CConstaterende datRoermond
Koppel je AI →
Document · PDF

Notulen gezamenlijke commissievergadering 15 april 2021

Gemeenteraad 8 juli 2021, gemeente RoermondBij agendapunt: Klaar voor de herstart21.116 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

In dezen kunnen wij die lijn volgen en daarom voeren wij ook die periodes van twee weken in, want als je dat bij elkaar gaat tellen en je kijkt naar ons vergaderschema – die heb ik toevallig op mijn iPad naast me –, dan kom je dadelijk ergens medio juni uit, en dan zou het heel logisch zijn om vervolgens het finale raadsdebat te koppelen aan het debat over de kadernota, omdat de kadernota ook weer een vooruitblik geeft, niet alleen voor 2022, maar ook voor de toekomst. Wat de LVR-fractie betreft gaan we echter niet naar de periode na 17 maart 2022 kijken, want dan zit er een nieuwe raad, laat ik dat even vooropstellen. Dus wat ons betreft zijn de procesvoorstellen zoals ik ze gedaan heb in combinatie met het voorstel dat u doet een hele goede mix. De voorzitter: Dank u wel. Dan kom ik bij GroenLinks. Uit het eerste deel van de vergadering begrijp ik dat ik de heer Maassen het woord kan geven. De heer Franssen: Sorry, voorzitter, maar mijn betoog was bedoeld als een algemeen ordevoorstel, dus ik zou graag van de fracties willen horen hoe zij daartegenover staan, zoals de heer Breugelmans er zojuist ook op heeft gereageerd, voordat we straks toch in de valkuil trappen om al direct vragen te gaan stellen. De voorzitter: Dat begrijp ik, meneer Franssen, en ik zou het zeer waarderen als de fracties daarop zouden willen reageren. Ik ga eerst de heer Zwijnenberg het woord geven.

De heer Zwijnenberg: Ja, voorzitter, waarbij ik ervan uitga dat het ordevoorstel van de heer Franssen nu wordt behandeld en niet de eerste termijn van deze commissie. De voorzitter: Ja hoor. De heer Zwijnenberg: Ik kan mij vinden in het ordevoorstel van de LVR. Ik vind dat een redelijk voorstel. Het vertrekpunt van de raad via deze gezamenlijke commissievergadering is er een van een grote achterstand op de informatiepositie van het college. Wanneer je elkaar in een duaal verband serieus neemt, heb je inderdaad enige tijd nodig, en die is niet ruim bemeten – zo reëel ben ik ook richting de heer Franssen –, om je de stukken die op termijn verschijnen eigen te maken. Ik deel ook de opvatting van collega Kalthoff dat het wenselijk is om er een commissievergadering tussendoor te doen.

18 De opmerking van collega Breugelmans begrijp ik, aan de andere kant is het wel zo dat ik mij ook kan voorstellen, en dat moeten we volgens mij ook even laten landen, dat de uitkomst van deze materie een doorwerking zal krijgen in de kadernota. Als we deze materie en de kadernota in één vergadering duwen, lijkt me dat een hele lastige, omdat die doorwerking simpelweg niet kan worden uitgevoerd. Ik denk dus dat het ons technisch niet zal lukken om het op hetzelfde moment te doen, maar wat mij betreft kan het wel met tussenkomst van een paar dagen plaatsvinden, zodat we in ieder geval het traject voor het zomerreces hebben afgerond met elkaar. De voorzitter: Dank u wel. U plaatst mij voor een dilemma, want u doet een ordevoorstel waar wij als commissie voor een deel niet over gaan, namelijk met het oproepen tot een raadsvergadering. Dat is iets wat wij als commissie niet doen. Ik roep vanuit mijn positie de fracties op om te reageren op het voorstel van de heer Franssen, waarna wij ervoor zullen zorgen dat die reactie wordt doorgeleid naar het juiste gremium. Is dat akkoord, meneer Franssen? De heer Franssen: Ik snap wat u zegt, voorzitter. Laten we dat rondje inventariserend afmaken en wat eruit komt, komt eruit, want ik heb bij de heer Zwijnenberg ook weer goede aanvullingen gehoord en laten we dan maar zien hoe we verder gaan in die weken van juni en juli.

De voorzitter: Ja, dat lijkt me het verstandigste. De heer Zwijnenberg: Maar, voorzitter, als ik nog een opmerking mag maken: wij zijn het wel zelf die het organiseren hè? Het is niet zo dat het college de vergaderorde van de raad bepaalt. Dat moeten we wel goed voor ogen houden. U hebt misschien een punt dat het ordevoorstel ons niet brengt tot waar we naartoe willen, dat ben ik met u eens, maar aan de andere kant zit hier eigenlijk ook de raad bij elkaar en op het moment dat de fracties zich over het voorstel van collega Franssen gaan uitspreken, is dat wat mij betref gelijk te stellen aan een opvatting van de raad en daarmee dus ook een stukje agendaplanning voor de komende weken. De voorzitter: Uw oproep is gehoord. Ik kan niet anders constateren dan dat we een commissievergadering hebben en dat de formele lijn is zoals hij is. Ik zie u knikken, u kent die lijn. Wat mij betreft gaan we nu inventariseren wat de fracties hiervan denken en gaan we daarna, zoals gepland, verder met de overige fracties in eerste termijn. Vervolgens gaan we de mening over het ordevoorstel doorgeleiden naar de gemeenteraad. Zo werkt het dan formeel. Ik zie een handje van de heer Maassen van GroenLinks. De heer Maassen: Ja, dank u wel. De discussie aanhorende, wil ik even het standpunt van de fractie van GroenLinks mededelen. Wij zullen bij nader afzien van het stellen van inhoudelijke vragen.

Met de eerste fase die de heer Franssen heeft geschetst zijn wij het in ieder geval eens, namelijk dat er twee of drie weken nodig zijn om de vragen te stellen. Maar over het verdere vervolg, waarbij wij ‘in the lead’ zijn, heb ik twee vragen aan de wethouders die zojuist gesproken hebben. Wanneer schat u in dat de voorstellen gereed zullen zijn? Dat vind ik namelijk een belangrijk moment om te kijken of dat in die planning past. Voor de rest hoor ik twee dingen. De heer Breugelmans heeft al aangegeven dat een aantal zaken mogelijk zijn in te passen in onze cyclus, en dan zie ik een vergadering, of een leg [?], eigenlijk als een voorfase van wat we met de kadernota gaan doen, omdat hier natuurlijk een aantal richtingen besproken gaan worden. In die zin zou je kunnen zeggen: maak een extra stap voordat we de kadernota bespreken. Maar ik hoor u ook iets anders zeggen, namelijk dat er ook een urgentie zit en dat over een aantal zaken snel beslissingen genomen zullen moeten worden, en onze cyclus met kadernota en begroting is natuurlijk iets wat we uiteindelijk in 2021 gaan doen. Ziet u dat ook zo in die cyclus, of zegt u: nee, los van die cyclus zullen er, misschien op korte termijn, een aantal

19 beslissingen genomen moeten worden? Wellicht zijn dat dingen die wel met elkaar te maken hebben, maar wel twee los van elkaar staande trajecten, om misschien ook in 2020 een aantal zaken in te voeren. Dat zou ik graag eerst even horen voordat we kunnen zeggen dat het wel twee keer drie weken kan gaan duren met vragen, want dan zitten we in de zomer en zegt u misschien: wij willen al coronafondsbesluiten hebben genomen over andere zaken. Dat is de vraag die ik heb. Inhoudelijk zullen we verder geen gebruikmaken van de eerste en de tweede ronde. Die vragen bewaren we voor de komende twee, drie weken. De heer Franssen: Voorzitter? De voorzitter: Meneer Franssen. De heer Franssen: Ik heb een vraag aan de heer Maassen naar aanleiding van wat hij zojuist heeft gezegd. Meneer Maassen, u was er begin februari ook bij, en ik benadruk begin februari, in het allereerste procesmatige fractievoorzittersoverleg, op 8 februari om precies te zijn. Het is nu 15 april. Wij moeten het college natuurlijk niet bewust gaan remmen, dat ben ik met u eens, maar ik laat me op dit punt ook absoluut niet opjagen door het college. Ik wil graag uw reactie daarop, want als het college al minstens twee maanden tijd nodig heeft tussen 8 februari en vandaag, en we weten eigenlijk nog niks, want we hebben nog geen stukken, dan laat ik mij niet opjagen.

Wij zijn er echter ook niet op uit om het college bewust af te remmen, dat wil ik er nadrukkelijk bij zeggen. De heer Maassen: Als ik daarop mag reageren, voorzitter? De voorzitter: Dat mag u. De heer Maassen: Ik denk dat dat in de lijn is van wat ik zeg. Er zijn een aantal zaken die keurig in de cyclus van dit jaar ingepast moeten worden, en dan zie ik dit als een extra stap, niet wachtend op de kadernota, maar dat we al eerder over een aantal zaken die richting behoeven vragen kunnen stellen en uitspraken kunnen doen. Maar het tweede punt betreft de urgentie, de zaken die snel moeten gebeuren. Daarover is mijn vraag aan het college: wat kunnen we wat dat betreft verwachten? Want die voorstellen kennen we nu natuurlijk nog niet. En past dat ook in die beleidscyclus, of denkt u dat we, om verder te kunnen gaan en de noodzakelijke stappen te kunnen ondernemen, daarover eerder besluiten moeten nemen? De voorzitter: Dank u wel. Ik zie een handje van de heer Breugelmans. De heer Breugelmans: Ja, voorzitter. Mijn fractie heeft even beraad gehad tussendoor en ik vat de conclusie kort samen: het was veel wat we te horen kregen, het was lang en het is natuurlijk ook zonder stukken. Dus dat sluit helemaal aan bij de lijn die de heer Franssen ook aangaf.

Ik wil het college natuurlijk wel bedanken voor het feit dat het ons vandaag meeneemt in een aantal ontwikkelingen, ons de actualiteit schetst, hoe het ervoor staat, waaraan gedacht wordt op hoofdlijnen en natuurlijk ook het feit dat er, in lijn met wat wij in december in de raadsvergadering al hebben ingebracht als CDA, een herstelfonds komt voor na corona, of een herstart, zoals u dat nu noemt, die zowel maatschappelijk als economisch goed ingebed wordt. Maar wat dat dan inhoudt en hoe het eruit ziet, dat is voor ons nu ook in een glazen bol kijken, dus dat is heel lastig. Ik denk, in lijn met wat de voorgaande sprekers hebben ingebracht, dat de procesvoorstellen zoals die hier nu gedaan worden tegen het licht gehouden moeten worden en dat dat het ons wellicht ook gemakkelijker maakt om het debat hierover met elkaar te voeren. Dus ik kan mij voorstellen dat we stukken krijgen die eronder liggen en dat wij de gelegenheid krijgen tot het stellen van vragen. Ik stel voor dat we daarna op basis van de antwoorden op de vragen en het stuk dat vanuit het college komt een commissievergadering doen, een

20 raadsvergadering doen en ik begrijp dan dat dat los gezien moet worden. De heer Zwijnenberg heeft dat nog eens vanuit zijn perspectief toegelicht, en daar kan ik mij wel in herkennen: knip dat dan los, want anders wordt dat misschien ook in zwaarte wel even iets te veel van het goede, omdat het één ook input is voor het ander. Als we het in die volgorde kunnen zien en dat als een procesvoorstel kunnen zien waarin het college ook aan de slag kan met de antwoorden op de data natuurlijk, zoals de heer Maassen zojuist gesteld heeft, dan denk ik dat we elkaar vanavond heel snel gevonden hebben en dat we dan een heel mooi traject hebben waarmee we zorgvuldig samen in deze moeilijke vraagstelling met elkaar aan de slag kunnen. Dank u wel. De voorzitter: Dank u wel. Ik kijk even naar de commissie, of er nog behoefte is aan verdere reactie op dit punt. De heer Nizet van de SP. De heer Nizet: Ik zou zeggen: je gaat pas iets fundamenteel beslissen als je goed bent ingelezen en goed bent ingelicht. Het voorstel van de heer Franssen van de LVR kwam voor mij als uit de hemel, want uiteindelijk kun je niet anders. Maar ook de aanvullingen die de heer Kalthoff en de heer Breugelmans hebben gedaan vind ik wezenlijk, en ook de opmerking van de heer Zwijnenberg.

Wat hebben we toch een hoop goede raadsleden en fracties in Roermond, denk ik dan! Ik ga ervan uit dat we nu eerst vragen gaan stellen, dan de stukken krijgen en vervolgens weer vragen over die stukken gaan stellen. Dat dat in de richting van de kadernota gaat, snap ik ook wel, en dan vind ik het ook een goede opmerking om eventueel in die periode een paar dagen uit elkaar te halen en het twee bijzondere gelegenheden te laten zijn, maar goed, dat beslist het college, en dat doen wij niet. De opmerking van de heer Maassen begrijp ik ook wel. Het kan inderdaad best zijn, maar dat weten we nu niet, dat er een aantal zaken zijn die misschien heel acuut zijn, maar ja, het college heeft dit soort traagheid zelf ingebracht, precies wat de heer Franssen al zei: het is al vanaf februari bekend dat men over die organisatiestructuur bezig is. Dus laat komen wat komt. We zijn mans en vrouws genoeg om tot een goed besluit te komen over een week of zes, zeven. De voorzitter: Dank u wel, meneer Nizet. Meneer Coenen, Stadspartij Roermond. De heer Coenen: Ik begrijp dat u uw eigen voorstel loslaat om de fracties in volgorde van grootte het woord te geven. Ik wachtte keurig op de rij, maar als danDe voorzitter: Nee, meneer Coenen, het gaat nu nog over het voorstel van de heer Franssen, want ik merkte dat er toch meer behoefte was om dat te bespreken.

Dus als u de hand opsteekt, mag u daar iets van zeggen. De heer Coenen: Nee, dan gaan we efficiënt vergaderen en doe ik het zo meteen. De voorzitter: Dat is ook goed, meneer Coenen. Dan kijk ik nog één keer naar mijn scherm, of er nog fracties zijn die wensen te reageren op het voorstel van de heer Franssen. Dan constateer ik dat aan het college van B&W en aan de voorzitter van de raad enkele vragen zijn gesteld. Ik wil hun graag de gelegenheid geven om daarop te reageren. Wie van het college mag ik het woord geven om te reageren? Wethouder mevrouw Smitsmans-Burhenne: Ik wil wel als eerste reageren, met uw goedvinden. De voorzitter: Mevrouw Smitsmans, ga uw gang.

21 Wethouder mevrouw Smitsmans-Burhenne: Dank u wel. Uiteindelijk is het aan de raad om te beslissen hoe hij zijn vergaderingen agendeert. Daar willen wij ook helemaal geen misverstand over laten bestaan. Dat is geheel aan u. Wij snappen dat u op basis van de informatie die u vanavond krijgt geen besluit kunt nemen of oordeel kunt vellen, maar eerlijk gezegd was deze avond daar ook niet voor bedoeld. Deze avond was bedoeld om u mee te nemen in de denkrichtingen en oplossingsrichtingen die wij zien. Dat er onderliggend nog allerlei stukken moeten komen en dat er een raadsvoorstel moet komen, heb ik u in mijn inleiding ook verteld, en dat is nog steeds de bedoeling. Als ons dan de vraag wordt gesteld of dat gekoppeld moet worden aan de kadernota, of niet, dan adviseren wij u om dat niet te doen, en wel om een aantal redenen. Wij denken dat het slimmer is om het los te koppelen, zodat je beide op hun eigen merites kunt beoordelen, en natuurlijk zal het één dan van invloed zijn op het ander. Maar er is misschien nog wel een belangrijker argument om het los te koppelen en toch te proberen in mei een vergadering te hebben, en dat is de crisis. We kijken uit naar het moment waarop we langzaam maar zeker uit de lockdown komen. En wat we dan nodig hebben, is dat we die herstart acuut kunnen oppakken.

Dus hoe sneller u als raad besluiten neemt en ons de kaders meegeeft op basis waarvan wij kunnen doorpakken, hoe daadkrachtiger wij met deze stad aan de slag kunnen gaan. Natuurlijk moet u eerst alle gegevens hebben, natuurlijk moet u een oordeel kunnen vormen en natuurlijk moet u in staat zijn om ons de kaders mee te geven. Dat is aan u. Maar u vraagt ons advies, onze mening, en dan is dat de mening. Als u vraagt wanneer wij de stukken kunnen aanleveren, dan is mijn inschatting – maar dat heb ik niet overlegd met de rest van het college – dat dat aan het eind van de eerste week van mei mogelijk moet zijn. Tot zover, voorzitter. De voorzitter: Ik zie twee handjes. Meneer Franssen. De heer Franssen: Dank u wel, voorzitter. Dank aan mevrouw Smitsmans dat zij namens het college antwoordt. Ik krijg daar toch een beetje een unheimisch gefühl bij. Ik heb net het tijdpad geschetst: van 8 februari tot aan de dag van vandaag is ruim twee maanden. Nu hoor ik in antwoord op de vraag van collega Maassen – dank u wel voor die vraag – dat we waarschijnlijk in de eerste week van mei, en ook nog aan het einde van die week – en ik herinner het college eraan dat dat een vrije week is voor heel veel mensen in Nederland –, pas de stukken krijgen. Dat betekent vanaf de dag van vandaag drie volle weken. Dán pas hebben wij de stukken en dan vraagt u ook nog om in mei een raadsvergadering te houden.

Voorzitter, dat vindt de LVRfractie niet correct. Daarmee brengt u de raad niet in een juiste positie, omdat wij na vanavond nog geen stukken hebben, we hebben nog niks. We hebben alleen wat u denkrichtingen en oplossingsrichtingen noemt. Ik zal maar niet zeggen wat ik denk over wat ik vanavond gehoord heb, maar het is weinig oplossingsgericht en weinig denkrichting. De LVR-fractie heeft gewoon behoefte aan een ruim aantal weken om op basis van vanavond vragen te stellen. Als begin mei de stukken er zijn, kunnen we op basis van die stukken wederom een tijd gebruiken om vragen te stellen en dan hebben we op z’n vroegst in de eerste week van juni daar besluitvorming over. Eerder kan gewoon niet, voorzitter. Dat het college tempo wil en daarvoor de crisis en de lockdown gebruikt, sorry, voorzitter, asjeblieft zeg! In april/mei vorig jaar sloeg iedereen zich in het stadhuis op de borst van “we hebben een coronafonds, nu gaat het met Roermond geweldig, want we zijn de eerste in Nederland”. Het is nu een jaar later en dat coronafonds heeft ons behalve een paar ton aan uitgaven nog helemaal niks opgeleverd. Dus voorzitter, op dit punt herhaal ik mijn woorden: wij willen het college niet remmen, maar wij willen de raad wel genoeg tijd gunnen, zichzelf de tijd gunnen, in de perspectieven zoals ik die schets, om voldoende het debat daarover aan te gaan.

Dat is het en waar zult u het wat mij betreft mee moeten doen. De voorzitter: Dank u wel. Ik zie de heer Peters. Daarnet had ik hem ook al gezien, maar het handje was ook weer weggeklikt, dacht ik. De heer Ben Peters.

22

De heer B.E. Peters: Voorzitter. Ik hoorde mevrouw Smitsmans zeggen dat ze meteen aan de gang wilde als corona ten einde was. Maar ik ben artiest en als ik naar mijn artiestenprogramma kijk, denk ik dat ik ergens in augustus, misschien in september, weer het podium op kan. Onze premier van Nederland zegt dat we ergens in augustus misschien weer terug kunnen naar normaal. Dus ik snap die haast niet. Moeten we nu in mei een raadsvergadering doen, zodat we gelijk weer in corona terug kunnen stappen? Volgens mij zijn we pas op z’n vroegst ergens in augustus uit de pandemie. De voorzitter: Dank u wel, meneer Peters. De heer Zwijnenberg, VVD. De heer Zwijnenberg: Voorzitter, ik wil het betoog van collega Franssen graag ondersteunen en ik denk dat de heer Peters er zojuist een prima voorbeeld bij heeft gegeven. Op mijn netvlies heeft het volgende gestaan, en ik meen mij te herinneren dat ik deze informatie ook van de burgemeester heb gekregen in het presidiumoverleg. De vraag is gesteld ‘kunnen wij de stukken ontvangen?” En toen is het antwoord gekomen in het presidium: “nee, die stukken krijgt u niet, want het college wil niet dat de stukken een eigen interpretatie gaan krijgen, wij willen graag de gezamenlijke commissies meenemen in onze gedachtegang en dan de stukken ter beschikking stellen”.

Laat nou in mijn gedachte de volgorde gedefinieerd zijn, dat de stukken gereed zijn, de stukken nog niet worden verstrekt, maar eerst informatie wordt gegeven door het college, en dat dan direct na deze bijeenkomst de stukken beschikbaar zijn. Het verbaast mij tegen die achtergrond dat wij nog tot begin mei moeten wachten voordat de stukken op tafel komen. En ik mag ook aannemen, voorzitter, dat het college niet aan de hand van veronderstellingen tot beleid en visieontwikkeling is gekomen, maar ook aan de hand van stukken. Met andere woorden: ik kan mij niet voorstellen dat er nu nog, zeker onder de druk die het college zichzelf vanwege corona oplegt, tot begin mei gewacht moet worden voordat de raad wordt geïnformeerd over de onderliggende stukken. De voorzitter: Dank u wel. Meneer Maassen, GroenLinks. De heer Maassen: Dank u wel. Ik denk dat we verschil moeten maken tussen de stukken die er nu al zijn en – het tweede waar ik naar gevraagd heb – de voorstellen die er nu nog niet zijn, nog niet uitgewerkt zijn, en ik begrijp van de portefeuillehouder dat die in de eerste week van mei zullen komen. Ik hoor in de antwoorden toch dat, even vooruitlopend op de kadernota, het college er behoefte aan heeft dat we over de denkrichting uitspraken gaan doen, omdat men dat nodig heeft om de kadernota uiteindelijk goed te kunnen opstellen.

Dat was mijn eerste vraag: in hoeverre zit dat in dat proces? Maar ik hoor ook dat er een aantal zaken zijn waarvan men zegt dat daarover dit jaar al besluiten moeten worden genomen. Dat zijn dan, denk ik, twee punten die in mei of in juni-, en misschien is het beter dat we toch een presidium bij elkaar roepen, omdat we ook in dit gremium daar geen beslissing over kunnen nemen, maar als we weten wat precies eraan staat te komen, we ook die data kunnen gaan doen. De eerste is in ieder geval duidelijk. We hebben nu twee/drie weken nodig voor de technische vragen, we hebben natuurlijk ook tijd nodig als we die voorstellen hebben gehad, en dan moeten we, denk ik, over drie weken, als die voorstellen er zijn ….[01:39:51]…. de besluitvormende vergaderingen plaats, en inderdaad: wellicht is het ook zinvol om twee weken daarvoor dat in de vorm van een commissievergadering te doen. Misschien komen we dan uiteindelijk twee weken later uit dan wat het college nu aangeeft, misschien zitten we dan in juni – ik heb niet direct in beeld wanneer de kadernota besproken wordt, ik heb in mijn hoofd juli, maar wellicht vergis ik meDe heer Franssen: 8 juli, collega Maassen. Sorry dat ik u onderbreek.

23 De heer Maassen: 8 juli, dat is weer vrij vroeg in juli dan en ik weet niet, als we die uitspraken richting de kadernota hebben gedaan, of dat dan weer voldoende is om die kadernota op te stellen. Als ik het allemaal zo hoor, denk ik dat we zeggen: we willen nu de stukken ontvangen die er zijn, we willen zo snel mogelijk de uitgewerkte voorstellen zien, dat die er in mei zijn, dat we nu de technische en inhoudelijke vragen kunnen stellen over deze bijeenkomst, direct in mei de tijd willen hebben – daar hebben we natuurlijk ook minimaal twee weken voor nodig – voor de vragen over de voorstellen, en dat we dan in ieder geval een extra bijeenkomst nodig hebben, wellicht voorafgaand met een commissievergadering, over het richting geven aan de kadernota en wellicht de stappen die het college wil zetten, en dat zou ik willen ondersteunen, als men door wil pakken, om te zorgen dat zo snel mogelijk met de herstart begonnen kan worden, om het ook dan in mei, of misschien begin juni, met elkaar vast te gaan stellen. De voorzitter: Dank u wel, meneer Maassen. De heer Franssen. De heer Franssen: Ja, voorzitter.

Ik constateer, na in het begin wat zalvende woorden van de fractievoorzitter van de grootste partij richting het college, dat de heer Maassen eindigt met hetzelfde voorstel dat ik gedaan heb: nu een aantal weken, dan stukken, dan weer een aantal weken, dan eventueel commissie en daarna raad. Dus volgens mij zijn wij het eens, als de rest van de fractievoorzitters het er ook mee eens is. De voorzitter: Dat is een mooie samenvatting. Ik kijk even naar mevrouw Smitsmans, of het college hiermee aan het einde van in ieder geval dit stukje beantwoording was gekomen, want ik heb nog steeds beloofd dat ik alle fracties de gelegenheid ga geven voor een eerste termijn, dus dat wil ik ook graag doen. Wethouder mevrouw Smitsmans-Burhenne: Geeft u mij nu het woord, voorzitter? De voorzitter: Mijn vraag was of u klaar was met de beantwoording van de ordevragen. Wethouder mevrouw Smitsmans-Burhenne: Ja. Laat ik het zo zeggen: ik wil graag nog even reageren op de woordvoering van de heer Peters en in algemene zin op wat de fracties eigenlijk nogmaals hebben herhaald met betrekking tot het proces. De voorzitter: Daar geef ik u de gelegenheid voor. Wethouder mevrouw Smitsmans-Burhenne: Dank u wel. Kijk, meneer Peters, wethouder Pleyte zei het daarstraks al: de pandemie eindigt niet zoals 5 mei.

Zo zei hij het en daarmee bedoelde hij dat niet van de ene op de andere dag de hele samenleving weer open kan. Ik zou iedereen gunnen dat het in één klap zou kunnen, maar u en ik weten dat dat heel geleidelijk zal gaan. Ik gun deze stad, dus ook uw raad, dat u zodanige besluiten neemt dat, op het moment dat het zover is, we ook meteen kunnen doorpakken. Dat is de reden waarom we u adviseren daar waar het mogelijk is en waar u de ruimte ziet, zo snel mogelijk een raadsbesluit te nemen, want op het moment dat u een besluit neemt en ons de kaders meegeeft, kunnen we door. Verder is het natuurlijk aan de raad – ik heb het al een paar keer herhaald. De urgentie proberen wij over te brengen, ik snap dat er meer informatie nodig is, die krijgt u aangeleverd zo snel als mogelijk. U bepaalt, maar wij proberen u te overtuigen van de urgentie. Tot zover, voorzitter. De voorzitter: Dank u wel. Dan ga ik de heer Franssen en de heer Peters nog de gelegenheid geven om daarop te reageren. Mijnheer Franssen, zegt u het maar.

24 De heer Franssen: Ja, voorzitter, ik waardeer het appel. De LVR-fractie is al dertien maanden bezig met voorstellen om uit de corona te komen, maar het lukt niet om daar een meerderheid voor te krijgen in deze raad. De portefeuilleouder zei dat het college het prettig zou vinden als de raad besluiten zou nemen en zijn standpunten uit, maar, voorzitter, en dan rond ik ook direct af: dan heb je stukken nodig. Dus ik blijf bij het procesvoorstel dat ik steeds gedaan heb, met die weken, met die termijnen, zoals dat inmiddels ook gesteund wordt door een meerderheid, voel ik. Ik begrijp wat portefeuillehouder Smitsmans zegt, en nogmaals: wij willen het college niet remmen, maar ik hoop dat het college goed beseft dat zij een informatievoorsprong heeft die eerst goed moet inlanden bij de raad, en daar hebben wij tijd voor nodig, met alle respect. De voorzitter: Dank u wel. De heer Peters. De heer B.E. Peters: Dank u, voorzitter. Even naar de wethouder: ik snap natuurlijk de urgentie, maar corona is in maart vorig jaar begonnen, we zitten nu in april 2021 en die urgentie was er volgens mij vorig jaar september/oktober ook al. Dus ik vraag me af waarom pas in januari is gestart met dit voor te bereiden. Ik geef geen waardeoordeel over wat er moet gebeuren, maar dit voelt alsof u de raad niet serieus neemt, met alle respect.

Dit had gewoon eerder opgepakt moeten worden en de raad moet gewoon in stelling worden gebracht om fatsoenlijk die stukken te kunnen lezen en een goed oordeel te kunnen vellen over het stuk. Dank u wel. Wethouder mevrouw Smitsmans-Burhenne: Voorzitter, als ik hierop toch even mag reageren: ik bestrijd dat wij de raad niet serieus nemen. Ik kan me voorstellen dat u teleurgesteld bent, maar met betrekking tot de pandemie hebben ook wij ons te houden aan de landelijke richtlijnen. Daar kunnen we allemaal van alles van vinden, maar daar hebben we ons aan te houden. We nemen u heel serieus. We geven u vandaag de informatie die wij ook hebben en die we met u kunnen delen. Zodra wij andere stukken hebben, zullen we ze bij u aanleveren, daar zullen we geen dag mee wachten nadat het college ze heeft vastgesteld, en dan is het aan u om te bepalen wat u ermee wilt doen. Maar ik weerspreek dat wij de raad niet serieus zouden nemen. Dat meent u zelf ook niet, meneer Peters. Ik vind het echt erg als u dat zegt. De voorzitter: Meneer Peters, u wordt aangesproken. De heer B.E. Peters: Ja, dank u wel, voorzitter. Nou ja goed, ik houd het toch bij het punt dat u de raad niet serieus neemt, met alle respect. Als u me straks kunt aantonen dat u niet eerder dan in februari hebt kunnen beginnen, dan neem ik mijn woorden terug, maar als u dat niet kunt aantonen, dan blijf ik bij mijn woorden.

Dus ik zie graag hoe u aantoont dat u niet voor februari al een plan heeft kunnen maken waarmee de raad beter in stelling gebracht had kunnen worden. Wethouder mevrouw Smitsmans-Burhenne: Dan komen we daarop terug. De voorzitter: Meneer Maassen. De heer Maassen: Er moet me toch even wat van het hart, nu deze woorden gebruikt worden. Kijk, we kunnen discussiëren over de wijze waarop, maar we zijn toch al twee keer, toen de signalen duidelijk werden, als fractievoorzitters geïnformeerd, het initiatief is nu genomen voor deze informerende bijeenkomst, de juiste voorstellen zijn er nog niet, en als die over drie weken komen kun je ook zeggen dat drie weken eerder toch in ieder geval de raad al, ook publiek, en ook de inwoners van Roermond, waren geïnformeerd: er ligt een voorstel van het college, daar kunnen wij misschien iets anders over denken, maar als je dan politieke conclusies daarover gaat trekken, dat vind ik heel erg.

25

De voorzitter: Meneer Peters, u bent aangesproken. De heer B.E. Peters: De heer Maassen praat over mijn uitlatingen. Ik blijf bij mijn uitspraak. Het gaat over de toekomst van Roermond, het gaat over miljoenen en wij moeten nu in een tijdsbestek van vijf weken – want door het college wordt voorgesteld dit in mei te gaan behandelen – het hele stuk gaan behandelen, terwijl we geen enkel [..1:48:07..] Dat kan geen enkel raadslid voor elkaar krijgen, dat is gewoon onmogelijk. Dus we worden niet serieus genomen. Ze hadden minimaal moeten zeggen: pak uw tijd, misschien moeten we een extra raadsvergadering doen, misschien moeten jullie wel twee keer terugkomen. Dat kan, maar het kan niet zo zijn dat wij in vijf weken tijd alle stukken nog moeten krijgen, alle vragen nog moeten stellen, alle vragen nog beantwoord moeten krijgen, opnieuw bestuderen en dan in mei een beslissing nemen over het raadsvoorstel. Dat is onmogelijk. U neemt de raad nu niet serieus. De voorzitter: Waarmee ik constateer dat we toe zijn aan een inhoudelijke ronde, zoals we hadden afgesproken. De argumenten met betrekking tot het ordevoorstel zijn mijns inziens gewisseld. De heer Franssen zal ik als woordvoerder van de grootste fractie als eerste het woord geven, maar ik heb eigenlijk begrepen dat hij inhoudelijk niet heel veel meer wilde zeggen. De heer Franssen: Dat is juist, voorzitter.

Wij hebben ons ordevoorstel gedaan en wij constateren – want ik kan goed tellen – dat er inmiddels een raadsmeerderheid voor is. Hoewel u terecht zegt dat deze commissie niet besluit over voorstellen aan de raad, is er inmiddels met de aanwezige raadsleden, en als ik de fractievoorzitters tel van het aantal zetels, een meerderheid en met de inbreng ook vanuit alle fracties, die goede en waardevolle aanvullingen gedaan hebben, is er een soort procesordevoorstel in meerderheid door de aanwezige raadsleden. Wat ons betreft is dat voor nu voldoende en wij gaan dus ook vanavond, zoals gezegd, geen inhoudelijke vragen stellen. Dus het procesvoorstel staat overeind en volgens mij gaan we het zo doen. De voorzitter: Dank u wel, meneer Franssen. Meneer Maassen, GroenLinks. Ik heb ook u horen zeggen dat u inhoudelijk niet heel veel ging zeggen, maar ik ga u toch de kans geven. De heer Maassen: Wij maken inderdaad geen gebruik van de inhoudelijke rondes en ik denk dat het verstandig is om in het presidium de vervolgstappen vast te gaan stellen. De voorzitter: Dank u wel, meneer Maassen. Dan geef ik het woord aan de heer Breugelmans, CDA. De heer Breugelmans: Ik sluit me graag aan bij de voorgaande sprekers. Dank u wel. De voorzitter: Dank u wel. Demokraten Swalmen. De heer Julicher, denk ik? De heer Julicher: Ja. Dank u wel voorzitter.

Als Demokraten hebben wij de meerderheid plus één als beslissingsmoment en meneer Franssen geeft het duidelijk aan, dus wij sluiten ons daarbij aan. Door de projectgroep, of door het college, zijn een aantal doelen gesteld, zoals dat we een sluitende meerjarenbegroting gaan krijgen, dat we een bijpassend eigen vermogen of reserve gaan opbouwen en dat we na de pandemie een stabiliserende maatschappij voor Roermond en voor de burgers gaan doen. Dat we daar ook onderliggende stukken over hoe je dat gaat doen en hoe je dat gaat realiseren, bij krijgen is heel duidelijk en daar wachten wij ook op.

26 Vlak voor de schorsing maakte de heer Coenen van de SPR een opmerking die ons intrigeerde. Hij zei: ik vraag me af waarom bijvoorbeeld niet de wethouder voor financiën als crisismanager optreedt en deze groep leidt. Dat is ook de vraag die ik nu aan de betreffende wethouder, c.q. het college, wil stellen. Is daar een duidelijk reden voor en kunnen jullie die hier neerleggen? En ten tweede: is het besluit om het te doen zoals jullie het nu doen een unaniem collegebesluit, zodat we met z’n allen dezelfde kant uit kijken? Dit zijn de enige twee vragen die ik op dit moment heb, zonder op de inhoud in te gaan. De voorzitter: Dank u wel, meneer Julicher. VVD, de heer Zwijnenberg. De heer Zwijnenberg: Ja, voorzitter, dank u wel. De omstandigheid dat mijn voorgangers niet op de inhoud wensen in te gaan belet mij niet er iets anders tegenaan te kijken. Ik heb in de raadsvergadering van vorige week, met een verlenging voor de maandagavond, 15 april een aantal keren bewust aangeduid als de grote verrassingsdag. Ik kan u vertellen dat voor de VVD-fractie de grote verrassingsdag is geëindigd in een mokerslag, en die mokerslag komt bijzonder hard aan. Als je namelijk kijkt naar de twee plaatjes die ons zojuist zijn voorgeschoteld, dan hebben we aan de inkomstenkant een enorme slag te maken: vanaf 2022 moet er zo’n 2 miljoen aan inkomsten bij, vanaf 2023 wordt dat 3 miljoen.

We moeten constateren dat van de beoogde bezuinigingsslag die samenhing met de organisatieontwikkeling van 2 miljoen euro ook maar 50% wordt gerealiseerd, want vanaf 2024 moet daar een miljoen euro bij. Mijn fractie heeft ook geconstateerd dat in 2022 10 miljoen – u hoort het goed: 10 miljoen – vanuit de reserve sociaal domein moet worden toegevoegd aan de algemene reserve, en dan moeten we constateren dat de algemene reserve ondanks de toevoegingen in 2021 nog met 2,3 miljoen onderuit gaat en dat we vanaf 2022 dan inderdaad iets boven het minimumniveau van de algemene reserve uitkomen. Daarbij moet echter wel worden bedacht dat er 10 miljoen vanuit het sociaal domein moet worden toegevoegd. Met andere woorden: de 2 miljoen die we boven de minimumgrens van de algemene reserve uitkomen betekent dat er 8 miljoen, die er eigenlijk onderheen gedoken zou zijn, alleen al gecompenseerd wordt vanuit de algemene reserve. De jaren daarna moeten we ook nog aan de inkomstenkant gaan werken.

Ja, voorzitter, dat noem ik een mokerslag, en om te parafraseren op Einstein: kun je met de mensen die het probleem veroorzaakt hebben eigenlijk wel het probleem oplossen? Ik ben ontzettend benieuwd – en dat is een politieke vraag, dat realiseer ik me, want die vraag kun je namelijk aan het begin van het traject stellen en die kan de raad uiteraard in het raadsdebat kort voor de zomer opnieuw aan het college voorleggen – of het college die vraag voor zichzelf heeft beantwoord. Daar zou mijn fractie in ieder geval vanavond graag een reactie op willen hebben. Voorzitter. Onwillekeurig gingen mijn gedachten terug naar een van de eerste raadsvergaderingen in deze bestuursperiode, toen we kwamen te spreken over de schermutselingen die ontstonden rondom de samenstelling van de jaarrekening 2017. Ik heb toen, dacht ik, ook mijn eerste motie in deze raadsperiode ingediend, die unaniem door de raad werd gesteund, met het verzoek of onze rekenkamercommissie eens naar dat proces zou kunnen kijken. U herinnert zich ongetwijfeld nog de bijvangst die de rekenkamercommissie destijds heeft gedaan, en dat ging ook al over de doorzettingsmacht van het college, de inrichting van de ambtelijke organisatie, et cetera, et cetera.

Als je de afgelopen jaren bij willekeurig welk onderwerp een aspect van de bedrijfsvoering wenste te bespreken, zag je in feite telkens een college dat die bedrijfsvoering eigenlijk bij de raad vandaan wenste te halen, dus het probleem vooral aan zichzelf wilde binden, terwijl ik daarvan altijd gezegd heb: de raad bepaalt zelf in welke mate en in welke omvang hij zijn controlerende taakstelling wenst uit te voeren. Of dat te maken heeft met de situatie waarin we beland zijn, weet ik niet, maar ik denk dat je wel moet concluderen dat mogelijkerwijs niet de juiste vragen zijn gesteld vanuit het college richting de ambtelijke organisatie. En als ik het daarover heb, voorzitter, stel ik vast dat ik heel weinig gehoord heb over de fricties tussen het college en de ambtelijke organisatie, over

27 de samenwerkingsrelatie tussen het college en de ambtelijke organisatie. Zou het college dadelijk in zijn termijn daarop kunnen ingaan? Voorzitter. In de raadsvergadering van vorige week, uitgelopen naar maandagavond jl., hebben wij veel raadsvoorstellen behandeld zonder een passende dekking. En wat is ons in het vooruitzicht gesteld? Dat is de zogenaamde 2de begrotingswijziging. Volgens mij circuleert dat begrip ok al sinds december vorig jaar in onze kringen. Mijn vraag aan het college is dan ook: wanneer kunnen wij die 2de begrotingswijziging tegemoet zien? Dan de corona. De corona krijgt nu ook een bijzondere dimensie, want de corona wordt voor een deel ook als een probleem in ons midden gelegd. Ik kan me daar iets bij voorstellen. Als je een ‘x’ aantal jaren bestuurder bent, en de jaarlijkse cycli al voor de zoveelste keer hebt doorlopen, is het niet vreemd dat je jezelf op enige moment tegenkomt, want uiteindelijk word je met de gevolgen van je eigen beslissingen geconfronteerd. Aan de ene kant is de raad angstvallig buiten de bedrijfsvoeringsaspecten gehouden en aan de andere kant heeft corona denk ik wel inzichtelijk gemaakt wat de manco’s zijn van de organisatie.

Want er zijn veel mensen op dit moment thuis en waar je vroeger, omdat de systemen niet up to date waren, even bij je buurman of buurvrouw naar binnen liep, of een etage hoger, of een kamer links of rechts, om antwoord te krijgen op je vraag, is dat nu vanuit alle thuissituaties natuurlijk niet meer mogelijk. In die zin begrijp ik wel dat corona ons gelukkig ook het inzicht heeft geboden dat het de hoogste tijd wordt om ook in die ambtelijke organisatie aan de slag te gaan. Maar nogmaals: in mijn beleving bent u om de problemen heen gelopen in de voorbije jaren en had u die problemen dus eerder moeten oppakken. Als we het dan hebben over corona en de wens van het college om met het oog hierop, en met het oog op de herstart, dit al begin mei met de raad te bespreken, wil ik toch twee dingen gezegd hebben. Bij de begrotingsbehandeling is door mijn fractie een motie ingediend, ondersteund door de voltallige raad, met dank aan de collega’s, om de denktank al in beweging te zetten. Door collega Franssen is eraan herinnerd dat er vanuit de raad al eerder duidelijke signalen in de richting van het college zijn gegeven dat wij ook moeten gaan nadenken over de periode na corona. Ik breng graag in het midden dat de gemeente Venlo bijna alweer een jaar geleden een corona-impactanalyse heeft gemaakt.

De gemeente Velo weet al aan welke knoppen gedraaid moet worden om de lokale economie als eerste weer opgestart te krijgen. Voorzitter. Hoe dan ook, wij blijven een heleboel vragen hebben. Ik heb geen fractieoverleg gehad, maar ik ga ervan uit dat de stukken die er zijn – dan heb ik het nog even niet over het raadsvoorstel – ons in ieder geval op de kortst mogelijke termijn zullen bereiken, zodat wij ons fatsoenlijk kunnen voorbereiden en op een gelijkwaardige positie kunnen gaan bewegen als waarop het college al een aantal weken beweegt. Maar de kernvraag voor dit moment is, denk ik: kun je met de mensen die het probleem hebben veroorzaakt het probleem ook oplossen? Ik hoop op een duidelijk antwoord van het college. Dank u wel. De voorzitter: Dank u wel, meneer Zwijnenberg. Dan kom ik bij D66. De heer Kalthoff, neem ik aan? De heer Kalthoff: Ja, dank je wel, voorzitter. Wij zullen vanavond geen inhoudelijke vragen stellen, we zullen ook geen beschouwingen geven, want wij willen eerst het verhaal dat wij vanavond hebben gehoord laten bezinken, vervolgens op basis van het hele verhaal, dus inclusief alle stukken die we nog krijgen, een en ander goed bestuderen en bekijken wat wij ervan vinden.

Wat wij in ieder geval heel belangrijk vinden, is dat wij zorgvuldig met het proces omgaan, zorgvuldig in die zin dat wij zo snel als mogelijk de relevante stukken krijgen, het liefst voor begin mei uiteraard. Als die stukken al eerder bekend zijn, deel die dan vooral ook eerder met de raad, zodat de raad zo snel mogelijk in de gelegenheid wordt gesteld zich te verdiepen in de informatie. Zorgvuldigheid vinden wij dus belangrijk en dat wij als raad ook voldoende tijd hebben om de informatie tot ons te nemen. In die zin sluit ik me ook aan bij het procesvoorstel

28 dat door verschillende collega’s, waaronder ook een voorstel van onze eigen fractie, is ingebracht om de termijnen te eerbiedigen en ons voldoende tijd te geven om alles goed te laten bezinken. Daarom wil ik ook nog de volgende vraag stellen. Mevrouw Smitsmans gaf zojuist aan “we zijn in de gelegenheid om begin mei stukken te delen”. Mijn vraag is: zijn er misschien ook nog stukken die we al eerder kunnen ontvangen, zodat we die al eerder tot ons kunnen nemen? Daarnaast proef ik bij mevrouw Smitsmans ook het streven naar snelheid wat betreft het onderdeel corona. Als gemeente Roermond hebben we natuurlijk het coronafonds en er zijn daarnaast allerlei initiatieven ondernomen om zo goed mogelijk uit de coronacrisis te komen. Wat D66 betreft moeten we daarmee continu aan de slag gaan en zo snel mogelijk dingen doen om de kansen te benutten die de coronacrisis biedt. Waarom zeg ik dat? Mevrouw Smitsmans gaf zojuist aan dat ze het liefst de raadsvergadering in mei wil, met name vanwege de herstart corona. Ik wil daarom graag nog een nadere toelichting wat mevrouw Smitsmans dan bedoelt en waarom het noodzakelijk is om het toch in mei te doen. D66 zou liever iets meer tijd hebben om dit allemaal goed te bestuderen en zich vervolgens daarover ook een goed oordeel te kunnen vormen. De heer Franssen: Voorzitter? De voorzitter: Meneer Franssen, zegt u het maar.

De heer Franssen: Ik heb een vraagje aan collega Kalthoff. Hij noemde zojuist zijn eigen voorstel en ook de procesvoorstellen van een aantal andere fracties, die hij omarmde. Ik vraag me dan af waarom de heer Kalthoff nu toch weer aan het college gaat vragen waarom het in mei moet. Nee, laat ons nu als raad ‘the lead’ pakken, blijf bij je lijn en ga niet je oren weer laten hangen naar een collegestandpunt. Waarom blijft u niet bij dat sterke betoog dat u had en waarvoor we een meerderheid hebben dankzij de inbreng van verschillende fracties? Waarom gaat u nu toch weer uw oren naar het college laten hangen? De heer Kalthoff: Zo moet u het niet zien, meneer Franssen. Wat D66 belangrijk vindt, is dat we zo goed mogelijk door deze crisis komen, dat we niet stilstaan, maar kunnen doorpakken. Dat vinden wij heel belangrijk. Daarom triggerde mij de opmerking van mevrouw Smitsmans dat het, om tot die herstart corona te kunnen komen, toch noodzakelijk is om al in mei bijeen te komen. Maar ik ben het met u eens, als u zegt dat we als raad voldoende tijd moeten hebben om dit alles te laten bezinken, om schriftelijke vragen te stellen en om documenten te krijgen. Sterker nog: D66 wil die documenten het liefst zo vroeg mogelijk krijgen.

Maar ik wil gewoon een verduidelijking van mevrouw Smitsmans hebben van wat ze daar nou precies mee bedoelt, want op basis van wat ik gehoord heb kan ik onvoldoende beoordelen of het echt noodzakelijk is om het in mei te doen. Maar ik ben het volledig met u eens dat we zoveel mogelijk tijd moeten nemen om dit op een zorgvuldige manier te doen. Daar kunnen we elkaar volledig in vinden, meneer Franssen. Dit was het voor deze termijn, voorzitter. Dank u wel. De voorzitter: Dank u wel, meneer Kalthoff. Dan kom ik bij de heer Nizet van de SP. De heer Nizet: Ik heb niet zoveel woorden nodig als de vorige spreker. Inhoudelijk heb ik geen opmerkingen, want we hebben nu eenmaal ‘ja’ gezegd tegen het voorstel van de LVR. Hopelijk zal er al vóór mei wat naar ons toegestuurd kunnen worden, dat scheelt, maar verder geen opmerkingen. De voorzitter: Dank u wel, meneer Nizet. De heer Coenen, Stadspartij Roermond.

29 De heer Coenen: Dank u wel. Ik heb keurig het rijtje afgewacht om én over het proces én over de inhoud kort iets te kunnen zeggen. Over het proces. Toen ik de eerste woorden van de heer Franssen hoorde, dacht ik: ja, dit is het, de raad is aan zet en het college moet zorgen voor voldoende en tijdige informatie, zeker als ze die informatie al geruime tijd hebben, waar ik van overtuigd ben. Er moeten dan niet allerlei excuses worden gezocht door welke partij dan ook, vooral aan een bepaalde kant, om dat proces te verstoren. Als ik de heer Ben Peters hoor over het gunnen van tijd, denk ik dat hij daar gelijk in heeft. Waar het college al geruime tijd van te voren de bui heeft zien hangen, en wij nu de mokerslag te verwerken krijgen, zoals de heer Zwijnenberg het uitdrukte – en zo is het –, zijn er een aantal stappen nodig, met gelijk geïnformeerd zijn – zo werkt dat –, om niet meer van de ene verrassing in de andere te vallen. In de afgelopen raadsvergadering heb ik ook gezegd: laat me informatie liever eerder weten dan dat je het voor jezelf op een rijtje hebt, beste college. Daarstraks hebben we van de heer Pleyte het een en ander te horen gekregen over scenariodenken. Dat hoor je vooral in geval van een crisis, en dit ís een crisis. Er was ook een soort crisiswethouder aan het woord, zoals ik eerder zei. Het verdere verloop van een crisis is altijd onzeker.

Om die reden is het riskant om als crisisteam uitsluitend met de problemen in het hier en nu bezig te zijn. Om succesvol te zijn moet een crisisteam ook vooruit kijken en in scenario’s kunnen denken. Waarom dit soort woorden? Omdat wij daar ook mee van doen hebben. Maar hoe doe je dat als de tijdsdruk er vol op staat en er te weinig, te veel, of alleen tegenstrijdige informatie is? Dit komt uit de inlichtingenwereld. Dit scenariodenken zit bij het college tussen de oren, om ons op bepaalde momenten wel of niet informatie te geven. Nu zijn wij aan de bak en de informatie die het college al geruime tijd heeft moet het met ons gaan delen. En op het juiste moment komen wij met de juiste vragen en wordt ons de tijd gegund. Of dat dan past in een ander parallel proces, zoals een kadernota, dat zou mooi kunnen zijn, maar daar wordt dan maar naar gezocht, of je daarin kunt zwaluwstaarten, hoe je dat in elkaar past. Daar moet een weg in gevonden worden, meneer Breugelmans. Zo werkt het in het bedrijfsleven en zo kan dat hier in het proces ook. En dan het woord ‘corona’ als derde argument naast euro’s en uren. Het wordt me veel te vaak als een soort excuus gebruikt om bepaalde dingen weg te praten, of weg te schrijven. Natuurlijk, het zijn bijzondere tijden, en die gaan door.

Ik wil daar geen excuus meer in gevonden hebben, mevrouw Smitsmans, om te wachten op dat soort zaken, want dat wordt soms veel groter gemaakt dan het is, om het proces te verstoren. Natuurlijk: in de bedrijfsvoering moeten bepaalde zaken door blijven gaan, en die gaan door. Bij mijn vorige werkgever worden de pensioenen nog steeds iedere maand betaald. Alleen als een aantal problemen met een aantal beleidsmensen besproken moeten worden, kan dat soms via video of hoe dan ook lastiger zijn. Dat kan zo zijn, maar dit soort processen, nogmaals, voor de vierde keer: u heeft het een hele tijd aan zien komen wat hier stond te gebeuren en daarom moet u ook maar zo spoedig mogelijk met die informatie komen. En ik ben heel benieuwd, wat Einstein zegt: als je zaken op dezelfde manier oplost zoals je ze altijd zag, en wat mij betreft kun je daar ook de personen bij halen, dan krijg je de dingen die je kreeg. Dat was volgens mij zo’n beetje de uitspraak. Maar ik begrijp u volledig. Dat we hier n zwaar weer zitten, is duidelijk en daarvoor moet de raad tijd worden gegund n het procesvoorstel, zoals de her Franssen als eerste begon. Dat spreekt mij volledig aan en dat komt de raad ook toe. Dat was het. De voorzitter: Dank u wel, meneer Coenen. Dan kom ik bij de heer Leenheer. De heer Leenheer: Dank u wel, voorzitter. Ook ik heb geen verdere woordvoering.

Ik sluit me aan bij de vorige sprekers.

30 De voorzitter: Dank u wel. Dan ga ik het college de ruimte geven om te reageren. Wie van het college mag ik het woord geven? Wethouder mevrouw Smitsmans-Burhenne: Ik neem het woord, met uw goedvinden, voorzitter. De voorzitter: Mijn goedvinden heeft u in dit geval zeker. Wethouder mevrouw Smitsmans-Burhenne: Fijn, dank u wel. Laat ik beginnen met namens wie wij hier staan. Volgens mij ben ik daarmee begonnen aan het begin van deze avond, door te zeggen dat wij hier staan namens het voltallige college. Dat wij tweeën het zijn die hier staan komt door, laat ik het maar een toevallige samenloop van omstandigheden noemen. Je zit met z’n allen aan tafel, je hebt een aantal klussen te verdelen, wethouder Schreurs is volop bezig met de jaarrekening, waar hij ook zijn handen aan vol heeft, en wij hebben besloten met z’n tweeën, ondersteund door de ambtelijke organisatie, deze avond goed voor te bereiden. Dat hebben we in het college besproken en dat is de reden waarom wij hier staan, niet meer en niet minder. Dus zoek er vooral niks achter. Dit is zoals het gegaan is en dit is hoe u het moet interpreteren, niet meer en niet minder. Dus de vraag: staat het voltallige college achter wat hier gezegd is? Ja, dat is zo, meneer Julicher. De heer Zwijnenberg noemt het een mokerslag en dat snap ik.

Tegelijkertijd ben ik deze avond begonnen met te zeggen: als we terugkijken vanaf 2018/19, dan zie je wel dat er langzaam een aanloop is. We hebben de zorgen daarover met u gedeeld, u heeft er zelf over gesproken: de zorgen met betrekking tot de organisatie, de zorgen met betrekking tot de systemen, de zorgen met betrekking tot de financiële ontwikkeling, de zorgen die we hebben rondom de enorme taken die we van het Rijk overgeheveld hebben gekregen en waarvoor we met z’n allen aan de lat moeten staan, met een beperkte capaciteit, met een grote uitstroom, een aantal jaren geleden, van een hoop mensen met kennis, de 60+-regeling. Van dat alles bent u allemaal op de hoogte, daar bent u allemaal in meegenomen in 2019 en in 2020. We hebben er samen met u over gesproken en we hebben samen de zorgen gedeeld. Vóór corona – ik gebruik hem toch – hebben we gezegd: we moeten aan de slag, we waren aan de slag met de organisatieontwikkeling, daar moeten we vooral flink op doorpakken, we moeten efficiënter werken, we moeten effectiever werken, de systemen moeten beter op orde zijn. Dat alles hebben we met u gedeeld. Lees de begroting 2020 erop na, de letterlijke teksten staan erin. In die zin kunt u het een mokerslag noemen, maar u bent ook op de hoogte geweest. Dat corona roet in het eten gooit, is gewoon een werkelijkheid.

De stand van zaken zoals we die hadden in 2020 én corona maken gewoon dat het heel erg lastig en moeilijk is. Maar dat neemt niet weg, en dan kom ik ook meteen op mijn antwoord met betrekking tot Einstein, dat het college heeft gezegd dat we op de ingeslagen weg moeten doorgaan. De organisatie moet op orde, de systemen moeten op orde. En is dat aantrekkelijk, is dat sexy, een jaar voor de volgende verkiezingen? Nee, helemaal niet, maar hier staat een college met lef en met daadkracht. Nooit zal ons verweten kunnen worden dat wij alles met de mantel der liefde hebben bedekt, hebben gezwegen en hebben overgelaten aan een volgend college, dat het dan kan opruimen. Dat doen wij niet. Dus: willen wij het oplossen? Ja, wij willen het oplossen. Hebben wij een oplossing? Ja, wij staan hier vanavond en geven u de koers zoals wij denken dat die oplossing er is. Natuurlijk heeft u behoefte aan meer informatie en die gaat u ook zo snel als mogelijk krijgen. Ik hoop er nog steeds op dat wij samen op een constructieve wijze dat debat gaan voeren. U kunt er van alles van vinden, u mág er ook van alles van vinden, dat gaat u ook doen en u gaat ons kaders meegeven. Maar hier staat een college dat denkt een oplossingsrichting te hebben gevonden, en dat was niet makkelijk, dat kan ik u zeggen.

Het is veel makkelijker, als je grote zakken met geld hebt, om die uit te geven, maar die hebben we niet, die hebben we al jaren niet. Dankzij het Rijksbeleid hebben we zoveel over de schutting gegooid gekregen dat het heel erg moeilijk

31 is, voor alle gemeenten, om het hoofd boven water te houden. Daarin zijn wij niet uniek. Dat wij daarnaast nog een aantal andere zaken hebben met betrekking tot de organisatie op orde brengen en die systemen op orde brengen, maakt het voor ons echt wel lastig. Maar we pakken het aan en wij, zoals wij hier zitten, het voltallige college, geloven erin dat wij de oplossing hebben en daar gaan wij u van overtuigen. We gaan er echt onze stinkende best voor doen om u te overtuigen dat we die oplossing hebben. Vanwaar de spoed, vroeg de heer Kalthoff, en leg ons nog eens uit waarom mei? Nou, de herstart heb ik volgens mij nadrukkelijk uitgelegd. Zolang u niet besluit hoe wij die middelen kunnen besteden-, u heeft het budgetrecht, dat weet u, dus u zult moeten bepalen, u zult de kaders aan moeten geven voor hoe die middelen besteed mogen worden. Dat is aan u. Daarnaast hebben we de uitvoeringstoets. We hebben gesproken over de uren. Het gaat met name over de uren in 2021. In de begroting 2021 heeft u een aantal ambities gesteld. Die ambities zijn niet in overeenstemming met wat de organisatie kan leveren op dit moment. En dan kunnen we doen, wat we al jaren, nee: decennia, hebben gedaan: bij de jaarrekening constateren dat een hoop niet is uitgevoerd, en dan zeggen “o, o, u had beter moeten plannen, en het volgend jaar beter”.

Maar nu hebben we gezegd, ook weer met lef en met daadkracht: we willen het omdraaien, we gaan niet wachten tot de jaarrekening in het voorjaar van 2022 komt om terug te kijken wat we niet hebben gerealiseerd, nee, we halen nu de druk van de organisatie af, we maken keuzes, we leggen u keuzes voor, u kunt kiezen nu: wat gaan we wel doen, wat gaan we niet doen? Maar daarvoor moeten we nu wel de keuze maken en niet wachten tot september/oktober 2021, want dan is het jaar voorbij. Dit zijn dus argumenten waarom we zeggen: het heeft onze grote voorkeur om zo snel als mogelijk deze keuze te maken. Een paar keer is gezegd dat het college veel meer informatie heeft dan de raad. Nou, ik kan u zeggen dat het echt een enorme uitdaging is om de juiste informatie op het juiste moment boven water te krijgen. Ook dat heeft te maken met de systemen. Het nieuwe management dat we hebben graaft wat dieper dan wij gewend zijn en ze komen ook met een aantal vraagstukken, vraagstukken en vragen die ons gesteld worden waarvan we af en toe wel opkijken. Laten we daar ook eerlijk en transparant over zijn. Dat maakt dat sommige zaken wat nader uitgezocht moeten worden. U heeft er de afgelopen tijd een aantal concrete dingen van meegemaakt. Dus de suggestie dat wij al heel veel informatie hebben en alles op een rij hebben staan, is niet waar.

Ik zeg u – dat zei ik daarstraks al en ik zeg het nu weer – dat datgene wat wij in het college vaststellen aan informatie, voor u ter beschikking staat. Laat ik daarbij ook meteen de waarschuwing geven dat dan ook wel eens het risico bestaat van versnipperde informatievoorziening, week 1 document A en week 2 document B. Maar het is aan u. Wat wij vaststellen in het college is voor u ter beschikking, altijd, dat is nooit anders geweest. En om terug te komen op ons voorstel van “behandel het nu in mei en neem in mei besluiten”: als u zich daar niet toe in staat voelt, en u zegt dat die termijn te kort is, nogmaals: het is aan u. Wij gaan er niet over. Het enige wat wij kunnen doen, is proberen u te overtuigen dat het voor de stad Roermond beter zou zijn. Lukt het u niet, dan doen we het gewoon later. Zo simpel is het ook. Voorzitter. Volgens mij moet ik het hierbij laten. Dank u wel. De voorzitter: Mevrouw Smitmans, betekent dat ook dat dit het einde is van de beantwoording van de kant van het college in z’n geheel? Wethouder mevrouw Smitsmans-Burhenne: Ja, dat is zo. De voorzitter: Goed. Dan ga ik naar de commissie kijken. Wie heeft er behoefte aan woordvoering? Ik zie diverse handjes oplichten. Ik zal opnieuw het rondje maken en als u geen behoefte heeft, laat u het daarbij. De heer Franssen, LVR.

32 De heer Franssen: Voorzitter, ik blijf consistent. Wij luisteren. Sinds ons procesvoorstel hebben we geen inhoudelijke vragen voor vanavond. Ik wil wel nog een aanvullend procesvraagstuk neerleggen, dan hoef ik dat later niet meer via de mail aan de griffie te doen. Wij hechten waarde aan een volledig uitgeschreven tekst. Ik heb eerder al gevraagd om alle stukken, bijlagen, presentaties, uitgeschreven teksten, alles, alles, alles, maar ook willen wij een volledig uitgeschreven tekst van de vergadering van vanavond. Dat was het voor nu, voorzitter. De voorzitter: Uw verzoek is genoteerd, meneer Franssen. De heer Maassen, GroenLinks. Ik zie u nee schudden, ik neem aan dat dat betekent dat u geen behoefte heeft aan woordvoering. De heer Maassen: Dat is juist. De voorzitter: Dank u wel. Meneer Breugelmans, CDA. De heer Breugelmans: Vanaf deze zijde is, denk ik, alles gezegd, voorzitter. Ik denk dat we nu gewoon snel over moeten naar dat proces, en dat moeten de fractievoorzitters doen, dus ik zou zeggen: klaar. De voorzitter: Dank u wel. Meneer Julicher, Demokraten Swalmen. De heer Julicher: Wij hebben geen aanvullende woordvoering. De voorzitter: Dank u. De heer Zwijnenberg, VVD. De heer Zwijnenberg: Ik heb nog een paar opmerkingen, voorzitter. De wethouder geeft aan dat de raad op de hoogte is geweest.

Die opmerking staat eigenlijk loodrecht op mijn opmerking dat de raad angstvallig buiten de bedrijfsvoering is gehouden. Natuurlijk zijn er momenten geweest – kijk bijvoorbeeld naar het vragenrecht – waarop we wat meer informatie op dat vlak van de bedrijfsvoering van het college hebben ontvangen, maar het gaat mij te ver om te zeggen dat het college al haar zorgen met de raad heeft gedeeld. U heeft wellicht op bepaalde momenten uw bedenkingen kenbaar gemaakt, op de momenten die u zojuist heeft genoemd, in de begroting, in de jaarrekening, maar de mate waarin – ik heb dat in eerste termijn een mokerslag genoemd – heeft ons tot op heden niet eerder bereikt. En dan doen zich natuurlijk straks de vragen voor: zijn we juist geïnformeerd, zijn we tijdig geïnformeerd en zijn we volledig geïnformeerd? De wethouder spreekt over lef en daadkracht. Ik hoop dat dat het antwoord is op de vraag “kun je met de mensen die het probleem hebben veroorzaakt ook het probleem oplossen?” Ik hoop dat de wethouder met lef en daadkracht aan die probleemoplossing gaat werken. Alleen: de wethouder maakt gelijktijdig alweer een nuancering, van “ja, ik heb nog niet een integraal overzicht van de problematiek”. Als wij een nulsituatie met elkaar gaan definiëren, lijkt het mij wel van belang dat het college een volledige doorkijk heeft van de situatie waarin we als Roermondse gemeenschap zijn beland.

Vanuit dat lef en daadkracht, voorzitter, wil ik een oproep doen. De Roermondse samenleving zit natuurlijk op een oplossing te wachten. Onze burgers zullen met kromme tenen, denk ik, vanavond naar dit overleg hebben gekeken. Waar we, denk ik, niet naartoe moeten, is straks een raadsvergadering waarin het coalitie versus oppositie gaat worden als het gaat om de oplossingsrichting van het college. Ik vind dus ook dat het college meer dan anders, intensiever dan anders, op zoek moet gaan naar wat ons bindt. Ik roep dan ook het college op om de komende weken, vanuit het principe dat zij naar een raadsbrede steun op zoek is, de dialoog met deze raad op dit onderwerp verder aan te gaan. Dank u wel, voorzitter.

33

De voorzitter: Dank u wel, meneer Zwijnenberg. Dan kom ik bij de heer Kalthoff, D66. De heer Kalthoff: Dank u wel, voorzitter. Wij hebben geen behoefte aan een tweede termijn. De voorzitter: Dank u wel. De heer Nizet, SP. De heer Nizet: Wij hebben ook geen behoefte aan een tweede termijn. Alleen een applaus voor de heer Zwijnenberg, want zijn woorden klinken nog bij na. De voorzitter: Dank u wel. De heer Coenen, Stadspartij Roermond. De heer Coenen: Geen behoefte meer aan verdere woordvoering. De voorzitter: Dank u wel. De heer Leenheer. De heer Leenheer: Ik heb ook geen behoefte meer aan verdere woordvoering. Ik wil alleen even opmerken dat het nu om twee wethouders gaat, twee leden van het college, maar dat eigenlijk het hele college hier had moeten zitten. De voorzitter: Dank u wel. Dan kijk ik naar mevrouw Smitsmans en de heer Pleyte, of zij nog behoefte hebben aan een reactie. Wethouder mevrouw Smitsmans-Burhenne: Laat ik eerst even ingaan op de woorden van de heer Zwijnenberg. Hij citeert mij met lef en daadkracht, en daar ben ik de heer Zwijnenberg dankbaar voor, want wij doen niks liever dan met lef en daadkracht werken aan die oplossing. U doet een oproep om die oplossing raadsbreed te zoeken. Hier staat een wethouder, en hier zit een college, dat niks liever doet dan de voltallige raad overtuigen van datgene wat goed is.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Roermond&id=1dc38777-5cd1-4c27-9a95-1192458918f2