Bijlage3 - Meerjarenbaggerplan2022-2032
Tekst van het document
Meerjarenbaggerplan havens & waterpartijen periode 2022 – 2032
Gemeente Roermond Postbus 900 6040 AX Roermond In opdracht van gemeente Roermond opgesteld door:
Verantwoording
Titel
:
Meerjarenbaggerplan havens & waterpartijen
Subtitel
:
periode 2022 – 2032
Bestelnummer
:
PU17001206
Projectnummer
:
WBV1710.16
Documentkenmerk
:
WBV1706.16_R002_v5
Datum
:
1 september 2022
Auteur(s)
:
Joost Geraets
E-mail adres
:
joostgeraets@wbvadvies.nl
Contact
:
Joost Geraets WBV Advies Kapellerlaan 177 6045 AD Roermond T +31 (0)6 11 91 41 38 www.wbvadvies.nl
Pagina 2 van 44
Inhoudsopgave 1 1.1 1.2 1.3
Inleiding ......................................................................................................................... 5 Aanleiding .....................................................................................................................................5 Doel ...............................................................................................................................................5 Leeswijzer .....................................................................................................................................6
2 2.1 2.1.1 2.1.2 2.2 2.2.1 2.2.2 2.3 2.3.1 2.3.2 2.4
Areaalbeschrijving ......................................................................................................... 7 Te onderscheiden categorieën .....................................................................................................7 Havens ..........................................................................................................................................7 Waterpartijen .................................................................................................................................8 Weergave van de locaties per categorie .......................................................................................9 Havens ..........................................................................................................................................9 Waterpartijen .............................................................................................................................. 10 Nadere areaalbeschrijving per categorie ................................................................................... 12 Havens ....................................................................................................................................... 12 Waterpartijen ..............................................................................................................................
13 Uitgevoerde baggerwerkzaamheden vanaf 2008 ...................................................................... 14
3 3.1 3.2 3.3 3.4 3.5 3.6 3.7
Wetgeving en specifiek beleid .................................................................................... 15 Inleidend ..................................................................................................................................... 15 Waterwet .................................................................................................................................... 16 Keur en Legger .......................................................................................................................... 16 Wet bodembescherming ............................................................................................................ 17 Wet natuurbescherming / Beheerplan Natura-2000 Roerdal..................................................... 17 Besluit bodemkwaliteit................................................................................................................ 18 Gemeentelijk bodembeleid ........................................................................................................ 19
4 4.1 4.2 4.2.1 4.2.2 4.3
Uitgangspunten ........................................................................................................... 20 Werkwijze ................................................................................................................................... 20 Technische eisen (kwaliteitsambitie) ......................................................................................... 20 Havens ....................................................................................................................................... 20 Waterpartijen .............................................................................................................................. 21 Toekomstige omstandigheden ................................................................................................... 22
5 5.1 5.2 5.2.1 5.2.2 5.3 5.3.1 5.3.2
Weergave van de huidige staat .................................................................................. 24 Voorverkenning en voorbereidende werkzaamheden ............................................................... 24 Stand van zaken per categorie (kwaliteit) .................................................................................. 24 Havens ....................................................................................................................................... 24 Waterpartijen .............................................................................................................................. 25 Hoeveelheidsbepaling ................................................................................................................ 26 Havens ....................................................................................................................................... 26 Waterpartijen .............................................................................................................................. 27
6 6.1 6.2 6.3 6.4
Periodiek peilen/meten en baggeren .......................................................................... 29 Beheerplan Havens & Waterpartijen versus Meerjarenbaggerplan .......................................... 29 Nut en noodzaak van peilen/meten en baggeren nagaan ......................................................... 30 Intensiteit peilen/meten .............................................................................................................. 30 Opzet voorbereidende activiteiten uitvoering baggeren ............................................................ 32
7 7.1 7.2
Baggerprogramma en kosten ..................................................................................... 33 Risico gestuurd beheer baggerprogramma ............................................................................... 33 Uitgangspunten en prioritering ................................................................................................... 33
Pagina 3 van 44
Inleiding
7.3 7.4 7.5
Baggerprogramma voor de havens ........................................................................................... 34 Baggerprogramma voor de waterpartijen .................................................................................. 35 Totaal voorziene uitgaven meerjarenbaggerplan ...................................................................... 37
Bijlage 1: Overzichtstekening beheer havens en waterpartijen .................................................. 38 Bijlage 2: Overzichtstekening beheerindeling waterpartijen ........................................................ 40 Bijlage 3: Overzichtstekeningen dwarsprofielen en stuwpeilen waterpartijen ............................. 42 Bijlage 4: overzicht classificatie binnenvaartvloot door Rijkswaterstaat ..................................... 44
Pagina 4 van 44
1
Inleiding
1.1
Aanleiding
In vervolg op het vastgestelde beheerplan Havens & Waterpartijen omschrijft dit meerjarenbaggerplan de wijze waarop gemeente Roermond invulling en uitvoering geeft aan haar baggeropgave. Hierbij wordt aangegeven op welke moment en onder welke omstandigheden gemeente Roermond kan besluiten om tot een specifieke actie (initiatief) over te gaan. Wat zijn de argumenten, uitgangspunten en voorwaarden om het initiatief te nemen voor het uitvoeren van peil- en meetwerkzaamheden en/of om te baggeren, welk beleid ligt hieraan ten grondslag en hoe zijn de kosten opgebouwd? Een voorbeeld van een door gemeente Roermond te hanteren uitgangspunt in dit meerjarenbaggerplan is dat bij het voorbereiden en uitvoeren van diens baggeropgave de inwoners, ondernemers en overige gebruikers, met diens aan het oppervlaktewater grenzende eigendom of aanwezige belangen, zo min mogelijk hinder ervaren. De reden om tot uitvoering van baggerwerkzaamheden over te gaan kan voortkomen uit: 1. nautisch onderhoud (het op diepte houden van het oppervlaktewater voor de scheepvaart of voor het vereiste doorstroomprofiel); 2. onderhoud ter verbetering van de waterkwaliteit (ecologie en/of chemie); 3. de aanleg of wijziging van een werk. Dit zijn ingrepen die nodig zijn voor de realisatie van bijvoorbeeld infrastructurele werken (bruggen etc.) of recreatieve voorzieningen.
Onderhavig plan heeft betrekking op de door gemeente Roermond uit te voeren baggeropgave om invulling te geven aan het beheer van de havens en waterpartijen door deze te onderhouden (ad. 1 en 2). Indien baggerwerkzaamheden plaatsvinden ten behoeve van de aanleg of wijziging van een werk dan is de initiatiefnemer zelf aan zet. Onderhavig plan gaat hier (ad. 3) niet op in. Voor gemeente Roermond zal de aanleiding om te baggeren in hoofdzaak zijn voor het op diepte brengen en het op diepte willen houden van het oppervlaktewater voor de scheepvaart en/of voor het vereiste doorstroomprofiel (onderhoudsprofiel). In mindere mate zal het door gemeente Roermond uit te voeren onderhoud worden uitgevoerd ter verbetering van de waterkwaliteit. 1.2
Doel
In hoofdlijnen is dit Meerjarenbaggerplan bedoeld om: -
de huidige situatie (onderhoudstoestand) van de havens en waterpartijen in beeld te brengen (nulmeting); een aanpak te formuleren voor de langjarige peil- en meetwerkzaamheden en baggerwerkzaamheden; om de baggeropgave voor de komende jaren (tot en met 2032) in beeld te brengen qua omvang en kosten met een baggerprogramma en om vast te stellen op welk moment nut en noodzaak aanwezig is om tot actie over te gaan.
Op basis van een beschikbaar Beheerplan Havens & Waterpartijen 2017 – 2026 en de in dit plan opgenomen argumenten, uitgangspunten en voorwaarden wordt met dit Meerjarenbaggerplan het volgende bereikt: planmatige opzet voor de peil- en meetwerkzaamheden en baggerwerkzaamheden. Hierbinnen kunnen de volgende subdoelen worden onderscheiden: -
beheersbaarheid (planmatig werken); historische vastlegging (bagger- en bodemprofiel) en kwaliteitstoestand; inzicht verschaffen in de voorziene jaarlijkse kosten (meerjarenraming);
Pagina 5 van 44
Inleiding
-
1.3
aan kunnen geven aan derden in welke staat de oppervlaktewateren verkeren en wanneer peilen/of meetwerkzaamheden of baggeren is voorzien. Leeswijzer
Deze rapportage is als volgt opgebouwd: • Areaalbeschrijving (H2). • Wetgeving en specifiek beleid (H3). • Uitgangspunten (H4). • Weergave van de huidige staat (H5). • Periodiek peilen/meten en baggeren (H6). • Baggerprogramma en kosten (H7).
Pagina 6 van 44
Areaalbeschrijving
2
Areaalbeschrijving
2.1
Te onderscheiden categorieën
Uitgangspunt voor het in dit plan opgenomen areaal is het Beheerplan Havens & Waterpartijen 2017 – 2026 en de in 2017 tot en met 2022 aanvullend verkregen en verzamelde gegevens bij het opstellen van onderhavig plan voor de periode 2022 - 2032. In de oppervlaktewater(en) in het buitengebied van Roermond liggen enkele beperkte grondeigendommen van de gemeente die zich bevinden in het beheersgebied van Rijkswaterstaat (Maas), deze zijn niet meegenomen. Het door de gemeente te onderhouden areaal wordt opgedeeld in de volgende categorieën: A. havens B. waterpartijen (binnenstedelijk oppervlaktewater: Maasnielderbeek, vijvers Hattem e.d.) Andere ‘natte’ oppervlaktes, zoals retentiebassins, wadi’s of andersoortige locaties waar bodeminfiltratie plaats kan vinden in de vorm van een aangelegde (civieltechnische) infiltratievoorziening vallen onder het rioolbeheer. De nadere uitleg per te onderscheiden categorie volgt in deze paragraaf. Bijlage 1 bevat de overzichtstekening van het areaal aan havens en waterpartijen. De weergave en beschrijving van de afzonderlijke locaties binnen een categorie (type oppervlaktewater in het areaal) binnen de gemeente komt in paragraaf 2.2 aan bod. 2.1.1
Havens
De havens kunnen worden opgedeeld in industriehavens en recreatiehavens. De Schippershaven (H1A), Lisbonnehaven (H1C) en Mijnheerkenshaven (H1D) zijn in gebruik als industriehaven. Aan en nabij deze industriehavens zijn bedrijven gelegen die voor hun bedrijfsvoering gebruik (kunnen) maken van de haven(faciliteiten). De harde kades in de havens zijn grotendeels in eigendom van bedrijven. Deze worden niet door gemeente Roermond beheerd. De Roerhaven (H2) en La Bonne Aventure inclusief Steelhaven (H3) zijn in gebruik als recreatiehaven en vallen onder het gemeentelijk beheer. In het Beheerplan Havens & Waterpartijen 2017 – 2026 zijn vermeld de Steelhaven (H3) en Maashaven (H1B) als “alleen grondeigendom”. De Steelhaven (jachthaven "Het Steel") was in gebruik als recreatiehaven door Steelhaven B.V. Vanwege de ontwikkelingen rond Roerdelta maakt de Steelhaven nu wel onderdeel uit van het meerjarenbaggerplan. De Maashaven was in het verleden in gebruik als recreatiehaven en in beheer van gemeente Roermond. De gemeenteraad van Roermond heeft in zijn vergadering van 14 juli 2016, voor het niet meer in beheer zijnde deel van de Maashaven, het bestemmingsplan ’Jachthaven Maashaven’ vastgesteld. Dit ten behoeve van het opnieuw inrichten van de Maashaven. Daaropvolgend is dit deel van de Maashaven in 2017 door Boulevard Nautique Roermond in gebruik genomen.
Boulevard Nautique Roermond is zelf voor het beheer van de haven verantwoordelijk. Zodoende maakt het aan Boulevard Nautique Roermond overgedragen deel van de Maashaven geen deel meer uit van het gemeentelijk beheer.
Pagina 7 van 44
Areaalbeschrijving
Afbeelding 2.1: Areaal Maashaven (links) die niet in beheer is van gemeente Roermond en de Steelhaven (rechts) die wel in beheer is van de gemeente Roermond.
2.1.2
Waterpartijen
In de zestig- en zeventiger jaren zijn in Roermond-Oost de vijvers van de Maasnielderbeek aangelegd. Over het algemeen zijn de vijvers voorzien van een afsluitende kleilaag van een halve meter dikte. De vijvers worden gevoed door regenwater en (kwel)water uit het stroomgebied van de Maasnielderbeek en hebben geen contact met het grondwater. Later hebben binnen de gemeente Roermond meer veranderingen plaatsgevonden door de aanleg van of uitbreiding van woonwijken in Herten, Merum, De Wijer, Dennemarkenhof et cetera en door aanleg of aanpassing van de verkeerswegen, bijvoorbeeld de A73 met diens op- en afritten. Bij de aanleg- en uitbreidingswerkzaamheden is het areaal van de waterpartijen toegenomen door de aanleg of aanpassing van watergangen. Deze natuurlijk of (meestal) gegraven oppervlaktewater (of combinatie ervan) vervullen een rol in de watertransport- en de waterbergingsfunctie. Tevens heeft dit oppervlaktewater een belangrijke visuele functie en een ecologische functie. Een waterpartij kan als een watergang worden gezien waarbij haar profiel (legger) is vastgelegd. Deze categorie is onderdeel van het beheersgebied van Waterschap Limburg waarbij het waterschap verantwoordelijk is voor de waterkwaliteit en doorvoercapaciteit van de watergang waarbij conform de overeenkomst uit 1989 de vijverpartijen in beheer zijn bij de gemeente Roermond.
Pagina 8 van 44
Areaalbeschrijving
2.2
Weergave van de locaties per categorie
2.2.1
Havens
De industriehavens in Roermond zijn geschikt voor schepen met CEMT-klasse IV. Binnen CEMT-klasse IV vallen schepen die maximaal 105 m lang en 9,50 m breed zijn en een maximale diepgang kunnen hebben van 3,0 meter (geladen). Voor de industriehavens is een gegarandeerde nautische diepte (streefdiepte) van 3,5 meter vastgelegd (ten opzichte van het stuwpeil) waardoor slechts een kielspeling van 0,5 meter beschikbaar is. Het hanteren van een ruimere kielspeling, die 1,0 meter bedraagt, is gewenst. Het verdiepen van Roermond haar havens is niet voorzien en zou forse investeringen vergen. Voor de industriehavens in Roermond is een onderhoudsdiepte van 12,50 m+ NAP bekend (= 4,25 m diepgang geladen). Dit betekent dat als in een industriehaven baggerwerk wordt uitgevoerd dat de industriehaven wordt gebaggerd tot deze vastgestelde onderhoudsdiepte. Tabel 2.1: Areaal havens Havens (bij stuwpeil 16,75 m+ NAP) Nummer Beschrijving
Diepgang [m] (onderhoudsdiepte)
Diepgang [m +NAP] (onderhoudsdiepte)
Breedte [m]
Lengte [m]
Oppervlakte [m²]
4,25 4,25
12,50 12,50
108 62
840 480
83.400 * 26.600 *
4,25
12,50
77
565
49.100 *
Industriehavens H1A H1C
Schippershaven Lisbonnehaven
H1D Mijnheerkenshaven Recreatiehavens H2
Roerhaven (vanaf Maas tot Stenen Brug)
2,00
14,75
24
550
14.291 **
H3
Haven La Bonne Aventure / Steelhaven
2,50
14,30
96
700
67.400 *
* Zoals door IGL BV in november 2017 bepaald. ** In 2021 is het areaal van de Roerhaven uitgebreid als gevolg van een aanpassing aan de Looskade als onderdeel van het project ‘N280 wegvak Roermond’.
In het Beheerplan Havens & Waterpartijen 2017 – 2026 is aangegeven dat de oeververdedigingen deel uitmaken van de beheergroep Havens & Waterpartijen. Binnen de oeververdedigingen is onderscheid te maken in harde kades/oevers en natuurlijke oevers. De (harde) kades in de havens zijn eigendom van private partijen en worden dus niet door de gemeente beheerd (bron: Professionalisering havenbeheer Limburg, Blueports, 2014). De natuurlijke oevers (boven- en onderwatertaluds) kunnen wel deel uitmaken van de haven en indien deze tot het grondgebied (eigendom) van gemeente Roermond behoren, vallen deze wel in het gemeentelijke beheer. Hierbij dient te worden opgemerkt dat de onderwatertaluds veelal sowieso tot het gemeentelijke beheer behoren. Het groenonderhoud aan de natuurvriendelijke oevers is weggezet in de groenbestekken. In de havens bevinden zich daarnaast nog verkeersborden t.b.v. de scheepvaart. Deze bebording wordt meegenomen in de beheergroep verkeer. De havens in Roermond staan in verbinding met de Maasroute die een hoofdvaarweg is voor de scheepvaart in Europa. De Maasroute wordt op het moment door Rijkswaterstaat geschikt gemaakt voor grotere binnenvaartschepen (Klasse Vb). De Maasroute is de vaarroute van de Maas vanaf Weurt tot aan Maastricht die geschikt wordt gemaakt voor scheepvaart CEMT-klasse Vb; de zogenoemde tweebaks duwvaart.
Dit zijn schepen van 170 – 190 m lang, 11,40 m breed en een maximale diepgang van 3,50 – 4,00 m (geladen). Rekening houdende met een te hanteren factor van 1,4 voor de veiligheidsmarge (kielspeling) is voor de vaargeul van de Maasroute een waterdiepte voorzien van minimaal 4,90 meter. Voor informatie over onder andere de CEMT-classificatie wordt verwezen naar de Richtlijnen Vaarwegen 2017 van Rijkswaterstaat (versie december 2017, ISDN-nr. 978-90-9030674-2). In bijlage 4 is een
Pagina 9 van 44
Areaalbeschrijving
overzicht van de te hanteren classificatie van de binnenvaartvloot opgenomen en in afbeelding 2.1 is het vaarwegprofiel van de Maasroute schematisch weergegeven. Afbeelding 2.1: Schema vaarwegbodem Maasroute (bron Richtlijnen Vaarwegen 2017)
Bij het normale profiel dient de diepte van een vaarweg ten minste een factor 1,4 maal de diepgang van het stilliggende, geladen maatgevende schip te bedragen ten opzichte van de Maatgevende Lage Waterstand. Bij een diepgang van 3,5 meter dient de diepte van een vaarweg 4,9 meter te bedragen. De haven heeft bij voorkeur dezelfde waterdiepte als de aansluitende vaarweg. De kielspeling in een haven moet, gezien de eroderende kracht van (boeg-) schroeven, ten minste 1,0 meter zijn, ongeacht het al dan niet aanwezig zijn van de bodem- en oeverbescherming. Indien in een haven een diepgang van 3,5 meter dient te worden gegarandeerd, omdat de haven geschikt moet zijn voor CEMT-klasse Vb, dan is het wenselijk om de waterdiepte in de haven, rekening houdende met een vereiste kielspeling van 1 meter, minimaal 4,5 meter te laten bedragen.
2.2.2
Waterpartijen
Waterpartijen (vijvers) De locaties die onderdeel zijn van dit type en de omvang ervan, welke in het Beheerplan Havens & Waterpartijen 2017 – 2026 staan opgenomen, zijn in onderstaande tabel weergegeven.
Pagina 10 van 44
Areaalbeschrijving
Tabel 2.2: Areaal waterpartijen (incl. vijvers) * Waterpartijen (incl. vijvers) Beschrijving Waterpeil Nummer [m+ NAP]
W1
Vijvers Hattem-West
Onderhoudsdiepte [m+ NAP] (bodemdiepte excl. geul)
Breedte [m]
Lengte [m]
Oppervlakte [m²]
17,32 **
16,10 – 16,30 **
32
151
4.822
W2
Hattem-Oost Maasnielderbeek
18.30 **
16,10 – 16,60 **
16
362
5.757
W3 W4
Heidebaan Olieslagerstraat
21,70 21,70
21,14 21,14
15 20
658 308
10.192 6.210
W5 W6
Gebroek Lindelaan
21,70 21,70
21,15 20,54
15 31
644 227
9.407 6.949
W7 W8
Gebroeklaan Schaatsvijver
21,70 21,08
20,54 20,00
25 32
281 703
6.923 22.736
W9 W10
Kerkeveld Spikkerhoven
21,08 21,08
20,43 20,40 **
14 6
792 449
11.019 2.474
W11 W12
Hoogvonderen Sint Wirosingel
21,85 21,60
21,16 20,30 **
14 15
340 683
4.908 10.298
W13 W14
De Wijher Dennemarken
21,08 20,33
20,50 19,60
17 9
773 805
13.274 7.165
* gegevens afkomstig uit het Beheerplan Havens & Waterpartijen 2017 – 2026 met uitzondering van ** ** gegevens zoals bepaald op basis van de uitgevoerde meetwerkzaamheden in 2017.
De waterpartijen kunnen worden onderverdeeld in de waterpartijen: vijvers Hattem (W1 en W2) en waterpartijen Maasnielderbeek (W3 t/m W14). In het Beheerplan Havens & Waterpartijen 2017 – 2026 is aangenomen dat in de waterpartijen W1 t/m W14 waterplanten aanwezig zijn. Om een goede doorstroming en afvoer van hemelwater te kunnen garanderen is onderhoud aan de waterplanten noodzakelijk (snoeien en verwijderen). Dit onderhoud gebeurt op reguliere basis vanuit het groenbeheer. De in het Beheerplan Havens & Waterpartijen 2017 – 2026 genoemde objecten die zich bevinden in de waterpartijen, zoals (vis)steigers, maken gezien de aard van de constructie deel uit van het beheerplan kunstwerken en blijven in dit plan verder buiten beschouwing. De waterpartijen zijn onderling verbonden waarbij gebruik wordt gemaakt van duikers. Daarnaast hebben zowel de gemeente Roermond als Waterschap Limburg een aantal stuwen in beheer met als doel het oppervlaktewaterpeil te reguleren. Voor meer informatie omtrent de regulering van het oppervlaktewater wordt verwezen naar het beheerplan. Voor de duikers en stuwen van gemeente Roermond wordt eveneens verwezen naar het beheerplan kunstwerken en blijven in dit plan verder buiten beschouwing met uitzondering van het verwijderen van het slib in de duikers dat onderdeel is van het onderhoudsbaggeren.
Voor de harde oevers is het beleid, voor zover in gemeentelijk beheer, deze indien mogelijk om te vormen naar natuurvriendelijke oevers (natuurlijke oevers). Harde oevers kunnen een beschoeiing hebben die bestaat uit hout, kunststof, staal en/of beton. De beschoeiingen van hout en kunststof worden genoemd in het eerder genoemde Beheerplan Havens & Waterpartijen 2017 – 2026. De kwaliteit van de nog aanwezige perkoenpalen is dusdanig dat deze de komende jaren vervangen of omgevormd moeten worden. Waar mogelijk in de vorm van een natuurlijke oever of anders door houten of kunststof oeververdediging. Onder harde oevers (oeververdediging) vallen ook aanwezige kademuren (staal, beton, metselwerk). Gezien de aard van de constructie zijn de harde oevers opgenomen in het beheerplan kunstwerken. Ook de in het Beheerplan Havens & Waterpartijen 2017 – 2026 genoemde objecten, zoals aanlegvoorzieningen, maken gezien de aard van de constructie deel uit van het beheerplan kunstwerken.
Pagina 11 van 44
Areaalbeschrijving
2.3
Nadere areaalbeschrijving per categorie
2.3.1
Havens
Industriehavens De industriehavens (Schippershaven, Lisbonnehaven en Mijnheerkenshaven) zijn aangelegd omstreeks 1970. De noordwestelijke oever ter hoogte van de Schippershaven en een oeverdeel van de Mijnheerkenshaven (tussen de haven en de Maas) is aangekocht door Staatsbosbeheer. De kades en aanlegsteigers in de havens worden onderhouden door de eigenaren of de huurders van de aanliggende percelen. Het onderhoud voor het op diepte houden (baggeren) wordt door gemeente Roermond gedaan voor zover deze onder gemeentelijk beheer vallen. Recreatiehavens De recreatiehavens die binnen het gemeentelijk beheer vallen zijn La Bonne Aventure, Steelhaven en Roerhaven. De havens La Bonne Aventure en Steelhaven zijn omstreeks 1960 aangelegd. In het verleden vond in de havenmond van de haven La Bonne Aventure een grote aanwas van slib plaats. Om de instroom van sediment te beperken dan wel te voorkomen is in 2008 een stroombaangeleider aangelegd. De Haven La Bonne Aventure wordt, gelet op de diepteligging van de stroombaangeleider, op een doorvaartdiepte van 2 meter gehouden. De Roerhaven is een dag-haven. Het primaire belang van de Roer is waterafvoer. De gemeente heeft een paar passantensteigers in de Roerhaven in beheer en boten kunnen overdag kosteloos aanleggen. Het is niet toegestaan om in de Roerhaven te overnachten.
Voor de gegevens over de diepgang en een te verwachten indicatie van de slibaanwas wordt verwezen naar tabel 2.3. Hierbij dient te worden opgemerkt dat deze indicatie een gemiddelde is voor de te verwachten slibaanwas in een haven. Lokaal kan onder andere als gevolg van het gebruik van de haven en stromingspatronen van het oppervlaktewater een andere slibaanwas optreden binnen een haven. Deze indicatie voor de te verwachten slibaanwas is bepaald op basis van informatie van in het verleden uitgevoerde baggerwerkzaamheden (verwijderde hoeveelheden) en de meetgegevens van de in november 2017 door IGL BV uitgevoerde peil- en meetwerkzaamheden. Hierbij uitgaande van een gemiddeld stuwpeil van 16,75 m +NAP. Tabel 2.3: Diepgang en indicatie slibaanwas havens Havens (bij stuwpeil 16,75 m +NAP) Nummer Beschrijving Streefdiepte Ingrijpdiepte
Onderhoudsdiepte m
Indicatie slibaanwas [cm]
m +NAP
m
m +NAP
m
m +NAP
13,25 13,25
3,50 3,50
12,85 12,85
3,90 3,90
12,50 12,50
4,25 4,25
5 2,5
13,25
3,50
12,85
3,90
12,50
4,25
5
Industriehavens H1A H1C
Schippershaven Lisbonnehaven
H1D Mijnheerkenshaven Recreatiehavens H2
Roerhaven (vanaf Maas tot Stenen Brug)
15,00
1,75
15,00
1,75
14,75
2,00
7
H3
Haven La Bonne Aventure / Steelhaven
14,75
2,00
14,75
2,00
14,25
2,50
2,5
Pagina 12 van 44
Areaalbeschrijving
2.3.2
Waterpartijen
Waterpartijen: Maasnielderbeek In de zestig- en zeventiger jaren zijn ten behoeve van de stadsuitleg een groot aantal vijvers in RoermondOost aangelegd. Over het algemeen zijn de vijvers voorzien van een afsluitende kleilaag van een halve meter dikte, duidelijke gegevens hierover ontbreken. Met betrekking tot het uitvoeren van onderhoud is dit een aandachtspunt. Er is dus geen contact met het grondwater, dat dieper zit dan de vijverbodems. De vijvers worden gevoed door regenwater en kwelwater uit het stroomgebied van de Maasnielderbeek. De vijvers Dennemarken, St. Wirosingel, Hoogvonderen en De Wijher worden in meer of mindere mate ook direct door kwelwater gevoed. Stuwpanden De vijvers in Roermond-Oost zijn via stuwen onderverdeeld in 4 stuwpanden. De vijverpanden zijn aangelegd voor water door- en afvoer. Daarnaast zijn destijds met het aanleggen van de vijverpanden overstortmogelijkheden voor het rioolstelsel gecreëerd. In 2007- 2008 zijn de overstorten op de waterpartijen verminderd en nieuwe bergingsvoorzieningen aangelegd. De waterpartijen dienen voor de gemeente ook als waterbuffer. Diepte waterpartijen De vijvers zijn over het algemeen niet dieper dan 0,5 tot 0,8 m. Door de meeste vijvers loopt een geul van ongeveer 1,5 m diepte. Deze geul dient om de vijvers leeg te laten. De vijvers hebben namelijk een inlaatmogelijkheid naar het riool.
Deze inlaatmogelijkheid is niet meer in gebruik en worden verwijderd vanuit het rioolbeheer. Tevens doen de geulen dienst als vluchtplaats voor vissen bij vorst of tijdens werkzaamheden aan de vijvers. De geulen liggen meestal op een afstand van minimaal 2 meter van de oever. De schaatsvijver en de vijvers Hattem en St. Wirosingel (gedeeltelijk) zijn gemiddeld dieper dan de andere vijvers. Functie waterpartijen De technische functie van de vijvers is tweeledig. Enerzijds hebben de waterpartijen een watertransportfunctie en anderzijds een waterbergingsfunctie. De eis voor de watertransportfunctie die aan de inrichting en het onderhoud van de vijvers gesteld kan worden is volgens het beheerplan bepaald op ten minste 3 m3 per uur en is overeenkomstig de afvoer over de regelbare stuwen van het waterschap. Globaal kan gesteld worden dat de doorvoercapaciteit van het afwateringsstelsel waartoe de vijvers behoren niet negatief beïnvloed mag worden. Dit houdt in dat de vijvers een waterdoorvoerstrook zonder belemmeringen met een natte dwarsdoorsnede van ongeveer 3 m² moeten hebben en dat alle duikers voldoende schoon moeten zijn. De benodigde capaciteit van de vijverpanden in relatie tot de riooloverstorten en de regelbare stuwen is als volgt vastgelegd: − −
bij een bui die éénmaal per 25 jaar voorkomt (35 mm neerslag in 45 minuten), dient de benodigde bergingscapaciteit 30.000 m3 te zijn, bij een bui die éénmaal per 100 jaar voorkomt (45 mm neerslag in 30 minuten), dient de benodigde bergingscapaciteit 41.000 m3 te zijn.
Dit is de hoeveelheid water die de vijvers in Roermond-Oost, door middel van een tijdelijke waterpeilstijging, moeten bergen omdat de afvoercapaciteit van de Maasnielderbeek samen met de Leigraaf beperkt is tot 3 m3/h. Bij een bui die eens in de honderd jaar voorkomt stijgt het peil in de schaatsvijver tot 21,55 m +NAP. Hiermee blijft het peil ruim onder de maximale waterstand van 21,90 m +NAP. Een overzichtskaart met daarop de waterpartijen en hun stuwpeilen is terug te vinden in bijlage 3. Waterpartijen: vijvers Hattem De vijver Hattem is de oudste gemeentelijke vijver. Op de topografische kaart van 1896 is bij het kasteel Hattem al een gracht aangegeven. In het begin van de zestiger jaren heeft deze vijver de huidige vorm gekregen tijdens de aanleg van het wandelpark Hattem. De vijver Hattem-West is omstreeks 1950
Pagina 13 van 44
Areaalbeschrijving
aangelegd. De zuidelijke vijver wordt gevoed door kwelwater. Beide vijvers zijn met elkaar verbonden door een leiding en vormen als zodanig de ‘Hattemlossing’ die uitmondt in de Hambeek. Van de duiker zijn inen uitstroomopening bekend. De noordelijke vijver is gelegen in een parkachtige omgeving met veel bomen. In de zuidelijke vijver bij het kasteel Hattem, is een monument geplaatst. Beide vijverpanden zijn met een rond 400 mm leiding verbonden ten behoeve van de waterpeilregulering. Deze leiding kruist de Maastrichterweg. Jaarlijks vindt ter plaatse van het kasteel Hattem bij het nationaal Indiëmonument een herdenkingsbijeenkomst plaats. Het is belangrijk dat deze vijver een nette uitstraling behoud. De ligging van de twee vijvers is in de bijlagen 1, 2 en 3 aangegeven. 2.4
Uitgevoerde baggerwerkzaamheden vanaf 2008
Vanaf 2008 hebben diverse baggerwerkzaamheden plaatsgevonden in de havens (zie tabel 2.4) op initiatief van de gemeente Roermond. Beschikbare informatie hiervan is in onderhavige paragraaf opgenomen. Deze informatie, zijnde alleen de beschikbare gegevens (bekende informatie), en de daaruit voortkomende hoeveelheden zijn ook gebruikt om een indicatie te geven voor de te verwachten slibaanwas en de baggeropgave voor de periode vanaf 2017. Tabel 2.4: Overzicht uitgevoerde baggerwerkzaamheden in de havens Havens (bij stuwpeil 16,75 m +NAP) Nummer
Beschrijving
Diepgang [m +NAP] (onderhoudsdiepte) Havens behorende bij het gemeentelijk onderhoud
Jaartal (of periode)
Maximale baggerdiepte [m +NAP]
Volume ** [m3]
Opmerking/toelichting
H1A H1C
Schippershaven Lisbonnehaven
12,50 12,50
2008 - 2010 onbekend
12,50 -
26.867 -
Gefaseerd gebaggerd. -
H1D H2
Mijnheerkenshaven Roerhaven (vanaf Maas tot Stenen Brug)
12,50 14,50
2010 2008 en 2020
12,50 14,50
4.280 3.854 (2008) 4.475 (2020)
In 2008 is door het waterschap bovenstrooms van deze locatie tot aan De Ster (brug) eveneens gebaggerd (tot 14,75 m +NAP en volume onbekend)
H3
Haven La Bonne Aventure
13,25
2009
14,80
8.034
-
Maashaven
12,50
2016
14,05
4.895
Noordzijde in 2008-2010 meegenomen met Schippershaven en in 2016 dit volume gebaggerd.
-
Steelhaven
14,25
onbekend
-
-
Destijds meegenomen met de Haven La Bonne Aventure
Lokaal is voor de aanleg van de stroombaangeleider destijds dieper gebaggerd. Overige havens die ooit door de gemeente zijn onderhouden (niet meer mee te nemen binnen het onderhoud)
* De baggerde volumes zoals deze bekend zijn (met eventuele onbekende uitgevoerde baggerwerkzaamheden en diens volumes wordt geen rekening gehouden). ** Destijds bepaald door het verschil te bepalen tussen in- en uitpeiling (in vaste m3).
Het voorgenoemde baggerwerk vond onder meer plaats om het achterstallig onderhoud aan te pakken. Bij het baggerwerk in de Roerhaven heeft gemeente Roermond destijds aangesloten op de door het waterschap in uitvoering zijnde werkzaamheden in 2009 ten tijde van de aanleg van een tweetal hoogwatersluisdeuren in de Roer. In de Maashaven heeft in 2016 destijds baggerwerk plaatsgevonden welke deel uitmaakte van een overdacht aan Boulevard Nautique Roermond. Het baggeren van de Roerhaven in 2020 is gedaan vanuit het beheerplan Havens & Waterpartijen 2017-2026 en de in 2018 ingestelde voorziening. De vijverpartijen van de Maasnielderbeek zijn gebaggerd in 2007 en 2008. Hierbij is circa 41.000 ton slib verwijderd. In 2020 en 2021 is in de eerste 2 fasen in totaal 10.645 m3 (circa 22.000 ton) slib verwijderd.
Pagina 14 van 44
Wetgeving en specifiek beleid
3
Wetgeving en specifiek beleid
3.1
Inleidend
Baggeren in het kader van onderhoud vindt plaats om een watergang op een gewenst profiel te houden. Dit borgt een waterafvoer, bergingscapaciteit, bevaarbaarheid voor de scheepvaart (om nautische redenen) en/of de uitstraling. Het gewenste profiel is vastgelegd door de waterbeheerder. Baggeren in een watergang kan ook worden uitgevoerd als 'saneringsmaatregel' waarbij verontreinigde baggerspecie wordt verwijderd om de chemische en/of ecologische kwaliteit van het watersysteem te verbeteren. Dit baggeren in het kader van een 'saneringsmaatregel' kan zowel binnen als buiten het gewenste profiel plaatsvinden. Als de uitvoering van werkzaamheden in of aan een watergang bedoeld is om deze een andere vorm en/of afmeting te geven, anders dan zoals vastgesteld, is geen sprake van onderhoudsbaggeren. Deze werkzaamheden betreffen dan een ingreep tot wijziging van de watergang, waarbij het gewenste profiel van de watergang opnieuw moet worden vastgelegd door de waterbeheerder. De beleidsmatige en wettelijke aspecten als gevolg van de wijziging van een watergang blijft in onderhavig plan verder buiten beschouwing. In onderhavig hoofdstuk komen de van toepassing zijnde beleidsmatige en wettelijke aspecten aan bod waarmee rekening mee dient te worden gehouden.
In tabel 3.1 is een niet limiterende opsomming genoemd voor activiteiten met diens van toepassing zijnde wet- en regelgeving als gemeente Roermond hierbij als initiatiefnemer fungeert. Tabel 3.1: Overzicht wet- en regelgeving Activiteiten
Wet- en regelgeving
Wijziging van / activiteiten binnen het beheersgebied van Rijkswaterstaat (bijvoor-
Waterwet
beeld haven)
Vergunning/ toestemming Vergunning / melding (8 / 4 weken)
Bevoegd gezag Rijkswaterstaat
Stoffen brengen in het oppervlaktewater het binnen beheersgebied van Rijkswaterstaat
Besluit lozen buiten in-
(bijvoorbeeld haven) als gevolg van bagge-
richtingen
Melding (4 weken)
Rijkswaterstaat
ren Wijziging van / activiteiten in overige water-
Waterwet en Besluit lo-
Vergunning / melding
gangen
zen buiten inrichtingen
(8 / 4 weken)
Werkzaamheden uitvoeren in of in de nabijheid van een watergang of waterkering Toepassen grond/baggerspecie op/in waterbodem Toepassen grond/baggerspecie op/in landbodem
Keur
(8 weken)
Waterschap Limburg
Besluit bodemkwaliteit
Melding (5 dagen)
Waterschap Limburg
Besluit bodemkwaliteit
Melding (5 dagen)
Gemeente Roermond
De (land)bodem roeren in een geval van ernstige bodemverontreiniging (buiten het
Vergunning
Waterschap Limburg
Wet bodembescherming
vastgestelde profiel van de watergang)
Beschikking op geval en saneringsplan (15 weken)
Provincie Limburg
Als bij de uitvoering van activiteiten sprake is van mogelijke negatieve effecten op beschermde
Wet natuurbescherming
Ontheffing / vergunning (26 tot 32 weken)
Provincie Limburg
natuurwaarden Handeling verrichten, gereguleerd in de ge-
Wet algemene bepa-
meentelijke algemene plaatselijke verorde-
lingen omgevingsrecht
ning
(Wabo)
Omgevingsvergunning (8 weken)
Gemeente Roermond
Pagina 15 van 44
Wetgeving en specifiek beleid
3.2
Waterwet
De Waterwet regelt in hoofdzaak het beheer van watersystemen, waaronder waterkeringen, oppervlaktewater- en grondwaterlichamen. De Waterwet stelt integraal waterbeheer op basis van de ‘watersysteembenadering’ centraal. Deze benadering gaat uit van het geheel van relaties binnen watersystemen. Denk hierbij aan de relaties tussen waterkwaliteit en -kwantiteit en tussen oppervlakte- en grondwater, maar ook aan de samenhang tussen water, grondgebruik en watergebruikers. Hiernaast kenmerkt integraal waterbeheer zich ook door de samenhang met de omgeving. Dit komt tot uitdrukking in relaties met beleidsterreinen als natuur, milieu en ruimtelijke ordening. In hoofdstuk 6 van de Waterwet worden regels gesteld aan handelingen in watersystemen, in de vorm van vergunningen en algemene regels. In beginsel zijn handelingen in het watersysteem vergunningplichtig. Ook alle vergunningen en ontheffingen die voortvloeien uit de Keur (verordening) van een waterschap zijn per definitie een watervergunning. Of handelingen (activiteiten) echt vergunningplichtig zijn, hangt met name af van de vraag of er voor die handeling vergunningvervangende algemene regels zijn vastgesteld. De algemene regels zijn opgenomen in het Waterbesluit, de Waterregeling of andere (deels) op de Waterwet gebaseerde algemene maatregelen van bestuur (AMvB's).
Ook in de verordeningen van provincies en waterschappen (Keur) kunnen algemene regels zijn opgenomen. Per handeling (de aard van de activiteit) dient dit apart na te worden gaan. Met name ten aanzien van het lozen van stoffen in een oppervlaktewaterlichaam zijn veel AMvB's met algemene regels vastgesteld. De drie Algemene regels voor lozingen (Lozingenbesluiten) sluiten als systematiek naadloos op elkaar aan en hebben elk een eigen doelgroep: Het Activiteitenbesluit is van toepassing op bedrijven (Wet milieubeheer inrichtingen); Het Besluit lozing afvalwater huishoudens beperkt zich tot particulieren. Het Besluit lozen buiten inrichtingen richt zich op het overige lozen, vanuit de openbare ruimte, van schepen. Voor een aantal doelgroepen zijn een aantal lozingen geregeld met specifieke besluiten, zoals bijvoorbeeld bij het toepassen van bouwstoffen in oppervlaktewater via het Besluit bodemkwaliteit. Het brengen van water in of onttrekken van water aan oppervlaktewater is in veel gevallen niet vergunningplichtig. Uitsluitend in de gevallen genoemd in artikel 6.16 van de Waterregeling is wel een watervergunning vereist. Voor het gebruik maken van rijkswaterstaatswerken zijn algemene, vergunning-vervangende regels opgenomen in het Waterbesluit en de Waterregeling.
Handelingen die weinig invloed hebben op de bergende of afvoerende capaciteit van de rijkswateren zijn vrijgesteld van de vergunningplicht. 3.3
Keur en Legger
Binnen de wettelijke kaders hanteert het waterschap een eigen beleid voor het waterbeheer. De belangrijkste regels staan in de Keur en de Legger. De Keur bevat gebods- en verbodsbepalingen die aangeven wat wel en niet mogelijk is en de verplichtingen die gelden ten aanzien van het beheer van het oppervlaktewater. Dit ter bescherming van waterkeringen, watergangen en bijbehorende kunstwerken. Onderdelen uit de Keur met betrekking tot het onderhoud zijn: -
het in stand houden van de vorm, afmetingen en constructie zoals die zijn vastgelegd in de legger; het voldoende vrij houden van de watergang voor aan- en afvoer van water; het vrijhouden of vrijmaken van de oevers binnen de beschermingszone voor het uitvoeren van buitengewoon onderhoud.
Als (bouw)werkzaamheden worden uitgevoerd in of in de nabijheid van een water of een dijk, heeft degene die dat wil doen een keurvergunning of keurontheffing van het waterschap nodig. Het waterschap onderzoekt hoe en wat de nadelige gevolgen zijn voor het oppervlaktewater of voor de dijken. Zijn de gevolgen acceptabel, dan wordt onder strikte voorwaarden een vergunning of ontheffing afgegeven.
Pagina 16 van 44
Wetgeving en specifiek beleid
Voor sommige werkzaamheden zijn algemene regels beschikbaar. Als aan deze regels wordt voldaan, is geen vergunning of ontheffing benodigd. De werkzaamheden moeten wel bij het waterschap worden gemeld. De volgende bepalingen uit de Keur zijn van belang: − −
De eigenaren zijn onderhoudsplichtig voor de secundaire wateren (waterpartijen). Op percelen gelegen aan primaire wateren, waarvan het onderhoud geschiedt door of onder toezicht van het waterschap wordt de specie ontvangen, die tot behoorlijk onderhoud uit de wateren wordt verwijderd.
De legger geeft de vorm, afmetingen en onderhoudsplichtigen van de wateren aan. Onderdelen uit de Legger met betrekking tot het onderhoud zijn: -
de vereiste afmetingen van het profiel van de wateren van insteek tot insteek; de beschermingszones op de aanliggende percelen; de onderhoudsplichtigen van de wateren.
Uitgangspunt voor het waterschap met betrekking tot het beheer en onderhoud is te handelen naar de regels zoals deze zijn vastgelegd in de Keur en de Legger. 3.4
Wet bodembescherming
Het hebben van een duidelijke grensafbakening tussen landbodem en waterbodem is van belang om te bepalen of de Wet bodembescherming van toepassing is of de Waterwet. De Wet bodembescherming is van toepassing als sprake is van bodem die zich buiten het van toepassing zijnde vastgestelde profiel bevindt en niet als oppervlaktewater kan worden aangemerkt. De Wet bodembescherming definieert een geval van bodemverontreiniging als een (dreigende) bodemverontreiniging die betrekking heeft op grondgebieden die vanwege die verontreiniging, de oorzaak of de gevolgen daarvan in technische, organisatorische en ruimtelijke zin met elkaar samenhangen. Met ‘oorzaak’ wordt gedoeld op een menselijk handelen of nalaten als direct gevolg waarvan de bodemverontreiniging is ontstaan .In artikel 1 Wet bodembescherming wordt een definitie gegeven van het begrip ‘geval van ernstige verontreiniging’. Dit is namelijk een geval van verontreiniging waarbij de bodem zodanig is of dreigt te worden verontreinigd, dat de functionele eigenschappen die de bodem voor mens, plant of dier heeft, ernstig zijn of dreigen te worden verminderd. 3.5
Wet natuurbescherming / Beheerplan Natura-2000 Roerdal
De Wet natuurbescherming vervangt sinds de in werking treden ervan in 2017 de Flora en faunawet, Natuurbeschermingswet 1998 en Boswet. Het bevoegde gezag voor de Wet natuurbescherming is de provincie. De wet is een uitwerking van het gebieden- en soortenbeleid. Enkele kernpunten van deze wet op hoofdlijnen zijn: − − − −
− −
De provincie wordt verantwoordelijk voor het tot stand brengen en in stand houden van een samenhangend landelijk ecologisch netwerk van natuurgebieden (de vroegere EHS); De aanwijzing van speciale beschermingszones (Natura 2000-gebieden) gebeurt door de minister; De bescherming van Europees beschermde gebieden en soorten zal niet wezenlijk gaan veranderen; Het aantal beschermde soorten zal in de nieuwe wet een hoger aantal soorten hebben waarvoor een vrijstelling geldt. De provincie bepaalt op basis van de lijst zoals opgenomen in de wet, welke soorten welk beschermingsregiem krijgen. In de wet is duidelijk omschreven hoe omgegaan wordt met plannen, projecten en andere handelingen in relatie tot Natura 2000-gebieden en beschermde soorten. In de wet zijn bepalingen opgenomen ten aanzien van schadebestrijding en faunabeheer.
Pagina 17 van 44
Wetgeving en specifiek beleid
Daarnaast hanteren waterschappen een gedragscode flora en fauna die, na het in werking treden van de nieuwe Wet natuurbescherming in 2017, middels het regelen van een verlenging nog steeds bruikbaar is. Hierdoor is het mogelijk om volgens een goedgekeurde gedragscode te werken, waardoor kan worden voorkomen dat telkens een ontheffing moet worden aangevraagd van diverse verbodsbepalingen ten aanzien van beschermde dieren- en plantensoorten. Bij het uitvoeren van werkzaamheden in en/of bij het oppervlaktewater dient rekening gehouden te worden met een eventuele aanwezigheid van beschermde dieren- en plantensoorten. Zodoende dient voorafgaande aan de werkzaamheden te worden geïnventariseerd of in en/of bij het oppervlaktewater beschermde soorten aanwezig zijn via uitvoeren en rapporten van een quickscan conform Wet natuurbescherming. Indien beschermde soorten worden aangetroffen, kan in bepaalde gevallen een ontheffing van de Wet natuurbescherming worden vereist. Vanuit de Wet Natuurbescherming is door de Provincie Limburg het Beheerplan Natura 2000-plan Roerdal vastgesteld. Met de voor de gemeente Roermond van belang zijnde beheersactiviteiten in het kader van het in stand houden van groen, wegen, riolering en havenbodem en andere vormen van huidig gebruik in en nabij het Natura 2000-plan Roerdal, is rekening gehouden met de inhoud ervan.
Verder moet de gemeente Roermond rekening houden met de vrijstellingsregels in het Natura 2000plan Roerdal bij vergunningverlening. In het hoofdrapport Natura 2000-plan Roerdal komt in hoofdstuk 7.5.4. het waterbeheer aan bod. Onder dit beheer valt het schonen van de bodem en het maaien van de oevers en onderhoudsstroken. Bij effect en beoordeling wordt echter voorgeschreven dat bij het uitvoeren van dit beheer gewerkt wordt volgens de richtlijnen van de gedragscode soortenbescherming van de Unie van Waterschappen. Hierdoor worden significant negatieve effecten voorkomen. In deze gedragscode staat geformuleerd hoe gewerkt dient te worden bij baggerwerkzaamheden. Voor aanvang dient door de initiatiefnemer/uitvoerende partij een ecologisch werkprotocol te worden opgesteld en door het waterschap te worden goedgekeurd, voordat de baggerwerkzaamheden van start gaan. Zodoende is dit huidig gebruik vrijgesteld van de Wnbvergunningplicht aangevuld met de gebied specifieke aanvullende voorwaarden. 3.6
Besluit bodemkwaliteit
Het Besluit bodemkwaliteit is van toepassing voor: -
het toepassen van bouwstoffen op de (water)bodem; het toepassen (alsmede het tijdelijk opslaan) van grond/baggerspecie op de (water)bodem; de kwaliteit van de uitvoering (Kwalibo), erkenningsplicht etc.
Het Besluit bodemkwaliteit (Bbk) stelt voorwaarden aan het toepassen van grond, baggerspecie en bouwstoffen op of in de bodem of in het oppervlaktewater. De meeste toepassingen van bouwstoffen, grond of baggerspecie meldt de initiatiefnemer bij het bevoegd gezag. Doel hiervan is het beschermen van de bodem en het oppervlaktewater in balans met ruimte voor maatschappelijke ontwikkelingen. Baggerspecie kan in een aantal situaties in het milieu verspreid worden onder het Besluit bodemkwaliteit. Het verspreiden van baggerspecie op het aangrenzend perceel is één van deze situaties, welke voor onderhavig plan relevant is. Voor het verspreiden van baggerspecie op het aangrenzend perceel geldt een criterium dat is gebaseerd op ecologische risico’s. De ecologische risico’s worden uitgedrukt in een msPAF (meer-soorten Potentieel Aangetaste Fractie). De msPAF geeft een indicatie over het deel van de bodemorganismen dat nadelige gevolgen kan ondervinden als gevolg van het aanwezige mengsel van verontreinigingen. Voor metalen is de norm gesteld op 50%. Voor organische verontreinigingen is de norm 20% (zie schema). Daarnaast zijn 5 stoffen individueel genormeerd. Voor het verspreiden op een aangrenzend perceel kunnen geen gebiedsspecifieke normen worden afgeleid. Er is een wettelijke plicht om onderhoudswerkzaamheden aan waterstaatswerken te gedogen (artikel 5.23 Waterwet).
De grondeigenaar of -gebruiker bij of in een oppervlaktewaterlichaam moet bij het onderhoud vrijkomende baggerspecie op zijn grond ontvangen (zie lid 2 van artikel 5.23 Waterwet). De gedoogplicht
Pagina 18 van 44
Wetgeving en specifiek beleid
om bij het onderhoud vrijkomende baggerspecie te ontvangen gaat niet in alle gevallen op. Als de oever bijvoorbeeld te smal is of als er bouwwerken staan, geldt deze plicht niet. De gedoogplicht kan ook op gronden rusten die niet direct aan het water liggen. Dit is het geval wanneer de direct aan het water gelegen gronden van te kleine omvang zijn om de specie te ontvangen. Dan geldt de gedoogplicht ook voor de daarachter gelegen gronden (bijvoorbeeld achter een voetpad). De gedoogplicht richt zich op specie dat vanwege regulier onderhoud van dat oppervlaktewaterlichaam wordt verwijderd. Onder de naam Kwalibo regelt het besluit eveneens de kwaliteit van de uitvoering van alle bodembeheeractiviteiten. De regels hebben tot doel de uitvoering van bodemwerkzaamheden te verbeteren onder meer door eisen te stellen aan de uitvoerders. Zo mogen werkzaamheden die onder Kwalibo vallen alleen worden uitgevoerd door erkende personen en bedrijven. Deze kunnen zich hiertoe certificeren of accrediteren. Een voorbeeld dat goed aansluit op de uit te voeren voorbereidende werkzaamheden om baggeren mogelijk te maken is de uitvoering van veldwerk bij milieuhygiënisch waterbodemonderzoek volgens Protocol 2003 van de Stichting Infrastructuur Kwaliteitsborging Bodembeheer (SIKB).
Dit protocol heeft tot doel de kwaliteit te borgen van veldwerk voor milieuhygiënisch in situ-onderzoek in een bodem of oever van een oppervlaktewaterlichaam. De bodem of oever van een oppervlaktewater-lichaam wordt in dit betreffende protocol als waterbodem aangemerkt. Voor een aantal specifieke werkzaamheden geldt als aanvulling op het bovenstaande een verplichting tot persoonsregistratie. Tegelijkertijd versterkt Kwalibo het toezicht en de handhaving door de overheid. Naast het Besluit bodemkwaliteit is er een Regeling bodemkwaliteit met daarin de uitvoeringsbesluiten en normatieve invulling van het bodembeleid. 3.7
Gemeentelijk bodembeleid
Binnen de gemeente Roermond is de Nota Bodembeheer Regio Maas & Roer 2011 – 2021 (gedeelte Roermond incl. bodemkwaliteitskaart) van toepassing welke de Raad van Roermond op 7 juli 2011 heeft vastgesteld. Het gaat hierbij in de bodemkwaliteitskaart om een beschrijving van de diffuse verontreiniging van de landbodem waarvoor de gemeente bevoegd gezag is. De bodemkwaliteitskaart heeft geen betrekking op (droge)waterbodems of grondwater. Oppervlaktewateren met diens waterbodem en puntbronnen worden aangemerkt als uitgesloten locaties. De bodemkwaliteitskaart bestaat uit drie verschillende kaarten: -
-
een puntbronnenkaart: deze geeft aan waar (mogelijke) puntbronnen binnen de gemeente Roermond zijn gelegen. Deze locaties maken geen deel uit van de bodemkwaliteitskaart. Er is geen kaart van deze locaties gemaakt omdat deze locaties kunnen wijzigen. een ontgravingskaart: deze geeft de beschrijving van de bodemkwaliteit per te onderscheiden zone. een toepassingskaart: deze kaart geeft aan welke eisen van toepassing zijn op het toepassen van grond en baggerspecie per te onderscheiden zone. De toepassingseis volgt (voor het generieke kader) uit de combinatie van de bodemfunctieklasse en de bodemkwaliteitsklasse van de ontvangende bodem, waarbij de strengste eis geldt.
De bodemkwaliteitskaart is opgedeeld in deelgebieden met elk een eigen indeling qua (diffuse) verontreinigingsgraad waarbij rekening is gehouden met de historie (verleden) van het gebruik van het desbetreffende deelgebied. Voor de ligging van de deelgebieden, de van toepassing zijnde bodemfunctieklassenkaart, ontgravingskaart en toepassingskaart en voor nadere informatie omtrent het gemeentelijke bodembeleid wordt verwezen naar de Nota Bodembeheer. Hierbij dient te worden opgemerkt dat momenteel de Nota Bodembeheer wordt geactualiseerd. Het te onderhouden areaal aan oppervlaktewater binnen onderhavig plan doorkruist de diverse te onderscheiden deelgebieden welke in gemeente Roermond aanwezig zijn. Dit betekent dat de bodemkwaliteit ter plaatse van de omliggende (aangrenzende) percelen van het oppervlaktewater een wisselende diffuse verontreinigingsgraad laat zien.
Pagina 19 van 44
Uitgangspunten
4
Uitgangspunten
4.1
Werkwijze
De nut en noodzaak voor het nemen van een besluit om meten en/of peilen en om te baggeren wordt bepaald op basis van gegevens waaruit kan worden vastgesteld dat het oppervlaktewater qua waterkwantiteit en/of waterkwaliteit niet voldoet of niet meer zal gaan voldoen. Hierdoor kan het nodig zijn om in te grijpen. De aard en omvang van dit ingrijpen en het keuzemoment van ingrijpen (ingrijpmaat) wordt gebaseerd op: -
het op diepte houden van oppervlaktewater(en) voor de scheepvaart (vaarwegprofiel); het behouden van voldoende doorstroomprofiel van oppervlaktewater(en); het realiseren van waterkwaliteitsdoelstellingen in het watersysteem.
Een oppervlaktewater waar specifieke eisen ten aanzien van waterkwantiteit en waterkwaliteit aan gesteld worden zal zonder het uitvoeren van beheer en onderhoud door natuurlijke processen zijn waterhuishoudkundige functie gaan verliezen. Oppervlaktewater kan dichtslibben met baggerspecie door afzetting van sediment en erosie. Ook ontstaat verlanding door het volledig dichtgroeien ervan met waterplanten en boomopstanden. Op den duur kan dit ook ongewenst visueel kwaliteitsverlies geven. Aan de hand van de meetgegevens dient in samenhang met een baggerprotocol en het te hanteren onderhoudsprofiel van de oppervlaktewateren het volgende te worden bepaald voor de periode 2022 – 2032: -
-
Op welk moment en hoe vaak is het meten van de baggerspecie noodzakelijk om de hoeveelheid aanwezige baggerspecie, de laagdikte en samenstelling van de baggerspecie en de waterdiepte te bepalen (meetprotocol)? wanneer en hoeveel zal gebaggerd moeten gaan worden?
In dit hoofdstuk worden de technische (kwaliteits-)eisen per te onderscheiden categorie voor de van toepassing zijnde thema’s beschreven zoals die in 2017 in beeld zijn gebracht. Deze situatie dient als basis voor het peilen/meten en/of om tot de uitvoering van onderhoud over te gaan. 4.2
Technische eisen (kwaliteitsambitie)
4.2.1
Havens
Een uitgangspunt van de ingreepmaat is dat het onderhoudsprofiel voldoende duidelijk is gedimensioneerd ter rechtvaardiging van de aanwezigheid van baggerspecie die voor verwijdering in aanmerking komt. Hierbij wordt gebruikt gemaakt van een baggerprotocol, waarbij de volgende criteria gelden: -
indien de diepgang niet meer voldoet aan de ingrijpmaat is noodzaak aanwezig om tot de uitvoering van baggerwerkzaamheden over te gaan; indien de gebruiker van het oppervlaktewater, zijnde de scheepvaart, hinder heeft door de aanwezigheid van lokale ondiepten is noodzaak aanwezig om ad hoc peil- en meetwerkzaamheden uit te voeren en daaropvolgend kunnen lokale baggerwerkzaamheden plaatsvinden.
Volgens het rapport ‘Richtlijnen Vaarwegen 2017’ moet de kielspeling voor een haven, gezien de eroderende kracht van (boeg-)schroeven, ten minste 1 meter zijn. Rekening houdende met de voor de Willem-Alexanderhaven van toepassing zijnde CEMT klasse IV en de daarbij behorende diepgang maatgevend schip (3,0 meter) bedraagt de te hanteren kielspeling slechts 0,5 meter. Omdat niet aan de gewenste kielspeling van 1,0 m kan worden voldaan is afwijken van een te hanteren ingrijpmaat niet aan te bevelen en is het uitvoeren van ad hoc baggeren om lokale ondiepten aan te pakken niet uit te sluiten. De
Pagina 20 van 44
Uitgangspunten
kans voor het optreden van het moeten ad hoc baggeren kan worden verkleind door periodiek peil- en meetwerkzaamheden uit te laten voeren. In afbeelding 4.1 is het vaarwegprofiel van de WillemAlexanderhaven schematisch weergegeven. Afbeelding 4.1: Schema vaarwegbodem Willem-Alexanderhaven (bron Richtlijnen Vaarwegen 2017)
4.2.2
Waterpartijen
Een uitgangspunt van de ingreepmaat is dat het doorstroomprofiel voldoende duidelijk is gedimensioneerd ter rechtvaardiging van de aanwezigheid van baggerspecie die voor verwijdering in aanmerking komt. Hierbij wordt gebruik gemaakt van de volgende criteria: -
De watergang mag tot 25% verondiepen, er moet een waterkolom van minimaal 75% (totaal)profiel aanwezig te zijn; Er mag een sliblaag van ten hoogste 30 cm aanwezig zijn; Indien, op basis van aanwasgegevens kan worden verwacht dat bij een daar op volgende beoordeling een sliblaag van meer dan 30 cm aanwezig zou kunnen zijn, wordt deze alsnog eerder gebaggerd.
De technische (kwaliteit)eisen worden in dit plan gevangen in de onderstaande thema’s: 1. Afmetingen (onderhoudsprofiel) De afgesproken te handhaven bodemdiepte is vastgesteld in het “basisniveau afmetingen”. Het te handhaven bodemprofiel voor de waterpartijen is bepaald ten tijde van de aanleg ervan (aanlegtekening) en/of op basis van een later met meetwerk vastgelegd onderhoudsprofiel. Voor het bepalen van de
Pagina 21 van 44
Uitgangspunten
sliblaagdikten en slibvolumes gaat de gemeente uit van de in 2017 door IGL BV vastgelegde situatie (nulmeting). Een aandachtspunt bij het baggeren van een oppervlaktewater tot op de vaste bodem vormt het potentiële risico dat aanwezig is dat er niet alleen baggerspecie, maar ook een deel van de vaste (klei-)bodem ongemerkt kan worden meegenomen bij het baggeren. Indien dit keer op keer gebeurt, wordt het aanwezige onderhoudsprofiel geleidelijk aan dieper en breder. Dit is niet wenselijk, omdat: -
de noodzaak hiervoor niet aanwezig is de kans bestaat op opbarsten van de bodem van het oppervlaktewater met ongewenst transport tussen oppervlaktewater en grondwater er meerkosten zijn door onnodige grotere hoeveelheden af te voeren baggerspecie
Daarom dient bij het baggeren van waterpartijen het baggeren met overdiepte (dieper dan het onderhoudsprofiel) te worden geminimaliseerd. Dit kan worden gerealiseerd door een geringe baggertolerantie te hanteren. Deze toegestane afwijking + of – ten opzichte van het onderhoudsprofiel dient passend te zijn voor het oppervlaktewater en de uitvoering van baggerwerkzaamheden bij het op diepte brengen. Voor de waterpartijen kan bijvoorbeeld veelal maximaal een baggertolerantie van + of – 10 cm ten opzichte van het onderhoudsprofiel worden gehanteerd. 2. Doorstroming / berging Om te kunnen voldoen aan de hemelwaterzorgplicht moet voldoende berging en doorstroming aanwezig zijn om (hemel)water te bergen en/of af te laten vloeien. In het verleden is vastgesteld dat de vijvers een doorstroomprofiel zonder belemmeringen met een natte doorsnede van 3 m2 moeten hebben. De minimale aanwezige breedte van de vijverpanden is 5 meter. Hiervan uitgaande dient de minimale waterdiepte 0,6 m te bedragen. Verder wordt opgemerkt dat retentiebassins en wadi’s onderdeel zijn van de (hemelwater)riolering. 3. Kwaliteitsniveau Het te behalen niveau voor de kwaliteit is afhankelijk van de functie.
Na uitvoering van de toetsing van het oppervlaktewater aan de thema’s van de technische (kwaliteit)eisen zal de nut en noodzaak blijken voor het moment van meten en/of het moment om tot de uitvoering van baggerwerkzaamheden (onderhoud) over te gaan.
4.3
Toekomstige omstandigheden
Op dit moment is voor het uitvoeren van peil- en meetwerkzaamheden en baggerwerkzaamheden geen structureel budget opgenomen in de gemeentelijke begroting. Dit terwijl deze werkzaamheden wel degelijk behoren bij een verantwoord beheer van de havens & waterpartijen. Verder moet de opzet van de exploitatie bekeken worden in het licht van de verdeling van taken en verantwoordelijkheden over de diverse beheergroepen heen en in samenspraak met derden.
Pagina 22 van 44
Uitgangspunten
Nut en noodzaak van baggeren De vorming van bagger is een natuurlijk proces waarbij afstervend plantenmateriaal en zwevend slib in de watergang bezinken. De vorming van bagger kan worden versterkt als er ook afslag van oevers plaatsvindt of in veengebieden oevers worden ingetrapt door het vee. De aanwezigheid van een natuurlijke niet verontreinigde baggerspecie biedt schuilgelegenheid aan organismen en is bij aanwezigheid van voldoende zuurstof zelfs gunstig voor de ontwikkeling van het ecosysteem. In sterk belaste systemen slaat overtollig organisch materiaal en nutriënten neer in de baggerspecie. Vanuit de baggerspecie kan ook weer worden nageleverd. De belasting van vervuild slib op de waterkwaliteit is over het algemeen beperkt. Bij grotere hoeveelheden of specifieke vervuilingselementen kan dit weer wel negatieve consequenties hebben op de waterkwaliteit. In dat geval is het ook noodzakelijk dat de vervuilingsbron (in zijn geheel) verwijderd wordt. Van oudsher worden watergangen periodiek gebaggerd om deze in stand te houden en om voldoende doorstroomprofiel te creëren voor de aan- en afvoer van water. Het besef dat er ook om redenen van waterkwaliteit gebaggerd moet worden is van recenter datum. Door onderzoek is gebleken dat baggeren en de daarmee gepaard gaande vergroting van waterdiepte gunstig is voor met name de ecologische waterkwaliteit.