1 - De Bulkenaar_vastgesteld_1_Bijlagen bij toelichting_Bijlage 9 Passende beoordeling.pdf
Tekst van het document
PASSENDE BEOORDELING PASSENDE BEOORDELING ONTWIKKELLING DE BULKENAAR ONTWIKKELLING DE BULKENAAR Gemeente Roosendaal Gemeente Roosendaal 13 AUGUSTUS 2021
13 AUGUSTUS 2021
PASSENDE BEOORDELING ONTWIKKELLING DE BULKENAAR
Contactpersoon IRIS VAN HAMERSVELD Ecoloog
T +31611397494 E iris.vanhamersveld@arcadis.com
Onze referentie: D10007449:87 - Datum: 13 augustus 2021
Arcadis Nederland B.V. Postbus 4205 3006 AE Rotterdam Nederland
2 van 63
PASSENDE BEOORDELING ONTWIKKELLING DE BULKENAAR
INHOUDSOPGAVE 1
2
3
4
5
INLEIDING
5
1.1
Aanleiding
5
1.2
Doelstelling
5
1.3
Leeswijzer
5
VOORGENOMEN ACTIVITEIT
6
2.1
Locatie plangebied
6
2.2
Werkzaamheden
8
2.3
Eindbeeld
9
2.4
Duur werkzaamheden
9
AFBAKENING EFFECTEN
10
3.1
Inleiding
10
3.2
Stikstofdepositie
10
3.3
Intern salderen
10
3.4
Reikwijdte
10
RESULTATEN AERIUS-BEREKENINGEN
11
4.1
Realisatiefase
11
4.2
Gebruiksfase
11
ECOLOGISCHE EFFECTBEOORDELING
13
5.1
Effectbeschrijving stikstofdepositie
13
5.2
De hoeveelheid stikstof i.r.t. ontwikkeling de Bulkenaar in perspectief
16
5.3
Brabantse Wal
18
5.3.1
Korte karakteristiek
18
5.3.2
Stikstofdepositie in Natura 2000-gebied Brabantse Wal
19
5.3.3
H2310 – Stuifzandheiden met struikhei
20
5.3.4
H2330 – Zandverstuivingen
21
5.3.5
H3130 – Zwakgebufferde vennen
22
5.3.6
H3160 – Zure vennen
23
5.3.7
H4010A – Vochtige heiden
24
Onze referentie: D10007449:87 - Datum: 13 augustus 2021
3 van 63
PASSENDE BEOORDELING ONTWIKKELLING DE BULKENAAR
5.3.8
H4030 – Droge heiden
25
5.3.9
H9120 – Beuken- eikenbossen met hulst
26
5.3.10
A004 - Dodaars
26
5.3.11
A072 - Wespendief
30
5.3.12
A224 – Nachtzwaluw
31
5.3.13
A236 - Zwarte specht
38
5.3.14
A246 – Boomleeuwerik
43
5.4
Krammer – Volkerak
45
5.4.1
Korte karakteristiek
45
5.4.2
Stikstofdepositie in Natura 2000-gebied Krammer-Volkerak
46
5.4.3
H1330B – Schorren en zilte graslanden
47
5.4.4
H2160 – Duindoornstruwelen
48
5.4.5
H2190B – Vochtige duinvalleien
49
5.5
Oosterschelde
49
5.5.1
Korte karakteristiek
50
5.5.2
Stikstofdepositie in Natura 2000-gebied Oosterschelde
51
5.6
Ulvenhoutse Bos
51
5.6.1
Korte karakteristiek
51
5.6.2
Stikstofdepositie in Natura 2000-gebied Ulvenhoutse Bos
52
5.6.3
H9120 – Beuken- eikenbossen met hulst
53
5.6.4
H9160A – Eiken-haagbeukenbossen (hogere zandgronden)
54
5.6.5
H91E0C – Vochtige alluviale bossen (beekbegeleidende bossen)
55
5.7
Cumulatie
55
6
CONCLUSIES
57
7
BRONNEN
58
BIJLAGEN BIJLAGE A WETTELIJK KADER
59
BIJLAGE B AERIUS BEREKENING
61
BIJLAGE C UITGANGSPUNTEN AERIUS BEREKENING
62
COLOFON
63
Onze referentie: D10007449:87 - Datum: 13 augustus 2021
4 van 63
PASSENDE BEOORDELING ONTWIKKELLING DE BULKENAAR
1
INLEIDING
1.1
Aanleiding
De gemeente Roosendaal heeft samen met de raad van bestuur van het Bravis ziekenhuis de gebiedsvisie voor het gebied De Bulkenaar opgesteld. De gebiedsvisie is op 28 mei 2020 door de gemeenteraad van de gemeente Roosendaal vastgesteld. De aanleiding hiervoor is de wens van Bravis om één nieuwe locatie voor het ziekenhuis te bouwen waar alle specialistische en klinische zorg, die nu nog over twee locaties verdeeld is, in ondergebracht kan worden. Het Bravis ziekenhuis vervult een belangrijke regionale zorgfunctie voor West-Brabant en oostelijk Zeeland. Omdat het gebied De Bulkenaar in het hart van de regio ligt, is het daarmee een ideale locatie om een nieuw en modern regioziekenhuis te bouwen. De ziekenhuislocaties van Bravis in Bergen op Zoom en in Roosendaal worden in dat kader herontwikkeld en samengevoegd op één nieuwe locatie in De Bulkenaar. De visie heeft betrekking op de ontwikkeling van het hele gebied tot een groot, aantrekkelijk en duurzaam parklandschap, waar gezondheid, natuurbeleving en recreëren centraal staan.
1.2
Doelstelling
Bij bovengenoemde ontwikkeling zijn er mogelijk effecten te verwachten op nabijgelegen Natura 2000gebieden. In voorliggende passende beoordeling worden deze mogelijke effecten onderzocht en wordt een conclusie getrokken ten behoeve van benodigde vervolgstappen in het kader van gebiedsbescherming Natura 2000 op grond van de Wet natuurbescherming (verder: Wnb).
1.3
Leeswijzer
Hoofdstuk 2 beschrijft de voorgenomen activiteit. In hoofdstuk 3 worden mogelijke effecten als gevolg van de activiteit op Natura 2000-gebieden afgebakend. Voor de realisatie- en gebruiksfase van het ziekenhuis zijn effecten van stikstofdepositie berekend met Aerius; hoofdstuk 4 gaat nader in op de uitgevoerde berekeningen. In hoofdstuk 5 is de ecologische effectbeoordeling opgenomen, waarin de mogelijke effecten van stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden, specifiek op habitats en leefgebieden van soorten, nader worden onderzocht en beoordeeld. Hoofdstuk 6 beschrijft de conclusies van de passende beoordeling. In hoofdstuk 7 zijn de gebruikte bronnen opgenomen. In bijlage A is het wettelijk kader van de Wnb gebiedsbescherming omschreven. In bijlage B zijn de voor deze passende beoordelingen uitgevoerde Aerius-berekeningen opgenomen. De uitgangspunten voor berekeningen zijn opgenomen in bijlage C.
Onze referentie: D10007449:87 - Datum: 13 augustus 2021
5 van 63
PASSENDE BEOORDELING ONTWIKKELLING DE BULKENAAR
2
VOORGENOMEN ACTIVITEIT
2.1
Locatie plangebied
Het gebied De Bulkenaar ligt aan de zuidwestkant van de stad Roosendaal en is ongeveer 42 hectare groot. Het is een gebied met een landelijk karakter en dat voornamelijk wordt gebruikt voor agrarische doeleinden. Daarnaast bevindt zich binnen het gebied een aantal woningen. De akkers en weilanden worden omringd door de Bulkenaarsestraat en de Huijbergseweg. Dit zijn twee smalle wegen met daaraan enkele boerderijen en huizen. De bewoners van de nabijgelegen woonwijk Tolberg gebruiken deze wegen onder andere als uitvalswegen richting Bergen op Zoom en om te wandelen of te fietsen. Aan de westkant grenst De Bulkenaar aan de snelweg A58 van Bergen op Zoom naar Roosendaal. Er is een op- en afrit bij Wouw/Wouwse Plantage, maar die vormt geen rechtstreekse verbinding met Roosendaal. Binnen het plangebied hoor ook het kruispunt aan de zuidzijde van de A58 en de aansluiting aan de noordzijde van de A58. Het gebied De Bulkenaar ligt in het stroomgebied van het Rissebeekcomplex, tussen de westelijk gelegen Spuitendonksebeek en de Rissebeek in het zuiden. Tussen de buurtschappen Haiink en Bulkenaar stroomt een watergang, die onder de snelweg wordt doorgeleid en zich stroomafwaarts bij de Spuitendonkse beek voegt. Het plangebied wordt grofweg ingedeeld in de volgende bestemmingen en is weergegeven in Figuur 1: • De ontsluitingsweg voor het ziekenhuis (grijs). • Het ziekenhuis (roze).
• Het landschapspark (groen). In figuur 1 is de voorgenomen ligging van de verbindingsweg van de wijk Tolberg met een rode pijl weergegeven. Dit is in het bestemmingsplan De Bulkenaar een reserveringszone, waarbij de ontwikkeling van deze weg niet onmogelijk wordt gemaakt. Op Figuur 1 ontbreken de rotonde aan de zuidzijde van de A58 en de aansluiting van de A58 aan de noordzijde van de weg. Deze horen wel binnen het plangebied. In figuur 2 is een luchtfoto opgenomen met de begrenzing van het gehele plangebied.
Onze referentie: D10007449:87 - Datum: 13 augustus 2021
6 van 63
PASSENDE BEOORDELING ONTWIKKELLING DE BULKENAAR
Figuur 1 Indeling plangebied De Bulkenaar. Roze = ziekenhuis; grijs = ontsluitingsweg, groen = landschapspark, rode pijl = reserveringszone toekomstige ontsluitingsweg Tolberg. In de figuur ontbreekt de rotonde aan de zuidzijde van de A58 en de aansluiting aan de noordzijde van de A58. Deze horen wel binnen het plangebied (zie Figuur 2)
Onze referentie: D10007449:87 - Datum: 13 augustus 2021
7 van 63
PASSENDE BEOORDELING ONTWIKKELLING DE BULKENAAR
Figuur 2 Plangebied De Bulkenaar op luchtfoto
2.2
Werkzaamheden
Uitgangspunten • • • •
•
• • • • • •
Het plangebied is 52 hectare. Dat omvat 42 ha van het gebied De Bulkenaar en 10 hectare voor de nieuwe weg. Het kruispunt aan de zuidzijde van de A58 wordt een kruispunt met verkeersregelinstallatie (VRI). Dit is de kruising waar de ontsluitingsweg naar het ziekenhuis op wordt aangesloten. Aan de noordzijde wordt de aansluiting van de A58 omgezet in een rotonde. Ruimtebeslag De Bulkenaar: 12 ha voor het ziekenhuis en 30 ha landschapspark, waarvan 12 ha voor de compensatie voor het bouwen van het ziekenhuis vanwege verplichting provincie om een landschappelijke kwaliteitsverbetering te realiseren wanneer er aan de rand van de stad gebouwd wordt. De overige 18 ha wordt door de gemeente ingericht als landschapspark. Voldoende oppervlakte in verband met parkeermogelijkheden en mogelijke toekomstige uitbreidingen, al dan niet met samenwerkingspartners en aan het ziekenhuis gelieerde zorgpartners. Dit binnen de 12 ha voor het ziekenhuis. Er dient sprake te zijn van een goede, directe bereikbaarheid. Er kan maximaal 110.000 m2 b.v.o. voor medische zorgverlening benut worden. Er komt géén helikopterlandplaats bij het ziekenhuis. Toekomstbestendig; de locatie moet in de nabije en verre toekomst flexibel en snel kunnen worden aangepast in omvang, inrichting, logistiek en duurzaamheid aan nieuwe ontwikkelingen; Een innovatief zorglandschap.
Het ziekenhuis wordt maximaal 20 meter hoog, waarbij maximaal 7,5% van het bouwvlak maximaal 30 meter mag bedragen. Autobereikbaarheid is voor een regioziekenhuis van groot belang. Er worden voldoende parkeerplaatsen gerealiseerd ten behoeve van het zorgprogramma van het ziekenhuis. Om te zorgen dat overloop van parkeerders van het ziekenhuis naar Tolberg tot een absoluut minimum beperkt blijft, is het wenselijk de parkeervoorziening zo ver mogelijk van de wijk te plaatsen. De rand van de A58 is een geschikte locatie voor een parkeervoorziening (geluidsafschermende werking).
Onze referentie: D10007449:87 - Datum: 13 augustus 2021
8 van 63
PASSENDE BEOORDELING ONTWIKKELLING DE BULKENAAR
•
•
De ontwikkeling van De Bulkenaar met de bijbehorende infrastructuur kan bijdragen aan de afronding van de zuidwestelijke stadsrand. Het nieuwe ziekenhuis moet goed bereikbaar zijn voor de hele regio met name via de A58. Vanaf de afslag Wouw/Wouwse plantage wordt een directe verbinding naar het ziekenhuis gemaakt. Op basis van de landelijke uitgangspunten “niet afwentelen” en “de veroorzaker betaalt” moet een regenbui T100+10% binnen het plangebied kunnen worden vastgehouden en/of worden geborgen.
2.3
Eindbeeld
De gemeente Roosendaal ambieert de aanleg van een mooi en goed bereikbaar zorglandschap dat als een groen uitloopgebied fungeert voor het bestaande woongebied en het ziekenhuis. Het doel is het versterken en realiseren van de landschappelijke kwaliteiten van De Bulkenaar zodat gezondheid, natuur en recreatie op een unieke manier met elkaar worden verbonden. Van de 52 hectare plangebied heeft het ziekenhuis 12 hectare nodig voor de bouw van het ziekenhuis en de mogelijke huisvesting van zorgpartners. De ambitie is om het totale plangebied als landschapspark in te richten, waarin natuur, groen en recreatie hand in hand gaan. De gemeente wil de natuurlijke situatie van het gebied zoveel mogelijk als leidraad voor de verdere ontwikkeling van De Bulkenaar benutten. Gezondheid is de basisgedachte van zorglandschap De Bulkenaar. Binnen de 12 hectare waarin het ziekenhuis wordt gepositioneerd, kunnen behalve het ziekenhuis ook direct gerelateerde zorgvoorzieningen zich vestigen, mits zij een aanvulling vormen op het voorzieningenniveau van de stad en de regio. Inbedding van het ziekenhuis in een groen, natuurlijk landschapspark geeft een positieve bijdrage aan herstel. Dit landschapspark nodigt uit om te bewegen, te ontspannen en te recreëren; dat is gezond en biedt ook mogelijkheden om in te zetten op preventie.
De ambitie is om de ruimtelijke inrichting van het landschapspark te laten aansluiten bij woonwijk Tolberg en het ziekenhuis. Door deze met elkaar te verbinden, kan het gebied op een natuurlijke manier aangehaakt worden aan de bestaande stad. Onder andere door fiets- en wandelroutes aan te leggen en gebruik te maken van bestaande netwerken als het knooppunten fietsnetwerk en de F58 snelfietsroute. Recreatieplas de Tolbergvijver, buiten het plangebied, zal onderdeel worden van het landschapspark. Door deze verschillende locaties en ambities aan elkaar de koppelen ontstaat er een aantrekkelijk gebied voor zowel de bewoners van Tolberg als de bezoekers van het ziekenhuis.
2.4
Duur werkzaamheden
Naar verwachting duren de werkzaamheden voor de aanleg van het ziekenhuis drie jaar. De verwachting is dat de aanleg van de ontsluitingsweg binnen één jaar wordt uitgevoerd. De werkzaamheden voor het ziekenhuis zijn gepland om in 2021 van start te gaan. De nieuwe weg dient in 2022 gereed te zijn (als bouwweg), zodat het bouwverkeer voor het ziekenhuis deze route gebruikt. Eind 2025 dient het ziekenhuis gereed te zijn, zodat het ziekenhuis in 2026 operationeel is.
Onze referentie: D10007449:87 - Datum: 13 augustus 2021
9 van 63
PASSENDE BEOORDELING ONTWIKKELLING DE BULKENAAR
3
AFBAKENING EFFECTEN
3.1
Inleiding
Het plangebied ligt op circa 3,4 km van het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied, de Brabantse Wal. Effecten die optreden tijdens de werkzaamheden binnen het plangebied zelf, zoals afname van oppervlakte, mechanische effecten en geluid-, licht- en visuele verstoring zijn daarmee op voorhand uitgesloten. Er zijn alleen effecten te verwachten van verstoringsbronnen die op grote afstanden verstoring kunnen veroorzaken. Dit betreft enkel de uitstoot van stikstofdepositie.
3.2
Stikstofdepositie
Bij de verbranding van brandstof door motoren komen uitlaatgassen vrij, die onder andere stikstof bevatten. Stikstof kan leiden tot vermesting en verzuring van de bodem, met als gevolg dat de vegetatie verruigt en (zeldzamere) soorten van voedselarme omstandigheden worden verdrongen door meer algemene soorten van voedselrijkere omstandigheden. Stikstof leidt daardoor tot een afname van de soortenrijkdom, en daarmee van de kwaliteit van de vegetatie. De reikwijdte van stikstofdepositie kan op grote afstanden van de uitstootbron effecten veroorzaken. Voor de bouwwerkzaamheden is inzet van materieel en machines nodig, daarnaast is sprake van bouwverkeer. In de realisatiefase is er daarom sprake van stikstofemissie, met mogelijke stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden (waaronder met name de Brabantse Wal). In de gebruiksfase kan er daarom ook sprake zijn van meer stikstofemissie en dus -depositie dan in de autonome situatie. Zowel realisatie- als gebruiksfase zijn daarom relevant vanwege mogelijke effecten op Natura 2000. Om de depositie tijdens de gebruiksfase en de realisatiefase te bepalen zijn twee Aerius berekeningen uitgevoerd. In Bijlage C is de uitgangspuntennotitie opgenomen voor beide berekeningen. Voor de realisatiefase is de emissie van de mobiele werktuigen en het bouwverkeer berekend.
De totale emissie tijdens de realisatiefase is 0,05 mol N/ha/jr (zie Bijlage B, d.d. 14 januari 2021, kenmerk S1qVyyfdtFhB). Hierbij is ervan uitgegaan dat de werkzaamheden drie jaar zullen duren. Naast de tijdelijke emissies is ook inzichtelijk gemaakt wat de emissies zijn in de gebruiksfase. Voor deze berekening is er een vergelijking gemaakt tussen de toekomstige situatie na realisatie van het plan en de autonome situatie (toekomst zonder plan). De berekeningen zijn uitgevoerd op basis van verkeersgegevens en er is gerekend voor het jaar 2025 autonoom en plan. Het verschil tussen de situatie na de realisatie van het plan en de autonome situatie is 5,14 mol N/ha/jr (zie Bijlage B, d.d. 13 januari 2021, kenmerk Ru3vPDUv4scR).
3.3
Intern salderen
Voor de ontwikkeling van het ziekenhuis de Bulkenaar zal ter plaatse 52 ha agrarisch gebied buiten gebruik worden gesteld. Dit zorgt voor een afname van de stikstofemissie ter plaatse en daarmee voor een afname van depositie in de omgeving. Deze afname is meegenomen in de berekening van de gebruiksfase (zie voor de onderbouwing hiervan de uitgangspuntennotitie in bijlage C).
3.4
Reikwijdte
De effecten van stikstofdepositie kunnen verder reiken dan de directe omgeving waar de werkzaamheden worden uitgevoerd. Uit de uitgevoerde Aerius berekeningen blijkt dat tijdens de realisatie fase er overlap is tussen de reikwijdte van de stikstofdepositie en de Natura 2000-gebieden de Brabantse Wal, KrammerVolkerak, Oosterschelde en Ulvenhoutse Bos. Tijdens de gebruiksfase is er overlap met 20 Natura 2000gebieden. Echter alleen op het Natura 2000-gebied de Brabantse Wal is er een toename in stikstofdepositie te verwachten in de situatie na de uitvoering van het plan t.o.v. de huidige situatie. In de overige 19 gebieden is er een afname van depositie te verwachten. De Brabantse Wal is het meest dichtstbijzijnde Natura 2000gebied en ligt op een afstand van circa 4,5 km van het plangebied. Onze referentie: D10007449:87 - Datum: 13 augustus 2021
10 van 63
PASSENDE BEOORDELING ONTWIKKELLING DE BULKENAAR
4
RESULTATEN AERIUS-BEREKENINGEN
4.1
Realisatiefase
Uit de Aerius-berekeningen blijkt dat er tijdens de realisatiefase sprake is van een geringe tijdelijke toename van stikstofdepositie is in vier Natura 2000-gebieden. In Tabel 1 zijn de gebieden en habitattypen en leefgebieden opgenomen waar er sprake is van een tijdelijke toename in de stikstofdepositie gedurende drie jaar. Tabel 1 Maximale projectdepositie tijdens de realisatiefase
Natura 2000-gebied
Maximale projectdepositie in mol N/ha/jr
Brabantse Wal Lg13 – Bos van arme zandgronden Lg14 – Eiken- en beukenbos van lemige zandgronden L4030 – Droge heiden Lg09 – Droog struisgrasland Lg04 – Zuur ven H2310 – Stuifzandheiden met struikhei H4030 – Droge heiden H4010A – Vochtige heiden (hogere zandgronden) H3160 – Zure vennen H3130 – Zwakgebufferde vennen H2330 – Zandverstuivingen H9120 – Beuken- eikenbossen met hulst Kampina & Oisterwijkse Vennen H2160 – Duindoornstruwelen H2190B – Vochtige duinvalleien (kalkrijk) H1330B – Schorren en zulte graslanden (binnendijks) Oosterschelde H1310A – Zilte pionierbegroeiingen (zeekraal) H1320 – Slijkgrasvelden H1330A – Schorren en Zilte graslanden (buitendijks) Ulvenhoutse Bos H9120 – Beuken- eikenbossen met hulst H9160A - Eiken- haagbeukenbossen (hogere zandgronden) H91E0C – Vochtige alluviale bossen (beekbegeleidende bossen)
4.2
0,05 0,05 0,04 0,03 0,03 0,01 0,01 0,01 0,01 0,01 0,01 0,01 0,01 0,01 0,01 0,01 0,01 0,01 0,01 0,01 0,01
Gebruiksfase
Voor de gebruiksfase is er een verschilberekening gemaakt met de depositie na de uitvoering van de werkzaamheden en de autonome situatie. Uit deze berekeningen blijkt dat er sprake is van een verschil op 20 Natura 2000-gebieden. In Tabel 2 is het verschil in depositie opgenomen. Hieruit blijkt dat er alleen een toename van depositie te verwachten is op de Brabantse Wal na de uitvoering van de werkzaamheden. In de overige 19 Natura-2000 gebieden is er juist sprake van een permanente afname van stikstofdepositie ten gevolge van het project. Tabel 2 Maximaal verschil in depositie tijdens de gebruiksfase na uitvoering van de maatregelen en autonome situatie tijdens de gebruiksfase.
Natura 2000-gebied Brabantse Wal Lg13 – Bos van arme zandgronden L4030 – Droge heiden Lg04 – Zuur ven Lg09 – Droog struisgrasland Lg14 – Eiken- en beukenbos van lemige zandgronden H2310 – Stuifzandheiden met struikhei H2330 – Zandverstuivingen Onze referentie: D10007449:87 - Datum: 13 augustus 2021
Maximale projectdepositie in mol N/ha/jr 5,14 0,47 0,39 0,27 0,24 -0,01 -0,01 11 van 63
PASSENDE BEOORDELING ONTWIKKELLING DE BULKENAAR
Natura 2000-gebied H3160 – Zure vennen H4010A – Vochtige heiden (hogere zandgronden) H4030 – Droge heiden H3130 – Zwakgebufferde vennen H9120 – Beuken- eikenbossen met hulst Kampina & Oisterwijkse Vennen Westerschelde & Saeftinghe Vlijmens Ven, Moerputten & Bossche Broek Uiterwaarden Lek Lingegebied & Diefdijk-Zuid Krammer-Volkerak Rijntakken Oosterschelde Kempenland-West Grevelingen Zouweboezem Voornes Duin Yerseke en Kapelse Moer Loonse en Drunense Duinen & Leemkuilen Loevestein, Pompveld & Kornscheboezem Regte Heide & Riels Laag Langstraat Biesbosch Ulvenhoutse Bos
Onze referentie: D10007449:87 - Datum: 13 augustus 2021
Maximale projectdepositie in mol N/ha/jr -0,01 -0,01 -0,02 -0,02 -0,02 -0,01 -0,01 -0,01 -0,01 -0,01 -0,01 -0,01 -0,01 -0,01 -0,01 -0,01 -0,01 -0,01 -0,01 -0,01 -0,01 -0,01 -0,01 -0,02
12 van 63
PASSENDE BEOORDELING ONTWIKKELLING DE BULKENAAR
5
ECOLOGISCHE EFFECTBEOORDELING
In paragraaf 5.1 is in zijn algemeenheid gemotiveerd dat de toename van stikstofdepositie als gevolg van de ontwikkeling van ziekenhuis de Bulkenaar gering is en op zichzelf niet leidt tot een verandering van het ecologische systeem binnen Natura 2000-gebieden. In paragraaf 5.2 wordt de hoeveelheid stikstof als gevolg van de ontwikkeling van de Bulkenaar in perspectief geplaatst. Hierbij is evenwel sprake van een toename in een reeds overbelaste situatie. In de paragrafen 5.3 t/m 5.6 wordt daarom nader ingegaan op lokale omstandigheden en mogelijke effecten. Er is alleen een toename te verwachten van stikstofdepositie op de Brabantse Wal, Krammer-Volkerak, Oosterschelde en Ulvenhoutse Bos ten gevolge van het project, zie hoofdstuk 4. De ecologische effectbeoordeling richt zich in dit hoofdstuk dus uitsluitend op deze vier Natura 2000-gebieden.
5.1
Effectbeschrijving stikstofdepositie
De in hoofdstuk 4 beschreven toenames in de realisatie en gebruiksfase zijn dusdanig gering dat deze op zichzelf niet leiden tot een verandering. Dit wordt in deze paragraaf nader onderbouwd. Stikstofkringloop Stikstof is op aarde in aanzienlijke hoeveelheden aanwezig en is noodzakelijk voor alle levende organismen, omdat stikstof aanwezig is in eiwitten, DNA en chlorofyl. Stikstof is in verschillende vormen aanwezig en niet alle vormen zijn beschikbaar voor organismen. De stikstofcyclus is weergegeven in Figuur 3. De transformatie van stikstof in verschillende geoxideerde vormen is van belang, omdat deze vormen door verschillende organismen opgenomen kunnen worden (Bernhard, 2010).
Figuur 3 Schematische weergave van de stikstofkringloop. Bron: https://en.wikipedia.org/wiki/Nitrogen_cycle
Onze referentie: D10007449:87 - Datum: 13 augustus 2021
13 van 63
PASSENDE BEOORDELING ONTWIKKELLING DE BULKENAAR
Problematiek De volgende tekst is overgenomen uit (Smits, et al., 2014): “De beschikbaarheid van plantenvoedingsstoffen is een factor die erg belangrijk is voor de samenstelling van de vegetatie. Stikstofverbindingen zijn in veel halfnatuurlijke en natuurlijke ecosystemen in de gematigde en boreale zone van Europa beperkend voor de plantengroei. Nogal wat plantensoorten zijn aangepast aan nutriëntenarme omstandigheden en kunnen alleen succesvol voortbestaan op bodems met lage N-niveaus. De effecten van een excessieve toevoer van stikstofverbindingen op ecosystemen zijn veelzijdig en complex [zie Figuur 4]. De gevolgen die kunnen optreden betreffen 1) Directe toxiciteit van hoge concentraties van gassen op individuele plantensoorten; 2) Eutrofiëring door geleidelijke toename van de N-beschikbaarheid; 3) Verzuring van bodem en water; 4) Negatieve effecten van de verhoogde beschikbaarheid van gereduceerd N (ammonium); 5) Toegenomen gevoeligheid voor secundaire stressfactoren, zoals schimmelinfecties en insectenplagen en vorst- of droogteschade; en tenslotte 6) Verschuivingen in de chemische samenstelling (bijv. aminozuursamenstelling) van planten onder invloed van een grotere N-beschikbaarheid. Daardoor verandert de kwaliteit van de planten als voedsel voor herbivoren met allerlei gevolgen hoger in de voedselketen.”
Figuur 4 Schema met een overzicht van de ecologische gevolgen van stikstofdepositie. Figuur 1.1 uit Smits et al., 2014
In Natura 2000-gebieden kunnen bij het behalen van instandhoudingsdoelstellingen verschillende knelpunten een rol spelen. Voorbeelden van knelpunten zijn inadequaat en/of onvoldoende beheer, verdroging, ongewenste soortensamenstelling door bijvoorbeeld aanwezigheid van invasieve exoten, te hoge recreatiedruk. Daarnaast zijn vermesting en verzuring factoren die het behalen van instandhoudingsdoelstellingen kunnen belemmeren. Bij vermesting en verzuring speelt de atmosferische depositie een rol, maar is niet de enige relevante factor. Over atmosferische depositie van stikstof is in Smits et al., 2014 het volgende beschreven: “Een toename van de atmosferische stikstofdepositie in een voorheen onbelast gebied1 leidt in eerste instantie tot een toename van de beschikbaarheid van stikstof in bodem of water en aldus tot een verhoogde opname van stikstofverbindingen door de vegetatie.
1 Ten aanzien van voorheen onbelaste gebieden is het belangrijk om te vermelden dat overbelasting door atmosferische depositie niet
recent is: al in de periode 1950-1970 is sprake van een overbelaste situatie. De piek lag in de jaren ’80 en de achtergronddepositie is sinds die tijd afgenomen. Op de website https://www.clo.nl/indicatoren/nl0189-vermestende-depositie is aangegeven dat alleen al sinds 1990 de emissie van stikstof met 64% is afgenomen. Onze referentie: D10007449:87 - Datum: 13 augustus 2021
14 van 63
PASSENDE BEOORDELING ONTWIKKELLING DE BULKENAAR
Dit proces wordt eutrofiëring genoemd. Door verhoogde toevoer en accumulatie van N-verbindingen zal de beschikbaarheid van stikstof geleidelijk toenemen. Dit leidt tot verdringing van minder concurrentiekrachtige soorten door stikstofminnende (nitrofiele) soorten. Veelal gaat dit ten koste van karakteristieke soorten, aangezien een groot deel van de soorten in halfnatuurlijke en natuurlijke ecosystemen juist is aangepast aan een lage stikstofbeschikbaarheid in de bodem. Verhoogde toevoer van stikstof kan vooral in voedselarme tot matig voedselrijke systemen een sterke afname in soortendiversiteit veroorzaken […]. Het aantal soorten kan op extreem voedselarme bodems bij een verhoogde toevoer van stikstof wel iets toenemen, maar de oorspronkelijke en karakteristieke vegetatie die aan de extreme situatie was aangepast, verdwijnt.” “Verzuring, oftewel afname van de buffercapaciteit, is een langetermijnproces dat ook van nature plaatsvindt door carbonzuur of organische zuren maar wat (zeer sterk) versneld kan worden door de toevoer van zure of verzurende stoffen uit de atmosfeer. Afhankelijk van de bodemsamenstelling kan dit complexe proces leiden tot een lagere pH, verhoogde uitspoeling van kationen (calcium, magnesium of kalium), verhoogde concentraties aan toxische metalen (vooral van aluminium) en veranderingen in de verhouding tussen nitraat en ammonium in de bodem [...].
In deze situatie kunnen plantensoorten die resistent zijn tegen dergelijke zure omstandigheden gaan overheersen en verdwijnen veel soorten uit een milieu met een meer neutrale pH.” Kritische depositiewaarden Om een maat te kunnen geven aan de stikstofproblematiek in Natura 2000-gebieden zijn de kritische depositiewaarden ontwikkeld. In het rapport (van Dobben, Bobbink, Bal, & van Hinsberg, 2012) over kritische depositiewaarden is de volgende definitie gegeven: “de grens waarboven het risico bestaat dat de kwaliteit van het habitat significant wordt aangetast als gevolg van de verzurende en/of vermestende invloed van atmosferische stikstofdepositie.” Zowel de verzurende als de vermestende invloed van stikstofdepositie zijn hierin meegenomen. Ten aanzien van de kritische depositiewaarde volgt uit de beschrijving in het rapport van Dobben et al. 2012 dat de kritische depositiewaarde geen harde grens is waarboven zeker effecten optreden: “Deze unieke waarden moeten gezien worden als de meest waarschijnlijke waarde gezien de huidige stand van kennis. Wanneer de atmosferische depositie hoger is dan de KDW van de habitat bestaat er een duidelijk risico op een significant negatief effect, waardoor het instandhoudingsdoel voor een habitat (in termen van kwaliteit en oppervlakte) niet duurzaam kan worden gerealiseerd.
Hoe hoger de overschrijding van het kritische niveau en hoe langduriger die overschrijding, hoe groter het risico op ongewenste effecten op de biodiversiteit”. Hieruit volgt dat in een overbelaste situatie de vegetatie langzaam verandert, van een abrupte overgang is geen sprake. De achtergronddeposities in Aerius Monitor en gegevens over de vermestende depositie van de RIVM (zie voor deze laatste Figuur 5) laten zien dat in een groot deel van Nederland in Natura 2000-gebieden sprake is van een overbelaste situatie. De achtergronddepositie is in dat geval hoger dan de kritische depositiewaarde van de aanwezige habitattypen en derhalve bestaat een risico op een significant negatief effect bij een toename van de atmosferische stikstofdepositie.
Onze referentie: D10007449:87 - Datum: 13 augustus 2021
15 van 63
PASSENDE BEOORDELING ONTWIKKELLING DE BULKENAAR
Figuur 5 Vermestende depositie in Nederland. Informatie afkomstig van website https://www.clo.nl/indicatoren/nl0189vermestende-depositie
5.2
De hoeveelheid stikstof i.r.t. ontwikkeling de Bulkenaar in perspectief
Zoals hiervoor beschreven vormt stikstof een onlosmakelijk onderdeel van het ecologisch systeem. Een overmaat aan stikstof leidt echter tot problemen, omdat gewenste soorten verdwijnen ten gunste van meer algemene soorten. Het is in deze context belangrijk om de hoeveelheid stikstof als gevolg van de ontwikkeling van het ziekenhuis de Bulkenaar in perspectief te plaatsen. Uit de berekening met Aerius Calculator blijkt dat de hoogste toename als gevolg van het project maximaal 5,14 mol N/ha/jr is in de gebruiksfase. In de realisatiefase is de projectdepositie maximaal 0,05 mol N/ha/jr. De volgende zaken plaatsen deze hoeveelheden stikstof in perspectief: • Effecten met betrekking tot stikstofdepositie zijn gerelateerd aan langdurige depositie en de cumulatie die als gevolg daarvan plaatsvindt. In het geval van de ontwikkeling van ziekenhuis de Bulkenaar gaat het om een stikstofdepositie als gevolg van de werkzaamheden tijdens de realisatiefase en de gebruiksfase. De bijdrage is gering en daarmee te weinig om te cumuleren in het systeem en te leiden tot effecten, zie voor een nadere onderbouwing de volgende punten. De hoeveelheid stikstof als gevolg van de ontwikkeling van ziekenhuis de Bulkenaar heeft geen directe gevolgen voor aanwezige planten.
In paragraaf 1.2.1 van Smits et al.¸2014 is beschreven dat “Bij hoge concentraties luchtverontreiniging kunnen gasvormige componenten directe toxische effecten hebben op planten. Maar de huidige concentraties van NH3, NOx en SO2 zijn in Nederland zo laag dat dit bijna niet meer voorkomt [...]. Met name cryptogame planten, in het bijzonder korstmossen en mossen, zijn zeer gevoelig voor directe toxiciteit van SO2 en wellicht ook NOx. De daling van de concentraties van deze stoffen gedurende de laatste decennia heeft geleid tot een aanzienlijk herstel van de diversiteit van met name op bomen groeiende korstmossen”. Hieruit volgt de conclusie dat kleine deposities nooit leiden tot meetbare directe schade aan planten. Deze effecten zijn uitgesloten bij een maximale toename van 5,14 mol N/ha/jaar. • Het effect van overbemesting is dat sommige planten meer profiteren dan andere planten. Planten die goed gedijen onder schralere omstandigheden worden weggeconcurreerd door planten van voedselrijkere omstandigheden. Een hoeveelheid van 1 mol N/ha/jaar komt overeen met 14 gram N per hectare per jaar. Bij kleine planten met een wortelstelsel van 10 x 10 cm komt dit overeen met 0,000014 gram per plant. • Onze referentie: D10007449:87 - Datum: 13 augustus 2021
16 van 63
PASSENDE BEOORDELING ONTWIKKELLING DE BULKENAAR
•
•
•
•
Het aandeel in stikstof varieert tussen plantensoorten en omstandigheden: het drooggewicht van een plant bestaat voor 1,5% uit stikstof, waarbij het gemiddelde varieert van 0,5% bij houtachtige planten tot 5,0% bij peulvruchten.2 Voor spinazieplanten geldt dat per gram nieuw plantmateriaal ongeveer 20% stikstof wordt gebruikt (Ter Steege, 1996). Voor koolrabi is aangetoond dat het percentage stikstof (drooggewicht) in wortels varieert van tussen 1% en 2% en in bladeren tussen 1% en 7%, afhankelijk van de hoeveelheid stikstof die beschikbaar is (Ekandjo & Ruppel, 2015). Voor graslanden in een mediterraan klimaat ligt het aandeel stikstof in de gemaaide biomassa tussen de 1,1 en 1,8% (drooggewicht).3 Hieruit blijkt dat het gehalte stikstof in planten kan variëren van 1% tot 20% (drooggewicht). Dat betekent dat per gram nieuw plantenmaterieel tussen de 0,01 en 0,2 gram stikstof vereist is (hoeveelheid kan bepalend zijn voor de concurrentiepositie). Voor kleine planten met een wortelstelsel van 10 x 10 cm betekent dat het aandeel van 1 mol N/ha/jaar neerkomt op een bijdrage tussen 0,007% en 0,14% aan de groei van 1 gram. Dit is aan beide kanten van het spectrum verwaarloosbaar klein. Een maximale toename van 5,14 mol N/ha/jaar kan hiermee niet leiden tot een verandering van de concurrentiepositie, daarvoor is de toename te laag. Uit aangehaalde voorbeelden in Smits et al.,.
2014 blijkt dat de concurrentiepositie bij planten pas verandert bij een depositie die aanzienlijk hoger is dan 1 mol of 14,4 gram (0,014 kg)/ha/jaar. In de aangehaalde experimenten zijn tot wel 100 kg N/ha/jaar gebruikt. De maximale toename van gemiddeld 5,14 mol (0,074 kg) N/ha/jaar is vergeleken met deze hoeveelheden verwaarloosbaar klein. Verder ter vergelijking: − In de meeste natuurgebieden worden honden uitgelaten. Een gemiddelde hond produceert per dag 0,3 kg aan uitwerpselen en 0,7 liter aan urine. Hierin zit in totaal 14,4 gram stikstof (ongeveer 1 mol) (Molenaar & Jonkers, 1993)4. De maximale toename als gevolg van de ontwikkelingen ziekenhuis de Bulkenaar staat dus ongeveer gelijk aan de hoeveelheid stikstof die vier honden per dag produceren, alleen gaat het om een hoeveelheid stikstof die verdeeld over één ha in één jaar neerkomt. − In verschillende natuurgebieden met vennen en langs de rivier, komen aanzienlijke hoeveelheden ganzen voor. De dagelijkse bijdrage aan stikstof van één Canadese gans in Wintergreen Lake is 1,57 gram stikstof (0,11 mol) (Manny, Johnson, & Wetzel, 1994). Een toename van stikstofdepositie van maximaal 5,14 mol N betekent dus dat de hoeveelheid stikstof vergelijkbaar is met het verblijf van één gans gedurende ongeveer 47 dagen of 47 ganzen gedurende één dag.
In dit geval gaat het voor de ontwikkeling ziekenhuis de Bulkenaar echter om een depositie die verspreid is over één hectare in één jaar. Veel van de habitattypen in Natura 2000-gebieden met beheer binnen de reikwijdte van het effect zijn relatief laagproductieve, grazige, kruid- en dwergstruikvegetaties. De aangroei van de biomassa daarvan is in de orde van 1-5 ton droge stof/hectare/jaar (Tolkamp, Berg, van den Nabuurs, & Oltshoorn, 2006) (Koppejan, Elbersen, Meeusen, & Bindrapan, 2009). Als uitgegaan wordt dat 1-2% (zie tweede punt) daarvan stikstof is dan wordt 10 – 100 kg stikstof/ha/jaar verwijderd (wat gelijk staat aan meer dan 700 tot 7.000 mol N/ha/jaar). Dit betekent dat daar waar regulier beheer plaatsvindt, effecten als gevolg van de maximale toename van stikstofdepositie zijn uitgesloten. Veel habitattypen hebben dergelijke vormen van beheer. Habitattypen in de duinen, van graslanden en heiden hebben vormen van beheer of dynamiek nodig, ook in nietoverbelaste situaties. Zonder beheer vindt successie plaats en gaan habitattypen over in andere vegetaties waarbij in de meeste gevallen het climaxstadium bos is.
Uit deze punten blijkt dat de toename van stikstofdepositie als gevolg van de ontwikkeling van ziekenhuis de Bulkenaar gering is en op zichzelf niet leidt tot een verandering van het ecologische systeem. Aangezien het hier echter gaat om een toename in een overbelaste situatie, wordt in de volgende paragrafen nader ingegaan op lokale omstandigheden en mogelijke effecten. Er is alleen een toename te verwachten van stikstofdepositie op de Brabantse Wal, Krammer-Volkerak, Oosterschelde en Ulvenhoutse Bos ten gevolge van het project, zie hoofdstuk 4. De ecologische effectbeoordeling richt zich dus uitsluitend op deze vier Natura 2000-gebieden.
2 https://www.nutrinorm.nl/nl-nl/Paginas/Hoofdelementen-Waarom-heeft-een-plant-stikstof-nodig.aspx#.XR4CmGaP6fg. 3 Gaat om graslanden in Californië (VS) in een mediterraan klimaat met voornamelijk Lolium multiflorum en Bromus diandrus met
Lupine albifrons, waar verspreid nog kleine oppervlaktes liggen met de originele vegetatie zonder lupine (Maron & Jefferies, 2001). 4 In dit stuk wordt verwezen naar een rapport van Dehmel & Marck uit 1978. Onze referentie: D10007449:87 - Datum: 13 augustus 2021
17 van 63
PASSENDE BEOORDELING ONTWIKKELLING DE BULKENAAR
5.3
Brabantse Wal
Informatie in de onderstaande paragrafen is samengesteld uit de volgende bronnen, tenzij anders aangegeven: • Beheerplan Brabantse Wal (Provincie Noord Brabant, 2018). • PAS-gebiedsanalyse Brabantse Wal (Provincie Noord Brabant, 2017). • Profieldocumenten (ministerie LNV, 2020).
5.3.1
Korte karakteristiek
De Brabantse Wal bestaat uit diverse gebieden die op het grensgebied van het Brabantse hogere zandlandschap en het Zeeuwse kleilandschap van de delta liggen. Het meest westelijke deel van het Kempense Plateau eindigt hier in een hoge steilwand. Loodrecht op deze steilwand bevinden zich enkele beekdalen. Op de Brabantse wal komen meerdere stuifzandgebieden voor, behalve relatief recente stuifduinen betreft het hier ook veel oudere rivierduinen, die zijn ontstaan aan het einde van de laatste ijstijd. De Mattemburgh is een oud landgoed op de overgang van de Brabantse Wal naar de jonge zeeklei van de Oosterschelde. Door de gradiëntrijke ligging is er een grote biologische rijkdom. Op de Woensdrechtse Heide wordt stuifzand, naaldbos en gemengd bos aangetroffen. De Wouwse Plantage is een oud landgoed met gemengde bossen, landbouwgronden, een relict van een zandverstuiving en lange beukenlanen in de vorm van een ster. Zoomland is ontstaan uit vier zeventiende-eeuwse landgoederen. Het landgoed is opgebouwd uit gevarieerde gemengde bossen, wei- en bouwland, heide met eikenstrubben dichtgegroeid stuifzand en moeras. Kortenhoef bestaat uit natuurlijk bos en heidelandschap op voormalig landgoed.
Het noordelijke deel van het landgoed Grote Meer bestaat uit licht geaccidenteerde zandgronden met daarop plantages van voornamelijk naaldhout met hier en daar stukjes landbouwgrond en enkele natuurlijke vennen: het Groote Meer, Kleine Meer en het Zwaluwmoer. De zuidelijke helft bestaat uit dennenbos, heide en zandverstuivingen. De begrenzing van Natura 2000-gebied Brabantse Wal is opgenomen in Figuur 6.
Figuur 6 Begrenzing Natura 2000-gebied Brabantse Wal
Onze referentie: D10007449:87 - Datum: 13 augustus 2021
18 van 63
PASSENDE BEOORDELING ONTWIKKELLING DE BULKENAAR
5.3.2
Stikstofdepositie in Natura 2000-gebied Brabantse Wal
In Tabel 3 is de maximale stikstofdepositie ten gevolge van het project opgenomen tijdens gebruiksfase en realisatiefase. De gebruiksfase betreft een permanente depositie en de realisatiefase betreft een tijdelijke depositie gedurende drie jaar. In Tabel 3 is tevens opgenomen wat de maximale depositie is op delen van habitattype of leefgebied waar sprake is van overschrijding van de KDW en delen waar geen sprake is van overschrijding van de KDW. Tabel 3 Maximale projectdepositie in mol N/ha/jr gedurende gebruiksfase en realisatiefase op de Brabantse Wal op habitattypen (H) en leefgebieden (L)
Overschrijding KDW Habitattype H2310 H2330 H3130 H3160 H4010A H4030 H9120 L4030 Lg04 Lg09 Lg13 Lg14
Ja Nee Gebruiksfase Realisatiefase Gebruiksfase Realisatiefase -0,014 0,014 -0,013 0,006 -0,013 0,009 -0,016 0,012 -0,014 0,012 -0,016 0,012 -0,014 0,008 -0,016 0,012 -0,024 0,009 0,466 0,037 -0,012 0,006 0,387 0,031 0,131 0,024 0,27 0,035 -0,012 5,142 0,051 0,24 0,051 -0,019 0,006
Zoals Tabel 3 weergeeft is er zowel sprake van depositie op habitattypen als op leefgebieden van soorten (Sovon, 2016) op de Brabantse Wal, welke beide getoetst dienen te worden. Voor leefgebieden zijn echter geen instandhoudingsdoelen opgesteld per Natura 2000-gebied. Er zijn wel instandhoudingsdoelen opgesteld voor Habitatrichtlijnsoorten die voorkomen in deze leefgebieden. Geschikt leefgebied van instandhoudingsdoelsoorten bestaat meestal uit een samenstelling van habitattypen en leefgebieden. Omdat de leefgebieden van enkele van deze soorten stikstof gevoelig zijn, wordt hierna getoetst of deze leefgebieden een significant effect ondervinden van de stikstofdepositie als gevolg van de ontwikkeling van de Bulkenaar en daarmee het behalen van de instandhoudingsdoelen voor de soorten die er voorkomen worden beïnvloedt. Voor de Brabantse Wal gaat het om de volgende instandhoudingsdoelsoorten die gevoelig zijn voor stikstofdepositie en waarvoor een leefgebied is aangewezen (Tabel 4). Tabel 4 Stikstofgevoelige soorten op de Brabantse Wal
Soort Kamsalamander Drijvende waterweegbree Dodaars Geoorde fuut Wespendief Nachtzwaluw Zwarte specht Boomleeuwerik
Leefgebied H3130 H3130 H3130, H3160, LG04 H3130 H2130, H4030, H9190 H2310, H2330, H4010A, H4030, L4030, LG09, LG13 H9190, LG13, LG14 H2310, H4030, L4030, LG09
Tijdens de gebruiksfase is er op de habitattypen op de Brabantse Wal sprake van een permanente afname van de stikstofdepositie. Tijdens de gebruiksfase is er sprake van toename van stikstofdepositie op leefgebieden. Daarnaast zijn tijdens de realisatiefase deposities te verwachten op leefgebieden van stikstofgevoelige soorten. Tijdens de gebruiks- en realisatiefase zijn deposities te verwachten op leefgebied van dodaars, wespendief, nachtzwaluw, zwarte specht en boomleeuwerik.
Onze referentie: D10007449:87 - Datum: 13 augustus 2021
19 van 63
PASSENDE BEOORDELING ONTWIKKELLING DE BULKENAAR
Hierna worden de effecten van de stikstofdepositie die vrijkomt bij de ontwikkeling van de Bulkenaar op stikstofgevoelige habitattypen (effectbeoordeling in par. 5.3.3 t/m 5.3.9) en leefgebieden (par. 5.3.10 t/m 5.3.14) op de Brabantse Wal beoordeeld. Omdat er voor leefgebieden geen instandhoudingsdoelen zijn opgenomen voor de Natura 2000-gebieden, worden de effecten van stikstof besproken op de stikstofgevoelige soorten die voorkomen binnen de leefgebieden. Hierbij is voor de berekeningen van de overschrijding van de KDW de achtergronddepositie uit 2018 gebruikt, momenteel betreft dit de meest recente gegevens.
5.3.3
H2310 – Stuifzandheiden met struikhei
Landelijke staat van instandhouding: zeer ongunstig. Instandhoudingsdoelstelling: Uitbreiding oppervlakte en verbetering kwaliteit. Beoordeling effect stikstofdepositie: Op habitattype H2310 op de Brabantse Wal is er sprake van een tijdelijke kleine maximale toename van 0,014 mol N/ha/jr tijdens de realisatiefase van drie jaar. Tijdens de gebruiksfase is er sprake van een permanente afname van minimaal 0,014 mol N/ha/jr. Dit betekent dat in de gebruiksfase na drie jaar de depositie die vrijkwam tijdens de realisatiefase weer is opgeven. Na drie jaar in de gebruiksfase is er sprake van een permanente afname. In Figuur 7 is weergegeven dat deze netto afname op het hele habitattype – waar er sprake is van projectdepositie – plaatsvindt. De depositie die tijdens de realisatiefase neerkomt op het habitattype is dusdanig klein dat dit gedurende drie jaar geen negatieve effecten kan veroorzaken die tijdens de gebruiksfase weer ongedaan worden gemaakt. Effecten ten gevolge van stikstofdepositie door het project op H2130 op de Brabantse Wal zijn daarmee uitgesloten.
Figuur 7 De projectdepositie (mol N/ha/jr) tijdens gebruiksfase en realisatiefase op habitattype H2310 op de Brabantse Wal bij elkaar opgeteld. In groen zijn de gebieden weergegeven waar de afname tijdens de gebruiksfase groter is dan de toename tijdens de realisatiefase. In rood zijn de gebieden weergegeven waar de afname tijdens de gebruiksfase kleiner is dan de toename tijdens de realisatiefase Onze referentie: D10007449:87 - Datum: 13 augustus 2021
20 van 63
PASSENDE BEOORDELING ONTWIKKELLING DE BULKENAAR
5.3.4
H2330 – Zandverstuivingen
Landelijke staat van instandhouding: zeer ongunstig Instandhoudingsdoelstelling: Uitbreiding oppervlakte en verbetering kwaliteit Beoordeling effect stikstofdepositie: Op habitattype H2330 op de Brabantse Wal is er sprake van een tijdelijke kleine maximale toename van 0,009 mol N/ha/jr tijdens de realisatiefase van drie jaar. Tijdens de gebruiksfase is er sprake van een permanente afname van minimaal 0,013 mol N/ha/jr. Dit betekent dat in de gebruiksfase na drie jaar de depositie die vrijkwam tijdens de realisatiefase weer is opgeven. Na drie jaar in de gebruiksfase is er sprake van een permanente afname. In Figuur 8 is weergegeven dat deze netto afname op het hele habitattype – waar er sprake is van projectdepositie – plaatsvindt. De depositie die tijdens de realisatiefase neerkomt op het habitattype is dusdanig klein dat dit gedurende drie jaar geen negatieve effecten kan veroorzaken die tijdens de gebruiksfase weer ongedaan worden gemaakt. Effecten ten gevolge van stikstofdepositie door het project op H2330 op de Brabantse Wal zijn daarmee uitgesloten.
Figuur 8 De projectdepositie (mol N/ha/jr) tijdens gebruiksfase en realisatiefase op het habitattype H2330 op de Brabantse Wal bij elkaar opgeteld. In groen zijn de gebieden weergegeven waar de afname tijdens de gebruiksfase groter is dan de toename tijdens de realisatiefase. In rood zijn de gebieden weergegeven waar de afname tijdens de gebruiksfase kleiner is dan de toename tijdens de realisatiefase
Onze referentie: D10007449:87 - Datum: 13 augustus 2021
21 van 63
PASSENDE BEOORDELING ONTWIKKELLING DE BULKENAAR
5.3.5
H3130 – Zwakgebufferde vennen
Landelijke staat van instandhouding: matig ongunstig Instandhoudingsdoelstelling: Uitbreiding oppervlakte en verbetering kwaliteit Beoordeling effect stikstofdepositie: Op habitattype H3130 op de Brabantse Wal is er sprake van een tijdelijke kleine maximale toename van 0,012 mol N/ha/jr tijdens de realisatiefase van drie jaar. Tijdens de gebruiksfase is er sprake van een permanente afname van minimaal 0,016 mol N/ha/jr. Dit betekent dat in de gebruiksfase na drie jaar de depositie die vrijkwam tijdens de realisatiefase weer is opgeven. Na drie jaar in de gebruiksfase is er sprake van een permanente afname. In Figuur 9 is weergegeven dat deze netto afname op het hele habitattype – waar er sprake is van projectdepositie – plaatsvindt. De depositie die tijdens de realisatiefase neerkomt op het habitattype is dusdanig klein dat dit gedurende drie jaar geen negatieve effecten kan veroorzaken die tijdens de gebruiksfase weer ongedaan worden gemaakt. Effecten ten gevolge van stikstofdepositie door het project op H3130 op de Brabantse Wal zijn daarmee uitgesloten.
Figuur 9 De projectdepositie (mol N/ha/jr) tijdens gebruiksfase en realisatiefase op het habitattype H3130 op de Brabantse Wal bij elkaar opgeteld. In groen zijn de gebieden weergegeven waar de afname tijdens de gebruiksfase groter is dan de toename tijdens de realisatiefase. In rood zijn de gebieden weergegeven waar de afname tijdens de gebruiksfase kleiner is dan de toename tijdens de realisatiefase
Onze referentie: D10007449:87 - Datum: 13 augustus 2021
22 van 63
PASSENDE BEOORDELING ONTWIKKELLING DE BULKENAAR
5.3.6
H3160 – Zure vennen
Landelijke staat van instandhouding: matig ongunstig Instandhoudingsdoelstelling: Behoud oppervlakte en verbetering kwaliteit Beoordeling effect stikstofdepositie: Op habitattype H3160 op de Brabantse Wal is er sprake van een tijdelijke kleine maximale toename van 0,012 mol N/ha/jr tijdens de realisatiefase van drie jaar. Tijdens de gebruiksfase is er sprake van een permanente afname van minimaal 0,014 mol N/ha/jr. Dit betekent dat in de gebruiksfase na drie jaar de depositie die vrijkwam tijdens de realisatiefase weer is opgeven. Na drie jaar in de gebruiksfase is er sprake van een permanente afname. In Figuur 10 is weergegeven dat deze netto afname op het hele habitattype – waar er sprake is van projectdepositie – plaatsvindt. De depositie die tijdens de realisatiefase neerkomt op het habitattype is dusdanig klein dat dit gedurende drie jaar geen negatieve effecten kan veroorzaken die tijdens de gebruiksfase weer ongedaan worden gemaakt. Effecten ten gevolge van stikstofdepositie door het project op H3160 op de Brabantse Wal zijn daarmee uitgesloten.
Figuur 10 De projectdepositie (mol N/ha/jr) tijdens gebruiksfase en realisatiefase op het habitattype H3160 op de Brabantse Wal bij elkaar opgeteld. In groen zijn de gebieden weergegeven waar de afname tijdens de gebruiksfase groter is dan de toename tijdens de realisatiefase. In rood zijn de gebieden weergegeven waar de afname tijdens de gebruiksfase kleiner is dan de toename tijdens de realisatiefase
Onze referentie: D10007449:87 - Datum: 13 augustus 2021
23 van 63
PASSENDE BEOORDELING ONTWIKKELLING DE BULKENAAR
5.3.7
H4010A – Vochtige heiden
Landelijke staat van instandhouding: matig ongunstig Instandhoudingsdoelstelling: Uitbreiding oppervlakte en verbetering kwaliteit Beoordeling effect stikstofdepositie: Op habitattype H4010A op de Brabantse Wal is er sprake van een tijdelijke kleine maximale toename van 0,012 mol N/ha/jr tijdens de realisatiefase van drie jaar. Tijdens de gebruiksfase is er sprake van een permanente afname van minimaal 0,016 mol N/ha/jr. Dit betekent dat in de gebruiksfase na drie jaar de depositie die vrijkwam tijdens de realisatiefase weer is opgeven. Na drie jaar in de gebruiksfase is er sprake van een permanente afname. In Figuur 11 is weergegeven dat deze netto afname op het hele habitattype – waar er sprake is van projectdepositie – plaatsvindt. De depositie die tijdens de realisatiefase neerkomt op het habitattype is dusdanig klein dat dit gedurende drie jaar geen negatieve effecten kan veroorzaken die tijdens de gebruiksfase weer ongedaan worden gemaakt. Effecten ten gevolge van stikstofdepositie door het project op H4010A op de Brabantse Wal zijn daarmee uitgesloten.
Figuur 11 De projectdepositie (mol N/ha/jr) tijdens gebruiksfase en realisatiefase op het habitattype H4010A op de Brabantse Wal bij elkaar opgeteld. In groen zijn de gebieden weergegeven waar de afname tijdens de gebruiksfase groter is dan de toename tijdens de realisatiefase. In rood zijn de gebieden weergegeven waar de afname tijdens de gebruiksfase kleiner is dan de toename tijdens de realisatiefase
Onze referentie: D10007449:87 - Datum: 13 augustus 2021
24 van 63
PASSENDE BEOORDELING ONTWIKKELLING DE BULKENAAR
5.3.8
H4030 – Droge heiden
Landelijke staat van instandhouding: zeer ongunstig Instandhoudingsdoelstelling: Uitbreiding oppervlakte en verbetering kwaliteit Beoordeling effect stikstofdepositie: Op habitattype H4030 op de Brabantse Wal is er sprake van een tijdelijke kleine maximale toename van 0,012 mol N/ha/jr tijdens de realisatiefase van drie jaar. Tijdens de gebruiksfase is er sprake van een permanente afname van minimaal 0,016 mol N/ha/jr. Dit betekent dat in de gebruiksfase na drie jaar de depositie die vrijkwam tijdens de realisatiefase weer is opgeven. Na drie jaar in de gebruiksfase is er sprake van een permanente afname. In Figuur 12 is weergegeven dat deze netto afname op het hele habitattype – waar er sprake is van projectdepositie – plaatsvindt. De depositie die tijdens de realisatiefase neerkomt op het habitattype is dusdanig klein dat dit gedurende drie jaar geen negatieve effecten kan veroorzaken die tijdens de gebruiksfase weer ongedaan worden gemaakt. Effecten ten gevolge van stikstofdepositie door het project op H4030 op de Brabantse Wal zijn daarmee uitgesloten.
Figuur 12 De projectdepositie (mol N/ha/jr) tijdens gebruiksfase en realisatiefase op het habitattype H4030 op de Brabantse Wal bij elkaar opgeteld. In groen zijn de gebieden weergegeven waar de afname tijdens de gebruiksfase groter is dan de toename tijdens de realisatiefase. In rood zijn de gebieden weergegeven waar de afname tijdens de gebruiksfase kleiner is dan de toename tijdens de realisatiefase
Onze referentie: D10007449:87 - Datum: 13 augustus 2021
25 van 63
PASSENDE BEOORDELING ONTWIKKELLING DE BULKENAAR
5.3.9
H9120 – Beuken- eikenbossen met hulst
Landelijke staat van instandhouding: matig ongunstig Instandhoudingsdoelstelling: behoud oppervlakte en verbetering kwaliteit Beoordeling effect stikstofdepositie: Op habitattype H9120 op de Brabantse Wal is er sprake van een tijdelijke kleine maximale toename van 0,009 mol N/ha/jr tijdens de realisatiefase van drie jaar. Tijdens de gebruiksfase is er sprake van een permanente afname van minimaal 0,024 mol N/ha/jr. Dit betekent dat in de gebruiksfase na 2 jaar de depositie die vrijkwam tijdens de realisatiefase weer is opgeven. Na 2 jaar in de gebruiksfase is er sprake van een permanente afname. In Figuur 13 is weergegeven dat deze netto afname op het hele habitattype – waar er sprake is van projectdepositie – plaatsvindt. De depositie die tijdens de realisatiefase neerkomt op het habitattype is dusdanig klein dat dit gedurende drie jaar geen negatieve effecten kan veroorzaken die tijdens de gebruiksfase weer ongedaan worden gemaakt. Effecten ten gevolge van stikstofdepositie door het project op H9120 op de Brabantse Wal zijn daarmee uitgesloten.
Figuur 13 De projectdepositie (mol N/ha/jr) tijdens gebruiksfase en realisatiefase op het habitattype H9120 op de Brabantse Wal bij elkaar opgeteld. In groen zijn de gebieden weergegeven waar de afname tijdens de gebruiksfase groter is dan de toename tijdens de realisatiefase. In rood zijn de gebieden weergegeven waar de afname tijdens de gebruiksfase kleiner is dan de toename tijdens de realisatiefase
5.3.10
A004 - Dodaars
Dodaars komt op de Brabantse Wal voor in verschillende habitattypen en leefgebieden (Provincie NoordBrabant, 2017), zie Tabel 5. Zoals beschreven in paragrafen 5.3.5 en 5.3.6 zijn er geen effecten ten gevolge van stikstofdepositie te verwachten op H3130 en H3160. Op Lg04 is er sprake permanente stikstofdepositie van maximaal 0,37 mol N/ha/jr op locaties waar er sprake is van overschrijding van de KDW. Tijdens de realisatiefase gaat het om een kleine tijdelijke depositie van maximaal 0,031 mol N/ha/jr gedurende drie jaar. Onze referentie: D10007449:87 - Datum: 13 augustus 2021
26 van 63
PASSENDE BEOORDELING ONTWIKKELLING DE BULKENAAR
Tabel 5 Oppervlakte leefgebied Dodaars binnen de aangewezen habitattypen en leefgebieden op de Brabantse Wal.
Habitattype/leefgebied H3130 Zwakgebufferde vennen H3160 Zure vennen LG04 Zuur ven Totaal
Oppervlakte leefgebied Dodaars [ha] 13,42 8,00 36,6 58,04
Algemene beschrijving soort Uit profieldocument (LNV, 2008): Dodaarzen zijn kleine fuutachtige vogels die broeden in ondiepe, voedselarme tot matig voedselrijke zoete wateren met een weelderige oevervegetatie. Het zijn vaak vennen, duinplassen, wielen, oude kleiputten of kreken. De eerste verlandingsstadia zijn zeer geschikt om te nestelen. De dodaars bouwt zijn nest veelal te midden van riet- of zeggenvegetaties of op losse pollen van bijv. pitrus, in hooguit 1 m diep water. Vaak ligt het nest op 1-5 m afstand van de oever. Het leefgebied is daarbij doorgaans 2-5 ha groot, soms aanzienlijk kleiner. Voedsel zoekt de dodaars in 1-2 m diep water. Buiten de broedtijd verblijft dodaars in uiteenlopende waterrijke biotopen, zoals brakke binnenwateren, (snelstromende) beken, rivieren, brede sloten, kanalen, plassen, havenbekkens en ook in intergetijdengebieden. Vaak halfopen landschap met open plekken van 5-100 ha (Provincie Noord Brabant, 2018). Hij overwintert doorgaans in groepen tot ca. 50 exemplaren. Streng winterweer leidt soms tot concentraties van de soort op ijsvrije wateren in stedelijk gebied, zoals in stadsgrachten en bij uitwateringen. Ook zoekt de dodaars dan vaak zoute wateren op, en wel vooral beschutte locaties zoals havens. De voedselbiotoop bestaat bij voorkeur uit ondiep (<2 m) water met weinig golfslag, een modderbodem en een rijke begroeiing van waterplanten.
Dodaarzen verzamelen hun voedsel duikend of pikken het van het wateroppervlak. De rustbiotoop is gelegen in of nabij de voedselbiotoop in beschut gelegen water zonder stroming, zoals te vinden nabij oevervegetaties, maar ook bij steigers en steenglooiingen van oevers en in beschutting van boten (havens). Vermesting van zoete wateren resulteert vaak in een versnelling van het verlandingsproces en in een verschuiving van het visaanbod, van kleinere naar grotere vissoorten. De dodaars kan die grotere vissen niet eten en zo kan vermesting van binnenwateren van negatieve invloed zijn op aantallen en verspreiding van deze soort. Enige mate van eutrofiëring wordt verdragen, maar te voedselrijk water is ongeschikt (planten, vissoorten en vertroebeling) (Provincie Noord Brabant, 2018). Verdroging vormt eveneens bedreiging omdat daardoor het leefgebied kleiner wordt. Een strenge winter gevolgd door een droog voorjaar kan de populatie van de dodaars halveren (Provincie Noord Brabant, 2018). Mogelijk beperkt ook verstoring door scheepvaart en mensen de broedpopulatie. Landelijke staat van Instandhouding Broedvogel en niet-broedvogel: gunstig Instandhoudingsdoelstelling (broedvogel) Behoud oppervlakte en verbetering kwaliteit leefgebied, 40 broedparen. Referentiesituatie Huidige situatie stikstofdepositie Het leefgebied LG04 is gevoelig voor stikstofdepositie.
De kritische depositiewaarde is vastgesteld op 1.214 mol N/ha/jr. In Figuur 14 is de overschrijding van de KDW voor het leefgebied LG04 in het gebied Brabantse Wal weergegeven. De in Aerius opgenomen achtergronddepositie is hier gecombineerd met de in Aerius opgenomen vlakken waarin het leefgebied LG04 voorkomt. De projectdepositie is hierin niet meegenomen.
Onze referentie: D10007449:87 - Datum: 13 augustus 2021
27 van 63
PASSENDE BEOORDELING ONTWIKKELLING DE BULKENAAR
Figuur 14 Overschrijding van de KDW in de huidige situatie op LG04 op de Brabantse Wal
Huidige omvang en kwaliteit van het leefgebied Er is geen aantal bekend van de hoeveelheid broedparen. De trend van de afgelopen tien jaar voor dodaars op de Brabantse Wal is negatief. Dit komt voornamelijk doordat de belangrijkste broedplaats, De Groote Meer, soms droogvalt en de vogels moeten uitwijken naar andere vennen. In 2013 vielen veel vennen bijvoorbeeld pas na het broedseizoen droog. In dergelijke gevallen kan dodaars succesvol broeden en zit de soort op een niveau wat de instandhoudingsdoelstelling voor de Brabantse Wal benadert. Het huidige aantal broedende paren blijft in stand door ontwikkeling van de vennen (Provincie Noord Brabant, 2018). Een aantal vennen op de Brabantse Wal zijn permanent watervoerend waar veenvorming optrad of nog optreedt. Deze vennen zijn belangrijk voor dodaars. Door infiltratie treedt uitloging en podzolering op, dit treedt voornamelijk op in het heidelandschap en in bossen waarvan het strooisel een verzurende invloed uitoefent (Provincie Noord Brabant, 2018). In het deel van het Natura 2000-gebied dat alleen onderdeel is van het Vogelrichtlijngebied zijn een aantal vennen dichtgegroeid met bos, dichtgeschoven of in gebruik genomen als landbouwgrond. Er kan niet worden uitgesloten dat stikstofdepositie hieraan heeft bijgedragen (Provincie Noord Brabant, 2018).
Er is waarschijnlijk sprake van een causale reactie door gevoeligheid van vermesting van het water. Door stikstofdepositie kan verruiging optreden van de oevers van de vennen waardoor nestgelegenheid kan afnemen. Echter door het ontbreken van gegevens over het aantal broedparen buiten het Groote Meer en omgeving is het onduidelijk of stikstofdepositie in het verleden het aantal van de soort heeft beïnvloed (Provincie Noord-Brabant, 2017). De huidige kwaliteit van het leefgebied wordt beoordeeld als matig. Enige achteruitgang van het leefgebied ten gunste van het habitattype zwakgebufferde vennen H3130 is toegestaan. Lg04 komt op de Brabantse Wal voor met een oppervlakte van circa 37 ha.
Onze referentie: D10007449:87 - Datum: 13 augustus 2021
28 van 63
PASSENDE BEOORDELING ONTWIKKELLING DE BULKENAAR
Overige knelpunten (Provincie Noord Brabant, 2018) • Verdroging • Verruiging oevervegetatie • Slechte hydrologie Regulier beheer (Provincie Noord Brabant, 2018) • Inrichting aanpassen/ herstel watersysteem • Onderzoek bodemsamenstelling • Behoud en rust in en rond vennen • Recreatiezonering • Monitoring Aanvullende Natura 2000-beheerplanmaatregel (Provincie Noord-Brabant, 2017) • Vrijmaken oevers van boomopslag • Herstel Moseven (uitgevoerd) • Uitgraven dichtgeschoven vennen Resultaat uitgevoerde maatregelen (Provincie Noord-Brabant, 2017) Door het herstel van het Moseven zijn er voldoende geschikte locaties om het leefgebied van de dodaars te behouden en uit te breiden. Beoordeling stikstofdepositie Er is sprake van projectdepositie op heel LG04, tijdens zowel de gebruiks- als realisatiefase. Tijdens de gebruiksfase is op 68% van het leefgebied sprake van een afname van de projectdepositie.