CConstaterende datRoosendaal
Koppel je AI →
Document · PDF

05e - 97 - NL.IMRO.1674.1231PAULEMSENSSTR-0301 ruimtelijke onderbouwing.pdf

Gemeenteraad 1 juni 2023, gemeente RoosendaalBij agendapunt: 5.e: Voorstel 97: Afgifte definitieve verklaring van geen bedenkingen Paul Emsensstraat24.869 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 3

Compositie 5 stedenbouw bv Boschstraat 35 4811 GB Breda telefoon

076 – 5225262

email

info@c5s.nl

internet

www.c5s.nl

kvk Breda

20083802

Gemeente Roosendaal Ruimtelijke onderbouwing “Paul Emsensstraat kavel 5 Wouwse Plantage”

Projectnummer: Datum:

205178 14 februari 2022

Gemeente Roosendaal Ruimtelijke onderbouwing “Paul Emsensstraat kavel 5 Wouwse Plantage”

Opdrachtgever: Datum: Referentie: Projectverantwoordelijke: Projectmedewerker:

PO Projecten vof 14 februari 2022 205178ro12 Dhr. ing. M.J. Volbeda Dhr. mr. M.J.A.B. Elsman

INHOUD

1 1.1 1.2 1.3 1.4

INLEIDING Aanleiding Ligging besluitgebied Vigerend bestemmingsplan Leeswijzer

3 3 3 4 5

2 2.1 2.2

PLANBESCHRIJVING Bestaande situatie Beoogde situatie

2.3

Verkeer en parkeren

7 7 7 9 9

3 3.1 3.2 3.3 3.4 3.5

BELEIDSKADERS Inleiding Rijksbeleid Provinciaal beleid Provinciaal beleid Gemeentelijk beleid

11 11 11 15 16 22

4 4.1 4.2 4.3 4.4 4.5 4.6 4.7 4.8 4.9 4.10 4.11 4.12 4.13 4.14

PLANOLOGISCH RELEVANTE (MILIEU)ASPECTEN Inleiding Bodem Waterhuishouding Cultuurhistorie Archeologie Natuurgebieden Stikstof Flora en fauna Wegverkeerslawaai Bedrijven en milieuzonering Externe veiligheid Luchtkwaliteit Kabels en leidingen Milieueffectrapportage en vormvrije m.e.r.-beoordeling

25 25 25 26 30 32 33 33 34 35 36 37 39 41 41

5 5.1 5.2

ECONOMISCHE UITVOERBAARHEID Toepassing Grondexploitatiewet Economische uitvoerbaarheid

44 44 45

6 6.1 6.2

MAATSCHAPPELIJKE UITVOERBAARHEID Inleiding Procedure

46 46 46

7

CONCLUSIE

48

Ruimtelijke onderbouwing “Paul Emsensstraat kavel 5 Wouwse Plantage”

1

BIJLAGEN

Bijlage 1 - Verkennend bodemonderzoek Bijlage 2 - Onderzoek stikstofdepositie

Uitsnede van de topografische kaart van de kern Wouwse Plantage en omgeving. De rode ster geeft de locatie van het besluitgebied aan. Bron: topotijdreis.nl, 2021

2

Gemeente Roosendaal

1

INLEIDING

1.1

Aanleiding Aan de Plantagebaan te Wouwse Plantage is een woningbouwplan in ontwikkeling. De meeste kavels zijn inmiddels opgeleverd of in aanbouw. Aan de Paul Emsensstraat resteert nog één kavel voor een vrijstaande woning die ontwikkeld dient te worden (kavel nr. 5). Aangezien het stedenbouwkundige plan een aanpassing heeft ondergaan, is het ontwikkelen van de laatste kavel niet mogelijk op grond van het vigerende bestemmingsplan “Wouwse Plantage”. Het aanwezige bouwvlak is onvoldoende groot voor de beoogde vrijstaande woning. Om de bouw van de woning op kavel nummer 5 mogelijk te maken, dient in het kader van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) een omgevingsvergunning met de activiteit ‘handelen in strijd met regels ruimtelijke ordening’ te worden aangevraagd (artikel 2.1, lid 1 sub c juncto artikel 2.12, lid 1, sub a onder 3° Wabo). Over deze aanvraag zal het bevoegd gezag een projectafwijkingsbesluit nemen. Ten behoeve van de omgevingsvergunning voor het projectafwijkingsbesluit dient de motivering van het besluit een goede ruimtelijke onderbouwing te bevatten. De onderliggende rapportage vormt de ruimtelijke onderbouwing ten behoeve van de realisatie van de woning buiten het bouwvlak en voorziet in de motivering om een uitgebreide vergunningsprocedure te doorlopen conform de Wabo.

Het vigerende bestemmingsplan blijft geldig; door middel van deze omgevingsvergunning wordt enkel voor het onderhavige project van het bestemmingsplan afgeweken.

1.2

Ligging besluitgebied Het woningbouwplan is gelegen in Wouwse Plantage aan de Plantagebaan, de belangrijkste ontsluitingsweg van de kern. De Paul Emsensstraat betreft een nieuwe zijstraat vanaf de Plantagebaan en vormt één van de ontsluitingswegen van het woningbouwplan. Het besluitgebied ligt aan de oostzijde van dit plan en wordt aan alle zijden omsloten door reeds gerealiseerde woningen dan wel andere kavels van woningen die op korte termijn nog gebouwd zullen worden. Het besluitgebied betreft kavel nummer 5 binnen het woningbouwplan. Dit kavel staat kadastraal bekend als gemeente Wouw, sectie H, nummer 2028 en is circa 440 m 2 groot.

Ruimtelijke onderbouwing “Paul Emsensstraat kavel 5 Wouwse Plantage”

3

Satellietopname besluitgebied en omgeving met kadastrale gegevens, waarop het besluitgebied is weergegeven met een rood kader (Bron: StreetSmart, 2021).

1.3

Vigerend bestemmingsplan Het vigerende bestemmingsplan betreft het bestemmingsplan “Wouwse Plantage” van de gemeente Roosendaal, dat is vastgesteld op 18 november 2014. In dit bestemmingsplan heeft het besluitgebied grotendeels de enkelbestemming ‘Wonen - 2’ toegekend gekregen. De voorzijde van het perceel is bestemd met de enkelbestemming ‘Tuin’. Binnen de woonbestemming is aan de noordoostzijde van het perceel een bouwvlak aanwezig van circa 2 meter breed, met daarin de maatvoeringsaanduidingen ‘maximum goothoogte (m): 4 m’ en ‘maximum bouwhoogte (m): 8,5 m’.

Uitsnede vigerende bestemmingsplan “Wouwse Plantage”. Het besluitgebied is aangegeven met een rode contour. Het huidige bouwvlak is met een blauw vlak aangeduid (Bron: www.ruimtelijkeplannen.nl, 2021).

4

Gemeente Roosendaal

In artikel 14.2.2 van het vigerend bestemmingsplan zijn de bouwregels voor hoofdgebouwen, waaronder woningen, opgenomen. In sub a van dit artikel is aangegeven dat hoofdgebouwen uitsluitend zijn toegestaan ter plaatse van het als zodanig aangegeven bouwvlak. Het binnen het besluitgebied aanwezige bouwvlak van slechts 2 meter breed is van onvoldoende omvang om een nieuwe (vrijstaande) woning te kunnen realiseren. Gelet op dit aspect, wordt een omgevingsvergunning aangevraagd om af te wijken van het bestemmingsplan. Aan de overige regels uit artikel 14 ‘Wonen - 2’ kan wel worden voldaan. 1.4

Leeswijzer In dit eerste hoofdstuk is een inleiding gegeven op onderhavig initiatief. Hoofdstuk 2 geeft een meer gedetailleerde planbeschrijving. Vervolgens worden in hoofdstuk 3 de beleidskaders van de verschillende overheden uiteengezet, waaraan onderhavig initiatief tevens wordt getoetst. In hoofdstuk 4 worden de planologisch relevante (milieu)aspecten getoetst. In hoofdstuk 5 en hoofdstuk 6 wordt ingegaan op respectievelijk de economische en maatschappelijke uitvoerbaarheid van het project.

Ruimtelijke onderbouwing “Paul Emsensstraat kavel 5 Wouwse Plantage”

5

6

Gemeente Roosendaal

2

PLANBESCHRIJVING

2.1

Bestaande situatie Kavel nummer 5 is momenteel braakliggend en wordt deels gebruikt ten behoeve van (zand)opslag voor de bouw van naastgelegen woningen. Bebouwing is dan ook niet aanwezig in de huidige situatie en de beplanting bestaat slechts uit gras en pioniersvegetatie.

Luchtfoto huidige situatie besluitgebied (Bron: StreetSmart 2021).

2.2

Beoogde situatie De beoogde situatie behelst een verruiming van het bestaande bouwvlak, waardoor de mogelijkheid ontstaat om één vrijstaande woning op kavel 5 te kunnen realiseren. De maximaal toegestane goot- en bouwhoogte (exclusief 10% afwijking) wijzigen daarbij niet ten opzichte van de huidige mogelijkheden en zullen 4 meter respectievelijk 8,5 meter bedragen. Als gevolg van de nieuwe een woning wijzigt het stedenbouwkundig beeld ter plaatse. Er vindt een completering plaats van de bebouwingswand aan de zuidzijde van de Paul Emsensstraat, waardoor minder sprake is van een zijkantsituatie. Dit komt het straatbeeld ten goede.

Ruimtelijke onderbouwing “Paul Emsensstraat kavel 5 Wouwse Plantage”

7

Verkavelingsplan met de vigerende bouwvlakken aangegeven door middel van een rode contour en de beoogde verruiming van het bouwvlak ter hoogte van kavel nummer 5 indicatief aangegeven met een blauwe contour.

Beoogde positionering nieuwe woning. Bron: Algra & Marechal Architecten

8

Gemeente Roosendaal

Gevelaanzichten nieuwe woning. Bron: Algra & Marechal Architecten

2.3

Verkeer en parkeren Verkeer De woning zal beschikken over een eigen oprit/inrit en wordt direct ontsloten op de Paul Emsensstraat, die uitkomt op de Plantagebaan. De Plantagebaan is een gebiedsontsluitingsweg met een snelheidsregime van 50 km/uur. Een dergelijke gebiedsontsluitingsweg heeft een capaciteit van ongeveer 1.400 - 1.600 motorvoertuigen per etmaal. Om te berekenen hoeveel verkeer de nieuwe woning genereert, is gebruik gemaakt van de kencijfers van het CROW, kennisplatform voor verkeer, vervoer en infrastructuur. Een vrijstaande woning genereert minimaal 7,8 en maximaal 8,6 verkeersbewegingen per etmaal (vpe). Deze hoeveelheid extra verkeersbewegingen is verwaarloosbaar en kan gemakkelijk worden verwerkt door de bestaande infrastructuur. Parkeren In december 2011 is de Nota Parkeernormen van de gemeente Roosendaal vastgesteld. In de nota zijn de parkeernormen en afwijkingseisen opgenomen. Om ervoor te zorgen dat bij (ver)bouwplannen voldoende parkeerplaatsen worden gerealiseerd, is het toepassen van parkeernormen noodzakelijk. Op die manier wordt de extra parkeervraag ten gevolge van een (ver)bouwplan niet zonder meer afgewenteld op het bestaand openbaar parkeeraanbod. Aan de hand van parkeernormen kan worden bepaald hoeveel parkeerplaatsen bij een ontwikkeling gerealiseerd moeten worden.

De parkeernorm is afhankelijk van de functies en de locatie van de ontwikkeling. De parkeerplaatsen worden zoveel mogelijk op eigen terrein gerealiseerd.

Ruimtelijke onderbouwing “Paul Emsensstraat kavel 5 Wouwse Plantage”

9

De normen zijn gebaseerd op de algemene kencijfers van het CROW, kennisplatform voor verkeer, vervoer en infrastructuur. Het uitgangspunt is dat bij (ver)nieuwbouwplannen zoveel mogelijk parkeerplaatsen op eigen terrein worden gerealiseerd. Conform de vereisten uit de Nota Parkeernormen van de gemeente Roosendaal, moet worden voorzien in parkeergelegenheid op eigen terrein. Voor koopwoningen in de hoge prijsklasse die buiten de centrumring zijn gesitueerd, geldt conform de Nota Parkeernormen een norm van 2,0 parkeerplaatsen per woning. In onderhavige situatie biedt de nieuwe kavel ruim voldoende mogelijkheden om 2 parkeerplaatsen op eigen terrein te kunnen realiseren. Voor bezoekersparkeren zijn in de openbare ruimte reeds voldoende mogelijkheden aanwezig. Derhalve wordt voldaan aan de gemeentelijke parkeernormen.

Begane grondplan nieuwe woning, met weergegeven 2 parkeerplaatsen op eigen terrein. Bron: Algra & Marechal Architecten

10

Gemeente Roosendaal

3

BELEIDSKADERS

3.1

Inleiding De gemeente Roosendaal heeft te maken met de vigerende beleidskaders van de landelijke en provinciale overheid; ontwikkelingen dienen te voldoen aan dit beleid. Daarnaast dient de voorgenomen ontwikkeling zich eveneens te voegen binnen de marges van het gemeentelijke beleid. Het ruimtelijk beleid van de drie voorgenoemde overheden is per overheid neergelegd in één of meerdere zogenoemde structuurvisies. Voor de realisatie van het beleid zetten de verschillende overheden een mix van instrumenten in; één van die instrumenten betreft het vertalen van het beleid uit de structuurvisie naar een juridisch bindende verordening. Hieronder zijn de voor onderhavige ontwikkeling relevante structuurvisies en verordeningen per overheidslaag weergegeven en wordt getoetst of onderhavige ontwikkeling passend is binnen het beleid.

3.2 Rijksbeleid 3.2.1 Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR)

Toetsingskader Op 13 maart 2012 is de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) van kracht geworden. Deze structuurvisie vormt de uitwerking van de ambities van het Rijk, op basis van haar verantwoordelijkheden, in Rijksdoelen en daarmee samenhangende nationale belangen op het gebied van een samenhangend ruimtelijk en mobiliteitsbeleid. Het Rijk heeft tot doel Nederland concurrerend, bereikbaar, leefbaar en veilig te maken in een periode van economische conjunctuurschommelingen, klimaatverandering en toenemende regionale verschillen. Aanleiding voor het vaststellen van de visie is de constatering dat het voorheen geldende ruimtelijke Rijksbeleid onvoldoende bijdroeg aan het behalen van deze doelen, onder meer door het veroorzaken van bestuurlijke drukte, ingewikkelde regelgeving en een te sectorale blik op vraagstukken. Om dit te keren brengt het Rijk de ruimtelijke ordening zo dicht mogelijk bij diegene die het aangaat en laat het meer over aan gemeenten en provincies. Het Rijk onderscheidt thans nog dertien nationale belangen; uitsluitend op basis van deze belangen intervenieert het Rijk in de ruimtelijke ordening. Een groot deel van deze belangen leidt tot het reserveren van ruimte voor functies. Dit betreft dan bijvoorbeeld het reserveren van ruimte voor waterberging, militaire activiteiten en de uitbreiding van het hoofdwegennet.

Deze belangen zijn vastgelegd in het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) en de Regeling algemene regels ruimtelijke ordening (Rarro). Eén van de belangen die niet leidt tot een ruimtereservering is het belang van een 'zorgvuldige afweging en transparante besluitvorming bij alle ruimtelijke en infrastructurele besluiten'. In het kader van dit belang heeft het Rijk besloten om, ten behoeve van het verminderen van de bestuurlijke drukte en het neerleggen van verantwoordelijkheden bij decentrale overheden, de verstedelijkingsstrategie te wijzigen. Dit houdt in dat het bundelingsbeleid, verdichtingsbeleid, locatiebeleid voor

Ruimtelijke onderbouwing “Paul Emsensstraat kavel 5 Wouwse Plantage”

11

bedrijven en voorzieningen, beleid voor basiskwaliteit, stedelijke netwerken, nationale landschappen en rijksbufferzones is afgeschaft en dat daar slechts één beleidslijn voor terug komt: de 'ladder voor duurzame verstedelijking'. Deze 'ladder' heeft tot doel het principe van vraaggericht programmeren en het principe van zorgvuldig ruimtegebruik bindend voor te schrijven bij de afwegingen van gemeenten en provincies. Dit belang is als procesvereiste vastgelegd in het Besluit ruimtelijke ordening (Bro). Grondgedachte van de 'ladder' is dat een activiteit op meerdere locaties zou kunnen plaatsvinden en dat vervolgens de planologisch meest juiste locatie gekozen moet worden. Dat gaat uit van de activiteit. Hiermee wordt beoogd om de voorheen bestaande praktijk, waarbij in veel gevallen een bestemming wordt gezocht voor een bepaalde locatie (bv. herbestemmen van een voormalige vuilstortplaats), om te vormen. Beoordeling Voorliggend besluitgebied is niet gelegen in een gebied waarvoor van rijkswege een ruimtereservering geldt. Uitsluitend het nationale belang van een 'zorgvuldige afweging en transparante besluitvorming bij alle ruimtelijke en infrastructurele besluiten', als vervat in de 'ladder voor duurzame verstedelijking', is van toepassing op onderhavig plan. Aan dit belang wordt navolgend getoetst.

Conclusie Het planvoornemen is passend binnen de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte van het Rijk. 3.2.2 Nationale Omgevingsvisie (NOVI) In de nabije toekomst treedt de Omgevingswet in werking. De Omgevingswet bundelt alle huidige wetten over de leefomgeving. Daarbij hoort ook één Rijksvisie op de leefomgeving: de Nationale Omgevingsvisie (NOVI). Vanwege het uitstel van de inwerkingtreding van de Omgevingswet is de NOVI als structuurvisie uitgekomen onder de bestaande Wet ruimtelijke ordening (Wro). Zodra de Omgevingswet in werking is getreden, zal deze structuurvisie gelden als de Nationale Omgevingsvisie, zoals in de nieuwe wet is bedoeld. Nederland staat voor een aantal urgente opgaven, die zowel lokaal, nationaal als wereldwijd spelen. Daarbij kan gedacht worden aan de opgaven op het gebied van klimaatverandering, energietransitie, circulaire economie, bereikbaarheid en woningbouw. Deze opgaven zullen Nederland flink veranderen. Door goed in te spelen op deze veranderingen kan Nederland vooroplopen en kansen verzilveren. Met de Nationale Omgevingsvisie (NOVI) geeft het Rijk een langetermijnvisie op de toekomst en de ontwikkeling van de leefomgeving in Nederland.

In de NOVI zijn deze maatschappelijke opgaven samengevat in vier prioriteiten: · ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie · duurzaam economisch groeipotentieel; · sterke en gezonde steden en regio’s · toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied.

12

Gemeente Roosendaal

De NOVI heeft (nog) geen doorwerking naar dit plan. Op dit moment worden nog getoetst aan de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (3.2.2).

3.2.3 Besluit en ministeriële regeling algemene regels ruimtelijke ordening (Barro, Rarro)

Toetsingskader Het Rijk heeft in de hiervoor genoemde SVIR vastgesteld dat voor een beperkt aantal onderwerpen de bevoegdheid om algemene regels te stellen zou moeten worden ingezet. De SVIR bepaalt welke kaderstellende uitspraken zodanig zijn geformuleerd dat deze bedoeld zijn om beperkingen te stellen aan de ruimtelijke besluitvormingsmogelijkheden op provinciaal en gemeentelijk niveau. Ten aanzien daarvan is een borging door middel van normstelling, gebaseerd op de Wet ruimtelijke ordening, gewenst. Die uitspraken onderscheiden zich in die zin dat van de provincies en de gemeenten wordt gevraagd om de inhoud daarvan te laten doorwerken in de ruimtelijke besluitvorming. Zij zijn dus concreet normstellend bedoeld en worden geacht direct of indirect door te werken tot op het niveau van de lokale besluitvorming, zoals de vaststelling van bestemmings- en wijzigingsplannen. Het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) bevestigt in juridische zin die kaderstellende uitspraken. Op 30 december 2011 is het Barro in werking getreden met daarin een regeling voor een beperkt aantal onderwerpen. Op 1 oktober 2012 is het besluit aangevuld met regels voor de andere beleidskaders uit de SVIR en tevens uit het Nationaal Waterplan en het Derde Structuurschema Elektriciteitsvoorziening.

Door de nationale belangen vooraf in bestemmingsplannen te borgen, wordt met het Barro bijgedragen aan versnelling van de besluitvorming bij ruimtelijke ontwikkelingen en vermindering van de bestuurlijke drukte. Een aantal onderwerpen is geregeld in de bij het Barro behorende Regeling algemene regels ruimtelijke ordening (Rarro). Beoordeling Het besluitgebied is daarnaast volgens de kaarten van het Rarro gelegen binnen het radarverstoringsgebied van de radarstations Herwijnen en Woensdrecht. Rondom deze radarstations mogen geen bestemmingen worden opgenomen die het oprichten van bouwwerken mogelijk maken die door hun hoogte onaanvaardbare gevolgen kunnen hebben voor de werking van de radar. Als gevolg van het radarverstoringsgebied van radarstation Herwijnen geldt een maximale hoogtemaat van 90 meter voor op te richten windturbines. Met betrekking tot het radarverstoringsgebied van Woensdrecht geldt ter hoogte van Wouwse Plantage (gelegen op 4 kilometer van het radarstation) een maximale bouwhoogte van 65 meter voor alle bouwwerken. In het onderhavige plan worden geen windturbines of bouwwerken met een dergelijke hoogte mogelijk gemaakt. Voor het overige zijn er ten aanzien van het onderhavige besluitgebied geen regels uit het Barro en het Rarro van toepassing, aangezien er bij de onderhavige ontwikkeling geen nationale belangen of nationaal aangewezen gebieden zijn gemoeid.

Conclusie Geconcludeerd kan worden dat de onderhavige ontwikkeling passend is binnen de regels zoals gesteld in het Barro en de Rarro.

Ruimtelijke onderbouwing “Paul Emsensstraat kavel 5 Wouwse Plantage”

13

3.2.4 Ladder voor duurzame verstedelijking (art. 3.1.6 lid 2 Bro)

Toetsingskader Op 1 oktober 2012 is art. 3.1.6, lid 2 toegevoegd aan het Besluit ruimtelijke ordening (Bro); dit artikel bevat de 'ladder voor duurzame verstedelijking'. Met de toevoeging van dit artikel in het Bro is beoogd vanuit een oogpunt van ruimtelijke ordening ongewenste leegstand te vermijden en zorgvuldig ruimtegebruik te stimuleren (ECLI:NL:RVS:2017:353, r.o. 18.5). Op 1 juli 2017 is een wijziging van art. 3.1.6, lid 2 Bro in werking getreden. Het Bro regelt thans dat 'de verantwoording van een juridisch verbindend ruimtelijk besluit van een decentrale overheid dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, een beschrijving dient te bevatten van de behoefte aan die ontwikkeling. Tevens is geregeld dat indien het ruimtelijk besluit die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, de verantwoording een motivering dient te bevatten waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien'. De definiëring van enkele van de in het artikel genoemde begrippen in art. 1.1.1 Bro laat onverlet dat de 'ladder voor duurzame verstedelijking' als een 'open norm' is te kwalificeren. Dit houdt in dat de norm inhoudelijk open is en onder verschillende omstandigheden nader ingevuld moet worden.

Sinds de inwerkingtreding van het artikel heeft de Afdeling bestuursrechtspraak Raad van State (ABRvS) in haar jurisprudentie de norm veelvuldig ingevuld en daardoor verder begrensd. Op 28 juni 2017 heeft de ABRvS een zogenoemde 'overzichtsuitspraak' gedaan (ECLI:NL:RVS:2017:1724, r.o. 2 t/m 12.8), waarin de dan geldende en op basis van de voornoemde wijziging te behouden jurisprudentielijnen nader uit een worden gezet. Op basis van deze jurisprudentielijnen kan de 'ladder voor duurzame verstedelijking' concreet worden toegepast.

14

Gemeente Roosendaal

Beoordeling Toepassing van de ‘ladder voor duurzame verstedelijking’ houdt een antwoord op de volgende rechtsvragen in. Indien een rechtsvraag positief kan worden beantwoord, dient de ‘ladder’ verder te worden doorlopen. Indien een rechtsvraag negatief wordt beantwoord, dan is de ‘ladder’ niet (verder) van toepassing dan wel kan niet aan de ‘ladder voor duurzame verstedelijking’ worden voldaan. a. Voorziet het onderhavige besluit in een stedelijke ontwikkeling? b. Voorziet het onderhavige besluit in een nieuwe stedelijke ontwikkeling? c. Is er sprake van een behoefte aan de voorziene ontwikkeling? d. Is de voorziene ontwikkeling gelegen buiten bestaand stedelijk gebied? e. Is het mogelijk om de voorziene ontwikkeling binnen bestaand stedelijk gebied te realiseren? a. Voorziet het onderhavige besluit in een stedelijke ontwikkeling? Uit de ‘overzichtsuitspraak’ van de ABRvS blijkt dat wanneer een ruimtelijk besluit voorziet in méér dan 11 woningen die gelet op hun onderlinge afstand als één woningbouwlocatie zijn aan te merken, deze ontwikkeling in beginsel als een stedelijke ontwikkeling dient te worden aangemerkt.

Ten aanzien van andere vormen van gebruik van gronden dan ten behoeve van het wonen geldt dat indien het ruimtelijk besluit voorziet in een terrein met een ruimtebeslag van meer dan 500 m² of in een gebouw met een bruto-vloeroppervlakte groter dan 500 m², deze ontwikkeling in beginsel als een stedelijke ontwikkeling dient te worden aangemerkt. De onderhavige ruimtelijke onderbouwing maakt ter plaatse van het besluitgebied de bouw van één extra woning mogelijk. De ontwikkeling is daarom gelet op de omvang niet als ‘stedelijke ontwikkeling te classificeren. De ‘ladder voor duurzame verstedelijking’ behoeft niet verder te worden doorlopen. Wel is in paragraaf 3.4.2 aangetoond dat de ontwikkeling passend is binnen de woningbouwopgave. Onderhavig project vindt plaats binnen bestaand stedelijk gebied, door het toevoegen van één extra woning aan de bestaande locatie. Indien getoetst wordt aan de vereisten uit de ‘ladder voor duurzame verstedelijking’, volgt dat hieraan evengoed wordt voldaan. Conclusie Geconcludeerd kan worden dat het voorliggende initiatief onder de gestelde ondergrens is gelegen. Derhalve hoeft niet te worden getoetst aan de ladder voor duurzame verstedelijking.

3.3 Provinciaal beleid 3.3.1 Omgevingsvisie Noord-Brabant, 2018 Toetsingskader De Omgevingsvisie Noord-Brabant 'De Kwaliteit van Brabant, Visie op de Brabantse leefomgeving', is vastgesteld door Provinciale Staten op 14 december 2018. Aan de hand van de Omgevingsvisie geven Provinciale Staten aan wat de belangrijkste ambities voor de fysieke leefomgeving voor de komende jaren zijn. De Omgevingsvisie geldt als opvolger van de strategische elementen van eerdere provinciale plannen, zoals de structuurvisie, het verkeers- en vervoersplan, het milieu-en waterplan en de

Ruimtelijke onderbouwing “Paul Emsensstraat kavel 5 Wouwse Plantage”

15

natuurvisie. Voor wat betreft sectorale beleidsdoelen blijven de huidige plannen, waaronder de SVRO, vooralsnog gelden. In de aankomende Omgevingswet staan de waarden veiligheid, gezondheid en duurzame omgevingskwaliteit centraal. De Brabantse Omgevingsvisie voegt daar ambities aan toe voor vier hoofdopgaven: de energietransitie, een klimaatproof Brabant, Brabant als slimme netwerkstad en een concurrerende, duurzame economie. Voor elk van deze opgaven geeft de Omgevingsvisie aan wat de ambities op lange termijn zijn, te weten wat is er nodig om Brabant in 2050 een gezonde, veilige en prettige leefomgeving te laten zijn. Ook is een concreet tussendoel geformuleerd voor het jaar 2030, om zo te kijken wat in dat jaar minimaal bereikt moet zijn om het lange termijndoel te kunnen halen. De Omgevingsvisie geeft ook aan op welke nieuwe manieren de provincie met betrokkenen wil samenwerken aan omgevingsvraagstukken en welke waarden daarbij centraal staan. Het bereiken van een gezonde leefomgeving is essentieel. Om die doelstelling kracht bij te zetten wordt de Brabantse Omgevingsscan vanaf de vaststelling van de Omgevingsvisie geïmplementeerd in de nieuwe werkwijze onder de Omgevingswet. Deze omgevingsscan is een instrument om invulling te geven aan de positie van gezondheid in de nieuwe bestuurspraktijk onder de Omgevingswet.

Beoordeling Met de omgevingsvisie kiest de provincie er voor om haar rol te veranderen. Waar zij eerst concreet richting en sturing gaf aan de hand van min of meer concrete regels en uitgangspunten, gaat het nu meer om het beoordelen van initiatieven in ruimer verband en gericht op het behalen van doelen voor de leefomgeving waarbij een belangrijke rol voor de gemeente is weggelegd. De beoogde ontwikkeling is een voorbeeld van intensivering van ruimtegebruik. Op een bestaande woningbouwlocatie binnen de Wouwse Plantage worden extra woningen toegevoegd. Hiermee wordt de verkoopbaarheid van de gronden vergroot hetgeen ervoor zorgt dat er een kwalitatieve verbetering van de leefomgeving plaats vindt. Daarmee is het initiatief passend binnen de omgevingsvisie. Conclusie De gewenste ontwikkeling is passend binnen de Omgevingsvisie Noord-Brabant.

3.4 Provinciaal beleid 3.4.1 Structuurvisie Ruimtelijke Ordening 2010 – partiële herziening 2014

Toetsingskader De Structuurvisie Ruimtelijke Ordening 2010 - partiële herziening 2014 (SVRO 2014) betreft een herziening van de op 1 oktober 2010 vastgestelde Structuurvisie Ruimtelijke Ordening 2010. De partiële herziening is door Provinciale Staten van Noord-Brabant op 7 februari 2014 vastgesteld en is in werking getreden op 19 maart 2014. Deze structuurvisie geeft de hoofdlijnen van het provinciaal ruimtelijk beleid tot 2025 weer (met een doorkijk naar 2040). De visie is bindend voor het ruimtelijk handelen van de provincie. Het is de basis voor de wijze waarop de provincie de instrumenten inzet die

16

Gemeente Roosendaal

de Wet ruimtelijke ordening biedt. De genoemde visie in de partiële herziening is doorvertaald in de regels van de Verordening ruimte 2014. Daarnaast ondersteunt de structuurvisie het beleid op andere provinciale beleidsterreinen, zoals het economisch, mobiliteits-, sociaal-, cultureel-, milieu- en natuurbeleid. Het doel dat centraal staat in de SVRO is een goede woon-, werk- en leefomgeving voor inwoners en bedrijven in Noord-Brabant.

Combinatiekaart van de structurenkaart SVRO 2014 en een satellietfoto, waarop de projectlocatie is aangeduid met een rode ster (Bron: ruimtelijkeplannen.nl, 2021).

Beoordeling De projectlocatie is op de structurenkaart van de Structuurvisie Ruimtelijke Ordening aangeduid als ‘Kernen in het landelijk gebied. Binnen de stedelijke structuur streeft de provincie Noord-Brabant naar het volgende: ▪ Concentratie van verstedelijking; ▪ Inspelen op demografische ontwikkelingen; ▪ Zorgvuldig ruimtegebruik; ▪ Meer aandacht voor ruimtelijke kwaliteit; ▪ Betere verknoping van stedelijke ontwikkelingen aan de infrastructuur; ▪ Versterking van de economische clusters. Voor onderhavig project geldt met name het accent dat de provincie in het ruimtelijk beleid legt op zorgvuldig ruimtegebruik; de provincie wil de groei en de spreiding van het stedelijk ruimtebeslag afremmen. Dit betekent dat het voorkomen van verdere aantasting van het buitengebied centraal staat. Het accent ligt dan ook op inbreiden en herstructureren. Het aansnijden van nieuwe ruimte voor verstedelijking is pas aan de orde, als gebleken is dat de bouwopgave voor wonen en werken niet binnen bestaand bebouwd gebied kan worden gerealiseerd, ook niet in andere kernen of op andere bedrijventerreinen binnen de betreffende gemeente, wat betreft wonen, en binnen de betreffende landelijke regio, wat betreft werken. Als toch nieuw ruimtebeslag nodig is, kan dit alleen daar waar, gelet op de ruimtelijke kwaliteiten binnen dat gebied,

Ruimtelijke onderbouwing “Paul Emsensstraat kavel 5 Wouwse Plantage”

17

verantwoorde uitbreidingsmogelijkheden liggen. Ruimtelijke karakteristieken en kwaliteiten worden dus meer bepalend voor de wijze waarop de (economische) dynamiek in de landelijke regio’s haar plek krijgt. De beoogde ontwikkeling is een voorbeeld van intensivering van ruimtegebruik. Op een bestaande woningbouwlocatie binnen de Wouwse Plantage worden één extra woning toegevoegd. Zodoende draagt het plan bij aan het doel om verstedelijking zo veel mogelijk te concentreren en om zorgvuldig met de ruimte om te gaan. Conclusie De gewenste ontwikkeling is passend binnen de provinciale structuurvisie. 3.4.2 Interim omgevingsverordening Noord-Brabant Toetsingskader In de Omgevingsvisie zijn de strategische doelen van het provinciale beleid voor de langere termijn aangegeven. Het beleid en de daartoe te treffen maatregelen zijn uitgewerkt in programma's en waarden worden beschermd via de omgevingsverordening. Per 25 oktober 2019 is de nieuwe Interim omgevingsverordening Noord-Brabant (Iov N-B) vastgesteld. Provincies zijn verplicht om een omgevingsverordening te hebben voordat de Omgevingswet per 2021 ingaat. Met een Interim omgevingsverordening zet de provincie Noord-Brabant een eerste stap op weg naar de definitieve omgevingsverordening.

De Interim omgevingsverordening bevat geen nieuwe regels, maar voegt bestaande regels uit zes bestaande verordeningen samen, waaronder de Verordening NoordBrabant. Met de Interim omgevingsverordening zet de provincie een eerste stap om de regels beter te laten aansluiten bij de werkwijze van de Brabantse Omgevingsvisie en de Omgevingswet. De Interim omgevingsverordening zorgt ervoor dat de provincie en partijen waar ze mee samenwerkt ervaring kunnen opdoen met die nieuwe werkwijze, waarbij er meer ruimte is om goede initiatieven van inwoners, ondernemers en andere overheden te ondersteunen en maatwerk toe te passen. Beoordeling Voorliggend besluitgebied is binnen de Iov gelegen binnen het ‘Stedelijk gebied’. Ten aanzien van onderhavig initiatief zijn er meerdere sporen die gevolgd moeten worden in het kader van de toetsing aan de Interim omgevingsverordening. Ten eerste moet worden voldaan aan de regels voor een duurzame stedelijke ontwikkeling, zoals opgenomen in artikel 3.42 van de Iov. Daarnaast moet worden voldaan aan de basisprincipes voor een evenwichtige toedeling van functies, zoals opgenomen in paragraaf 3.1.2 Iov. De toetsing wordt hierna uitgevoerd.

Artikel 3.42 Duurzame stedelijke ontwikkeling Toetsingskader Een bestemmingsplan dat voorziet in de ontwikkeling van een locatie voor wonen, werken of voorzieningen ligt binnen Stedelijk gebied en bevat een onderbouwing dat: a. de ontwikkeling past binnen de regionale afspraken, bedoeld in afdeling 5.4 Regionaal samenwerken; b. het een duurzame stedelijke ontwikkeling is.

18

Gemeente Roosendaal

Een duurzame stedelijke ontwikkeling voor wonen, werken of voorzieningen: a. bevordert een goede omgevingskwaliteit met een veilige en gezonde leefomgeving; b. bevordert zorgvuldig ruimtegebruik, waaronder de transformatie van verouderde stedelijke gebieden; c. geeft optimaal invulling aan de mogelijkheden voor productie en gebruik van duurzame energie; d. houdt rekening met klimaatverandering, waaronder het tegengaan van hittestress en voldoende ruimte voor de opvang van water; e. geeft optimaal invulling aan de mogelijkheden voor duurzame mobiliteit; f. draagt bij aan een duurzame, concurrerende economie. Beoordeling Onderhavige ontwikkeling betreft het planologisch toevoegen van één vrijstaande woning in het bestaand stedelijk gebied van de kern Wouwse Plantage. De voorgenomen ontwikkeling bevordert zorgvuldig ruimtegebruik in de vorm van woningbouw in bestaande stedelijk gebied. De nieuwbouw van woningen is toegestaan binnen het stedelijk gebied als bepaald in artikel 3.42 Iov. Op 30 november 2018 hebben overlegpartners van de regio West-Brabant West in beleidsdocument “Perspectief op wonen en woningbouw West-Brabant West 2019” vastgesteld. Daarin staat een actuele visie van de subregio West op de toekomstige ontwikkelingen op de regionale woningmarkt. Het regionale perspectief is een doorontwikkeling van de eerdere Regionale Agenda Wonen.

In het kader van een duurzaam verstedelijkingsbeleid legt de regio prioriteit bij zorgvuldig en zuinig ruimtegebruik. Daarbij is het van belang om de gemeentelijke woningbouwprogramma’s in te zetten op binnenstedelijke (transformatie)locaties en voor het herbestemmen van leegstaand vastgoed. Naast specifieke aandacht voor herstructurerings- en transformatieopgaven wil de subregio West meer nadruk leggen op de bestaande woningvoorraad, met verduurzaming van de voorraad en het geschikt maken van woningen en de woonomgeving voor mensen met een zorgvraag. Voor wat betreft de nieuwbouwopgave wil de regio inzetten op een vraaggericht, flexibel planaanbod met ruimte voor nieuwe woonvormen. Het beleid van de gemeente Roosendaal is al jaren om zich primair te richten op het versterken van het bestaand stedelijk gebied. In haar woningbouwprogrammering staan dan ook vrijwel uitsluitend binnenstedelijke (her)ontwikkelingslocaties (circa 95%). Vanuit de actuele woningbehoefteprognose bestaat er flexibiliteit voor nieuwe initiatieven aanvullend op de huidige programmering. Binnenstedelijk zijn hiervoor nog ruime mogelijkheden en potenties aanwezig.

Ruimtelijke onderbouwing “Paul Emsensstraat kavel 5 Wouwse Plantage”

19

Prognose woningbehoefte en woningbouwplannen. Bron: Perspectief op wonen en woningbouw West-Brabant West 2019, 30 november 2018.

Uit de bovenstaande figuur blijkt dat binnenstedelijk 2.400 woningen in harde en zachte plannen zijn vastgelegd. Binnenstedelijk resteert nog een woningbouwopgave van 750 nieuwbouwwoningen voor de jaren 2018 - 2028. Met onderhavig plan voor één nieuwe woning in bestaand stedelijk gebied wordt deels tegemoet gekomen aan de woningbouwopgave in het binnenstedelijk gebied van Roosendaal. Conclusie Onderhavig initiatief voldoet aan de voorwaarden die gesteld worden in artikel 3.42 Iov. Artikel 3.5, 3.6, 3.7 en 3.8: Basisprincipes voor een evenwichtige toedeling van functies Toetsingskader In de basisprincipes voor een evenwichtige toedeling van functies (paragraaf 3.1.2 Iov) is in artikel 3.5 opgenomen dat een bestemmingsplan bij de evenwichtige toedeling van functies invulling geeft aan een goede omgevingskwaliteit met een veilige, gezonde leefomgeving. Voor een goede omgevingskwaliteit en een veilige, gezonde leefomgeving wordt rekening gehouden met: a. zorgvuldig ruimtegebruik; b. de waarden in een gebied door toepassing van de lagenbenadering; c. meerwaardecreatie. Ad a) - Zorgvuldig ruimtegebruik: 1. Zorgvuldig ruimtegebruik houdt in dat: a. de toedeling van functies in beginsel plaatsvindt binnen bestaand ruimtebeslag voor bebouwing, behalve in de gevallen dat: ▪ nieuwvestiging mogelijk is op grond van de bepalingen in dit hoofdstuk;

20

Gemeente Roosendaal

▪ er feitelijk of vanuit kwalitatieve overwegingen onvoldoende ruimte is en uitbreiding, al dan niet gelijktijdig met de vestiging van een functie, op grond van de bepalingen in dit hoofdstuk is toegestaan; b. bij stedelijke ontwikkeling toepassing is gegeven aan artikel 3.1.6, tweede lid, van het Besluit ruimtelijke ordening (ladder voor duurzame verstedelijking); c. gebouwen, bijbehorende bouwwerken en andere permanente voorzieningen worden geconcentreerd binnen een bouwperceel. 2. Onder bestaand ruimtebeslag voor bebouwing wordt verstaan bestaand stedelijk gebied of een bestaand bouwperceel. Ad b) - Toepassing van de lagenbenadering 1. De toepassing van de lagenbenadering omvat het effect van de ontwikkeling op de lagen in onderlinge wisselwerking met elkaar en het actief benutten van de factor tijd. 2. De lagenbenadering omvat de effecten op: a. de ondergrond, zoals de bodem, het grondwater en archeologische waarden; b. de netwerklaag, zoals infrastructuur, natuurnetwerk, energienetwerk, waterwegen waaronder een goede, multimodale afwikkeling van het personen- en goederenvervoer. c. de bovenste laag zoals cultuurhistorische en landschappelijke waarden, de omvang van de functie en de bebouwing, de effecten op bestaande en toekomstige functies, de effecten op volksgezondheid, veiligheid en milieu. 3.

Door de factor tijd actief te benutten wordt rekening gehouden met de herkomstwaarde, vanuit het verleden, de (on)omkeerbaarheid van optredende effecten en de toekomstwaarde gelet op duurzaamheid en toekomstbestendigheid. Ad c) - meerwaarderecreatie 1. Meerwaardecreatie omvat een evenwichtige benadering van de economische, ecologische en sociale aspecten die in een gebied en bij een ontwikkeling zijn betrokken, waaronder: a. de mogelijkheid om opgaven en ontwikkelingen te combineren waardoor er meerwaarde ontstaat; b. de bijdrage van een ontwikkeling aan andere opgaven en belangen dan die rechtstreeks met de ontwikkeling gemoeid zijn. 2. De fysieke verbetering van de landschappelijke kwaliteit, bedoeld in artikel 3.9 Kwaliteitsverbetering landschap kan deel uitmaken van de meerwaardecreatie. Beoordeling Voorwaarden ad a: a. De toedeling van functies dient in beginsel plaats te vinden binnen bestaand ruimtebeslag voor bebouwing. Met onderhavig planvoornemen wordt een nieuw hoofdgebouw toegevoegd op een plaats waar nu alleen bijbehorende bouwwerken zijn toegestaan. Het bestaand bebouwd gebied wordt daarmee intensiever benut. b. Bij een stedelijke ontwikkeling dient toepassing te worden gegeven aan de ladder voor duurzame verstedelijking. Hieraan is in paragraaf 3.2.3 getoetst. c.

Gebouwen, bijbehorende bouwwerken en andere permanente voorzieningen dienen te worden geconcentreerd binnen een bouwperceel. De nieuwbouw wordt geconcentreerd in het besluitgebied gerealiseerd. Bij de doorvertaling van de

Ruimtelijke onderbouwing “Paul Emsensstraat kavel 5 Wouwse Plantage”

21

omgevingsvergunning naar een bestemmingsplan dient ter plaatse van het nieuwe hoofdgebouw een definitief bouwvlak opgenomen te worden. Voorwaarden ad b: a. Toepassing van de lagenbenadering omvat de effecten op de ondergrond. In hoofdstuk 4 van onderhavige ruimtelijke onderbouwing wordt ingegaan op deze effecten. b. Toepassing van de lagenbenadering omvat de effecten op de netwerklaag. Voor onderhavig initiatief behoeft geen nieuwe infrastructuur te worden aangelegd. Voor het overige heeft het planvoornemen geen effect op een natuurnetwerk, het energienetwerk en waterwegen. De afwikkeling van het verkeer is beschreven in paragraaf 2.3. c. Toepassing van de lagenbenadering omvat de effecten op de bovenste laag. De effecten op het milieu zijn beschreven in hoofdstuk 4. Voor het overige wordt geen effect verwacht op de bovenste laag. Voorwaarden ad c: Er dient rekening te worden gehouden met meerwaardecreatie. Hiervoor geldt dat met onderhavig initiatief invulling sprake is van een verdichting van een bestaand woongebied. Daarbij is sprake van een verbetering in het straatbeeld. De toe te voegen woning vormt een meerwaarde voor de leerfbaarheid van Wouwse Plantage.

3.5 Gemeentelijk beleid 3.5.1 Structuurvisie Roosendaal 2025

Toetsingskader De Structuurvisie Roosendaal 2025 is op 13 maart 2013 vastgesteld door de gemeenteraad van Roosendaal. De gemeente hanteert daarbij de beleidsuitgangspunten dat er sprake moet zijn van een duurzame ontwikkeling van een compact, compleet en verbonden Roosendaal en van een haalbare en betaalbare lokale ruimtelijke ordening. Voor het aspect ‘wonen’ wordt daarnaast aangegeven dat er gebouwd dient te worden binnen de stedelijke contouren van de stad om zo bestaande infrastructuren te benutten. Ook wordt gerefereerd aan de provinciale prognoses waaruit blijkt dat Roosendaal tot 2025 nog ruimte heeft om extra woningen te realiseren. Daarbij wordt opgemerkt dat toevoegingen aan de voorraad strategisch van aard moeten zijn en noodzakelijke veranderingen in de voorraad niet in de weg mogen staan. In de bestaande voorraad dient een speciale focus te liggen op het aanpassen van de bestaande woningvoorraad op de toekomstige woningbehoefte. Het grootste deel daarvan is particulier woningbezit. Ook dienen bestaande wijken en dorpen een gevarieerd woningaanbod en gevarieerde woningmilieus te bieden. Verder staan toevoegingen aan de woningvoorraad in het teken van de versterking van de bestaande woningvoorraad en sluiten ze aan bij de wijkperspectieven.

22

Gemeente Roosendaal

Beoordeling Onderhavig initiatief betreft het toevoegen van één woning aan een bestaand woningbouwproject. Het initiatief is op zichzelf beschouwd kleinschalig van aard en wordt gerealiseerd binnen de bestaande stedelijke contouren. Met het toevoegen van de woning wordt de bestaande woningvoorraad versterkt, aangezien op deze manier beter kan worden ingespeeld op de marktvraag. De omvang van het plan is dermate klein dat het overige initiatieven binnen de gemeente niet in de weg staat. Conclusie Geconcludeerd kan worden dat de onderhavige ontwikkeling passend is binnen de Structuurvisie Roosendaal 2025.

Ruimtelijke onderbouwing “Paul Emsensstraat kavel 5 Wouwse Plantage”

23

24

Gemeente Roosendaal

4

PLANOLOGISCH RELEVANTE (MILIEU)ASPECTEN

4.1

Inleiding Toetsing juncto art. 3.1.6 Bro Volgens artikel 3.2 van de Algemene wet bestuursrecht dient een bestuursorgaan bij de voorbereiding van een besluit, zoals het verlenen van een omgevingsvergunning, de nodige kennis te vergaren omtrent de relevante feiten en de af te wegen belangen. In artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening is bepaald dat de uitkomsten van dit onderzoek worden neergelegd in een toelichting bij dit besluit. Ten behoeve van onderhavig project heeft onderzoek plaatsgevonden naar een aantal planologische- en milieuaspecten. Hieronder wordt verslag gedaan van de uitkomsten van het gepleegde onderzoek. Achtereenvolgens worden behandeld: ▪ bodem; ▪ waterhuishouding; ▪ cultuurhistorie; ▪ archeologie; ▪ natuur; ▪ flora en fauna; ▪ geluid; ▪ bedrijven en milieuzonering; ▪ externe veiligheid; ▪ luchtkwaliteit; ▪ kabels en leidingen; ▪ milieueffectrapportage en vormvrije m.e.r.-beoordeling.

4.2

Bodem Toetsingskader Op basis van art. 3.1.6, lid 1 onder f Bro geldt dat in een toelichting op een ruimtelijk besluit de inzichten over de uitvoerbaarheid van dat besluit worden neergelegd. Ten aanzien van het aspect bodemkwaliteit staat, op basis van vaste jurisprudentie van de Afdeling Bestuursrechtspraak Raad van State (ABRvS), voorop dat de vaststelling van de aanwezigheid van verontreinigingen in de bodem, de noodzaak van sanering van verontreinigde locaties en de wijze waarop deze saneringen moeten worden uitgevoerd, zijn geregeld in afzonderlijke wetgeving met eigen procedures. Dat doet er niet aan af dat het bevoegd gezag het ruimtelijk besluit pas kan nemen indien, voor zover redelijkerwijs valt in te zien, een eventuele bodemverontreiniging niet aan de uitvoerbaarheid in de weg staat (22 december 2010, ECLI:NL:RVS:2010:BO8297, r.o. 2.18.4; 27 juni 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BW9569, r.o. 2.10.3). Daarbij geldt als uitgangspunt dat de bodem in principe geschikt dient te zijn voor de beoogde functie. De bodemkwaliteit mag geen onaanvaardbaar risico vormen voor de gebruikers van de bodem.

Ruimtelijke onderbouwing “Paul Emsensstraat kavel 5 Wouwse Plantage”

25

Beoordeling Door AquaTerra-KuiperBurger is in 2009 een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd ter plaatse van de projectlocatie. In 2011 is op basis van de resultaten van dit onderzoek een aanvullend asbestonderzoek uitgevoerd door Milieutechnisch adviesbureau RSK – EMN. De bodem is vervolgens vrijgegeven voor de beoogde woningbouw. Met het onderhavige planvoornemen wordt de bouw van één extra woning mogelijk gemaakt. Gelet hierop en gezien het feit dat het uitgevoerde bodemonderzoek verouderd is, is door Wematech Bodem Adviseurs in 2018 een nieuw verkennend bodemonderzoek uitgevoerd. Het besluitgebied is gelegen binnen het onderzoeksgebied van dit onderzoek, dat als bijlage 1 bij deze ruimtelijke onderbouwing is gevoegd. Op basis van het onderzoek wordt geconcludeerd dat de bovengrond licht verontreinigd is met PAK en plaatselijk licht verontreinigd met lood. De ondergrond is niet verontreinigd. Het grondwater is licht verontreinigd met zink. De bovengrond voldoet plaatselijk aan de achtergrondwaarde en aan de klasse wonen (en indicatief als toe te passen bodem voldoet aan klasse industrie). De ondergrond voldoet aan de achtergrondwaarde.

Voor een formeel oordeel van de toepassingsmogelijkheden van de vrijkomende grond (hergebruik) dient voldaan te worden aan hetgeen wat beschreven staat in de Regeling en het Besluit bodemkwaliteit (aanwezigheid bodemfunctiekaart en/of AP04 onderzoek). Vooralsnog dienen voor de overtollige grond, afkomstig van de onderzoekslocatie, de eisen van het binnen de gemeente van toepassing zijnde beleid in acht genomen te worden. Gezien de verkregen resultaten van het onderzoek dient de gestelde hypothese "niet verdachte locatie" formeel gezien verworpen te worden. Gezien de geringe overschrijdingen en het van nature voorkomen van verhoogde achtergrondgehaltes in het grondwater is het echter gerechtvaardigd de gestelde hypothese te accepteren. Op basis van het historisch onderzoek, de zintuiglijke beoordeling van de grond- en grondwatermonsters en de resultaten van het chemisch-analytisch onderzoek kan gesteld worden dat binnen de huidige functieklasse geen gebruiksbeperkingen hoeven te worden gesteld aan de onderzoekslocatie. De verkregen resultaten geven geen aanleiding tot het uitvoeren van een nader bodemonderzoek. Conclusie Op basis van de uitgevoerde bodemonderzoeken wordt geconcludeerd dat het aspect bodem geen belemmeringen vormt voor onderhavig initiatief.

4.3

Waterhuishouding Toetsingskader In ruimtelijke plannen dient aandacht besteed te worden aan waterhuishoudkundige aspecten. Daarbij staan naast een duurzaam waterbeheer de integrale afweging en het creëren van maatwerk voorop. Water moet altijd bekeken worden in het licht van het watersysteem of stroomgebied waarin een stad of een dorp ligt. Een goede afstemming van waterbeleid en ruimtelijke ordening, ook in het direct aangrenzende gebied, is daarom noodzakelijk. De integratie van water in ruimtelijke plannen vindt plaats via de

26

Gemeente Roosendaal

zogenaamde watertoets. Concreet betekent de watertoets, dat een plan een zogenaamde waterparagraaf dient te bevatten, die keuzes ten aanzien van de waterhuishoudkundige aspecten gemotiveerd beschrijft. Daarin dient een wateradvies van de waterbeheerder te worden meegenomen. De watertoets is wettelijk verankerd in artikel 3.1.6 lid 1, sub b Bro. Beleid provincie Noord-Brabant Vigerend is het Provinciale Milieu- en Waterplan 2016 – 2021 (PWMP) van 18 december 2015. Het PMWP is de structuurvisie voor o.a. het aspect water op grond van de Wet ruimtelijke ordening. Het plan bevat de verplichte onderdelen vanuit de Europese Kaderrichtlijn Water. Behalve dat het PMWP de uitgangspunten aangeeft voor het waterbeleid van waterschappen en gemeenten, toetst de provincie aan de hand van dit plan ook of de plannen van de waterschappen passen in het provinciale beleid. Als algemene uitgangspunten zijn onder andere te noemen de scheiding van relatief schone en vuile waterstromen en het benutten van mogelijkheden voor infiltratie en/of conservering van hemelwater. Beleid Waterschap Brabantse Delta Het besluitgebied is gelegen binnen het stroomgebied van waterschap Brabantse Delta. De visie van waterschap Brabantse Delta is vervat in het Waterbeheerplan 2016 – 2021 en kent een geldigheid vanaf 22 december 2015.

Het waterschap richt zich hierbij op een doelmatig waterbeheer als motor voor een economische en ecologisch krachtige regio. Speerpunten uit het waterbeheerplan zijn klimaatadaptatie, innovaties, ruimtelijke ontwikkelingen, toekomstig medegebruik en het tegengaan van verdroging. Deze ontwikkelingen geven aanleiding tot nieuwe accenten: ▪ het nationale Deltaprogramma voor waterveiligheid en de versterking van de dijken langs de Rijkswateren en de regionale rivieren; ▪ het optimaliseren van de zoetwatervoorziening met het oog op de toenemende droogte; ▪ inzet op bewustwording van watergebruikers zodat hun inzicht groeit over wat ze zelf aan waterbeheer kunnen bijdragen; ▪ helderheid over zowel beperkingen als mogelijkheden voor de gebruiksfuncties van het watersysteem; ▪ het verbeteren van de waterkwaliteit in een meer integrale, gebiedsgerichte uitvoeringsstrategie (combineren van verbeteren van de waterstanden, onderhouden van sloten en treffen van inrichtingsmaatregelen); ▪ afvalstoffen steeds meer inzetten als waardevolle grondstoffen zoals terugwinning van fosfaat en productie van bioplastic uit afvalwater; ▪ een duurzame energiewinning. Daarnaast heeft het waterschap waar nodig nog toegespitst beleid en beleidsregels op de verschillende thema’s/speerpunten uit het waterbeheersplan en heeft het waterschap een eigen verordening; De Keur en de legger.

De Keur waterschap Brabantse Delta 2015 bevat gebods- en verbodsbepalingen met betrekking tot ingrepen die consequenties hebben voor de waterhuishouding en het waterbeheer. De legger geeft aan waar de waterstaatswerken liggen, aan welke afmetingen en eisen die moeten voldoen en wie onderhoudsplichtig is. Veelal is voor deze ingrepen een watervergunning van het waterschap benodigd.

Ruimtelijke onderbouwing “Paul Emsensstraat kavel 5 Wouwse Plantage”

27

De waterschappen Aa en Maas, Brabantse Delta en De Dommel hebben in de NoordBrabantse Waterschapsbond (NBWB) besloten om de keuren te uniformeren en tegelijkertijd te dereguleren. Hierbij is aangehaakt bij het landelijke uniformeringsproces van de Unie van Waterschappen. Er is conform het nieuwe landelijke model een sterk gedereguleerde keur opgesteld, met bijbehorende algemene regels en beleidsregels. Deze zijn voor de drie waterschappen gelijkluidend. De nieuwe uniforme keuren zijn gezamenlijk in werking getreden op 1 maart 2015. In de nieuwe keur is opgenomen dat het in beginsel verboden is om zonder vergunning neerslag door toename van verhard oppervlak of door afkoppelen van bestaand oppervlak, tot afvoer naar een oppervlaktewaterlichaam te laten komen. Dit verbod is van toepassing tenzij: a. het afkoppelen van verhard oppervlak maximaal 10.000 m² is, of; b. de toename van verhard oppervlak maximaal 2.000 m² is, of; c. de toename van verhard oppervlak bestaat uit een groen dak. d.

de toename van verhard oppervlak tussen 2.000 m² en 10.000 m² is en compenserende maatregelen zijn getroffen om versnelde afvoer van hemelwater tegen te gaan, in de vorm van een voorziening met een minimale retentiecapaciteit conform de rekenregel: Benodigde retentiecapaciteit (in m³) = toename verhard oppervlak (in m²) x gevoeligheidsfactor x 0,06 Daarbij dient de voorziening te voldoen aan de volgende voorschriften: a. de bodem van de voorziening dient boven de gemiddelde hoogste grondwaterstand (GHG) te liggen; b. de afvoer uit de voorziening via een functionele bodempassage naar het grondwater en/of via een functionele afvoerconstructie naar het oppervlaktewater plaatsvindt. Indien een afvoerconstructie wordt toegepast, dient deze een diameter van 4 cm te hebben; c. daarnaast moet er altijd een overloopconstructie zijn om uitspoeling naar de sloot te voorkomen. Voor het overige zijn er in de keur diverse regels opgenomen om gebieden met een specifieke functie te beschermen, zoals de attentiegebieden en invloedsgebieden Natura 2000. Er geldt een specifiek beschermingsregime, afhankelijk van het type gebied en de ligging in of nabij een beschermd gebied.

Gemeentelijk beleid: het Verbreed Gemeentelijk Rioleringsplan (VGRP) 2020-2023 Sinds het in werking treden van het Bestuursakkoord Water (2010) werken de gemeente Roosendaal samen met waterschap Brabantse Delta, gemeenten Bergen op Zoom, Halderberge, Moerdijk, Steenbergen en Woensdrecht en ook de waterbedrijven Brabant Water en Evides binnen het samenwerkingsverband Waterkring West. Door samen op te trekken en kennis te delen kunnen we de waterketen zo optimaal mogelijk inrichten en profiteren van elkaars expertise en capaciteit. Vanuit de Waterkring West wordt gestuurd op kwaliteit, kwetsbaarheid, kostenbesparing en klimaatadaptatie. Op 5 september 2019 heeft de gemeente Roosendaal haar Verbreed Gemeentelijk Rioleringsplan (VGRP) 2020 - 2023 vastgesteld, tot stand gekomen met de diverse waterpartners. Dit strategisch beheerplan betreft een actualisatie van het VGRP 2014 2019 op basis van gezamenlijke wensen, ambities en beleidskeuzes. Ook de financiële aspecten zijn herzien op basis van nieuwe inzichten en informatie. In het VGRP zijn de

28

Gemeente Roosendaal

zorgplichten van de gemeente Roosendaal vastgesteld inzake afval-, hemel- en grondwater. Het VGRP vervult vier hoofdfuncties: ▪ Overzicht beleidskeuzes en ambities ten aanzien van stedelijk afvalwater, hemelwater en grondwater; ▪ Interne afstemming met andere vakdisciplines binnen de gemeentelijke organisatie en met de waterpartners; ▪ Externe afstemming met burgers en bedrijven; ▪ Continuïteit en voortgangsbewaking. In het VGRP 2020 - 2023 zijn de doelstellingen voor de komende jaren vastgesteld. Daarbij is op basis van de gekozen strategie op hoofdlijnen aangegeven welke maatregelen uitgevoerd moeten worden om de gestelde doelen te bereiken en welke (financiële) middelen daarvoor nodig zijn. Hierbij worden ook de gevolgen voor de rioolheffing voor burgers en bedrijven aangegeven. Op welke wijze de noodzakelijke maatregelen, zoals rioleringsvervanging of hydraulische maatregelen, zullen worden uitgevoerd, worden in latere operationele plannen opgenomen. Met het VGRP wordt invulling gegeven aan de wettelijke zorgplichten afval-, hemel- en grondwater (de basisopgave). In het verlengde hiervan heeft de gemeente Roosendaal de ambitie om, binnen de reikwijdte van de zorgplichten, bij te dragen aan gemeenschappelijke doelen zoals klimaatadaptatie (kadernota Roosendaal Natuurstad), duurzaamheid en een gezonde leefomgeving.

In het kader van het werken aan klimaatbestendigheid wordt de kans bij nieuwe ontwikkelingen aangegrepen om ook op particulier terrein waterberging aan te leggen (60 mm op eigen terrein, afvoer in minimaal 24 uur). Beoordeling Het voorliggend initiatief is erop gericht om de verkaveling binnen het besluitgebied te wijzigen. Er wordt één extra woning opgericht. Deze aanpassing is marginaal, echter toch zal de verhardingssituatie als gevolg van het planvoornemen wijzigen. De oppervlakte aan verharding neemt ter plaatse toe met circa 100 m2. Volgens de eisen van het waterschap Brabantse Delta behoeft in dit geval niet te worden voorzien in de aanleg en instandhouding van een retentievoorziening. De rekenregel behorend bij het gemeentelijk beleid is gelijk aan de rekenregel van het waterschap, echter dient conform dit beleid waterberging aangelegd te worden voor elke toename aan verharding. In onderhavig geval betreft de toename aan verharding circa 100 m2. Met als uitgangspunt een berging van 60 mm op eigen terrein, komt dit neer op een bergingseis van 100 x 0,06 = 6 m3 waterberging. Op het eigen terrein is voldoende ruimte aanwezig om aan deze bergingseis te kunnen voldoen. Het huishoudelijk afvalwater wordt afzonderlijk ingezameld en afgevoerd naar het bestaande gescheiden stelsel in de wijk.

Ten aanzien van het materiaalgebruik dienen geen uitlogende bouwmaterialen zoals lood, koper, zink en zacht PVC te worden toegepast. Dit om verontreiniging van het hemelwater voorkomen.

Ruimtelijke onderbouwing “Paul Emsensstraat kavel 5 Wouwse Plantage”

29

Uit de kaarten behorende bij de Keur waterschap Brabantse Delta volgt dat de locatie niet is gelegen binnen beschermd gebied. Er gelden derhalve geen bijzondere regels hieromtrent.

Uitsnede keurkaart Keur waterschap Brabantse Delta, waarop de projectlocatie is weergegeven met een rode ster.

Conclusie De ontwikkeling respecteert de waterhuishouding en -kwaliteit. Het aspect water vormt geen belemmering voor onderhavig plan.

4.4

Cultuurhistorie

Toetsingskader In de toelichting van het bestemmingsplan dient een beschrijving te worden opgenomen hoe met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening wordt gehouden (artikel 3.1.6, lid 5 Bro). De opsteller en vaststeller van het bestemmingsplan is daarmee dus verplicht om breder te kijken dan alleen naar het facet archeologie. Ook de facetten historische (steden)bouwkunde en historische geografie dienen te worden meegenomen in de belangenafweging. Hierbij gaat het om zowel beschermde als niet formeel beschermde objecten en structuren. Beleid provincie Noord-Brabant In de provincie Noord-Brabant dienen in het kader van het behoud van waardevolle cultuurhistorische elementen, ruimtelijke plannen te worden getoetst aan de Cultuurhistorische Waardenkaart.

30

Gemeente Roosendaal

Uitsnede Cultuurhistorische Waardenkaart waarop de projectlocatie is weergegeven met een rode ster (Bron: Provincie Nood-Brabant, 2021).

Beleid gemeente Roosendaal In 2007 heeft de gemeente Roosendaal de beleidsnota ‘Toekomst voor het verleden’ vastgesteld. Deze integrale nota ziet op alle fysiek-ruimtelijke aspecten van de cultuurhistorie binnen de gemeente. De nota omvat alleen tastbare cultuurhistorisch waardevolle aspecten in of bovenop de bodem. Deze aspecten bestaan uit (delen van) gebouwen, archeologische vondsten, waardevolle archeologische gebieden en vanuit cultuurhistorische overweging waardevol groen, zoals monumentale bomen of historische parken. Beoordeling Uit de provinciale Cultuurhistorische Waardenkaart blijkt dat het besluitgebied is gelegen binnen een zone die wordt gekenmerkt door de historische stedenbouw. Het gebied wordt getypeerd door de lineaire bebouwingsstructuur en de bebouwing die veelal eenlaags en vrijstaand is. Het betreft hier echter voornamelijk de bebouwing aan de Plantagebaan. Voorliggend initiatief heeft een beperkte relatie tot deze weg. Het besluitgebied is verder gelegen binnen de cultuurhistorische regio West-Brabantse Venen. In deze regio stond eeuwenlang de winning en het transport van turf centraal. Dankzij de ontginning van het veen werd ontwikkeling van het gebied mogelijk gemaakt. Op de afgeveende gronden werden nieuwe dorpen gesticht en landgoederen, landbouwgronden en productiebossen aangelegd.

De strategie voor dit gebied is vooral gericht op het behoud en versterking van de dragende structuren van de regio en de cultuurhistorische waarden in hun samenhang verder ontwikkeling, beschermen en toeristisch recreatief ontsluiten. Onderhavig plan is zodanig kleinschalig van aard, dat het op zichzelf beschouwd onvoldoende kan bijdragen aan de cultuurhistorische waarden van het gebied. Het voorgenomen initiatief tast de waarden echter ook niet

Ruimtelijke onderbouwing “Paul Emsensstraat kavel 5 Wouwse Plantage”

31

aan. Voor het overige geldt dat er geen cultuurhistorische waarden in of nabij de projectlocatie aanwezig zijn. Conclusie Het voorliggend initiatief heeft geen gevolgen voor het aspect cultuurhistorie.

4.5

Archeologie Toetsingskader In Europees verband is het zogenaamde ‘Verdrag van Malta’ tot stand gekomen. De uitgangspunten van dit verdrag dienen te worden vertaald in nationale wetgeving. In Nederland heeft deze vertaling plaatsgevonden in de Erfgoedwet, welke in werking is getreden op 1 juli 2016. Ten aanzien van het aspect ‘archeologie’ is in art. 9.1, lid 1 van de Erfgoedwet, welk artikel een deel van het overgangsrecht regelt, bepaalt dat tot het tijdstip waarop de Omgevingswet in werking treedt onder meer Hoofdstuk V, paragraaf 1 van de inmiddels vervallen Monumentenwet 1988 van toepassing blijft. In Hoofdstuk V, paragraaf 1 is vastgelegd dat een gemeente in de ruimtelijke besluitvorming (w.o. bestemmingsplannen en omgevingsvergunningen voor planologisch afwijken) rekening dient te houden met de in de grond aanwezige dan wel te verwachten monumenten (artt. 38a t/m 41 Monw 1988). Daartoe kan de gemeente in dat besluit regels stellen, bijvoorbeeld tot het doen van archeologisch onderzoek. Het al dan niet stellen van regels ten aanzien van archeologie dient te rusten op voldoende informatie over de archeologische situatie (ECLI:NL:RVS:2011:BU7102, r.o. 2.9.7). Deze informatie kan worden verkregen door gebiedsdekkende kaarten waarop archeologische verwachtingswaarden zichtbaar zijn. Op basis hiervan kan archeologisch beleid worden ontwikkeld.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://raad.roosendaal.nl/api/v1/meetings/1428/documents/38262