Woordelijke uitwerking Commissievergadering BM 27 mei 2021
Tekst van het document
Ook in dit debat merk je dat de interpretatie van de informatie heel verschillend kan zijn, dat dat ook wel een beetje ligt aan het perspectief van waaruit je kijkt en hoe je in het politieke debat zit. Dat maakt eigenlijk tevens wel het voorstel van de heer Franssen en daarna het voorstel van de heer Maassen namens de coalitiepartijen, om toch te kijken op de korte termijn en de middellange en lange termijn mee te nemen in de aanloop naar de begroting een zorgvuldig proces, naar mijn idee een proces dat we samen met raad en college lopen, maar daar verschil ik dan iets in de nuance van de heer Franssen, en daarin spreek ik dan ook het vertrouwen uit dat naar mijn idee, als we dat samen lopen, we daar verder in komen, dat we dat traject op een goede manier uitzetten. Dat betekent ook dat we voor die korte termijn, zoals de heer Franssen dat net zei, maar ook de heer Maassen, met elkaar, en dan kijk ik even naar de fractievoorzitters, op zeer korte termijn misschien een procesafspraak moeten maken en dat we ook eerlijk moeten zijn of 10 juni dan wel een haalbare kaart is, of dat dat misschien dan twee weken later moet zijn.
Maar nogmaals: ik vond in het voorstel van de heer Franssen in eerste termijn in elk geval al voldoende aanleiding om daar in mijn termijn op te reageren en ik ben blij dat andere partijen in elk geval ook inzien dat we toch wat meer informatie en achtergrond nodig hebben. Dat geldt zeker ook voor de keuzes op de korte termijn, want willen we echt de begrotingswijzigingen voor de korte termijn met elkaar doen, dan moeten we de consequenties van die keuzes goed overzien. En – ik herhaal dat toch –: voor de CDA-fractie blijft het belangrijk om daar ook evenwichtige afspraken te maken. Daarin is het post-corona-verhaal, en de concreetheid daarvan en betekenis daarvan, voor alle Roermondenaren-, wij hebben ook in ons betoog vorig jaar bij de begrotingsbehandeling al gezegd “er moet een perspectief zijn voor iedereen”, en dat betekent dat daar ook in feite de maatregelen op geënt moeten zijn en de wijze waarop we dat moeten gaan laten landen in concrete termen. Ik hoorde de wethouder daar in de beantwoording van zeggen “ja, maar wij doen een procesvoorstel en dat is juist dat we u daarin meenemen”, nou, mij werd dat uit dat stuk niet helemaal duidelijk. U hebt het me nu verteld, en dat verduidelijkt dat dan misschien, maar toen ik het stuk las, en ik heb het toch twee, drie keer gelezen, werd me niet duidelijk dat het een procesvoorstel was.
Ik vond het eigenlijk veel wol en weinig concreet… De voorzitter: Meneer Breugelmans, volgens mij wil de heer Franssen u een verhelderende vraag stellen. De heer Franssen: Nou, ik wil de heer Breugelmans niet onderbreken in zijn vlammende betoog, ik kan best nog tien seconden wachten hoor. De voorzitter: Ik vind het allemaal prima.
46
De heer Breugelmans: Nou, vraag het nu maar. De heer Franssen: Twee punten. Ik heb de heer Breugelmans in eerste termijn ook al goed beluisterd en ik heb hem toen horen zeggen dat hij aandacht vraagt voor het ruimtelijke domein en ook de economie, want we moeten ook weer met de stad vooruit. Nou, het zal geen verassing zijn dat u daar de LVR-fractie volledig aan uw zijde vindt, sterker nog: dat kan voor ons niet veel genoeg zijn. Maar bent u dan ook bereid om even iets verder die horizon neer te leggen, dat we nu moeten kijken om de juiste keuzes voor de stad Roermond te maken en dat dat wel eens zou kunnen betekenen dat er andere doelstellingen, die wellicht vier jaar geleden gestart zijn, dat we dan nu moeten zeggen “ja, sorry, we moeten nu een andere keuze maken om financieel en organisatorisch de zaken weer op de rit te krijgen”? Bent u ook bereid om er op die manier naar te kijken? En u hebt gelijk: op enig moment met het college samen, maar we moeten als raad ook zelf wat doen. De heer Breugelmans: Meneer Franssen, ik kan u geruststellen. Het hele voorstel dat hier ligt, en wat het college eigenlijk al doet, is eigenlijk al een herziening op ambities die ook in het coalitieprogramma staan. Het niet halen van de taakstelling op subsidies, zal ik zeggen, staat gewoon verwoord in het coalitieprogramma, maar daar wordt nu ook van afgeweken.
Dus ik denk dat, als we het met elkaar hebben over het beste voor Roermond, het college naar mijn idee ook met dit voorstel al getracht heeft dat te doen. Dat ze daar niet volledig in geslaagd zijn, maar ook een uitnodiging naar ons als raad leggen om die discussie met elkaar aan te gaan, dat is wat ik ook bedoelde met “ik hoor ook heel veel grote woorden, waarvan ik het eigenlijk jammer vind dat ze gebruikt worden”, want ik denk dat we aan de andere kant ook de uitnodiging moeten oppakken, en de handschoen moeten oppakken, om dat juist te doen. Dat deel ik met u en daar staat voor mij in elk geval in die zin alles open, dat we met elkaar juist ook binnen de lijntjes moeten kleuren van wat financieel mogelijk en haalbaar is. Het coalitieakkoord als zodanig staat natuurlijk voor het CDA altijd overeind, maar het CDA heeft er een heleboel punten in gebracht die ook nog niet gerealiseerd zijn en die we heel graag zouden willen, maar we zullen met twee voeten op de grond moeten blijven staan. Heel veel nieuwe dingen kunnen niet meer, dus we zullen in de dingen die we misschien al geforecast hadden juist keuzes moeten maken, en daar zullen we misschien ook pijnpunten moeten slikken, niet alleen als CDA, maar misschien ook andere partijen. Dus daar moeten we met elkaar over in dialoog, volgens mij raadsbreed, en ook samen met het college.
Ik zie dat eigenlijk heel graag in een proces echt naar de begroting. Ik vind ook, en dat is een nuancering van de opmerking van de heer Maassen over wat wij met elkaar besproken hadden in de coalitie, misschien toch dat ik denk dat de kadernota daar een hele mooie start voor kan zijn, maar dat dat inderdaad, als het helemaal klaar en afgerond is, op z’n merites moet worden ingeschat. U zegt dan al gelijk “we nemen het voor kennisgeving aan”, ik ken dat document nog niet, dat moet ik nog zien, maar dat moeten we dan goed wegen in relatie tot het proces dat wij met elkaar als raad met het college willen gaan lopen naar de begroting, in het kader van die nuancering van die oplossingsrichting. Dus als u daar ook in meegaat, dan vinden we elkaar volgens mij best wel op dat pad in dat proces naar die begroting ’22. Ik wil ook nog wel aangeven dat Roermond natuurlijk, en ik heb dat ook al eerder gezegd: ik denk dat Roermond een stad is met een hoog voorzieningenniveau, ik denk dat er in Roermond nog altijd heel erg veel gebeurt. U geeft ook terecht aan, meneer Franssen: misschien wel veel te ambitieus, ook in het investeringsprogramma, veel en veel te veel. Daar overvraag je misschien de organisatie aan de voorkant ook mee.
We hebben met elkaar ook in het verleden nogal een aantal grote keuzes gemaakt die misschien nu ook vragen, en ook het CDA heeft al eerder gezegd “moeten we niet temporiseren?”, maar dat je daar in de tempo’s misschien ook wat aan kunt brengen. Dat zijn allemaal onderdelen van de dialoog die we met elkaar moeten gaan voeren naar die oplossingsrichtingen toe. Dus ik heb er, als ik u hoor spreken, als ik de
47 heer Maassen hoor spreken, maar ook eigenlijk als ik het college hoor spreken, heb ik er alle vertrouwen in dat we dat met elkaar op een gezonde, op een respectvolle en vooral ook zorgvuldige wijze zouden kunnen doen. Ik vond in dat opzicht uw eerste termijn ook constructief en ik hoop dat we op die weg verder kunnen gaan en dat het een uitnodiging voor de collega’s is om dat zo op te pakken. Ik wil nog een paar dingen zeggen over de beantwoording van onze opmerkingen. Ik heb het over evenwichtigheid in de begroting gehad, meneer Franssen zei dat net al, over die domeinen. Ik heb daar eigenlijk geen verdere reactie op gehad. Misschien is dat ook moeilijk. Ik hoorde de wethouder wel zeggen “misschien is dat ook wel zo, dat er een onevenwichtigheid in zit”. Ik ben dan heel erg nieuwsgierig waar u als portefeuillehouder die onevenwichtigheid ziet zitten, want dan kunnen we dat al gelijk meenemen in de dialoog ook voor de korte termijn, want daar heeft Roermond direct wat aan… De voorzitter: Meneer Breugelmans, ik ben aan het wachten tot u een punt achter een zin zet, maar u gebruikt alleen maar komma’s, want de heer Franssen had al een tijdje een handje. Meneer Franssen. De heer Franssen: Dank u wel, voorzitter. Ik hoop dat de heer Breugelmans het mij niet kwalijk neemt dat de LVR-fractie natuurlijk niet het coalitieakkoord als leidraad gebruikt.
Maar wij vinden wel dat we met ons 31’en over die horizon heen moeten kijken. Daarmee wil ik niet zeggen dat er geen goede punten in het coalitieakkoord zitten, ik wil wel gelijk zeggen dat wij natuurlijk niks te maken hebben met het hele coalitieakkoord. Maar, en dat is de boodschap die ik heb afgegeven: de LVR-fractie wil denken in het belang van Roermond. Maar dan zeg ik er ook bij: dan moeten de andere partijen dat ook willen, en dat is ook een beetje geven en nemen. Als dat de toon is, dan wil de LVR-fractie daar graag in mee, maar dat betekent ook dat er ook naar onze kant gekeken moet worden, wat wij inbrengen. Dan is er met ons te praten, en daar kent u ons voor. Punt twee, want ik had twee punten: u zegt dat u die kadernota nog niet kent. Ik ook niet, maar ik kan u wel vertellen dat het college hem wel kent, en daar zit het ‘m nou net: wij hebben een informatieachterstand. Daarom zei ik dat we die straks voor kennisgeving aannemen en dan kunnen we met de documenten van nu, en de documenten van de kadernota die we nog niet kennen, samen met de raad gaan toewerken richting november. Vandaar het procesvoorstel, want wij kennen die documenten nog niet. De voorzitter: De heer Breugelmans.
De heer Breugelmans: Meneer Franssen heeft volgens mij mijn woorden van zonet goed verstaan en volgens mij was mijn uitnodiging heel open en flexibel, waarbij ik duidelijk ben geweest over de uitgangspunten die voor het CDA daarin gelden. Dat voor andere partijen andere uitgangspunten gelden, moge duidelijk zijn. Ik heb ook gezegd dat het van iedereen water bij de wijn vraagt. Dat we het met z’n allen goed voorhebben met Roermond, daar ben ik van overtuigd. Ik heb niet iemand hier horen zeggen dat hij het niet goed voorheeft met Roermond, ook het college niet. Dus ik wil die suggestie ook een beetje van me af werpen. Dat moet altijd, bij alles wat we doen, de insteek zijn en blijven. Ik had het even over die evenwichtigheid. Mijn vraag aan de heer Schreurs is dan: hoe ziet u dat dan en op welke punten zou er iets meer evenwicht en balans in die begroting kunnen zitten, zoals u dat dan ziet in de discussies die u al wat ruimhartiger en breder hebt gevoerd? Want juist die breedte in de discussie, die de heer Franssen en de heer Maassen vragen, vraagt ook het CDA heel nadrukkelijk. Wat betreft de post-corona-aanpak: die is natuurlijk heel erg noodzakelijk. Laat ons met elkaar ook kijken hoe we die op korte termijn echt handen een voeten kunnen geven in concrete termen. Ik vraag toch echt ook aan het college, want daar heb ik ook geen antwoord op
48 gekregen: wat zou nou stap 1, stap 2 en stap 3 moeten zijn? Dat heb ik in mijn eerste termijn ook zo gezegd en dat heb ik echt in de beantwoording ook gemist. En ja, goed, daar ligt ook een uitnodiging aan de collega’s, dat we met elkaar ook heel duidelijk kijken van: waar ligt de primaire noodzaak en waar liggen secundaire zaken? Want dan kun je met elkaar ook echt slagen maken. Voor deze termijn wil ik het daarbij laten, voorzitter, waarbij ik de uitnodiging aan het college ook neerleg om het procesvoorstel zoals deze raad dat nu doet, te omarmen, juist ook in het belang van onze stad, van onze inwoners en in het belang van de verbinding die nodig is om de uitdaging die er nu ligt ook echt in gezamenlijkheid op te pakken. Dank u wel. De voorzitter: Dank u wel, meneer Breugelmans. Dan kom ik bij Demokraten Swalmen, de heer Julicher. De heer Julicher: Dank u wel, voorzitter. Wij hebben de eerste termijn voorbij laten gaan, en dat gemotiveerd. Wij hebben toen van heel veel collega’s en ook van de portefeuillehouder en van de voorzitter allerlei informatie gehad. We zijn nu in de tweede termijn en horen weer van alles.
Als je gaat kijken wie hier allemaal gereageerd hebben en wat wij daar als Demokraten van opsteken, dan mag ik in ieder geval aangeven dat een van de langst zittende leden van deze raad, de heer Coenen, mij getriggerd heeft met zijn opmerking dat je ook in de spiegel moet kijken en dat je niet alleen als raad naar die spiegel moet kijken, maar ook als college en dat je moet proberen op die manier alles recht te houden. Daarnaast heb ik de heer Maassen horen zeggen: “ja, als ik het geweten had, had ik anders gereageerd”. Zo heeft de heer Balkenende dat ook gezegd: “met de kennis van nu had ik destijds andere besluiten genomen”. Dat is wel heel makkelijk. We zijn in deze vergadering op zoek naar Barbertje, we zijn ontzettend alpha-gericht van: nee, het was mijn idee, of het was een idee van een ander. Laat ik vooropstellen dat ik het idee van de heer Franssen net zo goed vond als dat van de heer Maassen en vice versa, want ik denk dat we dit probleem niet individueel als partij kunnen oplossen, maar ik denk juist dat we met z’n allen samen moeten gaan kijken naar een oplossing. De discussie die zich net ontspon tussen de heer Breugelmans en de heer Franssen over gezamenlijkheid, onderstreep ik volledig. Het is niet iets wat je nu moet doen en zeggen van “ja, we gaan het allemaal maar weer als oppositie/coalitie doen”.
Jongens, laten we nou eens voor de burger samen, eenduidig, eendrachtig, aan de gang gaan en gaan kijken of we daar dan een oplossing voor kunnen vinden. En laat ik maar even vooropstellen, meneer Franssen: alle goede ideeën van iedereen, daar wil ik goed naar luisteren, zodat we daar voor iedereen het beste uit halen. En ja, ‘whodunit?’, meneer Coenen heeft die vraag gesteld, dat mag je rustig uitspreken, dat mag je ook doen. Het gaat gewoon in dit geval veel verder. We moeten een oplossing vinden die een basis is voor de toekomst en daar willen wij ook een bijdrage aan leveren. Dus wij steunen het voorstel van LVR, van GroenLinks, van het CDA, om samen hieraan te gaan werken, de splitsing te maken tussen korte en lange termijn en de lange termijn te laten invloeien in de begroting en de meerjarenbegroting, zodat we voor de volgende club die er komt na de verkiezingen, en we weten allemaal niet wie dat zijn, want de kiezer bepaalt, een basis hebben en geen lijken uit de kast hoeven te halen. Dat is eigenlijk gewoon de bedoeling. De voorzitter: Dank u wel, meneer Julicher. Dan gaan we naar de VVD, de heer Zwijnenberg. De heer Zwijnenberg: Voorzitter, dank u wel. We zijn eigenlijk gevangenen in een systeem, en wel in twee opzichten. Vanavond hebben we, denk ik, voor het eerst te maken met een vergadering die ons doet beseffen dat we digitaal overleggen.
We ervaren vanavond ook de beperkingen van digitaal overleggen. We zijn ook in een tweede opzicht gevangen in een systeem. Vorige week heb ik al met een knipoog gesproken over een demissionaire status van
49 het college, maar dat is in juridisch opzicht niet haalbaar. Zo is het ook niet haalbaar om een coalitieakkoord zomaar te bevriezen en ik denk dat het, als je kijkt naar de aard en de omvang van de problematiek, en de gegeven tijdsperiode tot het bewuste moment, ook niet realiseerbaar is, en in dat opzicht onderschrijf ik de woorden van de heer Breugelmans, om voor de totstandkoming van de kadernota nog met elkaar aan tafel te gaan. Het lijkt mij daarom een goede suggestie, en daarmee pak ik het coalitie- en het LVR-voorstel bij elkaar, om in ieder geval als opmaat voor de begroting 2022 met elkaar van gedachten te wisselen over de vraag hoe we verder gaan met de uitvoeringstoets en de keuzes. Ik herinner ook aan een stukje traditie in gemeenteland als het gaat om een verkiezingsjaar: in het algemeen kies je dan ook voor een zogeheten beleidsarme begroting. Ik denk dat een dergelijke opstelling hier ook aan verbonden kan worden, daar waar we spreken over het overschrijden van de datum van de verkiezingen. Voorzitter, en dan kunnen we wellicht de techniek van de 1ste begrotingswijziging nog toepassen, om nog wat tijd te winnen om met elkaar tot in ieder geval een sluitende begroting 2022 te komen. We kunnen dan wat mij betreft aan het volgende college de jaren die daarna komen overlaten.
Zag ik net een interruptie van de heer Fransen? De heer Franssen: Ja, maar ik wachtte op de voorzitter! De voorzitter: Meneer Franssen, zegt u het maar. De heer Franssen: Ik heb inderdaad gesproken over het bevriezen van het coalitieakkoord. Dat is natuurlijk heel ferm, maar waar het mij om gaat, precies zoals u het zegt: we zitten richting die verkiezingen, dat is niet heilig, maar we zitten ook met een crisis en met een probleem. Als je vanuit dat perspectief kijkt, en als iedereen zich daarvoor openstelt, dat je zegt “tot aan de verkiezingen en het begrotingsjaar 2022 maken we een sluitende begroting”, dan zou dat ertoe kunnen leiden dat alle partijen, zowel coalitie als oppositie, ergens water bij de wijn doen. De coalitie zegt dan “ja, die ambities kunnen we niet halen” en de oppositie moet dan zeggen “dat gaan we niet eisen”. Nou, en als je elkaar daar ergens vindt, heb je een neutraal punt tot aan de verkiezingen, en vandaar kun je verder kijken. Zo is het bedoeld. Mijn vraag aan u, meneer Zwijnenberg, is dan: hoe ziet u dat in het teken van uw eigen woordvoering zojuist en bent u dan ook bereid om op die manier daarnaar te kijken? De heer Zwijnenberg: Ja, voorzitter, ik denk dat dat heel duidelijk uit mijn woorden voortvloeit. Ik vind het belangrijk dat er een open dialoog is tussen de fracties.
Ik heb 15 april al om een handreiking gevraagd, ook vanuit de collegepartijen in de richting van de oppositie, en als we daar allemaal open en transparant in zitten, zie ik daar zonder meer mogelijkheden voor. Sterker nog: ik zou ook graag een pleidooi willen houden om hier ook vooral de inwoners bij te betrekken, de ondernemers bij te betrekken, instellingen die in Roermond gevestigd zijn – kijk naar de bijdrage van Wonen-Zuid in de volkshuisvestingsdialoog onlangs. We hebben dan de tijd, als we de begroting 2022 inderdaad als uitgangspunt nemen, om niet alleen met elkaar op zoek te gaan naar een modus, maar ook om draagvlak te vinden voor die modus in onze samenleving. Voorzitter. De eerste termijn heb ik gebruikt om met name in te gaan op de vraag hoe het zo ver heeft kunnen komen. Het is in feite de aanloop geweest tot 15 december en dat leidt uiteindelijk ook in de raadsvergadering tot het beantwoorden van de politieke vraag of we met de personen die het probleem hebben veroorzaakt ook het probleem daadwerkelijk kunnen oplossen. In die zin wil ik graag nog reflecteren op de bijdragen van de leden van het college. Allereerst constateer ik dat de wethouder bevestigt dat niet alle schriftelijke vragen adequaat zijn beantwoord.
Ik zou van hem dan ook graag de toezegging willen ontvangen – en ik denk dat ik dan spreek namens de voltallige commissie – om daar waar de beantwoording niet adequaat is geweest in ieder geval alsnog voor een aanvullend antwoord zorg te dragen. De wethouder ging zelfs zo ver dat hij daar een proces voor zou willen inrichten, zodat wellicht ook
50 nog daar waar fracties zich als het gaat om de beantwoording verongelijkt voelen, nog tot het college kunnen wenden met een enkele aanvullende vraag. Mijn vraag is of de wethouder bereid is om dat toe te zeggen. Op een aantal punten heb ik aan het college om zelfreflectie gevraagd. Ik vraag me af of die zelfreflectie bij de wethouder voldoende in beeld is gekomen. Als we het hebben over de aandacht voor de organisatie, is de wethouder dan van mening dat het college op dit punt te laat in beweging is gekomen? Met de wetenschap van vandaag, dat zeg ik er ook meteen bij. Heeft het college op dit punt gefaald? Ik vind het eigenlijk een beetje een verkeerde woordkeuze dat de wethouder zich een pluim op de hoed speldt met de opmerking dat hij in coronatijd het lef heeft om aan de slag te gaan met de organisatie. Voorzitter, ik denk dat het anders is geweest. Ik denk dat er al besluitvorming lag om aan de slag te gaan met de organisatie en dat corona op dit punt ons is overkomen. Voorzitter. Als we het hebben over de uitvoeringstoets, denk ik ook dat er een steviger bewustzijn bij het college zou mogen zijn dat de raad dichter bij de oplossing wil gaan zitten. Ik denk dat het onvermijdelijk is dat we meer en nadrukkelijker kijken naar het maatschappelijk effect van de uitvoeringstoets.
Ik hoop dan ook dat de wethouder namens het college de suggestie van de raad op dit vlak gaat overnemen. Voorzitter. Het moet mij van het hart dat ik de opmerking van de burgemeester zojuist over een onfatsoenlijke woordkeuze, niet deel. Ik breng graag in herinnering de toelichting die de wethouders Smitsmans en Pleyte hebben gegeven toen zij ons op 15 april deelgenoot maakten van het een en ander. Die toelichting kwam op het volgende neer: wethouder Schreurs is te druk bezig met de kadernota en met de jaarstukken, niets minder en niets meer. Dat brengt mij ertoe te veronderstellen dat wethouder Pleyte en wethouder Smitsmans dit traject hebben getrokken. Als je dat als raadslid constateert, vind ik dat je geen knip voor de neus waard bent als je niet de vraag stelt hoe het zit met het draagvlak voor de wethouder financiën en de wethouder personeel en organisatie. Ik vind het jammer – laat ik dat ook zeggen – dat u dat als een onfatsoenlijke woordkeuze invult. Ik denk dat het goed is dat het college hierover vanavond duidelijkheid verschaft. Als ik naar de bijdrage van wethouder Schreurs kijk, moet ik zeggen dat ik een wat andere bijdrage had verwacht. Ik had hier een wethouder verwacht die heel stevig een aantal statements had neergezet op het vlak van financiën en op het vlak van personeel en organisatie.
Het personeel is het belangrijkste kapitaal dat wij als gemeentelijke overheid in ons midden hebben. Wanneer de wethouder dan gebruikmaakt van gevleugelde woorden als ‘keuzes maken is het lastigste wat er is”, dan denk ik: ja, dat is zo. En als de wethouder dan zegt “het zou moeten kunnen zijn”, nee: ik vind dat we duidelijk moeten zijn. Dan moet er niet alleen sprake zijn van een ‘kunnen’, maar ook van een ‘moeten’. Dus de wethouder mag wat mij betreft best wat nadrukkelijker op de bres springen voor de verantwoordelijkheden die hij vertegenwoordigt in zijn portefeuille. De voorzitter: Meneer Zwijnenberg, ik ga u even kort onderbreken, want er is een rare storing. Volgens mij heeft mevrouw Van der Stelt inmiddels heel handig een omweggetje gevonden waardoor u zojuist niet in beeld was. Het lijkt nu opgelost. Ik zag nog een handje van iemand, maar ik kan niet zien van wie. Ik hoor dat het de burgemeester is? De burgemeester: Ja, dat was van mij, voorzitter. Ik wil even reageren op de opmerking van de heer Zwijnenberg over het woord ‘onfatsoenlijk’ dat ik in eerste termijn heb gebezigd. Dat woord heb ik inderdaad gebruikt, maar hij heeft dat uit de context gehaald en dan wordt het wel een beetje ingewikkeld.
Gevraagd was naar het vertrouwen van het college, en dat is in mijn optiek onfatsoenlijk, omdat het college, als dat vertrouwen er niet was, daarin een andere weg zou hebben gekozen. Dat is alles wat ik hierop nog wil aanvullen. Dank u wel.
51 De voorzitter: Meneer Zwijnenberg, vervolgt u uw betoog. De heer Zwijnenberg: Ik constateer dat de burgemeester zichzelf herhaalt. Wat dat betreft is er voor mij geen aanleiding om terug te komen op de woordkeuze die ik zojuist heb gebezigd. Wat betekent dit nu voor de toekomst? Ik denk dat dat een belangrijke vraag is: wat gaan wij tijdens de raadsvergadering van 10 juni met elkaar bespreken? Ik ga er geen voorzet voor geven, ik ga ervan uit dat daarover in de komende weken in ieder geval duidelijkheid ontstaat. Met de aanvullende informatie op de groene flap kan ik u zeggen dat ik mij voldoende voorbereid acht voor de gedachtewisseling tijdens de raadsvergadering. Dank u wel. De voorzitter: Dank u wel. Dan kom ik bij de heer Kalthoff van D66. De heer Kalthoff: Dank je wel, voorzitter. D66 wilde deze vergadering eigenlijk vooral gebruiken om technische vragen te stellen, althans verhelderende vragen naar aanleiding van de antwoorden die we hebben gekregen op vragen die we al gesteld hadden. Kijkend naar de manier waarop de discussie zich heeft ontwikkeld, wil ik nu ook graag iets dieper ingaan op een stukje oordeel. Wij vinden het erg belangrijk, dat vinden we altijd en nu ook, dat we als Roermond zo goed mogelijk uit de crisis komen. Dan gaat het om de ondernemers, om de inwoners, om de bezoekers, noem maar op. Dat is eigenlijk het uitgangspunt dat wij centraal stellen.
Daarnaast vinden we het ook ontzettend belangrijk dat de organisatie, de gemeente Roermond, een goede basis kent om dat op een goede manier ten uitvoer te kunnen leggen. Vanuit die uitgangspunten bekijken wij alles wat er gebeurt. Wij vinden het belangrijk, zeker ten tijde van een coronacrisis, een economische crisis, dat er rust en stabiliteit is. Dat is voor de inwoners belangrijk, dat is voor ondernemers belangrijk en dat is bijvoorbeeld ook voor de ambtelijke organisatie belangrijk, met allemaal heel belangrijke spelers in dit speelveld. Daarom zijn rust en stabiliteit heel belangrijk. Wij vinden het ook belangrijk dat er een gedragen en verantwoord beleid ligt, waarmee ook toekomstige coalities op een goede manier het werk dat door deze coalitie is ingezet uitvoering kunnen geven. Dat zijn allemaal dingen die wij heel belangrijk vinden en wij zullen er iedere dag voor blijven gaan om dat te verwezenlijken. Vanuit dat oogpunt ondersteunen wij ook de oproep die vanuit verschillende fracties vanavond is gekomen – de heer Maassen namens de coalitie, maar ook de heer Franssen en de heer Zwijnenberg, meerdere personen, hebben daar uitspraken over gedaan – en zijn ook wij voor een breed draagvlak om deze situatie op te lossen. Wij vinden het belangrijk dat we vooral even kijken naar de korte termijn, dus dat slaat helemaal aan bij het procesvoorstel.
Wat wij wel van wezenlijk belang vinden, en daar zal ik zo meteen op terugkomen, is dat we meer informatie krijgen, om ook daadwerkelijk op korte termijn, maar ook op langere termijn en middellange termijn, bepaalde besluiten te kunnen nemen. Die informatie is op dit moment voor D66 onvoldoende. Ook D66 is trots op heel veel dingen die we de afgelopen jaren bereikt hebben, ook ten tijde van corona, met een coronafonds, maar ook inhoudelijke speerpunten die we de afgelopen jaren behaald hebben. Ook die complimenten mogen gemaakt worden. In allerlei studies, onlangs nog van [..4:18:24..], zien we dat de gemeentefinanciën in heel Nederland onder druk staan. Nogmaals: in Roermond zijn er ook andere oorzaken, maar ook dat soort zaken mogen allemaal genoemd worden. Zowel externe factoren als interne factoren bepalen de situatie zoals die nu is en vanuit dat perspectief moeten we volgens D66 met rust en stabiliteit een gedragen en verantwoord beleid neerzetten voor de toekomst. Zojuist heeft de wethouder iets verteld over wat ik maar even de paragraaf personeel en organisatie noem. We hebben gesproken over de uitvoeringstoets, we hebben gesproken over de analyse van het managementteam, en als ik de wethouder goed heb begrepen blijkt de opgave groter te zijn dan men in eerste instantie had verwacht. Ik wil graag meer concreet en
52 met specifieke voorbeelden van de wethouder horen hoe dat te verklaren is en hoe hij er zelf op reflecteert dat het de afgelopen jaren zo ontstaan is. Voorts, en daarmee sluit ik me aan bij de woorden van de heer Maassen, willen wij meer concrete informatie over de plannen: hoe u die de komende tijd op een goede manier vorm gaat geven, zodat we inderdaad een stabiele organisatie krijgen die met de uitdagingen waarvoor we staan en waarover we vanavond uitgebreid gesproken hebben, aan de slag kan gaan. Kunt u daar concrete voorbeelden van noemen? Ook ten aanzien van de begrotingswijziging willen we graag een nadere toelichting op wat daar nou staat, want pas dan kunnen wij ons een oordeel vormen over de vraag of wat in de begrotingswijziging staat voor D66 goed is. Het volgende punt betreft de herstart. In eerste termijn heb ik daar al vragen over gesteld, maar helaas heb ik op die vragen, en ook op andere vragen, geen reactie van de wethouder gekregen. Op 15 april is gezegd dat we zo snel mogelijk aan de slag moeten gaan om Roermond zo goed mogelijk door deze coronacrisis te laten komen. Daar staat D66 volledig achter. We moeten er niet pas vandaag mee aan de slag gaan, dat had eigenlijk gisteren al gemoeten. Nogmaals: de gemeente Roermond doet al veel dingen op dat gebied, maar D66 verwacht meer concrete maatregelen.
Er worden termen gebruikt als een impactanalyse, gesprekstafels en dialoogsessies, maar voor ons is nog steeds niet helemaal duidelijk wat daar nou mee bedoeld wordt en met welke concrete maatregelen wij op korte termijn aan de slag gaan om Roermond, onze mooie stad, uit deze crisis te laten komen. Dus ook daar willen we nog een nadere toelichting op van de burgemeester in dit geval. Over de langere termijn heb ik de wethouder horen zeggen dat het af en toe moeilijk is om keuzes te maken. Zoals de heer Zwijnenberg aangaf, is het wel uw verantwoordelijkheid en uw rol als college om keuzes te maken. Dat is inherent aan de publieke taak waar we met z’n allen voor staan. In eerste termijn heb ik een aantal vragen gesteld die gewoon niet beantwoord zijn. Een van de oplossingsrichtingen is het verhogen van de lastendruk. Hoe verhoudt zich dat tot de herstart die we willen maken als samenleving? Het scenariodenken werd op 15 april genoemd. D66 is altijd voorstander geweest van scenariodenken. Hoe ziet u dat voor u? Kunt u dat toelichten, en welke rol de raad daarin heeft? Dank u wel. De voorzitter: Dank u wel, meneer Kalthoff. Ik heb inmiddels begrepen dat de kat Maxi de hofleverancier was van de technische storing. Hij biedt daarvoor zijn excuses aan. De heer Nizet heeft de vergadering inmiddels verlaten. Daarmee kom ik bij de heer Coenen van de Stadspartij Roermond.
De heer Coenen: Dank je wel. Ik was inmiddels bijna afgehaakt en dat ligt een beetje aan de manier waarop, ‘in het geniep’ mag je niet zeggen, maar zoals in het fractievoorzittersoverleg en het presidium wordt omgegaan met de spreekvolgorde, de spreektijd en de politieke spelletjes, waarin GroenLinks en CDA tegenover LVR ontiegelijk veel ruimte qua interpretaties nemen – dank je wel, voorzitter, dat zij u bekend. Ik wil u één ding voorhouden, en dat mag hopelijk even zonder interruptie. “Keuzes maken is het lastigste wat er is”. Die had ik voor mezelf gemarkeerd, portefeuillehouder financiën. Daarvoor voeren we politiek. Niks lastiger dan dat. Als je de goede informatie hebt en je hebt een bepaald aantal plannen, dan sta je daarvoor. Alleen gaf ik al aan dat dat ontiegelijk lastig is geweest, want iedereen moest op een of andere manier bediend worden, of de aardappel moest worden vooruitgeschoven. Het is te danken aan deze gemeentesecretaris dat hij in ieder geval, misschien ook gelet op de grootte van de problemen, met een presentatie kwam die helder maakte hoe de organisatie erbij stond. Niemand kan mij echter wijsmaken dat we dit vanaf 2015/’16 niet versneld hadden kunnen oppakken. Dat is niet alleen door mij gezegd, dat hebben veel anderen ook gezegd. Ik heb daar echt ontiegelijk veel temporisering of
53 uitstelgedrag gezien en dat maakt dat we er nu zo voor staan. Iedereen kan daarvan vinden wat hij wil, maar zo vinden wij dat. Nu wil ik u toch één ding voorhouden. Waren we in eerste instantie bezig met de soep op te dienen, de soep wordt blijkbaar niet meer zo heet gegeten als hij wordt opgediend. Ik moest denken aan een boek – dat ga ik op dit late tijdstip toch vertellen – en dat gaat over tegels lichten. Een journalistenprijs. Alle schurken moeten weg, en dat was in het kader van de Toeslagenaffaire. Daarin wordt gesteld: “Zo’n schurkenspeurtocht geeft niet altijd het beste inzicht in hoe de wereld werkt. In plaats van de vraag ‘welke onverlaat heeft dit op zijn geweten?’, is het soms zinvoller de omgekeerde vraag te stellen “wat als er nu geen schurk is die hiervoor verantwoordelijk is, wat als de meeste mensen te goeder trouw waren en dit toch gruwelijk is misgelopen, wat als dit geen complot is, maar een klucht?’.” Zo ervaar ik deze avond voor een groot gedeelte ook Nu terug naar de inhoud. Open en transparant. De een zegt “ik heb niet concreet genoeg antwoord gekregen”, de ander zegt “ik stel vier keer de vraag, ik heb het antwoord nog niet gekregen”. Wij werden als kleine fracties weggezet van: “nou ja, meneer Nizet had geloof ik ook een vraag, maar die heb ik al beantwoord”, en de andere fracties kwamen überhaupt niet aan bod.
Dat is het respect waarmee je hier bediend wordt. Dat wil ik toch maar even gezegd hebben. Als ze je kunnen gebruiken om je in het belang van de stad – maar daar heb ik geen enkele andere fractie voor nodig, want dat doe ik altijd – ergens voor mee te krijgen, word je op het laatste moment, vandaag dus, gevraagd om aan draagvlak mee te doen. Natuurlijk doen we daaraan mee, maar dan wel in een dusdanige vorm dat we ons woord kunnen doen op een fatsoenlijk moment en met voldoende tijd. Als dat 10 juni weer niet gebeurt, gaan we uit een ander vaatje tappen. Dat is geen dreiging, maar dan ga ik het op een andere manier neerzetten, zodat de burgers kunnen zien hoe met deze klucht wordt omgegaan. Nu terug. Heb ik nog een inhoudelijke opmerking? Jazeker. Bij alle maatregelen en oplossingsrichtingen wil ik op een soortgelijke manier worden bediend als bijvoorbeeld bij de kerntakendiscussie. Toen werden we inderdaad meegenomen in “wat betekent het als je het één wel of niet doet, of getemporiseerd dingen doet?”. Het was Rijnconsult die dat toen deed. Daar ben ik toen trouwens in twee minuten weggelopen, omdat dat niet op een fatsoenlijke manier werd voorgezet. De enkeling die daar met mij in de raad zat weet dat nog.
Met betrekking tot het raadsbesluit, de knip die wordt voorgehouden: het is niet meer dan logisch en serieus om er überhaupt kennis van te nemen, dat is punt 2, en zaken die op korte termijn moeten, dat doe je thuis ook, kun je niet uit gaan stellen, maar ga je beslissen. Dat doe ik niet alleen, dat doe ik samen met mijn vrouw. Dus die twee punten, wie het ook heeft gezegd: niet meer dan logisch, heel serieus, gewoon doen. Het kan ook niet op 10 juni. Dat heb ik vanmiddag ook tegen de heer Maassen gezegd, toen het ging om dat draagvlak, om daaraan mee te doen. Toen heb ik gezegd dat je dat waarschijnlijk niet binnen die twee weken tot 10 juni haalt. Dat is niet geniepig, dat zeg ik nu ook in het openbaar. Het vraagt waarschijnlijk meer tijd. Het ligt er alleen maar aan hoe dat in de tussentijd fatsoenlijk wordt beantwoord, of er een fatsoenlijke toelichting ligt onder die begrotingswijziging. Want anders moeten we daarvan weer opnieuw zeggen “daar kunnen we niks mee”. En middellange en lange termijn, zo gaat dat bij mij thuis ook, wat dat betreft kun je met boerenverstand heel ver komen, in de politiek ook: dan kunnen we de rest in de periode tot aan de begrotingsbeschouwingen met een externe advisering of begeleiding goed doen. Dat zijn dan wel weer extra kosten, maar als we dat intern niet kunnen, dan moet het maar zo.
Er zijn regelmatig vragen gesteld over een impactanalyse. Door wie is die gehouden? Door deze secretaris op z’n minst en misschien ook wel door voorgangers die we niet wisten. En de vraag is: zou de accountant dat kunnen doen? En dan krijg je zo’n antwoord: voor de accountant zijn jullie, beste raad, opdrachtgever. Met andere woorden: als je hem die vraag niet stelt, krijg je het antwoord niet. Dus die vraag zouden we misschien ook aan een adviseur/accountant kunnen stellen.
54 De provincie: kijkt die alleen maar mee op provinciaal toezicht in de zien van “ik moet nog langer met die wethouder door”, of zou die inderdaad wat breder adviezen kunnen geven? En natuurlijk, daar moet ik de heer Zwijnenberg weer gelijk in geven, als het gaat om wie dit indrukwekkende proces moet gaan neerzetten, dan zou het goed zijn om buiten deze 31 wijze mensen ook burgers, stakeholders, erbij te betrekken. Dat is niet om na te apen, maar dat zeg ik al zo lang ik in deze raad zit: er zijn soms veel meer deskundigen en ervaren mensen die ons iets kunnen vertellen en die wel keuzes kunnen/durven maken dan wij hier. Het sociaal domein is op orde, werd gezegd, naar ik meen door de heer Maassen. Het raadskader sociaal domein gaan we vanaf 2022 opnieuw vaststellen. Wat ik dan wil weten, is niet alleen of alle mensen tot nu toe de zorg hebben gekregen die ze nodig hadden, maar ook of ze die straks ook zullen krijgen. Dat soort antwoorden wil ik kunnen afleiden uit het proces dat we de komende tijd gaan doen. Dat bepaalt ook hoe we met die reserves wel of niet omgaan en of we dan ook voldoende geld hebben. En dan doe ik maar de voorzet, net zoals de heer Breugelmans over ruimte en economie z’n eigen wethouder effetjes een ondersteuning geeft en zegt “wat mij betreft belastingverhoging als laatste”, dat was mijn voorzetje.
Ik wil in dat kader van tevoren weten of mensen ook straks voldoende zorg krijgen, dus werk daar vooral aan, zou ik zeggen. Verder is het, denk ik, een hele goede zaak dat dit managementteam in ieder geval planmatig zaken aan wil halen en via de geijkte P&C-cyclus, die al eeuwenlang bestaat, maar die soms wel of niet goed inhoudelijk wordt gevuld, hoop ik dan dat we kwartaalsgewijs, zoals dat wordt voorgesteld, fatsoenlijk te horen krijgen waarom iets wel of niet gedaan wordt, of waarom iets later wordt neergezet. Dat gaat in het bedrijfsleven zo, maar in de politiek helaas niet. En dan moet ik toch denken aan de helaas overleden directeur ABP, die me ooit vertelde, toen hij met Kaiser optrok: “Ik sta ervan te kijken wat zo’n raad biedt. Wij als ABP kunnen over een aantal zaken ontiegelijk veel en goed dingen doen, maar jullie weten zoveel van ‘tig’ verschillende zaken.” Ja, dat klopt, we zijn geen koekjesfabriek, zei meneer Schreurs. Dat is zo. Maar in deze ambtelijke organisatie en in deze context moeten er beslissingen worden genomen met goed voorgehouden en complete informatie, en daar heeft het soms aan ontbroken. En dat maakt onder andere dat we nu op dit punt staan, niemand kan me wijsmaken dat we niet op dit punt staan, en gelukkig staan we op dit punt.
En laten we in het verkiezingsjaar nou niet proberen elkaar vliegen af te vangen, maar in het belang van de burgers proberen de goede dingen te doen. Dat staat bij ons voorop. Dank je wel en gezond op. De voorzitter: Dank u wel, meneer Coenen. Dan kom ik bij de laatste spreker van deze commissie in eerste termijn, de heer Leenheer. De heer Leenheer: De twééde termijn voorzitter. De voorzitter: Uiteraard! De heer Leenheer: Dank u. Ik heb geen behoefte aan extra spreektijd nu. Dank u. De voorzitter: Dank u wel. Dan kom ik bij de beantwoording in tweede termijn – ik zal het nu goed zeggen! – van het college. Wethouder Schreurs: Voorzitter, mag ik even twee minuten schorsen? De voorzitter: Dat mag. Ik schors de vergadering (00.00 uur). Schorsing
55 De voorzitter: De vergadering is heropend (00.02 uur). Het woord is aan de heer Schreurs. Wethouder Schreurs: Dank u wel, voorzitter. Eerst wil ik in z’n algemeenheid reageren op het voorstel dat een heleboel fracties hebben gedaan om een knip aan te brengen. Ik sta er positief tegenover om dat samen als college en raad te doen. Ik denk dat het ook een aanvulling is op de oproep die op 15 april door collega Smitsmans is gedaan om in gezamenlijkheid over dit probleem van gedachten te wisselen. In tweede termijn heb ik heel specifieke vragen gehoord die over alle bijlagen gaan, enz. In eerste termijn heb ik geprobeerd alle vragen zo helder en duidelijk mogelijk te beantwoorden, maar bij sommige raadsleden/sprekers komt dat blijkbaar niet, of onvoldoende, over. Als ik daar in gebreke ben gebleven, bied ik daarvoor mijn excuses aan. Ook in tweede termijn zijn een heleboel vragen herhaald, dan wel gesteld. Ik kan nu wel gaan proberen die te beantwoorden, maar ik stel voor die heel specifieke vragen via de groene flap te beantwoorden, zodat u de antwoorden heeft voordat we op 10 juni in de raadsvergadering bij elkaar komen. Als u daarmee kunt instemmen, kunnen we vandaag de tijd voor onszelf wat bekorten. Wat betreft organisatie en bedrijfsvoering heeft de heer Maassen gezegd graag een analyse te willen hebben, een oplossingsplan, enz.
Wat wij kunnen leveren is een beeld van waar wij op dit moment mee bezig zijn: alle zaken die in gang zijn gezet en welke effecten we daarvan verwachten. Maar een concreet plan van ‘dit’ en ‘dat’ en met ‘die’ resultaten is, zoals de directeur bedrijfsvoering in september 2020 ook in de Tuinzaal heeft gezegd, bijna ondoenlijk. Ik kan hem wel vragen een keer voor u het beeld te komen schetsen van hoe hij samen met de algemeen directeur, de gemeentesecretaris en het management aan de slag is om de organisatie wendbaar en weerbaar te maken. Vandaag nog heeft hij mij in een periodiek overleg aangegeven welke punten hij allemaal planmatig aan het aanpakken is en daar ben ik zeer van onder de indruk. Het plan ‘Beter met minder’ had ook niet zo’n concreetheid, maar gaf wel aan via welke weg wij bepaalde zaken wilden bereiken. Het plan ‘Beter met minder’ is een goed plan geweest, is trouwens nog steeds een goed plan, en dat zal ons ook verder brengen. Met uw goedvinden, meneer Maassen, zullen alle concrete vragen verder op de groene flap worden beantwoord. De heer Franssen kan ik blijkbaar niet altijd overtuigen van de ernst waarmee ik zijn vragen tot mij neem en de beantwoording daarvan. U hebt blijkbaar het gevoel dat ik u met algemeenheden het bos in wil sturen, maar dat is überhaupt niet mijn bedoeling.
Vaak zijn de vragen ook zo algemeen dat je je afvraagt hoe je daarop moet reageren. Het is ook vaak van: hoe komt de vraag bij mij over en hoe komt mijn antwoord bij u over? Als we elkaar daarin kunnen helpen, zou dat voor ons beiden heel goed kunnen zijn. U zou dan niet zoveel interrupties hoeven te doen en ik zou mijn verhaal gewoon in één keer helder over de bühne kunnen brengen. Verder heeft u aangegeven hoe u kijkt naar de kadernota, enz. Volgens u zou de kadernota al lang bekend zijn, maar dan moet ik u toch teleurstellen. Pas a.s. dinsdag gaan wij de kadernota vaststellen, waarna die in de procedure moet komen voor de behandeling in de gecombineerde commissievergadering en in de raadsvergadering van juli. Wij hebben natuurlijk al wel een keer de basis gezien, enz., maar de eindversie komt pas dinsdag aan de orde. U heeft een heleboel dingen gezegd over de manier waarop het proces van korte en lange termijn gestalte zou moeten krijgen. Ik denk dat ik daar in eerste instantie goed op heb geantwoord. Over RoerDelta en V&D hebt u gezegd dat er niks over in staat. In de 1ste begrotingswijziging zijn RoerDelta 3 en het V&D-pand wel genoemd. Ook de investeringslijst is door u genoemd.
Het college en de ambtelijke organisatie gaan de hele investeringslijst onder de loep nemen, projectmatig werken gaan we onder de lopen nemen, en ik ben het volstrekt met u eens – ik heb dat eerder ook al gezegd – dat 44 miljoen door de gemeente Roermond niet weggezet kan worden.
56 Dat het college uitgaven zou hebben gedaan zonder dekking zal ik even moeten nagaan. Ook daarop zal worden teruggekomen in de groene flap. De voorzitter: Ik hoor iets, maar ik weet niet wie nu probeert aan het woord te komen. De heer Franssen: Dirk Franssen. Ik had al een tijdje mijn handje omhoog, maar dat werkte blijkbaar niet. De voorzitter: Zegt u het maar, meneer Franssen. De heer Franssen: Ik ben zeer benieuwd naar de beantwoording van de vraag over de uitgaven zonder dekking. Op één punt heb ik een reactie op deze wethouder. Op het moment dat wij als fractie technische vragen stellen, krijgen we daar antwoorden op. Echter, een commissie is er ook voor bedoeld om alvast politiek met elkaar te beschouwen, geen oordeel te vellen, maar wel te beschouwen, en dat betekent soms ook een politiek-prikkelende vraag. Als ik zo’n politiek-prikkelende vraag stel, verwacht ik dat u daar ook een reactie op kunt geven. Het komt naar onze mening te vaak voor dat dat niet gebeurt. Dat is jammer, en dan moeten er interrupties volgen. Dus als u daar de volgende keer nog wat beter op let, hoeven we u minder te interrumperen. Wethouder Schreurs: Ik neem uw advies bijzonder ter harte. Wat dat betreft is het niet aan dovemans oren gericht. De heer Breugelmans heeft mij gevraagd waar ik onevenwichtigheid zie in de oplossingsrichtingen.
Als je de oplossingsrichtingen ziet, is het antwoord volgens mij wel duidelijk, waar gezocht wordt naar mogelijkheden, enz., en waar niet gezocht wordt. Daar hoeven we niet geheimzinnig over te doen, dat is uit het overzicht wel duidelijk. Ik ben het met iedereen eens, dat heb ik, meen ik, ook in eerste termijn gezegd, dat de uitvoeringstoets weinig concreet is: wat betekent dat, wat kan ik als raad, wat betekent dat voor mij, gaan de dingen wel door, gaan de dingen niet door? De heer Zwijnenberg heeft een techniek geopperd zoals bij de 1ste begrotingswijziging, een open-handreiking, inwoners, ondernemers daarbij betrekken, wat ook door de heer Coenen is onderschreven. Ja, u stelt wederom de vraag: hoe heeft het zo ver kunnen komen en kunnen deze collegeleden het probleem oplossen? Dat is het bekende voorbeeld van: degene die de ellende veroorzaakt heeft kan het niet oplossen. Ik ben het daar niet mee eens. In een organisatie waarin je in deze cruciale fase zit en er vertrouwen is tussen de ambtelijke organisatie en het college van B&W, kunnen degenen die nu aan het roer zitten de komende maanden tot en met maart volgend jaar samen met de organisatie bouwen aan de oplossing van die problemen. Als u mij wilt wegsturen, dan doet u dat, maar ik denk niet dat dat de oplossing is. Dat is echter mijn persoonlijke mening, daar mag u totaal anders over denken.
De heer Zwijnenberg heeft ook gevraagd of de zelfreflectie voldoende in beeld is. Ik ben de hele dag bezig om te kijken of de organisatie goed loopt en waar de problemen zitten. Ik heb daar zorgen over, maar ik zie ook ontwikkelingen en ik complimenteer de medewerkers met de voortgang die ze boeken. In deze tijd stellen wij als college, maar ook u als raad, heel veel vragen aan de organisatie en als er zo’n 250 vragen worden gesteld, dan zijn een aantal mensen gewoon buiten hun eigen werk een weekje actief om al die vragen te beantwoorden, en dat doen we keurig binnen de afgesproken tijd. Vandaag hebben we de jaarrekening weer op de afgesproken tijd bij u neergelegd en maandag gaan we u daarover bijpraten. De heer Zwijnenberg vroeg of het college te laat in actie is gekomen. Ik denk het niet. Waarom? Ik heb daarstraks gerefereerd aan de besluiten die de laatste jaren zijn genomen over de Oranjerie, onderwijshuisvesting, de autonome ontwikkeling van 1 miljoen in de openbare ruimte, vastgoed, enz. Zo kan ik er een heleboel opnoemen, die hebben we allemaal gecorrigeerd. Ik
57 hoop dat het achterstallig onderhoud, zoals ik het maar noem, nu helemaal weg is uit de begroting en dat we vanaf nu puur een begroting kunnen opstellen waarin incidentele kosten ook voor incidentele zaken gebruikt worden en structurele middelen voor structurele zaken. Vanaf die situatie kun je met elkaar, raad en college, goede afspraken maken en dan kun je ook aan de voorkant zeggen: dié zaken wil ik realiseren, raad bent u daarmee akkoord? Vervolgens kun je daarop dan ook die verantwoording maken, en dan kan de raad zeggen: “u heeft het goed gedaan”, of “u heeft het niet goed gedaan”. Volgens de heer Zwijnenberg zou ik mezelf een pluim op de hoed hebben gestoken. Dat heb ik niet willen doen, maar wat ik wel heb gezegd is: we hadden begin vorig jaar het besluit klaar, met toestemming van de OR, en toen kwam corona om de hoek kijken, waardoor we in het college even een discussie hebben gehad over de vraag of we de uitvoering van die organisatiewijziging wel ter hand moesten nemen. Wij hebben dat gedaan. We hebben in die tijd managers in huis gehaald, afspraken gemaakt en op 1 juli stond er een nieuw managementteam. Dat is niet mijn verdienste, maar de verdienste van al die mensen die daaraan gewerkt hebben.
Maar het is wel lef hebben, want in die periode hadden we ook kunnen zeggen “we doen het niet”, maar dan hadden we nog geen verandering en nu zitten we in die veranderingsfase. Als we dat niet gedaan hadden, hadden we nu niet de organisatie beter kunnen maken. U zegt dat ik wat steviger over personeel en organisatie en financiën moet praten. Nou, ik kan daar uren over praten, maar ik heb daarstraks ook gezegd: als je naar de financiën kijkt, daar is Roermond niet exclusief in. Wij hebben problemen, maar driekwart van de Nederlandse gemeenten heeft problemen. Vandaag is er godzijdank een positieve uitspraak gekomen over de jeugdzorg, dat er geld bij zal komen, waarmee in ieder geval duidelijk is dat we nu te weinig krijgen. Nou, dat helpt natuurlijk iedereen, ook de gemeente Roermond, als het doorgaat. Maar laat duidelijk zijn dat wij in Roermond met lage lasten een heel mooi, goed voorzieningenniveau hebben. Daar mogen we ook wel een keer trots op zijn. Dat niet alles goed gaat, mogen we ook met elkaar delen, maar dan liefst delen in de zin van “hoe kunnen we elkaar beter maken, hoe kunnen we het beter samen doen?”, en niet door elkaar te verwijten dat je het niet goed doet, want daar helpen we elkaar niet mee. Wij hebben elkaar nodig, college van B&W en de raad. De heer Kalthoff: geen draagvlak, meer informatie over besluiten nemen.
Ja, ik heb al gezegd dat daar op onderdelen op de groene flap en bij de begrotingswijziging een toelichting op komt. Als we dadelijk samen met elkaar in discussie komen, denk ik dat we een heleboel dingen helder kunnen maken. Over de herstart heeft u nog vragen gesteld. Het is enerzijds een processtuk, wat ik eerder ook al heb gezegd, anderzijds ook een stuk waar de raad nog voor het zomerreces een heel duidelijke rol in krijgt. Scenariodenken kan daar onderdeel van uitmaken, maar wij zijn ook als college nog bezig om te kijken, op basis van die impactanalyse, waar de problemen gaan ontstaan, waar wij als gemeente verantwoordelijkheid zouden hebben en die wij daarmee zouden kunnen helpen om inderdaad Roermond en haar inwoners en het bedrijfsleven zo snel mogelijk uit de crisis te helpen. Uiteraard doen wij niet aan inkomenspolitiek, dat staat ook in het stuk, en dat zal ook in de nieuwe situatie niet gebeuren, maar we kunnen wel op andere punten natuurlijk als gemeente Roermond onze ondernemers en inwoners helpen. Ik heb daarstraks ook gezegd: als je een tekort hebt, heb je twee knoppen waar je aan kunt draaien, je voorzieningenniveau en de lastenverhogingen. De heer Coenen wil ik om te beginnen mijn excuses aanbieden.
In de eerste termijn waren een heleboel vragen gesteld en toen heb ik u genoemd in de rits van “ik heb al antwoorden gegeven” en dat vind ik niet netjes van mij. Dus laat me dat helder stellen. Ik wil iedereen met respect bejegenen. U hebt verwezen naar de kerntakendiscussie. Ik was daar nooit bij, ik ben nog niet zo lang in de gemeenteraad bestuurlijk actief, maar ik heb er ook wel eens dingen van opgevangen, waarvan ik denk “ja, zo ging dat toen hè?”. Daar hebben jullie anderhalf jaar over gedaan en uiteindelijk is tot een besluit gekomen. En dan zie je, en dan refereer ik toch even aan de heer Franssen,
58 dat er iedere jaar wel óf een bankencrisis is, óf een pandemie, en over tien jaar zal er weer iets anders zijn en dan zitten we waarschijnlijk weer in een situatie waarin we met elkaar in gesprek komen, als we nog in een bepaalde rol zitten. U hebt ook over het provinciaal toezicht gesproken. Het provinciaal toezicht is een organisatie die echt goed oplet. U hebt ook die begrotingsbrief gezien van de provincie waar zij specifiek op letten, dus wat dat betreft hebben zij wel de vinger aan de pols. U vraagt aandacht voor het sociaal domein zorg na 2022. U weet: het is open-eindefinanciering en als er zorgvraag is gaan wij leveren, waarbij de kosten in de begroting worden opgenomen. Ja, de P&C-cyclus, u heeft dat juist geconstateerd: die was ergens – ik heb het in mijn eigen woorden gezegd – wegbezuinigd. We kregen één keer per jaar een bestuursrapportage, maar intern was er nooit kwartaalsgewijze richting management of college een rapportage. Die is er ooit geweest, maar die is ergens weggevallen en dat is heel vervelend. We zijn dat nu weer terug aan het ploegen, zoals dat zo mooi heet, maar dat kunnen we niet in één jaar, dat er ieder kwartaal een prachtig P&C-document ligt waarin je kwartaalsgewijze analyseert en kijkt wat er goed gaat, wat minder goed en waarop we moeten acteren. Dat is ook een weg die wel even duurt.
Ten slotte wil ik nog even reageren op het woord ‘chaos’ dat de heer Franssen noemde. Wat ik zo jammer vind als een woord als ‘chaos’ wordt gebruikt, is dat het morgen of overmorgen de kop in De Limburger is. En waarom vind ik dat jammer? Niet voor mezelf, niet voor bestuurders, maar ik vind het erg voor de ambtelijke organisatie, want die rekent zich dat aan en daar sta ik voor. U gebruikt dat woord en dat is uw verantwoordelijkheid maar ik wilde het toch even kwijt. Kijk, als bestuurder weet je: je staat in de wind en je wordt geraakt, maar ambtenaren staan niet in de wind en die moeten we ook niet raken, want ze doen hun stinkende best om ons iedere dag te ondersteunen. Dat wilde ik nog even kwijt als uitsmijter, om tien voor half één op vrijdag de 28ste. Maar dat is gewoon een constatering van mijn kant, meneer Franssen, daar hoeft u niet op te reageren. De voorzitter: Ik zie dat daar ook geen behoefte aan is. Burgemeester, heeft u in tweede termijn nog iets toe te voegen? De burgemeester: Ik weet niet of de toch al vrij uitgebreide beantwoording van wethouder Schreurs op het proces van de herstart voldoende is geweest. Wat ik er misschien nog aan kan toevoegen is dat er twee dingen belangrijk zijn voor de herstart. Eén is de urgentie. Corona is niet in één keer voorbij, maar we gaan nu langzaam de stad herstarten.
We weten dat er morgenavond weer een persconferentie is en dat naar mate de vaccinatiegraad oploopt elke keer opnieuw een stapje erbij kan worden gezet. Hoe ver dat stapje gaat, weten we ook niet precies, bijvoorbeeld niet wat het gaat betekenen voor de grote evenementen. Daar gaan allerlei speculaties over rond, maar we weten het niet. Ik noem maar een willekeurig voorbeeld. Dus heeft het college gezegd: we gaan niet meteen een plan uitschrijven met visies en kaders waar we dan met elkaar weer over gaan discussiëren. We gaan dan doén, en wie kan ons beter vertellen hoe het na corona is, of in de nasleep van corona, dan stakeholders? En de stakeholders zijn de mensen in de stad, in alle rollen, generaties, organisaties, vrijwilligerswerk, nou ja: vult u maar aan. Dus dat willen wij doen, en daarom hebben we die eerste impactanalyse laten maken: geef ons een beeld. Dat beeld is nog diffuus, dat weten we ook, omdat in het land het beeld ook diffuus is. U hoort volgens mij niet anders, of het nou het CBS is, of Kim Putters, of de premier, of andere ministers, dan: wij verwachten dat, maar we zien het nog niet terug in de cijfers. We weten dat er wat gaat gebeuren, maar we weten niet wanneer en hoe precies.
We hebben geprobeerd aan de voorkant, en bij wethouder Smitsmans gebeurt dat bijvoorbeeld als het gaat over arbeidsparticipatie, de nodige vangnetten te ontwikkelen, maar waar het nu het eerst gaat branden, wat er nu het eerst moet gaan gebeuren, dat gaat de samenleving als eerste merken. Dus zegt het college: in plaats van uitgebreide stukken te schrijven aan de voorkant, vinden wij dat voor de korte termijn adequaat, snel, gehandeld moet
59 kunnen worden op basis van waarnemingen die we vanuit de samenleving doen. In de dagelijkse gang bij ons in huis heeft elke portefeuillehouder natuurlijk in het afgelopen coronajaar al z’n eigen netwerken ontwikkeld. Die zijn flexibel, maar die zijn heel waardevol gebleken in deze coronatijd om juist het contact met de samenleving, wat zo moeilijk was omdat de gewone weg niet kon, te behouden. Wat wij in het college nu doen, en wat wij aan u ook al hebben voorgesteld, maar misschien niet duidelijk genoeg, is dat we op basis van die eerste impactanalyse met u het gesprek aan willen gaan en dat wij daarvoor, in onze eigen woorden, maar elk woord dat u aan wilt geven vind ik goed, werksessies willen organiseren, waarbij we het gesprek ook aangaan met die samenleving en van daaruit, vanuit die urgentie, in die korte termijn, die vanzelf zal overgaan in een middellange en lange termijn, koers willen maken, concreet willen oplossen wat nu op de korte termijn nodig is, maar ook koersen willen uitzetten die passen bij wat we voor de middellange en lange termijn gaan vinden. Volgens ons moet dat dus zowel urgent als concreet en daadkrachtig zijn, vandaar ook het herstartfonds, en daarnaast zullen voor de middellange en de lange termijn ook andere middelen nodig zijn die misschien op een andere manier in een begroting, deze of de volgende, moeten landen.
Dat weten we vandaag niet precies, omdat niemand het precies weet. Dus we willen koers maken met u, met de samenleving, en dat kunnen we in werksessies doen, in ontmoetingen, in uitnodigingen, in gesprekken, in allerlei werkvormen. Dat is wat we met u zo graag willen bespreken. Dat hebben we geprobeerd op te schrijven, maar ik heb de indruk dat dat niet helemaal goed is overgekomen. Ik hoop dat deze eerste aanzet helpt. Wethouder Schreurs heeft het al gezegd: dinsdag ligt de impactanalyse in het college, daarna komt hij naar u met de eerste ideeën erbij van hoe wij die gesprekken met u zouden willen gaan organiseren. En daarnaast kan met u, al of niet met u allemaal, met uw fractievoorzitters, met anderen uit uw gezelschap, het gesprek ook gevoerd worden over: hoe gaan we dit samen verder doen en hoe leggen we ook verantwoording af, niet alleen aan u, of wij aan elkaar, maar ook aan de stad, over hoe we de stad weer tot leven brengen en hoe we de stad ook toekomstbestendig houden. Daar is deze hele exercitie in de breedte natuurlijk voor bedoeld, niet alleen het herstarten, maar ook de keuzes die we nu moeten maken om gezond te zijn in de toekomst. Voorzitter, dat is wat er ik er nog aan wilde toevoegen. Dank u wel. De voorzitter: Hiermee zijn wij aan het einde gekomen van dit agendapunt en daarmee ook aan het einde van deze vergadering.
Ik dank u allen voor uw inbreng en wens u een fijne nacht. Voor de mensen die nog naar huis moeten, veilig thuis, en voor de mensen die thuis zijn, blijf gezond. Wij zien elkaar snel weer. 4. Sluiting. De voorzitter sluit te 00.25 uur de vergadering.