CConstaterende datRoosendaal
Koppel je AI →
Document · PDF

1 - De Bulkenaar_vastgesteld_1_Bijlagen bij toelichting_Bijlage 9 Passende beoordeling.pdf

Commissie 3 februari 2022, gemeente RoosendaalBij agendapunt: 3a: Raadsvoorstel Vaststelling bestemmingsplan en bijbehorende besluiten de Bulkenaar25.284 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

Figuur 15 Projectdepositie tijdens de realisatiefase op LG04 in mol N/ha/jr op locaties waar ook sprake is van overschrijding van de KDW

Onze referentie: D10007449:87 - Datum: 13 augustus 2021

29 van 63

PASSENDE BEOORDELING ONTWIKKELLING DE BULKENAAR

Figuur 16 Projectdepositie tijdens de gebruiksfase op LG04 in mol N/ha/jr op locaties waar ook sprake is van overschrijding van de KDW

In het Natura 2000-gebied Brabantse Wal is het grootste knelpunt voor de kwaliteit van het leefgebied voor dodaars verdroging. Vermesting en verzuring hebben mogelijk een verstorend effect wanneer het leefgebied droog komt te liggen en er vervolgens verruiging optreedt van de vegetatie. Het grootste knelpunt ligt bij het Groote Meer, wat het belangrijkste broedgebied is van de soort. De toename van de stikstofdepositie op het Groote Meer is tijdens de realisatiefase minder dan 0,01 mol/ha/jr en tijdens de gebruiksfase is er een afname van meer dan 0,01 mol N/ha/jr. De hoogste toename van de stikstofdepositie - 0,39 mol/ha/jr tijdens de gebruiksfase - vindt elders op de Brabantse Wal plaats. Hoewel atmosferische stikstofdepositie een negatief effect kan hebben op het leefgebied is het meest knellende probleem verdroging. Door verdroging neemt het leefgebied niet alleen in kwaliteit, maar ook in oppervlakte af. De geringe en depositie tijdens de gebruiks- en realisatiefase is dusdanig klein dat deze hoeveelheden geen meetbare verandering zal opleveren in de vegetatie samenstelling en structuur, met name niet in relatie tot het effect van verdroging. Op 68% van het oppervlakte van het leefgebied neemt zelf de stikstofdepositie permanent af en ook daar waar de grootste knelpunten voor verdroging liggen. Hier kan de projectdepositie zeker geen effect hebben op het leefgebied.

De projectdepositie door de werkzaamheden aan ziekenhuis de Bulkenaar zal niet leiden tot significante en structurele wijzigingen van de biotoopcondities van dodaars. Significant negatieve effecten zijn daarmee uitgesloten.

5.3.11

A072 - Wespendief

Het leefgebied van de wespendief bestaat uit H2130, H4030 en H9190 (Provincie Noord-Brabant, 2017). Op H9190 is geen stikstofdepositie ten gevolge van het project te verwachten, zie hoofdstuk 4. Uit paragraaf 5.2.3 en 5.2.8 blijkt dat effecten van stikstofdepositie op H2130 en H4030 uitgesloten zijn. Effecten van stikstofdepositie ten gevolge van het project op leefgebied van de wespendief zijn daarmee uitgesloten.

Onze referentie: D10007449:87 - Datum: 13 augustus 2021

30 van 63

PASSENDE BEOORDELING ONTWIKKELLING DE BULKENAAR

5.3.12

A224 – Nachtzwaluw

Het leefgebied van de nachtzwaluw op de Brabantse Wal bestaat uit onderstaande habitattypen en leefgebieden (Tabel 6) (Provincie Noord-Brabant, 2017). Uit paragraaf 5.3.3 t/m 5.3.8 blijkt dat effecten van stikstofdepositie ten gevolge van het project op habitattypen H2310, H2330, H4010 en H4030 uitgesloten zijn. Op L4030, LG09 en LG13 is er sprake permanente stikstofdepositie van respectievelijk maximaal 0,47, 0,27 en 5,14 mol N/ha/jr op locaties waar er sprake is van overschrijding van de KDW. Tijdens de realisatiefase gaat het om een kleine tijdelijke depositie van maximaal 0,037, 0,035 en 0,051 mol N/ha/jr gedurende drie jaar. Tabel 6 Oppervlakte leefgebied nachtzwaluw binnen de aangewezen habitattypen en leefgebieden op de Brabantse Wal

Habitattype/leefgebied H2310 ZGH2310 H2330 H4010A ZGH4010A H4030 ZGH4030 L4030 LG09 LG13

Stuifzandheiden met struikhei Zoekgebied stuifzandheiden met struikhei Zandverstuivingen Vochtige heiden (hogere zandgronden) Zoekgebied vochtige heiden (hogere zandgronden) Droge heiden Zoekgebied droge heiden Weinig vergraste heide en stuifzand Droog struisgrasland Bos van arme zandgronden

Oppervlakte leefgebied nachtzwaluw [ha] 81,9 1,99 7,5 18,2 1,99 16,2 1,03 250,1 76,8 3131,1

Algemene beschrijving soort Uit het profieldocument (LNV, 2008): De hoogste dichtheid van nachtzwaluwen (20 paar/100 ha) vinden we in deels dichtgegroeide maar nietvergraste zandverstuivingen. Ook leeft de nachtzwaluw in andere halfopen landschappen op schrale, zandige bodems: boomheiden, heidevelden met boomgroepen of vliegdennen, en op kap- of brandvlakten die meer dan 1,5 ha groot zijn en 2-6 jaar oud (Provincie Noord Brabant, 2018). In dennenbossen op voormalige stuifzanden nestelt de nachtzwaluw langs brandgangen en brede zandpaden. De twee eieren worden op kale bodem gelegd, vaak op dennennaalden of schorsschilfers en onder of bij een dode tak voor de camouflage. Op de hei wordt ook wel genesteld op kale plekken onder vliegdennen. De minimale territoriumgrootte van een paar is 2-4 ha. Het is een trekvogel die in Afrika overwintert. Landelijke staat van Instandhouding Gunstig Instandhoudingsdoelstelling (broedvogel) Behoud oppervlakte en kwaliteit leefgebied, populatie 80 broedparen.

Onze referentie: D10007449:87 - Datum: 13 augustus 2021

31 van 63

PASSENDE BEOORDELING ONTWIKKELLING DE BULKENAAR

Figuur 17 Mate van overschrijding van de KDW in de huidige situatie op L4030 op de Brabantse Wal

Figuur 18 Mate van overschrijding van de KDW in de huidige situatie op Lg09 op de Brabantse Wal

Onze referentie: D10007449:87 - Datum: 13 augustus 2021

32 van 63

PASSENDE BEOORDELING ONTWIKKELLING DE BULKENAAR

Figuur 19 Mate van overschrijding van de KDW in de huidige situatie op Lg13 op de Brabantse Wal

Referentiesituatie Huidige situatie stikstofdepositie De leefgebieden L4030, LG09 en LG13 zijn gevoelig voor stikstofdepositie. De kritische depositiewaarde is vastgesteld op respectievelijk 1.071 5, 1.000 en 1.071 mol N/ha/jr. In Figuur 17, Figuur 18 en Figuur 19 is de overschrijding van de KDW voor de leefgebieden L4030, Lg09 en Lg13 in het gebied Brabantse Wal weergegeven. De in Aerius opgenomen achtergronddeposities zijn hier gecombineerd met de in Aerius opgenomen vlakken waarin de leefgebieden voorkomen. Te zien is dat op vrijwel het hele oppervlakte van L4030, LG09 en LG13 sprake is van overschrijding van de KDW. Huidige omvang en kwaliteit van het leefgebied: De nachtzwaluw komt op heel de Brabantse Wal voor. De soort is vooral te vinden op relatief grote open stuifzandheide en stuifzand met veel bosranden en kapvlakten. De belangrijkste gebieden zijn de Borgvlietsche Duinen, het Woeste Gedeelte van de Wouwse Plantage, de Kraaiberg en Kriekelareduinen en de Hazenduinen. Buiten deze terreinen komt de nachtzwaluw vooral voor op kapvlakten met jonge aanplant (2-21 jaar). Sterk vergraste veldjes of kapvlaktes worden gemeden. De soort is gebaat bij leefgebied met een voedselarme bodem en oppervlaktewater (Provincie Noord Brabant, 2018).

De meest recente tellingen die zijn opgenomen in het beheerplan komen uit 2007 en geven voor de Brabantse Wal ruim 80 territoria en het gebied vormt daarmee de kern van een kleine grensoverschrijdende duurzame populatie. Door de jonge aanplant op kapvelden is het aantal broedparen sinds de jaren 80 toegenomen. In 2007 was de populatie stabiel gebleven t.o.v. 2000.

5 Voor leefgebied LG4030 is geen KDW opgenomen in van Dobben (2012), in de Aerius calculator wordt de KDW gehanteerd voor

habitattype H4030 droge heide. H4030 is vrijwel gelijk aan structuur en vegetatiesamenstelling als L4030. Onze referentie: D10007449:87 - Datum: 13 augustus 2021

33 van 63

PASSENDE BEOORDELING ONTWIKKELLING DE BULKENAAR

Het huidige areaal open heideterrein, bos met vaksgewijze verjonging en open bos is voldoende voor het behoud van het aantal broedparen (Provincie Noord Brabant, 2018). Het aantal broedparen van de nachtzwaluw gaat geleidelijk omhoog (Provincie Noord-Brabant, 2017). Voor de drie leefgebieden L4030, Lg09 en Lg13 is de kwaliteit van het leefgebied positief en de trend voor het oppervlakte neutraal (Provincie Noord-Brabant, 2017). Op basis van de mogelijk positieve trend en het actuele aantal kan niet worden aangetoond dat stikstofdepositie in de periode 2000-heden heeft bijgedragen aan een significante verslechtering van het leefgebied van de soort. Het is mogelijk dat in het verleden sprake was van een lokale causale relatie tussen stikstofdepositie en de populatieontwikkeling van de soort, maar via beheer lijken de eventuele negatieve gevolgen gemitigeerd (Provincie Noord-Brabant, 2017). De leefgebieden L4030, Lg09 en Lg13 komen voor op de Brabantse Wal met een oppervlakte van respectievelijk circa 250 ha, 77 ha en 3.131 ha. Overige knelpunten • Verbossing. • Omschakelen van kapvlakten naar geïntegreerd bosbeheer. L4030: Successie (dichtgroeien bos en heide). LG09: Successie (dichtgroeien bos en heide). LG13: Vergrassing (mogelijk onder invloed van stikstofdepositie), leidt tot afname mieren populaties. Mieren zijn een belangrijke voedselbron voor de zwarte specht.

Successie (dichtgroeien bos en heide). Regulier beheer Maatregelen t.b.v. nachtzwaluw • Plaggen, begrazen en maaien ten behoeve van heide verjonging. • Verbinden van leefgebied. • Onttrekken van doorgaande wegen. • Recreatiezonering. • Invulling hondenlosloopterrein bij recreatieve poorten. L4030 & Lg09 • Kappen. • Plaggen. • Schapen begrazing. • Extensief maaien. • Loswoelen zand ter bevordering van verstuiving. LG13 • Niets doen. Aanvullende Natura 2000-beheerplanmaatregel Maatregelen t.b.v. nachtzwaluw • Houtopslag verwijderen stuifzandheiden. • Stuifzanden plaggen. • Stuifzanden zeven, frezen, eggen. • Houtopslag verwijderen stuifzanden. • Kappen bos stuifzanden. LG09 • (extra) maaien. • (extra) begrazen. • Plaggen of chopperen. • Branden. • Bekalken. LG13 • Recreatiezonering en toegangspoorten (Provincie Noord Brabant, 2018). Onze referentie: D10007449:87 - Datum: 13 augustus 2021

34 van 63

PASSENDE BEOORDELING ONTWIKKELLING DE BULKENAAR

• • • •

Invulling hondenlosloopterrein bij recreatieve poorten (Provincie Noord Brabant, 2018). Chopperen/ plaggen met eventueel bekalken. Bosbodem vrijmaken. Exoten verwijderen. Voedselbeschikbaarheid vergroten. Bomen ringen en verwijderen. Voor meer dood hout en open plekken.

Resultaat uitgevoerde maatregelen De maatregelen die momenteel al getroffen zijn t.b.v. de nachtzwaluw hebben een positief effect op de trend en kwaliteit van het leefgebied. Door het verjongen van de kapvlaktes zijn voldoende broedbiotopen gecreëerd voor de soort (Provincie Noord Brabant, 2018). Daarnaast zijn geen effecten te zien van stikstofdepositie op het leefgebied van de nachtzwaluw, wat indiceert dat de huidige getroffen maatregelen voldoende zijn om de mogelijke effecten van stikstofdepositie te mitigeren (Provincie Noord-Brabant, 2017). Beoordeling stikstofdepositie De hoogste depositietoename - 5,14 mol N/ha/jr tijdens de gebruiksfase - op het leefgebied van nachtzwaluw vindt plaats op leefgebied Lg13 bos van arme zandgronden. De relatief hoge depositiestoenames van 5,14 mol N/ha/jr vinden zeer lokaal plaats. In verreweg het grootste deel van het leefgebied (89%) is er tijdens de gebruiksfase sprake van een afname van de projectdepositie. Voor L4030 en Lg09 is de hoogste depositietoenames respectievelijk 0,47 mol/ha/jr en 0,27 mol/ha/jr. Ook op deze deelgebieden is er tijdens de gebruiksfase sprake van een afname van de depositie op het grootste deel van het leefgebied, respectievelijk 97 en 96%.

Figuur 20 Projectdepositie tijdens de realisatiefase op L4030 in mol N/ha/jr op locaties waar sprake is van een overschrijding van de KDW

Onze referentie: D10007449:87 - Datum: 13 augustus 2021

35 van 63

PASSENDE BEOORDELING ONTWIKKELLING DE BULKENAAR

Figuur 21 Projectdepositie tijdens de gebruiksfase op L4030 in mol N/ha/jr op locaties waar sprake is van een overschrijding van de KDW

Figuur 22 Projectdepositie tijdens de realisatiefase op Lg09 in mol N/ha/jr op locaties waar sprake is van een overschrijding van de KDW

Onze referentie: D10007449:87 - Datum: 13 augustus 2021

36 van 63

PASSENDE BEOORDELING ONTWIKKELLING DE BULKENAAR

Figuur 23 Projectdepositie tijdens de gebruiksfase op Lg09 in mol N/ha/jr op locaties waar sprake is van een overschrijding van de KDW

Figuur 24 Projectdepositie tijdens de realisatiefase op Lg13 in mol N/ha/jr op locaties waar sprake is van een overschrijding van de KDW

Onze referentie: D10007449:87 - Datum: 13 augustus 2021

37 van 63

PASSENDE BEOORDELING ONTWIKKELLING DE BULKENAAR

Figuur 25 Projectdepositie tijdens de gebruiksfase op Lg13 in mol N/ha/jr op locaties waar sprake is van een overschrijding van de KDW

Ondanks een overschrijding van de KDW op vrijwel het hele leefgebied van de nachtzwaluw is de staat van instandhouding gunstig en de trend positief. Het aantal broedparen neemt geleidelijk toe en er zijn voldoende geschikte biotopen beschikbaar om de instandhoudingsdoelen te halen. Stikstofdepositie kan daarmee geen knelpunt zijn voor het bereiken van de instandhoudingsdoelen voor de nachtzwaluw, anders was een positieve trend van de soort en het leefgebied niet mogelijk geweest. Daarnaast kan er ook niet worden aangetoond dat stikstofdepositie in het verleden een knelpunt heeft gevormd voor de soort op de Brabantse Wal. Het uitvoeren van het regulier beheer is in dit leefgebied voldoende om eventuele effecten van stikstofdepositie tegen te gaan. De hoogste depositie van maximaal 5,14 mol N/ha/jr op tevens maar een deel van het leefgebied van nachtzwaluw, is dusdanig klein dat deze hoeveelheid geen meetbare verandering zal opleveren in de vegetatie samenstelling en structuur van dit leefgebied. Op verreweg het grootste deel van het leefgebied van de soort is er zelfs sprake een permanente afname van de stikstofdepositie. De projectdepositie het project zal niet leiden tot significante en structurele wijzigingen van de biotoopcondities van nachtzwaluw. Significant negatieve effecten tijdens zowel de realisatie- als gebruiksfase zijn daarmee uitgesloten.

5.3.13

A236 - Zwarte specht

Het leefgebied van zwarte specht op de Brabantse Wal bestaat uit onderstaande habitattypen en leefgebieden (tabel 7) (Provincie Noord-Brabant, 2017). Op de leefgebieden LG13 en LG14 vindt een tijdelijke stikstofdepositie plaats van respectievelijk maximaal 5,14 en 0,24 mol N/ha/jr als gevolg van het project.

Onze referentie: D10007449:87 - Datum: 13 augustus 2021

38 van 63

PASSENDE BEOORDELING ONTWIKKELLING DE BULKENAAR

Tabel 7 Oppervlakte leefgebied zwarte specht in de aangewezen habitattypen en leefgebieden op de Brabantse Wal

Habitattype/leefgebied LG13 Bos van arme zandgronden LG14 Eiken- en beukenbos van lemige zandgronden

Oppervlakte leefgebied zwarte specht [ha] 3131,1 393,3

Algemene beschrijving soort Uit profieldocument (LNV, 2008): De zwarte specht leeft in oude bossen van minimaal 25-100 hectare, ook middeloude bossen mits oude lanen van beuk, Amerikaanse eik en eik aanwezig zijn. De open plekken in het bos mogen 2-25 hectare zijn. De soort is vrijwel exclusief aan zandgronden gebonden. De zwarte spechten hakken hun nestplaatsen doorgaans uit in oude beuken en Amerikaanse eiken, in mindere mate ook in grove dennen, dikke populieren en abelen. Zijn voedsel zoekt de zwarte specht meestal in oud bos, vooral in bos van oude grove dennen waarin boomstammen met een ruwe schors overheersen. Het voedsel bestaat uit larven van hout bewonende kevers die hij zoekt in dood op de grond liggend hout en bos- en houtmieren die te vinden zijn op kleine open plekken in het bos. Jongere naaldhoutopstanden zijn als voedselbronnen eveneens van belang, daar bevinden zich kolonies van houtmieren. Het foerageergebied kan zich uitstrekken tot enkele kilometers rond de nestplaats. Landelijke staat van Instandhouding Matig ongunstig Instandhoudingsdoelstelling (broedvogel) Behoud oppervlakte en kwaliteit leefgebied, 40 broedparen Referentiesituatie Huidige situatie stikstofdepositie De leefgebieden LG13 en LG14 zijn gevoelig voor stikstofdepositie. De kritische depositiewaarde is vastgesteld op respectievelijk 1.071 en 1.429 mol N/ha/jr.

In Figuur 19 en Figuur 26 zijn de overschrijdingen van de KDW voor het leefgebied Lg13 en Lg14 in het gebied Brabantse Wal weergegeven. De in Aerius opgenomen achtergronddepositie zijn hier gecombineerd met de in Aerius opgenomen vlakken waarin de leefgebieden Lg13 en Lg14 voorkomen. Hieruit blijkt dat op leefgebieden Lg13 en Lg14 vrijwel overal sprake is van overschrijding van de KDW. Huidige omvang en kwaliteit van het leefgebied De zwarte specht komt verspreid door de Brabantse Wal voor. Het voorkomen van de soort valt vrijwel volledig samen met de aanwezigheid van oud gemengd bos van enige omvang. Op landgoed Mattemburgh is het aantal broedparen vrij hoog door de aanwezigheid van dood hout. De soort komt minder voor in het bosgebied nabij de volksabdij ter Duinen, dit komt waarschijnlijk door verstoring (Provincie Noord Brabant, 2018).

Onze referentie: D10007449:87 - Datum: 13 augustus 2021

39 van 63

PASSENDE BEOORDELING ONTWIKKELLING DE BULKENAAR

Figuur 26 Mate van overschrijding van de KDW in de huidige situatie op Lg14 op de Brabantse Wal

In de jaren 70 en 80 zijn een flink aantal stormen en brand geweest wat een toename van dood hout in de bossen veroorzaakte. Hierdoor is ook het aantal van de zwarte specht flink toegenomen in het gebied. Op lange termijn is er een afname te zien in broedparen op de Brabantse Wal. Volgens de meest recente tellingen die zijn opgenomen in het beheerplan is het aantal broedparen geschat op 29-57 en voldoet daarmee net aan de instandhoudingsdoelstelling (Provincie Noord Brabant, 2018). De bossen hebben nu voldoende omvang en variatie om het aantal broedende zwarte spechten te behouden. Om voldoende leefgebied te blijven behouden is het van belang dat de oude boskernen in het Natura 2000-gebied intact blijven, met daarin voldoende dood hout en dode bomen (Provincie Noord Brabant, 2018). Een causale relatie tussen stikstofdepositie en de trend van de soort kan in dit gebied niet worden uitgesloten. Door stikstofdepositie kunnen open plekken vergrassen wat kan leiden tot een afname van het aantal mierenkolonies, wat een belangrijke voedingsbron van zwarte specht is. Er zijn echter geen directe bewijzen dat de afname van de populatie op de Brabantse Wal komt door een afname van mierenkolonies.

Effecten op de populatie kunnen ook komen door afname bos langs de randen van het gebied, afname oppervlakte naaldbos, recente toename van predatoren of een verkeerde inschatting van vroeger aantal (Provincie Noord-Brabant, 2017). De relatie met dood hout is wel min of meer zeker. Voor het leefgebied geldt dat de huidige trend voor oppervlakte en kwaliteit neutraal tot negatief is. De huidige situatie is ongunstig. Lg13 en Lg14 komen voor op de Brabantse Wal met een oppervlakte van respectievelijk circa 3.131 ha en 393 ha. Overige knelpunten • Vergrassing (mogelijk onder invloed van stikstofdepositie), leidt tot afname mieren populaties. • Successie (dichtgroeien bos en heide).

Onze referentie: D10007449:87 - Datum: 13 augustus 2021

40 van 63

PASSENDE BEOORDELING ONTWIKKELLING DE BULKENAAR

Regulier beheer Beheer t.b.v. zwarte specht: • Recreatiezonering en toegangspoorten. • Invulling hondenlosloopterrein bij recreatieve poorten. • Openhouden open plekken. Lg13 en Lg14 • Niets doen. Aanvullende Natura 2000-beheerplanmaatregel Beheer t.b.v. zwarte specht: • Bomen ringen en door kap van bomen kleine open plekken te maken (hiermee wordt aantal mieren vergroot). • Monitoring. • Begrazen. • Strooisel verwijdering/plaggen. • Hakhout- of middenbos-beheer. • Bestrijden invasieve exoten. Lg13 en Lg14 • Recreatiezonering en toegangspoorten (Provincie Noord Brabant, 2018). • Invulling hondenlosloopterrein bij recreatieve poorten (Provincie Noord Brabant, 2018). • Chopperen/ plaggen met eventueel bekalken. Bosbodem vrijmaken. • Exoten verwijderen. Voedselbeschikbaarheid vergroten. • Bomen ringen en verwijderen voor meer dood hout en open plekken. Resultaat uitgevoerde maatregelen: Onbekend. Beoordeling stikstofdepositie De hoogste toename van de stikstofdepositie – 5,14 mol N /ha/jr - komt neer op Lg13. Tijdens de gebruiksfase is op het grootste deel van het leefgebied sprake van een afname van de stikstofdepositie. Op LG13 is op 89% een afname en op LG14 op 94% van het habitattype. De populatiegrootte van zwarte specht is voornamelijk gebonden aan de aanwezigheid van dood hout in het gebied en in mindere mate aan de mate van vergrassing.

Vergrassing als gevolg van stikstofdepositie kan leiden tot veranderingen in het voedselaanbod voor de zwarte specht. Zo zal de populatie bosmieren afnemen. In combinatie met een geringe aanwezigheid van dood hout, zal hiermee het voedselaanbod van de zwarte specht afnemen (Sovon, 2016). In het Natura 2000-beheerplan (Provincie Noord Brabant, 2018). is het aantal broedparen geschat op 29-57, wat daarmee net voldoet aan de instandhoudingsdoelstelling voor de soort. De bossen hebben nu voldoende formaat en variatie om het aantal broedende zwarte spechten te behouden. Recreatie en voldoende aanwezigheid van dood hout lijken de sturende factoren te zijn voor het aantal broedparen van de zwarte specht.

Onze referentie: D10007449:87 - Datum: 13 augustus 2021

41 van 63

PASSENDE BEOORDELING ONTWIKKELLING DE BULKENAAR

Figuur 27 Projectdepositie in de realisatiefase op LG14 op locaties waar sprake is van overschrijding van de KDW

Figuur 28 Projectdepositie in de gebruiksfase op LG14 op locaties waar sprake is van overschrijding van de KDW

Onze referentie: D10007449:87 - Datum: 13 augustus 2021

42 van 63

PASSENDE BEOORDELING ONTWIKKELLING DE BULKENAAR

De projectdepositie van maximaal 5,14 mol N/ha/jr tijdens de gebruiksfase en 0,051 mol N/ha/jr tijdens de realisatiefase op het leefgebied van zwarte specht is dusdanig klein dat deze hoeveelheid geen meetbare verandering zal opleveren in de vegetatie samenstelling en structuur van het leefgebied van deze soort. Daarnaast zal er in de gebruiksfase op het merendeel van het habitattype juist sprake zijn van een afname van de depositie. Hier is er dus zeker geen sprake van effecten veroorzaakt door stikstofdepositie. De projectdepositie zal niet leiden tot significante en structurele wijzigingen van de biotoopcondities van zwarte specht. Significant negatieve effecten zijn daarmee uitgesloten.

5.3.14

A246 – Boomleeuwerik

Het leefgebied van de boomleeuwerik op de Brabantse Wal bestaat uit onderstaande habitattypen en leefgebieden, zie Tabel 8 (Provincie Noord-Brabant, 2017). Zoals in paragraaf 5.3.3 en 5.3.8 is beschreven zijn er geen effecten van stikstofdepositie te verwachten op H2310 en H4030. Op L4030 en LG09 is in de gebruiksfase 0,47 en 0,27 mol N/ha/jr stikstofdepositie en in de realisatiefase 0,037 en 0,035 mol N/ha/jr. Tabel 8 Oppervlakte leefgebied boomleeuwerik binnen de aangewezen habitattypen en leefgebieden op de Brabantse Wal

Habitattype/leefgebied H2310 Stuifzandheiden met struikhei ZGH2310 Zoekgebied stuifzandheiden met struikhei H4030 Droge heiden ZGH4030 Zoekgebied droge heiden L4030 Weinig vergraste heide en stuifzand LG09 Droog struisgrasland

Oppervlakte leefgebied boomleeuwerik [ha] 81,9 1,99 16,2 1,03 250,1 76,8

Algemene beschrijving soort Uit profieldocument (LNV, 2008) De broedbiotoop van de boomleeuwerik bestaat uit halfopen heidelandschappen, randen van zandverstuivingen, kapvlakten, naaldbosaanplant tot 4-5 jaar oud en zandige duinheiden. Soms nestelt hij ook op bouwland zoals kale maïsakkers of aspergevelden met wat bosjes en zandpaden met schrale bermen. Er moet een vaste, stabiele verhouding tussen de verschillende vegetatietypen waarbij 40-50% uit kaal zand of vegetatie lager dan 5 cm bestaat. Daarnaast moet de habitat gedurende enkele jaren stabiel zijn en moet er voldoende open plekken zijn van ca 25-100 ha (Provincie Noord Brabant, 2018). De nestplaats bevindt zich in 10-30 cm hoge pollen van begroeiingen of in kruidenrijke vegetatie. Enige boomgroei in de buurt heeft de boomleeuwerik nodig voor gebruik als zang- en uitkijkpost. De voedselbiotoop kan tot 200 m van de nestplaats verwijderd zijn. Het is altijd een terreindeel met een poreuze, schraal begroeide bodem die snel opdroogt en opwarmt. In landbouwgebieden en heideterreinen kunnen brede zandpaden dienen als voedselbiotoop. De minimaal benodigde oppervlakte leefgebied bedraagt circa drie hectare. Landelijke staat van Instandhouding Gunstig Instandhoudingsdoelstelling (broedvogel) Behoud oppervlakte en kwaliteit leefgebied, 100 broedparen.

Referentiesituatie Huidige situatie stikstofdepositie De leefgebieden L4030 en LG09 zijn gevoelig voor stikstofdepositie. De kritische depositiewaarde is vastgesteld op respectievelijk 1.0716 en 1.000 mol N/ha/jr.

6 Voor leefgebied LG4030 is geen KDW opgenomen in van Dobben (2012), in de Aerius calculator wordt de KDW gehanteerd voor

habitattype H4030 droge heide. H4030 is vrijwel gelijk aan structuur en vegetatiesamenstelling als LG4030. Onze referentie: D10007449:87 - Datum: 13 augustus 2021

43 van 63

PASSENDE BEOORDELING ONTWIKKELLING DE BULKENAAR

In Figuur 17 en Figuur 18 in paragraaf 5.3.12, is de overschrijding van de KDW voor de leefgebieden L4030 en Lg09 in het gebied Brabantse Wal weergegeven. De in Aerius opgenomen achtergronddepositie is hier gecombineerd met de in Aerius opgenomen vlakken waarin leefgebieden L4030 en Lg09 voorkomen. Hieruit blijkt dat op heel L4030 en Lg09 overschrijding van de KDW optreedt. Huidige omvang en kwaliteit van het leefgebied: Boomleeuwerik komt verspreid op de Brabantse Wal voor. De hoogste concentratie van broedparen komt voor op het militair oefenterrein Ossendrecht, de handgranaatbaan van de Koningin Wilhelminakazerne, de Staartsche Heide en de oevers van De Groote en De Kleine Meer (Provincie Noord Brabant, 2018). Er zijn te weinig lokale gegevens bekend om een trend te geven. Het aantal van de soort is sinds 2000 significant afgenomen. Het huidige areaal is wel voldoende voor het behoud van het aantal broedparen op de Brabantse Wal (Provincie Noord Brabant, 2018). De instandhoudingsdoelen lijken momenteel gehaald te worden. In de afgelopen jaren gaat het aantal namelijk door autonome ontwikkelingen en beheermaatregelen omhoog (mondelinge mededeling beheerders) (Provincie Noord-Brabant, 2017).

Er is mogelijk sprake van een causale relatie tussen een verslechtering van het leefgebied van de boomleeuwerik, door het versneld dichtgroeien, met de stikstofdepositie in de periode 2000-heden. Maar de negatieve effecten van stikstof lijken vooralsnog door het beheer gemitigeerd te worden (Provincie NoordBrabant, 2017). De omvang van de leefgebieden voor de boomleeuwerik is als volgt: H2310 circa 82 ha, H4030 circa 16 ha, L4030 circa 250 ha en Lg09 circa 77 ha. Overige knelpunten: L4030: Successie (dichtgroeien bos en heide). Lg09: Successie (dichtgroeien bos en heide). Regulier beheer: Maatregelen t.b.v. boomleeuwerik: • Recreatiezonering en toegangspoorten. • Invullen hondenlosloopterrein bij recreatieve poorten. L4030 en Lg09: • Kappen. • Plaggen. • Schapen begrazing. • Extensief maaien. • Loswoelen zand ter bevordering van verstuiving. Aanvullende Natura 2000-beheerplanmaatregel: Maatregelen t.b.v. boomleeuwerik: • Houtopslag verwijderen stuifzandheiden. • Stuifzanden plaggen. • Stuifzanden zeven, frezen, eggen. • Houtopslag verwijderen stuifzanden. • Kappen bos stuifzanden. Lg09: • (extra) maaien. • (extra) begrazen. • Plaggen of chopperen. • Branden. • Bekalken. Resultaat uitgevoerde maatregelen: Door herstelmaatregelen in de Zoom-Kalmthoutse nemen de aantallen weer toe.

Ook terreingebruik waarbij het zand wordt losgewoeld en weer gaat stuiven zoals bij militaire oefeningen helpt bij het behouden van de broedhabitat (Provincie Noord-Brabant, 2017). Onze referentie: D10007449:87 - Datum: 13 augustus 2021

44 van 63

PASSENDE BEOORDELING ONTWIKKELLING DE BULKENAAR

Beoordeling stikstofdepositie Onder paragraaf 5.3.12 staan de deposities op L4030 en LG09 beschreven. Hieruit blijkt dat de hoogste depositie plaatsvindt tijdens de gebruiksfase. Voor L4030 is dat 0,47 mol/ha/jr en voor Lg09 0,27 mol/ha/jr. Ook op deze deelgebieden is er tijdens de gebruiksfase sprake van een afname van de depositie op het grootste deel van het leefgebied, respectievelijk 97 en 96%. Ondanks een overschrijding van de KDW is de trend van de populatie boomleeuwerik licht positief. Het aantal broedparen neemt geleidelijk toe en er zijn voldoende geschikte biotopen beschikbaar om de instandhoudingsdoelen te halen. Stikstofdepositie kan daarmee geen knelpunt zijn voor het bereiken van de instandhoudingsdoelen voor de boomleeuwerik, anders was een positieve trend van de soort en het leefgebied niet mogelijk geweest. Daarnaast kan er ook niet worden aangetoond dat stikstofdepositie in het verleden een knelpunt heeft gevormd voor de soort op de Brabantse Wal. Het uitvoeren van het regulier beheer is in dit leefgebied voldoende om mogelijke effecten van stikstofdepositie tegen te gaan. De geringe depositie van maximaal 0,47 mol N/ha op L4030 en 0,27 mol N/ha op Lg09 is dusdanig klein dat deze hoeveelheid geen meetbare verandering zal opleveren in de vegetatie samenstelling en structuur.

Daarnaast zal ten gevolge van de gebruiksfase van het ziekenhuis de Bulkenaar er op vrijwel het hele leefgebied van L4030 en LG09 een permanente afname plaatsvinden van de stikstofdepositie. Hier zal stikstofdepositie dus zeker niet tot negatieve effecten leiden. De depositie door het project zal dus niet leiden tot significante en structurele wijzigingen van de biotoopcondities van boomleeuwerik. Significant negatieve effecten zijn daarmee uitgesloten.

5.4

Krammer – Volkerak

Informatie in dit hoofdstuk is afkomstig uit de volgende bronnen, tenzij anders aangegeven: • PAS-gebiedsanalyse Krammer - Volkerak (Provincie Noord-Brabant, 2017). • Profieldocumenten (ministerie LNV, 2020).

5.4.1

Korte karakteristiek

Het Volkerak is een afgesloten zeearm waarin nog veel van de kenmerken van het voormalige intergetijdengebied “Krammer-Volkerak” bewaard zijn gebleven, zoals de diepe centrale geul met steile taluds en aansluitende ondiepten met minder steile taluds en drooggevallen platen. Het Volkerak vormt nu één waterlichaam met de Eendracht en het Zoommeer. Het zoute getijdenmilieu heeft plaats gemaakt voor een zoet milieu zonder getij. De laagste delen van het voormalige intergetijdengebied liggen permanent onder water, de hoogste delen zijn permanent drooggevallen. Oeverafslag als gevolg van het gefixeerde peil werd gestopt door de aanleg van vooroeververdedigingen, en in de periode 1989-1999 werd een veertigtal eilandjes aangelegd, met een totale oppervlakte van circa 80 ha. Het Volkerak ontvangt niet langer substantiële hoeveelheden water uit het Hollands Diep, wel uit de Brabantse rivieren Mark en Dintel. De veranderingen in het abiotisch milieu hebben geleid tot grote veranderingen van de levensgemeenschappen. De oorspronkelijke plantengemeenschappen in het water zijn verdwenen. Op het land is de successie van de vegetatie nog gaande door de traagheid van de ontzilting van de bodem. In een aantal deelgebieden is de rol van zilte pioniersoorten op de platen nog steeds redelijk groot.

Onze referentie: D10007449:87 - Datum: 13 augustus 2021

45 van 63

PASSENDE BEOORDELING ONTWIKKELLING DE BULKENAAR

Figuur 29 Begrenzing Krammer-Volkerak (Provincie Noord-Brabant, 2017)

5.4.2

Stikstofdepositie in Natura 2000-gebied Krammer-Volkerak

In Tabel 9 is de maximale stikstofdepositie ten gevolge van het project opgenomen tijdens gebruiksfase en realisatiefase. De gebruiksfase betreft een permanente depositie en de realisatiefase betreft een tijdelijke depositie gedurende drie jaar. In de tabel is tevens opgenomen wat de maximale depositie is op delen van het habitattype waar er sprake is van overschrijding van de KDW en delen waar er geen sprake is van overschrijding is van de KDW. Tabel 9 Maximale projectdepositie in mol N/ha/jr gedurende gebruiksfase en realisatiefase op Krammer-Volkerak

Overschrijding KDW Habitattype H1310A H1330B H2160 H2170 H2190B H6510A

Ja Gebruiksfase Realisatiefase -0,008 -0,006 0,005 -0,018 0,006 -0,005 0,006 -0,009 -

Nee Gebruiksfase Realisatiefase -0,005 -0,005 -0,005 -0,005 -0,005 -0,008 -

In onderstaande paragrafen worden de effecten van stikstofdepositie die vrijkomt bij de ontwikkeling van het ziekenhuis de Bulkenaar op stikstofgevoelige habitattypen in de Krammer-Volkerak beoordeeld. Hierbij is voor de berekeningen van de overschrijding van de KDW de achtergronddepositie uit 2018 gebruikt (momenteel de meest recente gegevens). Tijdens de gebruiksfase is er op de habitattypen binnen de Krammer-Volkerak sprake van een permanente afname van de stikstofdepositie. Daarom worden alleen de habitattypen besproken waarbij er tijdens de realisatiefase sprake is van projectdepositie.

Onze referentie: D10007449:87 - Datum: 13 augustus 2021

46 van 63

PASSENDE BEOORDELING ONTWIKKELLING DE BULKENAAR

5.4.3

H1330B – Schorren en zilte graslanden

Landelijke staat van instandhouding: matig ongunstig Instandhoudingsdoelstelling: Behoud oppervlakte en kwaliteit Beoordeling effect stikstofdepositie: Op het habitattype H1330B in Krammer – Volkerak is er sprake van een tijdelijke kleine maximale toename van 0,005 mol N/ha/jr tijdens de realisatiefase van drie jaar. Tijdens de gebruiksfase is er sprake van een permanente afname van minimaal 0,006 mol N/ha/jr. Dit betekent dat in de gebruiksfase na drie jaar de depositie die vrijkwam tijdens de realisatiefase weer is opgeven. Na drie jaar in de gebruiksfase is er sprake van een permanente afname. In Figuur 30 is weergegeven dat deze netto afname op het hele habitattype – waar er sprake is van projectdepositie – plaatsvindt. De depositie die tijdens de realisatiefase neerkomt op het habitattype is dusdanig klein dat dit gedurende drie jaar geen negatieve effecten kan veroorzaken die tijdens de gebruiksfase weer ongedaan worden gemaakt. Effecten ten gevolge van stikstofdepositie door het project op H1330B in de Krammer-Volkerak zijn daarmee uitgesloten.

Figuur 30 De projectdepositie (mol N/ha/jr) tijdens de gebruiksfase en realisatiefase op het habitattype H1330B in Krammer-Volkerak bij elkaar opgeteld. In het groen zijn de gebieden weergegeven waar de afname tijdens de gebruiksfase groter is dan de toename tijdens de realisatiefase. In het rood zijn de gebieden weergegeven waar de afname tijdens de gebruiksfase kleiner is dan de toename tijdens de realisatiefase

Onze referentie: D10007449:87 - Datum: 13 augustus 2021

47 van 63

PASSENDE BEOORDELING ONTWIKKELLING DE BULKENAAR

5.4.4

H2160 – Duindoornstruwelen

Landelijke staat van instandhouding: gunstig Instandhoudingsdoelstelling: Behoud oppervlakte en kwaliteit Beoordeling effect stikstofdepositie: Op het habitattype H2160 in Krammer – Volkerak is er sprake van een tijdelijke kleine maximale toename van 0,006 mol N/ha/jr tijdens de realisatiefase van drie jaar. Tijdens de gebruiksfase is er sprake van een permanente afname van minimaal 0,018 mol N/ha/jr. Dit betekent dat in de gebruiksfase na 2 jaar de depositie die vrijkwam tijdens de realisatiefase weer is opgeven. Na 2 jaar in de gebruiksfase is er sprake van een permanente afname. In Figuur 31Figuur 30 is weergegeven dat deze netto afname op het hele habitattype – waar er sprake is van projectdepositie – plaatsvindt. De depositie die tijdens de realisatiefase neerkomt op het habitattype is dusdanig klein dat dit gedurende drie jaar geen negatieve effecten kan veroorzaken die tijdens de gebruiksfase weer ongedaan worden gemaakt. Effecten ten gevolge van stikstofdepositie door het project op H2160 in de Krammer-Volkerak zijn daarmee uitgesloten.

Figuur 31 De projectdepositie (mol N/ha/jr) tijdens gebruiksfase en realisatiefase op het habitattype H2160 in KrammerVolkerak bij elkaar opgeteld. In groen zijn de gebieden weergegeven waar de afname tijdens de gebruiksfase groter is dan de toename tijdens de realisatiefase. In rood zijn de gebieden weergegeven waar de afname tijdens de gebruiksfase kleiner is dan de toename tijdens de realisatiefase

Onze referentie: D10007449:87 - Datum: 13 augustus 2021

48 van 63

PASSENDE BEOORDELING ONTWIKKELLING DE BULKENAAR

5.4.5

H2190B – Vochtige duinvalleien

Landelijke staat van instandhouding: matig ongunstig Instandhoudingsdoelstelling: Uitbreiding oppervlakte en behoud kwaliteit Beoordeling effect stikstofdepositie: Op het habitattype H2190B in Krammer – Volkerak is er sprake van een tijdelijke kleine maximale toename van 0,006 mol N/ha/jr tijdens de realisatiefase van drie jaar. Tijdens de gebruiksfase is er sprake van een permanente afname van minimaal 0,005 mol N/ha/jr. Op locaties waar de depositie tijdens de realisatiefase >0,005 mol N/ha/jr is de afname tijdens de gebruiksfase tussen de 0,024 en 0,027 mol N/ha/jr. Dit betekent dat in de gebruiksfase na drie jaar de depositie die vrijkwam tijdens de realisatiefase weer is opgeven. Na drie jaar in de gebruiksfase is er sprake van een permanente afname. In Figuur 32 is weergegeven dat deze netto afname op het hele habitattype – waar er sprake is van projectdepositie – plaatsvindt. De depositie die tijdens de realisatiefase neerkomt op het habitattype is dusdanig klein dat dit gedurende drie jaar geen negatieve effecten kan veroorzaken die tijdens de gebruiksfase weer ongedaan worden gemaakt. Effecten ten gevolge van stikstofdepositie door het project op H2190B in de Krammer-Volkerak zijn daarmee uitgesloten.

Figuur 32 De projectdepositie (mol N/ha/jr) tijdens gebruiksfase en realisatiefase op het habitattype H2190B in KrammerVolkerak bij elkaar opgeteld. In groen zijn de gebieden weergegeven waar de afname tijdens de gebruiksfase groter is dan de toename tijdens de realisatiefase. In rood zijn de gebieden weergegeven waar de afname tijdens de gebruiksfase kleiner is dan de toename tijdens de realisatiefase

5.5

Oosterschelde

Informatie in deze paragraaf is samengesteld uit de volgende bronnen, tenzij anders aangegeven: • Beheerplan Oosterschelde (Rijkswaterstaat, 2016). • PAS-gebiedsanalyse Oosterschelde (LNV, 2017).

Onze referentie: D10007449:87 - Datum: 13 augustus 2021

49 van 63

PASSENDE BEOORDELING ONTWIKKELLING DE BULKENAAR

5.5.1

Korte karakteristiek

Het Natura 2000-gebied Oosterschelde staat gedeeltelijk in open verbinding met de Noordzee, waardoor er zoute invloed en getijdenwerking aanwezig is: buitendijks liggen droogvallende slikken en platen en schorren met zilte begroeiingen, ondieptes en (diepe) geulen. Binnendijks komen zilte graslanden voor en in enkele inlagen is zelfs veenmosrietland tot ontwikkeling gekomen. Sinds de Oosterschelde aan de oostzijde volledig is afgedamd, en aan de westzijde gedeeltelijk, is de dynamiek sterk afgenomen. De Oosterschelde is als onderdeel van de Deltawateren van grote internationale betekenis voor vogels. Het gebied vormt een zeer belangrijk leefgebied voor kustbroedvogels en is voor trekvogels een onmisbare schakel als ruigebied of als tussenstop om te foerageren en rusten. De natte open gebieden bieden veilige slaapplekken voor watervogels en er is een relatief groot en gevarieerd voedselaanbod beschikbaar. Verder rust de gewone zeehond op de droogvallende platen en in inlagen en binnendijkse vochtige natuurgebieden komt de noordse woelmuis voor. De huidige natuurwaarden in de Deltawateren hebben zich in de loop der tijd ontwikkeld in sterke samenhang met de menselijke activiteiten in het gebied.

Naast de rijke natuur, kent de Oosterschelde namelijk een groot aantal gebruiksfuncties, zoals waterkeringen, waterafvoer, vaarweg, recreatievaart, zwemwater, strand- en oeverrecreatie, onderwatersport, kitesurfen, sportvisserij, beroepsvisserij, luchtvaart, natuurbeheer en onderzoeks- en monitoringsactiviteiten.

Figuur 33 Begrenzing Natura 2000-gebied Oosterschelde

Met verschillende beschermde soorten in de Oosterschelde gaat het goed. Dit geldt voor de broedvogel bruine kiekendief en bijna de helft van de niet-broedvogels (onder andere alle viseters, verschillende ganzen en eenden, de steltlopers goudplevier en kievit, en de slechtvalk). De buitendijkse habitattypen (‘grote baaien’, ‘schorren en zilte graslanden’, ‘slijkgrasvelden’, ‘zilte pionierbegroeiingen’) zijn op het moment ook nog op orde, maar naar verwachting zal op de lange termijn de zandhonger zorgen voor verslechtering van de buitendijkse habitattypen. Er zijn ook knelpunten waar de komende jaren aan gewerkt moet worden, of waarvoor de maatregelen al in gang zijn gezet. De aandachtspunten hebben voornamelijk betrekking op de kwaliteit en omvang van de binnendijkse habitattypen, de aanwezigheid van voldoende geschikte broedgebieden voor kustvogels en optimaal leefgebied voor de noordse woelmuis en gewone zeehond. Onze referentie: D10007449:87 - Datum: 13 augustus 2021

50 van 63

PASSENDE BEOORDELING ONTWIKKELLING DE BULKENAAR

Op termijn kunnen de negatieve gevolgen van de zandhonger (afname oppervlak buitendijkse habitattypen, afname foerageergebied kustbroedvogels/steltlopers/ eenden, afname rustgebied gewone zeehond) merkbaar worden. Ook kan verhoogde stikstofdepositie voor enkele habitattypen zorgen dat de kwaliteit onder druk staat. Voor de meeste habitattypen is echter de dynamiek van het water (zoutgehalte, getij, peil, erosie en sedimentatie) de dominante factor die de kwaliteit bepaalt.

5.5.2

Stikstofdepositie in Natura 2000-gebied Oosterschelde

In Tabel 10 is de maximale stikstofdepositie ten gevolge van het project opgenomen tijdens de gebruiksfase en realisatiefase. De gebruiksfase betreft een permanente depositie en de realisatiefase betreft een tijdelijke depositie gedurende drie jaar. In de tabel is tevens opgenomen wat de maximale depositie is op delen van het habitattype waar er sprake is van overschrijding van de KDW en delen waar er geen sprake is van overschrijding is van de KDW. Tabel 10 Maximale projectdepositie in mol N/ha/jr gedurende gebruiksfase en realisatiefase op Krammer-Volkerak

Overschrijding KDW Habitattype H1310A H1320 H1330A H1330B

Ja Gebruiksfase Realisatiefase -0,007 -0,007 -0,006 -0,005 -

Nee Gebruiksfase Realisatiefase -0,005 0,006 -0,005 0,006 -0,005 0,006 -0,005 -

Tijdens de gebruiksfase is er alleen sprake van een afname van stikstofdepositie het Natura 2000-gebied. Tijdens de realisatiefase is er alleen sprake van projectdepositie op delen van het Natura 2000-gebied waar geen sprake is van overschrijding van de kritische depositiewaarde (KDW). Op delen waar geen overschrijding van de KDW is, is ook geen sprake van een stikstofdepositie probleem. Effecten ten gevolge van stikstofdepositie door het project op de Oosterschelde zijn daarmee uitgesloten.

5.6

Ulvenhoutse Bos

Informatie in deze paragraaf is samengesteld uit de volgende bronnen, tenzij anders aangegeven: • Beheerplan Ulvenhoutse Bos (RVO, 2016). • PAS-gebiedsanalyse Brabantse Wal (Provincie Noord Brabant, 2017). • Profieldocumenten (ministerie LNV, 2020).

5.6.1

Korte karakteristiek

Het Ulvenhoutse Bos is een klein bosgebied in de gemeente Breda bij het dorp Ulvenhout. Het is één van de oudste bossen in Nederland, met een belangrijke recreatiefunctie. In het bos geven de wegenstructuur en het reliëf inzicht in de cultuurhistorie die teruggaat tot in de Middeleeuwen. Het is geen monotoon productiebos, maar kent zowel natte broekbossen als eiken-haagbeukenbossen. Deze diversiteit is het gevolg van het reliëf en het voorkomen van kwelwater. In het Ulvenhoutse Bos komen o.a. witte rapunzel en slanke sleutelbloem voor. De velden met bloeiende bosanemonen zijn de laatste jaren steeds kleiner van omvang geworden. Dit geldt ook voor de kwaliteit en omvang van sommige bostypen.

Onze referentie: D10007449:87 - Datum: 13 augustus 2021

51 van 63

PASSENDE BEOORDELING ONTWIKKELLING DE BULKENAAR

Figuur 34 Begrenzing Natura 2000-gebied Ulvenhoutse Bos

5.6.2

Stikstofdepositie in Natura 2000-gebied Ulvenhoutse Bos

In Tabel 11 is de maximale stikstofdepositie ten gevolge van het project opgenomen tijdens de gebruiksfase en realisatiefase. De gebruiksfase betreft een permanente depositie en de realisatiefase betreft een tijdelijke depositie gedurende drie jaar. In de tabel is tevens opgenomen wat de maximale depositie is op delen van het habitattype waar er sprake is van overschrijding van de KDW en delen waar er geen sprake is van overschrijding is van de KDW. Tabel 11 Maximale projectdepositie in mol N/ha/jr gedurende gebruiksfase en realisatiefase op Ulvenhoutse Bos

Overschrijding KDW Habitattype H9120 H9160A H91E0C

Ja Gebruiksfase Realisatiefase -0,020 0,005 -0,022 0,005 -0,021 0,005

Nee Gebruiksfase Realisatiefase -

Hierna worden de effecten van stikstofdepositie die vrijkomt bij de ontwikkelingen van ziekenhuis de Bulkenaar op stikstofgevoelige habitattypen in het Ulvenhoutse Bos beschreven. Hierbij is voor de berekeningen van de overschrijding van de KDW de achtergronddepositie uit 2018 gebruikt (momenteel de meest recente gegevens).

Onze referentie: D10007449:87 - Datum: 13 augustus 2021

52 van 63

PASSENDE BEOORDELING ONTWIKKELLING DE BULKENAAR

5.6.3

H9120 – Beuken- eikenbossen met hulst

Landelijke staat van instandhouding: matig ongunstig Instandhoudingsdoelstelling: Behoud oppervlakte en kwaliteit Beoordeling effect stikstofdepositie: Op het habitattype H9120 in het Ulvenhoutse Bos is er sprake van een tijdelijke kleine maximale toename van 0,005 mol N/ha/jr tijdens de realisatiefase van drie jaar. Tijdens de gebruiksfase is er sprake van een permanente afname van minimaal 0,020 mol N/ha/jr. Dit betekent dat in de gebruiksfase na 1 jaar de depositie die vrijkwam tijdens de realisatiefase weer is opgeven. Na 1 jaar in de gebruiksfase is er sprake van een permanente afname. In Figuur 35Figuur 30 is weergegeven dat deze netto afname op het hele habitattype – waar er sprake is van projectdepositie – plaatsvindt. De depositie die tijdens de realisatiefase neerkomt op het habitattype is dusdanig klein dat dit gedurende drie jaar geen negatieve effecten kan veroorzaken die tijdens de gebruiksfase weer ongedaan worden gemaakt. Effecten ten gevolge van stikstofdepositie door het project op H9120 in het Ulvenhoutse Bos zijn daarmee uitgesloten.

Figuur 35 De projectdepositie (mol N/ha/jr) tijdens gebruiksfase en realisatiefase op het habitattype H9120 in het Ulvenhoutse Bos bij elkaar opgeteld. In groen zijn de gebieden weergegeven waar de afname tijdens de gebruiksfase groter is dan de toename tijdens de realisatiefase. In rood zijn de gebieden weergegeven waar de afname tijdens de gebruiksfase kleiner is dan de toename tijdens de realisatiefase

Onze referentie: D10007449:87 - Datum: 13 augustus 2021

53 van 63

PASSENDE BEOORDELING ONTWIKKELLING DE BULKENAAR

5.6.4

H9160A – Eiken-haagbeukenbossen (hogere zandgronden)

Landelijke staat van instandhouding: zeer ongunstig Instandhoudingsdoelstelling: Uitbreiding oppervlakte en verbetering kwaliteit Beoordeling effect stikstofdepositie: Op het habitattype H9160A in het Ulvenhoutse Bos is er sprake van een tijdelijke kleine maximale toename van 0,005 mol N/ha/jr tijdens de realisatiefase van drie jaar. Tijdens de gebruiksfase is er sprake van een permanente afname van minimaal 0,022 mol N/ha/jr. Dit betekent dat in de gebruiksfase na 1 jaar de depositie die vrijkwam tijdens de realisatiefase weer is opgeven. Na 1 jaar in de gebruiksfase is er sprake van een permanente afname. In Figuur 36 en Figuur 30 is weergegeven dat deze netto afname op het hele habitattype – waar er sprake is van projectdepositie – plaatsvindt. De depositie die tijdens de realisatiefase neerkomt op het habitattype is dusdanig klein dat dit gedurende drie jaar geen negatieve effecten kan veroorzaken die tijdens de gebruiksfase weer ongedaan worden gemaakt. Effecten ten gevolge van stikstofdepositie door het project op H9160A in het Ulvenhoutse Bos zijn daarmee uitgesloten.

Figuur 36 De projectdepositie (mol N/ha/jr) tijdens gebruiksfase en realisatiefase op het habitattype H9160A in het Ulvenhoutse Bos bij elkaar opgeteld. In groen zijn de gebieden weergegeven waar de afname tijdens de gebruiksfase groter is dan de toename tijdens de realisatiefase. In rood zijn de gebieden weergegeven waar de afname tijdens de gebruiksfase kleiner is dan de toename tijdens de realisatiefase.

Onze referentie: D10007449:87 - Datum: 13 augustus 2021

54 van 63

PASSENDE BEOORDELING ONTWIKKELLING DE BULKENAAR

5.6.5

H91E0C – Vochtige alluviale bossen (beekbegeleidende bossen)

Landelijke staat van instandhouding: matig ongunstig Instandhoudingsdoelstelling: Uitbreiding oppervlakte en verbetering kwaliteit Beoordeling effect stikstofdepositie: Op het habitattype H91E0C in het Ulvenhoutse Bos is er sprake van een tijdelijke kleine maximale toename van 0,005 mol N/ha/jr tijdens de realisatiefase van drie jaar. Tijdens de gebruiksfase is er sprake van een permanente afname van minimaal 0,021 mol N/ha/jr. Dit betekent dat in de gebruiksfase na 1 jaar de depositie die vrijkwam tijdens de realisatiefase weer is opgeven. Na 1 jaar in de gebruiksfase is er sprake van een permanente afname. In Figuur 37 en Figuur 30 is weergegeven dat deze netto afname op het hele habitattype – waar er sprake is van projectdepositie – plaatsvindt. De depositie die tijdens de realisatiefase neerkomt op het habitattype is dusdanig klein dat dit gedurende drie jaar geen negatieve effecten kan veroorzaken die tijdens de gebruiksfase weer ongedaan worden gemaakt. Effecten ten gevolge van stikstofdepositie door het project op H91E0C in het Ulvenhoutse Bos zijn daarmee uitgesloten.

Figuur 37 De projectdepositie (mol N/ha/jr) tijdens gebruiksfase en realisatiefase op het habitattype H91E0C in het Ulvenhoutse Bos bij elkaar opgeteld. In groen zijn de gebieden weergegeven waar de afname tijdens de gebruiksfase groter is dan de toename tijdens de realisatiefase. In rood zijn de gebieden weergegeven waar de afname tijdens de gebruiksfase kleiner is dan de toename tijdens de realisatiefase.

5.7

Cumulatie

In artikel 2.7 van de Wet natuurbescherming is aangegeven dat niet het project op zichzelf, maar ook in combinatie met andere projecten beschouwd moet worden.

Onze referentie: D10007449:87 - Datum: 13 augustus 2021

55 van 63

PASSENDE BEOORDELING ONTWIKKELLING DE BULKENAAR

Cumulatie in het kader van stikstof is relevant voor die Natura 2000-gebieden en die habitattypen waarvoor als gevolg van de ontwikkelingen rondom ziekenhuis de Bulkenaar een toename van stikstof is voorzien. Cumulatie in het kader van stikstofdepositie treedt op als een aanzienlijke hoeveelheid stikstof neerkomt als gevolg van een project, of als een kleine hoeveelheid gedurende een langere tijd neerkomt, zodat het zich kan ophopen in het systeem. Van beide mogelijkheden is hier geen sprake: de toename als gevolg van de ontwikkelingen ziekenhuis Bulkenaar zijn dusdanig gering, dat het ook samen met andere projecten niet kan leiden tot significante effecten. Daarnaast zijn de bekende ontwikkelingen wat betreft verkeer op de A58 in 2025 modelmatig al meegenomen in de Aerius berekeningen.

Onze referentie: D10007449:87 - Datum: 13 augustus 2021

56 van 63

PASSENDE BEOORDELING ONTWIKKELLING DE BULKENAAR

6

CONCLUSIES

In deze passende beoordeling is onderzocht of uitgesloten kan worden dat de werkzaamheden voor de ontwikkeling van het ziekenhuis de Bulkenaar in Roosendaal tijdens zowel de realisatie- als gebruiksfase kenmerken van Natura 2000-gebieden aantasten. Uit de uitgevoerde Aerius-berekeningen volgt, dat de depositie op basis van de genoemde uitgangspunten maximaal circa 5,14 mol/ha/jaar op Natura 2000-gebied de Brabantse Wal in de gebruiksfase zal bedragen. In de realisatiefase zal er op dit Natura 2000-gebied gedurende drie jaar een maximale depositie van 0,051 mol N/ha/jr plaatsvinden. Er is in deze toetsing geconcludeerd dat er geen significante effecten te verwachten zijn van de stikstofdepositie ten gevolge van de ontwikkelingen rondom de Bulkenaar op de Brabantse Wal en overige onderzochte Natura 2000-gebieden. Daarbij komt dat de berekeningen van de overschrijding van de KDW op de Brabantse Wal gebaseerd is op de achtergronddepositie uit 2018 (meest recente gegevens). De voorspelling is dat de achtergronddepositie in de komende jaren steeds verder zal dalen. De effecten van de stikstofdepositie zullen daarmee naar verwachting nog minder effect veroorzaken op de instandhoudingsdoelen dan er in voorliggende toetsing is beschreven. De bouw van het ziekenhuis zal plaatsvinden in 2023.

In deze passende beoordeling is gebruik gemaakt van berekeningen die zijn gebaseerd op de huidige plannen voor de realisatie en gebruiksfase. Als er wezenlijke veranderingen optreden in de uitgangspunten van de Aerius-berekeningen zal deze passende beoordeling moeten worden herzien.

Onze referentie: D10007449:87 - Datum: 13 augustus 2021

57 van 63

PASSENDE BEOORDELING ONTWIKKELLING DE BULKENAAR

7

BRONNEN

Bernhard, A. (2010). The Nitrogen Cycle: Procosses, Players, and Human Impact. Nature Education Knowledge 3 (10), 25. Ekandjo, L., & Ruppel, S. (2015). The Impact of Mineral Nitrogen Fertilization on the Occurrence of Native Diazotrophic Bacteria in Kohlrabi (Brassica oleracea) Shoots and Roots. The Journal of Agricultural Science (7). Koppejan, J., Elbersen, W., Meeusen, M., & Bindrapan, P. (2009). Beschikbaarheid van Nederlandse biomassa voor elektriciteti en warmte in 2020. Procede Biomass B.V. in opdracht van SenterNovem. LNV. (2008). Profieldocument Boomleeuwerik (Lullula arborea) A246. LNV. (2008). Profieldocument Dodaars (Tachybaptus ruficollis) (A004). LNV. (2008). Profieldocument Nachtzwaluw (Caprimulgus europaeus) A224. LNV. (2008). Profieldocument Zwarte specht (Dryocopus martius) A236. LNV. (2017). PAS-gebiedsanlayse Oosterschelde (118). Manny, B. A., Johnson, W. C., & Wetzel, R. G. (1994). Nutrient additions by waterfowl to lakes and reservoirs: predicting their effect on productivity and water quality. Hydrobiologia 279/280, 121-132. ministerie LNV. (2020, 7 1). Profielen. Opgehaald van Natura 2000: https://www.natura2000.nl/profielen Molenaar, J. G., & Jonkers, D. A. (1993). De invloed van stikstof in de ontlasting van honden op de vegetatie in voedselarme bos- en natuurterreinen. IBN-rapport 038. Wageningen: Instituut voor Bos- en Natuuronderzoek.

Provincie Noord Brabant. (2017). Gebiedsanalyse Brabantse Wal (128) Programma Aanpak Stikstof (PAS). Provincie Noord Brabant. (2018). Brabantse Wal Beheerplan. juni 2018. Provincie Noord Brabant. (2018). Brabantse Wal Beheerplan. Provincie Noord-Brabant. (2017). Gebiedsanalyse Brabantse Wal (128) Programma Aanpak Stikstof (PAS). Provincie Noord-Brabant. (2017). PAS-gebiedsanalyse Krammer-Volkerak (114). Rijkswaterstaat. (2016). Natura 2000 Deltawateren Oosterschelde Beheerplan 2016-2022. RVO. (2016). Natura 2000-beheerplan Ulvenhoutse Bos (129). Ministerie van Economische Zaken. Smits, N. A., Bal, D., Bobbink, R., van Dobben, H. F., Schaminee, J. H., Jansen, A. J., & Brunt, D. (2014). 1 Algemene inleiding uit: Herstelstrategieën stikstofgevoelige habitats. Ecologische onderbouwing van de Programmatische Aanpak Stikstof (PAS). Alterra Wageningen UR & Programmadirectie Natura 2000 van het Ministerie van Economische Zaken. Sovon. (2016). Leefgebiedenkaarten van de Natura 2000-geieden en PAS-gebieden 2016/2021. BIJ12. Sovon. (2016). Populatieomvang en trend van de Zwarte Specht op de Brabantse Wal. Ter Steege, M. W. (1996). Regulation of nitrate uptake in a whole plant perspective. Changing in influx and efflux of nitrate in spinach. Groningen: University of Groningen. Tolkamp, G. W., Berg, C. A., van den Nabuurs, G. H., & Oltshoorn, A. F. (2006).

Kwantificering van beschikbare biomassa voor bio-energie uit Staatsbodbeheerterreinen. Wageningen: Alterra rapport 1380. van Dobben, H. F., Bobbink, R., Bal, D., & van Hinsberg, A. (2012). Overzicht van kritische depositiewaarden voor stikstof, toegepast op habitattypen en leefgebieden van Natura 2000. Wageningen: Alterra, Alterrarapport 2397.

Onze referentie: D10007449:87 - Datum: 13 augustus 2021

58 van 63

PASSENDE BEOORDELING ONTWIKKELLING DE BULKENAAR

BIJLAGE A WETTELIJK KADER Inhoud van de Wet natuurbescherming De Wet natuurbescherming (verder Wnb) is op 1 januari 2017 in werking getreden. De wet is in de plaats gekomen van de Natuurbeschermingswet 1998, de Flora- en faunawet en de Boswet. De wet is ingedeeld in hoofdstukken en kent een algemeen deel (hoofdstuk 1), delen over Natura 2000-gebieden (hoofdstuk 2), soorten (hoofdstuk 3), houtopstanden, hout en houtproducten (hoofdstuk 4), verder delen die gaan over vrijstellingen, beschikkingen en verplichtingen (hoofdstuk 5), financiële bepalingen (hoofdstuk 6), handhaving (hoofdstuk 7), overige bepalingen (hoofdstuk 8) en tot slot een beschrijving van het overgangsrecht (hoofdstuk 9) en een beschrijving van de wijziging van overige wetten (hoofdstuk 10). In navolgende paragrafen is een samenvattende beschrijving van de relevante delen van de wet gegeven. Algemene bepalingen De Wnb schrijft een nationale en provinciale natuurvisie voor. De nationale natuurvisie bevat de hoofdlijnen van het rijksbeleid op het gebied van natuur en natuurbescherming (art 1.5). De provinciale natuurvisies beschrijven het provinciale beleid op dit gebied (art 1.7). De Wnb kent een algemene zorgplicht. Deze houdt in dat een ieder voldoende zorg in acht neemt voor Natura 2000-gebieden, bijzondere nationale natuurgebieden en soorten, ook voor soorten die niet beschermd zijn (art 1.11, lid 1).

Dit houdt in ieder geval in dat handelen of nalaten van handelen dat schadelijk kan zijn zo veel mogelijk achterwege gelaten dient te worden (art 1.11, lid 2). Deze algemene zorgplicht geldt altijd en overal, met slechts als uitzondering handelingen die op grond van de Visserijwet worden uitgevoerd (art 1.11, lid 3). In het eerste hoofdstuk van de wet wordt ook ingegaan op de beschermingsmaatregelen waarvoor gedeputeerde staten van de provincies zorg moeten dragen (art 1.12, lid 1). Het gaat daarbij om: • de biotopen en leefgebieden van alle in Nederland voorkomende soorten vogels; • behoud en herstel van soorten, habitats en habitats van soorten van bijlage I, II, IV en V van de Habitatrichtlijn; • behoud en herstel van soorten die opgenomen zijn op de bij de nationale natuurvisie horende rode lijst. Beschermde gebieden De Wet Natuurbescherming (Wnb) maakt het mogelijk gebieden aan te wijzen als beschermde natuurgebieden. De Wnb noemt daarbij verschillende soorten gebieden. • Het Natuurnetwerk Nederland (NNN): het samenhangende ecologische netwerk waarvoor de provincies (gedeputeerde staten) zorgdragen voor de totstandkoming en instandhouding (art 1.12, lid 2).

• “Bijzondere provinciale natuurgebieden” en “Bijzondere provinciale landschappen” zijn gebieden buiten het NNN aangewezen door gedeputeerde staten vanwege bijzondere natuurwaarden of landschappelijke en cultuurhistorische waarden (art 1.12, lid 3). • Natura 2000-gebieden zijn de gebieden die zijn aangewezen ter uitvoering van de verplichtingen die voortvloeien uit de Vogel- en Habitatrichtlijn (art. 2.1, lid 1). • “Bijzondere nationale natuurgebieden” zijn door de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit aangewezen buiten bestaande Natura 2000-gebieden (art. 2.11, lid 1). De Wnb kent alleen voor de Natura 2000-gebieden een toetsingskader. De bescherming van het NNN verloopt via het planologische spoor. Ten aanzien van de bescherming van bijzondere nationale en provinciale natuurgebieden en bijzondere provinciale landschappen is in de Wnb geen regeling opgenomen. Provincies kunnen -wanneer zij een dergelijk gebied aan zouden wijzen- daarvoor zelf een regeling opstellen. Regels ten aanzien van de bescherming van Natura 2000-gebieden De Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit wijst Natura 2000-gebieden aan. In ieder besluit tot aanwijzing van een Natura 2000-gebied zijn de instandhoudingsdoelstellingen voor het betreffende gebied beschreven.

Daarbij gaat het in ieder geval om instandhoudingsdoelstellingen ten aanzien van de leefgebieden van vogels, voor zover nodig ter uitvoering van de Vogelrichtlijn en/of ten aanzien van habitats en habitats van soorten, voor zover nodig ter uitvoering van de Habitatrichtlijn.

Onze referentie: D10007449:87 - Datum: 13 augustus 2021

59 van 63

PASSENDE BEOORDELING ONTWIKKELLING DE BULKENAAR

Gedeputeerde staten zijn verplicht zorg te dragen voor het treffen van instandhoudingsmaatregelen ten aanzien van de in de provincie gelegen Natura 2000-gebieden en moeten ook -indien daar aanleiding voor bestaat- passende maatregelen nemen om verslechtering van de kwaliteit van Natura 2000-gebieden te voorkomen. Daarnaast moet er voor ieder Natura 2000-gebied een beheerplan worden opgesteld. Plan, project of andere handeling? De Wnb maakt onderscheid in plannen, projecten en andere handelingen. Het verschil tussen een plan enerzijds en project en andere handeling anderzijds is duidelijk: Een plan gaat over het voornemen tot het verrichten van een handeling of om het scheppen van een (planologisch) kader voor een toekomstige handeling. Een project of andere handeling gaat altijd om een daadwerkelijk uit te voeren handeling. Het verschil tussen een project en een andere handeling is lastiger. Kort gezegd komt het erop neer dat er sprake is van een project in geval van een “fysieke ingreep in het natuurlijk milieu” en dat “activiteiten waarbij geen sprake is van werken of ingrepen die de materiële toestand van een plaats veranderen”, niet kunnen worden aangemerkt als een project. Bouw-, aanleg- of sloopwerkzaamheden zijn bijvoorbeeld wel projecten.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://raad.roosendaal.nl/api/v1/meetings/1229/documents/32444