

Bestemmingsplan “Laan van Brabant 65”

37

Roosendaal. Het bevoegd gezag wordt verzocht om in onderhavige situatie af te wijken van het hogere waardenbeleid en de eis voor de aanwezigheid van een geluidluwe gevel te laten vallen. Ruimtelijke ordening In het kader van de ruimtelijke ordening is de cumulatie van het geluid afkomstig van alle omliggende wegen binnen het plangebied berekend. Ter plaatse van de gevels die direct zijn gelegen aan de Rijksweg A58 en de Laan van Brabant varieert de geluidbelasting van 56 – 67 dB en is derhalve op grond van tabel 3.1 is te kwalificeren als een matig tot slecht woon- en leefklimaat. Ter plaatse van de overige geveldelen varieert de geluidbelasting van 52- 58 dB en wordt gekwalificeerd als een redelijk tot matig woon- en leefklimaat. Om binnen in de te realiseren woningen een acceptabel woon- en leefklimaat te waarborgen dient voor de geveldelen van de woningen waar de cumulatieve geluidbelasting > 53 dB bedraagt een aanvullend onderzoek naar de geluidwering van de gevels uitgevoerd te worden. Conclusie In het kader van de Wet geluidhinder dient voor alle woningen in het plangebied een ontheffing voor een hogere grenswaarden te worden aangevraagd. Uit het akoestisch onderzoek is gebleken dat ter plaatse sprake is van een slecht tot matig woon- en leefklimaat.

Het bevoegd gezag kan woningen binnen het plangebied toestaan mits er bijzondere geluidwerende voorzieningen als een dove gevel worden getroffen en aan de andere zijde van het gebouw een aanvaardbaar geluidniveau heerst. In onderhavig geval is geen sprake van een geluidluwe gevel. Het bevoegd gezag dient af te wijken van het hogere waardenbeleid onder de voorwaarde dat een geluidwerende voorziening zoals een dove gevel wordt toegepast. Deze maatregel is vastgelegd in de regels en op de verbeelding.

5.8

Bedrijven en milieuzonering Toetsingskader Door het aanbrengen van een zone tussen bedrijvigheid en milieugevoelige bestemmingen (zoals woningbouw) kan de overlast ten gevolge van bedrijfsactiviteiten zo laag mogelijk gehouden worden. Zonering is met name van toepassing bij nieuwbouw van woningen en andere gevoelige functies in de directe omgeving van een bedrijf en bij vestiging van een nieuw bedrijf in de directe omgeving van gevoelige bestemmingen. Op basis van de VNG-brochure 'Bedrijven en Milieuzonering 2009' (hierna: VNG-brochure) wordt onder milieugevoelige functies verstaan: woningen, woongebieden, ziekenhuizen, scholen en verblijfsrecreatie. Sommige functies kunnen zowel milieubelastend als milieugevoelig zijn (bijvoorbeeld ziekenhuizen en scholen). Beoordeling Het plan ligt in een gemengd gebied, vanwege de ligging nabij een drukke uitvalsweg (Laan van Brabant) en de rijksweg A58. Het plan betreft de nieuwbouw van drie woningen, waardoor ter plaatse milieugevoelige functies worden toegevoegd. Bij de beoordeling van een project voor de realisatie van een gevoelige functie moet enerzijds

38

Gemeente Roosendaal

beoordeeld worden of de ontwikkeling geen gevolgen heeft voor de ontwikkelingsmogelijkheden van omliggende bedrijvigheid. Anderzijds moet getoetst worden of ten aanzien van de milieubelasting van deze bedrijvigheid een aanvaardbaar woon- en leefklimaat kan worden gegarandeerd. Adres

Milieu-cat.

Omschrijving

Laan van Brabant 70 t/m 86 Laan van Brabant 68

1

Kantoorpanden

2

Carwash Factory Roosendaal

Maatgevende afstand (gemengd gebied) 0

Gemeten afstand

10

70 m

30 m

De nieuw te bouwen woningen worden gerealiseerd binnen een bestaande woonwijk en de projectlocatie wordt aan alle zijdes omgeven door bestaande woningen. In de tabel zijn relevante locaties toegevoegd in de nabijheid van het projectgebied die mogelijke hinder kunnen opleveren voor de nieuw te bouwen woningen. De VNGhandreiking hanteert per milieubelastend bedrijf of inrichting bepaalde richtafstanden, die zijn opgenomen in de tabel. •

•

Kantoorpanden Laan van Brabant 70 t/m 86. Aan de overzijde van de weg Laan van Brabant ligt een kantoorpand, waarin diverse bedrijven gevestigd zijn. De afstand tussen het perceel van het kantoorpand bedraagt 30 meter (categorie 1). Er wordt derhalve voldaan aan de richtafstand van 0 meter, zodat hinder is uitgesloten. Carwash Factory Roosendaal. Aan de overzijde van de Laan van Brabant ligt een autowasserette. Voor deze bedrijven geldt een richtafstand van 30 meter (categorie 3.1). De afstand tussen het perceel en de nieuwe woningen is 70 meter, waardoor er geen sprake is van een belemmering.

Op basis van bovenstaande blijkt dat onderhavig initiatief niet binnen de hindergevende contouren valt van omliggende bedrijven. Bovendien worden bedrijven niet gehinderd of beperkt in ontwikkelingsmogelijkheden. Derhalve wordt geen onaanvaardbare hinder verwacht voor het beoogde initiatief. Conclusie Ter plaatse van de nieuw te bouwen woningen is sprake van een aanvaardbaar woonen leefklimaat in het kader van het aspect bedrijven en milieuzonering.

5.9

Externe veiligheid

5.9.1 Inrichtingen en externe veiligheid Toetsingskader Het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) is gericht aan het bevoegd gezag inzake de Wet milieubeheer en de Wet ruimtelijke ordening en heeft onder meer tot doel om bij nieuwe situaties toetsing aan de risiconormen te waarborgen. In de Regeling

Bestemmingsplan “Laan van Brabant 65”

39

externe veiligheid inrichtingen (Revi) zijn o.a. standaardafstanden opgenomen waarbij wordt voldaan aan de grens- en richtwaarden voor het plaatsgebonden risico. Het Bevi is van toepassing op vergunningplichtige risicovolle bedrijven en de nabijgelegen al dan niet geprojecteerde (beperkt) kwetsbare objecten. In artikel 2, lid 1 van het Bevi is opgesomd wat wordt verstaan onder risicovolle bedrijven. In artikel 1 van het Bevi wordt toegelicht wat wordt verstaan onder (beperkt) kwetsbare objecten. Voor de toepassing van het Bevi, wordt een nieuw ruimtelijk besluit gezien als een nieuwe situatie. Beoordeling Om te bepalen of er in de directe omgeving bedrijven zijn gelegen waarop het Bevi van toepassing is, is de risicokaart geraadpleegd. De afstand tot de dichtstbijzijnde inrichting is ongeveer 670 meter, het betreft een tankstation met LPG-opslag aan de Antwerpseweg. Het plangebied is niet gelegen binnen het invloedsgebied van de LPGopslag. In de nabijheid van het plangebied zijn geen relevante inrichtingen aanwezig in het kader van het Bevi. Conclusie Het onderdeel inrichtingen en externe veiligheid vormt geen belemmering voor onderhavig plan.

5.9.2 Transport en externe veiligheid Toetsingskader Beoordeling van de risico’s veroorzaakt door het vervoer van gevaarlijke stoffen over het spoor, het water en de weg dient plaats te vinden aan de hand van het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt), als in werking per 1 april 2015. Bij het besluit horen grens- en richtwaarden voor het plaatsgebonden risico en richtlijnen voor de toepassing van de rekenmethodiek en de verantwoording van het groepsrisico. Bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen langs transportassen die deel uitmaken van het Basisnet Weg, Water en/of Spoor kan de berekening van het plaatsgebonden risico achterwege blijven. Hiervoor gelden namelijk de afstanden die in bijlage I, II en III van de Regeling basisnet zijn opgenomen. Op deze afstanden mag het plaatsgebonden risico vanwege het vervoer van gevaarlijke stoffen niet meer bedragen dan 10-6 per jaar. Voor het Basisnet Weg geldt dat daar waar in de tabel van bijlage 2 van het Bevt de afstand ‘0’ is vermeld het plaatsgebonden risico vanwege het vervoer op het midden van de weg niet meer mag bedragen dan 10-6 per jaar. Beoordeling Het plangebied ligt op ongeveer 24 m van de A58 (wegvak B3) dat onderdeel is van het basisnet. AVIV heeft een berekening van het groepsrisico gemaakt ten gevolge van de realisatie van drie nieuwe woningen nabij de A58.

Tevens is aandacht geschonken aan eventuele plasbranden vanwege mogelijke rampen op de snelweg. Het rapport is toegevoegd als bijlage 7 van deze toelichting. In de rapportage is ook ingegaan op de mogelijkheden tot voorbereiding van bestrijding en beperking van de omvang van een ramp op deze transportroute en de mogelijkheden voor personen om zich in veiligheid te brengen indien zich op die transportroute (A58) een ramp voordoet.

40

Gemeente Roosendaal

Uitsnede van de risicokaart. Met een blauwe cirkel is het plangebied aangeduid.

Daarnaast is het plangebied gelegen binnen het invloedsgebied van het spoor BredaAntwerpen. De afstand bedraagt ongeveer 300 meter. Hierover vindt transport plaats van de stofcategorieën ‘B3’ en ‘D4’ met beide een invloedsgebied van > 4km. Om die reden dient op basis van artikel 7 van het Bevt ingegaan te worden op de aspecten bestrijdbaarheid en zelfredzaamheid. Er is geen sprake van een 10-6 risicocontour. Het plaatsgebonden risico vormt daarmee geen belemmering. De realisatie van de drie grondgebonden woningen leidt tot een geringe afname van het groepsrisico. Het groepsrisico is in alle situaties kleiner dan de oriëntatiewaarde. De uitgebreide verantwoording van het groepsrisico kan daarom achterwege blijven. Wel dient het bestuur van de veiligheidsregio in de gelegenheid te worden gesteld om advies uit te brengen. In de toelichting bij het besluit dient in elk geval in te worden gegaan op de mogelijkheden tot voorbereiding van bestrijding en beperking van de

Bestemmingsplan “Laan van Brabant 65”

41

omvang van een ramp en de mogelijkheden voor personen om zich in veiligheid te brengen. Er is sprake van een plasbrandaandachtsgebied rond de A58. De ontwikkeling ligt op een afstand van circa 24 m en daarmee binnen het plasbrandaandachtsgebied. Tussen de snelweg en het plangebied ligt een geluidswal waarvan het onderste deel bestaat uit een gemetselde bakstenen muur tot een hoogte van ca. 1.5 meter. Dit kan voorkomen dat een brandbare vloeistof het plangebied bereikt. Het bevoegd gezag moet hier een afweging maken of aanvullende maatregelen noodzakelijk zijn. Bestrijdbaarheid Om effectief en efficiënt hulp te kunnen bieden ten tijde van een ongeval zijn de opkomsttijd, de bereikbaarheid en de bluswatervoorzieningen van belang. De hulpverleningsdiensten moeten voldoende capaciteit beschikbaar hebben om alle effecten binnen een kort tijdsbestek te kunnen bestrijden. Om een brand in het besluitgebied te kunnen bestrijden is het noodzakelijk dat er voldoende primair en secundair bluswater aanwezig is. Voor ruimtelijke ontwikkelingen, waarbij eveneens een omgevingsvergunning deelzaak bouwen noodzakelijk is, wordt de aanwezigheid van bluswater in het kader van deze vergunning getoetst. Door de centrale ligging van het besluitgebied, waar reeds in de directe omgeving sprake is van een woonfunctie, is de aanwezigheid van primair bluswater reeds verzekerd.

Het besluitgebied is via het wegennet goed bereikbaar voor voertuigen van hulpverleningsdiensten. Zelfredzaamheid Zelfredzaamheid is de mate waarin personen in staat zijn zichzelf (zonder hulp van buitenaf) in geval van een calamiteit in veiligheid te brengen. Het gewenste handelingsperspectief in geval van een calamiteit (schuilen en/of vluchten) is afhankelijk van het scenario. Het is belangrijk dat in geval van een (dreigende) calamiteit personen uit het invloedsgebied vluchten. Personen dienen hiervoor gewaarschuwd te worden. Door aanwezigen periodiek alert te maken op de risico's, gevolgen en effecten van een incident kan de slagvaardigheid in geval een van een (dreigend) incident verbeterd worden. Gerichte risicocommunicatie met aanwezigen direct na een incident via NLAlert kan ertoe bijdragen dat alarmering en ontruiming sneller verlopen. Het verbeteren van de alarmering is echter niet te borgen in deze ruimtelijke procedure. De wegenstructuur is rondom het plangebied dusdanig georganiseer dat er gevlucht kan worden richting het noorden (uit de richting van de A58). De externe ontvluchtingmogelijkheden worden daarmee voldoende geacht. Bij een plasbrand is, afhankelijk van de locatie ten opzichte van de plasbrand en de daar optredende hittestraling, schuilen in een gebouw achter een muur of vluchten in de schaduw van gebouwen of andere objecten de beste optie.

In het bouwbesluit 2015 zijn regels opgenomen voor het bouwen in plasbrandaandachtgebieden. Brandweer Midden en West Brabant heeft bij het tot stand komen van het Basisnet het Ministerie van VROM en nadien het Ministerie van I&M altijd geadviseerd om bouwkundige maatregelen te beleggen in de regeling Bouwbesluit. Dit heeft geresulteerd tot de

42

Gemeente Roosendaal

navolgende bouwkundige eisen voor kwetsbare objecten binnen het plasbrandaandachtsgebied, zoals beschreven in de Staatscourant Nr. 4057 de 18 februari 2014. In artikel 2.4 t/m 2.10 van het bouwbesluit zijn de eisen voor bouwen binnen of nabij plasbrandaandachtgebieden genoemd. De hoofdingang wordt bij brand voor ca. 70%-90% van de gevallen gebruikt als vluchtweg en deze dienen dus van de weg zijn afgekeerd. Bij de verdere uitwerking van de woningen dienen de entrees buiten het plasbrandaandachtgebied te worden gerealiseerd. Uitzondering hierop is wanneer een betonnen wand wordt geplaatst naast de voordeur zodat de hittestraling tijdig wordt herkend. De veiligheidsregio kan instemmen met de woningen binnen de 30 meter, mits wordt voldaan aan de bouwkundige eisen uit het Bouwbesluit, zoals hierboven genoemd. Conclusie Het aspect transport en externe veiligheid vormt geen belemmering voor onderhavig plan, mits volgens de voorschriften zoals bepaald in artikel 2.4 t/m 2.10 van het bouwbesluit wordt gebouwd. 5.9.3 Buisleidingen en externe veiligheid Toetsingskader Beoordeling van de risico's veroorzaakt door het transport van gevaarlijke stoffen door buisleidingen geschiedt aan de hand van het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb), als in werking getreden per 1 januari 2011.

Ten aanzien van het Bevb bestaat de noodzaak om een ruimtelijke reservering op te nemen voor het plaatsgebonden risico (PR) en een verantwoording van het groepsrisico (GR) van relevante buisleidingen. Binnen de PR 10-6 risicocontour mogen geen kwetsbare objecten aanwezig zijn en zo mogelijk ook geen beperkt kwetsbare objecten. Het verwachte aantal aanwezigen binnen het invloedsgebied van de buisleiding moet worden verantwoord. dat invloedsgebied reikt bij brandbare vloeistoffen tot net buiten de 10 -6 contour, voor leidingen met aardgas en chemicaliën moet dat per geval berekend worden. Beoordeling Om te bepalen of er in de directe omgeving van het plangebied risicorelevante transportassen zijn gelegen is de professionele risicokaart geraadpleegd. Binnen een afstand van 1.000 meter bevinden zich geen risicorelevante buisleidingen. Conclusie Er zijn geen relevante buisleidingen nabij het plangebied gelegen die de voorgenomen ontwikkeling beperken.

5.10 Luchtkwaliteit Toetsingskader In het kader van een planologische procedure dient te worden aangetoond dat voldaan wordt aan de wettelijke normen voor wat betreft luchtkwaliteit. Hierbij dient het effect op

Bestemmingsplan “Laan van Brabant 65”

43

de luchtkwaliteit in de omgeving als gevolg van een nieuwe ontwikkeling, als ook de toetsing aan de 'Wet luchtkwaliteit' in beeld te worden gebracht. De 'Wet luchtkwaliteit' van 15 november 2007, opgenomen in hoofdstuk 5, onder titel 5.2 van de Wet milieubeheer (Wm) gaat in op luchtkwaliteitseisen. In Bijlage 2 van de Wm zijn wettelijke grenswaarden vastgelegd van onder andere de stoffen stikstofdioxide (NO2), fijn stof (PM10), benzeen (C6H6), zwaveldioxide (SO2), lood (Pb) en koolmonoxide (CO). Voor PM10 geldt voor het jaargemiddelde een grenswaarde van 40 µg/m 3. Het 24uursgemiddelde van 50 µg/m3 mag maximaal 35 dagen per kalenderjaar worden overschreden. Voor NO2 geldt voor het jaargemiddelde een grenswaarde van 40 µg/m3. Het 24-uursgemiddelde van 200 µg/m3 mag maximaal 18 dagen per kalenderjaar worden overschreden. De 'Wet luchtkwaliteit' voorziet onder meer in een gebiedsgerichte aanpak van de luchtkwaliteit via het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL). Het Rijk, provincies en gemeenten werken in het NSL-programma samen aan maatregelen om de luchtkwaliteit te verbeteren tot de normen, ook in gebieden waar nu de normen voor luchtkwaliteit niet worden gehaald (overschrijdingsgebieden). De programmaaanpak zorgt voor een flexibele koppeling tussen ruimtelijke activiteiten en milieugevolgen.

Kort samengevat dienen projecten te worden beoordeeld op basis van de 'Wet luchtkwaliteit' c.q. artikel 5.16 van de Wet milieubeheer. Luchtkwaliteitseisen vormen onder de 'Wet luchtkwaliteit' geen belemmering voor vergunningverlening als: ▪ er geen sprake is van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde; ▪ een project, al dan niet per saldo, niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit leidt; ▪ een project 'niet in betekenende mate' bijdraagt aan de luchtverontreiniging; ▪ een project is opgenomen in een regionaal programma van maatregelen of in het NSL, dat op 1 augustus 2009 in werking is getreden. In artikel 2 van het 'Besluit niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen)' is opgenomen dat een project 'niet in betekenende mate' bijdraagt aan de luchtkwaliteit als de zogenaamde '3% grens' niet wordt overschreden. Na vaststelling van het NSL op 1 augustus 2009 is deze grens gedefinieerd als 3% van de grenswaarde voor de jaargemiddelde concentratie fijn stof (PM10) of stikstofdioxide (NO2). Dit komt overeen met 1,2 microgram/m3 voor zowel PM10 als NO2.

In artikel 4 van het Besluit niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen) en de bijlagen van de 'Regeling niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen)' is voor bepaalde categorieën projecten met getalsmatige grenzen vastgesteld dat deze 'niet in betekenende mate' (NIBM) bijdragen aan de luchtverontreiniging. Deze mogen zonder toetsing aan de grenswaarden voor luchtkwaliteit uitgevoerd worden. De wettelijke ondergrens voor onderzoek bedraagt: ▪ 1500 woningen (netto) bij minimaal 1 ontsluitingsweg;

44

Gemeente Roosendaal

▪ ▪ ▪

3000 woningen bij minimaal 2 ontsluitingswegen met een gelijkmatige verkeersverdeling; 100.000 m² bruto vloeroppervlakte bij minimaal 1 ontsluitingsweg; 200.000 m² bruto vloeroppervlakte bij minimaal 2 ontsluitingswegen met een gelijkmatige verkeersverdeling.

Beoordeling Onderhavige ontwikkeling betreft de bouw van drie woningen. Gesteld kan worden dat dit plan in verhouding tot de wettelijke ondergrens voor onderzoek, gelegen op de bouw van 1500 woningen, niet in betekenende mate (NIBM) bijdraagt aan het verslechteren van de luchtkwaliteit. Er wordt ter plaatse voldaan aan de wettelijke grenswaarden voor luchtkwaliteit. Daarmee vormt luchtkwaliteit ook vanuit een goede ruimtelijke ordening geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling in het plangebied. Conclusie Geconcludeerd kan worden dat het aspect luchtkwaliteit geen belemmering vormt voor de onderhavige ontwikkeling.

5.11 Kabels en leidingen Toetsingskader De hierna volgende leidingen zijn planologisch relevant, voor zover zij geen deel uitmaken van een inrichting zoals bedoeld in de Wet milieubeheer 1. a. hoogspanningsverbindingen van 50 kV en hoger; b. buisleidingen voor transport van aardgas met een uitwendige diameter van meer dan 50 mm en een druk van meer dan 16 bar; c. buisleidingen voor transport van aardolieproducten met een uitwendige diameter van meer dan 70 mm en een druk van meer dan 16 bar; d. buisleidingen met een diameter van 400 mm of meer buiten de bebouwde kom; e. buisleidingen voor transport van andere stoffen dan aardgas en aardolieproducten, die risico's met zich meebrengen voor mens en/of leefomgeving wanneer deze leidingen beschadigd raken2. Beoordeling Ter plaatse van het plangebied zijn geen planologisch relevante kabels en leidingen aanwezig. Indien nodig zal in een later stadium van onderhavig project een KLICmelding worden uitgevoerd. Conclusie Er zijn geen belemmeringen met betrekking tot de aanwezigheid van kabels en leidingen. 1

'Leidingen die deel uitmaken van een inrichting' zijn leidingen binnen de inrichtingsgrens die in beheer zijn van de drijver van de inrichting én leidingen die in beheer zijn van derden waarmee een product wordt geleverd aan de betreffende inrichting (laatstgenoemde leidingen hebben een zgn. functionele binding met de inrichting, zoals bedoeld in de Wet milieubeheer). 2 Onder zgn. 'leidingen voor andere stoffen dan aardgas en aardolieproducten' worden in ieder geval leidingen verstaan voor transport van nafta, waterstof, koolstofdioxide, stikstof, zuurstof, ethyleen en propyleen.

Bestemmingsplan “Laan van Brabant 65”

45

5.12 Milieueffectrapportage en vormvrije m.e.r.-beoordeling Toetsingskader Behalve aan de uitvoeringsaspecten bedoeld in de Awb en het Bro dient ook te worden getoetst aan de Wet milieubeheer en het Besluit m.e.r. of er sprake is van een mogelijke verplichting tot het opstellen van een milieueffectrapportage. Een milieueffectrapportage (MER), en de bijbehorende procedure (m.e.r.), is een hulpmiddel om de belangen van het milieu volwaardig te betrekken bij de besluitvorming omtrent plannen en projecten. Het gaat hierbij wel enkel om plannen en projecten die kunnen leiden tot initiatieven waarmee het milieu mogelijk nadelig kan worden beïnvloed. Als uitgangspunt gelden voor projecten de onderstaande criteria om te beoordelen of een MER noodzakelijk is: 1. Er is sprake van een besluit dat voorziet in één of meerdere activiteiten boven de grenswaarden uit de C-lijst van het Besluit m.e.r. Een dergelijk besluit is aangewezen als MER-plichtig. 2. Er is sprake van een besluit dat voorziet in één of meerdere activiteiten boven de (indicatieve) grenswaarden uit de D-lijst van het Besluit m.e.r. Het besluit moet eerst worden beoordeeld om na te gaan of er sprake is van een m.e.r.-plicht; het besluit is dan m.e.r.-beoordelingsplichtig. Naar aanleiding van de m.e.r.beoordeling kan volgen dat er alsnog een MER moet worden opgesteld, of dat er geen belangrijke nadelige milieugevolgen zijn.

3. Activiteiten die o.g.v. een provinciale milieuverordening zijn aangewezen als MERplichtig. Per 1 april 2011 is het Besluit m.e.r. gewijzigd. De belangrijkste aanleidingen hiervoor zijn de modernisering van de m.e.r. wetgeving in 2010 en de uitspraak van het Europees Hof van 15 oktober 2009 (HvJ EG 15 oktober 2009, zaak C-255/08 – Commissie vs. Nederland). Deze wijziging heeft gevolgen voor de eerste twee criteria om te beoordelen of een MER noodzakelijk is. Uit deze uitspraak volgt dat de omvang van een project niet het enige criterium mag zijn om wel of geen m.e.r.(-beoordeling) uit te voeren. Ook als een project onder de drempelwaarde uit de C- of D-lijst blijft, kan een project belangrijke nadelige gevolgen hebben, als het bijvoorbeeld in of nabij een kwetsbaar (natuur)gebied ligt. Gemeenten en provincies moeten daarom per 1 april van 2011 ook bij ‘kleine projecten’ (projecten onder de drempelwaarden van de C- of D-lijst) beoordelen of een m.e.r.(-beoordeling) nodig is. Dit wordt de ‘vormvrije m.e.r.beoordeling’ genoemd. Deze beoordeling houdt in dat er bekeken moet worden of er bij het initiatief sprake is van dusdanig bijzondere omstandigheden of milieueffecten dat er toch een MER moet worden opgesteld. Hierbij wordt gekeken naar de selectiecriteria uit bijlage III bij de m.e.r.-richtlijn (2011/92/EU), welke o.a.

de omvang van het project, de cumulatie met andere projecten en het gebruik van natuurlijke hulpbronnen betreffen. Op 16 mei 2017 is de Implementatiewet 'herziening m.e.r.-richtlijn' in werking getreden. Met deze wet wordt de herziene Europese m.e.r.-richtlijn in Nederlandse wetgeving vertaald. Op basis deze wetgeving worden voor de vormvrije m.e.r.-beoordeling enkele procedurele vereisten uit de Wet milieubeheer van toepassing. Dit betekent dat de initiatiefnemer voortaan een melding moet doen van het voornemen om een activiteit uit te voeren die beneden de drempelwaarde van de D-lijst van het Besluit m.e.r. blijven. De wijziging van het Besluit m.e.r. is op 7 juli 2017 in werking getreden. Waar tot de

46

Gemeente Roosendaal

wetswijziging het voor activiteiten die onder de drempelwaarde uit de D-lijst bleven geen besluit nodig was voor de m.e.r (vormvrij), moet nu voor elke activiteit een vormvrije m.e.r.-beoordeling worden gemaakt, en er moet daarop worden besloten. Met de wijziging is een aparte procedure nodig geworden die voorafgaand aan de behandeling moet plaatsvinden. De vormvrije er-beoordeling is niet meer zo vormvrij als die was. Deze vormvrije m.e.r.-beoordeling kan uiteindelijk tot twee conclusies leiden: ▪ belangrijke nadelige milieugevolgen zijn uitgesloten: er is geen m.e.r.(beoordeling) noodzakelijk; ▪ belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu zijn niet uitgesloten: er moet een m.e.r.-beoordeling plaatsvinden of er kan direct worden gekozen voor m.e.r. Vormvrije m.e.r.-beoordeling Om te bepalen of een m.e.r. noodzakelijk is dient bepaald te worden of de ontwikkeling de drempelwaarden uit lijst D van het Besluit m.e.r. overschrijdt, of de ontwikkeling in een kwetsbaar gebied ligt en of er belangrijke milieugevolgen zijn. In het plangebied wordt de bouw van 3 extra woningen mogelijk gemaakt. De ontwikkeling dient getoetst te worden aan activiteit D 11.2 uit de Bijlage bij het Besluit m.e.r. Deze activiteit betreft een stedelijk ontwikkelingsproject.

In het geval van een stedelijk ontwikkelingsproject is direct een m.e.r.-beoordeling noodzakelijk als de activiteit gaat om de bouw van 2.000 woningen of meer in een aaneengesloten gebied of als de activiteit een omvang heeft van 100 hectare. Geconcludeerd kan worden dat de ontwikkeling ver beneden de drempelwaarde ligt zoals opgenomen in het Besluit m.e.r. In onderdeel A van de bijlage bij het Besluit m.e.r. is bepaald wat verstaan wordt onder een gevoelig gebied. Als gevoelig gebied zijn gebieden aangewezen die beschermd worden op basis van de natuurwaarden, landschappelijke waarden, cultuurhistorische waarden en waterwingebieden. Uit het onderhavige hoofdstuk, waaraan de resultaten van de toetsing juncto art. 3.1.6 Bro worden weergegeven, blijkt dat het plangebied niet ligt in of nabij een gebied dat beschermd wordt ten gevolge van de natuurwaarden. Het plan ligt niet in de directe nabijheid van de Ecologische Hoofdstructuur, een Vogel- of Habitatrichtlijngebied en overig beschermd natuurgebied (Natura 2000). Op basis van de in het kader van het onderhavige planvoornemen uitgevoerde beschouwingen blijkt dat van externe werking op een Natura 2000 gebied geen sprake kan zijn. Het plangebied behoort niet tot een waterwinlocatie, waterwingebied of grondwaterbeschermingsgebied. In het plangebied is tevens geen Rijksmonument gelegen.

In dit hoofdstuk zijn tevens de verschillende milieueffecten beschouwd, zoals geluid en luchtkwaliteit. Hieruit blijkt dat er door de ontwikkeling inderdaad geen sprake zal zijn van nadelige milieugevolgen. Het opstellen van een milieueffectrapportage is niet aan de orde. Conclusie In het kader van dit bestemmingsplan is in voldoende mate inzicht gekregen in de milieugevolgen van de beoogde ontwikkeling. Het college heeft besloten dat, verband houdend met het bestemmingsplan Laan van Brabant 65, er niet wordt overgegaan tot het vervaardigen van een Milieueffectrapportage (MER) of een MER-beoordeling, omdat de noodzaak daartoe ontbreekt (zie bijlage 8).

Bestemmingsplan “Laan van Brabant 65”

47

48

Gemeente Roosendaal

6

JURIDISCHE PLANTOELICHTING

6.1

Inleiding Dit hoofdstuk bespreekt de wijze waarop het ruimtelijk en functioneel beleid voor het plangebied in het bestemmingsplan is vertaald. Bij het opstellen van de juridische regeling heeft het uitgangspunt centraal gestaan dat er een regeling geboden wordt die de ontwikkeling van het plangebied mogelijk maakt.

6.2

Opbouw van de regels Het bestemmingsplan bestaat uit regels en een verbeelding, vergezeld van een toelichting. De regels en de verbeelding vormen het juridisch bindende deel van het bestemmingsplan. De regels zijn zodanig opgesteld dat voor de bestemmingen wordt aangesloten bij de systematiek voor “Binnenstad Oost”. De verbeelding heeft de rol van visualisering van de bestemmingen. De verbeelding omvat de gronden die voor de ontwikkeling van het plan van belang zijn. De keuze van de bestemmingen en de situering van de bestemmingsvlakken is gebaseerd op de huidige ruimtelijke situatie en de gewenste functies. Voorts sluit de opzet van de verbeelding aan op de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen 2012 (SVBP 2012). De regels regelen hoe de betreffende gronden mogen worden gebruikt en bebouwd. De bestemmingen zijn zo opgenomen dat voldoende rechtszekerheid bestaat voor omwonenden en andere gebruikers van het gebied en de omliggende gebieden. De regels bestaan uit vier hoofdstukken, te weten: • inleidende regels; • bestemmingsregels; • algemene regels; • overgangs- en slotregels. In de toelichting wordt gemotiveerd waarom sprake is van een goede ruimtelijke ordening.

Ondanks het feit dat de toelichting geen onderdeel uitmaakt van het juridisch plangedeelte, fungeert de toelichting wel als interpretatiekader voor de uitleg van de regels, indien hierover interpretatieverschillen blijken te bestaan.

6.3

Regels

6.3.1 Hoofdstuk 1 ‘Inleidende regels’ Artikel 1 ‘Begrippen’ In dit artikel worden begrippen gedefinieerd, die in de regels worden gehanteerd. Bij de toetsing aan het bestemmingsplan moet worden uitgegaan van de in dit artikel aan de betreffende begrippen toegekende betekenis.

Bestemmingsplan “Laan van Brabant 65”

49

Artikel 2 ‘Wijze van meten’ In dit artikel wordt aangegeven hoe de hoogte en andere maten, die bij het bouwen in acht genomen dienen te worden, gemeten moeten worden. 6.3.2 Hoofdstuk 2 ‘Bestemmingsregels’ Het stramien voor de regels is vastgelegd in de SVBP 2012. De regels van een bestemming worden als volgt opgebouwd en benoemd: • bestemmingsomschrijving; • bouwregels; • nadere eisen; • afwijken van de bouwregels; • specifieke gebruiksregels; • afwijken van de gebruiksregels; • omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden; • omgevingsvergunning voor het slopen van een bouwwerk; • wijzigingsbevoegdheid. Duidelijk zal zijn dat een regel niet alle elementen hoeft te bevatten. Dit kan per bestemming verschillen. Bestemmingen Artikel 3 ‘Tuin’ De gronden met de bestemming ‘Tuin’ zijn bestemd voor de (voor)tuinen behorende bij de aangrenzende gronden gelegen hoofdgebouwen. Deze hoofdgebouwen liggen binnen een bouwvlak binnen de bestemming ‘Wonen’. Artikel 4 ‘Wonen - 2’ De gronden met de bestemming ‘Wonen-2’ zijn bestemd voor twee-aaneen gebouwde, geschakelde en vrijstaande woningen. Tevens zijn deze gronden bestemd voor aanhuis-gebonden-beroeps- of bedrijfsmatige activiteiten. Artikel 5 ‘Wonen – 3’ De gronden met de bestemming ‘Wonen-3’ zijn uitsluitend bestemd voor vrijstaande woningen.

Tevens zijn deze gronden bestemd voor aan-huis-gebonden-beroeps- of bedrijfsmatige activiteiten. 6.3.3 Hoofdstuk 3 ‘Algemene regels’ Artikel 6 Antidubbeltelregel In dit artikel wordt geregeld dat voor gronden die eenmaal in aanmerking zijn genomen bij het toestaan van een bouwplan waaraan uitvoering is gegeven of alsnog kan worden gegeven, de beoordeling van latere bouwplannen buiten beschouwing blijven. Artikel 7 Algemene bouwregels In dit artikel zijn bepalingen opgenomen inzake ondergronds overschrijdingen van bouwgrenzen en gevellijnen

50

bouwen en

Gemeente Roosendaal

Artikel 8 Algemene gebruiksregels In dit artikel zijn bepalingen opgenomen inzake het gebruik van bouwwerken. Artikel 9 Algemene afwijkingsregels In dit artikel worden de activiteiten genoemd waarvan door middel van een omgevingsvergunning afgeweken kan worden van het bestemmingsplan. Artikel 10 Algemene wijzigingsregels In dit artikel worden algemene wijzigingsregels genoemd, onder andere voor de overschrijding van bestemmingsgrenzen. Artikel 11 Algemene procedureregels In dit artikel worden de algemene procedureregels behandeld die van toepassing zijn op een besluit tot nadere eis. 6.3.4 Hoofdstuk 4 ‘Overgangs- en slotregels’ Dit hoofdstuk omvat twee artikelen: Artikel 12 Overgangsrecht Dit artikel betreft het overgangsrecht met betrekking tot gebruik van onbebouwde gronden en bouwwerken dat afwijkt van het bestemmingsplan op het moment dat dit rechtskracht verkrijgt. Dit gebruik mag worden voortgezet. Wijziging van het afwijkend gebruik is slechts toegestaan indien de afwijking hierdoor wordt verkleind. Daarnaast zijn overgangsregels opgenomen ten aanzien van het bouwen. Een bouwwerk dat afwijkt van de bouwregels van het bestemmingsplan op het moment dat dit rechtskracht verkrijgt, mag gedeeltelijk worden vernieuwd of veranderd, of na een calamiteit geheel worden vernieuwd of veranderd. De afwijking mag daarbij naar aard en omvang niet worden vergroot.

Daarvan mag eenmalig bij een omgevingsvergunning worden afgeweken tot maximaal 10% van de inhoud van het bouwwerk. Het overgangsrecht is niet van toepassing op bouwwerken die reeds in strijd waren met het voorgaande geldende bestemmingsplan. Artikel 13 Slotregel De regels kunnen worden aangehaald onder bestemmingsplan ‘Laan van Brabant 65’.

Bestemmingsplan “Laan van Brabant 65”

de naam: Regels van het

51

52

Gemeente Roosendaal

7

ECONOMISCHE UITVOERBAARHEID

7.1

Inleiding In dit hoofdstuk wordt de economische uitvoerbaarheid beschreven. Indien het bestemmingsplan voorziet in de uitvoering van werken door de gemeente moet de financieel-economische uitvoerbaarheid hiervan worden aangetoond. Er wordt nader ingegaan op de grondexploitatie en de koppeling met het exploitatieplan.

7.2

Toepassing Grondexploitatiewet De Wet ruimtelijke ordening maakt het vaststellen van een exploitatieplan verplicht voor een aantal bouwactiviteiten wanneer de bouw planologisch mogelijk wordt gemaakt in een bestemmingsplan, een wijziging van een bestemmingsplan of een projectafwijkingsbesluit. De bouwplannen waarbij een exploitatieplan verplicht is staan in artikel 6.2.1 van het Besluit ruimtelijke ordening. Dit betreft onder meer plannen voor de bouw van een of meer woningen en de bouw van een of meer andere hoofdgebouwen. Bovendien is een exploitatieplan nodig als locatie-eisen (aan openbare ruimte of woningcategorieën) gesteld moeten worden en/of het bepalen van een tijdvak of fasering noodzakelijk is. Geen exploitatieplan is nodig indien het verhaal van de kosten van grondexploitatie anderszins verzekerd is en er geen fasering of tijdvak behoeft te worden vastgelegd én geen locatie-eisen (aan openbare ruimte of woningbouwcategorieën) hoeven te worden vastgesteld.

7.3

Economische uitvoerbaarheid Ten aanzien van het onderhavige plan is het verhaal van de kosten anderszins verzekerd. Er wordt een overeenkomst gesloten ten behoeve van het verhalen van legeskosten volgens de legesverordening en daarnaast een overeenkomst afsluiten met betrekking tot planschade.

Bestemmingsplan “Laan van Brabant 65”

53

54

Gemeente Roosendaal

8

MAATSCHAPPELIJKE UITVOERBAARHEID

8.1

Vooroverleg Artikel 3.1.1 van het Besluit op de ruimtelijke ordening (Bro) geeft aan dat bij de voorbereiding van een bestemmingsplan burgemeester en wethouders overleg met de besturen van bij het plan betrokken waterschappen plegen. Waar nodig plegen zij tevens overleg met besturen van andere gemeenten, met de provincie, de inspecteur voor de ruimtelijke ordening en met eventuele andere diensten van Rijk en provincie die belast zijn met de behartiging van belangen die in het plan in het geding zijn. Vóór het opstarten van de procedure is dit bestemmingsplan ter vooroverleg opgestuurd naar de veiligheidsregio, het waterschap en naar de provincie Noord-Brabant. De provincie heeft schriftelijk gereageerd dat de provinciale belangen met dit plan niet in het geding zijn (zie bijlage 9). De veiligheidsregio heeft een reactie op het concept gegeven en deze opmerkingen zijn verwerkt. In het kader van het voorontwerp is geen reactie meer gekomen van de veiligheidsregio. Het waterschap heeft per mail laten weten geen opmerkingen te hebben op het plan.

8.2

Inspraak Het gemeentebestuur kan op grond van de inspraakverordening de ingezetenen van de gemeente en belang hebbende natuurlijke personen en rechtspersonen bij de voorbereiding van (herziening van) bestemmingsplannen betrekken. In relatie daarmee bepaalt artikel 150 van de Gemeentewet onder meer dat in een gemeentelijke inspraakverordening moet worden geregeld op welke wijze bovenbedoelde personen en rechtspersonen hun mening kenbaar kunnen maken.

8.3

Tervisielegging Het ontwerp bestemmingsplan wordt na het vooroverleg en de inspraak voor een periode van zes weken ter visie gelegd. Burgemeester en wethouders van Roosendaal maken bekend dat het ontwerpbestemmingsplan ‘Laan van Brabant 65 te Roosendaal' vanaf maandag 22 maart 2021 voor de duur van zes weken ter inzage ligt. Er zijn gedurende deze termijn geen zienswijzen binnengekomen. Het plan wordt ongewijzigd vastgesteld.

Bestemmingsplan “Laan van Brabant 65”

55

56

Gemeente Roosendaal

Bestemmingsplan “Laan van Brabant 65”

57

Verbeelding

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://raad.roosendaal.nl/api/v1/meetings/1096/documents/29846