1 Toelichting - NL.IMRO.1674.2120LAANVBRABANT65-0401.pdf
Tekst van het document
telefoon email internet kvk Breda
Compositie 5 stedenbouw bv Boschstraat 35 - 37 4811 GB Breda 076 – 5225262 info@c5s.nl www.c5s.nl 20083802
Gemeente Roosendaal Bestemmingsplan "Laan Van Brabant 65", Roosendaal
Projectnummer: 190983 Datum: 08-07-2021
Gemeente Roosendaal Bestemmingsplan "Laan Van Brabant 65", Roosendaal
Verbeelding id-nr : NL.IMRO.1674.2120LAANVBRABANT65-0401 d.d. : 08-07-2021 Planstatus Datum:
: vastgesteld : 08-07-2021
Inhoudsopgave Toelichting
bestemmingsplan "Laan van Brabant 65"
3
Gemeente Roosendaal
4
Toelichting
bestemmingsplan "Laan van Brabant 65"
5
Compositie 5 stedenbouw bv Boschstraat 35 4811 GB Breda telefoon
076 – 5225262
info@c5s.nl
internet
www.c5s.nl
kvk Breda
20083802
Gemeente Roosendaal Bestemmingsplan “Laan van Brabant 65” te Roosendaal
Projectnummer:
190983
Datum:
08-07-2021
Gemeente Roosendaal Bestemmingsplan “Laan van Brabant 65” te Roosendaal Inhoud 1. Toelichting 2. Regels 3. Verbeelding id.nr. : NL.IMRO.1674.2120LAANVBRABANT65-0401 d.d. : 08-07-2021
Projectleider: Collegiale toets: Status:
Dhr. T. van Baast MSc Mevr. ing. T.J.C. van Wijnen MSc Vastgesteld
Toelichting
INHOUD
1 1.1 1.2 1.3 1.4
INLEIDING Aanleiding en doel Begrenzing plangebied Vigerend bestemmingsplan Leeswijzer
3 3 3 4 4
2 2.1 2.2 2.3 2.4
GEBIEDSPROFIEL Inleiding Ontstaan kern Roosendaal Omgeving plangebied Plangebied
5 5 5 5 6
3 3.1 3.2 3.3
PROJECTPROFIEL Inleiding Planbeschrijving Verkeer en parkeren
7 7 7 8
4 4.1 4.2 4.3 4.4
BELEIDSKADER Inleiding Rijksbeleid Provinciaal beleid Gemeentelijk beleid
11 11 11 14 19
5 5.1 5.2 5.3 5.4 5.5 5.6 5.7 5.8 5.9 5.10 5.11 5.12
PLANOLOGISCH RELEVANTE (MILIEU)ASPECTEN Inleiding Bodem Waterhuishouding Cultuurhistorie Archeologie Ecologie Wegverkeerslawaai Bedrijven en milieuzonering Externe veiligheid Luchtkwaliteit Kabels en leidingen Milieueffectrapportage en vormvrije m.e.r.-beoordeling
25 25 25 27 32 33 34 36 38 39 43 45 46
6 6.1 6.2 6.3
JURIDISCHE PLANTOELICHTING Inleiding Opbouw van de regels Regels
49 49 49 49
7 7.1
ECONOMISCHE UITVOERBAARHEID Inleiding
53 53
Bestemmingsplan “Laan van Brabant 65”
1
7.2 7.3
Toepassing Grondexploitatiewet Economische uitvoerbaarheid
53 53
8 8.1 8.2 8.3
MAATSCHAPPELIJKE UITVOERBAARHEID Vooroverleg Inspraak Tervisielegging
55 55 55 55
BIJLAGEN Bijlage 1. Bijlage 2. Bijlage 3. Bijlage 4. Bijlage 5. Bijlage 6. Bijlage 7. Bijlage 8. Bijlage 9.
Actualiserend bodemonderzoek, DS milieu-consult, 18 april 2017 Bodemsaneringsplan, DS milieu-consult, 11 augustus 2017 Beschikking saneringsplan, Omgevingsdienst Midden- en West-Brabant, 25 september 2018 Verkennend bodemonderzoek, DS milieu-consult, 28 augustus 2020 Aerius-berekening, Compositie 5 stedenbouw bv, 27 augustus 2020 Akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai, Wematech, 25 april 2019 Onderzoek Externe Veiligheid, AVIV, 15 april 2019 Besluit MER, gemeente Roosendaal, 2020 Vooroverlegreactie provincie Noord-Brabant, oktober 2020
Topografische kaart van de kern Roosendaal. Binnen de rode cirkel is het plangebied gelegen. Bron: topotijdreis.nl, 2019.
2
Gemeente Roosendaal
1
INLEIDING
1.1
Aanleiding en doel Janssens Vastgoed BV is voornemens om aan de Laan van Brabant 65 te Roosendaal drie grondgebonden, vrijstaande koopwoningen te ontwikkelen. Het plangebied betreft de locatie van voormalig autobedrijf De Kroeven met inbegrip van enkele gronden met een woon- en tuinbestemming er omheen. Het pand van het autobedrijf is gesloopt en de gronden zijn op advies van de gemeente Roosendaal gesaneerd in verband met een aangetroffen bodemverontreiniging. De gemeente Roosendaal heeft per principebesluit van 20 oktober 2015 de bereidheid uitgesproken tot medewerking aan het wijzigen van de bestemming op de locatie ten behoeve van de woningbouwontwikkeling. In alle opzichten is de realisatie van drie vrijstaande woningen een waardevolle toevoeging aan de zuidelijke binnenstad van de gemeente Roosendaal. Ten eerste maakt een vervallen bedrijfspand (nu een braakliggend terrein) in een bestaande binnenstedelijke woonwijk plaats voor nieuwbouw van woningen. Ten tweede past de nieuwe functie beter in de bestaande omgeving. Ten derde realiseert het plan een deel van de woningbouwbehoefte in bestaand stedelijk gebied. Onderhavig plan motiveert of de ontwikkeling van drie grondgebonden, vrijstaande koopwoningen op de locatie Laan van Brabant 65 voldoet aan het principe van ‘een goede ruimtelijke ordening’.
Algra & Marechal architecten bv heeft een verkavelingsplan ten behoeve van het planvoornemen opgesteld. Op pagina 7 van onderhavig schrijven is een weergave van het verkavelingsplan te zien. De gewenste herontwikkeling van het plangebied ten behoeve van de functie wonen is niet mogelijk binnen het vigerend bestemmingsplan “Binnenstad Oost”, zoals vastgesteld op 14 juni 2012. Derhalve dient een bestemmingsplan voor het plangebied opgesteld te worden, waarmee 3 grondgebonden woningen mogelijk worden gemaakt.
1.2
Begrenzing plangebied Het plangebied ligt in een woongebied in het zuidelijke centrumgebied van Roosendaal, direct ten noorden van de rijksweg A58. De locatie is kadastraal bekend als de gemeente Roosendaal en Nispen, sectie D, perceelnummers 10008, 8063, 5254, 8064, 3921 en 9735. De globale begrenzing van het plangebied is gevisualiseerd op navolgende bestemmingsvlak. Het plangebied wordt begrensd door de Laan van Brabant, de Vrouwemadestraat, het Vrouwemadepad, de Laan van Vlaanderen en de Laan van Henegouwen. De bestaande woningen aan de Laan van Henegouwen worden meegenomen, omdat de percelen van deze woningen worden herverdeeld.
Bestemmingsplan “Laan van Brabant 65”
3
1.3
Vigerend bestemmingsplan Voor het plangebied geldt bestemmingsplan “Binnenstad Oost”, zoals vastgesteld op 14 juni 2012. In dit bestemmingsplan zijn de gronden bestemd als ‘Bedrijf – 2’. De realisatie van woningen is niet mogelijk binnen deze bestemming.
Uitsnede van de verbeelding behorend bij het vigerend bestemmingsplan “Binnenstad Oost”. Binnen de rode contour is het plangebied gelegen.
1.4
Leeswijzer In hoofdstuk 2 wordt het gebiedsprofiel beschreven van de omgeving waarin het planvoornemen plaats gaat vinden. Allereerst wordt de kern Roosendaal toegelicht, waarna ingezoomd wordt op het huidige gebruik van het plangebied. In hoofdstuk 3 wordt het projectprofiel van het planvoornemen toegelicht. In hoofdstuk 4 is het planvoornemen getoetst aan het beleid op nationaal, provinciaal en gemeentelijk niveau. Hoofdstuk 5 heeft betrekking op de planologisch relevante (milieu)aspecten. Vervolgens wordt in hoofdstuk 6 de juridische vormgeving van het plan toegelicht. Tot slot komt in hoofdstuk 7 de economische uitvoerbaarheid van de ontwikkeling aan de orde en in hoofdstuk 8 de maatschappelijke uitvoerbaarheid.
4
Gemeente Roosendaal
2
GEBIEDSPROFIEL
2.1
Inleiding In dit hoofdstuk wordt een integraal gebiedsprofiel gegeven van het plangebied en de directe omgeving. De kenmerken van de kern Roosendaal worden beschreven, waarna verder ingezoomd wordt op de huidige situatie binnen het plangebied.
2.2
Ontstaan kern Roosendaal De kern Roosendaal is ontstaan als agrarische nederzetting op een zandige rug te midden van vochtige gebieden. Nog in de middeleeuwen ontwikkelde zich in deze agrarische nederzetting een belangrijke handelsfunctie, die vooral ontstond rondom de overslag van handel in turf. De turfnering bracht Roosendaal in de 15e en 16e eeuw tot welvaart. Telde de stad halverwege de 15e eeuw nog slechts 660 woningen, in 1526 waren dit er reeds 970. De eerste bebouwing concentreerde zich langs de toegangswegen naar de kapel ter hoogte van de Sint Janskerk. Na 1570 zet de neergang in, met name door de gevolgen van de Tachtigjarige Oorlog en de vele pestepidemieën. In 1628 telde de stad nog slechts 1200 inwoners. Een zekere mate van welvaart ontstond tussen 1750 en 1850. In 1809 werd het dorp Roosendaal tot stad verheven. Een zeer belangrijke factor in de ontwikkeling van Roosendaal is de aanleg van de spoorlijn Rotterdam-Antwerpen (1852-1872). Het station van Roosendaal krijgt behalve met Antwerpen tevens een verbinding naar Rotterdam, Vlissingen en Breda, waardoor het uitgroeit tot een belangrijk knooppunt. Veel bedrijvigheid vestigt zich in Roosendaal. Hierdoor nam het inwoneraantal van Roosendaal aanzienlijk toe. In januari 1850 waren er 6084 ingezetenen, tien jaar later 7036 en in 1900 circa 13.700 ingezetenen.
Verplaatsing van het oorspronkelijke station van het huidige Oranjeplein naar de noordzijde in 1907 resulteerde in de Brugstraat en in verlenging van de Stationsstraat. In 1909 werd er een stratenplan gemaakt voor de grond ten oosten en ten westen van de Brugstraat. In hoog tempo werden deze gronden volgebouwd. Belangrijk was het Uitbreidingsplan uit 1933 (infrastructuur, groensingel, verdichting plekken). Tot 1940 werd voornamelijk de bestaande bebouwing verdicht en uitgroei van lintbebouwing gerealiseerd. Na de Tweede Wereldoorlog groeide de stad verder uit waarbij de omliggende akkerlanden werden volgebouwd. Hierdoor werden de omliggende gehuchten opgenomen binnen de naoorlogse bebouwing. Bovendien werden er grote bedrijventerreinen aangelegd.
2.3
Omgeving plangebied Binnenstad Oost is een ‘stenige’ wijk met weinig openbare ruimte en weinig groenvoorzieningen. De wijk is te bestempelen als een woongebied, maar op bepaalde plaatse komt een zekere mate van bedrijvigheid voor. Dit is niet het geval in de directe omgeving van het plangebied. In de omgeving van het plangebied wordt vooral
Bestemmingsplan “Laan van Brabant 65”
5
gewoond. Het meest voorkomende woningtype is de rijwoning (40%). Toch zijn in de wijk nog diverse straten waar veel winkels aanwezig zijn.
2.4
Plangebied Het bedrijfspand van het autobedrijf is gebouwd in 1945. Het bedrijfspand was prominent aanwezig en beeldbepalend in de straat. In de loop van de jaren is het bedrijfspand sterk verouderd. De bebouwing van autobedrijf De Kroeven is anno 2019 gesloopt. Het plangebied bestaat nu uit braakliggende grond en is omheind met een hekwerk (zie onderstaande figuur). Onlangs is de bodem gesaneerd. Het plangebied is momenteel niet in gebruik.
Foto genomen vanaf de Laan van Brabant in oostelijke richting. Te zien is de situatie van februari 2019. Het terrein is momenteel omheind. Deze gronden worden herontwikkeld ten behoeve van voorliggend plan. Bron: Cyclomedia globespotter, 2019.
Luchtfoto van het plangebied en de directe omgeving. De luchtfoto is genomen in juli 2018. De bestaande bebouwing is op deze foto nog zichtbaar. Binnen de rode contour is het plangebied gelegen. Bron: Cyclomedia globespotter, 2018.
6
Gemeente Roosendaal
3
PROJECTPROFIEL
3.1
Inleiding In dit hoofdstuk wordt nader ingegaan op de ruimtelijke opzet en het programma van voorliggende ontwikkeling van drie vrijstaande woningen. Daarvoor heeft Algra & Marechal architecten bv een verkavelingsplan opgesteld. De nieuwe stedenbouwkundige structuur van het plangebied worden in dit hoofdstuk nader toegelicht, evenals het aspect verkeer en parkeren, dat nader getoetst zal worden aan het ruimtelijk beleid van de gemeente.
Inrichtingsplan voor het plangebied. Bron: Algra & Marechal architecten bv, 2019.
3.2
Planbeschrijving Het planvoornemen betreft de ontwikkeling van 3 grondgebonden vrijstaande woningen op de gronden behorend tot het plangebied. De bouwmassa bestaat uit 2 bouwlagen met een zadeldak. De hoofdgebouwen krijgen een nokhoogte van 10,7 meter en een goothoogte van 5,8 meter. De percelen krijgen een oppervlakte van respectievelijk 469 m2, 508 m2 en 445 m2. De voorzijden van de nieuwe woningen worden in de bestaande gevellijnen geplaatst. De gekozen bouwmassa is eenvoudig en traditioneel, waarmee aangesloten wordt bij de overige woningen in de Laan van Henegouwen. Gesteld kan worden dat de beoogde woningen aansluit bij de huidige omgeving. Een bestaand, verouderd bedrijfspand wordt vervangen door 3 vrijstaande woningen. Derhalve kan worden gesproken van zowel een stedenbouwkundige- als een ruimtelijke kwaliteitsverbetering.
Bestemmingsplan “Laan van Brabant 65”
7
Impressie woningen voor het plangebied. Links een vooraanzicht en rechts een zijaanzicht. Bron: Algra & Marechal architecten bv, 2018.
3.3
Verkeer en parkeren Verkeer De realisatie van drie vrijstaande koopwoningen leidt op basis van de CROW publicatie 381, ‘Kencijfers parkeren en verkeersgeneratie’ met als uitgangspunten ‘koophuis, vrijstaand’ gelegen in ‘schil centrum’ in een sterk stedelijk gebied tot ongeveer 23 voertuigbewegingen per etmaal (norm is 7,3-8,1 per etmaal). De Laan van Henegouwen en Laan van Vlaanderen kunnen worden aangemerkt als wegen voor bestemmingsverkeer. Deze wegen hebben voldoende capaciteit om het verkeer af te wikkelen. Ontsluiting De nieuwe ontsluiting van de percelen zal via de Laan van Henegouwen plaatsvinden. Een deel van het bestaande fietspad wordt omgezet tot een volwaardige verkeersontsluiting, maar de Laan van Henegouwen blijft een doodlopende weg. Daarmee wordt de verkeersveiligheid verbeterd, omdat het voormalige bedrijf werd ontsloten via de (drukke) Laan van Brabant. Parkeren Met de inwerkingtreding van de “Reparatiewet BZK” op 29 november 2014 is het verplicht om het parkeren te reguleren middels de bestemmingsregeling. In de bestemmingsregeling kan worden opgenomen dat bij aanvraag om omgevingsvergunning (voor het bouwen en / of afwijken) dient te worden aangetoond dat wordt voldaan aan de van toepassing zijnde parkeernormen.
In het kader van ‘een goede ruimtelijke ordening’ dient echter al bij vaststelling van een bestemmingsplan inzichtelijk te worden gemaakt dat redelijkerwijs in de aldus benodigde parkeerplaatsen feitelijk duurzaam kan worden voorzien (ECLI:NL:RVS:2017:1036, r.o. 5.3). Het aantal benodigde parkeerplaatsen wordt bepaald door de geldende ‘Nota Parkeernormen’, vastgesteld in december 2011 door de raad. De parkeernormen van Roosendaal zijn gebaseerd op de gemiddelde parkeerkencijfers van het CROW. Binnen het plangebied worden koopwoningen van een hoge prijsklasse gerealiseerd. Daarvoor geldt een parkeernorm van 2,0 per woning. Uitgangspunt is dat de parkeerbehoefte zo veel mogelijk op eigen terrein opgelost wordt. Per perceel zullen 2 parkeerplaatsen op eigen terrein worden aangelegd. De perceelsoppervlakten zijn voldoende groot voor de aanleg van deze parkeerplaatsen op eigen terrein. Het
8
Gemeente Roosendaal
parkeren zal niet tot problemen leiden. In de regels is opgenomen dat bij een aanvraag omgevingsvergunning voor bouwen dient te worden voldaan aan de parkeernormen van Roosendaal. Conclusie Het initiatief leidt niet tot overbelasting van bestaande wegen, draagt bij aan de veiligheid van de ontsluiting en voldoet aan de gemeentelijke parkeernormen.
Bestemmingsplan “Laan van Brabant 65”
9
10
Gemeente Roosendaal
4
BELEIDSKADER
4.1
Inleiding De gemeente Roosendaal heeft te maken met de vigerende beleidskaders van de landelijke en provinciale overheid; ontwikkelingen dienen te voldoen aan dit beleid. Daarnaast dient de voorgenomen ontwikkeling zich eveneens te voegen binnen de marges van het gemeentelijke beleid. Het ruimtelijk beleid van de drie voorgenoemde overheden is per overheidslaag neergelegd in één of meerdere zogenoemde structuurvisies. Voor de realisatie van het beleid zetten de verschillende overheden een mix van instrumenten in; één van die instrumenten betreft het vertalen van het beleid uit de structuurvisie naar een juridisch bindende verordening. Hieronder zijn de voor dit plan relevante structuurvisies en verordeningen per overheidslaag weergegeven en wordt getoetst of de onderhavige ontwikkeling passend is binnen het beleid.
4.2
Rijksbeleid
4.2.1 Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR), 2012 Toetsingskader Op 13 maart 2012 is de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) van kracht geworden. Deze structuurvisie vormt de uitwerking van de ambities van het Rijk, op basis van haar verantwoordelijkheden, in Rijksdoelen en daarmee samenhangende nationale belangen op het gebied van een samenhangend ruimtelijk en mobiliteitsbeleid. Het Rijk heeft tot doel Nederland concurrerend, bereikbaar, leefbaar en veilig te maken in een periode van economische conjunctuurschommelingen, klimaatverandering en toenemende regionale verschillen. Aanleiding voor het vaststellen van de visie is de constatering dat het voorheen geldende ruimtelijke Rijksbeleid onvoldoende bijdroeg aan het behalen van deze doelen, onder meer door het veroorzaken van bestuurlijke drukte, ingewikkelde regelgeving en een te sectorale blik op vraagstukken. Om dit te keren brengt het Rijk de ruimtelijke ordening zo dicht mogelijk bij diegene die het aangaat en laat het meer over aan gemeenten en provincies. Het Rijk onderscheidt thans nog dertien nationale belangen; uitsluitend op basis van deze belangen intervenieert het Rijk in de ruimtelijke ordening. Een groot deel van deze belangen leidt tot het reserveren van ruimte voor functies.
Dit betreft dan bijvoorbeeld het reserveren van ruimte voor waterberging, militaire activiteiten en de uitbreiding van het hoofdwegennet. Deze belangen zijn vastgelegd in het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) en de Regeling algemene regels ruimtelijke ordening (Rarro). Eén van de belangen die niet leidt tot een ruimtereservering is het belang van een 'zorgvuldige afweging en transparante besluitvorming bij alle ruimtelijke en infrastructurele besluiten'. In het kader van dit belang heeft het Rijk besloten om, ten behoeve van het verminderen van de bestuurlijke drukte en het neerleggen van verantwoordelijkheden bij decentrale overheden, de verstedelijkingsstrategie te
Bestemmingsplan “Laan van Brabant 65”
11
wijzigen. Dit houdt in dat het bundelingsbeleid, verdichtingsbeleid, locatiebeleid voor bedrijven en voorzieningen, beleid voor basiskwaliteit, stedelijke netwerken, nationale landschappen en rijksbufferzones is afgeschaft en dat daar slechts één beleidslijn voor terug komt: de 'ladder voor duurzame verstedelijking'. Deze 'ladder' heeft tot doel het principe van vraaggericht programmeren en het principe van zorgvuldig ruimtegebruik bindend voor te schrijven bij de afwegingen van gemeenten en provincies. Dit belang is als procesvereiste vastgelegd in het Besluit ruimtelijke ordening (Bro). Grondgedachte van de 'ladder' is dat een activiteit op meerdere locaties zou kunnen plaatsvinden en dat vervolgens de planologisch meest juiste locatie gekozen moet worden. Dat gaat uit van de activiteit. Hiermee wordt beoogd om de voorheen bestaande praktijk, waarbij in veel gevallen een bestemming wordt gezocht voor een bepaalde locatie (bv. herbestemmen van een voormalige vuilstortplaats), om te vormen. Beoordeling Voorliggend plangebied is niet gelegen in een gebied waarvoor van rijkswege een ruimtereservering geldt. Uitsluitend het nationale belang van een ‘zorgvuldige afweging en transparante besluitvorming bij alle ruimtelijke en infrastructurele besluiten’, als vervat in de ‘ladder voor duurzame verstedelijking’, is van toepassing op onderhavig plan.
Aan dit belang wordt navolgend getoetst. Conclusie Het planvoornemen is passend binnen de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte van het Rijk. 4.2.2 Besluit en ministeriële regeling algemene regels ruimtelijke ordening (Barro, Rarro), 2012 Toetsingskader Het Rijk heeft in de hiervoor genoemde SVIR vastgesteld dat voor een beperkt aantal onderwerpen de bevoegdheid om algemene regels te stellen zou moeten worden ingezet. De SVIR bepaalt welke kaderstellende uitspraken zodanig zijn geformuleerd dat deze bedoeld zijn om beperkingen te stellen aan de ruimtelijke besluitvormingsmogelijkheden op provinciaal en gemeentelijk niveau. Ten aanzien daarvan is een borging door middel van normstelling, gebaseerd op de Wet ruimtelijke ordening, gewenst. Die uitspraken onderscheiden zich in die zin dat van de provincies en de gemeenten wordt gevraagd om de inhoud daarvan te laten doorwerken in de ruimtelijke besluitvorming. Zij zijn dus concreet normstellend bedoeld en worden geacht direct of indirect door te werken tot op het niveau van de lokale besluitvorming, zoals de vaststelling van bestemmings- en wijzigingsplannen. Het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) bevestigt in juridische zin die kaderstellende uitspraken. Op 30 december 2011 is het Barro in werking getreden met daarin een regeling voor een beperkt aantal onderwerpen.
Op 1 oktober 2012 is het besluit aangevuld met regels voor de andere beleidskaders uit de SVIR en tevens uit het Nationaal Waterplan en het Derde Structuurschema Elektriciteitsvoorziening. Door de nationale belangen vooraf in bestemmingsplannen te borgen, wordt met het Barro bijgedragen aan versnelling van de besluitvorming bij ruimtelijke ontwikkelingen en
12
Gemeente Roosendaal
vermindering van de bestuurlijke drukte. Een aantal onderwerpen is geregeld in de bij het Barro behorende Regeling algemene regels ruimtelijke ordening (Rarro). Beoordeling Op 1 juli 2016 is een wijziging van het Rarro (periodieke actualisatie en herstel van enkele gebreken 6e wijziging) in werking getreden. Volgens de kaarten behorende bij het Rarro is het besluitgebied gelegen binnen het radarverstoringsgebied van het radarstation op de locatie Herwijnen en Woensdrecht. In een gebied rondom deze radarstations moet rekening worden gehouden met de functionele bruikbaarheid daarvan. In het radarverstoringsgebied van het radarstation op de locatie Herwijnen is de maximale hoogte van windturbines gesteld op 90 meter ten opzichte van NAP. Met betrekking tot het radarverstoringsgebied van Woensdrecht geldt ter hoogte van Roosendaal (gelegen op circa 12 kilometer van het radarstation) een maximale bouwhoogte van 80 meter voor alle bouwwerken. In het onderhavige plan worden geen windturbines of bouwwerken met een dergelijke hoogte mogelijk gemaakt. Conclusie Geconcludeerd kan worden dat de onderhavige ontwikkeling passend is binnen de regels zoals gesteld in het Barro en het Rarro. 4.2.3 Ladder voor duurzame verstedelijking (art. 3.1.6 lid 2 Bro), 2017 Toetsingskader Op 1 oktober 2012 is art.
3.1.6, lid 2 toegevoegd aan het Besluit ruimtelijke ordening (Bro); dit artikel bevat de ‘ladder voor duurzame verstedelijking’. Met de toevoeging van dit artikel in het Bro is beoogd vanuit een oogpunt van ruimtelijke ordening ongewenste leegstand te vermijden en zorgvuldig ruimtegebruik te stimuleren (ECLI:NL:RVS:2017:353, r.o. 18.5). Op 1 juli 2017 is een wijziging van art. 3.1.6, lid 2 Bro in werking getreden. Het Bro regelt thans dat ‘de verantwoording van een juridisch verbindend ruimtelijk besluit van een decentrale overheid dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, een beschrijving dient te bevatten van de behoefte aan die ontwikkeling. Tevens is geregeld dat indien het ruimtelijk besluit die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, de verantwoording een motivering dient te bevatten waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien’. De definiëring van enkele van de in het artikel genoemde begrippen in art. 1.1.1 Bro laat onverlet dat de ‘ladder voor duurzame verstedelijking’ als een ‘open norm’ is te kwalificeren. Dit houdt in dat de norm inhoudelijk open is en onder verschillende omstandigheden nader ingevuld moet worden.
Sinds de inwerkingtreding van het artikel heeft de Afdeling bestuursrechtspraak Raad van State (ABRvS) in haar jurisprudentie de norm veelvuldig ingevuld en daardoor verder begrensd. Op 28 juni 2017 heeft de ABRvS een zogenoemde ‘overzichtsuitspraak’ gedaan (ECLI:NL:RVS:2017:1724, r.o. 2 t/m 12.8), waarin de dan geldende en op basis van de voornoemde wijziging te behouden jurisprudentielijnen nader uit een worden gezet. Op basis van deze jurisprudentielijnen kan de ‘ladder voor duurzame verstedelijking’ concreet worden toegepast. Beoordeling Toepassing van de ‘ladder voor duurzame verstedelijking’ houdt een antwoord op de volgende rechtsvragen in. Indien een rechtsvraag positief kan worden beantwoord,
Bestemmingsplan “Laan van Brabant 65”
13
dient de ‘ladder’ verder te worden doorlopen. Indien een rechtsvraag negatief wordt beantwoord, dan is de ‘ladder’ niet (verder) van toepassing dan wel kan niet aan de ‘ladder voor duurzame verstedelijking’ worden voldaan. a. Voorziet het onderhavige besluit in een stedelijke ontwikkeling? b. Voorziet het onderhavige besluit in een nieuwe stedelijke ontwikkeling? c. Is er sprake van een behoefte aan de voorziene ontwikkeling? d. Is de voorziene ontwikkeling gelegen buiten bestaand stedelijk gebied? e. Is het mogelijk om de voorziene ontwikkeling binnen bestaand stedelijk gebied te realiseren? a. Voorziet het onderhavige besluit in een stedelijke ontwikkeling? Uit de ‘overzichtsuitspraak’ van de ABRvS blijkt dat wanneer een ruimtelijk besluit voorziet in méér dan 11 woningen die gelet op hun onderlinge afstand als één woningbouwlocatie zijn aan te merken, deze ontwikkeling in beginsel als een stedelijke ontwikkeling dient te worden aangemerkt. Ten aanzien van andere vormen van gebruik van gronden dan ten behoeve van het wonen geldt dat indien het ruimtelijk besluit voorziet in een terrein met een ruimtebeslag van meer dan 500 m² of in een gebouw met een bruto-vloeroppervlakte groter dan 500 m², deze ontwikkeling in beginsel als een stedelijke ontwikkeling dient te worden aangemerkt.
Het onderhavige bestemmingsplan maakt ter plaatse van het plangebied de bouw van drie woningen mogelijk. De ontwikkeling is reeds gelet op de kleinschalige omvang niet als ‘stedelijke ontwikkeling’ te classificeren. Conclusie De ‘ladder voor duurzame verstedelijking’ behoeft niet te worden doorlopen.
4.3
Provinciaal beleid
4.3.1 Structuurvisie Ruimtelijke Ordening – partiële herziening, 2014 Toetsingskader De Structuurvisie Ruimtelijke Ordening 2010 – partiële herziening 2014 (SVRO 2014) betreft een herziening van de op 1 oktober 2010 vastgestelde Structuurvisie Ruimtelijke Ordening 2010. De partiële herziening is door Provinciale Staten van Noord-Brabant op 7 februari 2014 vastgesteld en is in werking getreden op 19 maart 2014. Deze structuurvisie geeft de hoofdlijnen van het provinciaal ruimtelijk beleid tot 2025 weer (met een doorkijk naar 2040). De visie is bindend voor het ruimtelijk handelen van de provincie. Het is de basis voor de wijze waarop de provincie de instrumenten inzet die de Wet ruimtelijke ordening biedt. De genoemde visie in de partiële herziening is verder vertaald in de regels van de Verordening ruimte 2014. Daarnaast ondersteunt de structuurvisie het beleid op andere provinciale beleidsterreinen, zoals het economisch-, mobiliteits-, sociaal-, cultureel-, milieu- en natuurbeleid. Het doel dat centraal staat in de SVRO is een goede woon-, werk- en leefomgeving voor inwoners en bedrijven in Noord-Brabant.
14
Gemeente Roosendaal
Beoordeling De planlocatie is op de structurenkaart van de Structuurvisie Ruimtelijke Ordening aangeduid als ‘Stedelijk concentratiegebied’. Binnen de stedelijke structuur streeft de provincie Noord-Brabant naar het volgende: • Concentratie van verstedelijking; • Inspelen op demografische ontwikkelingen; • Zorgvuldig ruimtegebruik; • Meer aandacht voor ruimtelijke kwaliteit; • Betere verknoping van stedelijke ontwikkelingen aan de infrastructuur; • Versterking van de economische clusters. Voor onderhavig plan geldt met name het accent dat de provincie in het ruimtelijk beleid legt op zorgvuldig ruimtegebruik; de provincie wil de groei en de spreiding van het stedelijk ruimtebeslag afremmen. Dit betekent dat het voorkomen van verdere aantasting van het buitengebied centraal staat. Het accent ligt dan ook op inbreiden en herstructureren. Het aansnijden van nieuwe ruimte voor verstedelijking is pas aan de orde, als gebleken is dat de bouwopgave voor wonen en werken niet binnen bestaand bebouwd gebied kan worden gerealiseerd, ook niet in andere kernen of op andere bedrijventerreinen binnen de betreffende gemeente, wat betreft wonen, en binnen de betreffende landelijke regio, wat betreft werken. Als toch nieuw ruimtebeslag nodig is, kan dit alleen daar waar, gelet op de ruimtelijke kwaliteiten binnen dat gebied, verantwoorde uitbreidingsmogelijkheden liggen.
Ruimtelijke karakteristieken en kwaliteiten worden dus meer bepalend voor de wijze waarop de (economische) dynamiek in de landelijke regio’s haar plek krijgt. De beoogde ontwikkeling is een voorbeeld van intensivering van ruimtegebruik. Er is sprake van een bestaande locatie in de kern Roosendaal, die geherstructureerd wordt ten behoeve van de gewenste woningbouw. Zodoende draagt het plan bij aan het doel om verstedelijking zo veel mogelijk te concentreren binnen het bestaand stedelijk gebied en om zorgvuldig met de ruimte om te gaan. Conclusie De gewenste ontwikkeling is passend binnen de provinciale structuurvisie. 4.3.2 Omgevingsvisie ‘De kwaliteit van Brabant, Visie op de leefomgeving’ Toetsingskader De Omgevingsvisie Noord-Brabant 'De Kwaliteit van Brabant, Visie op de Brabantse leefomgeving', is vastgesteld door Provinciale Staten op 14 december 2018. Aan de hand van de Omgevingsvisie geven Provinciale Staten aan wat de belangrijkste ambities voor de fysieke leefomgeving voor de komende jaren zijn. De Omgevingsvisie geldt als opvolger van de strategische elementen van eerdere provinciale plannen, zoals de structuurvisie, het verkeers- en vervoersplan, het milieu-en waterplan en de natuurvisie. Voor wat betreft sectorale beleidsdoelen blijven de huidige plannen, waaronder de SVRO, vooralsnog gelden.
In de aankomende Omgevingswet staan de waarden veiligheid, gezondheid en duurzame omgevingskwaliteit centraal. De Brabantse Omgevingsvisie voegt daar ambities aan toe voor vier hoofdopgaven: de energietransitie, een klimaatproof Brabant,
Bestemmingsplan “Laan van Brabant 65”
15
Brabant als slimme netwerkstad en een concurrerende, duurzame economie. Voor elk van deze opgaven geeft de Omgevingsvisie aan wat de ambities op lange termijn zijn, te weten wat is er nodig om Brabant in 2050 een gezonde, veilige en prettige leefomgeving te laten zijn. Ook is een concreet tussendoel geformuleerd voor het jaar 2030, om zo te kijken wat in dat jaar minimaal bereikt moet zijn om het lange termijndoel te kunnen halen. De Omgevingsvisie geeft ook aan op welke nieuwe manieren de provincie met betrokkenen wil samenwerken aan omgevingsvraagstukken en welke waarden daarbij centraal staan. Het bereiken van een gezonde leefomgeving is essentieel. Om die doelstelling kracht bij te zetten wordt de Brabantse Omgevingsscan vanaf de vaststelling van de Omgevingsvisie geïmplementeerd in de nieuwe werkwijze onder de Omgevingswet. Deze omgevingsscan is een instrument om invulling te geven aan de positie van gezondheid in de nieuwe bestuurspraktijk onder de Omgevingswet. Beoordeling Het onderhavige planvoornemen heeft raakvlakken met elk van de ambities uit de Omgevingsvisie. De realisatie van drie nieuwe woningen binnen bestaand stedelijk gebied is een vorm van duurzaam ruimtegebruik. Derhalve is met onderhavig initiatief sprake van een bijdrage aan een duurzame omgevingskwaliteit.
Conclusie Het onderhavige plan is passend binnen de in de Omgevingsvisie Noord-Brabant gestelde doelen. 4.3.3 Verordening ruimte Noord-Brabant Toetsingskader In de Omgevingsvisie zijn de hoofdlijnen van het provinciale beleid voor de komende periode aangegeven. Daarin is voor de doelen en ambities die bereikt moeten worden per onderwerp aangegeven welke instrumenten de provincie wil inzetten. In een aantal gevallen is gekozen voor het instrument 'planologische verordening', bekend als de “Verordening ruimte”. Op 8 juli 2017 heeft Provinciale Staten de gewijzigde versie van de Verordening ruimte Noord-Brabant vastgesteld. Op 1 juli 2017 heeft Gedeputeerde Staten een aanvullende wijziging vastgesteld. Per 1 januari 2019 is een geconsolideerde versie van de verordening beschikbaar met daarin alle actuele regels verwerkt. De Verordening ruimte Noord-Brabant bevat zowel algemene regels (o.a. over de bevordering van de ruimtelijke kwaliteit) als gebiedsgerichte regels. Bij de gebiedsgerichte regels is vervolgens een onderscheid gemaakt naar ‘structuren’ (basisregels) en ‘aanduidingen’ (aanvullende of afwijkende regels ten opzichte van de basisregels of andere aanduidingen). De ontwikkelingsmogelijkheden voor locaties worden met name bepaald door de ligging van de locatie binnen de eerder genoemde structuren en aanduidingen.
16
Gemeente Roosendaal
Beoordeling Ten aanzien van onderhavig initiatief zijn er meerdere sporen die gevolgd moeten worden in het kader van toetsing aan de verordening. Er moet ten eerste getoetst worden aan de geldende regels voor de opgenomen structuren en aanduidingen. Voor het overige moet getoetst worden aan de algemene regels voor de bevordering van de ruimtelijke kwaliteit. Navolgend wordt deze toetsing uitgevoerd. Artikel 4.3 Nieuwbouw van woningen Het plangebied voor onderhavig initiatief is gelegen binnen het bestaand stedelijk gebied. Het bestaand stedelijk gebied is het bestaande ruimtebeslag van de kern ten behoeve van een samenhangende ruimtelijke structuur van stedelijke functies. Het bestaand stedelijk gebied bestaat uit het stedelijk concentratiegebied en de kernen in het landelijk gebied.
Uitsnede van de integrale plankaart met structuren en aanduidingen behorend bij de Verordening ruimte Noord-Brabant. Binnen de rode contour is het plangebied gelegen. Bron: ruimtelijkeplannen.nl, 2019.
Voorliggende projectlocatie is binnen de Verordening ruimte Noord-Brabant (Vr NB) gelegen binnen de structuur ‘Bestaand stedelijk gebied, stedelijk concentratiegebied’. Ten aanzien van onderhavig initiatief zijn er meerdere sporen die gevolgd moeten worden in het kader van toetsing aan de Vr NB. Ten eerste moet worden voldaan aan de regels voor ontwikkelingen binnen de structuur ‘bestaand stedelijk gebied’, zoals opgenomen in artikel 4 van de Vr NB. De toelichting bij een bestemmingsplan gelegen in bestaand stedelijk gebied dat voorziet in nieuwbouw van woningen bevat een verantwoording over de wijze waarop: a. De afspraken die daarover zijn gemaakt in het regionaal ruimtelijk overleg bedoeld in artikel 39.4, onder b, worden nagekomen; b. De beoogde nieuwbouw zich verhoudt tot de afspraken bedoeld onder a, en tot de beschikbare harde plancapaciteit voor woningbouw.
Bestemmingsplan “Laan van Brabant 65”
17
Op 30 november 2018 hebben overlegpartners van de regio West-Brabant West in beleidsdocument “Perspectief op wonen en woningbouw West-Brabant West 2019” vastgesteld. Daarin staat een actuele visie van de subregio West op de toekomstige ontwikkelingen op de regionale woningmarkt. Het regionale perspectief is een doorontwikkeling van de eerdere Regionale Agenda Wonen. In het kader van een duurzaam verstedelijkingsbeleid legt de regio prioriteit bij zorgvuldig en zuinig ruimtegebruik. Daarbij is het van belang om de gemeentelijke woningbouwprogramma’s in te zetten op binnenstedelijke (transformatie)locaties en voor het herbestemmen van leegstaand vastgoed. Naast specifieke aandacht voor herstructurerings- en transformatieopgaven wil de subregio West meer nadruk leggen op de bestaande woningvoorraad, met verduurzaming van de voorraad en het geschikt maken van woningen en de woonomgeving voor mensen met een zorgvraag. Voor wat betreft de nieuwbouwopgave wil de regio inzetten op een vraaggericht, flexibel planaanbod met ruimte voor nieuwe woonvormen. Het beleid van de gemeente Roosendaal is al jaren om zich primair te richten op het versterken van het bestaand stedelijk gebied. In haar woningbouwprogrammering staan dan ook vrijwel uitsluitend binnenstedelijke (her)ontwikkelingslocaties (circa 95%).
Vanuit de actuele woningbehoefteprognose bestaat er flexibiliteit voor nieuwe initiatieven aanvullend op de huidige programmering. Binnenstedelijk zijn hiervoor nog ruime mogelijkheden en potenties aanwezig.
Prognose woningbehoefte en woningbouwplannen. Bron: Perspectief op wonen en woningbouw West-Brabant West 2019, 30 november 2018.
Uit de bovenstaande figuur blijkt dat binnenstedelijk 2.400 woningen in harde en zachte plannen zijn vastgelegd. Binnenstedelijk resteert nog een woningbouwopgave van 750 nieuwbouwwoningen voor de jaren 2018 – 2028. Met onderhavig plan van drie nieuwe woningen in binnenstedelijk gebied wordt deels tegemoet gekomen aan de woningbouwopgave in het binnenstedelijk gebied van Roosendaal.
18
Gemeente Roosendaal
Artikel 3.1 Zorgplicht voor ruimtelijke kwaliteit Daarnaast moet worden voldaan aan de algemene regels voor de bevordering van de ruimtelijke kwaliteit uit artikel 3. Deze toetsing wordt hierna uitgevoerd. De ontwikkeling vindt in zijn geheel plaats op een inbreidingslocatie. Het plan past binnen de ruimtelijke en functionele kwaliteiten van de omgeving en versterkt deze door in een passende invulling met woningbouw te voorzien op het vrijkomende terrein. De gronden worden door de voorgenomen ontwikkeling ingepast in de omgeving, waarbij rekening wordt gehouden met de aanwezige bebouwing. Op basis hiervan vindt door inbreiding een kwaliteitsverbetering van de kern van Roosendaal plaats, zonder dat het karakter van de omgeving wordt aangetast. Met het plan wordt ingespeeld op de beleidsuitgangspunten intensivering, uitbreiding en zuinig ruimtegebruik. Onderhavig plan zorgt voor een vertrouwd ruimtelijk beeld ter plaatse, omdat het bebouwingsbeeld aansluit bij de bestaande bebouwing aan de Laan van Henegouwen en bestaande woningtypologieën in de directe omgeving. Conclusie Uit het voorgaande volgt dat onderhavig initiatief voldoet aan de voorwaarden uit de Verordening ruimte Noord-Brabant.
4.4
Gemeentelijk beleid
4.4.1 Structuurvisie Roosendaal 2025 Toetsingskader De Structuurvisie Roosendaal 2025 is op 13 maart 2013 vastgesteld door de gemeenteraad van Roosendaal. De gemeente hanteert daarbij de beleidsuitgangspunten dat er sprake moet zijn van een duurzame ontwikkeling van een compact, compleet en verbonden Roosendaal en van een haalbare en betaalbare lokale ruimtelijke ordening. Voor het aspect ‘wonen’ wordt aangegeven dat er gebouwd dient te worden binnen de stedelijke contouren van de stad om zo bestaande infrastructuren te benutten. Ook wordt gerefereerd aan de provinciale prognoses waaruit blijkt dat Roosendaal tot 2025 nog ruimte heeft om extra woningen te realiseren. Daarbij wordt opgemerkt dat toevoegingen aan de voorraad strategisch van aard moeten zijn en noodzakelijke veranderingen in de voorraad niet in de weg mogen staan. In de bestaande voorraad dient een speciale focus te liggen op het aanpassen van de bestaande woningvoorraad op de toekomstige woningbehoefte. Het grootste deel daarvan is particulier woningbezit. Ook dienen bestaande wijken en dorpen een gevarieerd woningaanbod en gevarieerde woningmilieus te bieden. Verder staan toevoegingen aan de woningvoorraad in het teken van de versterking van de bestaande woningvoorraad en sluiten ze aan bij de wijkperspectieven.
Beoordeling Onderhavig initiatief betreft de revitalisatie van een binnenstedelijke locatie met de realisatie van drie nieuwe vrijstaande woningen. De woningen worden gerealiseerd
Bestemmingsplan “Laan van Brabant 65”
19
binnen de bestaande stedelijke contouren. Het initiatief is relatief kleinschalig van aard en sluit aan op de bestaande woningen aan de Laan van Henegouwen en de Laan van Vlaanderen. Deze wegen wordt gekenmerkt door de variatie aan bebouwing. Onderhavig initiatief versterkt deze gevarieerde verbouwing doordat er drie woningen met een vrijstaand karakter worden gerealiseerd. De omvang van het plan is dermate klein dat het overige initiatieven binnen de gemeente niet in de weg staat. Conclusie Geconcludeerd kan worden dat de onderhavige ontwikkeling passend is binnen de Structuurvisie Roosendaal 2025. 4.4.2 Thuis in Roosendaal, woonvisie 2010-2020 Toetsingskader Roosendaal wil bestaande inwoners sterker aan de stad verbinden, door te anticiperen op de effecten van de vergrijzing op de woningmarkt, door het aanbieden van differentiatie in woonmilieus en leefstijlen en door inwoners perspectief te bieden op een goede woon- en leef carrière binnen de wijken; door de Roosendaler trots te laten zijn op zijn / haar stad. Hiervoor is het nodig goede woningen in goede woonomgevingen te hebben en te behouden, waarin een sterke samenhang is tussen de woning, de fysieke en de sociale woonomgeving.
Een inwoner heeft niets aan een goede woning in een verloederde omgeving, aan een mooie omgeving zonder sociale kansen, of aan sterke opleidings- en werkmogelijkheden zonder de juiste woning om in te wonen en door te groeien. Bij het aantrekken van nieuwkomers ligt de focus op het bieden van kansen aan jonge gezinnen. Kort en krachtig is de visie voor wonen te omschrijven als: Roosendaal is de woonstad, die haar inwoners boeit en bindt. De woonvisie is vertaald in drie thema’s, waaraan doelstellingen en ambities zijn gekoppeld. Deze worden hierna weergegeven. A. Thema I: Binden en perspectief bieden a. Roosendaal is de Woonstad. b. Roosendaal weet inwoners aan de gemeente te binden. c. De woonomgeving in Roosendaal biedt perspectief. B. Thema II: Leefbare Wijken en Buurten a. De inwoners zijn verbonden met en geboeid door hun woonbuurt. b. Gedifferentieerde wijken, harmonieuze buurten. c. Wijken en dorpen zijn veilig en vertrouwd. Thema III: Samenwerking a. Van overheid naar partnerschap. De vertaling van de visie in thema’s en doelstellingen maakt het concreter. Doelstellingen omzetten in kaders voor beleid vormt de basis voor het waarmaken van de visie. De volgende beleidskaders richten zich op de speerpunten van het Roosendaalse woonbeleid namelijk: • verruiming van de woningvoorraad;
20
Gemeente Roosendaal
• de bestaande voorraad; • slaagkansen van doelgroepen; • leefbaarheid en sociale cohesie. De woonvisie wordt vertaald in een tweetal sturingsinstrumenten. Ten eerste is dat een kaderovereenkomst tussen de corporaties en de gemeente waarin afspraken gemaakt worden over het partnerschap en de woonconvenant, waarin weer concrete prestatieafspraken zijn vastgelegd. De gemeente kan nooit alleen alle ambities uit de woonvisie realiseren. Daarvoor zoekt zij partnerschap met verschillende partijen. Met corporaties in de vorm van het maken van prestatieafspraken, met bewoners als gesprekspartner in concrete gebiedsontwikkelingen en met ontwikkelaars/beleggers in de vorm van overeenkomsten. Het tweede sturingsinstrument is de woningbouwprogrammering. De woonvisie beschrijft de ambities van Roosendaal op het terrein van wonen. Om van visie naar uitvoering te komen hanteert de gemeente het instrument van de woningbouwprogrammering. Daarnaast worden kwalitatieve opgaven verwerkt in verschillende programma's (veiligheid, leefbare wijken en dorpen, wonen) - 30 - De woonvisie kent een beleidscyclus van 4 jaar. Dat wil zeggen dat met het opstellen van de uitgangspunten voor de evaluatie van de woonvisie, de resultaten van deze evaluatie het vertrekpunt zijn voor de herijking van de woonvisie. Beoordeling Hierna wordt besproken hoe de ontwikkeling binnen de sturingsinstrumenten past.
Conclusie De ontwikkeling past binnen de woonvisie.
4.4.3 Woningbouwprogrammering 2012-2020 ‘Balans op de woningmarkt’ Toetsingskader Met de meest actief zijnde woningcorporaties binnen de gemeente zijn, voor de periode 2010-2014 prestatieafspraken gemaakt en is een woonconvenant vastgesteld. Eén van de afspraken is geweest om een woningmarktonderzoek uit te laten voeren. Door de corporaties is daarnaast een woonlastenen doelgroepenonderzoek uitgevoerd. De resultaten van beide onderzoeken leveren tezamen met de woonvisie, het woonconvenant en de onlangs door de provincie Noord-Brabant geactualiseerde bevolkings- en woningbehoefteprognose, een belangrijke input voor de herijking van de woningbouwprogrammering in zowel kwantitatieve als kwalitatieve zin. De gemeente heeft hiermee een instrument in handen om in het totale woondossier voor de periode 2012-2020 richtinggevende kaders te stellen, en hiermee dus de woningbouwprogrammering te actualiseren en nadrukkelijk te monitoren. Met de actualisatie van het bestaande woningbouwprogramma wordt gezorgd voor een adequaat aanbod van woningen waarbij de omvang van de te realiseren woningaantallen de eerste jaren sterk bepaald wordt door vraag en afzetmogelijkheden.
Bestemmingsplan “Laan van Brabant 65”
21
Beoordeling De beoogde ontwikkeling maakt geen onderdeel uit van de woningbouwprogrammering. Woningbouwinitiatieven tot en met 2015 maakten konden slechts onder strikte voorwaarden worden gerealiseerd. Deze strikte regels zijn niet langer van toepassing. Het actuele toetsingskader wordt gevormd door “Perspectief op wonen en woningbouw West-Brabant West 2019”. Conclusie De ontwikkeling past binnen de regionale woningbouwprogrammering.
4.4.4 Welstandsnota Toetsingskader De welstandsnota Roosendaal 2012 bevat het toe te passen kader voor de welstandstoets bij aanvragen omgevingsvergunning. Door het herzien van de welstandsnota wordt de gebruiksvriendelijkheid voor de gebruiker (burgers, bedrijven en behandelaars) verbeterd. Het bestuur gaat in de nieuwe nota en het daarin omschreven beleid uit van een grotere eigen verantwoordelijkheid van de burger, die voldoende ruimte moet krijgen voor eigen initiatief. In de nieuwe nota wordt een groot deel van de gemeente minimaal getoetst op welstand. Het doel is in deze gebieden slechts het voorkomen van excessen. Tegelijkertijd leeft de wens enige grip te houden op de gebieden (en routes) die het gezicht van de gemeente bepalen en/of een cultuurhistorische waarde vertegenwoordigen. In de herziening zijn de criteria voor de kleine bouwwerken vereenvoudigd, waar mogelijk samengevoegd en waar nodig aangepast aan de wettelijke (vergunningsvrije) mogelijkheden.
Conclusie
Uitsnede welstandskaart gemeente Roosendaal (2013). Het plangebied is met het rode kader aangeduid.
22
Gemeente Roosendaal
Beoordeling Het plangebied ligt in een gewoon welstandsgebied. Bouwplannen in deze gebieden doen in principe geen afbreuk aan de basiskwaliteit van de openbare ruimte. Dit betekent dat bouwplannen aan achterkanten vanwege hun beperkte invloed op de openbare ruimte veelal soepeler beoordeeld kunnen worden. In bijzondere gebieden zoals de dorpskernen en enkele bebouwingslinten, is extra inspanning ten behoeve van het behoud en de eventuele versterking van de ruimtelijke kwaliteit gewenst. Bij nieuwbouw zal per project worden bekeken of en zo ja, in welke mate welstand wenselijk is. Bij de planbeschrijving in hoofdstuk 3 is aangegeven op welke wijze het concept bouwplan passend is binnen de bestaande stedenbouwkundige kenmerken. Conclusie Ten tijde van een concrete bouwaanvraag wordt beoordeeld of het bouwplan past binnen de redelijke eisen van welstand.
Bestemmingsplan “Laan van Brabant 65”
23
24
Gemeente Roosendaal
5
PLANOLOGISCH RELEVANTE (MILIEU)ASPECTEN
5.1
Inleiding Toetsing juncto art. 3.1.6 Bro Met betrekking tot een (ontwerp-)bestemmingsplan staat in artikel 3.2 van de Algemene wet bestuursrecht vermeld: 'bij de voorbereiding van een besluit vergaart het bestuursorgaan de nodige kennis omtrent de relevante feiten en de af te wegen belangen'. Artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening bepaalt dat rekening moet worden gehouden met de uitkomsten van het met toepassing van artikel 3.2 van de Algemene wet bestuursrecht verrichte onderzoek. Daarnaast moet ook worden getoetst aan het Besluit m.e.r. Ten behoeve van het onderhavige plan heeft onderzoek plaatsgevonden naar een aantal uitvoeringsaspecten. Hieronder wordt verslag gedaan van de uitkomsten van het gepleegde onderzoek. Achtereenvolgens worden behandeld: ▪ bodem; ▪ waterhuishouding; ▪ cultuurhistorie; ▪ archeologie; ▪ ecologie; ▪ akoestiek; ▪ bedrijven en milieuzonering; ▪ externe veiligheid; ▪ kabels en leidingen; ▪ luchtkwaliteit; ▪ milieueffectrapportage en vormvrije m.e.r.-beoordeling.
5.2
Bodem Toetsingskader Op basis van art. 3.1.6, lid 1 onder f Bro geldt dat in een toelichting op een ruimtelijk besluit de inzichten over de uitvoerbaarheid van dat besluit worden neergelegd. Ten aanzien van het aspect bodemkwaliteit staat, op basis van vaste jurisprudentie van de Afdeling Bestuursrechtspraak Raad van State (ABRvS), voorop dat de vaststelling van de aanwezigheid van verontreinigingen in de bodem, de noodzaak van sanering van verontreinigde locaties en de wijze waarop deze saneringen moeten worden uitgevoerd, zijn geregeld in afzonderlijke wetgeving met eigen procedures. Dat doet er niet aan af dat het bevoegd gezag het ruimtelijk besluit pas kan nemen indien, voor zover redelijkerwijs valt in te zien, een eventuele bodemverontreiniging niet aan de uitvoerbaarheid in de weg staat (22 december 2010, ECLI:NL:RVS:2010:BO8297, r.o. 2.18.4; 27 juni 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BW9569, r.o. 2.10.3). Daarbij geldt als uitgangspunt dat de bodem in principe geschikt dient te zijn voor de beoogde functie. De bodemkwaliteit mag geen onaanvaardbaar risico vormen voor de gebruikers van de bodem.
Bestemmingsplan “Laan van Brabant 65”
25
Beoordeling DS milieu-consult heeft een actualiserend bodemonderzoek uitgevoerd op de huidige bedrijfsbestemming binnen de planlocatie (zie bijlage 1). Het doel van dit bodemonderzoek betrof het actualiseren van de verontreinigingssituatie op basis waarvan een saneringsplan kon worden opgesteld om de locatie milieuhygiënisch geschikt te maken voor het voorgenomen gebruik als wonen. Op basis van de beschikbare gegevens, historische informatie en de zintuiglijke waarnemingen tijdens het veldwerk en de verkregen analyseresultaten van de gronden grondwatermonsters, heeft DS milieu-consult het volgende geconcludeerd: • In vergelijking met de resultaten van het Aanvullend nader bodemonderzoek 2 e fase uit 2003, heeft de grond- en grondwaterverontreiniging met zwaardere olie op het perceel Laan van Brabant 65, zich in oostelijke richting verspreid. Er is thans sprake van een aanzienlijke drijflaag aan (afgewerkte) olie welke bij eerdere bodemonderzoeken niet was aangetroffen. Een directe oorzaak hiervoor is niet gevonden; • De verhoogde gehalten aan vluchtige aromatische koolwaterstoffen, waarvan in 2003 nog veelvuldig sprake was, worden thans in aanzienlijk mindere mate gemeten. Deze reductie is toe te schrijven aan de in 2007 uitgevoerde deelsanering, waarbij de verontreinigde bovengrond is ontgraven.
De hoeveelheden sterk verontreinigde grond en het grondwater worden ingeschat op 300 à 400 m3, waarbij op de locatie Laan van Brabant sprake is van (afgewerkte) olie. De verontreinigingen in grond en grondwater zijn voldoende in beeld gebracht om op basis hiervan een saneringsplan op te stellen om de locatie geschikt te maken voor het toekomstige gebruik als wonen. Dit saneringsplan is opgenomen als bijlage 2 van deze toelichting. De provincie heeft de beschikking voor de sanering verleend op 3 oktober 2018. Deze beschikking is toegevoegd als bijlage 3. Uit de evaluatie van de bodemsanering blijkt dat de verontreinigingen in de grond en het grondwater nagenoeg geheel zijn weggenomen, waarmee ruim voldaan is aan de doelstelling van de bodemsanering. De bodem van de ontgraving voldoet aan de achtergrondwaarden voor minerale olie en vluchtige aromatische koolwaterstoffen. De wanden van de ontgraving zijn maximaal licht verontreinigd met minerale olie. De ontgraving is aangevuld met gecertificeerd schoon zand. Aanvullend op de bodemsanering is het verkennend bodemonderzoek voor het complete plangebied geactualiseerd in augustus 2020. Dit onderzoek is uitgevoerd omdat de meest recente onderzoeksgegevens van het deel buiten de gesaneerde locatie dateerden uit 2003. Derhalve is een actualiserend verkennend bodemonderzoek conform NEN 5740 uitgevoerd.
Dit onderzoek van DS milieu-consult is toegevoegd als bijlage 4. Op basis van de beschikbare gegevens, als historische informatie, de zintuiglijke waarnemingen tijdens het veldwerk en de verkregen analyseresultaten van de gronden grondwatermonsters, kan het volgende worden geconcludeerd:
26
Gemeente Roosendaal
•
•
•
• • •
Het ernstige geval van bodemverontreiniging met minerale olie en vluchtige aromatische koolwaterstoffen, gelegen op de kavels 2 en 3, is conform het saneringsplan gesaneerd. De saneringslocatie is hiermede geschikt gemaakt voor de functie wonen met tuin; Buiten de saneringslocatie is de bovengrond op kavel 3 licht verontreinigd met cadmium, lood, zink, minerale olie, polycyclische aromatische koolwaterstoffen (PAK) en polychloorbifenylen (PCB). Kavel 3 wordt geschikt geacht voor de functie wonen met tuin; Buiten de saneringslocatie is de bovengrond op kavel 2, licht verontreinigd met cadmium, minerale olie, PAK en PCB. Op het zuidelijk deel van kavel 2 is de bovengrond over een oppervlakte van circa 45 m2, sterk verontreinigd met lood en zink en matig verontreinigd met koper. De omvang van de sterke verontreiniging wordt geschat op 18 à 22,5 m3; De bovengrond op kavel 1 is niet verontreinig met één van de onderzochte stoffen; De licht puinhoudende bovengrond op de kavels 2 en 3, is licht verontreinigd met asbest; Het grondwater is licht verontreinigd met barium en molybdeen.
Alhoewel de hoeveelheid van de sterk met lood en zink verontreinigde grond juist onder het criterium voor de vaststelling van een geval van ernstige bodemverontreiniging in de zin van de wet bodembescherming ligt, en er derhalve in die zin geen noodzaak tot saneren bestaat, wordt aanbevolen de matig tot sterk verontreinigde bovenlaag te verwijderen tot het niveau van de klasse wonen om zodoende de locatie geschikt te maken voor het beoogde gebruik wonen met tuin. Conclusie Voor de bestemmingsplanprocedure is het aspect bodemkwaliteit voldoende onderzocht.
5.3
Waterhuishouding Toetsingskader In ruimtelijke plannen dient aandacht besteed te worden aan waterhuishoudkundige aspecten. Daarbij staan naast een duurzaam waterbeheer de integrale afweging en het creëren van maatwerk voorop. Water moet altijd bekeken worden in het licht van het watersysteem of stroomgebied waarin een stad of een dorp ligt. Een goede afstemming van waterbeleid en ruimtelijke ordening, ook in het direct aangrenzende gebied, is daarom noodzakelijk. De integratie van water in ruimtelijke plannen vindt plaats via de zogenaamde watertoets. Concreet betekent de watertoets, dat een plan een zogenaamde waterparagraaf dient te bevatten, die keuzes ten aanzien van de waterhuishoudkundige aspecten gemotiveerd beschrijft. Daarin dient een wateradvies van de waterbeheerder te worden meegenomen. De watertoets is wettelijk verankerd in artikel 3.1.6 lid 1, sub b Bro. Beleid provincie Noord-Brabant en Waterschap Op regionaal niveau is de provincie verantwoordelijk voor het beleidsveld water. Vigerend is het Provinciaal Milieu- en Waterplan 2016-2021 van 18 december 2015. Het PMWP is de structuurvisie voor het aspect water op grond van de Wet ruimtelijke
Bestemmingsplan “Laan van Brabant 65”
27
ordening. Het plan bevat de verplichte onderdelen vanuit de Europese Kaderrichtlijn Water. Behalve dat het PMWP de uitgangspunten aangeeft voor het waterbeleid van waterschappen en gemeenten, toetst de provincie aan de hand van dit plan ook of de plannen van de waterschappen passen in het provinciale beleid. Als algemene uitgangspunten zijn onder andere te noemen de scheiding van relatief schone en vuile waterstromen en het benutten van mogelijkheden voor infiltratie en/of conservering van hemelwater. Beleid waterschap Brabantse Delta De projectlocatie is gelegen binnen het stroomgebied van waterschap Brabantse Delta. De visie van waterschap Brabantse Delta is vervat in het Waterbeheerplan 2016 – 2021 en kent een geldigheid vanaf 22 december 2015. Het waterschap richt zich hierbij op een doelmatig waterbeheer als motor voor een economische en ecologisch krachtige regio. Speerpunten uit het waterbeheerplan zijn klimaatadaptatie, innovaties, ruimtelijke ontwikkelingen, toekomstig medegebruik en het tegengaan van verdroging.
Deze ontwikkelingen geven aanleiding tot nieuwe accenten: • het nationale Deltaprogramma voor waterveiligheid en de versterking van de dijken langs de Rijkswateren en de regionale rivieren; • het optimaliseren van de zoetwatervoorziening met het oog op de toenemende droogte; • inzet op bewustwording van watergebruikers zodat hun inzicht groeit over wat ze zelf aan waterbeheer kunnen bijdragen; • helderheid over zowel beperkingen als mogelijkheden voor de gebruiksfuncties van het watersysteem; • het verbeteren van de waterkwaliteit in een meer integrale, gebiedsgerichte uitvoeringsstrategie (combineren van verbeteren van de waterstanden, onderhouden van sloten en treffen van inrichtingsmaatregelen); • afvalstoffen steeds meer inzetten als waardevolle grondstoffen zoals terugwinning van fosfaat en productie van bioplastic uit afvalwater; • een duurzame energiewinning. Daarnaast heeft het waterschap waar nodig nog toegespitst beleid en beleidsregels op de verschillende thema’s/speerpunten uit het waterbeheersplan en heeft het waterschap een eigen verordening; De Keur en de legger. De Keur waterschap Brabantse Delta 2015 bevat gebods- en verbodsbepalingen met betrekking tot ingrepen die consequenties hebben voor de waterhuishouding en het waterbeheer.
De legger geeft aan waar de waterstaatswerken liggen, aan welke afmetingen en eisen die moeten voldoen en wie onderhoudsplichtig is. Veelal is voor deze ingrepen een watervergunning van het waterschap benodigd. De waterschappen Aa en Maas, Brabantse Delta en De Dommel hebben in de NoordBrabantse Waterschapsbond (NBWB) besloten om de keuren te uniformeren en tegelijkertijd te dereguleren. Hierbij is aangehaakt bij het landelijke uniformeringsproces van de Unie van Waterschappen. Er is conform het nieuwe landelijke model een sterk gedereguleerde keur opgesteld, met bijbehorende algemene regels en beleidsregels. Deze zijn voor de drie waterschappen gelijkluidend. De nieuwe uniforme keuren zijn gezamenlijk in werking getreden op 1 maart 2015. In de nieuwe keur is opgenomen dat het in beginsel verboden is om zonder vergunning neerslag door toename van verhard
28
Gemeente Roosendaal
oppervlak of door afkoppelen van bestaand oppervlak, tot afvoer naar een oppervlaktewaterlichaam te laten komen. Dit verbod is van toepassing tenzij: a. het afkoppelen van verhard oppervlak maximaal 10.000 m² is, of; b. de toename van verhard oppervlak maximaal 2.000 m² is, of; c. de toename van verhard oppervlak bestaat uit een groen dak. d. de toename van verhard oppervlak tussen 2.000 m² en 10.000 m² is en compenserende maatregelen zijn getroffen om versnelde afvoer van hemelwater tegen te gaan, in de vorm van een voorziening met een minimale retentiecapaciteit conform de rekenregel: Benodigde retentiecapaciteit (in m³) = toename verhard oppervlak (in m²) x gevoeligheidsfactor x 0,06 Daarbij dient de voorziening te voldoen aan de volgende voorschriften: a. de bodem van de voorziening dient boven de gemiddelde hoogste grondwaterstand (GHG) te liggen; b. de afvoer uit de voorziening via een functionele bodempassage naar het grondwater en/of via een functionele afvoerconstructie naar het oppervlaktewater plaatsvindt. Indien een afvoerconstructie wordt toegepast, dient deze een diameter van 4 cm te hebben; c. daarnaast moet er altijd een overloopconstructie zijn, om uitspoeling naar de sloot te voorkomen. Voor het overige zijn er in de keur diverse regels opgenomen om gebieden met een specifieke functie te beschermen, zoals de attentiegebieden en invloedsgebieden Natura 2000.
Er geldt een specifiek beschermingsregime, afhankelijk van het type gebied en de ligging in of nabij een beschermd gebied. Beleid gemeente Roosendaal Het Verbreed Gemeentelijk Rioleringsplan (VGRP) 2014-2019 is een strategisch beheerplan waarin de zorgplichten van de Gemeente Roosendaal zijn vastgelegd voor het afval-, hemel- en grondwater. In de Wet milieubeheer en de Waterwet, zijn naast de traditionele gemeentelijke zorg voor afvalwater expliciet zorgplichten benoemd voor hemelwater en grondwater. In het Bestuursakkoord Water 2011 zijn afspraken opgenomen om in de afvalwaterketen de doelmatigheid en kwaliteit te verhogen en de kwetsbaarheid te verminderen. Binnen de afvalwaterketen zal de samenwerking met het waterschap en de regiogemeenten (Waterkring West) worden geïntensiveerd om beleidsuitgangspunten en ambities zo veel mogelijk op elkaar af te stemmen. In het VGRP 2014-2019 is opgenomen: ▪ Hoe de gemeente de komende jaren het gemeentelijk rioleringsstelsel gaat beheren en onderhouden; ▪ Welke maatregelen de gemeente neemt om wateroverlast door intensieve regenbuien (klimaatverandering) te voorkomen; ▪ Hoe de gemeente omgaat met de zorg voor regenwater; ▪ Hoe de gemeente omgaat met de zorg voor grondwater in het stedelijk gebied; ▪ Hoe de gemeente invulling wil geven aan de samenwerking in de Waterkring West om uitvoering te geven aan het Nationaal Bestuursakkoord Water.