CConstaterende datRoosendaal
Koppel je AI →
Document · PDF

05c - 95 - Bijlage 1 toelichting.pdf

Gemeenteraad 1 juni 2023, gemeente RoosendaalBij agendapunt: 5.c: Voorstel 95: Vaststellen bestemmingsplan hoek Dr. Brabersstraat-Roselaarplein18.003 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

5.3

Cultuurhistorie

5.3.1 Cultuurhistorie en waardevolle objecten Toetsingskader Sinds 1 juli 2016 is de Erfgoedwet van kracht. De uitgangspunten uit de modernisering van de monumentenzorg (MOMO) in het Besluit ruimtelijke ordening van het Rijk blijven in de Erfgoedwet de basis van de Nederlandse omgang met cultuurhistorie. Hierin is opgenomen dat gemeenten bij het nemen van ruimtelijke besluiten rekening moeten houden met de aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten. De facetten historische (steden)bouwkunde en historische geografie dienen te worden meegenomen in de belangenafweging. Toetsing De provincie Noord-Brabant heeft een Cultuurhistorische Waardenkaart (CHW) opgesteld. Sinds 2011 beschikt de gemeente Roosendaal zelf over een Erfgoedkaart waarbij de Provinciale CHW is verfijnd en ondersteund wordt met aanvullende gegevens zoals bijvoorbeeld luchtfoto's uit 1934, 1958, 1975 en 1985. Op basis van deze gemeentelijke verfijning zal de Provinciale CHW -daar waar nodig worden aangepast. In het gebied zijn geen culthuurhistorisch waardevolle objecten aanwezig die van provinciaal of rijksbelang zijn. Wel ligt een deel van het plangebied in de hisotrische stadskern Roosendaal, die zich tussen de Kade, Markt, Burgehoutsestraat en Emile van Loonpark bevindt.

De architectuur van de bebouwing aan de Dokter Braberstraat en de Markt houdt hier rekening mee. Conclusie De ontwikkeling schaadt geen cultuurhistorisch waardevolle objecten.

36/63

5.3.2 Archeologie Toetsingskader Op grond van de Wro en de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) zijn behoud en beheer van het bodemarchief integraal verankerd in de ruimtelijke werkprocessen van de gemeenten. Bij de vaststelling van een ruimtelijk plan moet met de in de grond aanwezige dan wel te verwachten monumenten rekening worden gehouden. In het belang van de archeologische monumentenzorg kan bij een ruimtelijk plan worden bepaald dat de aanvrager van een omgevingsvergunning voor het bouwen of voor het uitvoeren van werken en werkzaamheden een rapport dient te overleggen, waarin de archeologische waarde van het terrein dat volgens de aanvraag zal worden verstoord naar het oordeel van burgemeester en wethouders voldoende is vastgesteld. De archeologische bescherming wordt geregeld op basis van een stelsel van archeologische aandachtsgebieden met indicaties van (lagere of hogere) waarden. De provincie heeft een Cultuurhistorische Waardenkaart Noord-Brabant opgesteld met een waardering van mogelijke archeologische gebieden waarvan de bescherming in het bestemmingsplan middels een aanlegvergunning geregeld dient te worden. Aangezien de verantwoordelijkheid voor het archeologisch erfgoed wordt gedecentraliseerd, dienen de gemeenten binnen dit kader hun eigen beleid te ontwikkelen.

Toetsing en conclusie Het noordelijk deel van het plangebied is voorzien van de dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie 1’. Indien werkzaamheden plaatsvinden die dieper reiken dan 0,5 meter onder maaiveld en een oppervlakte hebben van meer dan 50 m2 dient archeologisch onderzoek plaats te vinden. De gronden zijn echter al ontgraven ten behoeve van de huidige bebouwing. Conclusie Ter plaatse van het plangebied de bestaande dubbelbestemming 'Waarde – Archeologie – 1' gehandhaafd. Verder zal in het kader van de omgevingsvergunning bouwen, daar waar dit noodzakelijk blijkt, archeologisch onderzoek worden uitgevoerd. Het aspect archeologie vormt daarmee geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.

5.4

Ecologie

Toetsingskader Wet natuurbescherming Met de Wnb zijn alle bepalingen met betrekking tot de bescherming van natuurgebieden en dier- en plantensoorten samengebracht in één wet. De Wnb implementeert diverse Europeesrechtelijke regelgeving, zoals de Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn in de Nederlandse wetgeving. Gebiedsbescherming Bescherming van natuurgebieden wordt gewaarborgd door de Wet natuurbescherming (Wnb) en de Wet Ruimtelijke Ordening (Wro). Natura 2000-gebieden worden beschermd door de Wnb en het Natuurnetwerk Nederland (NNN) wordt beschermd door de Wro. Natura-2000 gebieden

37/63

De Minister van Economische Zaken (EZ) wijst gebieden aan die deel uitmaken van het Europese netwerk van natuurgebieden: Natura 2000. Een dergelijk besluit bevat de instandhoudingsdoelstellingen voor de leefgebieden van vogelsoorten (Vogelrichtlijn) en de instandhoudingsdoelstellingen voor de natuurlijke habitats en habitats van soorten (Habitatrichtlijn). Een bestemmingsplan dat afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied, kan uitsluitend vastgesteld worden indien uit een passende beoordeling de zekerheid is verkregen dat het plan, onderscheidenlijk het project de natuurlijke kenmerken van het gebied niet zal aantasten. Indien deze zekerheid niet is verkregen, kan het plan worden vastgesteld, indien wordt voldaan aan de volgende drie voorwaarden: alternatieve oplossingen zijn niet voor handen; het plan is nodig om dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard, en de nodige compenserende maatregelen worden getroffen om te waarborgen dat de algehele samenhang van het Natura 2000-netwerk bewaard blijft. De bescherming van deze gebieden heeft externe werking, zodat ook ingrepen die buiten deze gebieden plaatsvinden verstoring kunnen veroorzaken en moeten worden getoetst op het effect van de ingreep op soorten en habitats.

Natuurnetwerk Nederland (NNN) Gebieden die deel uitmaken van het Natuurnetwerk Nederland (NNN) worden aangewezen in de provinciale verordening. In de provincie Brabant heten deze gebieden dan ook NNB (Natuurnetwerk Brabant). Voor dit soort gebieden geldt het 'nee, tenzij' principe, wat inhoudt dat binnen deze gebieden in beginsel geen nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen mogen plaatsvinden. Soortenbescherming In de Wnb wordt een onderscheid gemaakt tussen: soorten die worden beschermd in de Vogelrichtlijn; soorten die worden beschermd in de Habitatrichtlijn; overige soorten. De Wnb bevat onder andere verbodsbepalingen ten aanzien van het opzettelijk vernielen of beschadigen van nesten, eieren en rustplaatsen van vogels als bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn. Gedeputeerde Staten (hierna: GS) kunnen hiervan ontheffing verlenen en bij verordening kunnen Provinciale Staten (hierna: PS) vrijstelling verlenen van dit verbod. De voorwaarden waaraan voldaan moet worden om ontheffing of vrijstelling te kunnen verlenen zijn opgenomen in de Wnb en vloeien direct voort uit de Vogelrichtlijn. Verder is het verboden in het wild levende dieren van soorten, genoemd in bijlage IV, onderdeel a, bij de Habitatrichtlijn, bijlage II bij het Verdrag van Bern of bijlage I bij het Verdrag van Bonn, in hun natuurlijk verspreidingsgebied opzettelijk te doden of te vangen of te verstoren.

GS kunnen hiervan ontheffing verlenen en bij verordening kunnen PS vrijstelling verlenen van dit verbod. De gronden voor verlening van ontheffing of vrijstelling zijn opgenomen in de Wnb en vloeien direct voort uit de Habitatrichtlijn. Ten slotte is een verbodsbepaling opgenomen voor overige soorten. Deze soorten zijn opgenomen in de bijlage

38/63

onder de onderdelen A en B bij de Wnb. De provincie kan ontheffing verlenen van deze verboden. Verder kan bij provinciale verordening vrijstelling worden verleend van de verboden. De noodzaak tot ontheffing of vrijstelling kan hierbij ook verband houden met handelingen in het kader van de ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden. Bij de voorbereiding van het bestemmingsplan moet worden onderzocht of de Wet natuurbescherming de uitvoering van het plan niet in de weg staat. Dit is het geval wanneer de uitvoering tot ingrepen noodzaakt waarvan moet worden aangenomen dat daarvoor geen vergunning of ontheffing ingevolge de wet zal kunnen worden verkregen. Onderzoek Gebiedsbescherming Het plangebied maakt geen deel uit van een natuur- of groengebied met een beschermde status, zoals het Natuurnetwerk Nederland of Natura 2000. Het dichtstbijzijnde natuurgebied behorende bij het Natuurnetwerk Nederland ligt op 250 meter afstand (Molenbeek). Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied is gelegen op een afstand van circa 7,5 kilometer en betreft het gebied 'Brabantse Wal'. Directe effecten zoals areaalverlies en versnippering kunnen hierdoor worden uitgesloten. Gezien de aard en omvang van de ontwikkeling en de afstand tot natuurgebieden kunnen ook verstoring en verandering van de waterhuishouding worden uitgesloten.

De beoogde ontwikkeling leidt wel tot een toename van verkeersbewegingen, het huidige pand staat immers als geruime tijd leeg. Het dichtstbijzijnde stikstofgevoelige habitattype ligt op 8,9 kilometer. Ten behoeve van de beoogde ontwikkeling is met behulp van de AERIUS Calculator de stikstofdepositie berekend. Deze is als bijlage 5 opgenomen. Hieruit blijkt dat er geen sprake is van rekenresultaten hoger dan 0,00 mol/ha/j. Soortenbescherming Om de functie van het plangebied voor beschermde soorten te onderzoeken is een quickscan flora en fauna uitgevoerd (bijlage 6). Hieruit blijkt dat er verblijfplaatsen van vleermuizen en nesten van 'vogels zonder jaarrond beschermd nest' op of rond de planlocatie aanwezig kunnen zijn. Bij de uitvoering dient rekening gehouden te worden met de broedperiode en het voorkomen van vestiging van de zwarte roodstaart tijdens de bouwperiode. Naar aanleiding van de resultaten van de quickscan is nader onderzoek uitgevoerd naar de functie van het plangebied voor de gewone dwergvleermuis en ruige dwergvleermuis. Daarbij zijn vier paarverblijfplaatsen en één zomerverblijfplaats van de gewone dwergvleermuis in en om het plangebied aangetroffen. De drie in het plangebied aangetroffen paarverblijfplaatsen van de gewone dwergvleermuis zullen vernietigd worden door uitvoering van de voorgenomen werkzaamheden.

Ook de zomerverblijfplaats en paarverblijfplaats van de gewone dwergvleermuis buiten het plangebied liggen binnen de invloedssfeer van de werkzaamheden. Er zal ontheffing van de Wnb worden aangevraagd voor het vernietiging van de drie paarverblijfplaatsen van de gewone dwergvleermuis. Daarvoor zijn inmiddels tijdelijke vleermuiskasten opgehangen. In de nieuwbouw zal een permanente plaats gevonden worden voor de verblijfplaatsen. Conclusie De Wnb staat de ontwikkeling niet in de weg mits de hiervoor beschreven maatregelen getroffen worden en ontheffing van de Wnb voor de paar- en winterverblijfsplaatsen van vleermuizen wordt verleend.

39/63

5.5

Bodem

Toetsingskader Op grond van het Besluit ruimtelijke ordening dient in verband met de uitvoerbaarheid van een plan rekening gehouden te worden met de bodemgesteldheid in het plangebied. Bij functiewijziging dient te worden bekeken of de bodemkwaliteit voldoende is voor de beoogde functie en moet worden vastgesteld of er sprake is van een saneringsnoodzaak. In de Wet bodembescherming is bepaald dat indien de desbetreffende bodemkwaliteit niet voldoet aan de norm voor de beoogde functie, de grond zodanig dient te worden gesaneerd dat zij kan worden gebruikt door de desbetreffende functie (functiegericht saneren). Nieuwe bestemmingen dienen bij voorkeur op schone grond te worden gerealiseerd. Ten behoeve van ruimtelijke plannen dient ten minste het eerste deel van het verkennend bodemonderzoek, het historisch onderzoek, te worden verricht. Indien uit het historisch onderzoek wordt geconcludeerd dat op de betreffende locatie sprake is geweest van activiteiten met een verhoogd risico op verontreiniging dient een volledig verkennend bodemonderzoek te worden uitgevoerd. Toetsing Er is een milieuhygiënisch vooronderzoek bodem uitgevoerd ter plaatse van het plangebied (bijlage 3). Op basis van het milieuhygiënisch vooronderzoek bodem is geconcludeerddat de onderzoekslocatie onderzocht dient te worden volgens de strategie "onverdacht, niet lijnvormig" (ONV-NL).

Bij onverdachte locaties luidt de onderzoekshypothese dat de bodem niet verontreinigd is. Uit dit onderzoek is gebleken dat verkennend bodemonderzoek moet worden uitgevoerd.

5.6

Luchtkwaliteit

Toetsingskader In het kader van een goede ruimtelijke ordening wordt bij het opstellen van een ruimtelijk plan uit het oogpunt van de bescherming van de gezondheid van de mens rekening gehouden met de luchtkwaliteit. Het toetsingskader voor luchtkwaliteit wordt gevormd door hoofdstuk 5, titel 5.2 van de Wet milieubeheer. Dit onderdeel van de Wet milieubeheer (Wm) bevat grenswaarden voor zwaveldioxide, stikstofdioxide en stikstofoxiden, fijn stof, lood, koolmonoxide en benzeen. Hierbij zijn in de ruimtelijke ordeningspraktijk langs wegen vooral de grenswaarden voor stikstofdioxide (jaargemiddelde) en fijn stof (jaar- en daggemiddelde) van belang. De grenswaarden van de laatstgenoemde stoffen zijn in de onderstaande weergegeven. Stof stikstofdioxide (NO2) fijn stof (PM10)

Toetsing van Grenswaarde jaargemiddelde concentratie 40 µg/m³ jaargemiddelde concentratie 40 µg/m³ 24-uurgemiddelde concentratie max. 35 keer p.j. meer dan 50 µg / m³ fijn stof (PM2,5) jaargemiddelde concentratie 25 µg /m³ Tabel 4.7 Grenswaarden maatgevende stoffen Wm Op grond van artikel 5.16 van de Wm kunnen bestuursorganen bevoegdheden die gevolgen kunnen hebben voor de luchtkwaliteit onder andere uitoefenen indien de bevoegdheden/ontwikkelingen niet leiden tot een

40/63

overschrijding van de grenswaarden of de bevoegdheden/ontwikkelingen niet in betekenende mate bijdragen aan de concentratie in de buitenlucht. Besluit niet in betekenende mate In dit Besluit niet in betekenende mate is bepaald in welke gevallen een plan vanwege de gevolgen voor de luchtkwaliteit niet aan de grenswaarden hoeft te worden getoetst. Hierbij worden 2 situaties onderscheiden: een plan heeft een effect van minder dan 3% van de jaargemiddelde grenswaarde NO2 en PM10 (= 1,2 µg/m³); een plan valt in een categorie die is vrijgesteld aan toetsing aan de grenswaarden; deze categorieën betreffen onder andere woningbouw met niet meer dan 1.500 woningen bij één ontsluitingsweg en 3.000 woningen bij twee ontsluitingswegen, kantoorlocaties met een bruto vloeroppervlak van niet meer dan 100.000 m2 bij één ontsluitingsweg en 200.000 m2 bij twee ontsluitingswegen. Onderzoek en conclusie Door de ontwikkeling is er sprake van een toename van verkeer van 835 mvt/etmaal (weekdaggemiddelde). Hierbij wordt uitgegaan van een aandeel vrachtverkeer van 1%. In de nibm-tool (versie 23-4-2022) is 2023 als jaar van planrealisatie aangehouden. Uit de berekening blijkt dat deze verkeerstoename zorgt voor een toename van het gehalte stikstof in de lucht van 0,53 µg/m³ en van fijnstof van 0,13 µg/m³ (figuur 5.6.1).

Het project draagt hierdoor niet in betekenende mate bij aan de toename van de hoeveelheid stikstofdioxide en fijnstof in de lucht. Een toetsing aan de grenswaarden is derhalve niet noodzakelijk.

Figuur 5.6.1 Resultaten NIBM-tool 2022 In het kader van een goede ruimtelijke ordening is een indicatie van de luchtkwaliteit ter plaatse van het plangebied gegeven. Dit is gedaan aan de hand van de NSL-monitoringstool 2020 (http://www.nsl-monitoring.nl/viewer/) die bij het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit hoort. Via de monitoringstool (www.nsl-monitoring.nl), die bij het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit hoort, is bekeken hoe hoog de concentraties luchtverontreinigende stoffen ter plaatse van het plangebied zijn. De dichtstbijzijnde toetspunten liggen aan de Laan van Brabant. Uit de NSL-monitoringstool blijkt dat in 2020 de jaargemiddelde concentraties stikstofdioxide en fijn stof langs deze weg ruimschoots onder de grenswaarden lagen. De concentraties luchtverontreinigende stoffen bedroegen in 2020; 17,9 µg/m³ voor NO2, 16,0 µg/m³ voor

41/63

PM10 en 8,7 µg/m³ voor PM2,5. Het aantal overschrijdingsdagen van de 24-uur gemiddelde concentratie PM10 bedroeg 6 dagen. Hierdoor is er ter plaatste van het plangebied sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat.

5.7

Geluid

Toetsingskader De grenswaarden van de Wet geluidhinder gelden voor de geluidgevoelige bestemmingen binnen de geluidzone van de (spoor)weg of industrieterrein. Toetsing De planontwikkeling betreft een gevoelige functie (woningen) en valt binnen de geluidzones van meerdere verkeerswegen en een spoorweg. Er is onderzoek gedaan naar de geluidbelasting ten gevolge van spoor- en wegverkeerslawaai. De “nieuwe situatie” is getoetst aan de Wet geluidhinder (Wgh). Tevens is de gecumuleerde geluidbelasting ter hoogte van het plangebied bepaald. Omdat het plan niet ligt binnen de zone van een industrieterrein of luchtvaartterrein, zijn in dit onderzoek de geluidaspecten hiervan buiten beschouwing gelaten. In het kader van een goede ruimtelijke ordening is, behalve de toets van de geluidbelasting van de gezoneerde geluidbronnen aan de grenswaarden uit de Wet geluidhinder, ook de geluidbelasting van niet-gezoneerde wegen (30 km-uur wegen) op de ontwikkeling in beeld gebracht. Dit onderzoek is opgenomen in bijlage 4. De conclusies uit dit onderzoek worden hierna weergegeven: Wegverkeerslawaai Uit het akoestisch onderzoek blijkt dat in het plangebied geen sprake is van overschrijding van de voorkeursgrenswaarde van 48 dB Lden. Ten aanzien van wegverkeerslawaai zijn er geen belemmeringen voor de voorgenomen planontwikkelingen. Er is sprake van een goede ruimtelijke ordening.

Spoorweglawaai Uit onderzoek is gebleken dat de geluidbelasting van de spoorweg Roosendaal – Bergen op Zoom op het plangebied groter is dan de voorkeursgrenswaarde voor spoorweglawaai van 55 dB. De maximaal te verlenen grenswaarde van 68 dB wordt op gevoelige bestemmingen niet overschreden. Zonder geluidreducerende maatregelen, of wanneer deze onvoldoende resultaat opleveren, moet voor de geluidbelastingen door het spoortraject van 61 dB in het kader van de bestemmingsplanprocedure voor spoorweglawaai een hogere waarde verleend worden door burgemeester en wethouders. Cumulatie van geluid De gecumuleerde geluidbelasting van wegverkeer- en spoorweglawaai, zonder aftrek conform artikel 110g Wgh voor wegverkeer, bedraagt 63 dB op de westzijde van het gebouw van 23 m hoog. Het geluidklimaat kan als onvoldoende worden geclassificeerd. Het is aan het bevoegd gezag om te beoordelen of zij een dergelijk geluidklimaat toelaatbaar acht binnen het plangebied.

42/63

Bouwbesluit Indien maatregelen aan de bron of in de overdracht niet aan de orde zijn en gekozen wordt voor het vaststellen van een hogere waarde, dan dient de uitwendige scheidingsconstructie van de betreffende woningen de verblijfsgebieden voldoende te beschermen. Het Bouwbesluit 2012 stelt alleen eisen aan de gevelgeluidwering voor situaties waar een hogere waarde is verleend. Dit betekent dat geen eisen gelden bij 30 km/uur wegen die een verhoogde geluidbelasting veroorzaken. Uit het oogpunt van gezondheid en comfort is het echter aan te bevelen om toch geluidwerende maatregelen te treffen om ten gevolge van wegverkeer- en spoorweglawaai een binnenniveau van 33 dB te kunnen garanderen. In een aanvullend bouwakoestisch onderzoek zal moeten worden onderzocht of aanvullende gevelmaatregelen nodig zijn voor de appartementen aan de west- en noordzijde van de toren van 39 m, de west-, zuid- en noordzijde van het gebouw van 23 m, de west- en zuidzijde van de toren van 28 m en aan de westzijde van het gebouw van 18 m om de binnenwaarde van 33 dB te halen. Conclusie Voor de ontwikkeling zal een besluit hogere waarde worden genomen. Daarnaast zal bij de verdere uitwerking van het ontwerp worden onderzocht of er voldoende geluidwering aanwezig is om aan de binnenwaarde van 33 dB te halen.

5.8

Bedrijven en milieuzonering

Toetsingskader In het kader van een goede ruimtelijke ordening is het van belang dat bij de aanwezigheid van bedrijven in de omgeving van milieugevoelige functies zoals woningen: ter plaatse van de woningen een goed woon- en leefmilieu kan worden gegarandeerd; rekening wordt gehouden met de bedrijfsvoering en milieuruimte van de betreffende bedrijven. Voor de afstemming tussen milieugevoelige en milieuhinderlijke functies, wordt in dit plan gebruikgemaakt van de VNG-publicatie Bedrijven en milieuzonering (editie 2009). In deze publicatie is een lijst opgenomen waarin de meest voorkomende bedrijven en bedrijfsactiviteiten zijn gerangschikt naar mate van milieubelasting. Voor elke bedrijfsactiviteit is de maximale richtafstand ten opzichte van milieugevoelige functies aangegeven op grond waarvan de categorie-indeling heeft plaatsgevonden. Milieuzonering beperkt zich tot de milieuaspecten met een ruimtelijke dimensie: geluid, geur, gevaar en stof. De richtafstanden gelden ten opzichte van het omgevingstype 'rustige woonwijk/rustig buitengebied'. Voor het omgevingstype 'gemengd gebied' gelden kleinere afstanden. De richtafstanden gelden voor de aangegeven bedrijfsactiviteiten in het algemeen. Op basis van onderzoek naar de specifieke milieusituatie van een bedrijf kunnen kleinere aan te houden afstanden gerechtvaardigd zijn.

Hiermee kan dan onderbouwd worden afgeweken van de richtafstanden indien de specifieke bedrijfsvoering van het betreffende bedrijf daar aanleiding toe geeft.

43/63

Onderzoek Het gebied is aan te merken als Gemengd gebied, er zijn diverse functies in de directe omgeving te vinden. De gronden ter hoogte van het plangebied en in de directe omgeving mogen worden gebruikt overeenkomstig het bestaande gebruik. De activiteiten ter plaatse mogen worden vervangen door activiteiten met een gelijkwaardige milieuhinder. De ontwikkeling betreft functies die in het bestaande bestemmingsplan al zijn toegestaan en daarnaast passend zijn in de omgeving. De omliggende bedrijven worden niet gehinderd in hun bedrijfsvoering. In de omgeving ligt een aantal milieuhinderlijke bedrijven. Op 100 meter afstand is een brandweerkazerne aanwezig. Een brandweerkazerne wordt gerangschikt onder milieucategorie 3.1 waarbij in principe een richtafstand van 50 meter hoort in een rustige woonwijk en 30 meter in gemengd gebied. De ontwikkeling ligt niet binnen de richtafstand. Ook overige bedrijven in de omgeving hebben geen richtafstand groter dan de afstand tot de ontwikkeling. Conclusie Voor milieuhinder van bedrijven in de omgeving wordt voldaan aan de richtafstanden. Voor de beoogde woningen sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Omdat de beoogde functies al zijn toegestaan is daarmee onderbouwd dat bestaande en toekomstige bedrijven niet in hun functioneren worden belemmerd.

Het aspect bedrijven en milieuzonering staat de uitvoering van het bestemmingsplan niet in de weg.

5.9

Externe veiligheid

Inleiding Externe veiligheid gaat over de risico's voor de omgeving door opslag, productie en transport van gevaarlijke stoffen. Deze risico's worden bij ruimtelijke ontwikkelingen beoordeeld aan de hand van het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Plaatsgebonden risico Het plaatsgebonden risico is een (berekende) afstand vanaf een risicobron, waarbinnen de kans om te overlijden vanwege een ongeval met de aanwezig gevaarlijke stoffen meer dan 1 op een miljoen jaar is. Binnen deze afstand (de plaatsgebonden risicocontour) mogen geen kwetsbare objecten zoals woningen aanwezig zijn of worden opgericht binnen het bestemmingsplan. Voor kwetsbare objecten is het plaatsgebonden risico van 10-6 per jaar (PR 10-6) een grenswaarde die niet mag worden overschreden. Groepsrisico Het groepsrisico is een berekende waarde die aangeeft of er mogelijk sprake is van veel slachtoffers bij een ongeval met gevaarlijke stoffen. Als het plangebied binnen het invloedsgebied van een risicobron ligt is een verantwoording van het groepsrisico nodig. Over twee aspecten van die verantwoording, de mogelijkheden voor rampenbestrijding en de zelfredzaamheid van de bevolking, wordt de Veiligheidsregio om advies gevraagd.

Toetsingskader

44/63

Binnen externe veiligheid wordt er onderscheid gemaakt in drie soorten risicobronnen, namelijk: inrichtingen, transportroutes (weg, water en spoor) en buisleidingen waardoor gevaarlijke stoffen worden getransporteerd. Hiervoor geldt de volgende regelgeving. Besluit externe veiligheid inrichtingen Het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) verplicht het bevoegde gezag vanwege het plaatsgebonden risico bepaalde afstanden aan te houden tussen (beperk) kwetsbare objecten en risicovolle bedrijven. In het Bevi is opgesomd wat wordt verstaan onder risicovolle bedrijven en kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten. Voor het groepsrisico geeft het Bevi een oriëntatiewaarde en een verantwoordingsplicht Besluit externe veiligheid transportroutes In het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) zijn de risiconormen voor het vervoer van gevaarlijke stoffen over de weg, het spoor en binnenwater opgenomen. Er is een landelijk basisnet voor het vervoer van gevaarlijke stoffen over snelwegen, hoofdwaterwegen (binnenwateren) en hoofdspoorwegen (enkele uitzonderingen daargelaten). In de Regeling basisnet staan per trajectdeel vaste afstanden voor het plaatsgebonden risico. Binnen deze afstanden zijn kwetsbare objecten niet toegestaan.

Ook is per trajectdeel aangegeven of er sprake is van een plasbrandaandachtsgebied: een zone van 30 m naast de infrastructuur, waarin aanvullende bouweisen voor nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen gelden. Bij ruimtelijke plannen binnen het invloedsgebied van een transportroute voor gevaarlijke stoffen, is een verantwoording van het groepsrisico nodig. Deze verantwoording heeft in elk geval betrekking op de mogelijkheden voor rampenbestrijding en de zelfredzaamheid van de bevolking. Indien het plan binnen 200 meter van een transportroute ligt, moeten ook andere elementen in de verantwoording worden meegenomen. Het gaat daarbij om een berekening van de hoogte van het groepsrisico en het betrekken van mogelijke ruimtelijke maatregelen in het besluit. Besluit externe veiligheid buisleidingen In het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) zijn de risiconormen voor het vervoer van gevaarlijke stoffen door buisleidingen opgenomen. De normstelling ten aanzien van het plaatsgebonden risico en het groepsrisico is in lijn met het Besluit externe veiligheid inrichtingen. Daarnaast hebben buisleidingen waarop het Bevb van toepassing is een belemmeringenstrook ten behoeve van het onderhoud van de buisleiding. De belemmeringenstrook bedraagt 4 of 5 meter van 4 of 5 meter aan weerzijden van de buisleiding, afhankelijk van de druk in de leiding.

Gemeentelijke kaders De gemeente Roosendaal beschikt over een standaard verantwoording als hulpmiddel voor het opstellen van de paragraaf 'externe veiligheid' in ruimtelijke plannen. De standaard verantwoording geeft een beschrijving van de scenario's en de aspecten rampenbestrijding en zelfredzaamheid van de bevolking en gaat op globale wijze in op het groepsrisico. De Veiligheidsregio heeft een standaard advies opgesteld, dat is afgestemd op de standaard verantwoording van de gemeente. Situatie ter plaatse

45/63

Met het plan worden woningen, commerciële en maatschappelijke ruimten mogelijk gemaakt. Woningen en diverse maatschappelijke functies zijn in het Besluit externe veiligheid inrichtingen aangemerkt als kwetsbare objecten. Voor commerciële ruimten is de oppervlakte bepalend of sprake is van een beperkt kwetsbaar object of kwetsbaar object. Gelet op de diverse functies en levendigheid in het gebied, worden alle gebouwen in het gebied beschouwd als kwetsbare objecten. Met behulp van de EV-signaleringskaart is nagegaan welke risicobronnen in de omgeving van het plangebied aanwezig zijn. Binnen het plangebied worden geen risicovolle activiteiten mogelijk gemaakt die leiden tot externe veiligheidsrisico's binnen of buiten het plangebied. In de directe omgeving zijn er een aantal relevant risicobronnen. De spoorlijn Roosendaal Sloehaven-Roosendaal West en Roosendaal West-Essen (B) Over deze spoorlijnen, die op ruim 150 meter afstand van het plangebied liggen, worden gevaarlijke stoffen vervoerd. De PR 10-6 contour van dit traject wisselt per trajectdeel. Het spoortraject heeft een PR 10-6 contour van maximaal 21 meter. De PR 10-6 contour overlapt het plangebied daarmee niet. Tevens geldt een plasbrandaandachtsgebied (PAG) voor het spoortraject. Het PAG bedraagt 30 meter vanuit de buitenste spoorstaaf van de doorgaande spoorlijn. Het PAG overlapt het plangebied niet.

Het gehele plangebied ligt binnen het invloedsgebied van de spoorlijn. Op basis van artikel 7 en 8 van het Besluit externe veiligheid dient een verantwoording van het groepsrisico gegeven te worden, waarbij ook het groepsrisico in beeld gebracht dient te worden. Om die reden is een QRA uitgevoerd (bijlage 2). Uit de QRA blijkt dat het groepsrisico toeneemt van 2,59 naar 2,73 keer de oriëntatiewaarde. Hoewel de toename van het groepsrisico minder is dan 10%, dient wel een uitgebreide verantwoording te worden opgesteld, omdat de oriëntatiewaarde wordt overschreden. Voor de verantwoording van het groepsrisico wordt verwezen naar de paragraaf 'verantwoording groepsrisico'.

46/63

Afbeelding 5.9.1: Risicobronnen en plangebied (bron: EV-signaleringskaart) Rijksweg A17 en A58 Het plangebied ligt vanwege toxische scenario's binnen het invloedsgebied van Rijksweg A17 en A58. Deze basisnetroutes zijn gelegen op een afstand van meer dan 200 meter van het plangebied. Om die reden kan volstaan worden met een toetsing aan artikel 7 van het Bevt, waarbij wordt ingegaan op de mogelijkheden voor rampenbestrijding en zelfredzaamheid van de bevolking. Hiervoor wordt verwezen naar de verantwoording groepsrisico. Gemeentelijke transportroutes Over lokale wegen (gemeentelijke transportroutes) kan ook transport van gevaarlijke stoffen plaatsvinden, bijvoorbeeld om lokale bedrijven te bevoorraden. Uit een inventarisatie van de OMWB blijkt dat over de Burgemeester Freijterslaan en Laan van Brabant brandbare vloeistoffen worden vervoerd. In onderstaande afbeelding is een uitsnede opgenomen uit het model. Een incident met brandbare vloeistoffen (plasbrand) heeft een reikwijdte van maximaal 45 meter. Die afstand reikt niet tot het plangebied. Om die reden ligt het plangebied buiten het invloedsgebied van dit incident. Vanuit gemeentelijke transportroutes gelden geen belemmeringen voor de planvorming.

47/63

Afbeelding 5.9.2: Gemeentelijke transportroutes en plangebied (bron:OMWB) Verantwoording groepsrisico Voor de volgende scenario's wordt ingegaan op de aspecten bestrijdbaarheid en zelfredzaamheid: Een incident met brandbare gassen op het spoor; Een incident met toxische stoffen op de A17, A58 en het spoor. Een incident met brandbare vloeistoffen heeft een reikwijdte die niet reikt tot het plangebied en is om die reden niet afgewogen. Voor het scenario met brandbare gassen op het spoor dient een uitgebreide verantwoording te worden opgesteld. Voor de onderdelen dichtheid van personen en het groepsrisico wordt verwezen naar de uitgevoerde QRA, die als bijlage bij dit bestemmingsplan is opgenomen. Scenario met brandbare gassen (spoor) Een BLEVE (Boiling Liquid Expanding Vapour Explosion) is een explosie bij brandbare gassen. Er wordt onderscheid gemaakt tussen een warme BLEVE en een koude BLEVE. Een warme BLEVE ontstaat door een incident met een (externe) brand waarbij een tankwagon met bijvoorbeeld LPG is betrokken. Vanwege oplopende temperaturen neemt de druk in de tankwagon toe. Binnen circa 20 minuten leidt het vrijkomen en het ontsteken van de inhoud tot overdrukeffecten en een grote vuurbal, een BLEVE. De hittestraling is kort en hevig en kan secundaire branden in de omgeving veroorzaken.

48/63

Een koude BLEVE treedt op wanneer de tank bezwijkt door een mechanische oorzaak. Het scheuren van de tank wordt veroorzaakt door een plaatselijke verzwakking van de tankwand, de maximale druk en temperatuur worden niet bereikt. Het effect is daarom beperkter dan bij een warme BLEVE, maar er is geen vluchttijd, omdat de explosie direct plaatsvindt. Bij het scenario van een koude BLEVE zal er geen tijd beschikbaar zijn voor zelfredding. Bij een warme BLEVE is er mogelijk beperkte vluchttijd. Gezien deze korte tijd zijn er geen mogelijkheden tot evacuatie door de brandweer. Daarom zullen de personen op eigen kracht of door het personeel het gebied moeten ontvluchten in geval van een incident. De maatregelen ter bevordering van de zelfredzaamheid moeten daarom in de planologische, organisatorische en bouwkundige sfeer worden gezocht. Maatregelen aan de bron liggen niet binnen het bereik van het bestemmingsplan. Zelfredzaamheid Het gehele plangebied is gelegen buiten 115 meter van het spoor. Dit betekent dat het plangebied ligt in de zogenaamde 2e ring. Personen binnen dit gebied zijn in gebouwen grotendeels voldoende beschermd tegen de gevolgen van een BLEVE. Na optreden van dit incident is vluchten voor deze personen de gewenste optie. Ontsluitingswegen die leiden van de risicobron af zijn geschikte vluchtroutes.

Ten aanzien van de zelfredzaamheid gelden in beginsel geen belemmeringen, mogelijk aandachtspunt zijn de maatschappelijke functies. Bestrijdbaarheid Bestrijding van een dreigende warme BLEVE vereist een goede bereikbaarheid en veel bluswater bedoeld voor het voor het koelen van de tank. Bij voldoende koeling zal een (dreigende) warme BLEVE worden voorkomen. Hiervoor wordt (vanwege de snelheid die is geboden) gebruik gemaakt van primaire bluswatervoorzieningen (in het voertuig aanwezige water en brandkranen op het openbaar waterleidingnet). Noodzakelijk voor het voorkomen van een (dreigende) warme BLEVE is. Tijdige aankomst brandweer; Tijdige bereikbaarheid tankwagon; Tijdige beschikbaarheid bluswater; Inzet waterkanonnen voor tweezijdige koeling tankwagon. Indien de warme BLEVE niet voorkomen kan worden, is het relevant dat er voldoende bluswatervoorzieningen zijn en dat het gebied tweezijdig toegankelijk is. Voor effectief optreden na het plaatsvinden van een warme of koude BLEVE is het relevant dat: Het gebied tweezijdig toegankelijk is; Een effectieve bluswatervoorziening; Er passende slagkracht is van de brandweer (in de omgeving). Toxische scenario's (A17, A58 en spoor) In dit scenario komt een wolk met toxische stoffen vrij die zich verspreidt in de omgeving. Deze kan ontstaan als gevolg van het lek raken van een container/tankwagen/etc.

met gevaarlijke stoffen (door uitdamping

49/63

verspreiding in de omgeving). Aanwezigen in het plangebied die worden blootgesteld aan de toxische wolk kunnen ernstige gezondheidsschade oplopen en kwetsbare groepen (longpatiënten) kunnen in het 'worstcase scenario' overlijden. Overige gevolgen zijn irritatie van de luchtwegen en branderige ogen. Zelfredzaamheid Het beste advies bij het vrijkomen van een toxische wolk is te schuilen, mits ramen, deuren en ventilatie gesloten kunnen worden (safe-haven-principe). De Veiligheidsregio adviseert in nieuwe bouwwerken een afsluitbare mechanische ventilatie toe te passen. Daarnaast wordt aandacht gevraagd voor de detaillering van gevels, ramen en kozijnen, zodat deze goed luchtdicht zijn uitgevoerd. De detaillering van gevels, ramen en kozijnen volgt uit het Bouwbesluit 2012. Belangrijk is het controleren van een juiste uitvoering hiervan tijdens de bouw. Het toepassen van een afsluitbare mechanische ventilatie kan niet middels het Bouwbesluit worden afgedwongen. Om de toepassing hiervan te bevorderen wordt, hierover actief gecommuniceerd met initiatiefnemers van bouwprojecten. De Veiligheidsregio adviseert daarnaast in het algemeen om actief te communiceren met gebruikers/bewoners van het invloedsgebied over de risico's en mogelijk te nemen maatregelen. Dit vraagt om een actief beleid op het gebied van risicocommunicatie.

Bestrijdbaarheid Voor toxische gassen kan alleen aan bronbestrijding worden gedaan indien het om een lekkage gaat. De brandweer kan dan proberen om het gat te dichten. Effectbestrijding is tevens mogelijk door de concentratie te verdunnen, bijvoorbeeld met behulp van een waterscherm. Dit is alleen mogelijk als de brandweer tijdig aanwezig is. Bij een toxisch incident is het belangrijk dat de bestrijding plaatsvindt vanaf bovenwinds gebied (daar waar de wind vandaan komt). Het is daarom belangrijk dat de bron tweezijdig bereikbaar is. Bij het ineens vrijkomen van de gehele inhoud van de tank, zal deze effectbestrijding lastig te realiseren zijn. De mogelijkheden voor slachtofferreductie worden bepaald op basis van de mogelijkheden om de vergiftiging te behandelen. Slachtofferreductie is ook mogelijk door snelle ontruiming/evacuatie. Het niet of korter blootstellen aan een toxische stof zal het aantal slachtoffers verminderen. Maatregelen ter beperking van het groepsrisico Gelijktijdig met het bestemmingsplan wordt ook het bouwplan voorbereid. Daarbij wordt onderzocht welke bouwkundige en andere veiligheidsmaatregelen kunnen worden genomen. De voormalige V&D locatie is een gebouw dat al gedurende jaren leegstaat. De leegstand is een ongewenste situatie die allerlei andere risico's met zich meebrengt, zoals vandalisme, inbraak en een verminderde leefbaarheid van de omgeving.

Om de ontwikkeling financieel haalbaar te maken en bovendien een bijdrage te leveren aan de woningtekorten in met name het sociale segment is gekozen voor deze uitwerking. De toename van het groepsrisico wordt daarbij aanvaard, ook omdat er diverse veiligheidsmaatregelen genomen worden.

50/63

Conclusie In de omgeving van het plangebied liggen diverse risicobronnen. Geen van de PR 10-6 contouren overlapt het plangebied. Het invloedsgebied van enkele risicobronnen reikt tot het plangebied. Het gaat om: Het transport van gevaarlijke stoffen over het spoortraject Sloehaven-Roosendaal West en Roosendaal WestEssen (B); Het transport van gevaarlijke stoffen over de A17 en A58. Voor deze risicobronnen is een verantwoording van het groepsrisico gegeven. De Veiligheidsregio is om advies gevraagd. Vanuit externe veiligheid zijn er geen belemmeringen voor de vaststelling van het bestemmingsplan. De gemeenteraad dient bij vaststelling van het bestemmingsplan kennis te nemen van en verantwoording te nemen over het groepsrisico.

5.10 Windhinder Toetsingskader In Nederland bestaat geen wetgeving waarin is vastgelegd dat aspecten zoals windhinder beoordeeld dienen te worden in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen. De grondslag voor de beoordeling van dit aspect zit in artikel 3.1 Wro, de zorg voor een goede ruimtelijke ordening. Sinds maart 2006 bestaat er in Nederland de NEN 8100, die eisen voor de overschrijdingskans van windhinder en windgevaar voor voetgangers en eisen aan het onderzoek naar windhinder en windgevaar stelt. Toetsing In opdracht van initiatiefnemer is een windstudie voor het project uitgevoerd op basis van berekeningen met Computational Fluid Dynamics (CFD). Het onderzoek is opgenomen in bijlage 1. In dit onderzoek is gerekend met maximale bouwmogelijkheden die het bestemmingsplan biedt. Met de resultaten van het CFD-onderzoek kan beoordeeld worden of het windklimaat op 1,75 meter boven maaiveld rondom het bouwplan geschikt is voor de beoogde functies. Uit het onderzoek blijkt dat over het algemeen het windklimaat goed is voor de te verwachten activiteiten. Op de kruising van de Dokter Brabersstraat en de Markt en op de Nieuwe Markt is het windklimaat matig tot slecht voor de te verwachten activiteit.

Mogelijke verbeteringen aan het windklimaat kunnen worden behaald door het toevoegen van bijvoorbeeld een luifel, plintgebouw, afgestompte hoeken, inspringende balkons of een terrasgevel. Hiervoor zal nader onderzoek noodzakelijk zijn.

5.11 Waterparagraaf Aanleiding De voorgenomen herontwikkeling van Dokter Brabersstraat 21 past niet in het vigerende bestemmingsplan Binnenstad uit 2017. Daarom is het voorliggende bestemmingsplan opgesteld. Het plangebied ligt in het beheergebied van het waterschap Brabantse Delta.

51/63

Sinds 1 november 2003 is het wettelijk geregeld dat in alle ruimtelijke plannen een watertoets dient te worden uitgevoerd. Het doel van de Watertoets is in een vroeg stadium waterhuishoudkundige doelstellingen zichtbaar te maken en evenwichtig mee te nemen bij ruimtelijke plannen. Aspecten waaraan plannen worden getoetst zijn: inzameling en afvoer van afvalwater; verwerking en/of afvoer van overtollige neerslag; relatie met grondwater en bodemeigenschappen; relatie met de waterhuishouding; risico's en gevolgen voor de chemische en ecologische kwaliteit van oppervlaktewater en grondwater (KRW). Plannen worden getoetst aan het beleid van de gemeente Roosendaal en van waterschap Brabantse Delta. De uitgangspunten van de gemeente zijn door de raad vastgesteld in het Verbreed Gemeentelijk Rioleringsplan (VGRP). De regels ten aanzien van de waterhuishouding zijn vastgelegd in de Keur van het waterschap. Hierin is vastgelegd hoe om gegaan moet worden met retentie, verhard oppervlak en werkzaamheden nabij watergangen. Proces Sinds het voorjaar van 2003 worden in de gemeente Roosendaal alle nieuwe gemeentelijke ruimtelijke plannen besproken in het “waterpanel Roosendaal”. De werkwijze van het waterpanel is vastgelegd in het “Handboek bij de watertoets bij de Gemeente Roosendaal”.

Naast enkele gemeentelijke afdelingen nemen het waterschap en de vaste adviseurs van de Gemeente Roosendaal éénmaal per kwartaal deel aan het overleg. In dit overleg wordt algemene informatie uitgewisseld, complexe projecten doorgesproken, algemene beleidsuitgangspunten doorgenomen en procesafspraken bijgesteld. Op basis van het (gemeentelijk) beleid en aan de hand van opmerkingen en aanvullingen van de waterbeheerder formuleert de gemeente een waterparagraaf bij de RO procedure. Ook wordt de waterbeheerder bij een bestemmingsplanprocedure (via overleg of e-mail) de mogelijkheid geboden om tijdig zijn overlegreactie te geven op concepten. Indien de gemeente in de definitieve waterparagraaf afwijkt van het advies van het waterschap, wordt deze afwijking in de waterparagraaf expliciet gemotiveerd. Voorliggende waterparagraaf is in concept per e-mail voorgelegd aan het waterschap. Huidige situatie Bodemopbouw De regionale bodemopbouw van de diepere ondergrond ziet er ter plaatse van het plangebied op basis van kaartblad 49 Oost (Grondwaterkaart van Nederland) globaal als volgt uit: Tabel 4.1 Bodemopbouw Diepte (m –NAP) Laagaanduiding 0- ca. 10

52/63

deklaag

Lithologische omschrijving

Samenstelling Veel storende klei/veenlagen met sterk wisselende diepteligging en dikte

ca. 10-40

40-85

85-110 110-> 150

1e watervoerend “Middelste Fijn” pakket (minder goed doorlatend 1e watervoerend “Onderste Grof” pakket (goed doorlatend Scheidende laag Afzetting van Kallo 2e watervoerende pakket

Zanden van Kattendijk

Fijn zand met klei, leem of zandige kleilaagjes Matige grof zand met schelpen of schelpengruis Klei met schelpen of schelpengruis Matig fijn zand met schelpen of schelpengruis

Vanwege de ligging in bebouwd gebied is het plangebied niet gekarteerd op de bodemkaart van Nederland. Het maaiveld ligt op circa 2.50 meter t.o.v. NAP. Rioolstelsel Het plangebied ligt in het rioleringsgebied A3. Op de locatie is een gemengd rioleringsstelsel aanwezig. Oppervlaktewater Uit de Legger van waterschap Brabantse Delta blijkt dat er binnen het plangebied geen oppervlaktewater aanwezig is. Watersysteemkwaliteit en ecologie Binnen het plangebied of in de nabije omgeving ligt een oppervlaktewaterlichaam dat is aangewezen vanuit de Kaderrichtlijn Water, de Molenbeek. De Molenbeek ligt op circa 300 meter ten westen van het plangebied en is ook aangewezen als natte ecologische verbindingszone. Grondwater In het plangebied zijn op basis van het provinciaal Waterplan van de provincie Noord-Brabant geen regionale waterbergingsgebieden of reserveringsgebieden voor waterberging aangewezen. Daarnaast zijn er in het plangebied geen waterwingebieden gelegen of grondwaterbeschermingsgebieden (25-jaar zone en 100-jaar zone). Ook zijn er op basis van de keur van het waterschap Brabantse Delta geen beperkt en volledig beschermde gebieden in het plangebied gelegen. Uit het Verbreed Gemeentelijk Rioleringsplan Roosendaal 2020-2023 (05-09-2019) blijkt dat de ontwatering ter plaatse van het plangebied tussen 0.7 en 1.0 meter is.

Toekomstige situatie De huidige bebouwing bestaat uit de voormalig V&D winkel en een aantal aangrenzende panden aan de Dokter Brabersstraat. Het plangebied is grotendeels bebouwd en het onbebouwde deel is volledig verhard. In de toekomstige situatie zullen de bestaande gebouwen gesloopt worden en worden vervangen door nieuwe gebouwen, inclusief een daktuin op een deel van de gebouwen. Omdat de verharding niet toeneemt zijn geen compenserende maatregelen nodig. Rioolstelsel

53/63

Het regenwater van het dak- en terreinoppervlak wordt apart ingezameld en zal afgevoerd worden naar de gemengde riolering. Het huishoudelijk afvalwater wordt afzonderlijk ingezameld en afgevoerd naar de gemengde riolering aan de Dokter Brabersstraat. Bij de herontwikkeling zijn mogelijkheden voor het toepassen van klimaatbestendige maatregelen zoals groene daken en doorlatende verhardingen. De mogelijkheden hiervoor zullen langs privaatrechtelijke weg met de ontwikkelaar worden bekeken. Oppervlaktewater Voor werkzaamheden in, op, onder of naast oppervlaktewaterlichamen en waterkeringen en het brengen van water naar en onttrekken uit oppervlaktewaterlichamen dient een watervergunning te worden aangevraagd. Wanneer het afstromend regenwater wordt afgevoerd naar de watergang langs de snelweg dient hier rekening mee te worden gehouden. Omdat er geen oppervlaktewater in of nabij het plangebied is gelegen waar afstromend regenwater naar wordt afgevoerd, hoeft er geen watervergunning te worden aangevraagd. Risico's en gevolgen voor de chemische en ecologische kwaliteit van oppervlaktewater en grondwater (KRW) Conform het beleid van het waterschap wordt bij de ontwikkelende partij aandacht gevraagd voor het gebruik van milieuvriendelijke materialen en het achterwege laten van uitlogende materialen zoals lood, koper, zink en zacht PVC. Dit kan echter niet afgedwongen worden.

De toe te passen bouwmaterialen moeten namelijk getoetst worden aan het Bouwbesluit. Dit is een landelijke regeling. De wetgever biedt geen mogelijkheden om vanwege de mogelijke uitloging van materialen, aanvullende eisen te stellen ter bescherming van bijvoorbeeld het milieu. Conclusie Vanuit de eisen van het waterschap is watercompensatie in het kader van de voorgenomen ontwikkeling niet noodzakelijk. Daarnaast is in het plangebied geen oppervlaktewater gelegen. In het kader van de watertoets is overleg gevoerd met het waterschap en is deze waterparagraaf opgesteld. Hieruit volgen voor de ontwikkeling de volgende randvoorwaarden: ten aanzien van het materiaalgebruik dienen geen uitlogende bouwmaterialen zoals lood, koper, zink en zacht PVC te worden toegepast. Dit om verontreiniging van het hemelwater te voorkomen; regenwater en huishoudelijk afvalwater wordt gescheiden opgevangen en afgevoerd naar de gemengde riolering. Bij de herontwikkeling zijn mogelijkheden voor het klimaatbestendige maatregelen zoals groene daken en doorlatende verhardingen.

5.12 M.e.r.-beoordeling Toetsingskader In onderdeel C en D van de bijlage bij het Besluit m.e.r. is aangegeven welke activiteiten in het kader van de omgevingsvergunning planmer-plichtig, projectmer-plichtig of mer-beoordelingsplichtig zijn. Voor deze activiteiten zijn in het Besluit m.e.r. drempelwaarden opgenomen. Daarnaast dient het bevoegd gezag bij de betreffende activiteiten die niet aan de bijbehorende drempelwaarden voldoen, na te gaan of sprake kan zijn van belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu, gelet op de omstandigheden als bedoeld in bijlage III van de EEG-richtlijn milieueffectbeoordeling. Deze omstandigheden betreffen: de kenmerken van de projecten;

54/63

de plaats van de projecten; de kenmerken van de potentiële effecten. Sinds 7 juli 2017 is een aanpassing van het Besluit m.e.r. in werking getreden met daarin een nieuwe procedure voor de vormvrije m.e.r.-beoordeling. Zo moet voor de ontwerpbestemmingsplanfase een m.e.r-beoordelingsbeslissing worden genomen, waarin wordt aangegeven of wel of geen MER nodig is, gelet op de kenmerken van het project, de plaats van het project en de kenmerken van de potentiële (milieu)effecten en mogelijke mitigerende maatregelen. Toetsing en conclusie Voor het project is een aanmeldnotitie opgesteld (bijlage 8 ) . De conclusie van deze notitie is dat het plangebied niet is gelegen in kwetsbaar gebied en/of gebied met een beschermde status. Verder leiden de aard en omvang van het project niet tot belangrijke nadelige milieugevolgen. Het doorlopen van een volledige m.e.r.-procedure is niet noodzakelijk.

55/63

Hoofdstuk 6 6.1

Juridische planbeschrijving

Inleiding

Dit hoofdstuk bespreekt de wijze waarop het ruimtelijk en functioneel beleid voor het plangebied in het bestemmingsplan is vertaald. Bij het opstellen van de juridische regeling heeft het uitgangspunt centraal gestaan dat er een regeling geboden wordt die de ontwikkeling van het plangebied mogelijk maakt.

6.2

Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen (SVBP)

De Standaard Vergelijkbare BestemmingsPlannen (hierna SVBP 2012), die voortvloeit uit de nieuwe Wet ruimtelijke ordening, maakt het mogelijk om bestemmingsplannen te maken die op vergelijkbare wijze zijn opgebouwd en op een zelfde manier worden verbeeld. SVBP 2012 geeft bindende standaarden voor de opbouw en de verbeelding van het bestemmingsplan, zowel digitaal als analoog. Dit om de gewenste vergelijkbaarheid zeker te stellen. De standaarden hebben geen betrekking op de toelichting van het bestemmingsplan. Wel dient het bestemmingsplan van een toelichting vergezeld te gaan. Het bestemmingsplan zelf bestaat uit een verzameling geografische bepaalde objecten, die zijn opgeslagen in een digitaal ruimtelijk informatiesysteem. De objecten zijn voorzien van bestemmingen met bijbehorende doeleinden en regels. Er wordt uitdrukkelijk op gewezen dat de standaarden geen betrekking hebben op de inhoud van een bestemmingsplan.

6.3

Opzet van de nieuwe bestemmingsregeling

6.3.1 Uitgangspunten en doelstellingen Het centrale onderdeel van een bestemmingsplan is de bestemming. Ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening worden aan de in het plan begrepen grond bestemmingen toegewezen met bijbehorende doeleinden. Aan de bestemmingen zijn regels gekoppeld over het gebruik van de in het plan begrepen grond en van de zich daar bevindende bouwwerken. Kenmerk van bestemmingen is dat het gehele plangebied ermee is bedekt. Elke bestemming is geometrisch bepaald. Aanduidingen worden gebruikt om bepaalde zaken binnen een bestemming nader of specifieker te regelen. Het gaat hierbij om specificaties met betrekking tot het gebruik of de bouwmogelijkheden. De aanduidingen hebben daardoor juridische betekenis en komen ook altijd in de regels van het bestemmingsplan voor. Verklaringen zijn de overige in de verbeelding van het bestemmingsplan voorkomende zaken. Verklaringen hebben geen juridische betekenis. Zij zijn bedoeld om nadere informatie te verschaffen of om de duidelijkheid en raadpleegbaarheid te bevorderen. Omdat verklaringen geen juridische betekenis hebben, wordt hierop niet nader ingegaan. Het uitgangspunt bij het opstellen van het bestemmingsplan is dat de van kracht zijnde regelingen zodanig

56/63

worden geactualiseerd dat samenhangende, op actuele beleidsinzichten en gebruikerswensen afgestemde bestemmingsregelingen ontstaan. Als doelstellingen en uitgangspunten kunnen daarbij worden onderscheiden: Rechtszekerheid en klantgerichtheid, dat wil zeggen voor de burger een duidelijk, toegankelijk en op actuele behoeften en eisen afgestemd plan. Makkelijke toepasbaarheid en hanteerbaarheid voor de gemeentelijke diensten; een plan waaraan bouwaanvragen op heldere wijze kunnen worden getoetst met als resultaat een minimale bestuurslast. Duidelijkheid en inzichtelijkheid van hetgeen is toegestaan, dit houdt in dat de bestemmingen met hun bouw- en gebruiksmogelijkheden zoveel als mogelijk is via de verbeelding zichtbaar worden gemaakt. Bij het opstellen van onderliggend bestemmingsplan is zoveel mogelijk aangesloten bij de standaardregels van de gemeente Roosendaal die ook in het geldende bestemmingsplan Binnenstad zijn gehanteerd. 6.3.2 Opbouw regels De opbouw van de regels is gelijk aan Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen 2008. De opbouw van de regels is als volgt: Betekenisafspraken (Hoofdstuk 1 Inleidende regels); De gebruiks- en bouwregels per bestemming (Hoofdstuk 2 Bestemmingsregels); Algemene regels (Hoofdstuk 3 Algemene regels); Overige regels (Hoofdstuk 4 Overgangs- en slotregels).

Een bestemmingsartikel (Hoofdstuk 2 Bestemmingsregels) wordt uit de volgende leden in deze volgorde opgebouwd: Bestemmingsomschrijving; Bouwregels; Nadere eisen; Specifieke gebruiksregels; Afwijken van de gebruiksregels; Omgevingsvergunning; Wijzigingsbevoegdheid. De specifieke nadere eisenregelingen, bevoegdheden om af te wijken van de regels en wijzigingsbevoegdheden en mogelijk aanlegvergunningregels zullen zoveel mogelijk per bestemming worden opgenomen. Hierdoor wordt direct per bestemming inzicht geboden in de eventuele afwijkingsmogelijkheden en onnodig verwijzen naar andere artikelen voorkomen. Deze werkwijze bevordert de toegankelijkheid van het bestemmingsplan. Er wordt derhalve voor de volgorde van de regels een standaardindeling gehanteerd. In niet alle bestemmingen komen alle leden voor.

57/63

6.3.3 Flexibiliteitsregels Aan het bestemmingsplan kan flexibiliteit worden toegevoegd door met een omgevingsvergunning af te wijken van de regels, het stellen van nadere eisen of een wijzigingsbevoegdheid. Dit flexibiliteitinstrumentarium kent zekere begrenzingen. Het is niet mogelijk om met een omgevingsvergunning een bestemmingswijziging tot stand te brengen. Een nadere eis mag slechts worden gesteld per afzonderlijk geval en geen algemene regel inhouden. Bovendien moet het bestemmingsplan al een regel bevatten omtrent het punt ten aanzien waarvan een nadere eis wordt gesteld. Op basis van het vorenstaande wordt voor het opnemen van flexibiliteitsregels de volgende benadering gehanteerd. Flexibiliteitregels alleen gebruiken als van een wezenlijke belangenafweging sprake kan zijn, voor de onderbouwing waarvan de toelichting de noodzakelijke bouwstenen bevat. Bij het besluit tot het opnemen van flexibiliteit planschade risico meewegen. Nadere eisen alleen stellen als er als regels zijn opgenomen met betrekking tot hetzelfde onderwerp.

6.4

Gehanteerde bestemmingen

Centrum - 1 Net zoals in het bestemmingsplan Binnenstad hebben de gronden waar de bebouwing is beoogd de bestemming Centrum - 1. De bestemming biedt de volgende functionele mogelijkheden: detailhandel (niet zijnde een supermarkt); horeca van categorie 1 (a, b en c) van de Staat van horeca-activiteiten; dienstverlening; kantoren; maatschappelijke voorzieningen; wonen Detailhandel Detailhandel is uitsluitend op de begane grond toegestaan, daarnaast is detailhandel conform de visie Dokter Braberstraat aan de Dokter Braberstraat uitgesloten, uitgezonderd de kop van het gebouw grenzend aan de Markt. Hiermee wordt het aantal detailhandels m² beperkt ten opzicht van het geldende bestemmingsplan. Een supermarkt is uitgesloten, omdat dit qua verkeersaantrekkende werking en laden en lossen niet gewenst is op deze locatie. De Dokter Braberstraat wordt verkeersluw, daar past een functie met een grote verkeersaantrekkende werking en regelmatige bevoorrading niet in. Wonen Ook in het kernwinkelgebied is de aanwezigheid van de woonfunctie van groot belang. Het draagt bij aan de levendigheid van de stad, het verhoogt de sociale veiligheid, omdat in de avonduren anders sprake is van 'lege gebieden'. Daarnaast is de Dokter Braberstraat bedoeld als woonstraat.

Het is niet wenselijk dat op de begane grond woningen aanwezig zijn ter plaatste van de doorgang naar de Nieuwe Markt, omdat hier een winkelstraat

58/63

is voorzien. Om kamerverhuur op grote schaal tegen te gaan is een minimale maat van 60 m² voor woningen opgenomen. Daarvan afwijken mag als wordt aangetoond dat het om een speciale woning gaat zoals een woning voor zorg, een levensloopbestendige woning of een studentenwoning. In dat geval dient aantoonbaar te worden gemaakt dat er voorzieningen in het gebouw worden getroffen die ten dienste staan van deze specifieke woning (bijvoorbeeld een gezamenlijke woonkamer). Op deze manier zijn bijvoorbeeld de beoogde levensloopbestendige woningen mogelijk. Horeca Binnen de bestemming behoort horeca tot de mogelijkheden. Er is alleen horeca, vallende in de categoriën 1 toegestaan. Het gaat daarbij om horeca die aan detailhandel verwant is zoals automatieken, broodjeszaken, cafetaria's, croissanterieën, koffiebars, lunchrooms, ijssalons, snackbars, tearooms, traiteurs en dergelijke, maar ook een bistro, restaurant of hotel behoren tot te mogelijkheden. Ondersteunende horeca Onder 'ondersteunende horeca' wordt verstaan 'het bedrijfsmatig verstrekken van dranken en/of etenswaren voor gebruik ter plaatse als ondergeschikte activiteit bij de hoofdfuncties detailhandel, dienstverlening en/of maatschappelijk, waarbij de ondersteunende horeca-activiteiten passen bij de hoofdfunctie qua uitstraling, niet zelfstandig worden uitgeoefend en/of niet toegankelijk zijn los van de hoofdfunctie.

Ondersteunende horeca is toegestaan, maar wel onder strikte voorwaarden. Andere binnenstadsfuncties: dienstverlening, kantoren, maatschappelijke voorzieningen en andere functies In het winkelgebied zijn ook dienstverlenende instellingen gevestigd zoals uitzendbureaus, kappersbedrijven, schoonheidsinstituten, reisbureaus en dergelijke. Dergelijke functies maken een onlosmakelijk onderdeel uit van de functionele diversiteit van de binnenstad, reden waarom ze zijn opgenomen in de bestemming. Bouwen In de bouwregels is aangegeven dat hoofdgebouwen uitsluitend toegestaan zijn in het bouwvlak met een maximale bouwhoogte zoals die op de verbeelding is aangegeven. Daarnaast zijn daktuinen toegestaan en zijn regels opgenomen voor balkons aan de openbare ruimte. Bestemming Verkeer De gronden binnen deze bestemming zijn onder meer bestemd voor wegen, opstelstroken en busstroken daar niet onder begrepen, vervolgens: voet- en fietspaden, speel-, spel- en daarmee vergelijkbare sportvoorzieningen, niet zijnde sportvoorzieningen in clubverband, beplantingen, bermen, watergangen en andere waterpartijen, voorzieningen ten behoeve van algemeen nut, zoals bergbezinkbassins en transformatorhuisjes, en afvalinzameling, parkeerplaatsen, geluidswerende voorzieningen en daarbij behorende beplantingen, kunstwerken en kunstobjecten. Dit is conform het geldende bestemmingsplan.

Dubbelbestemming Waarde - Archeologie 1 Een gedeelte van het plangebied is mede bestemd voor de bescherming van archeologische waarden. Het opgenomen vergunningenstelsel voorziet in de bescherming van mogelijke archeologische waarden. Indien uit nader archeologisch onderzoek blijkt dat er geen archeologische waarden te verwachten zijn, kunnen bepaalde

59/63

werkzaamheden en bouwactiviteiten plaatsvinden zonder dat daarvoor een omgevingsvergunning nodig is Dubbelbestemming Waarde - Cultuurhistorie Op het historisch gedeelte van de binnenstad is de dubbelbestemming Waarde-cultuurhistorie gelegd, ter bescherming van in dit gebied aanwezige (cultuur)historische (steden)bouwkundige elementen. In inderliggend bestemmingsplan gaat het daarbij om de gronden grenzend aan de Markt. Daarbij springt vooral in het oog dat de huidige bebouwingshoogten worden gefixeerd. Tegelijkertijd worden ook afwijkingsmogelijkheden geboden, maar effectuering daarvan is pas mogelijk na afweging van cultuurhistorische aspecten. In de dubbelbestemming wordt verwezen naar een bij de regels behorende cultuurhistorische bijlage, die toetsingscriteria aanreikt voor de beoordeling van (ver)bouwplannen en sloopplannen waarbij afgeweken wordt of moet worden van de huidige beschermde elementen

60/63

Hoofdstuk 7

7.1

Uitvoerbaarheid

Economische uitvoerbaarheid

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://raad.roosendaal.nl/api/v1/meetings/1428/documents/38248