1 - De Bulkenaar_vastgesteld_1_Bijlagen bij toelichting_Bijlage 5 Bureauonderzoek arch.pdf
Tekst van het document
Bureauonderzoek Archeologie, Bravis Roosendaal Arcadis Archeologisch Rapport 326 Gemeente Roosendaal 22 september 2021
BUREAUONDERZOEK ARCHEOLOGIE, BRAVIS ROOSENDAAL
Inhoudsopgave 1
2
3
4 3
Inleiding
6
1.1
Aanleiding
6
1.2
Plangebied en onderzoeksgebied
6
1.3
Huidige en toekomstige situatie plangebied
7
1.4
Administratieve gegevens
9
1.5
De zes pijlers van cultureel erfgoed
9
1.6
Doel van het bureauonderzoek
10
1.7
Werkwijze
10
1.8
Juridisch- en beleidskader
11
1.8.1
Verdrag van Malta (1992)
11
1.8.2
Erfgoedwet (2016) en Monumentenwet (1988)
11
1.8.3
Gemeentelijk: beleidskaart en bestemmingsplan
12
Landschap
14
2.1
Inleiding
14
2.2
Landschap
14
2.2.1
Paleogeografie
14
2.2.2
Geologie
18
2.2.3
Geomorfologie, bodem en grondwater
18
2.2.4
Verstoringen
21
2.3
Actueel Hoogtebestand Nederland
21
Historie
23
3.1
Inleiding
23
3.2
Historische informatie
23
3.2.1
Ontginningsgeschiedenis en historisch landgebruik
23
3.2.2
Historische bewoning
23
3.2.3
Tweede Wereldoorlog
29
Archeologische informatie Onze referentie: D10038412:22 - Datum: 6 september 2021
33
BUREAUONDERZOEK ARCHEOLOGIE, BRAVIS ROOSENDAAL
5
4.1
Inleiding
33
4.2
Gemeentelijke archeologische verwachtingskaart
33
4.3
Archeologische informatie
36
4.3.1
AMK-terreinen
36
4.3.2
Vondstlocaties en waarnemingen
36
4.3.3
Eerder uitgevoerd onderzoek
39
CONCLUSIES EN AANBEVELINGEN
42
5.1
Conclusie
42
5.2
Gespecificeerd verwachtingsmodel
43
5.3
Advies
44
BRONNEN
46
Colofon
47
4
Onze referentie: D10038412:22 - Datum: 6 september 2021
BUREAUONDERZOEK ARCHEOLOGIE, BRAVIS ROOSENDAAL
Samenvatting In opdracht van de Gemeente Roosendaal heeft Arcadis Nederland BV een bureauonderzoek archeologie uitgevoerd. Het plangebied bevindt zich in de bocht van de A58 ten westen van Roosendaal. Op dit moment wordt er een plan en ontwerp opgesteld voor de bouw van het ziekenhuis Bravis binnen de grenzen van het plangebied. Het plangebied bevindt zich in een dekzandlandschap dat door geologische ontwikkelingen in het Pleistoceen is ontstaan. Door dit gebied heel lopen langgerekte ondiepe dakvormige laagten (beekdalen). Een beekdal doorkruist het midden van het plangebied. Binnen het onderzoeksgebied zijn vindplaatsen uit Neolithicum aangetroffen bij het beekdal. Het betreffen vuursteenvondsten. Hetzelfde beekdal doorkruist het plangebied. Ten zuiden van het dorp Wouw zijn erven uit de Late IJzertijd en een erf uit de Late Middeleeuwen A aangetroffen. Ten slotte zijn er in het westen van het onderzoekgebied vijf locaties aangetroffen met sporen en/of vondsten die deel uit van een groter archeologisch complex van meerdere nederzettingen/ boerderijen en akkers uit de (Late) IJzertijd en de Romeinse Tijd Op basis van het onderzoek geldt voor nagenoeg het gehele plangebied een verwachting op resten vanaf het Laat Paleolithicum.
Historisch kaartmateriaal toont aan dat er zich historische erven binnen het onderzoeksgebied bevinden aan de Plantagebaan, de Bulkenaarsestraat en bij het buurtschap Haiink. Uit de periode Tweede Wereldoorlog kunnen resten van stellingen, wapenuitrusting en niet gesprongen explosieven worden aangetroffen. Het gehele plangebied is verdacht gebied geschutmunitie. Bovenstaande verwachte archeologische vindplaatsen worden bedreigd door de realisatie van het ziekenhuis. Afhankelijk van de diepte van de ingrepen tegenover de ophoging ter plaatse worden mogelijk aanwezige archeologische vindplaatsen ook bedreigd door de aanpassingen rondom de op- en afritten van de A58. Om deze reden wordt geadviseerd een verkennend booronderzoek uit te voeren binnen het nagenoeg het gehele plangebied. In een klein deel van het plangebied zijn al archeologische veldonderzoeken uitgevoerd. Voor deze terreinen wordt geen archeologisch vervolgonderzoek geadviseerd. Het verkennend booronderzoek heeft als doel de bodem opbouw en/of bodemverstoringen gedetailleerd in kaart te brengen. Dit advies kan door de initiatiefnemer te worden voorgelegd aan het Bevoegd Gezag, in dit geval de Gemeente Roosendaal. Het Bevoegd Gezag kan van het door Arcadis gegeven advies afwijken.
5
Onze referentie: D10038412:22 - Datum: 6 september 2021
BUREAUONDERZOEK ARCHEOLOGIE, BRAVIS ROOSENDAAL
1
Inleiding
1.1
Aanleiding
Voor de gemeente Roosendaal werkt Arcadis mee aan de locatieontwikkeling van een nieuw ziekenhuis nabij Roosendaal. Bij de geplande ontwikkelingen hoort ook de realisatie van een nieuwe rotonde aan de noordzijde van de A58. Ook de uitbreiding van een kruispunt ten zuiden van de A58 behoren tot het plangebied. Bij de uitvoering van de voorgenomen ontwikkelingen kunnen mogelijk archeologische waarden worden verstoord. Dit bureauonderzoek archeologie conform KNA 4.1 heeft als doel inzicht te verschaffen in de archeologische waarden die zich in het plangebied kunnen bevinden.
1.2
Plangebied en onderzoeksgebied
Het plangebied bevindt zich in de bocht van de A58 ten westen van Roosendaal (Figuur 1). Ten zuiden van het toekomstige ziekenhuis bevindt zich het buurtschap Haiink. In het oosten sluit het plangebied aan op de stadswijk Het Holle. Het terrein tussen de A58 en deze stadswijk wordt De Bulkenaar genoemd. Voor het bureauonderzoek is uitgegaan van een onderzoeksgebied dat bestaat uit het plangebied en een buffer van 500 meter. Hierdoor wordt een compleet beeld verkregen van de context van het plangebied. Het omringende archeologische landschap en de hierin aanwezige vindplaatsen zijn van belang voor de gespecificeerde archeologische verwachting van het plangebied zelf.
6
Onze referentie: D10038412:22 - Datum: 6 september 2021
BUREAUONDERZOEK ARCHEOLOGIE, BRAVIS ROOSENDAAL
Figuur 1 Het plan- en onderzoeksgebied op de topografische kaart.
1.3
Huidige en toekomstige situatie plangebied
Op dit moment bevinden zich in het plangebied bouw- en graslanden (Figuur 2). In de toekomst zal in het oosten van het plangebied een nieuw ziekenhuis worden gebouwd. In het westen wordt een rotonde gerealiseerd en een kruispunt aangepast. Op dit moment bevindt het project zich in de plan- en ontwerpfase.
7
Onze referentie: D10038412:22 - Datum: 6 september 2021
BUREAUONDERZOEK ARCHEOLOGIE, BRAVIS ROOSENDAAL
Figuur 2 Het plangebied op de luchtfoto.
8
Onze referentie: D10038412:22 - Datum: 6 september 2021
BUREAUONDERZOEK ARCHEOLOGIE, BRAVIS ROOSENDAAL
1.4
Administratieve gegevens
Objectgegevens onderzoek Arcadis Projectnummer
C05024.418437.0520E
ISSN-nummer
2666-8718
Projectnaam
Bravis Roosendaal
Plaats
Roosendaal
Gemeente
Roosendaal
Provincie
Noord-Brabant
Coördinaten (X,Y)
51.510871, 4.414506
Oppervlakte plangebied
53, 3 ha
Onderzoeksmelding Archis3
5107700100
Uitvoerder
Arcadis Nederland BV
Contactpersoon
Dirk Knapen Arcadis Nederland B.V. Dirk.knapen@arcadis.com
Opdrachtgever
De gemeente Roosendaal
Bevoegd Gezag
De gemeente Roosendaal
Uitvoeringsperiode onderzoek
September – oktober 2021
Beheerder en plaats documentatie
Arcadis Nederland BV, locatie Arnhem
Tabel 1: Objectgegevens onderzoek.
1.5
De zes pijlers van cultureel erfgoed
Arcadis streeft naar een integrale aanpak van erfgoed (Figuur 3). Erfgoed bevat zes pijlers: archeologie, historische gebouwen, historisch landschap, natuurlijk erfgoed, objecten & collecties en immaterieel erfgoed. Deze aspecten vertonen een grote verbondenheid en onderlinge samenhang. Een integrale benadering van deze aspecten heeft een meerwaarde voor het project waarbinnen het wordt uitgevoerd. Het zorgt ervoor dat er een gedegen inventarisatie beschikbaar is en dat er een integrale erfgoedwaardering kan worden uitgevoerd. Dit bureauonderzoek gaat met name in op de pijler archeologie, maar andere aspecten ten aanzien van het historisch landschap zijn wel benoemd. Mocht er vraag en aanleiding zijn voor onderzoek naar de overige pijlers, dan biedt Arcadis de mogelijkheid aan tot uitbreiding van dit rapport.
9
Onze referentie: D10038412:22 - Datum: 6 september 2021
BUREAUONDERZOEK ARCHEOLOGIE, BRAVIS ROOSENDAAL
Figuur 3. De zes pijlers van cultureel erfgoed.
1.6 • • •
Doel van het bureauonderzoek Het bureauonderzoek archeologie heeft als doel inzicht te verschaffen in de archeologische waarden die zich mogelijk in het plangebied bevinden of verwacht worden; Aan de hand van het bureauonderzoek wordt een gespecificeerd verwachtingsmodel opgesteld voor het aantreffen van archeologische resten en de risico’s op het verstoren van deze resten binnen de planvorming; Aan de hand van het bureauonderzoek wordt uitspraak gedaan over de noodzaak van archeologisch vervolgonderzoek en wordt een advies gegeven op voor de te nemen vervolgstappen. Dit wordt weergegeven op een advieskaart archeologie.
Om deze doelstellingen te verwezenlijken zijn er enkele onderzoeksvragen opgesteld, die in het bureauonderzoek beantwoord dienen te worden: 1. Hoe ziet de geo(morfo)logische en bodemkundige opbouw van het plangebied eruit? 2. Welke archeologische gegevens in en rond het plangebied zijn er bekend? 3. Welke historische gegevens (complexen en landgebruik) in en rond het plangebied zijn bekend? 4. Wat is, op basis van bovenstaande gegevens, de gespecificeerde archeologische verwachting van het plangebied? Wat zijn de prospectiekenmerken van de te verwachte vindplaatsen? 5. In welke mate worden de bekende en/of verwachte archeologische vindplaatsen bedreigd door de geplande ontwikkeling? 6. Is archeologisch vervolgonderzoek nodig en zo ja, welke onderzoeksmethode wordt geadviseerd.
1.7
Werkwijze
Het bureauonderzoek archeologie wordt opgesteld conform KNA 4.1 en BRL SIKB protocol bureauonderzoek 4002. De archeologische situatie wordt beschreven op basis van een aantal bronnen. De opbouw en ontwikkeling van het 10
Onze referentie: D10038412:22 - Datum: 6 september 2021
BUREAUONDERZOEK ARCHEOLOGIE, BRAVIS ROOSENDAAL
onderzoeksgebied zegt veel over de mogelijke aanwezigheid van archeologische waarden in het plangebied. In combinatie met gegevens over bekende archeologische vondsten en historische gegevens wordt een verwachting opgesteld voor de kans op het aantreffen van archeologische resten. Het rapport bevat waar mogelijk gegevens over de verwachte aan- of afwezigheid, aard, omvang, ouderdom, gaafheid, conservering en (relatieve) kwaliteit van archeologische waarden. Voor het bureauonderzoek archeologie en cultuurhistorie worden de volgende bronnen geraadpleegd: • • • • • • • • • •
Actueel Hoogtebestand Nederland (AHN.nl); Archeologisch Informatiesysteem Archis3 (Rijksdienst voor het Culturele Erfgoed); Archeologische Monumenten Kaart (AMK – Rijksdienst voor het Culturele Erfgoed); Geactualiseerde archeologische verwachtings- en beleidskaart gemeente Roosendaal; Geologische, geomorfologische en bodemkaart Nederland (1:50:000); Alterra; Historisch kaartmateriaal inclusief stafkaart Tweede Wereldoorlog (Esri); Indicatieve Kaart Militair Erfgoed (IKME); Kaart vergraven gronden (WUR); Paleogeografische kaart van Nederland (Vos et al. 2018); Topografie en luchtfoto (Esri).
1.8
Juridisch- en beleidskader
1.8.1
Verdrag van Malta (1992)
Op 16 januari 1992 is door de Raad van Europa het Europese verdrag van Malta - ook wel bekend als de Conventie van Malta of het Verdrag van Valletta - gesloten. Aanleiding was de toenemende druk op het archeologisch erfgoed in Europa, onder meer door ruimtelijke ontwikkelingen, waardoor bodemarchief ongezien verloren dreigde te gaan. Het verdrag beoogt het cultureel erfgoed dat zich in de bodem bevindt beter te beschermen. Grondslag van het verdrag is dat dit archeologische erfgoed integrale bescherming nodig heeft en krijgt. In het verdrag zijn drie uitgangspunten ten aanzien van de omgang met archeologie geïntroduceerd: • •
•
Het streven naar het behouden van archeologie in de bodem, het zogenaamde "behoud in situ" (artikel 4, tweede lid). Opgraven is het (gedocumenteerd) vernietigen van het bodemarchief en is in principe niet het eerste streven. De gedachte daarachter is dat er bodemarchief voor toekomstige generaties bewaard blijft. Tijdig rekening houden in de ruimtelijke ordening met de mogelijkheid of aanwezigheid van archeologische waarden, zodat er nog ruimte is voor archeologievriendelijke alternatieven (artikel 5). Door vooraf onderzoek te laten doen naar de mogelijke aanwezigheid van archeologische waarden kan het bodemarchief beter beschermen worden en worden onzekerheden tijdens de bouw beperkt. Elke lidstaat die het Verdrag van Malta ondertekent is verplicht maatregelen te treffen om ervoor te zorgen dat bij particuliere of openbare ontwikkelingsprojecten de kosten van de noodzakelijke archeologische maatregelen worden gedekt (artikel 6). In de Nederlandse wetgeving is dit vertaalt in het ‘verstoorder betaalt’-principe (Wet op de archeologische monumentenzorg 2008). De ontwikkelaar is verantwoordelijk voor de kosten van het archeologisch onderzoek en de uitwerking van de resultaten Dit principe is geïntroduceerd als een stimulans om locaties voor ruimtelijke ontwikkeling te zoeken waarbij de archeologische verwachtingswaarden minder hoog zijn.
1.8.2
Erfgoedwet (2016) en Monumentenwet (1988)
De Erfgoedwet harmoniseert de bestaande wet- en regelgeving omtrent roerend en onroerend erfgoed en vormt één integrale wet voor het beheer en behoud van cultureel erfgoed. Een belangrijke wijziging voor archeologie is dat in de Erfgoedwet de regels voor de archeologische monumentenzorg aan de orde komen. De omgang met archeologie in de fysieke leefomgeving wordt onderdeel van de Omgevingswet. Tot dat de Omgevingswet ingaat blijven de artikelen uit de Monumentenwet 1988 die niet terugkomen in de Erfgoedwet van kracht, waaronder regelingen omtrent omgevingsvergunningen en bestemmingsplannen: •
11
Op grond van artikel 38a van de Monumentenwet 1988 en op grond van de Wet ruimtelijke ordening (artikel 3.1.6 Besluit ruimtelijke ordening), zijn gemeenten verplicht de belangen van de archeologische monumentenzorg in hun bestemmingsplannen te verankeren. De verankering vindt plaats door het toekennen van de bestemming of dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie’. In een gemeentelijke verordening en in het bestemmingsplan worden Onze referentie: D10038412:22 - Datum: 6 september 2021
BUREAUONDERZOEK ARCHEOLOGIE, BRAVIS ROOSENDAAL
•
regels opgenomen met betrekking tot het gebruik van de grond. Aan deze regels kan een omgevingsvergunningstelsel voor onder meer het gebruik van de grond en bodemwerkzaamheden worden gekoppeld. Op grond van artikel 2.22, derde lid onder d, van de Wet Algemene Bepalingen Omgevingsrecht kunnen in het belang van de archeologische monumentenzorg, voorschriften aan de omgevingsvergunning worden verbonden. Deze voorschriften kunnen inhouden dat de aanvrager van een omgevingsvergunning een rapport overlegd, waarin de archeologische waarde wordt vastgesteld van het terrein dat volgens de aanvraag wordt verstoord.
1.8.3
Gemeentelijk: beleidskaart en bestemmingsplan
Zoals hierboven beschreven zijn gemeenten verplicht de belangen van de archeologische monumentenzorg in hun bestemmingsplannen te verankeren. Input hiervoor is veelal een gemeentelijke archeologische beleidskaart. Deze is gebaseerd op een archeologische verwachtingskaart, welke een actueel overzicht van de archeologische verwachtingen en bekende archeologische waarden binnen de gemeentegrenzen biedt. De gemeente Roosendaal heeft in 2009 een erfgoedverordening opgesteld in welke het archeologie beleid voor de gemeente Roosendaal wordt beschreven. In deze verordening staan ook de vrijstellingsgrenzen voor de verschillende verwachtingszones. In 2017 is deze erfgoedverordening geactualiseerd, daarbij zijn geen wijzigingen aan de vrijstellingsgrenzen aangebracht. Het uitgangspunt voor archeologie is dat er geen archeologisch waarden in de bodem mogen worden verstoord. In 2011 heeft de gemeente Roosendaal haar beleids- en verwachtingskaart archeologie vastgesteld (Koopmanschap en Vissen-Poldervaart, 2011). Daarin wordt gewezen dat nu het archeologie beleid via de bestemmingsplannen wordt geregeld, het archeologisch beleid in het bestemmingsplan vigerend is. Indien er in een bestemmingsplan geen archeologisch beleid is opgenomen, geldt het archeologisch beleid in de erfgoedverordening als vangnet.
In Figuur 4 is een uitsnede gemaakt van de archeologische beleidskaart met het plangebied daarop geprojecteerd. Op de kaart is te zien dat een groot gedeelte van het plangebied een lage archeologische verwachting heeft. Er zijn binnen het plangebied vier locaties met een hoge archeologische verwachting. Daarnaast is er een strook met een middelhoge archeologische verwachting. Voor het plangebied zijn twee bestemmingsplannen vigerend. Beide bestemmingsplannen hebben dubbelbestemmingen archeologie opgenomen. In het oostelijke gedeelte van het plangebied geldt bestemmingsplan Buitengebied Roosendaal Nispen uit 2016. Binnen de grenzen van het plangebied zijn drie gebieden met een dubbelbestemming archeologie waarde 1 of 2. Bij beide dubbelbestemmingen is archeologisch onderzoek verplicht bij ingrepen met een oppervlakte groter dan 500 m2 en dieper dan 0,5 m – Mv. Aan de westelijke zijde van het plangebied geldt bestemmingsplan Buitengebied Wouw. Er ligt binnen het plangebied een gebied met archeologische dubbelbestemming waarbij archeologisch onderzoek verplicht is bij ingrepen met een oppervlakte groter dan 500 m2 en dieper dan 0,4 m- Mv. Waar een lage archeologische verwachting geldt, een licht- of donkergeel, is geen dubbelbestemming archeologie opgenomen in het bestemmingsplan. Ingrepen groter dan 500 m2 en dieper dan 0,4 m of 0,5 m -Mv onderzoeksplichtig.
De geplande ontwikkelingen hebben een totale oppervlakte van 532.947 m2. Een oppervlakte groter dan 500 m2 raakt zones met een middelhoge of hoge archeologische verwachting. De diepte van de geplande ingrepen is nog niet bekent maar zal de 0,5 m -mv overschrijden. Daarmee zijn de geplande ingrepen onderzoeksplichtig.
12
Onze referentie: D10038412:22 - Datum: 6 september 2021
BUREAUONDERZOEK ARCHEOLOGIE, BRAVIS ROOSENDAAL
(Koopmanschap en Vissen-Poldervaart, 2011).
Figuur 4 Het plangebied op de archeologische beleidskaart van Roosendaal (Koopmanschap en Vissen-Poldervaart, 2011).
13
Onze referentie: D10038412:22 - Datum: 6 september 2021
BUREAUONDERZOEK ARCHEOLOGIE, BRAVIS ROOSENDAAL
2
Landschap
2.1
Inleiding
De keuze voor een vestigingslocatie werd in het verleden in grote mate bepaald door de landschappelijke omgeving en de mogelijkheden die hierin geboden werden. De locatie was afhankelijk van de landschappelijke omstandigheden en voorwaarden veranderden gedurende de perioden. Een relatief hoge plaats ten opzichte van de omgeving en beschikbaarheid van (stromend) water gold voor nagenoeg alle perioden als voorwaarde voor een vestigingslocatie. Gedurende de jager/verzamelaar periode (tot en met het Neolithicum) was echter met name de beschikbaarheid van natuurlijke voedselbronnen van belang, terwijl de landbouwers (vanaf de Bronstijd tot en met de Late Middeleeuwen) de voorkeur hadden voor de aanwezigheid van vruchtbare gronden voor akkerbouw. De geologische, geomorfologische en bodemkundige situaties zijn daarom van belang voor het opstellen van een gespecificeerde archeologische verwachting.
2.2
Landschap
2.2.1
Paleogeografie
Pleistocene ontwikkelingen Aan het begin van het Pleistoceen (2.600.000 – 12.000 jaar geleden) zijn er in het gebied fluviatiele afzettingen van de Formaties van Waalre en Stramproy afgezet bestaande uit fijn tot grof zand en leem. Het West-Brabantse zandlandschap is voornamelijk in de laatste fasen van het Pleistoceen (Weichselien) gevormd. Tijdens de laatste ijstijd, het Weichselien, (circa 120.000 tot 12.000 jaar geleden), trok de zee zich uit Nederland terug en werd de Noordzee weer land. Het landijs bereikte Nederland niet tijdens deze ijstijd. Er ontstond een toendra-klimaat waarbij het landschap nauwelijks met planten was begroeid. Door wind en waterstromen werden grote pakketten zand verplaatst. De door de wind en smeltwaterstromen afgezette sedimenten uit deze perioden behoren tot de formatie van Boxtel en het laagpakket van Singraven. Op het hoogtepunt van de laatste ijstijd, rond 18.000 jaar geleden, bestond Nederland uit een poolwoestijn. In deze zeer koude periode vonden door de sterke wind en de geringe vegetatie op grote schaal zandverstuivingen plaats. Het landschap werd hierdoor genivelleerd, depressies van riviergeulen werden opgevuld door stuifzand. De dekzandpakketen die ontstonden worden gerekend tot het Laagpakket van Wierden.
Ten oosten van het plangebied bevindt zich een uitloper van het Laagpakket van Wierden bestaande uit fluvioperiglaciale afzettingen (leem en zand) met een zanddek. Vanaf 10.000 jaar geleden ontstond er een warmer klimaat waardoor ijskappen smolten en de zeespiegel steeg. Hierdoor steeg ook het grondwater waardoor er vernatting van het dekzandlandschap plaatsvond. Holocene ontwikkelingen Op de geopaleografische kaarten is te zien dat het plangebied zich omstreeks 9000 v.Chr. in een pleistoceen dekzandgebied bestond waardoorheen beekdalen liepen. Ongeveer 5000 v. Chr. nam de snelheid waarmee de zeespiegel steeg af en ontstond er langs de kust gelegenheid voor sedimentatie van het aangevoerde zand. De kustlijn die ontstond bestond uit een reeks strandwallen met een noord-zuid oriëntatie die het achterland van de zee afsloot. Deze strandwallen groeiden als gevolg van doorzettende sedimentatie uit tot duinen. Doordat het achterland min of meer van de zee werd afgesloten, stagneerde de afwatering van het achterland waardoor er achter de duinen een nat moerasachtig gebied ontstond waar veenontwikkeling plaatsvond. In deze zone ontstond zo veen behorend tot de Formatie van Nieuwkoop, Hollandveen Laagpakket. Na circa 3000 v. Chr. waren grote stukken van West-Nederland onbewoonbaar door uitgebreide veengroei en later door de meren die er ontstonden (Nyst, 2010).
Op de paleogeografische kaarten van de periode 5500 v.Chr. tot 1500 n. Chr. is te zien dat de hoeveelheid veen in het gebied van het noorden naar het zuiden toeneemt. Ook binnen het plangebied vindt veengroei plaats. Tussen 1500 v.Chr. en 800 n. Chr. verandert er weinig in het gebied. Het plangebied bestaat in deze periode uit Pleistoceen 14
Onze referentie: D10038412:22 - Datum: 6 september 2021
BUREAUONDERZOEK ARCHEOLOGIE, BRAVIS ROOSENDAAL
dekzand en veen. Ten westen van het plangebied is een pleistocene donk te zien. Ten westen van deze Brabantse Wal bevindt zich de Laat Pleistocene Schelde. Op de paleogeografische kaarten van 1500 en 1850 n. Chr. is te zien dat de hoeveelheid veen afneemt waardoor de omgeving van het plangebied weer overeenkomt met de paleogeografische kaart van 9000 v.Chr. Ten noorden van het plangebied bevindt zich een ingedijkt getijdengebied en een rivieroverstromingsvlakte.
15
Onze referentie: D10038412:22 - Datum: 6 september 2021
BUREAUONDERZOEK ARCHEOLOGIE, BRAVIS ROOSENDAAL
16
Onze referentie: D10038412:22 - Datum: 6 september 2021
BUREAUONDERZOEK ARCHEOLOGIE, BRAVIS ROOSENDAAL
Figuur 5 Paleografie (Vos, P. & S. de Vries 2013: 2e generatie paleogeografische kaarten van Nederland (versie 2.0). Deltares, Utrecht. Op 7-10-2019 gedownload van www.archeologieinnederland.nl. 17
Onze referentie: D10038412:22 - Datum: 6 september 2021
BUREAUONDERZOEK ARCHEOLOGIE, BRAVIS ROOSENDAAL
2.2.2
Geologie
Van belang voor de beschrijving van het landschap zijn de geologische processen die zich in Nederland hebben afgespeeld. Het huidige Nederlandsche landschap is gevormd gedurende het Pleistoceen en het Holoceen. Ter hoogte van het plangebied zijn het voornamelijk de landschappelijke ontwikkelingen uit het Pleistoceen die het WestBrabantse zandlandschap hebben gevormd. De gemeente Roosendaal bevindt zich grotendeels in het West-Brabantse zandlandschap. Dit landschap bestaat uit een dun, golvend zandpakket met daaronder grofzandige en grindige rivierafzettingen die af en toe dagzomen. Het landschap wordt doorsneden door noord-oost georiënteerde meanderende beekdalen. Buiten deze beekdalen, voornamelijk op de dekzandruggen, bevinden zich bouwlanden met plaggendekken (Oranjewoud, 2009). Op de geologische kaart is te zien dat het plangebied deel uit maakt van de formatie van Stramproy met een dek van de Formatie van Boxtel (fijn tot grof dekzand en leem met een zanddek) (Figuur 6). De Formatie van Stramproy omvat alle afzettingen die gevormd zijn door in noordwaartse richting stromende rivieren en beken uit het centrale en noordelijke deel van België gedurende het Vroeg Pleistoceen. Door het oosten van het plangebied bevindt zich een uitloper van het Laagpakket van Singraven (beekdalen bestaande uit beekzand en leem).
Figuur 6 Het plangebied op de geologische kaart.
2.2.3
Geomorfologie, bodem en grondwater
De geologische ontwikkelingen in het Pleistoceen hebben in geomorfologisch opzicht geleid tot de vorming van een dekzandlandschap. Op de geomorfologische kaart is te zien dat het zandlandschap in de omgeving van het plangebied bestaat uit heuvels en heuvelruggen met bijbehorende vlakten en laagten (Figuur 7). Door dit gebied lopen langerekte ondiepe dalvormige laagte (beekdalen). Naast deze beekdalen bevinden zich glooiingen. Het grootste deel 18
Onze referentie: D10038412:22 - Datum: 6 september 2021
BUREAUONDERZOEK ARCHEOLOGIE, BRAVIS ROOSENDAAL
van het plangebied bestaat uit terrasafzettingswelvingen die ook bedekt of opgevuld zijn met dekzand. In het westen van het plangebied bevindt zich een dekzandrug die gedeeltelijk is bedekt met enkeerdgrond. De dekzandruggen in het oosten van het plangebied zijn niet bedekt met enkeerdgronden. Op de bodemkaart is te zien dat het deel van de dekzandrug dat zich binnen het plangebied bevindt bestaat uit hoge zwarte enkeerdgronden met lemig fijn zand (zEZ23t-VI) (Figuur 8). De langgerekte ondiepe dalvormige laagten binnen het plangebied bestaan uit oude kleigronden met of zonder minerale eerdlaag (KT-V). Ten oosten van het beekdal bestaat de bodem uit een beekeerdgrond (pZg23t-V). Het overige deel van het plangebied bestaat uit laarpodzolgronden (cHn23t-VI). Op de AHN kaart is te zien dat de hoogte van het gebied van het noordoosten naar het zuidwesten toeneemt (Figuur 9). In het westen van het plangebied is de verhoging van de dekzandrug te zien. De dalvormige laagtes met glooiingen zijn in en om het plangebied te herkennen. Volgens de bodemkaart varieert de grondwaterstand in en om het plangebied tussen de trappen V en VI. 1 Het grondwaterpeil bepaalt voor een groot deel de mate van conservering van archeologische resten in de bodem. Met name organische resten die zich onder de gemiddeld laagste grondwaterstand (GLG) bevinden, worden door het water tegen degradatie beschermd.
Resten die boven de GLG liggen raken in de loop van de tijd steeds ernstiger aangetast door verdroging en oxidatie. Wanneer de grondwaterstand permanent wordt verlaagd kan dit leiden tot degradatie van het aanwezige bodemarchief. Grondwatertrap IV betekent dat de Gemiddelde Hoogste Grondwatertrap (GHG) <40 cm beneden het maaiveld ligt. De Gemiddelde laagste grondwaterstand (GLG) ligt tussen de 80 en 120 cm beneden maaiveld. Voor grondwatertrap VI geldt dat deze een GHG heeft van 40 – 80 cm beneden het maaiveld en een GLG van >120 cm beneden het maaiveld. Door de lage grondwaterstanden binnen het plangebied worden eventueel aanwezige organische resten die zich boven deze grondwaterstanden bevinden niet tegen degradatie beschermd. Enkeerdgrond Het ontstaan van zwarte enkeerdgronden is het gevolg van het overvloedig bemesten van zandgronden door plaggenbemesting. De meest zwarte enkeerdgronden hebben een opgebrachte dikke laag van 60 tot 80 cm. Het hoge humusgehalte, de aard en de kleur van het opgebrachte plaggendek geeft de indicatie dat het bij deze bodems hoofdzakelijk om heideplaggen bemesting gaat. Zwarte enkeerdbodems zijn vaak kleiarm en zwak lemig van textuur en hebben een C-laag bestaande uit dekzand. Het profiel van deze bodems bestaat uit de dikke A-laag bestaande uit plaggen en is vaak zeer humeus zwak lemig tot matig zijn zand.
De overgang van de A-horizont naar de B-horizont wordt gekenmerkt door een minder humeuse en verwerkte laag ook bestaande uit zwak lemig, fijn zand. Deze overgangslaag bevindt zich gemiddeld op 75 – 90 cm –Mv. onder deze verwerkte overgangshorizont bevindt zich de C-horizont, het schone dekzand. Dit is de laag waarin het archeologisch vlak verwacht kan worden. Door de aanwezigheid van het plaggendek is de kans groot dat bij dit soort bodem de archeologische sporen goed geconserveerd zijn gebleven (De Bakker en Edelman-Vlam, 1976). Beekeerdgroonden en moerige eerdgronden Beekeerdgronden zijn kenmerkend voor gebieden met een hoge grondwaterstand, waardoor de organische stof in de humushoudende bovengrond minder snel wordt afgebroken. Door de aanvoer van organische stof ontstaat na verloop van tijd een bodem met een matig dik humeus dek (15‐30 cm). 1 Diepte en dynamiek van de grondwaterstand ten opzichte van het maaiveld wordt aangeduid met de term grondwatertrappen. Grondwatertrappen
worden aangeduid met de Romeinse cijfers I-VII en zijn gebaseerd op de gemiddeld hoogste en de gemiddeld laagste grondwaterstand (GHG en GLG). Grondwatertrap
I
II
III
IV
V
VI
VII
GHG in cm beneden maaiveld
(<20)
(<40)
<40
>40
<40
40-80
>80
GLG in cm beneden maaiveld
<50
50-80
80-120
80-120
>120
>120
(>160)
19
Onze referentie: D10038412:22 - Datum: 6 september 2021
BUREAUONDERZOEK ARCHEOLOGIE, BRAVIS ROOSENDAAL
In de bodemkundige classificatie worden beekeerdgronden met een venige bovengrond moerige eerdgronden genoemd. De beekeerdgronden bevatten roestvlekken tot in de bovengrond, wat duidt op een (zeer) slechte ontwateringstoestand van de ondergrond van deze bodem en dus op periodieke wateroverlast. In de laagste delen van het landschap is de kans op de aanwezigheid van archeologische nederzettingen daarom klein. Podzolbodem Door de slechte afwatering en de daarmee samenhangende hoge grondwaterstanden komen op de hellingafzettingen langs stuwwallen en de fijnere dekzandafzettingen van nature podzolgronden voor. Podzolering is een proces waarbij zwakke humuszuren uitgespoeld worden naar diepere lagen. Het ijzer dat in het zand aanwezig is, wordt door deze zuren opgelost en naar een dieper niveau meegevoerd. Hierdoor ontstaat een grijze uitspoelingslaag (E‐horizont) en op een dieper niveau een (rood)bruine inspoelingslaag (Bhs‐horizont). Bij een intact bodemprofiel van een podzolbodem worden eventuele archeologische resten verwacht binnen 50 cm beneden maaiveld.
Figuur 7 Het plangebied op de geomorfologische kaart.
20
Onze referentie: D10038412:22 - Datum: 6 september 2021
BUREAUONDERZOEK ARCHEOLOGIE, BRAVIS ROOSENDAAL
Figuur 8 Het plangebied op de bodemkaart.
2.2.4
Verstoringen
Verstoringen van de bodem hebben invloed op de kans van het aantreffen van intacte archeologische resten. Met informatie over verstoringen kunnen maatregelen mogelijk worden aangepast om onverstoorde gronden te ontzien van ingrepen. De diepte van de verstoring en de verwachte diepte van archeologische resten kunnen worden meegenomen in de afweging of archeologisch vervolgonderzoek noodzakelijk is. Bij de aanleg van de af- en oprit van de A58 in het westen van het plangebied is de bodem hier mogelijk verstoord. In de gebieden waarin hoge zwarte enkeerdgronden voorkomen zoals in het westen van het plangebied op de dekzandrug is de kans op verstoring het geringst omdat het dikke plaggendek de ondergrond beschermd. Op plekken waar de bovengrond dunner is, is de kans op verstoring hoger als gevolg van landbouwactiviteiten.
2.3
Actueel Hoogtebestand Nederland
Het Actueel Hoogtebestand van Nederland (AHN3) geeft de precieze en gedetailleerde maaiveldhoogtes van Nederland in meters ten opzichte van het Normaal Amsterdams Peil (NAP). De maaiveldhoogtes worden in een kleurenschaal weergegeven. In Figuur 9 is de AHN van het plangebied weergegeven. De hoogte van het gebied loopt op van 1,00 m – NAP tot 11 m + NAP op de dekzandrug ten zuidwesten van het plangebied. Naast de al eerdergenoemde kenmerken vallen op het AHN nog enkele andere zaken op. In en rondom het plangebied zijn oude kavelpatronen te herkennen. Deze patronen komen grotendeels overeen met de historische kaarten van 1850 en 1900 (Figuur 10 en Figuur 11). In de langgerekte ondiepe laagte in het plangebied bevinden zich 21
Onze referentie: D10038412:22 - Datum: 6 september 2021
BUREAUONDERZOEK ARCHEOLOGIE, BRAVIS ROOSENDAAL
graslanden, het onderscheid tussen de kavels graslanden en kavels bouwlanden is duidelijk. De bouwlanden hebben in vergelijking met de lagergelegen graslanden een bol dek. De hoogste punten binnen het plangebied betreffen de afen opritten van de A58. Deze locaties zijn opgehoogd.
Figuur 9 Het plangebied op de AHN3 kaart.
22
Onze referentie: D10038412:22 - Datum: 6 september 2021
BUREAUONDERZOEK ARCHEOLOGIE, BRAVIS ROOSENDAAL
3
Historie
3.1
Inleiding
De historie van een plangebied speelt een grote rol bij het bepalen van de archeologische verwachting. Historische bronnen verschaffen informatie over de ontginning en gebruik van en bewoning in het plangebied. Voor de negentiende en twintigste eeuw is deze informatie beschikbaar middels historisch kaartmateriaal te onderzoeken. Kaarten werden met een relatief grote regelmaat geproduceerd, en laten de ontwikkeling van een landschap nauwkeurig zien.
3.2
Historische informatie
Om een indicatie te verkrijgen van de historische ontwikkeling van het onderzoeksgebied en mogelijke historische bewoningsplaatsen zijn historische kaarten een zeer waardevolle bron.
3.2.1
Ontginningsgeschiedenis en historisch landgebruik
Op de historische kaart van 1850 is te zien dat het plangebied zich bevindt ten westen van Roosendaal in een agrarisch landschap. Er zijn bouwlanden, graslanden en beboste gebieden weergegeven. Door het plangebied lopen enkele wegen of paden. In het midden van het plangebied bevindt zich een beek. Rondom het plangebied liggen de buurtschappen Haiink, de Bulkenaar, Wouwse Hil en Oostlaar. Van drie van deze buurtschappen is bekend dat ze verwijzen naar de aanwezigheid van bos. Haiink, ooit Haagdonk genoemd verwijst naar houtige begroeiing. Laar-namen verwijzen waarschijnlijk naar uit bos ontgonnen plateaus. Ook Wouw verwijst naar een woud (Leenders, 2000). Op de kaart van 1850 wordt in en ten noorden van het plangebied het Spuitendonkse Bos weergegeven (Figuur 10). Dit bos heeft bevat veel autochtone bomen en struiken, dit vormt een indicatie dat het gaat om een oud bos. Het is een restant van een beekbegeleidend bos in het dal van de Spuitendonkse of Haiinkse beek (Maes, 1996). Op de kaart van 1850 is te zien dat dit bos zich ook in het midden en in het oosten van het plangebied bevond. Ten noorden van het plangebied wordt het bos op de historische kaart van 1900 doorkruist door een spoorweg (Figuur 11). Langs de Spuitendonkse beek is dit bos op de kaart van 1930 omgewerkt tot grasland (Figuur 12). In het oosten van het plangebied is nog een restant zichtbaar.
Tussen 1950 en 1990 verdwijnt het overgebleven bos in het plangebied (Figuur 13, Figuur 14, Figuur 15). Op de kaart van 1970 is te zien dat de A58 is aangelegd (Figuur 14). Ten slotte is op de kaart van 1990 te zien dat er ruilverkaveling heeft plaatsgevonden en dat kavels hier en daar zijn rechtgetrokken (Figuur 15).
3.2.2
Historische bewoning
Op de historische kaarten is te zien dat bebouwing zich rondom het plangebied aan de wegen bevindt. Bij kruispunten van wegen bevinden zich de hierboven besproken buurtschappen. Binnen het plangebied bevinden zich geen historische erven. In het onderzoeksgebied bevinden zich historische erven aan de Plantagebaan, aan de Bulkenaarsestraat en bij Haiink (Figuur 10). De erven in het onderzoeksgebied op de historische kaart van 1850 komen overeen met de bebouwing van het gebied op de topografische kaart van 1990 (Figuur 10, Figuur 15). De bebouwing op en bij deze erven is wel toegenomen. Op de historische kaart van 1930 is te zien dat er in het westen van het plangebied een nieuw erf wordt weergegeven (Figuur 12). Dit erf bevindt zich tegenwoordig op dezelfde locatie.
23
Onze referentie: D10038412:22 - Datum: 6 september 2021
BUREAUONDERZOEK ARCHEOLOGIE, BRAVIS ROOSENDAAL
Figuur 10 Het plangebied op de historische kaart van 1850.
24
Onze referentie: D10038412:22 - Datum: 6 september 2021
BUREAUONDERZOEK ARCHEOLOGIE, BRAVIS ROOSENDAAL
Figuur 11 Het plangebied op de historische kaart van 1900.
25
Onze referentie: D10038412:22 - Datum: 6 september 2021
BUREAUONDERZOEK ARCHEOLOGIE, BRAVIS ROOSENDAAL
Figuur 12 Het plangebied op de historische kaart van 1930.
26
Onze referentie: D10038412:22 - Datum: 6 september 2021
BUREAUONDERZOEK ARCHEOLOGIE, BRAVIS ROOSENDAAL
Figuur 13 Het plangebied op de historische kaart van 1950.
27
Onze referentie: D10038412:22 - Datum: 6 september 2021
BUREAUONDERZOEK ARCHEOLOGIE, BRAVIS ROOSENDAAL
Figuur 14 Het plangebied op de historische kaart van 1970.
28
Onze referentie: D10038412:22 - Datum: 6 september 2021
BUREAUONDERZOEK ARCHEOLOGIE, BRAVIS ROOSENDAAL
Figuur 15 Het plangebied op de historische kaart van 1990.
3.2.3
Tweede Wereldoorlog
Auteur: Bernard Slaa Archeologie en erfgoed uit de Tweede Wereldoorlog concentreert zich op de tastbare herinneringen van de periode 1938-1945. Hoofdthema’s hierin zijn de mobilisatie, Duitse inval, bezetting, collaboratie en verzet, onderdrukking en vervolging, lucht- en zeeoorlog en de bevrijding. Concreet kan hierbij gedacht worden aan bijv. Nederlandse en Duitse militaire stellingen, onderduikplekken, arbeids- en concentratiekampen, scheeps- en vliegtuigwrakken en strijdgebieden. Mobilisatie en Duitse inval Het plangebied ligt in wat tijdens de mobilisatieperiode (1938-1939) bekend stond als het Zuidfront van de Vesting Holland. Doel van dit Zuidfront was om de Vesting Holland tegen een aanval uit het zuiden te beveiligen. Het 3e Grensbataljon had bijvoorbeeld als taak om de sector tussen Breda en Woensdrecht te bewaken. Een echte verdedigingslinie was echter niet aanwezig, omdat een eventuele vijandelijke aanval vanuit het oosten werd verwacht. Tijdens de Duitse inval op 10 mei 1940 bleef het gebied daarentegen niet gespaard van oorlogsgeweld. Roosendaal werd bijvoorbeeld meerdere keren door de Duitsers gebombardeerd om de opmars van Franse versterkingstroepen in West-Brabant te vertragen. Pas in de nacht van 15 op 16 mei arriveerden de eerste Duitse troepen in het plangebied.
De restanten van het Nederlandse en Franse leger hadden zich toen al teruggetrokken naar Zeeland. Bezetting
29
Onze referentie: D10038412:22 - Datum: 6 september 2021
BUREAUONDERZOEK ARCHEOLOGIE, BRAVIS ROOSENDAAL
Het plangebied lag tijdens de oorlog in de (voormalige) gemeenten Roosendaal en Wouw. Na 1945 zijn er burgemeestersverklaringen afgegeven met daarin informatie over aanwezige Duitse bezettingstroepen tijdens de oorlog. Uit deze verklaringen blijkt dat in beide gemeenten over langere periodes Duitse militairen gelegerd waren. Specifiek ging het hierbij om infanterie-, marine- en FLAK-troepen voor de verdediging van het spoorwegemplacement tegen luchtaanvallen. In de laatste oorlogsmaanden waren er voornamelijk SS-troepen aanwezig in verband met de uitvoering en aanleg van verdedigingswerken rondom Roosendaal en Wouw. 2 Na de geallieerde successen in Frankrijk in de zomer van 1944 begon het Duitse leger versneld verdedigingswerken aan te leggen op militair strategische locaties. Eén van deze gebieden was de omgeving van Roosendaal, waar de belangrijkste spoorwegovergang lag tussen Nederland en België. Daarnaast vormde het spooremplacement het spoorknooppunt naar strategisch belangrijke steden als Antwerpen, Rotterdam en Vlissingen. Op geallieerd luchtfoto- en kaartmateriaal zijn indicaties van Duitse verdedigingswerken waargenomen aan de randen van het plangebied. Luchtoorlog Roosendaal was geregeld doelwit van geallieerde bommenwerpers. De stad werd tussen 1940 en 1944 meerdere malen gebombardeerd, waarbij vooral het spoorwegemplacement en omgeving zwaar werden getroffen.
Er zijn echter geen aanwijzingen dat de omgeving van het plangebied getroffen is door bombardementen. Om het spoor te beveiligen tegen luchtaanvallen was er flink wat luchtafweergeschut in Roosendaal aanwezig. Ook Duitse jachtvliegtuigen van vliegbasis Woensdrecht probeerden geallieerde bommenwerpers neer te schieten. Daarom is het niet verbazingwekkend dat in de loop van de oorlog een flink aantal Duitse en geallieerde toestellen zijn neergestort in de omgeving van Roosendaal. Niet alle crashlocaties zijn meer te achterhalen, maar in de omgeving van het plangebied is zeker één Duits jachtvliegtuig neergestort. Het Duitse toestel was een Focke Wulf Fw-190 die op 19 augustus 1943 een buiklanding maakte in een weiland in de omgeving van het buurtschap Vinkenbroek. De piloot bleef ongedeerd en het toestel kwam nagenoeg onbeschadigd aan de grond. Hierdoor is het niet aannemelijk dat er restanten aangetroffen worden in het plangebied. 3 Bevrijding West-Brabant speelde een belangrijke rol in de Slag om de Scheldemonding. Vooral de Brabantse Wal was een strategische verhoging in het landschap vanwaar de landelijke toegangsweg naar Walcheren en Zuid-Beveland onder controle kon worden gehouden. Na de bevrijding van Antwerpen (4 september 1944) en het mislukken van operatie Market Garden richtte het militaire front zich op deze regio.
Op 2 oktober werd de aanval door het Canadese leger ingezet om de toegang tot Zuid-Beveland te veroveren. Pas na twee weken van zware gevechten wisten de geallieerden na vernietigende artilleriebeschietingen delen van Hoogerheide en Woensdrecht te veroveren. Hierna duurde het weer ruim een week voor de toegangsweg naar ZuidBeveland veilig werd gesteld en Bergen op Zoom werd pas op 27 oktober bevrijd. Het front kwam kortom moeizaam vooruit. Na Bergen op Zoom volgde een zeer moeizame opmars richting Roosendaal. Vooral in de omgeving tussen de Wouwse Plantage en Wouw kwamen de geallieerde legers maar moeizaam vooruit, ondanks zware artilleriebeschietingen van het gebied. Uiteindelijk kwam er 29 oktober meer beweging in het front en op 30 oktober trokken de geallieerden Roosendaal binnen.
2 3
NIMH, 420: Burgemeestersverklaringen ’40-’45, inv.nrs. 17 en 22. Studiegroep Luchtoorlog 1939-1945: R0611.
30
Onze referentie: D10038412:22 - Datum: 6 september 2021
BUREAUONDERZOEK ARCHEOLOGIE, BRAVIS ROOSENDAAL
Figuur 16 Een luchtfoto van 28 oktober 1944. Duidelijk zichtbaar zijn de rookpluimen van rookgranaten, om dekking te geven aan de geallieerde opmars. De zwarte puntjes in het bouwland zijn inslagkraters van artilleriebeschietingen. Bron: Beeldbank WestBrabants Archief.
De schade in de omgeving was na de bevrijding groot. In de weide omtrek waren boerderijen afgebrand en het bouwland door beschietingen en zwaar materieel omgeploegd. Alleen al in het kleine buurtschap Bulkenaar waren vijf boerderijen verwoest. Op 20 februari 1945 kwam achter de Bulkenaarsestraat 7 ook nog een V1-raket neer die veel schade aanrichtte. In de jaren na de oorlog worden er verder regelmatig niet gesprongen explosieven in het gebied aangetroffen. Daarom kan er vanuit worden gegaan dat er bij grondroering in het plangebied militaire restanten uit de Tweede Wereldoorlog aangetroffen zullen worden. Deze restanten kunnen bestaan uit niet gesprongen explosieven, wapenuitrustingen, onderdelen van militaire voertuigen en eventueel veldgraven van vermiste soldaten.
31
Onze referentie: D10038412:22 - Datum: 6 september 2021
BUREAUONDERZOEK ARCHEOLOGIE, BRAVIS ROOSENDAAL
Figuur 17 Uitsnede van de gemeentelijke risicokaart niet gesprongen explosieven (NGE) van Roosendaal. De oranje gloed geeft weer dat het gehele plangebied verdacht is op geschutmunitie. De rode cirkels zijn de locaties waar restanten van V1-raketten worden verwacht. De kleine oranje cirkels en lijnen geven Duitse stellingen en de tankgracht weer. Bron: Risicokaart Explosieven Gemeente Roosendaal (kenmerk: 10S108-RK-03).
32
Onze referentie: D10038412:22 - Datum: 6 september 2021
BUREAUONDERZOEK ARCHEOLOGIE, BRAVIS ROOSENDAAL
4
Archeologische informatie
4.1
Inleiding
Om de gespecificeerde archeologische verwachting voor een gebied op te kunnen stellen, is kennis nodig van de reeds bekende archeologische gegevens van het gebied. In dit hoofdstuk worden de bekende archeologische vindplaatsen, uitgevoerde onderzoeken en verwachtingen aan de hand van verschillende bronnen beschreven.
Periode
Begin
Einde
Nieuwe Tijd
1500
Heden
Late Middeleeuwen
1050
1500
Vroege Middeleeuwen
450
1050
Romeinse Tijd
12
v. Chr.
450
IJzertijd
800
v. Chr.
12
v. Chr.
Bronstijd
2.000
v. Chr.
800
v. Chr.
Neolithicum
5.300
v. Chr.
2.000
v. Chr.
Mesolithicum
8.800
v. Chr.
4.900
v. Chr.
Laat Paleolithicum
35.000 v. Chr.
8.800
v. Chr.
Midden Paleolithicum
300.000 v. Chr.
35.000 v. Chr.
4.2
Gemeentelijke archeologische verwachtingskaart
De archeologische verwachtingswaarde van een gebied geeft de verwachting op de aan- en afwezigheid van archeologische waarden aan. De gemeentelijke archeologische verwachtingskaarten vormen de basis hiervoor. De gemeente Roosendaal hanteert voor de archeologische verwachtingskaart dezelfde kaart als de archeologische beleidskaart.
33
Onze referentie: D10038412:22 - Datum: 6 september 2021
BUREAUONDERZOEK ARCHEOLOGIE, BRAVIS ROOSENDAAL
Binnen het plangebied gelden gebieden met een hoge, middelhoge en lage archeologische verwachting (
Figuur 18). Het gebied met een hoge verwachting archeologie komt overeen met de geomorfologische kaart
weergegeven dekzandruggen in het oosten en westen van het plangebied.
Het beekdal in het midden van het plangebied heeft een middelhoge verwachting archeologie. De daarvan ten oosten gelegen glooiing van het beekdal heeft binnen het plangebied een hoge verwachting op archeologie. De ten westen van de dalvormige laagte gelegen glooiing is een lage verwachting toegekend. Het overige terrein binnen het plangebied bestaat uit terrasafzettingswelvingen met dekzand en heeft in het plangebied geen archeologische verwachting op deze beleidskaart.
34
Onze referentie: D10038412:22 - Datum: 6 september 2021
BUREAUONDERZOEK ARCHEOLOGIE, BRAVIS ROOSENDAAL
Figuur 18 Het plangebied op de archeologische beleidskaart.
35
Onze referentie: D10038412:22 - Datum: 6 september 2021
BUREAUONDERZOEK ARCHEOLOGIE, BRAVIS ROOSENDAAL
4.3
Archeologische informatie
Figuur 19. Kaart van AMK-terreinen, onderzoeksmeldingen en vondsten binnen het onderzoeksgebied (Archis3).
4.3.1
AMK-terreinen
Op de Archeologische Monumenten Kaart (AMK) zijn bekende, gewaardeerde, archeologische vindplaatsen weergegeven. Er wordt onderscheid gemaakt tussen terreinen van waarde, hoge waarde, zeer hoge waarde, en zeer hoge waarde – beschermd. In het laatste geval is het terrein een beschermd Rijksmonument. Het uitgangspunt bij AMK-terreinen is in principe behoud van archeologische resten in situ. Er zijn geen AMK-terreinen binnen het plangebied bekend.
4.3.2
Vondstlocaties en waarnemingen
Vondstlocaties zijn archeologische vindplaatsen die geregistreerd zijn in Archis3. De vondstlocaties zijn weergegeven op de kaart in Fout! Verwijzingsbron niet gevonden. en staan vermeld in Tabel 1.
Zaak IDnummer
36
Datum en Plaats
Beschrijving
Onze referentie: D10038412:22 - Datum: 6 september 2021
BUREAUONDERZOEK ARCHEOLOGIE, BRAVIS ROOSENDAAL
Archeologische Begeleiding Drinkwatertransportleiding. Deze vondstmelding omvat vijf vondstlocaties. 1233568: Ter plaatse van deze locatie werd een ingraving aangetroffen met een diameter van circa 3,6 meter en een diepte tot circa 2,5 meter. Het zou een waterkuil kunnen betreffen of een waterput waarvan het hout of het baksteen verwijderd is. 1233563: Het betreft een fragment van een sluitpan uit Bergen op Zoom uit de Nieuwe Tijd. Er is hier een greppel aangesneden, een oost – west georiënteerde kavelsloot. Deze kan verbonden worden aan de weg die wordt weergegeven op de Kaart van de heerlijkheid Wouw uit 1783 en op het kadastrale minuutplan uit 1823.
4021952100
‘Voor toekomstig onderzoek en aangrenzende graafwerkzaamheden, met name bij de aanleg van nieuwe leidingen in de leidingenstraat, dient rekening te worden gehouden met het feit dat er een kans bestaat voor wat betreft de aanwezigheid van bewoningssporen die bij deze 2020, Wouw / In het vindplaats horen.’ westen van het onderzoeksgebied De begrenzing van de vindplaats kan beperkt worden tot de directe omgeving van de voormalige bebouwing (met erf) en worden bepaald op basis van oud kaartmateriaal. 1233553: Hier hebben activiteiten plaatsgevonden in de Romeinse Tijd. Het gaat om één archeologisch spoor (een kuil). Deze vindplaats maakt deel uit van een groter archeologisch complex van meerdere nederzettingen/ boerderijen en akkers uit de (Late) IJzertijd en de Romeinse Tijd ter plaatse van het hoger gelegen deel van het dekzandgebied tussen Bergen op Zoom en Roosendaal. Bij aangrenzende werkzaamheden moet rekening worden gehouden met het feit dat er een grote kans bestaat op de aanwezigheid van bewoningssporen die bij deze vindplaats horen. ‘De begrenzing van de vindplaats kan op basis van dit onderzoek niet worden bepaald en er dient dus vanuit te worden gegaan dat er archeologische sporen in alle richtingen aanwezig kunnen zijn.’ 1233542: 3 paalgatenkuilen uit de IJzertijd en handgevormd aardewerk uit deze periode.
37
Onze referentie: D10038412:22 - Datum: 6 september 2021
BUREAUONDERZOEK ARCHEOLOGIE, BRAVIS ROOSENDAAL
Bewoning/ erf- en of/en akkeractiviteiten in de (Late) IJzertijd. Deze vindplaats maakt deel uit van een groter archeologisch complex van meerdere nederzettingen/ boerderijen en akkers uit de (Late) IJzertijd en de Romeinse Tijd ter plaatse van het hoger gelegen deel van het dekzandgebied tussen Bergen op Zoom en Roosendaal. 1233427: Gedraaid aardewerk uit de Romeinse Tijd. Vermoedelijk is er een erf aangesneden .
4617432100
2009, Wouw / Ten noorden van het plangebied
Het betreft een zestal vuurstenen artefacten waaronder twee werktuigen en drie als werktuigen gebruikte stukken. Deze behoren tot de Michelsbergcultuur fase II. Het suggereert de aanwezigheid van een nederzetting op deze locatie. Datering: Midden neolithicum B
Tabel 1 Vondstlocaties in het onderzoeksgebied.
Figuur 20 Vondstlocaties op de geomorfologische kaart.
38
Onze referentie: D10038412:22 - Datum: 6 september 2021
BUREAUONDERZOEK ARCHEOLOGIE, BRAVIS ROOSENDAAL
4.3.3
Eerder uitgevoerd onderzoek
In verschillende zones binnen het plangebied is eerder archeologisch bureau- en veldonderzoek uitgevoerd. Deze zones zijn aangegeven op de kaart in Figuur 19 en de resultaten van de veldonderzoeken zijn beschreven in Tabel 2.
Zaak IDnummer
Datum/ uitvoerder/ Type onderzoek
Resultaten
2150796100
2007 / RAAP / Archeologisch Niet relevant voor dit onderzoek bureauonderzoek
2247315100
2009 / Oranjewoud BV / Archeologisch bureauonderzoek
Niet relevant voor dit onderzoek
2471864100
2015 / Archeodienst Gelderland BV / Archeologisch bureauonderzoek
Niet relevant voor dit onderzoek
3296185100
2015 / Archeodienst Gelderland BV / Archeologisch bureauonderzoek
Niet relevant voor dit onderzoek
4574754100
2017 / SOB Research / Archeologisch bureauonderzoek
Niet relevant voor dit onderzoek
Locatie ten zuiden van Wouw. De eerste bevindingen van het veldwerk zijn beschikbaar:
4576155100
2017 / SOB Research / Archeologisch proefsleuven onderzoek
De meeste aangetroffen sporen zijn nieuwetijdse perceleringsgreppels. Daarnaast zijn er in totaal een 60-tal (paal)kuilen aangetroffen die op basis van gevonden aardewerk uit de IJzertijd stammen. De sporen vormen een deel van 1 of meerdere (boerderij)plattegronden met bijgebouw(en). In het zuiden zijn er ook 2 spiekers vastgesteld. Locatie ten zuiden van Wouw overeenkomstig met onderzoekslocatie 4576155100. De eerste bevindingen van het veldwerk zijn beschikbaar:
4581971100
2018 / SOB Research / Archeologische opgraving
2113868100
Het bureauonderzoek door Sweco diende worden uitgevoerd 2006 / Sweco / omdat in de Buisleidingenstraat nieuwe leidingen worden archeologische boring / loopt aangelegd waarbij mogelijk aanwezige archeologische waarden door plangebied heen kunnen worden verstoord. Het onderzoek heeft uitgewezen dat
39
Tijdens het archeologische onderzoek zijn vermoedelijk twee erven uit de Late IJzertijd (250-12 v. Chr.) en een erf uit de Late Middeleeuwen A (1000-1250 n. Chr.) aangetroffen.
Onze referentie: D10038412:22 - Datum: 6 september 2021
BUREAUONDERZOEK ARCHEOLOGIE, BRAVIS ROOSENDAAL
voor het hele tracé een lage verwachting geldt vanwege het verstoorde bodemprofiel. Het rapport is niet beschikbaar via archis of danseasy.
2387487100
2012 / Sweco en Artefact / archeologische boring / loop door plangebied heen
In opdracht van Grontmij Nederland BV heeft Artefact! Advies en Onderzoek in Erfgoed tussen oktober 2012 en september 2015 een Archeologisch Bureauonderzoek en Inventariserend Veldonderzoek door middel van verkennende boringen en oppervlaktekartering uitgevoerd ter plaatse van verscheidene planlocaties in de provincie Zeeland. Aanleiding tot dit onderzoek is de voorgenomen realisatie van een nieuwe 380 kV hoogspanningsverbinding tussen het hoogspanningsstation Borssele en het landelijke hoogspanningsnet bij Tilburg. Voorliggende studie behelst vooralsnog enkel het deel van het tracé binnen de Provincie Zeeland, vanaf het hoogspanningsstation Borssele tot aan het station te Rilland en is dus niet relevant voor onderhavig bureauonderzoek.
4632928100
2018 / Arcadis / Archeologisch bureauonderzoek
Niet relevant voor dit onderzoek.
4738066100
2019 / Arcadis / Archeologisch bureauonderzoek
Niet relevant voor dit onderzoek.
4777392100
2020 / Arcadis / Archeologisch bureauonderzoek
Dit betreft de voorganger van het huidige archeologische bureauonderzoek. Het plangebied is inmiddels aangepast.
40
Onze referentie: D10038412:22 - Datum: 6 september 2021
BUREAUONDERZOEK ARCHEOLOGIE, BRAVIS ROOSENDAAL
3998180100
Op 18 en 19 april 2016 is door Aeres Milieu een archeologisch verkennend booronderzoek uitgevoerd aan een tracé ten behoeve van de aanleg van een waterleiding te Wouw (gemeente Roosendaal). Op basis van het uitgevoerde onderzoek kan worden gesteld dat de verwachte bodems niet langer intact aanwezig zijn. De natuurlijke afzettingen zijn modern antropogeen afgetopt tot in de C-horizont, mogelijk (ook) door leemwinning. Deze aftopping had plaats tot onbekende diepte in de C-horizont. Met het 2016 / Aeres Milieu / archeologische boring / loopt verstoren of aftoppen van deze bodems zijn ook de potentieel archeologisch interessante lagen verloren gegaan. Het gevolg door plangebied heen hiervan is dat de in het bureauonderzoek en op de gemeentelijke verwachtingskaart opgestelde verwachtingen bijgesteld zijn naar laag. Met andere woorden er bestaat geen concrete verwachting meer voor het aantreffen van archeologische resten binnen het plangebied. De afwezigheid van deze verwachting heeft tot gevolg dat geadviseerd wordt dat verder archeologisch onderzoek niet noodzakelijk wordt geacht. Van deze archeologische begeleiding zijn de eerste bevindingen gepubliceerd.
4021952100
2016 / SOB Research / archeologische begeleiding / Over de lengte van het tracé zijn verschillende vindplaatsen aangetroffen. De locaties van deze vindplaatsen zijn niet te loopt door het plangebied achterhalen. heen Er zijn geen complexen aangetroffen.
2390191100
2292724100 / 2390183100
3998164100 / 4561794100
Er zijn tijdens de archeologische begeleiding geen behoudenswaardige vindplaatsen vastgesteld. Het schaarse 2012 / RAAP / vondstmateriaal dateert uit de Nieuwe en Nieuwste tijd. Er zijn Archeologische begeleiding / weinig aanwijzingen voor het gebruik van het terrein als historisch ten zuiden van het akkerland. Dit kan verklaard worden door de ligging van de plangebied onderzochte percelen vlak naast de beekloop. Natte gronden zijn immers vooral als wei- en hooiland gebruikt. Er zijn bij het veldwerk geen behoudenswaardige vindplaatsen vastgesteld; wel is inzicht verkregen in de bodemopbouw in het plangebied. Het is opvallend dat weinig aanwijzingen gevonden 2012 / RAAP / zijn voor het historisch gebruik van het landschap, hoewel uit het Bureauonderzoek en vooronderzoek blijkt dat het gebied zowel intensief (akkerland) als Archeologische begeleiding / extensief (begrazing, grondstofwinning, etc.) gebruikt werd. Enkel ten zuiden van het op de hogere terreindelen in deelgebied 5 wijst de aanwezigheid plangebied van een esdek op het historische gebruik van deze percelen als akker. Het schaarse vondstmateriaal dat tijdens het veldwerk is aangetroffen, dateert uit de Nieuwe tijd en Nieuwste tijd.
2016 / RAAP / Archeologisch bureauonderzoek en Er zijn tijdens de archeologische begeleiding tijdens archeologische begeleiding / baggerwerkzaamheden in de Rissebeek zijn geen sporen of vondsten aangetroffen. Ten oosten van het plangebied
Tabel 2. Eerder uitgevoerde onderzoeken.
41
Onze referentie: D10038412:22 - Datum: 6 september 2021
BUREAUONDERZOEK ARCHEOLOGIE, BRAVIS ROOSENDAAL
5
CONCLUSIES EN AANBEVELINGEN
In dit hoofdstuk worden de belangrijkste conclusies besproken en op basis daarvan een gespecificeerde archeologische verwachting geformuleerd. Als laatste wordt een advies gegeven voor archeologisch vervolgonderzoek.
5.1
Conclusie
In opdracht van de Gemeente Roosendaal heeft Arcadis Nederland BV een bureauonderzoek archeologie uitgevoerd. 1. Hoe ziet de geo(morfo)logische en bodemkundige opbouw van het plangebied eruit? De geologische ontwikkelingen in het Pleistoceen hebben in geomorfologisch opzicht geleid tot de vorming van een dekzandlandschap. Op de geomorfologische kaart is te zien dat het zandlandschap in de omgeving van het plangebied bestaat uit heuvels en heuvelruggen met bijbehorende vlakten en laagten. Door dit gebied lopen langgerekte ondiepe dalvormige laagten (beekdalen). Naast deze beekdalen bevinden zich dekzandglooiingen. In het westen en in het oosten van het plangebied bevinden zich dekzandruggen. Op de bodemkaart is te zien dat de dekzandrug in het westen van het plangebied gedeeltelijk bestaat uit hoge zwarte enkeerdgronden bestaande uit lemig fijn zand (zEZ23t-VI). De langgerekte ondiepe dalvormige laagten binnen het plangebied bestaan uit oude kleigronden met of zonder minerale eerdlaag (KT-V). Ten oosten van het beekdal bestaat de bodem uit een beekeerdgrond (pZg23t-V). Het overige deel van het plangebied bestaat uit laarpodzolgronden (cHn23t-VI). • 2. Welke archeologische vindplaatsen in en rond het plangebied zijn bekend? Er zijn binnen het plangebied geen AMK-terreinen of vondstlocaties aangetroffen, wel hebben er een aantal eerdere onderzoeken plaatsgevonden.
In het gros van het plangebied is geen eerder archeologisch onderzoek uitgevoerd. In het onderzoeksgebied bevinden zich zes vondstlocaties Neolithicum Rondom het beekdal zijn vuurstenen artefacten aangetroffen behorende tot de Michelsbergcultuur fase II (Midden Neolithicum B) (vondslocatie 4617432100). Ten westen van het onderzoeksgebied bevindt zich een concentratie aan vondstmeldingen aan de randen van de hoger gelegen dekzandruggen naar het beekdal. De vondstmeldingen betreffen voornamelijk steen- en vuursteenvondsten uit het Paleolithicum – Neolithicum. In de beekdalglooiing in het onderzoeksgebied zijn vergelijkbare vuursteenvondsten aangetroffen uit het Neolithicum. IJzertijd – Middeleeuwen Direct ten zuiden van het dorp Wouw zijn archeologische onderzoeken doormiddel van proefsleuven en opgraving uitgevoerd waarvan enkel de eerste bevindingen beschikbaar zijn (4581971100). Hier zijn vermoedelijk twee erven uit de Late IJzertijd (250 – 12 v.Chr.) en een erf uit de Late Middeleeuwen A (1000 – 1250 v.Chr.) aangetroffen.
Tijdens een archeologische begeleiding zijn binnen het huidige onderzoeksgebied vijf locaties aangetroffen met sporen en/of vondsten die deel uit van een groter archeologisch complex van meerdere nederzettingen/ boerderijen en akkers uit de (Late) IJzertijd en de Romeinse Tijd ter plaatse van het hoger gelegen deel van het dekzandgebied tussen Bergen op Zoom en Roosendaal (4021952100). Tweede Wereldoorlog Gedurende de Tweede Wereldoorlog is er hevig gevochten in de omgeving van het plangebied. Binnen het plangebied komen enkele locaties voor waar geschutstellingen gestaan hebben. Resten hiervan kunnen bestaan uit resten van stellingen, wapenuitrusting en niet gesprongen explosieven. 3. Welke historische gegevens (complexen en landgebruik) in en rond het plangebied zijn bekend? Het plangebied wordt omringd door de buurtschappen Haiink, de Bulkenaar, Wouwse Hill en Oostlaar. De bebouwing van deze buurschappen bevindt zich op de historische kaart van 1850 maar ook op de huidige topografische kaart langs de wegen en bij kruispunten. 42