1. Aaanvraag zonnepark Roosendaalse Vliet 395179 - A - GEMEENTE ROOSENDAAL.pdf
Tekst van het document
Het gebruik van ballast als fundatiewijze acht de gemeente niet gewenst, aangezien dit ten koste gaat van de ecologische waarden. • De gronden waarop een zonnepark wordt gerealiseerd moeten de mogelijkheid bieden tot het volledig schaduwvrij plaatsen van zonnepanelen. De locatie biedt deze mogelijkheid. De bestaande bebossing ligt aan de noordzijde en zorgt daarmee niet voor schaduw op de panelen. • De minimum afstand van het transformatorgebouw en het omvormerrek (t.b.v. het zonnepark) tot bestaande woningen van derden bedraagt 30 meter: het maatgevende hinderaspect betreft geluid. Vanaf ongeveer 20 hectare aan zonnepanelen neemt de richtafstand toe tot 50 meter. In beginsel
26
wordt aangesloten bij de richtafstanden uit de VNG-brochure 'bedrijven en milieuzonering'. Middels specifiek onderzoek is afwijking van deze richtafstanden mogelijk. Zie paragraaf 4.4 • Bij het ontwerpen van een zonnepark moet rekening gehouden worden met de aanwezige kabels en leidingen en moeten afspraken gemaakt worden met de desbetreffende leidingbeheerder. Op de beleidskaart ‘Zonneparken’ is een aanduiding ‘aandachtsgebied leidingen’ opgenomen, waar de belangrijkste (zoekzones voor) hoofdaardgastransportleidingen en hoogspanningsverbindingen op zijn aangegeven. Zie paragraaf 4.5 • Indien de locatie van een zonnepark in de Verordening ruimte Noord Brabant of in de Cultuurhistorische Waardenkaart is aangeduid als ‘cultuurhistorisch vlak’ respectievelijk ‘historisch waardevol vlak’ (zie bijlage 2) is de ontwikkeling mede gericht op het behoud, herstel of de duurzame ontwikkeling van de cultuurhistorische waarden en kenmerken van het betreffende gebied. N.v.t. • Ondersteunende bouwwerken als schakelcellen, algemene laagspanningsborden en transformatoren moeten zo gepositioneerd worden dat zij zich voegen naar het patroon van de opstelling van de zonnepanelen. • Zonneparken zijn beperkt toegankelijk omwille van risicobeperking ten aanzien van diefstal en/of vandalisme.
Bij voorkeur wordt gebruik gemaakt van natuurlijke oplossingen voor de beveiliging aan de rand van een zonnepark. Het aanbrengen van hekwerken moet zoveel mogelijk vermeden worden. Eventuele hekwerken worden landschappelijk ingepast. Zie paragraaf 4.1 en 4.2 • Bij voorkeur is er bij een zonnepark voor derden informatie te vinden over duurzame energie in de vorm van een informatiebord. Hierop kunnen bijvoorbeeld de hoeveelheid opgewekte stroom, het aantal ton koolstofdioxide (CO2) dat niet wordt uitgestoten en het aantal huishoudens dat wordt voorzien van groene stroom worden weergegeven. Zie paragraaf 4.1 • Zonneparken worden zoveel mogelijk ontsloten via de bestaande infrastructuur. Waar dit niet mogelijk is worden nieuwe toegangswegen uitgevoerd in half-verharding of geheel onverhard. Economische en maatschappelijke randvoorwaarden & aandachtspunten De gemeente hanteert de volgende economische randvoorwaarden/ kent de volgende aandachtspunten voor zonneparken: • Het aanleggen en onderhouden van zonneparken moet bij voorkeur uitgevoerd worden door lokale/regionale bedrijven. • Er moeten afspraken gemaakt worden met de gemeente over de (eventuele) tijdelijkheid van een zonnepark. • De initiatiefnemer betrekt omwonenden en andere belanghebbenden vroegtijdig bij de planvorming. • De initiatiefnemer onderzoekt de mogelijkheden voor participatie/ omgevingsfonds/energiecoöperatie.
Maatschappelijke meerwaarde De provincie Noord-Brabant stelt in de Verordening ruimte geen beperkingen aan de locaties in het buitengebied waar buiten de natuurgebieden (in casu de Groenblauwe mantel het en Gemengd landelijk gebied) zonneparken ontwikkeld kunnen worden of aan de omvang daarvan. Daarom heeft de provincie een bepaling in de Verordening ruimte opgenomen rondom maatschappelijke meerwaarde. Naarmate de inbreuk op de basisregels uit de Verordening groter is, verwacht de 27
provincie een grotere inspanning op het gebied van een bijdrage aan maatschappelijke doelen. De maatschappelijke meerwaarde wordt beoordeeld op basis van de volgende criteria: • de mate van meervoudig ruimtegebruik; • de maatregelen die getroffen worden om de impact op de omgeving te beperken; • de bijdrage die wordt geleverd aan maatschappelijke doelen. Bij maatschappelijke doelen kan gedacht worden aan de afzet van de opgewekte zonne-energie aan een kern of een maatschappelijke, recreatieve en/of sportvoorziening ten behoeve van de lokale gemeenschap. Verder kan gedacht worden aan projecten waarin bewoners participeren of zelfs initiëren middels energiecoöperaties. De gemeente hecht ook grote waarde aan deze maatschappelijke meerwaarde en weegt dit mee in de beoordeling van eventuele aanvragen. Invulling zonnepark Roosendaalsche Vliet •
Participatie door burgers en bedrijven uit de omgeving in de vorm van financiële deelname en/financieel rendement
•
Natuurversterking ter plaatse door middel van een bijenproject
•
Meervoudig ruimtegebruik door de kabel van de windturbines te gebruiken voor het zonnepark
•
Betrekken van bedrijven uit de regio bij de ontwikkeling, realisatie en/of beheer
•
Werkgelegenheid bieden voor mensen met afstand tot de arbeidsmarkt
•
Educatieve meerwaarde; plaatsen informatiebord
•
Landschappelijke inpassing in afstemming met omgeving
Voorwaarden H5 In Hoofdstuk 5 van de visie op zonne-energie schrijft de gemeente het volgende over de landschappelijke inpassing. Landschappelijke inpassing Indien u een zonnepark wenst te realiseren, moet voorzien worden in een landschappelijk inpassingsplan. Het realiseren van deze landschappelijke inpassing zal als voorwaardelijke verplichting gekoppeld worden aan de omgevingsvergunning. Landschappelijke inpassing en kwaliteitsverbetering is maatwerk en moet aansluiten bij de schaal en het karakter van het betreffende landschapstype. Bestaande landschappelijke (kavel)structuren zijn hierbij leidend. Bij het ontwerpen van zonneparken moet verder rekening gehouden worden met de bestaande landschapsen bebouwingskarakteristieken zoals landschapselementen, beplantingssoorten, waardevolle historische bebouwing of beeldbepalende gebieden en de mate van openheid. Daarnaast zijn de hoogte van het zonnepark, de zichtlijnen vanuit de omgeving en eventuele afscherming door beplanting van minder fraaie delen belangrijke aandachtspunten. Voor meer inspiratie verwijst de gemeente naar het landschapsontwikkelingsplan 'De Zoom van West-Brabant', het 'Afsprakenkader kwaliteitsverbetering van het landschap in de regio West-Brabant' en het Groen Blauw Stimuleringskader (STIKA) van de provincie Noord-Brabant.
28
De landschappelijke inpassing bestaat in de basis uit een strook van minimaal 5 meter breed rondom het zonnepark. Specifieke omgevingskarakteristieken (bijvoorbeeld de wens om bij Weihoek aan de zijde van de snelweg het zonnepark juist zichtbaar te maken) kunnen aanleiding geven hiervan af te wijken. Beplanting is altijd landschapseigen: inheems planmateriaal wat past bij de grondsoort en grondwaterstand ter plaatse. Beplanting met struweel en/of hakhout bestaan minimaal uit drie rijen en wordt in driehoeksverband aangeplant. De onderlinge plantafstand van hagen en struweel bedraagt 1,0 tot 1,5 meter. Afhankelijk van de locatie en omvang van het zonnepark dient een bijdrage geleverd te worden aan het versterken van de bestaande landschapskwaliteiten. Een landschappelijke kwaliteitsverbetering is aanvullend op de landschappelijke inpassing en bedraagt op De Brabantse Wal en in het park- en coulissenlandschap tenminste 10% van de oppervlakte van het zonnepark. Binnen het agrarisch werklandschap wordt minimaal 5% van de oppervlakte van het zonnepark aangewend voor landschappelijke kwaliteitsverbetering. Eén en ander conform de Stikarichtlijnen. Indien een landschappelijke kwaliteitsverbetering weinig tot geen meerwaarde heeft, kan er voor gekozen worden een bijdrage te storten in het gemeentelijke groenfonds.
Dit groenfonds wordt ingezet om bestaande grootschalige landschappelijke structuren te versterken of nieuwe grootschalige structuren te ontwikkelen. Hierna worden per landschapstypen de ingrediënten benoemd om te komen tot een goede landschappelijke inpassing c.q. kwaliteitsverbetering. De voorgenoemde opsommingen zijn niet uitputtend. De landschappelijke inpassing en kwaliteitsverbetering van zonneparken is immers maatwerk; daarom dient u voorafgaand aan de aanvraag contact op te nemen met de landschapsdeskundige van de gemeente.
Landschappelijke inpassing binnen het agrarisch werklandschap Een groot deel van de gemeente bestaat uit dekzandgronden, met een overwegend agrarische functie. Dit agrarisch werklandschap wordt gekenmerkt door lichte glooiingen, beken en een grote mate van openheid, dat - met name aan de (noord)westzijde van de gemeente - contrasteert met het meer besloten karakter van De Brabantse Wal en het park- en coulissenlandschap. Het losse patroon van verspreide erven en slingerende wegen, soms omzoomd met laanbeplanting, is karakteristiek voor een groot deel van het buitengebied. Het licht glooiende reliëf is door de wind gevormd en loopt in noordelijke richting geleidelijk af naar de polders van het deltalandschap. De beekdalen, die op de hogere delen ontspringen, hebben zich in het dekzand ingesleten en vormen de structuurdragers van het landschap. De relatief grootschalige opzet maakt het gebied geschikt voor grootschalige zonneparken, mits deze op zorgvuldige wijze worden ingepast in het landschap. De openheid en bestaande landschappelijke structuur zijn belangrijke kwaliteiten, die zoveel mogelijk overeind moet worden gehouden. Bij de realisatie van een nieuw zonnepark in het agrarisch werklandschap is de landschappelijke inpassing dan ook een belangrijk aandachtspunt.
Dit kan op verschillende manieren vorm krijgen: • de aanleg van een natuuroever met riet, bestaande uit een plas- of drasberm waarvan de vegetatie hoofdzakelijk uit riet en/of lisdodde bestaat; • de aanleg van een inheemse struweelhaag en/of knip- en scheerhaag, met overwegend doornachtige struiken (o.a. meidoorn, sleedoorn); • de aanleg van een bomenrij met inheemse bomen (o.a. hazelaar, berk en eik), mits passend in de landschappelijke structuur. Afhankelijk van de exacte locatie en reeds aanwezige landschapskenmerken en - structuren kan gekozen worden voor één of meerdere van de voorgenoemde wijzen van landschappelijke inpassing. 29
Uitgangspunt is dat alle zijden van het zonnepark landschappelijk worden ingepast en - voor wat betreft de inrichting - wordt aangesloten bij de richtlijnen en normen van het Groen Blauw Stimuleringskader (STIKA). Belangrijk is in ieder geval dat de hoogte van zonnepanelen beperkt wordt tot 2,5 meter boven maaiveld, teneinde de grootschalige openheid te kunnen waarborgen. Overigens dient een landschappelijke inpassing van zonneparken in het agrarisch werklandschap altijd gepaard te gaan met een landschappelijke kwaliteitsverbetering, tenzij de beoogde locatie is gelegen binnen de randzone direct grenzend aan bestaand stedelijk gebied. In dat geval is een kwaliteitsverbetering niet benodigd. In verband met de ligging in de randzone om Borchwerf II zal met de landschapsdeskundige van de gemeente hierover worden afgestemd. Landschappelijke kwaliteitsverbetering Wenst u een zonnepark te realiseren, dan wil de gemeente hier constructief aan meewerken. De gemeente stelt als voorwaarden dat zonneparken in het buitengebied gecombineerd worden met een landschappelijke inpassing en vraagt in een aantal gevallen om een extra kwaliteitsverbetering van het landschap. Dit laatste sluit aan bij het 'Afsprakenkader Kwaliteitsverbetering van het landschap in de regio West-Brabant', dat zijn oorsprong vindt in het provinciaal beleid.
In dit afsprakenkader is de minimale basisinspanning voor de investering in het landschap opgenomen. Daarin is aangegeven of en welke vorm van kwaliteitsverbetering van toepassing is bij ontwikkelingen, aan de hand van drie categorieën. De ontwikkeling van een zonnepark is aan te merken als een categorie 3 ontwikkeling, die over het algemeen een beduidende invloed op de omgeving hebben. Derhalve moet uw initiatief - afhankelijk van de locatie en omvang - bijdragen aan het verder versterken van de aanwezige kwaliteiten. Het realiseren van deze kwaliteitsverbetering zal als voorwaardelijke verplichting aan de omgevingsvergunning gekoppeld worden. Is uw initiatief binnen de randzone (direct grenzend aan bestaand stedelijk gebied) gelegen? Dan is een kwaliteitsverbetering niet aan de orde (wel inpassing). De gemeente ziet de volgende maatregelen als (landschappelijke) kwaliteitsverbetering: • Het aanleggen c.q. herstellen van natuur- en landschapselementen - die vanuit het STIKA beschikbaar zijn - buiten de locatie waar het zonnepark gerealiseerd wordt.
Houdt hierbij rekening met de specifieke ecologische en cultuurhistorische waarden van het gebied waarin het zonnepark wordt gerealiseerd: • in het agrarisch werklandschap, de Brabantse Wal en het parken coulissenlandschap zijn dit onder andere amfibieënpoelen, natuur(vriendelijke)oevers met riet of nat grasland, een bloemrijke of kruidenrijke zoom, een weiderand of een hakhoutbosje. • Het aanleggen van extensieve recreatieve voorzieningen zoals een nieuw wandel- of struinpad of het herstellen van een oud wandelpad. Voorzieningen als bankjes en bebording zijn zinvolle voorzieningen, mits ze op de juiste locatie geplaatst worden. • Het behouden en restaureren van cultuurhistorisch waardevolle bebouwing/ beeldbepalende gebieden; • Het slopen van ontsierende (niet cultuurhistorisch waardevolle) bebouwing en het verwijderen van verharding; • Een fysieke bijdrage aan het NatuurNetwerk Brabant (NNB) en ecologische verbindingszones.
30
• Het aanleggen van extra waterberging ten behoeve van verbetering van de waterhuishouding (o.a. de aanleg van een amfibieënpoel). Initiatiefnemer vindt het belangrijk dat het zonnepark een bijdrage levert aan de biodiversiteit, met speciaal daarvoor geselecteerde kruiden- en bloemenranden, zodat het de flora en fauna ten goede komt. Gezien de ligging van het perceel, grenzend aan Borchwerf waarbij feitelijk alleen vanaf de Vlietweg op afstand op het perceel wordt gekeken, is een maatwerk plan voor de landschappelijke inpassing opgesteld. Aan de Noord en noord-oost zijde zijn bossages aanwezig waarmee het zicht op het perceel wordt weggenomen. Aan de zuidzijde kan de watergang worden verbreed en een rietkraag gerealiseerd. Ten behoeve van onderhoud aan de watergangen wordt een strook vrij gehouden. Op delen van het perceel waar wegens belemmeringen geen panelen kunnen worden geplaatst wordt de landschappelijke inpassing daarop aangepast De landschappelijke inpassing wordt behandeld in paragraaf 4.1 en het Plan landschappelijk inpassing is bijgevoegd in Bijlage 1
31
3.5 Het verzoek Samenhangende activiteiten die deel uitmaken van deze omgevingsvergunning Bij deze aanvraag om omgevingsvergunning voor de realisatie van het zonnepark hangen de volgende activiteiten met elkaar samen. -
Het tijdelijk afwijken van het bestemmingsplan Buitengebied voor wat betreft het gebruik van de gronden voor een zonnepark Het bouwen van de opbouwconstructie waarop de zonnepanelen worden geplaatst Het plaatsen van een hekwerk/ erfafscheiding rondom het zonnepark Het aanleggen van een interne parkbekabeling met een tweetal transformatoren voor het transporteren van de opgewekte energie naar het inkoopstation van het windpark Het inrichten van een zone rondom het zonnepark ten behoeve de landschappelijke inpassing
Er wordt gestreefd naar een optimale inrichting van het zonnepark. Hierbij spelen een aantal factoren een rol, die elkaar beïnvloeden. Daarbij gaan de ontwikkelingen op gebied van de zonnepanelen zelf vrij snel, zoals bv de toename van het vermogen per paneel/m², de grootte van een paneel en vooral ook de keuze tussen een oostwest of zuid opstelling. Hierbij komt dat, in tegen stelling tot andere parken, de netinpassing de bepalende factor is. De netcapaciteit van het windpark kan niet worden overschreden. Alleen op de momenten dat deze netcapaciteit niet volledig/optimaal wordt benut, kan door het zonnepark de beschikbare netcapaciteit worden gebruikt. In de onderstaande tabel is aangegeven wat het totaal opgesteld vermogen wordt bij verschillende opstellingsvarianten en het vermogen in Wp per paneel. Hierbij wordt uitgegaan van een maximaal netto oppervlakte voor zonnepanelen van 3,7 ha, 4800 panelen per ha bij een oostwest opstelling en 3600 panelen bij een zuid opstelling.
Tabel 1: Totaal opgesteld vermogen in Wp bij een Oost-west en Zuid opstelling en 3 verschillende vermogens per paneel Wp per paneel 420 540 660 Oost west opstelling 7.459.200 9.590.400 11.721.600 Zuid opstelling 5.594.400 7.192.800 8.791.200 Wordt uitgegaan van een maximaal mogelijk opgesteld vermogen van bv 8.500.000 Wp, dan blijkt uit de tabel dat bij een oostwest opstelling deze maximale capaciteit wordt overschreden bij een vermogen per paneel van 540 en 660 Wp. Bij een zuid opstelling is deze situatie aan de orde bij 660 Wp per paneel. Wijziging van een aantal factoren, zoals onderstaand aangegeven, kan leiden tot een aangepaste optimale opstelling. De optimale opstelling wordt ook nog mede bepaald door het percentage afschakelingen van het zonnepark als de maximale capaciteit wordt overschreden. Om tot een optimale inrichting te kunnen komen, is daarom voor diverse aspecten een range opgenomen. Ook de maximale opties vallen binnen de kaders die de gemeente heeft gesteld.
32
Factoren met een range en de range zelf. - Aantal panelen : 11100-17760 - Hellingshoek : van 10 tot 30 graden - Tiphoogte : van 1.50 tot 2.50 m - Aantal rijen boven elkaar : 3-6 rijen - Totaal vermogen : van 5-9 MWp - Vermogen per paneel : 320-700 Wp - Afstand tussen de rijen : 0,6-3m - Aantal transformatorstations : 2-4 De ontsluiting van het zonnepark zal in de bouwfase plaatsvinden via de Vlietweg, in de gebruiksfase via de Gastelse dijk zuid. Procedure Uitgebreide voorbereidingsprocedure Aangezien sprake is van een activiteit die is aangewezen in artikel 3.10 lid 1 sub a van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo), moet de uitgebreide voorbereidingsprocedure uit de Wabo worden gevolgd. Dat houdt in dat eerst een ontwerp van de omgevingsvergunning met de bijbehorende documenten ter inzage wordt gelegd op basis waarvan eenieder zijn zienswijze naar voren kan brengen. Na de periode van terinzagelegging van het ontwerp van de omgevingsvergunning, beslist het college van burgemeester en wethouders definitief binnen 6 maanden na ontvangst van de aanvraag.
Verklaring van geen bedenkingen gemeenteraad Artikel 2.27 van de Wabo in combinatie met artikel 6.5 van het Besluit omgevingsrecht (Bor) bepaald dat voor het verlenen van een omgevingsvergunning voor afwijken van het bestemmingsplan, eerst een verklaring van geen bedenkingen (vvgb) moet worden gevraagd aan de gemeenteraad. De gemeenteraad kan echter categorieën van gevallen aangeven waarbij een vvgb niet is vereist. De realisatie van het zonnepark valt niet in één van deze categorieën daarom is een verklaring van geen bedenkingen aangevraagd. Deze is door de gemeenteraad afgegeven op: ……..
33
4 Ruimtelijke en milieuaspecten 4.1 Natuur en landschap Per 1 januari 2017 is de nieuwe Wet natuurbescherming in werking getreden. Deze nieuwe wet vervangt drie voormalige wetten: de Natuurbeschermingswet 1998, de Boswet en de Flora- en faunawet. Op basis van de Wet natuurbescherming is het van belang bij de ruimtelijke planvorming vooraf te onderzoeken of en welke dier -en plantensoorten er in en nabij het plangebied voorkomen, wat hun beschermingsstatus is en wat de effecten zijn van de ingreep op het voortbestaan van de gevonden soorten.
Figuur 9: Initiatieflocatie binnen cirkel Bron: Natuurbeheerplan Brabant
34
Figuur 10; Initiatieflocatie op kaart Natuurbeheerplan Provincie Noord-Brabant
Op bovenstaande kaartuitsnede is het Natuurnetwerk Brabant weergegeven. In groen is de Bestaande Natuur zichtbaar. De Roosendaalse Vliet is als onderdeel van de NNB en EVZ weergegeven in okergeel. Het meest nabijgelegen Natura2000 gebied is gelegen op een afstand van 10 km van het initiatiefperceel en betreft de Brabantse Wal. De Wet natuurbescherming heeft evenwel ook betrekking op beschermde planten- en diersoorten buiten de aangewezen gebieden. Ten behoeve hiervan moet worden onderzocht of en welke dier- en plantensoorten er in het plangebied voorkomen en wat hun beschermingsstatus is. De beoogde ontwikkeling voorziet in de realisatie van een zonnepark. Het perceel is volledig agrarisch in gebruik en wordt regelmatig onderhouden. Het projectgebied maakt geen onderdeel uit van een natuur- of groengebied met een beschermde status, zoals Natura 2000. Het projectgebied maakt ook geen deel uit van het Natuurnetwerk Brabant. Vanwege de aard van de ontwikkeling, realisatie zonnepanelen, en de afstand tot beschermde natuurgebieden zijn negatieve effecten op voorhand uit te sluiten. Areaalverlies, versnippering, verandering van de waterhuishouding, verontreiniging, vermesting/verzuring en verstoring treden niet op.
Gelet hierop, én de afstand van het plangebied ten opzichte van Natura 2000-gebied, kan redelijkerwijs gesteld worden dat de beoogde ontwikkeling geen significante gevolgen heeft voor het behalen van de instandhoudingsdoelstellingen van Natura 2000-gebieden.
Landschap Het bestaande landschapsbeeld zal op perceelniveau veranderen. Het is noodzakelijk zorgvuldig te kijken naar de landschappelijke inpassing. Zonnepark Roosendaalsche Vliet BV vindt het belangrijk dat het zonnepark een bijdrage levert aan de biodiversiteit, bijvoorbeeld met speciaal daarvoor geselecteerde bloemenranden, zodat het de flora 35
en fauna ten goede komt. Gezien de ligging van het perceel, waarbij feitelijk alleen vanaf de Vlietweg op afstand op het perceel wordt gekeken, is maatwerk voor de landschappelijke inpassing toegepast. Aan de Noord en noord-oost zijde zijn bossages aanwezig waarmee het zicht op het perceel wordt weggenomen. Aan de zuidzijde wordt de watergang verbreed en een rietkraag gerealiseerd. De verdere detaillering van het plan voor landschappelijke inpassing is hieronder en in bijlage 1 weergegeven. Vanuit de zienswijze dat er zoveel als mogelijk getracht moet worden de biodiversiteit te versterken, (bloemrijke randen etc.) is er gebruik gemaakt van diverse begroeiingstypen. Het Noordoostelijk deel en het Westelijke deel worden versterkt door de aanleg van een gesloten struikbeplanting / houtwal. Aan de Noordzijde, langs de grens met een bestaand bos worden bomen geplant. Aan de Noord- en Zuidzijde wordt een knip of scheerhaag aangebracht. Tevens wordt er in het Noordoostelijk deel een poel aangelegd.
Bij de windturbine zal een informatiebord worden geplaatst waarmee voorbijgangers over het gecombineerde initiatief; zon en wind worden geïnformeerd. Het volledige Plan voor de landschappelijke inpassing is bijgevoegd in Bijlage 1
4.2 Geluid Het zonnepark op zich veroorzaakt geen geluidsemissie naar de directie omgeving. De zonnepanelen worden vastgelegd in of aan de constructie van de onderbouw van de zonnepanelen. Het zonnepark wordt echter gerealiseerd in de omgeving van windturbine 3 van het windturbinepark. Door windturbines vindt er wel een geluidsemissie plaats naar de directe omgeving/directe omwonenden. Hierbij komt de vraag aan de of door de combinatie van windturbines en het zonnepark er een toename van de geluidsemissie te verwachten is door de weerkaatsing van het geluid door de zonnepanelen. 36
Onderzoek Goeree-Overflakkee Op Goeree-Overflakkee is tussen Middelharnis en Stad aan ’t Haringvliet eveneens een combinatie van een windturbinepark en een zonnepark. Door Pondera is een onderzoek uitgevoerd naar de te verwachte geluidstoename op woningen door de combinatie windturbines en het zonnepark. De resultaten zijn beschreven in het rapport: Pondera “Akoestisch effect definitief ontwerp zonneweide op WP Haringvliet” d.d. 18 mei 2017 met project nummer 714123. In deze situatie is het zonnepark direct gelegen naast 3 windturbines, dit in tegen stelling tot bij het zonnepark Roosendaalsche Vliet, waar de afstand tussen turbine 3 en het zonnepark meer dan 200m. Daarnaast wordt op GoereeOverflakkee een woning (aan de Johannisweg 12 te Middelharnis) aan 3 kanten omsloten door de zonnepanelen en waarbij alle andere woningen op een afstand staan van 350m of meer. De afstanden bij het zonnepark van Roosendaalsche Vliet zijn groter dan 350m. De resultaten uit het onderzoek van Pondera geven aan dat er voor alle woningen op een grotere afstand van 350m er een toename is van 0,1 tot 0,2 Lden eenheden. (voor de woning tussen de zonnepanelen is dit 1,2 Lden). Conclusie.
Uit het onderzoek van Pondera valt af te leiden dat er in de situatie bij de Roosendaalsche Vliet een verwaarloosbaar tot geen effect te verwachten is van de geluidsbelasting op de woningen in de directe omgeving door de komst van het zonnepark. Onderzoek Evertkreekweg De bovenstaande aspecten zijn ook aan de orde geweest in de planologische procedure bij de realisatie van het project aan de Evertkreekweg. Er is een zienswijze ingediend namens enkele omwonenden aan de Wildenhoeksestraat. In opdracht van de initiatiefnemer van de “Evertkreekweg” is er door Peutz een onderzoek uitgevoerd naar de eventuele effecten. Door Peutz zijn de bevindingen verwoord in een rapportage d.d. 22 mei 2019 met de referentie “WvdM/WvdM/CJ/D 3155-2-NO-0. De conclusies uit dit onderzoek zijn : “In de zienswijze wordt gesteld dat de geluidbijdrage vanwege reflecties ertoe kan leiden dat de geluidbelasting van de windturbines met 3 dB kan toenemen. Dit is op onjuiste gronden gebaseerd. Er wordt voorbijgegaan aan maatgevende effecten die ertoe leiden dat er slechts een marginale toename optreedt van de geluidbelasting vanwege het zonnepark. Een en ander is reeds beschreven in het Peutz-rapport en aanvullend toegelicht.
Overige genoemde bezwaren zijn niet relevant en/of hebben geen invloed op de conclusie van het onderzoek namelijk dat uitgaande van een 'worst-case'berekening er rekenkundig slechts een marginale toename van +0,2 dB optreedt van de geluidbelasting van het windpark na realisatie van het zonnepark. “ Conclusies vertaald naar voorliggend initiatief De afstanden van het zonnepark Roosendaalsche Vliet tot aan woningen in de directe omgeving zijn groter dan in de beide onderzoeken. Uit beide onderzoeken blijkt dat er nagenoeg geen hoorbare toename te verwachten is. Dit geldt ook bij de realisatie van zonnepark Roosendaalsche Vliet voor de direct omwonenden. De rapportages van de onderzoeken zijn bijgevoegd in bijlage 2.
37
4.3 Veiligheid Beveiliging door middel van hekwerken is noodzakelijk om enerzijds de eigendommen te beschermen, anderzijds om te voorkomen dat derden zich op het terrein begeven waar gevaarlijke situaties kunnen ontstaan door de elektrische installaties met hoge spanningsniveaus.
Niet gesprongen explosieven Onderstaande is de risicokaart conventionele Explosieven opgenomen. Deze kaart geeft een indicatie van locaties in Roosendaal, waar mogelijk conventionele explosieven in de bodem gevonden kunnen worden.
Figuur 10: risicokaart conventionele explosieven met initiatieflocatie met blauwe cirkel aangegeven rechtsboven op de kaart
Initiatieflocatie betreft geen risicogebied.
4.4 Milieuhinder Door het aanbrengen van een zone tussen bedrijvigheid en milieugevoelige bestemmingen (zoals woningbouw) kan de overlast ten gevolge van bedrijfsactiviteiten zo laag mogelijk gehouden worden. Zonering is met name van toepassing bij nieuwbouw van woningen en andere gevoelige functies in de directe omgeving van een bedrijf en bij vestiging van een nieuw bedrijf in de directe omgeving van gevoelige bestemmingen. Op basis van de VNG-brochure ‘Bedrijven en Milieuzonering 2009’ wordt 38
onder milieugevoelige functies verstaan: woningen, woongebieden, ziekenhuizen, scholen en verblijfsrecreatie. Een zonnepark is niet gecategoriseerd in de VNG-brochure bedrijven en milieuzonering 2009. Hieraan kan dan ook geen richtafstand worden afgeleid. Op voorhand kan verwacht worden dat het aspect ‘weerkaatsing’ of ‘reflectie’ vragen oproept. Over het aspect ‘weerkaatsing’ en ‘reflectie’ kan het volgende worden gesteld op basis van kennis van zonnepanelen die beschikbaar is. Tegenwoordig wordt gebruik gemaakt van hoogwaardige panelen die voorzien zijn van antireflectieglas. Dit heeft als voordeel dat reflectie sterk wordt beperkt en de opgevangen energie zoveel mogelijk geabsorbeerd wordt en zodoende een hoog rendement oplevert. Op overige milieuaspecten zijn geen effecten te verwachten. In de omgeving van het beoogde zonnepark is beperkt bebouwing aanwezig. In het gebied begrensd door Vlietweg/Nieuwe Roosendaalse Vliet – Gastelsedijk zuid – Aanwas – A17 staat één agrarisch bedrijf en een aantal woningen. Het dichtstbij is het agrarisch bedrijf waarvan de grens van het bouwvlak ligt op 125 m en de bedrijfswoning op ruim 200 m. Op een afstand van ruim 400 m ligt de Roosendaalse roeivereniging. De woningen aan de Vlietweg (tenminste 675 m) en Gastelsedijk zuid (550 m) liggen op ruime afstand.
Het dichtstbijzijnde niet agrarische bedrijf op de Borchwerf II ligt op een afstand van ten minste 250 m. Op dit moment geldt een richtafstand van 30 meter tussen woningen en de agrarische functie van de gronden. De toevoeging van zonnepanelen op de agrarische gronden zal niet zorgen van een toename van deze richtafstand. Het aspect milieuhinder vormt derhalve geen belemmering voor de realisatie van het zonnepark.
4.5 Kabels en leidingen De initiatieflocatie grenst aan de oostkant aan de buisleidingstraat met een gebiedsaanduiding vrijwaringszone buisleidingstraat; een zone van 5 m daarin mogen geen nieuwe (beperkt) kwetsbare objecten worden gebouwd. Aan de zuidzijde ligt een 150 kV leiding. Aan de leidingbeheerders is toestemming gevraagd voor het realiseren van het zonnepark. De resultaten van de gevoerde overleggen zijn hieronder weergegeven en komen tevens aan de orde in de rapportage over de cocreatie zoals weergegeven in paragraaf 6.2 en bijlage 4. LS Ned is beheerder van de buisleiding straat. In een gesprek met LS Ned is overleg gevoerd over de noodzakelijke afstand van de buisleidingstraat tot aan de zonnepanelen. Voor deze minimale afstand wordt door LS Ned verwezen naar de eisen, zoals deze worden gesteld door de Gas Unie. Wordt aan de eisen van de Gas Unie voldaan, dan is ook LS Ned akkoord. Toegang tot het zonnepark. LS Ned is ook bereid om medewerking te verlenen voor de toegang tot het zonnepark, welke loopt over een eigen weg van LS Ned. Binnen de leidingstraat is de meest westelijke leiding, en daarmee de leiding die het dicht bij het zonnepark ligt, de gasleiding van de Gas Unie. De Gas Unie stelt eisen aan de minimale afstand, welke mede afhankelijk is van de grootte van de omwoners. Bij de parkinrichting wordt rekening
39
gehouden met deze eisen. De Gas Unie heeft geen bezwaren tegen het beoogde park als aan hun eisen wordt voldaan, deze zijn opgenomen in Bijlage 3. Door de beoogde locatie loopt de 380 kV leiding van Tennet van het onderstation aan de Zwaanhoefstraat naar het glastuinbouwgebied in Dinteloord, zie de licht blauwe lijn in de bijgevoegde kaart.
Figuur 11: Leidingen van Tennet (licht blauw) en het windpark (rood) Bron : Green Trust
De gestuurde boring onder de buisleidingstraat eindigt op het beoogde perceel, maakt een bocht naar het aangrenzende perceel van grondeigenaar 1 en loopt over dit perceel verder naar het westen. Met Tennet is per mail en telefonisch overleg gevoerd over de aanleg van het zonnepark. Tennet stelt hieraan de voorwaarde dat er een totale strook van 15 m dient vrij te blijven voor eventueel onderhoud aan deze leiding. Hierbij wordt er uitgegaan, waar het mogelijk is van een strook van 7,5m aan beide kanten van de leiding. Bij de parkinrichting wordt met deze voorwaarde rekening gehouden. Wordt aan deze voorwaarde voldaan, dan heeft Tennet geen bezwaar tegen de aanleg van het zonnepark. De netinpassing van het windturbinepark loopt eveneens door het beoogde zonnepark, zie de rode lijn op kaart hierboven. Met Enexis zijn 2 gesprekken gevoerd over de aanwezigheid van de aangegeven kabel door de beoogde locatie. Enexis stelt dezelfde voorwaarden als Tennet m.b.t. een vrije strook voor onderhoud van de kabel. Een breedte van 4m is echter voldoende. Daarnaast is er overleg gevoerd over de aansluiting van het zonnepark in het inkoopstation van het windturbinepark. Hiervoor is door de technisch beheerder een locatiebezoek uitgevoerd met Enexis. Hieruit is naar voren gekomen dat de aansluiting van het zonnepark in het inkoopstation mogelijk is.
Naast de aangegeven gesprekken en bezoek heeft er overleg plaats gevonden per telefoon en per mail. Bij de parkinrichting wordt rekening gehouden met de voorwaarden van Enexis. In een dergelijke situatie werkt Enexis mee aan de realisatie van het beoogde park.
4.6 MER beoordeling Voor activiteiten die zijn genoemd in lijst C en D in de bijlage bij het Besluit m.e.r. moet worden nagegaan of er sprake is van een geval waarin een m.e.r.-beoordelingsbesluit moet worden genomen (D-lijst) of een MER moet worden opgesteld en een m.e.r.-procedure moet worden doorlopen (Clijst). Voor elke activiteit is een drempelwaarde genoemd. Indien de drempelwaarde niet wordt 40
behaald moet een zogeheten ‘vormvrije m.e.r.-beoordeling’ worden uitgevoerd waarin wordt nagegaan of er sprake is van belangrijke negatieve gevolgen voor het milieu die een for mele m.e.r.beoordeling of een m.e.r. noodzakelijk maken. Een installatie voor de opwek van duurzame energie met behulp van zonnepanelen komt op geen van beide lijsten voor. Er hoeft daarom in geen geval aandacht te worden besteed aan de m.e.r.-plicht of m.e.r.-beoordelingsplicht op grond van het Besluit m.e.r.
4.7 Bodem Op grond van het Bro dient in verband met de uitvoerbaarheid van een plan rekening te worden gehouden met de bodemkwaliteit in het plangebied. Bij functiewijzigingen dient te worden bekeken of de bodemkwaliteit voldoende is voor de beoogde functie. In de Wet bodembescherming is bepaald dat indien de desbetreffende bodemkwaliteit niet voldoet aan de norm voor de beoogde functie, de grond zodanig dient te worden gesaneerd dat zij kan worden gebruikt voor de desbetreffende functie (functiegericht saneren). Voor een nieuw geval van bodemverontreiniging geldt, in tegenstelling tot oude gevallen (voor 1987), dat niet functiegericht maar in beginsel volledig moet worden gesaneerd. Het Bouwstoffenbesluit en het Besluit Bodemkwaliteit stellen verder regels hoe om te gaan met vrijkomende grond- en materiaalstromen en hoe deze toe te passen. Bij het voorgenomen gebruik in het plangebied is geen sprake van een transformatie naar een bodemgevoeliger gebruik en/of is de te bebouwen oppervlakte minder dan 50 m2 (vrijstellingsregeling). Hierdoor is onderzoek naar de bodemkwaliteit niet noodzakelijk. Het zonnepark wordt gevormd door bouwwerken, waar geen personen verblijven. Bovendien zijn geen grootschalige bodemingrepen aan de orde, waardoor grond moet worden afgevoerd. Binnen het terrein is sprake van een gesloten grondbalans.
Tot slot worden geen ernstige verontreinigingen verwacht, gelet op het voormalig agrarisch gebruik. Het is dus aannemelijk dat de bodemkwaliteit geschikt is voor de beoogde functie. De kwaliteit van de bodem staat daardoor de uitvoerbaarheid van de omgevingsvergunning niet in de weg. Om die reden kan worden geconcludeerd dat vanuit de bodemkwaliteit geen belemmeringen zijn te verwachten voor de ontwikkeling.
4.8 Luchtkwaliteit In het kader van een goede ruimtelijke ordening wordt bij het opstellen van een ruimtelijk plan uit het oogpunt van de bescherming van de gezondheid van de mens rekening gehouden met de luchtkwaliteit. Het toetsingskader voor luchtkwaliteit wordt gevormd door hoofdstuk 5, artikel 5.2 van de Wet milieubeheer. De Wet milieubeheer (Wm) bevat grenswaarden voor zwaveldioxide, stikstofdioxide en stikstofoxiden, fijn stof, lood, koolmonoxide en benzeen. Hierbij zijn in de ruimtelijke ordeningspraktijk langs wegen vooral de grenswaarden voor stikstofdioxide (NO2jaargemiddelde) en fijn stof (PM10-jaar- en daggemiddelde) van belang.
41
Op grond van artikel 5.16 van de Wm kunnen bestuursorganen bevoegdheden die gevolgen kunnen hebben voor de luchtkwaliteit onder andere uitoefenen indien de ontwikkelingen niet leiden tot een overschrijding van de grenswaarden of de ontwikkelingen niet in betekenende mate bijdragen aan de concentratie in de buitenlucht.
NIBM In dit Besluit 'niet in betekenende mate' is bepaald in welke gevallen een project vanwege de gevolgen voor de luchtkwaliteit niet aan de grenswaarden hoeft te worden getoetst. Hierbij worden twee situaties onderscheiden: -
-
een project valt in een categorie die is vrijgesteld aan toetsing aan de grenswaarden; deze categorieën betreffen onder andere woningbouwprojecten met niet meer dan 1.500 woningen bij één ontsluitingsweg en 3.000 woningen bij twee ontsluitingswegen. een project heeft een effect van minder dan 3% van de jaargemiddelde grenswaarde stikstofdioxide (NO2) en fijnstof (PM10).
Het zonnepark draagt niet in betekenende mate bij aan de luchtkwaliteit. Het project gaat namelijk in de gebruiksfase niet gepaard met verbranding van (fossiele) brandstoffen. Ook is er geen sprake van een significante verkeer aantrekkende werking. Alleen in de aanlegfase vinden wat meer verkeersbewegingen plaats. In de gebruiksfase vinden incidenteel verkeersbewegingen plaats die samenhangen met het beheer en onderhoud van het zonnepark. De verkeerbewegingen ten behoeve van het landbouwkundig gebruik vallen daartegen weg.
4.9 Cultuurhistorie en archeologie Archeologie De Erfgoedwet bundelt bestaande wet- en regelgeving voor behoud en beheer van het cultureel erfgoed in Nederland. Bovendien zijn aan de Erfgoedwet een aantal nieuwe bepalingen toegevoegd. Het beschermingsniveau zoals die in de oude wetten en regelingen golden, blijven gehandhaafd. De Erfgoedwet vormt straks samen met de nieuwe nog vast te stellen Omgevingswet het wettelijke fundament voor de archeologie in Nederland. Onderdelen van de voormalige Monumentenwet over archeologie worden te zijner tijd overgeheveld naar de Omgevingswet. Vooruitlopend op de datum van ingang van de Omgevingswet zijn deze artikelen te vinden in het Overgangsrecht in de Erfgoedwet, waar ze ongewijzigd van toepassing blijven zolang de Omgevingswet nog niet van kracht is. Voor de initiatieflocatie zijn geen bijzondere archeologische waarden bekend. Cultuurhistorie Op basis van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) is het wettelijk verplicht om in de toelichting van een bestemmingsplan of in een ruimtelijke onderbouwing een beschrijving op te nemen van de wijze waarop met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening is gehouden.
Naast archeologie (zie daarvoor paragraaf 4.2) dienen ook de facetten historische (stede)bouwkunde en historische geografie te worden meegenomen in de belangenafweging. Hierbij gaat het om zowel beschermde als niet formeel beschermde objecten en structuren. 42
In de directe nabijheid van het initiatief zijn geen bijzondere cultuurhistorische waarden.
4.10 Waterparagraaf Water en ruimtelijke ordening hebben met elkaar te maken. Enerzijds is water één van de sturende principes in de ruimtelijke ordening en kan daarmee beperkingen opleggen aan het ruimtegebruik. Anderzijds kunnen ontwikkelingen in het ruimtegebruik ongewenste effecten hebben op de waterhuishouding. Een goede afstemming tussen beide is daarom noodzakelijk om problemen, zoals bijvoorbeeld wateroverlast, slechte waterkwaliteit, verdroging, etc. te voorkomen. Per 1 november 2003 is door een wijziging van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) een watertoets in ruimtelijke plannen verplicht geworden. In deze paragraaf wordt beschreven op welke wijze in het plangebied met water en watergerelateerde aspecten wordt omgegaan. Waterbeleid 21e eeuw (Rijksbeleid) In het afgelopen decennium heeft Nederland meerdere keren te kampen gehad met wateroverlast. Dit heeft geresulteerd in een omslag in het waterbeleid en het denken over water. Het Rijk, de provincies, de waterschappen en de gemeenten zijn onder meer overeengekomen dat: • •
het water zoveel mogelijk moet worden vastgehouden, daarna moet worden geborgen en daarna pas afgevoerd mag worden; voor ruimtelijke plannen een zogenaamde watertoets uitgevoerd dient te worden, hierin dienen de keuzes ten aanzien van waterhuishoudkundige aspecten gemotiveerd beschreven te worden.
Beleid waterschap Brabantse Delta Het waterschap Brabantse Delta is verantwoordelijk voor het waterbeheer in de gemeente op basis van de volgende wettelijke kerntaken: het zuiveringsbeheer, watersysteembeheer, beheer van dijken en beheer van vaarwegen. Het watersysteembeheer -waaronder grondwater- heeft daarbij twee doelen: zowel de zorg voor gezond water als de zorg voor voldoende water van voldoende kwaliteit. Het beleid en de daarmee samenhangende doelen van het waterschap zijn opgenomen in het waterbeheerplan 2016-2021, wat tot stand is gekomen in samenspraak met de waterpartners. Zo zijn bijvoorbeeld relevante waterthema’s gekoppeld aan de belangrijkste ruimtelijke ontwikkelingen in de regio. Daarnaast heeft het waterschap waar nodig nog toegespitst beleid en beleidsregels op de verschillende thema’s/speerpunten uit het waterbeheersplan en heeft het waterschap een eigen verordening; De Keur en de legger. De Keur bevat gebods- en verbodsbepalingen met betrekking tot ingrepen die consequenties hebben voor de waterhuishouding en het waterbeheer. De legger geeft aan waar de waterstaatswerken liggen, aan welke afmetingen en eisen die moeten voldoen en wie onderhoudsplichtig is. Veelal is voor deze ingrepen een watervergunning van het waterschap benodigd. De Keur is onder andere te raadplegen via de site van waterschap Brabantse Delta.
Het waterschap hanteert bij nieuwe ontwikkelingen het principe van waterneutraal bouwen, waarbij gestreefd wordt naar het behoud of herstel van de ‘natuurlijke’ waterhuishoudkundige situatie. Vanwege dit principe wordt bij uitbreiding van verhard oppervlak voor de omgang met hemelwater uitgegaan van de voorkeursvolgorde infiltreren, bergen, afvoeren. De technische eisen en 43
uitgangspunten voor het ontwerp van watersystemen zijn opgenomen in de ‘beleidsregel Afvoer hemelwater door toename en afkoppelen van verhard oppervlak, en de hydrologische uitgangspunten bij de keurregels voor afvoeren van hemelwater’. Watertoets Het watertoetsproces is een belangrijk instrument om het waterbelang in ruimtelijke plannen en besluiten te waarborgen. Het gaat daarbij om alle waterhuishoudkundige aspecten, waaronder veiligheid, wateroverlast, watertekort, waterkwaliteit en verdroging, en om alle wateren: rijkswateren, regionale wateren en grondwater. Het is niet een toets achteraf, maar een proces dat de initiatiefnemer van een ruimtelijk plan en de waterbeheerder in een zo vroeg mogelijk stadium met elkaar in gesprek brengt. Het initiatief Het perceel is nu in gebruik als landbouwgrond. Met de realisering van het zonnepark zal het toekomstig verhard oppervlak niet significant toenemen. Door de realisatie van het zonnepark zal de grond niet verhard worden. Er is genoeg ruimte tussen de zonnepanelen om regenwater in de bodem te laten infiltreren. Er zal wel een trafohuisje worden opgericht. De maximale maat hiervan is nog niet bekend. Dit zal echter zo’n minimale toename van het verhard oppervlak inhouden dat dit op de naastgelegen grond kan worden opgevangen. Voor een deel is het perceel aangeduid als reserveringsgebied waterberging.
Initiatiefnemer zal met het waterschap overleggen hierover. Zonnepanelen worden van niet uitloogbare materialen gemaakt. Er zijn (daardoor) geen nadelige gevolgen voor de oppervlaktewaterkwaliteit. Ook voor het overige zijn geen effecten m.b.t. de waterhuishouding te verwachten. Met het waterschap is een vooroverleg gevoerd. Het waterschap vraagt aandacht voor: Het zonnepark ligt in buitendijks gebied. Alle initiatieven in buitendijks gebied moeten worden voorgelegd aan ons bestuur voor instemming. Indien wordt ingestemd is de ontwikkeling op eigenrisico en heeft het waterschap geen beschermingstaak bij overstromingen en inzet als berging van dit buitendijks gebied. De categorie A watergang wordt door het waterschap onderhouden toegankelijkheid naar en mogelijkheid tot onderhoud moet gewaarborgd blijven. Bij de hoogte van de stellages voor de zonnepanelen dient rekening te worden gehouden met de effecten van de inzet van de waterberging VolkerakZoommeer . Waterschap denkt graag mee bij de verdere vertaling van de aandachtpunten in een meer gedetailleerde uitwerking. Eerst dient echter de gemeente Roosendaal geen (planologische) bezwaren te hebben bij het initiatief. Het formele wateradvies volgt op basis van de aanvraag om een omgevingsvergunning en/of aanpassing van het bestemmingsplan
44
5 Conclusies Het vigerende bestemmingsplan voorziet niet in de realisatie van een zonnepark aan Vlietweg in Roosendaal Om de beoogde ontwikkeling planologisch-juridisch mogelijk te maken is een omgevingsvergunning in afwijking van het bestemmingsplan noodzakelijk. Het initiatief is acceptabel: -
-
de ontwikkeling past binnen het vigerende beleid van Rijk; de ontwikkeling past binnen het vigerende beleid van de provincie Nord-Brabant; de ontwikkeling past binnen het vigerende beleid van gemeente zoals o.a. verwoord in de Visie op Zonne-energie gemeente Roosendaal; met dit initiatief wordt door lokale ondernemers een zonnepark gerealiseerd en een bijdrage geleverd aan de productie aan duurzame energie met dubbelgebruik van bestaande netcapaciteit zoals aangelegd voor het windpark; de ontwikkeling is ruimtelijk en functioneel goed inpasbaar in de omgeving; de ontwikkeling heeft geen (onaanvaardbare) nadelige ruimtelijke of milieueffecten; de economische en maatschappelijke uitvoerbaarheid is gewaarborgd, voor het initiatief is een zorgvuldig co-creatieproces doorlopen.
Alle belangen afwegend kan worden geconcludeerd dat er geen sprake is van belemmeringen die de realisatie van een zonnepark aan de Vlietweg in Roosendaal in de weg staan. Realisatie van dit nieuwe gebruik volgens voorliggende inrichtingsplan(varianten) is in overeenstemming met een ‘goede ruimtelijke ordening’.
45
6 Uitvoerbaarheid 6.1 Economische uitvoerbaarheid Kostenverhaal In de Wro is in afdeling 6.4 de regelgeving rondom grondexploitatie opgenomen. Centrale doelstelling van deze afdeling is om in de situatie van particuliere grondexploitatie te komen tot een verbetering van het gemeentelijk kostenverhaal en de versterking van de gemeentelijke regie bij locatieontwikkeling. In artikel 6.12 van de Wro is bepaald dat de gemeenteraad een exploitatieplan vaststelt voor gronden waarop een bouwplan is voorgenomen. In artikel 6.2.1 Bro is vastgelegd wat onder een bouwplan wordt verstaan. De bouw van bouwwerken geen gebouwen zijnde vallen hier niet onder, waardoor het opstellen van een exploitatieplan niet noodzakelijk is. Tussen gemeente en initiatiefnemer wordt uiterlijk voorafgaand aan de publicatie van de definitieve omgevingsvergunning een anterieure overeenkomst gesloten waarin onder meer afspraken worden opgenomen over planschadevergoeding en verwijdering van het zonnepark na afloop van de 25 jaar dat het park is vergund.
Economische uitvoerbaarheid De beoogde ontwikkeling is een particulier initiatief. De voorgenomen ontwikkeling wordt door de initiatiefnemer uitgevoerd. De kosten in verband met de realisatie zijn voor rekening van initiatiefnemer. Voor de gronden ter plaatse van de ontwikkelingslocatie wordt een opstalrecht gevestigd. De eigenaar van de grond is tevens aandeelhouder van WP Roosendaalsche Vliet bv. Het zonnepark heeft geen nieuwe netinpassing nodig maar kan gebruik maken van de kabel die is aangelegd voor het windpark Roosendaalsche Vliet. Dit dubbelgebruik van de kabel heeft een positief effect op de economische uitvoerbaarheid. Voor de realisatie van de zonneweide wordt na verkrijging van de omgevingsvergunning, de SDE++subsidie aangevraagd. Uit onderzoek van de initiatiefnemer blijkt dat een zonnepark op de betreffende locatie qua projectrendement financieel haalbaar is, onder de aanname dat SDE++subsidie wordt verkregen.
46
6.2 Maatschappelijke uitvoerbaarheid Het ontwikkelen en plaatsen van een zonnepark dient te worden besproken met de omgeving; De bewoners van Roosendaal. ZP Roosendaalsche Vliet BV vormt door de samenstelling op zich al een vorm van burgerparticipatie.
Co-creatieproces. Door ZP Roosendaalsche Vliet BV is een uitvoerig co-creatieproces uitgevoerd. Hiervoor heeft er een uitvoerige en uitgebreide afstemming plaats gevonden met de gemeente Roosendaal. Het gehele proces is beschreven in een rapportage, welke is bijgevoegd als bijlage 4 aan deze ruimtelijke onderbouwing. De samenvatting en conclusies in de rapportage zijn : Door het zonnepark Roosendaalsche Vliet is een co-creatieproces doorlopen in het kader van het beleid van de gemeente Roosendaal. De samenvatting en conclusies zijn onderstaand weergegeven. A. Alle mogelijke methoden om de direct omwonenden en burgers van de gemeente Roosendaal te betrekken van “het idee naar een project” zijn toegepast. De coronaproblematiek heeft de uitvoering van het proces lastiger gemaakt. B. Met de direct omwonenden zijn individuele gesprekken gevoerd. C. De belangstelling om aan activiteiten deel te nemen was (zeer) beperkt tot gering. De meeste belangstelling ging uit naar de mogelijkheden voor financiële participatie. De uitwerking hiervan komt in een latere fase terug aan de orde. D. Tijdens de uitvoering van het co-creatieproces heeft geen enkele persoon zich uit gesproken tegen het beoogde zonnepark. (Dit hoort in principe ook thuis in het ruimtelijk ordeningsproces). E.
De direct omwonenden en tijdens de digitale bijeenkomst over de landschappelijke inpassing is nadrukkelijk naar voren gekomen om rekening te houden met een bijenproject en het stimuleren van de biodiversiteit. De beplanting dient hierop afgestemd te zijn, waarbij bloemrijke randen, struweel en/of scheerhagen een sterke voorkeur hebben. F. De direct omwonenden hebben er geen problemen mee als het zonnepark zichtbaar zou zijn vanaf de Vlietweg, mede omdat het ca 250m van de weg af ligt. G. De deelnemers worden in de periode tot aan de realisatie regelmatig geïnformeerd en betrokken over de ontwikkelingen van het project. Voor de financiële participatie mogelijkheden worden over ongeveer 1 jaar aparte, nieuwe activiteiten georganiseerd. Alle direct omwonenden en burgers van de gemeente Roosendaal kunnen hier aan deelnemen. H. Via de website van het zonnepark kunnen altijd reacties en/of vragen worden ingebracht. Regelmatig zal de stand van zaken/ontwikkelingen op de website worden vermeld.
47
7 Resultaten overleg met andere overheden en instanties - Provincie Noord-Brabant PM - Waterschap Brabantse Delta PM
8 Procedure In artikel 3.10 Wabo is bepaald dat op de voorbereiding van een omgevingsvergunning, zoals bedoeld in artikel 2.12, lid 1, onder a, onder 3, afdeling 3.4 Algemene wet bestuursrecht (Awb) van toepassing is. In afdeling 3.4 Awb is bepaald dat het ontwerp van de omgevingsvergunning gedurende 6 weken ter inzage zal liggen. Tijdens deze periode kan een ieder schriftelijk of mondeling zienswijzen kenbaar maken aan burgemeester en wethouders omtrent hun voornemen om medewerking te verlenen aan de onderhavige omgevingsvergunning.
48
Bijlagen
49
Bijlage 1: landschappelijke inpassing (losse bijlage)
Bijlage 2: Rapportages geluid zonneparken en windturbines (losse bijlage)
Bijlage 3: Uitgangspunten Gasunie
52
53
Bijlage 4: Rapport Cocreatie (losse bijlage) De verslagen van de bijeenkomsten zijn hieronder ingevoegd.
VERSLAG VAN DE DIGITALE BIJEENKOMST VAN 26 OKTOBER 2020 IN HET KADER VAN HET COCREATIEPROCES. 1. Algemeen. Zonnepark Roosendaalsche Vliet B.V. wenst een zonnepark te realiseren in de nabijheid van het windturbinepark Roosendaalsche Vliet. Door de gemeente Roosendaal is in het kader van haar beleid als onderdeel hiervan opgenomen dat een initiatiefnemer een co-creatie proces dient uit te voeren. Doel is om burgers te laten participeren in de ontwikkeling van het beoogde zonnepark. In dit kader is door Zonnepark Roosendaalsche Vliet een digitale bijeenkomst georganiseerd. Van deze bijeenkomst is dit verslag opgesteld. Hierin zijn de inhoud van de bijeenkomst en de inbreng van de deelnemers weergegeven. Datum Aanwezig aantal: - burgers en direct omwonenden - gemeente en initiatiefnemer Methodiek bijeenkomst Voorzitter
: 26-10-2020 : 15 deelnemers : 11 personen : via teams. : Jan Denissen
De bijeenkomst bestond uit 4 korte presentaties en een ruime gelegenheid voor de deelnemers om hun inbreng te leveren. Opname van geluidsband en vertrouwelijkheid. Voor de verslagging is een geluidsopname gemaakt van de bijeenkomst. De deelnemers hebben toestemming verleend voor het maken van deze geluidsopname. 2. Werving en deelname en verloop van de bijeenkomst. Om organisatorische redenen was het noodzakelijk dat de deelnemers zich vooraf dienen aan te melden. Voor de werving zijn de volgende activiteiten ondernomen: - aankondiging op de website Roosendaalsche Vliet - plaatsing van een aankondiging/artikel in “De Roosendaalse Bode” op 7 oktober 2020. - plaatsing van een 2de aankondiging in “De Roosendaalse Bode” op 21 oktober 2020 - melding door de gemeente op de Facebookpagina van de gemeente. 3. Verloop van de bijeenkomst. De bijeenkomst is een zeer rustige sfeer en gedisciplineerd verlopen. Tijdens de toelichting van de presentaties hebben er geen interrupties plaats gevonden. 54
Het aantal vragen en opmerkingen naar aanleiding van de presentaties was van beperkte aard. Er zijn weinig voorstellen en ideeën ingebracht. Er zijn geen bezwaren uitgesproken tegen het idee en tegen het beoogde zonnepark. 4. Korte samenvattingen van de presentaties. De presentaties van de onderdelen B, C en D zijn als aparte bijlagen aan dit verslag toegevoegd. A. Wethouder Klaar Koenraad: Het co-creatieproces en het ruimtelijk ordeningsproces. Wethouder Koenraad heeft in haar presentatie aan gegeven dat het vorige college van B en W een beleidsvisie heeft geschreven over de ontwikkelingen van zonneparken binnen de gemeente Roosendaal. Plaatsing van zonnepanelen op dak heeft de voorkeur maar plaatsing op landbouwgrond is noodzakelijk om aan de energiedoelstellingen van de gemeente te kunnen voldoen. De visie past goed binnen de Regionale Energie Strategie (RES). Door de gemeenteraad is in een later stadium een motie aangenomen, waarin de uitvoering van een co-creatieproces is vastgelegd. Hierdoor krijgen burgers de gelegenheid om te participeren in het proces en het project. In de RES is de doelstelling van 75ha netto oppervlakte opgenomen en een voorkeur voor een combinatie van een kabelgebruik van windenergie en zonne-energie. Zonnepark Roosendaalsche Vliet past perfect binnen deze voorkeur.
De gemeente Roosendaal wijst geen locaties aan, maar laat deze over aan initiatiefnemers. Het co-creatieproces is er opgericht om burgers mee te laten participeren in het project. Hiervoor kan er inbreng worden geleverd tijdens de projectontwikkeling over o.a. landschappelijke inpassing, beplantingen en bouwhoogte e.d. Maar verder ook om mee te investeren, de financiële participatie. Het co-creatieproces is niet gericht op wijziging van de locatie. Naast het spoor van het co-creatieproces is er een 2de spoor in het kader van het planologische procedure. Tijdens deze procedure is het mogelijk om zienswijzen/bezwaren in te dienen tegen het zonnepark. Het co-creatieproces en het planologische proces staan volledige los van elkaar. Bij de gemeente Roosendaal zijn 2 medewerkers betrokken bij de realisatie van de zonneparken. Dit zijn mevr. Claudia Steendijk als co-creatiecoördinator en mevr. Jolanda Verdoorn als (planologische) coördinator van de zonneparken. B. Projectleider Jan Withagen: Het idee voor het zonnepark Bij de presentatie wordt gebruik gemaakt van een power point presentatie. Deze is als bijlage aan dit verslag toegevoegd. Verwezen wordt naar deze bijlage voor verdere informatie bij een aantal onderwerpen. Het past zeer goed om bij de realisatie van een zonnepark gebruik te maken van de netinpassing van een windturbinepark.
De gemiddelde productie per maand van beide vormen van productie van elektriciteit vertoond een omgekeerd beeld. In de maand januari is de productie van een windturbinepark het hoogst. Aansluiting van een zonnepark 55
verhoogd de totale productie meer zeer weinig. In de andere maanden is de totale productie gemiddeld lager dan in de maand januari. Het is echter wel mogelijk dat gedurende korte periode, uitgedrukt in seconden of minuten er een te hoge productie plaats vindt en dat de netcapaciteit wordt overschreden. Er vindt dan een automatische uitschakeling plaats. Na afname van de productie vindt er weer een inschakeling plaats. De locatie is gelegen langs de Vlietweg, maar ca. 250 m vanaf de weg. Borchwerf ll ligt op de achtergrond. Aan de oostkant van het beoogde zonnepark ligt de buisleidingstraat. Door de gemeente zijn een aantal randvoorwaarden gesteld, waaraan een zonnepark moet voldoen en zijn er ook een aantal beperking m.b.t. de inrichting van het park (zie de bijlage). Er is de mogelijkheid voor een meervoudig grondgebruik. Het zonnepark denkt hierbij aan een combinatie met een bijenproject , maar andere vormen zijn ook mogelijk. Voor een bijenproject zijn contacten gelegd met enkele bijenverenigingen in de gemeente Roosendaal en de regio West Brabant. Deze tonen interesse voor een gezamenlijke opzet, maar dit moet nog volledig worden uitgewerkt. Andere vormen van meervoudig grondgebruik zijn denkbaar, maar dienen wel realistisch te zijn. De deelnemers worden opgeroepen suggesties in te brengen. De keuze voor een oostwest dan wel zuid opstelling moet nog worden gemaakt.
Hierbij spelen diverse factoren een rol, die elkaar ook beïnvloeden. De belangrijkste hierbij zijn: - ontwikkeling van de prijs per Wp - ontwikkeling van het vermogen per paneel - het verschil in productie per paneel bij de verschillende opstellingen - de ontwikkeling in de subsidieregeling. Het aantal panelen bij een oostwest opstelling ligt ca. 25% hoger dan bij een zuid opstelling. De investering is hierdoor hoger en daarmee ook het noodzakelijk in te brengen eigen vermogen. De beschikbaarheid van eigen vermogen kan ook meespelen in de keuze van de opstelling. C. Specialist Ruimtelijke Ordening Buitengebied Elly Brouwer: Het planologische traject en de Landschappelijke inpassing Planologisch traject. In januari 2019 is een principe verzoek voor medewerking ingediend bij de gemeente Roosendaal. Na een tijdje op de wachtlijst te hebben gestaan heeft de gemeente in het najaar van 2019 het licht op groen gezet voor een zonnepark van 3,7 ha netto oppervlakte panelen. Voor de ontwikkeling van het idee tot een project dienen er een aantal zaken te worden uitgevoerd, met name: - uitvoering co-creatieproces - sluiten van een overeenkomst tussen de gemeente en het zonnepark - het indienen van een officiële aanvraag voor een omgevingsvergunning met een looptijd van maximaal 25 jaar. De planologische procedure voor het verlenen van een omgevingsvergunning duurt maximaal 6 maanden.
Na deze periode is er nog de mogelijkheid tot het indienen van bezwaren tot en met de Raad van State toe. Voor het indienen van de omgevingsvergunning dient er een vorm vrije MER te worden uitgevoerd en een Ruimtelijke Onderbouwing te 56
worden opgesteld. Het is niet waarschijnlijk dat er een MER moet worden opgesteld. In de Ruimtelijke Onderbouwing dienen een groot aantal onderwerpen te worden beschreven en dient te worden aangetoond dat er aan een goede ruimtelijke ordening wordt voldaan.
Landschappelijke Inpassing. De gemeente stelt eisen aan de landschappelijke inpassing. Naast de landschappelijke inpassing dient er ook een gedeelte van de oppervlakte te worden gebruikt voor kwaliteitsverbetering landschap. De locatie is alleen zichtbaar vanaf de Vlietweg en ligt ca. 250m van de weg. Op de achtergrond is veel bebossing te zien. Bij de landschappelijke inpassing dient rekening te worden gehouden met de voorwaarden/eisen van de gemeente en de beperkingen van derden belanghebbenden in de directe omgeving van het zonnepark. Er zijn diverse vormen van landschappelijke inpassing mogelijk, waarbij er vanuit het zonnepark de wens is om hierbij rekening te kunnen houden met een bijenproject en de biodiversiteit. De deelnemers worden gestimuleerd om hun inbreng te leveren in de landschappelijke inpassing. D. Projectleider Jan Withagen: Participatie door de direct omwonenden en de inwoners van de gemeente Roosendaal. Bij de participatie zijn er 2 vormen, nl het leveren van inbreng bij het proces en middels financiële participatie. Het leveren van inbreng kan tijdens bijeenkomsten, via de website en individueel. Mogelijkheden zijn o.a. het doen van voorstellen, inbrengen van ideeën en deelnemen aan het ontwikkelingsproces etc. De financiële participatie kan door het inbrengen van eigen vermogen, door afname van de geproduceerde elektriciteit of de combinatie van beide.