CConstaterende datRoosendaal
Koppel je AI →
Document · PDF

05e - 97 - NL.IMRO.1674.1231PAULEMSENSSTR-0301 ruimtelijke onderbouwing.pdf

Gemeenteraad 1 juni 2023, gemeente RoosendaalBij agendapunt: 5.e: Voorstel 97: Afgifte definitieve verklaring van geen bedenkingen Paul Emsensstraat24.869 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

Beoordeling Ten behoeve van de woningbouwontwikkeling is in 2009 een inventariserend veldonderzoek uitgevoerd door middel van grondboringen. Geconcludeerd werd dat de oorspronkelijke ondergrond verwijderd of vergraven is, waarmee de kans op het aantreffen van archeologische sporen en vondsten zeer klein is. Er was geen aanleiding voor het verrichten van een aanvullend onderzoek. Daarmee is het besluitgebied vrijgegeven van archeologische waarden. In het vigerend bestemmingsplan is dan ook geen verplichting opgenomen voor het verrichten van nader onderzoek. Daarnaast maakt het bestemmingsplan al woningbouw in het gebied mogelijk. Er zijn met de voorgenomen situering van de nieuwe woning buiten het bouwvlak geen belemmeringen in het kader van archeologie. Wel geldt dat als er archeologische resten (vondsten, sporen et cetera) worden aangetroffen bij de grondwerkzaamheden, deze op grond van artikel 5.10 van de Erfgoedwet gemeld moeten worden bij de Minister van OCW en bij de gemeente. Conclusie Het aspect archeologie vormt geen belemmering voor onderhavig project.

32

Gemeente Roosendaal

4.6

Natuurgebieden Toetsingskader De Wet natuurbescherming (Wnb) is een wet van 16 december 2015, houdende regels ter bescherming van de natuur. De Wet natuurbescherming is in werking getreden op 1 januari 2017 en vervangt daarmee het voorheen geldende wettelijke stelsel voor de natuurbescherming, zoals neergelegd in de Natuurbeschermingswet 1998, de Flora- en faunawet en de Boswet. De wet regelt ten eerste de taken en bevoegdheden ten behoeve van de bescherming van natuurgebieden en planten- en diersoorten. Daarnaast bevat de wet onder meer bepalingen over de jacht en over houtopstanden. In de Wet natuurbescherming is de Europese regelgeving omtrent natuurbescherming, zoals vastgelegd in de Vogelrichtlijn (Richtlijn 2009/147/EG, 30 november 2009) en Habitatrichtlijn (Richtlijn 92/43/EEG, 21 mei 1992) als uitgangspunt genomen. De gebiedsbescherming van de Natura 2000gebieden is geregeld in hoofdstuk 2 van de Wnb. Beoordeling en conclusie Het dichtstbij gelegen Natura 2000-gebied betreft “Brabantse Wal”, dat is gelegen op een afstand van circa 600 meter ten zuidwesten van de planlocatie. Natura 2000gebieden kunnen schade ondervinden wegens diverse aspecten, zoals verdroging, oppervlakteverlies, verontreiniging, versnippering, optische verstoring, verzuring en vermesting.

Daar het plangebied niet grenst aan een Natura 2000-gebied of een beschermd natuurmonument, is van directe schade geen sprake. Op het aspect stikstofdepositie wordt navolgend ingegaan.

4.7

Stikstof Toetsingskader Het besluitgebied is gelegen op een afstand van circa 600 meter van het Natura 2000gebied “Brabantse Wal”. Dit betreft een gebied dat beschermd is krachtens Europese regelgeving. De bescherming is opgenomen in de Wet natuurbescherming (gebiedsbescherming). Aangetoond dient te worden dat met zekerheid geen significant negatieve effecten op dit gebied optreden als gevolg van de onderhavige ontwikkeling. Alleen indien geen sprake is van een significant negatief effect kan een project doorgang vinden. Voor een groot aantal potentiële effecten kan worden beredeneerd dat geen sprake is van een significant negatief effect. Voor het aspect stikstofdepositie kan dit echter niet op voorhand worden gesteld. Derhalve dient aan de hand van een berekening met het programma AERIUS de exacte mate van stikstofdepositie te worden bepaald. Beoordeling De exacte mate van stikstof dient voor een bouwplan zowel bepaald te worden voor de gebruiksfase als de aanlegfase. Voor beide fases is daarom door Aveco de Bondt in februari 2022 een AERIUS-berekening uitgevoerd, waarvan het rapport als bijlage 2 bij deze ruimtelijke onderbouwing is opgenomen. Navolgend worden de resultaten hiervan besproken.

Ruimtelijke onderbouwing “Paul Emsensstraat kavel 5 Wouwse Plantage”

33

De relevante emissies van stikstofoxiden (NO x) en ammoniak (NH3) ten behoeve van de woning vinden in de gebruiksfase plaats door de verkeersbewegingen van en naar de woning. De woning wordt volledig gasvrij uitgevoerd. De berekeningen voor peiljaar 2023 zijn verricht met behulp van het programma Aerius Calculator. Uit de berekening blijkt dat het projecteffect op de Natura 2000-gebieden kleiner is dan of gelijk is aan 0,00 mol/ha/jaar. Bij een dergelijke projectbijdrage zal het beoogde plan niet voor een significante toename in stikstofdepositie zorgen en kunnen negatieve effecten worden uitgesloten. Op basis van het onderzoek blijkt dat er geen ontheffing benodigd is voor het aspect stikstof. Conclusie Onderhavig initiatief voldoet aan de vereisten van de Wet natuurbescherming.

4.8

Flora en fauna Toetsingskader Het beschermingsregime betreffende soorten (flora en fauna) is opgenomen in hoofdstuk 3 van de Wnb. De verbodsbepalingen zijn hierbij afhankelijk gesteld van de soort (en daarmee de opname van die soort op de diverse lijsten) en de voorgenomen handelingen. Bovendien is een algemeen geldende zorgplicht opgenomen om handelingen achterwege te laten of maatregelen te treffen, om te voorkomen dat nadelige gevolgen ontstaan voor in het wild levende dieren en planten. Conform de Wet natuurbescherming is de initiatiefnemer bij ruimtelijke ingrepen verplicht op de hoogte te zijn van mogelijke voorkomende beschermde soorten binnen het plangebied. Vanuit die kennis dienen plannen en projecten getoetst te worden aan eventuele strijdigheid met de verbodsbepalingen uit de Wnb. Conform vaste jurisprudentie kan een plan worden vastgesteld indien aannemelijk wordt gemaakt dat het aspect flora en fauna niet aan de uitvoerbaarheid van het plan in de weg staat. Beoordeling Door Econsultancy is in 2009 een quickscan flora en fauna met aanvullend veldonderzoek uitgevoerd. Ter voorkoming van negatieve effecten voor broedvogels wordt geadviseerd om bomen, struiken en andere broedgelegenheden alleen buiten het broedseizoen te verwijderen.

In het kader van de zorgplicht dient bij het verwijderen van de beplanting op de onderzoekslocaties rekening te worden gehouden met de aanwezigheid van kleine zoogdieren en amfibieën. Dergelijke activiteiten vinden bij voorkeur niet plaats tijdens de winterslaap. Ook hierbij dient rekening gehouden te worden met het broedeizoen. Aangezien de planlocatie sinds de quickscan in ontwikkeling is en geconstateerd werd dat er geen belemmering is voor de voorgenomen ontwikkeling, kan worden aangenomen dat deze situatie niet is veranderd. Dit betekent dat alleen de algehele zorgplicht van toepassing blijft. Onderhavige ontwikkeling, waarbij één extra woning wordt toegevoegd, heeft geen gevolgen voor flora en fauna. De woning wordt namelijk binnen het eerder onderzochte plangebied gerealiseerd.

34

Gemeente Roosendaal

Conclusie Het voorgenomen project heeft geen gevolgen voor het aspect flora en fauna.

4.9

Wegverkeerslawaai Toetsingskader Op basis van artikel 76a van de Wet geluidhinder (Wgh) dienen bij het verlenen van een omgevingsvergunning waarbij met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 3° Wabo van het bestemmingsplan wordt afgeweken de waarden als bedoeld in de artikelen 82, 83, 85, 100 en 100a van de Wgh in acht te worden genomen, indien dat plan gelegen is in een zone als bedoeld in art. 74 lid 1 Wgh en (het betreffende onderdeel van) dat plan mogelijkheden biedt voor: ▪ de realisatie van woningen, andere geluidsgevoelige gebouwen en van geluidsgevoelige terreinen (functies zoals genoemd in art. 1 Wgh en art 1.2 Bgh – het Besluit geluidhinder zoals gewijzigd op 4 april 2012); ▪ de aanleg van een nieuwe weg en/of een reconstructie van een bestaande weg; ▪ functiewijzigingen van een niet-geluidsgevoelige functie in een geluidsgevoelige functie (bijvoorbeeld via afwijkings- of wijzigingsbevoegdheid). De onderzoekszone voor wegen zoals bedoeld in art. 74 lid 1 Wgh is afhankelijk van de hoeveelheid rijbanen. Onderstaande tabel geeft hier een overzicht van:

Aantal rijstroken 5 of meer 3 of 4 1 of 2

Stedelijk Buitenstedelijk Aantal meter aan weerszijden van de weg 350 m 600 m 350 m 400 m 200 m 250 m

Artikel 74 lid 2 Wgh regelt dat indien de bovengenoemde ontwikkelingen zijn gelegen binnen een als 'woonerf' aangeduid gebied of in een zone nabij wegen waarvoor een maximum snelheidsregime van 30 km/h geldt, de betreffende waarden niet in acht hoeven te worden genomen. Uit een akoestisch onderzoek moet blijken of, indien sprake is van een van de bovengenoemde ontwikkelingen binnen een zone als bedoeld in art. 74 lid 1 Wgh, deze binnen de waarden valt zoals deze voor diverse typen ontwikkelingen is vastgelegd in de Wgh. De grenswaarde voor de toelaatbare etmaalwaarde van de equivalente geluidbelasting van wegen binnen zones langs wegen is voor woningen 48 dB. In bijzondere gevallen is een hogere waarde mogelijk; Burgemeester en Wethouders zijn binnen de grenzen van de gemeente en onder voorwaarden bevoegd tot het vaststellen van een hogere waarde voor de ten hoogst toelaatbare geluidsbelasting. Beoordeling Ten behoeve van de woningbouwontwikkeling is in 2009 een akoestisch onderzoek uitgevoerd. Voor een beperkt deel van het besluitgebied werd toentertijd geconcludeerd dat de voorkeurswaarde werd overschreden. Aangezien er geen woningen binnen dat deel worden gerealiseerd en de 30km/uur-zone na de realisatie van het project verruimd gaat worden, werd het doorlopen van een hogere waarde procedure niet nodig geacht.

Ruimtelijke onderbouwing “Paul Emsensstraat kavel 5 Wouwse Plantage”

35

Omdat de extra toe te voegen woning binnen het onderzochte plangebied is gelegen en er slechts in beperkte mate wordt afgeweken van de bestaande bouwvlakken kan worden gesteld dat het aspect wegverkeerslawaai geen invloed heeft op de voorgenomen plannen. Conclusie Ten aanzien van het aspect wegverkeerslawaai zijn er geen beperkingen voor het voorgenomen initiatief.

4.10 Bedrijven en milieuzonering Toetsingskader Door het aanbrengen van een zone tussen bedrijvigheid en milieugevoelige bestemmingen (zoals woningbouw) kan de overlast ten gevolge van bedrijfsactiviteiten zo laag mogelijk gehouden worden. Zonering is met name van toepassing bij nieuwbouw van woningen en andere gevoelige functies in de directe omgeving van een bedrijf en bij vestiging van een nieuw bedrijf in de directe omgeving van gevoelige bestemmingen. Op basis van de VNG-brochure 'Bedrijven en Milieuzonering 2009' (hierna: VNG-brochure) wordt onder milieugevoelige functies verstaan: woningen, woongebieden, ziekenhuizen, scholen en verblijfsrecreatie. Sommige functies kunnen zowel milieubelastend als milieugevoelig zijn (bijvoorbeeld ziekenhuizen en scholen). Beoordeling Het initiatief betreft de nieuwbouw van één extra woning, waardoor ter plaatse een milieugevoelige functie wordt toegevoegd. Bij de beoordeling van een project voor de realisatie van een gevoelige functie moet enerzijds beoordeeld worden of de ontwikkeling geen gevolgen heeft voor de ontwikkelingsmogelijkheden van omliggende bedrijvigheid. Anderzijds moet getoetst worden of ten aanzien van de milieubelasting van deze bedrijvigheid een aanvaardbaar woon- en leefklimaat kan worden gegarandeerd.

Ten behoeve van de woningbouwontwikkeling aan de Plantagebaan als geheel is door de Regionale Milieudienst West-Brabant/Opifex in 2011 een onderzoek verricht naar het aspect bedrijven en milieuzonering. Uit dit onderzoek kwam naar voren dat er vanwege de aanwezigheid van een kerstbomenkwekerij in de nabijheid van het besluitgebied enige hinder is te verwachten. Er is sprake van een overschrijding van aanvaardbare geluidsbelasting doordat een tractor enkele keren per jaar langs het besluitgebied rijdt. Onder meer vanwege de lage frequentie en het niet omgevingsvreemde geluid, worden de overschrijdingen als aanvaardbaar geacht. Aangezien de kerstboomkwekerij nog steeds nabij het besluitgebied is gevestigd en de bedrijfsactiviteiten niet zijn gewijzigd, wordt uitgegaan van dezelfde geluidsbelasting. Voor het overige geldt dat is geen sprake is van hindergevende contouren van aanwezige bedrijvigheid in de omgeving. Derhalve wordt geen onaanvaardbare hinder verwacht voor het beoogde initiatief.

36

Gemeente Roosendaal

Conclusie Ter plaatse van de nieuw te bouwen woning is sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat in het kader van het aspect bedrijven en milieuzonering.

4.11 Externe veiligheid

Inrichtingen en externe veiligheid Toetsingskader Het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) is gericht aan het bevoegd gezag inzake de Wet milieubeheer en de Wet ruimtelijke ordening en heeft onder meer tot doel om bij nieuwe situaties toetsing aan de risiconormen te waarborgen. In de Regeling externe veiligheid inrichtingen (Revi) zijn o.a. standaardafstanden opgenomen waarbij wordt voldaan aan de grens- en richtwaarden voor het plaatsgebonden risico. Het Bevi is van toepassing op vergunningplichtige risicovolle bedrijven en de nabijgelegen al dan niet geprojecteerde (beperkt) kwetsbare objecten. In artikel 2, lid 1 van het Bevi is opgesomd wat wordt verstaan onder risicovolle bedrijven. In artikel 1 van het Bevi wordt toegelicht wat wordt verstaan onder (beperkt) kwetsbare objecten. Voor de toepassing van het Bevi, wordt een nieuw ruimtelijk besluit gezien als een nieuwe situatie. Beoordeling Om te bepalen of er in de directe omgeving bedrijven zijn gelegen waarop het Bevi van toepassing is, is de risicokaart geraadpleegd. De risicokaart doet blijken dat er op een afstand van circa 160 meter een LPG-vulpunt aanwezig is. Dit vulpunt is feitelijk echter niet meer aanwezig. Bovendien zou het besluitgebied niet zijn gelegen binnen het invloedsgebied van dit LPG-vulpunt. Voor het overige zijn er geen risicovolle inrichtingen gelegen nabij het besluitgebied.

Ruimtelijke onderbouwing “Paul Emsensstraat kavel 5 Wouwse Plantage”

37

Uitsnede risicokaart, waarop het besluitgebied is aangegeven met een rode ster (Bron: nederland.risicokaart.nl, 2018).

Conclusie Het aspect Bevi-inrichtingen vormt geen belemmering voor onderhavig project.

Transport en externe veiligheid Toetsingskader Beoordeling van de risico's veroorzaakt door het vervoer van gevaarlijke stoffen over het spoor, het water en de weg dient plaats te vinden aan de hand van het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt), als in werking per 1 april 2015. Bij het besluit horen grens- en richtwaarden voor het plaatsgebonden risico en richtlijnen voor de toepassing van de rekenmethodiek en de verantwoording van het groepsrisico. Bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen langs transportassen die deel uitmaken van het Basisnet Weg, Water en/of Spoor kan de berekening van het plaatsgebonden risico achterwege blijven. Hiervoor gelden namelijk de afstanden die in bijlage I, II en III van de Regeling basisnet zijn opgenomen. Op deze afstanden mag het plaatsgebonden risico vanwege het vervoer van gevaarlijke stoffen niet meer bedragen dan 10-6 per jaar. Voor het Basisnet Weg geldt dat daar waar in de tabel van bijlage 2 van het Bevt de afstand '0' is vermeld het plaatsgebonden risico vanwege het vervoer op het midden van de weg niet meer mag bedragen dan 10-6 per jaar. Beoordeling De projectlocatie ligt op geruime afstand van transportassen waarover transport van gevaarlijke stoffen plaatsvindt. Risicoberekeningen zijn dan ook niet relevant en er zijn geen consequenties voor het ruimtegebruik binnen het projectgebied. Conclusie

38

Gemeente Roosendaal

Het aspect transport en externe veiligheid vormt geen belemmering voor onderhavig plan. Buisleidingen en externe veiligheid Toetsingskader Beoordeling van de risico's veroorzaakt door het transport van gevaarlijke stoffen door buisleidingen geschiedt aan de hand van het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb), als in werking getreden per 1 januari 2011. Ten aanzien van het Bevb bestaat de noodzaak om een ruimtelijke reservering op te nemen voor het plaatsgebonden risico (PR) en een verantwoording van het groepsrisico (GR) van relevante buisleidingen. Binnen de PR 10-6 risicocontour mogen geen kwetsbare objecten aanwezig zijn en zo mogelijk ook geen beperkt kwetsbare objecten. Het verwachte aantal aanwezigen binnen het invloedsgebied van de buisleiding moet worden verantwoord. Dat invloedsgebied reikt bij brandbare vloeistoffen tot net buiten de 10 -6 contour, voor leidingen met aardgas en chemicaliën moet dat per geval berekend worden. Beoordeling Om te bepalen of er in de directe omgeving buisleidingen zijn gelegen waarop de circulaire van toepassing is, is de risicokaart geraadpleegd. Hieruit blijkt dat er in de directe omgeving van het besluitgebied geen relevante buisleidingen zijn gelegen. Dit aspect vormt dus geen beperking voor onderhavig project. Conclusie Het aspect buisleidingen en externe veiligheid vormt geen belemmering

4.12 Luchtkwaliteit Toetsingskader In het kader van een planologische procedure dient te worden aangetoond dat voldaan wordt aan de wettelijke normen voor wat betreft luchtkwaliteit. Hierbij dient het effect op de luchtkwaliteit in de omgeving als gevolg van een nieuwe ontwikkeling, als ook de toetsing aan de 'Wet luchtkwaliteit' in beeld te worden gebracht. De 'Wet luchtkwaliteit' van 15 november 2007, opgenomen in hoofdstuk 5, onder titel 5.2 van de Wet milieubeheer (Wm) gaat in op luchtkwaliteitseisen. In Bijlage 2 van de Wm zijn wettelijke grenswaarden vastgelegd van onder andere de stoffen stikstofdioxide (NO2), fijn stof (PM10), benzeen (C6H6), zwaveldioxide (SO2), lood (Pb) en koolmonoxide (CO). Voor PM10 geldt voor het jaargemiddelde een grenswaarde van 40 µg/m 3. Het 24uursgemiddelde van 50 µg/m3 mag maximaal 35 dagen per kalenderjaar worden overschreden. Voor NO2 geldt voor het jaargemiddelde een grenswaarde van 40 µg/m3. Het 24-uursgemiddelde van 200 µg/m3 mag maximaal 18 dagen per kalenderjaar worden overschreden. De 'Wet luchtkwaliteit' voorziet onder meer in een gebiedsgerichte aanpak van de luchtkwaliteit via het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL). Het

Ruimtelijke onderbouwing “Paul Emsensstraat kavel 5 Wouwse Plantage”

39

Rijk, provincies en gemeenten werken in het NSL-programma samen aan maatregelen om de luchtkwaliteit te verbeteren tot de normen, ook in gebieden waar nu de normen voor luchtkwaliteit niet worden gehaald (overschrijdingsgebieden). De programmaaanpak zorgt voor een flexibele koppeling tussen ruimtelijke activiteiten en milieugevolgen. Kort samengevat dienen projecten te worden beoordeeld op basis van de 'Wet luchtkwaliteit' c.q. artikel 5.16 van de Wet milieubeheer. Luchtkwaliteitseisen vormen onder de 'Wet luchtkwaliteit' geen belemmering voor vergunningverlening als: ▪ er geen sprake is van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde; ▪ een project, al dan niet per saldo, niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit leidt; ▪ een project 'niet in betekenende mate' bijdraagt aan de luchtverontreiniging; ▪ een project is opgenomen in een regionaal programma van maatregelen of in het NSL, dat op 1 augustus 2009 in werking is getreden. In artikel 2 van het 'Besluit niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen)' is opgenomen dat een project 'niet in betekenende mate' bijdraagt aan de luchtkwaliteit als de zogenaamde '3% grens' niet wordt overschreden. Na vaststelling van het NSL op 1 augustus 2009 is deze grens gedefinieerd als 3% van de grenswaarde voor de jaargemiddelde concentratie fijn stof (PM10) of stikstofdioxide (NO2).

Dit komt overeen met 1,2 microgram/m3 voor zowel PM10 als NO2. In artikel 4 van het Besluit niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen) en de bijlagen van de 'Regeling niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen)' is voor bepaalde categorieën projecten met getalsmatige grenzen vastgesteld dat deze 'niet in betekenende mate' (NIBM) bijdragen aan de luchtverontreiniging. Deze mogen zonder toetsing aan de grenswaarden voor luchtkwaliteit uitgevoerd worden. De wettelijke ondergrens voor onderzoek bij woningbouwlocaties bedraagt: • 1500 woningen (netto) bij minimaal 1 ontsluitingsweg; • 3000 woningen bij minimaal 2 ontsluitingswegen met een gelijkmatige verkeersverdeling. Beoordeling Onderhavige ontwikkeling betreft de nieuwbouw van één woning. Gesteld kan worden dat dit plan in verhouding tot de wettelijke ondergrens voor onderzoek, gelegen op de bouw van 1.500 woningen, niet in betekenende mate (NIBM) bijdraagt aan het verslechteren van de luchtkwaliteit. In het kader van een goede ruimtelijke ordening is een indicatie van de luchtkwaliteit ter plaatse van het plangebied gegeven. Dit is gedaan aan de hand van de NSLmonitoringstool 2020 (http://www.nsl-monitoring.nl/viewer/) die bij het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit hoort. De dichtstbijzijnde maatgevende weg is de Plantagebaan.

Uit de NSL-monitoringstool blijkt dat in 2020 de jaargemiddelde concentraties stikstofdioxide en fijn stof langs deze weg ruimschoots onder de grenswaarden lagen. Hierdoor is er ter plaatse van het plangebied sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Tot slot blijkt uit paragraaf 2.3 dat het aantal

40

Gemeente Roosendaal

verkeersbewegingen ten aanzien van het onderhavige planvoornemen slechts beperkt toeneemt. Daarmee kan worden gesteld dat met betrekking tot luchtkwaliteit een goed woon- en leefklimaat binnen het plangebied is gegarandeerd. Conclusie Geconcludeerd kan worden dat het aspect luchtkwaliteit geen belemmering vormt voor de onderhavige ontwikkeling.

4.13 Kabels en leidingen Toetsingskader De hierna volgende leidingen zijn planologisch relevant, voor zover zij geen deel uitmaken van een inrichting zoals bedoeld in de Wet milieubeheer.1 a. hoogspanningsverbindingen van 50 kV en hoger; b. buisleidingen voor transport van aardgas met een uitwendige diameter van meer dan 50 mm en een druk van meer dan 16 bar; c. buisleidingen voor transport van aardolieproducten met een uitwendige diameter van meer dan 70 mm en een druk van meer dan 16 bar; d. buisleidingen met een diameter van 400 mm of meer buiten de bebouwde kom; e. buisleidingen voor transport van andere stoffen dan aardgas en aardolieproducten, die risico’s met zich meebrengen voor mens en/of leefomgeving wanneer deze leidingen beschadigd raken.2 Beoordeling Ter plaatse van het besluitgebied zijn geen planologisch relevante kabels en leidingen aanwezig. Indien nodig zal in een later stadium (ter voorbereiding van de bouwwerkzaamheden) van onderhavig project een KLIC-melding worden uitgevoerd. Conclusie Er zijn geen belemmeringen met betrekking tot de aanwezigheid van kabels en leidingen.

4.14 Milieueffectrapportage en vormvrije m.e.r.-beoordeling Toetsingskader Behalve aan de uitvoeringsaspecten bedoeld in de Awb en het Bro dient ook te worden getoetst aan de Wet milieubeheer en het Besluit m.e.r. of er sprake is van een mogelijke verplichting tot het opstellen van een milieueffectrapportage. Een milieueffectrapportage (MER), en de bijbehorende procedure (m.e.r.), is een hulpmiddel om de belangen van het milieu volwaardig te betrekken bij de besluitvorming omtrent

‘Leidingen die deel uitmaken van een inrichting’ zijn leidingen binnen de inrichtingsgrens die in beheer zijn van de drijver van de inrichting én leidingen die in beheer zijn van derden waarmee een product wordt geleverd aan de betreffende inrichting (laatst genoemde leidingen hebben een zgn. functionele binding met de inrichting, zoals bedoeld in de Wet milieubeheer). 1

Onder zgn. ‘leidingen voor andere stoffen dan aardgas en aardolieproducten’ worden in ieder geval leidingen verstaan voor transport van nafta, waterstof, koolstofdioxide, stikstof, zuurstof, ethyleen en propyleen. 2

Ruimtelijke onderbouwing “Paul Emsensstraat kavel 5 Wouwse Plantage”

41

plannen en projecten. Het gaat hierbij wel enkel om plannen en projecten die kunnen leiden tot initiatieven waarmee het milieu mogelijk nadelig kan worden beïnvloed. Als uitgangspunt gelden voor projecten de onderstaande criteria om te beoordelen of een MER noodzakelijk is: 1. Er is sprake van een besluit dat voorziet in één of meerdere activiteiten boven de grenswaarden uit de C-lijst van het Besluit m.e.r. Een dergelijk besluit is aangewezen als MER-plichtig. 2. Er is sprake van een besluit dat voorziet in één of meerdere activiteiten boven de (indicatieve) grenswaarden uit de D-lijst van het Besluit m.e.r. Het besluit moet eerst worden beoordeeld om na te gaan of er sprake is van een m.e.r.-plicht; het besluit is dan m.e.r.-beoordelingsplichtig. Naar aanleiding van de m.e.r.beoordeling kan volgen dat er alsnog een MER moet worden opgesteld, of dat er geen belangrijke nadelige milieugevolgen zijn. 3. Activiteiten die o.g.v. een provinciale milieuverordening zijn aangewezen als MERplichtig. Per 1 april 2011 is het Besluit m.e.r. gewijzigd. De belangrijkste aanleidingen hiervoor zijn de modernisering van de m.e.r. wetgeving in 2010 en de uitspraak van het Europees Hof van 15 oktober 2009 (HvJ EG 15 oktober 2009, zaak C-255/08 – Commissie vs. Nederland). Deze wijziging heeft gevolgen voor de eerste twee criteria om te beoordelen of een MER noodzakelijk is.

Uit deze uitspraak volgt dat de omvang van een project niet het enige criterium mag zijn om wel of geen m.e.r.(-beoordeling) uit te voeren. Ook als een project onder de drempelwaarde uit de C- of D-lijst blijft, kan een project belangrijke nadelige gevolgen hebben, als het bijvoorbeeld in of nabij een kwetsbaar (natuur)gebied ligt. Gemeenten en provincies moeten daarom per 1 april van 2011 ook bij ‘kleine projecten’ (projecten onder de drempelwaarden van de C- of D-lijst) beoordelen of een m.e.r.(-beoordeling) nodig is. Dit wordt de ‘vormvrije m.e.r.beoordeling’ genoemd. Deze beoordeling houdt in dat er bekeken moet worden of er bij het initiatief sprake is van dusdanig bijzondere omstandigheden of milieueffecten dat er toch een MER moet worden opgesteld. Hierbij wordt gekeken naar de selectiecriteria uit bijlage III bij de m.e.r.-richtlijn (2011/92/EU), welke o.a. de omvang van het project, de cumulatie met andere projecten en het gebruik van natuurlijke hulpbronnen betreffen. Op 7 juli 2017 is opnieuw een wijziging van het Besluit m.e.r. in werking getreden. Eén van de belangrijkste gevolgen van deze wetswijziging is dat een aanmeldnotitie dient te worden opgesteld, op basis waarvan het bevoegd gezag dient te beoordelen of het noodzakelijk is een milieueffectrapportage op te stellen.

In de aanmeldnotitie dienen de effecten van de onderhavige bestemmingswijziging door middel van een vormvrije m.e.r.-beoordeling in beeld te worden gebracht. Beoordeling Een plan is kaderstellend voor een toekomstig m.e.r.-(beoordelings)plichtig besluit indien er sprake is van een overschrijding van de grenswaarden uit de C- of D-lijst van het Besluit m.e.r. In onderhavige situatie is er sprake van een nieuwe woningbouwmogelijk voor één vrijstaande woning. Een dergelijke activiteit wordt niet genoemd op de C-lijst. Het bouwen van woningen komt wel voor op de D-lijst, onder categorie D11.2, ‘de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen.’

42

Gemeente Roosendaal

Bij een dergelijke activiteit is er sprake van een m.e.r.-beoordelingsplichtig besluit indien de activiteit betrekking heeft op: 1. een oppervlakte van 100 hectare of meer; 2. een aaneengesloten gebied en 2000 woningen of meer omvat; 3. een bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m² of meer. In onderhavige situatie is er sprake van de een bouwmogelijkheid voor één vrijstaande woning. Daarmee blijft het plan ruimschoots onder de gestelde grenswaarde van 2000 woningen. Geconcludeerd kan worden dat het plan derhalve niet kaderstellend is voor een m.e.r.-(beoordelings)plichtig besluit. Wat betreft het eerste criterium geldt er derhalve geen plicht tot het opstellen van een MER. Indien de ontwikkeling aangemerkt dient te worden als een stedelijk ontwikkelingsproject in de zin van het Besluit m.e.r. dan dient een vormvrije m.e.r. uitgevoerd te worden. De vraag of er sprake is van een (wijziging van een) stedelijk ontwikkelingsproject is afhankelijk van aspecten zoals de aard en omvang van de voorziene wijziging. Het onderhavige initiatief heeft betrekking op de toevoeging van één vrijstaande woning in een bestaande woningbouwontwikkeling. De woonfunctie past binnen de vigerende bestemming “Wonen - 2”, enkel het bouwvlak is van onvoldoende omvang om de woning daadwerkelijk te kunnen bouwen.

De activiteit kan niet worden aangemerkt als een activiteit als bedoeld in kolom 1 van categorie 11.2 van onderdeel D van de bijlage bij het Besluit. Een vormvrije m.e.r.-beoordeling is niet noodzakelijk. Ten aanzien van het tweede criterium inzake een mogelijke MER-plicht, geldt dat er bij onderhavige situatie geen sprake is van een plan waarvoor een passende beoordeling nodig is in verband met een mogelijk negatief effect op Natura 2000-gebieden. Onderhavige ontwikkeling heeft met zekerheid geen mogelijk negatief effect op de Natura 2000-gebieden. Ten aanzien van het derde criterium geldt dat onderhavige activiteit niet is aangewezen als MER-plichtig op grond van de Interim omgevingsverordening. Er is dus geen sprake van de verplichting tot het opstellen van een MER en het doorlopen van de bijbehorende procedure of een vormvrije m.e.r.-beoordeling. Conclusie Zoals beschreven is er bij onderhavig plan geen sprake van een verplichting tot het opstellen van een MER en het doorlopen van de m.e.r.-procedure o.g.v. het Besluit m.e.r., de Wet natuurbescherming of de Interim omgevingsverordening. Het opstellen van een vormvrije m.e.r.-beoordeling is eveneens niet nodig gezien de aard en omvang van de voorziene wijziging.

Ruimtelijke onderbouwing “Paul Emsensstraat kavel 5 Wouwse Plantage”

43

5

ECONOMISCHE UITVOERBAARHEID

5.1

Toepassing Grondexploitatiewet Toetsingskader De Wet ruimtelijke ordening maakt het vaststellen van een exploitatieplan verplicht voor een aantal bouwactiviteiten wanneer de bouw planologisch mogelijk wordt gemaakt in o.a. een bestemmingsplan of omgevingsvergunning o.g.v. artikel 2.12, eerste lid, sub a onder 3° Wet algemene bepalingen omgevingsrecht. De bouwplannen waarbij een exploitatieplan verplicht is staan in artikel 6.2.1 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro): ▪ de bouw van een of meer woningen; ▪ de bouw van een of meer andere hoofdgebouwen; ▪ de uitbreiding van een hoofdgebouw met ten minste 1.000 m² of met een of meer woningen; ▪ de verbouwing van een of meer aangesloten gebouwen die voor andere doeleinden in gebruik of ingericht waren, voor woondoeleinden, mits ten minste 10 woningen worden gerealiseerd; ▪ de verbouwing van een of meer aaneengesloten gebouwen die voor andere doeleinden in gebruik of ingericht waren, voor detailhandel, dienstverlening, kantoor of horecadoeleinden, mits de cumulatieve oppervlakte van de nieuwe functies ten minste 1.500 m² bedraagt; ▪ de bouw van kassen met een oppervlakte van ten minste 1.000 m².

Geen exploitatieplan is nodig indien het verhaal van de kosten van grondexploitatie anderszins verzekerd is en er geen fasering of tijdvak behoeft te worden vastgelegd én geen locatie-eisen (aan openbare ruimte of woningbouwcategorieën) hoeven te worden vastgesteld. Beoordeling Er is sprake van de het toevoegen van een mogelijkheid voor de nieuwbouw van één extra woning. Het verhaal van kosten van grondexploitatie wordt anderszins verzekerd middels het sluiten van een anterieure overeenkomst en het verhalen van kosten via leges. Gelet hierop geldt geen verplichting tot het maken van een exploitatieplan. Een anterieure overeenkomst heeft tot doel het vastleggen van afspraken tussen de gemeente en een initiatiefnemer. De afspraken welke worden vastgesteld gaan onder andere over bouwrijp maken, kabels en leidingen, bouwschade aan de openbare ruimte, planschade en het kostenverhaal. Deze zaken zullen privaatrechtelijk worden vastgelegd. Conclusie Het verhaal van de grondexploitatiekosten is anderszins verzekerd. Derhalve is geen exploitatieplan nodig.

44

Gemeente Roosendaal

5.2

Economische uitvoerbaarheid De kosten in verband met de realisatie van het project zijn voor rekening van de initiatiefnemer. Voor de uitvoering zijn reeds de benodigde financiële middelen gereserveerd. De gemeente beperkt zich tot het verlenen van planologische medewerking aan de uitvoering van het project en draagt geen financiële risico’s voor de realisatie. Het verhaal van kosten inzake grondexploitatie wordt immers anderszins verzekerd. De gemeentelijke kosten voor het volgen van de procedure van een omgevingsvergunning zullen via de gemeentelijke legesverordening aan initiatiefnemer worden doorberekend. Hiermee zijn de kosten voor de gemeente afgedekt.

Ruimtelijke onderbouwing “Paul Emsensstraat kavel 5 Wouwse Plantage”

45

6

MAATSCHAPPELIJKE UITVOERBAARHEID

6.1

Inleiding In artikel 3.10 Wabo is bepaald dat op de voorbereiding van een omgevingsvergunning, zoals bedoeld in artikel 2.12, lid 1, onder a, onder 3°, Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo), afdeling 3.4 Algemene wet bestuursrecht (Awb) van toepassing is. In afdeling 3.4. Awb is bepaald dat het ontwerp van de omgevingsvergunning gedurende 6 weken ter visie zal liggen. Tijdens deze periode kan een ieder schriftelijk of mondeling zienswijzen kenbaar maken aan het college van burgemeester en wethouders omtrent hun voornemen om medewerking te verlenen aan de onderhavige omgevingsvergunning. Ter voldoening aan het bepaalde in artikel 6.18 Bor (Besluit omgevingsrecht) dient bij de voorbereiding van een omgevingsvergunning, waar nodig, overleg gepleegd te worden conform artikel 3.1.1. van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro).

6.2

Procedure Vooroverleg Artikel 3.1.1 van het Bro geeft aan dat, voorafgaand aan het verlenen van een omgevingsvergunning, het college van burgemeester en wethouders overleg plegen met de besturen van bij het plan betrokken waterschappen. Waar nodig plegen zijn tevens overleg met besturen van ander gemeenten, met de provincie, de inspecteur voor de ruimtelijke ordening en met eventuele andere diensten van Rijk en provincie die belast zijn met de behartiging van belangen die in het plan in het geding zijn. Vóór het opstarten van de procedure wordt deze ruimtelijke onderbouwing ter vooroverleg opgestuurd naar de diverse instanties. Tervisielegging De resultaten van de tervisielegging zullen te zijner tijd worden verwerkt in onderhavige ruimtelijke onderbouwing.

46

Gemeente Roosendaal

Ruimtelijke onderbouwing “Paul Emsensstraat kavel 5 Wouwse Plantage”

47

7

CONCLUSIE

Onderhavig project ziet toe op het mogelijk maken van één extra vrijstaande woning in een bestaand bouwplan in een nieuwbouwbuurt in Wouwse Plantage. Om de bouw van de woning mogelijk te maken dient te worden afgeweken van het vigerend bestemmingsplan. Door middel van onderhavige ruimtelijke onderbouwing is aangetoond dat de betreffende afwijking niet stuit op overwegende bezwaren van ruimtelijke, functionele, beleidsmatige of milieukundige aard. Er is sprake van een goede ruimtelijke ordening. Op basis van het bovenstaande kan worden geconcludeerd dat onderhavig project planologisch te verantwoorden is.

48

Gemeente Roosendaal

Bijlage 1 - Verkennend bodemonderzoek

Wematech Bodem Adviseurs B.V.

VERKENNEND BODEMONDERZOEK “PAUL EMSENSSTRAAT ONG.” WOUWSE PLANTAGE

Opdrachtgever :

PO Projecten vof Vijfhuizenberg 46 4708 AL Roosendaal

Projectnummer : Kenmerk rapport: Status rapport: Datum:

VBB-50180590 RN50180590.R001-0 Definitief 20 december 2018

UBI-code(s) locatie: Wbb-code locatie:

000000 n.v.t.

Projectleider

Ing. M.E. Haan

par:

(Mede)auteur

Ing. W.J.A. Buijs

par:

Wematech Advies Groep B.V. is gecertificeerd door KIWA volgens de gestelde criteria conform ISO-9001:2015 onder nummer KSC-K96808/02

Postbus 1817, 4700 BV Roosendaal . Windmolen 23, 4751 VM Oud Gastel Tel. +31 (0)165 565910 . Fax +31 (0)165 544468 . bodemadviseurs@wematech.nl . www.wematech.nl KvK 20104743 . BTW nr. NL 810303206B01 . Rabobank IBAN NL82 RABO 0102 5687 07 Algemene voorwaarden zijn gedeponeerd bij de Kamer van Koophandel

Kenmerk : Projectnummer :

RN50180590.R001-0 VBB-50180590

SAMENVATTING In opdracht van PO Projecten vof is door Wematech Bodem Adviseurs B.V. in december 2018 een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd ter plaatse van het perceel aan de Paul Emsensstraat ong. te Wouwse Plantage. Doel van het onderzoek is het verkrijgen van een inzicht in de actuele bodemkwaliteit ter plaatse van de onderzoekslocatie en op basis hiervan na te gaan of de bodemkwaliteit een belemmering kan opleveren voor de voorgenomen bouwplannen ter plaatse. Het veldwerk is uitgevoerd in december 2018. Bij de uitgevoerde grondboringen zijn op basis van zintuiglijke beoordeling, behoudens plaatselijk resten baksteen, geen relevante bijzonderheden en/of afwijkingen aangetroffen. De aangetroffen bijmengingen worden, zoals gesteld onder bijlage E 2.6. van de NEN5707+C1:2016 nl en bijlage A de NEN5725:2017, niet aangemerkt als zijnde asbestverdacht. Wet bodembescherming Geconcludeerd kan worden dat de bovengrond licht verontreinigd is met PAK en plaatselijk licht verontreinigd is met lood. De ondergrond is niet verontreinigd. Het grondwater is licht verontreinigd met zink. Besluit bodemkwaliteit Geconcludeerd kan worden dat de bovengrond plaatselijk voldoet aan de achtergrondwaarde en plaatselijk voldoet aan klasse wonen (en indicatief als toe te passen bodem voldoet aan klasse industrie). De ondergrond voldoet aan de achtergrondwaarde.

Voor een formeel oordeel van de toepassingsmogelijkheden van de vrijkomende grond (hergebruik) dient voldaan te worden aan hetgeen wat beschreven staat in de Regeling en het Besluit bodemkwaliteit (aanwezigheid bodemfunctiekaart en/of AP04 onderzoek). Vooralsnog dienen voor de overtollige grond, afkomstig van de onderzoekslocatie, de eisen van het binnen de gemeente van toepassing zijnde beleid in acht genomen te worden. Conclusie en advies Gezien de verkregen resultaten van het onderzoek dient de gestelde hypothese "niet verdachte locatie" formeel gezien verworpen te worden. Gezien de geringe overschrijdingen en het van nature voorkomen van verhoogde achtergrondgehaltes in het grondwater is het echter gerechtvaardigd de gestelde hypothese te accepteren. Op basis van het historisch onderzoek, de zintuiglijke beoordeling van de grond- en grondwatermonsters en de resultaten van het chemisch-analytisch onderzoek kan gesteld worden dat binnen de huidige functieklasse geen gebruiksbeperkingen hoeven te worden gesteld aan de onderzoekslocatie. De verkregen resultaten geven geen aanleiding tot het uitvoeren van een nader bodemonderzoek. De resultaten van het onderzoek vormen geen belemmering de voorgenomen bouwplannen ter plaatse te realiseren. Geadviseerd wordt de resultaten van het onderzoek bij de aanvraag om omgevingsvergunning te voegen.

Datum: Pagina:

20 december 2018 2 / 20

Kenmerk : Projectnummer :

RN50180590.R001-0 VBB-50180590

INHOUDSOPGAVE: Blz. SAMENVATTING 1.

INLEIDING

5

1.1. 1.2.

Aanleiding en doelstelling onderzoek Opbouw rapportage

5 5

2.

VOORONDERZOEK

6

2.1. 2.2. 2.3. 2.4. 2.5. 2.6. 2.7. 2.8. 2.9. 2.10.

Locatiegegevens Historie Huidige situatie Belendende percelen Bodemonderzoeken/saneringen Informatie regionale achtergrondconcentraties Geo(hydro)logie Toekomstige situatie Conclusie vooronderzoek Onderzoeksstrategie

6 6 6 7 7 8 8 9 9 9

3.

VERRICHTE WERKZAAMHEDEN

10

3.1. 3.2. 3.3. 3.4.

Inleiding Veldwerkzaamheden Afwijkingen op BRL SIKB 2000 Laboratoriumonderzoek

10 10 10 11

4.

RESULTATEN

12

4.1. 4.2. 4.3. 4.4. 4.5. 4.6.

Bodemopbouw Zintuiglijke waarnemingen Toetsing 4.3.1. Wet bodembescherming 4.3.2. Besluit bodemkwaliteit Grond Wet bodembescherming Grondwater Wet bodembescherming Grond Besluit bodemkwaliteit

12 12 12 12 13 14 15 16

5.

BESPREKING RESULTATEN

17

5.1. 5.2.

Grond Grondwater

17 17

6.

CONCLUSIES EN ADVIES

18

6.1. 6.2.

Conclusies Advies

18 18

7.

RESTRISICO EN BETROUWBAARHEID

19

7.1. 7.2.

Restrisico Betrouwbaarheid

19 19

GERAADPLEEGDE BRONNEN

Datum: Pagina:

20 december 2018 3 / 20

Kenmerk : Projectnummer :

RN50180590.R001-0 VBB-50180590

Datum: Pagina:

20 december 2018 4 / 20

BIJLAGEN: 1. Regionale situatieschets 2. Situatieschets met boringen en peilbuis 3. Profielbeschrijvingen grondboringen 4. Analyseresultaten grond 5. Analyseresultaten grondwater 6. Toetsingskader grond en grondwater Wbb 7. Foto’s onderzoekslocatie 8. Toetsingskader BBk

Kenmerk : Projectnummer :

1.

RN50180590.R001-0 VBB-50180590

INLEIDING

1.1. Aanleiding en doelstelling onderzoek In opdracht van PO Projecten vof is door Wematech Bodem Adviseurs B.V. in december 2018 een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd ter plaatse van het perceel aan de Paul Emsensstraat ong. te Wouwse Plantage. In bijlage 1 is de globale ligging van het perceel aangegeven in een regionale situatieschets. Het verkennend bodemonderzoek is uitgevoerd in verband met de voorgenomen nieuwbouw ter plaatse. In verband met deze bouwplannen wordt in het kader van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) door de overheid een inzicht gevraagd in de kwaliteit van grond en grondwater, alvorens een omgevingsvergunning (activiteit bouwen) verleend kan worden. Doel van het onderzoek is het verkrijgen van een inzicht in de actuele bodemkwaliteit ter plaatse van de onderzoekslocatie en op basis hiervan na te gaan of de bodemkwaliteit een belemmering kan opleveren voor de voorgenomen bouwplannen ter plaatse. Op basis van de verkregen informatie is, in overleg met de opdrachtgever, een onderzoeksprogramma opgesteld op basis van de Nederlandse Norm 5740. Deze norm beschrijft de werkwijze voor het opstellen van de onderzoeksstrategie bij uitvoering van een verkennend bodemonderzoek naar de aanwezigheid van bodemverontreiniging.

Als referentiekader bij de beoordeling van de resultaten worden de interventiewaarden uit de Circulaire bodemsanering per 1 juli 2013 en de (maximale) waarden uit de (wijzigingen) Regeling bodemkwaliteit gebruikt. Wematech Bodem Adviseurs B.V. werkt volgens een kwaliteitsborgingsysteem dat is gebaseerd op de NEN-EN-ISO 9001:2015 en de BRL SIKB 2000 “Veldwerk bij milieuhygiënisch bodem- en waterbodemonderzoek”. De werkzaamheden voor onderhavig onderzoek vallen binnen de reikwijdte van dit certificatieschema en worden onder certificaat uitgevoerd conform de beschreven kwaliteitseisen (protocol 2001 en 2002). De naleving wordt periodiek getoetst door externe auditors, onder toezicht van de Raad van Accreditatie. Verder is van belang te melden dat de te onderzoeken locatie geen eigendom is van Wematech Bodem Adviseurs B.V. dan wel gerelateerde (zuster)bedrijven. Tevens is Wematech Bodem Adviseurs onafhankelijk van de opdrachtgever en/of terreineigenaar. De wettelijke voorgeschreven functiescheiding is hiermede geborgd.

1.2. Opbouw rapportage In dit rapport wordt verslag gedaan van de uitgevoerde werkzaamheden. Het vooronderzoek, op basis van de NEN 5725, is opgenomen in hoofdstuk 2. Vervolgens worden in hoofdstuk 3 de verrichte werkzaamheden beschreven. In hoofdstuk 4 worden de resultaten van het onderzoek weergegeven en in hoofdstuk 5 worden de resultaten besproken. In hoofdstuk 6 zijn de conclusies en het advies opgenomen. Tot slot worden in hoofdstuk 7 het restrisico en de betrouwbaarheid van het onderzoek besproken.

Datum: Pagina:

20 december 2018 5 / 20

Kenmerk : Projectnummer :

2.

RN50180590.R001-0 VBB-50180590

VOORONDERZOEK Op basis van de verzamelde basisinformatie, aanleiding, en verdenking is het type vooronderzoek bepaald. Onderhavig onderzoek betreft een standaard vooronderzoek.

2.1. Locatiegegevens De onderzoekslocatie is gelegen aan de Paul Emsensstraat ong. te Wouwse Plantage. Het perceel is kadastraal bekend als gemeente Wouw, sectie H, nummers 1995 (ged.), 1004, 1996, 1993, en 1992. De onderzoekslocatie heeft een oppervlakte van circa 4250 m2. De onderzoekslocatie is gelegen ten noorden en zuiden van de Paul Emsensstraat, welke gelegen is nabij het centrum van Wouwse Plantage.

2.2. Historie - gebruik Op historische topografische kaarten is te zien dat de locatie tot halverwege vorige eeuw een agrarische functie had. Daarna was op de locatie een woning (voormalige Plantagebaan 192) met benzinepomp en ondergrondse benzine tank en een bovengrondse petroleumtank aanwezig. De tanks zijn in 1993 verwijderd waarvoor REIS-certificaten zijn afgegeven. Op de locatie is tevens een kolenopslag aanwezig geweest. De voormalige bebouwing is reeds geruime tijd geleden gesloopt en de locatie is reeds geruime tijd braakliggend. Bij de gemeente Roosendaal en de opdrachtgever was geen informatie bekend dat ter plaatse van de onderzoekslocatie overige potentieel bodembedreigende activiteiten hebben plaatsgevonden. - overig Voor zover bekend hebben zich ter plaatse van de onderzoekslocatie geen calamiteiten voorgedaan die tot gevolg hebben gehad dat verontreinigende stoffen op of in de bodem zijn geraakt. De locatie is op het bodemloket opgenomen als locatie waar eerder bodembedreigende activiteiten hebben plaatsgevonden en waar eerder bodemonderzoek is verricht (Plantagebaan 192, locatie-ID NB167400285). Uit de archeologische beleidskaart van de gemeente blijkt dat de locatie is gelegen in een gebied met een lage archeologische verwachtingswaarde. Voor zover bekend is liggen er op de onderzoekslocatie geen conventionele explosieven.

Aangezien er geen kaarten voorhanden zijn, is dit echter niet volledig uit te sluiten.

2.3. Huidige situatie Ter plaatse van het perceel is een onverhard en onbebouwd, braakliggend terrein gesitueerd. De Paul Emsensstraat kruist de locatie. Ter plaatse van de onderzoekslocatie en de directe omgeving vinden voor zover bekend geen potentieel bodembedreigende activiteiten plaats.

Datum: Pagina:

20 december 2018 6 / 20

Kenmerk : Projectnummer :

RN50180590.R001-0 VBB-50180590

Op het zuidelijke deel van de locatie blijkt na terreininspectie een gronddepot aanwezig te zijn (zie partijkeuring in maart 2018, beschreven in hoofdstuk 2.5). Het gronddepot is niet onderzocht tijdens onderhavig verkennend bodemonderzoek.

2.4. Belendende percelen Het bodemgebruik van de omliggende percelen is als volgt: - aan de noordzijde bevinden zich woningen met tuinen; - aan de oostzijde bevindt zich agrarische grond en bevinden zich woningen met tuinen; - aan de zuidzijde bevindt zich een openbare weg (Plantagebaan); - aan de westzijde bevindt zich een braakliggend terrein en bevinden zich woningen met tuinen.

2.5. Bodemonderzoeken/saneringen - eerdere bodemonderzoeken en saneringen locatie In mei 1999 is door Heeren Milieutechniek een verkennend bodemonderzoek verricht ter plaatse van de Plantagebaan 192 te Wouwse Plantage (deel huidige onderzoekslocatie). De bovengrond van de locatie was deels licht verontreinigd met koper, zink, minerale olie en PAK. Ter plaatse van de kolenopslagplaats werd een sterk verhoogd gehalte PAK aangetroffen in de bovengrond. Ter plaatse van de ondergrondse tank met benzinepompinstallatie werd in de bodem geen verontreiniging aangetroffen. Voor de locatie is destijds door de Regionale Milieudienst West-Brabant het advies gegeven om de sterke verontreiniging met PAK bij de kolenopslagplaats nader te onderzoeken. In september 1999 is door de RMD een (beperkt) nader bodemonderzoek verricht ter plaatse van de sterke PAK verontreiniging. Uit het rapport blijkt dat de omvang van de sterke verontreiniging beperkt is gebleven tot 40 m2 en een diepte van 20 cm. De verontreiniging hangt samen met de waargenomen bijmengingen met kolengruis. In totaal betrof het 8 m3 sterk verontreinigde grond. Er was geen sprake van een ernstig geval van bodemverontreiniging. In een memo van de RMD d.d. oktober 2000 is een korte vastlegging opgenomen van de verwijdering van ongeveer 16 m3 grond met koolas (PAK-verontreiniging).

De grond is afgevoerd naar het reinigingsbedrijf Jaartsveld Groenen Milieu te Steenbergen. Er zijn na afloop van de ontgraving geen monsters genomen van de achtergebleven grond (de uitkeuring vond plaats op basis van visuele waarnemingen). In februari is door ATKB een verkennend bodemonderzoek verricht op de locaties Plantagebaan 192 (huidig onderzoekslocatie) en Plantagebaan 204 (ten westen van de huidige onderzoekslocatie). De bodem ter plaatse van Plantagebaan 192 bestond voornamelijk uit matig tot zeer fijn, sterk humeus, matig siltig zand. In de bovengrond werden zwakke bijmengingen met puin aangetroffen. Op de locatie zijn bij de inspectie van het maaiveld en in de opgeboorde grond asbestverdachte materialen aangetroffen (2 stuks plaatmateriaal). De bovengrond was plaatselijk licht verontreinigd met PAK en plaatselijk niet verontreinigd. De ondergrond was niet verontreinigd. Het grondwater was licht verontreinigd met barium, koper, en zink. De aangetroffen asbestverdachte materialen bleken asbesthoudend te zijn (12,5% chrysotiel). Op de locatie plantagebaan 204 werd geen asbestverdacht materiaal aangetroffen en werden geen bodemvreemde bestanddelen aangetroffen. De grond was niet verontreinigd. Het grondwater was licht verontreinigd met barium, koper en zink.

Aangezien door de dichte begroeiing op beide locaties een veldinspectie naar asbest op het maaiveld nagenoeg onmogelijk was, werd aanbevolen de begroeiing op beide locatie te verwijderen en op beide locaties een maaiveldinspectie naar asbest uit te voeren. Voor een volledig overzicht van de resultaten wordt kortheidshalve verwezen naar de rapportage [ATKB, rapportnummer 20081570, d.d. 2 februari 2009].

Datum: Pagina:

20 december 2018 7 / 20

Kenmerk : Projectnummer :

RN50180590.R001-0 VBB-50180590

Op 28 september 2011 is door Wematech Bodem Adviseurs B.V. ter plaatse van het toenmalige kadastrale perceel 1862, gelegen achter Plantagebaan 204 en deel uitmakend van de huidige onderzoekslocatie een toplaaginspectie conform NEN 5707 uitgevoerd. Bij deze inspectie werden geen asbestverdachte materialen aangetroffen, wel werden plaatselijk brokjes puin en stukjes aardewerk aangetroffen. Voor een volledig inzicht in de resultaten wordt verwezen naar de rapportage [Wematech Bodem Adviseurs B.V., projectnummer: 001159/ASB-50110341, kenmerk briefrapport: GB111707, d.d. 30 september 2011]. Uit de beschrijving in de ruimtelijke onderbouwing van de huidige ruimtelijke plannen blijkt dat de gronden op basis van de uitgevoerde onderzoeken vrijgegeven zijn voor de beoogde woningbouw. In maart 2018 is het op de huidige onderzoekslocatie aanwezige gronddepot onderzocht. Geconcludeerd werd dat de grond voldeed aan de gestelde samenstellingseisen voor achtergrondwaarden. Voor een volledig overzicht van de resultaten wordt kortheidshalve verwezen naar de rapportage [Wematech Bodem Adviseurs B.V., projectnummer APG-50180201, kenmerk EJ50180201.R001-0, d.d. 28 maart 2018]. - eerdere bodemonderzoeken en saneringen omgeving In juli 2008 is op de naastgelegen locatie, Plantagebaan 194, een verkennend bodemonderzoek verricht door de RMD.

Voor het onderzoek is de locatie opgesplitst in twee delen, een verdachte deellocatie bestaande uit het boerenerf met de opstallen en een onverdachte locatie, te weten het aardappelveld. De laatste is betrokken bij de ontwikkeling van de nieuwbouw. De bovengrond van het aardappelveld was licht verontreinigd. De ondergrond was niet verontreinigd. Ook het grondwater was niet verontreinigd. De bodem was geschikt voor de functie wonen. Ter plaatse van het boerenerf was een deel van de bovengrond licht verontreinigd. De puinverharding bij de woning en de schuur was matig verontreinigd met PAK. De ondergrond was niet verontreinigd. Nabij de bestrijdingsmiddelenopslag was de grond licht verontreinigd met dieldrin. Plaatselijk was het grondwater licht verontreinigd met benzeen. Er werd analytisch-chemisch geen asbest aangetroffen in de grond. Wel zijn op het maaiveld stukjes asbestverdacht materiaal waargenomen.

2.6. Informatie regionale achtergrondconcentraties Er is bij de gemeente en de provincie informatie beschikbaar over mogelijk regionaal verhoogde achtergrondconcentraties in het grondwater op en nabij de locatie. Op basis van de bestudeerde onderzoeksgegevens blijkt dat regionaal verhoogde concentraties zware metalen in het grondwater worden gemeten zonder dat hiervoor een duidelijke bron van verontreiniging is aan te wijzen. De locatie is volgens de gemeentelijke bodemkwaliteitskaart gelegen in de kwaliteitszone achtergrondwaarde met als bodemfunctieklasse wonen.

2.7. Geo(hydro)logie De ondergrond in Westelijk Noord-Brabant is opgebouwd uit afzettingen, die geo(hydro)logisch kunnen worden onderverdeeld in relatief goed en slecht waterdoorlatende lagen. In de ondergrond van Westelijk Noord-Brabant komen twee watervoerende pakketten voor, min of meer gescheiden door een slecht doorlatende laag. Het eerste watervoerende pakket (formatie van Twente en Sterksel) is over het algemeen zeer wisselend en varieert zeer sterk in dikte. De scheidende laag bestaat uit de afzetting van Kallo, waarin bovenin een ca. 10 meter dikke kleilaag (Kallo Klei) aanwezig is. Het diepste watervoerende pakket wordt gevormd door de Zanden van Kattendijk. De geo(hydro)logische basis wordt gevormd door de Boomse Klei.

Datum: Pagina:

20 december 2018 8 / 20

Kenmerk : Projectnummer :

RN50180590.R001-0 VBB-50180590

De regionale stromingsrichting van het grondwater is, op basis van de grondwaterkaarten van de Dienst Grondwaterverkenning TNO, noord tot noordwestelijk. Hoewel, voor zover bekend, in de directe omgeving geen particuliere grondwateronttrekking plaats vindt, is een particuliere onttrekking van grondwater niet uit te sluiten. Gegevens hieromtrent zijn echter niet beschikbaar.

2.8. Toekomstige situatie De opdrachtgever is voornemens ter plaatse nieuwbouw te realiseren.

2.9. Conclusie vooronderzoek Op basis van de verkregen informatie is de hypothese gesteld dat ter plaatse van de onderzoekslocatie geen bodemverontreiniging is te verwachten. De onderzoekslocatie is aangemerkt als een onverdachte locatie.

2.10. Onderzoeksstrategie In tabel 2.1 wordt een overzicht gegeven van de geplande werkzaamheden gebaseerd op de NEN 5740 (strategie onverdacht niet lijnvormig). Tabel 2.1. Uit te voeren werkzaamheden Locatie

Locatie

Protocol

ONV-NL

Verharding

Onverhard

Aantal boringen tot 0,5 en tot 2 m-mv m-mv 11 3

en peilbuis 1

Aantal analyses Grond 2 standaard bg 1 standaard og

Grondwater 1 standaard gw

Het standaardpakket voor landbodem en grond bestaat uit de volgende parameters: • 9 metalen: barium (Ba), cadmium (Cd), kobalt (Co), koper (Cu), kwik (Hg), lood (Pb), molybdeen (Mo), nikkel (Ni), zink (Zn); • PAK (10 VROM); • PCB (7); • minerale olie; • lutum- en humusgehalte. Het standaardpakket voor grondwater bestaat uit de volgende parameters: • 9 metalen: barium (Ba), cadmium (Cd), kobalt (Co), koper (Cu), kwik (Hg), lood (Pb), molybdeen (Mo), nikkel (Ni), zink (Zn) • VAK (vluchtige aromatische koolwaterstoffen); benzeen, tolueen, ethylbenzeen, som-xylenen (som o, m, p), styreen en naftaleen; • VOCl (vluchtige gehalogeneerde koolwaterstoffen): vinylchloride, 1,1-dichlooretheen, dichloormethaan, trans-1,2-dichlooretheen, cis -1,2-dichlooretheen, som 1,2-dichlooretheen, 1,1dichloorethaan, chloroform, 1,1,1-trichloorethaan, tetrachloormethaan, 1,2 dichloorethaan, trichlooretheen, 1,2-dichloorpropaan, 1,1-dichloorpropaan, 1,3-dichloorpropaan, som dichloorpropanen, 1,1,2-trichloorethaan, tetrachlooretheen en bromoform; • minerale olie (GC). De geleidbaarheid, zuurgraad en troebelheid zullen tijdens het bemonsteren van het grondwater worden bepaald.

Datum: Pagina:

20 december 2018 9 / 20

Kenmerk : Projectnummer :

3.

RN50180590.R001-0 VBB-50180590

VERRICHTE WERKZAAMHEDEN

3.1. Inleiding Voor het onderzoeksprogramma zijn de richtlijnen van de Nederlandse Norm 5740 als uitgangspunt gehanteerd. Het bodemonderzoek heeft betrekking op het terrein zoals dat in bijlage 2 is weergegeven. De veldwerkzaamheden worden uitgevoerd volgens de protocollen 2001 en 2002 behorende bij de BRL SIKB 2000.

3.2. Veldwerkzaamheden Voordat met het veldwerk is begonnen, is, zoals te doen gebruikelijk, het maaiveld van het terrein visueel gecontroleerd op mogelijke verontreinigingen als gevolg van o.a. illegale lozingen en/of stortingen (bijv. afgewerkte olie, gevaarlijk afval, asbestverdachte materialen e.d.). Tijdens deze controle zijn geen bijzonderheden aangetroffen. Ten aanzien van de inspectie voor asbest dient opgemerkt te worden dat hier voldoende aandacht aan is besteed doch deze inspectie is niet overeenkomstig de voorschriften in de NEN5707 uitgevoerd. De gegevens van de uitvoering van het veldwerk is aangegeven in tabel 3.1. Tabel 3.1. Overzicht uitgevoerde veldwerkzaamheden en veldwerkers Omschrijving Protocol Datum Plaatsen grondboringen 2001 12-12-2018 Plaatsen peilbuis

2001

12-12-2018

Bemonsteren peilbuis

2002

19-12-2018

Erkende veldwerker(s) J.R. Flanagan J.M. Verspoor (i.o.) J.R. Flanagan J.M. Verspoor (i.o.) R.J.N. van Hemelrijck

De profielen van de uitgevoerde grondboringen zijn beschreven en de opgeboorde grond is zintuiglijk beoordeeld. De profielbeschrijvingen van de grondboringen zijn opgenomen in bijlage 3. De grond is bemonsterd per traject van maximaal 50 cm. De situering van de boorplaatsen en de peilbuis is aangegeven in bijlage 2. Foto’s van de onderzoekslocatie zijn opgenomen in bijlage 7.

3.3. Afwijkingen op BRL SIKB 2000 Bij de uitvoering van de veldwerkzaamheden is niet afgeweken van de protocollen 2001 en 2002 behorende bij de BRL SIKB 2000.

Datum: Pagina:

20 december 2018 10 / 20

Kenmerk : Projectnummer :

RN50180590.R001-0 VBB-50180590

3.4. Laboratoriumonderzoek De verzamelde grond- en grondwatermonsters zijn zo spoedig mogelijk na monsterneming aangeboden aan het laboratorium met RvA accreditatie SYNLAB Analytics & Services te Rotterdam, waar conservering en analyse volgens de AS3000 heeft plaatsgevonden. - grond Het laboratorium is verzocht mengmonsters samen te stellen en te analyseren volgens tabel 3.2. Het analysecertificaat van de grondmengmonsters is opgenomen in bijlage 4. Tabel 3.2. Mengmonsters grond Deellocatie Mengmonster MM1 Boringnummers 01 (0-50) 02 (0-50) met traject (cm-mv) 03 (0-50) 04 (0-50) 05 (0-50) 06 (0-50) 07 (0-50) 08 (0-50) 09 (0-50) 10 (0-50) Motivatie Algemene kwaliteit bovengrond Analysepakket Standaardpakket

Locatie MM2 11 (0-20) 12 (0-50) 13 (0-50) 14 (0-50) 15 (0-50)

MM3 01 (50-100) 01 (100-150) 06 (100-150) 06 (150-200) 13 (100-150) 13 (150-200)

Algemene kwaliteit bovengrond Standaardpakket

Algemene kwaliteit ondergrond Standaardpakket

- grondwater Het laboratorium is verzocht het aangeboden grondwatermonster te analyseren volgens tabel 3.3. Het analysecertificaat is opgenomen in bijlage 5. Tabel 3.3. Grondwatermonster Deellocatie Peilbuisnummer met filterstelling (cm-mv) Motivatie Analysepakket

Locatie 06 (270-370) Algemene kwaliteit grondwater Standaardpakket

De geleidbaarheid, zuurgraad en troebelheid zijn tijdens het bemonsteren van het grondwater bepaald.

Datum: Pagina:

20 december 2018 11 / 20

Kenmerk : Projectnummer :

4.

RN50180590.R001-0 VBB-50180590

RESULTATEN

4.1. Bodemopbouw De beschrijvingen van de bodemprofielen zijn opgenomen in bijlage 3. Aan de hand van de uitgevoerde grondboringen kan een globale beschrijving van de bodemopbouw worden gegeven. Deze globale beschrijving wordt weergegeven in de volgende tabel. Tabel 4.1. Globale beschrijving bodemopbouw Traject (cm-mv) Grondsoort 0-100 Sterk humeus zwak siltig matig fijn zand 100-200 Sterk siltig zeer fijn zand 200-250 Sterk zandig leem 250-370 Zwak zandig leem

4.2. Zintuiglijke waarnemingen Bij de uitgevoerde grondboringen en het bemonsteren van het grondwater zijn op basis van zintuiglijke beoordeling onderstaande relevante bijzonderheden en/of afwijkingen aangetroffen. Tabel 4.2. Overzicht bijzonderheden/afwijkingen Boring-/peilbuisnummer Traject (cm-mv) 11 0-20

Bijzonderheden/afwijkingen Resten baksteen

4.3. Toetsing 4.3.1. Wet bodembescherming De analyseresultaten van de grond worden beoordeeld aan de hand van de achtergrondwaarden uit bijlage B van de (wijzigingen) Regeling bodemkwaliteit en de interventiewaarden uit de Circulaire bodemsanering per 1 juli 2013. De analyseresultaten van het grondwater worden beoordeeld aan de hand van de streef- en interventiewaarden uit de Circulaire bodemsanering per 1 juli 2013. De betekenis van de normwaarden is als volgt: Achtergrondwaarden: geven het niveau aan voor een goede bodemkwaliteit, waarvoor geldt dat er geen sprake is van belasting door lokale verontreinigingsbronnen. Streefwaarden:

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://raad.roosendaal.nl/api/v1/meetings/1428/documents/38262