Bijlage - ontwerp ruimtelijke onderbouwing herstructurering Schepen v. Hertefeltstraat
Tekst van het document
In voorliggend geval is echter sprake van een rustige woonomgeving.
Toetsing effecten van omliggende functies Een woning wordt beschouwd als hindergevoelige functie en om deze reden zijn hinderveroorzakende functies in de omgeving van het besluitgebied nader beschouwd. Aan de zuidwestzijde van het besluitgebied is een tuincentrum gevestigd. Deze locatie heeft de bestemming 'Gemengd' met een bouwvlak ter plaatse van de bestaande bebouwing. Conform de VNG brochure 'Bedrijven en milieuzonering' vallen tuincentra onder milieucategorie 2. Hiervoor geldt een richtafstand van 30 meter ten aanzien van het aspect geluid. De kortste afstand tussen de te realiseren woningen en het bestemmingsvlak van het tuincentrum bedraag ca. 40 meter. Hiermee wordt aan de richtafstand voldaan. Het aan de noordwestzijde gelegen autobedrijf (milieucategorie 2, richtafstand 30 meter op basis van geluid) ligt op meer dan 100 meter en is daarmee ook niet van invloed op het besluitgebied. Tevens wordt voor op grotere afstand gelegen tandartspraktijk en (winkel)voorzieningen ruimschoots aan de richtafstand van minimaal 10 meter conform de VNG brochure 'Bedrijven en milieuzonering' voldaan.
34
Herstructurering Schepen v. Hertefeltstraat
Conclusie Er wordt aan de indicatieve richtafstanden op basis van de VNG publicatie Bedrijven en milieuzonering ten opzichte van hinderveroorzakende functies voldaan. Verder geldt dat de realisatie van de woningen niet leidt tot nadelige milieueffecten op omliggende functies en er geen bedrijven in hun duurzame bedrijfsvoering worden geschaad. Immers geldt dat in de voorgaande situatie sprake was van een hinderveroorzakende schoolfunctie (richtafstand 30 meter) die wordt vervangen door woningbouw. Op grond van voorgaande wordt geconcludeerd dat vanuit het aspect 'Bedrijven en milieuzonering' sprake is van een goed woon- en leefklimaat en dat dit aspect geen belemmering vormt voor het planvoornemen.
4.8
Externe veiligheid
Wettelijk kader Bij de ruimtelijke planvorming moet rekening worden gehouden met het aspect externe veiligheid. Het externe veiligheidsbeleid richt zich op het voorkomen en beheersen van risicovolle bedrijfsactiviteiten en risicovol transport. Daarbij gaat het enerzijds om de risico's verbonden aan 'risicovolle inrichtingen', waar gevaarlijke stoffen worden geproduceerd, opgeslagen of gebruikt en anderzijds om het 'vervoer van gevaarlijke stoffen' via wegen, spoorwegen, waterwegen en buisleidingen. Het uitgangspunt van wet- en regelgeving en beleid ten aanzien van externe veiligheid is scheiding van kwetsbare functies en risicobronnen, waarmee men het volgende wil bereiken: bescherming van personen die zich bevinden in de nabijheid van een risicobron tegen de kans op overlijden ten gevolge van een ongeval met gevaarlijke stoffen of ten gevolge van een ongeval met een vliegtuig op of nabij een luchthaven; bescherming van de samenleving tegen het ontwrichtende effect van een dergelijk ongeval met een groot aantal slachtoffers. Om de mogelijke risico's in beeld te brengen is een inventarisatie rondom het besluitgebied uitgevoerd.
Herstructurering Schepen v. Hertefeltstraat
35
Uitsnede Risicokaart met besluitgebied bij licthblauwe contour Risicobronnen uit de omgeving zijn geïnventariseerd aan de hand van de Risicokaart. Op basis van de Risicokaart wordt geconcludeerd dat het besluitgebied op ca. 220 meter afstand van de hogedruk aardgastransportleiding Z-509-01 van de Gasunie en op ca. 540 meter afstand van de Provinciale weg N280 is gelegen. De rijksweg A73 is tevens op ca. 950 meter van het besluitgebied gelegen. Voornoemde aardgastransportleiding heeft een invloedgebied van 95 meter. De A73 heeft ter hoogte van het besluitgebied een invloedgebied van 880 meter. Het besluitgebied ligt op circa 220 meter van de aardgastransportleiding en daarmee dus buiten het invloedgebied van deze leiding. Verder ligt het besluitgebied op circa 950 meter van de A73 en daarmee dus ook buiten het invloedgebied van deze weg. Het besluitgebied is binnen het invloedgebied van de N280 gelegen. Daarnaast zijn de spoorlijnen Roermond-Weert, Roermond-Venlo en Roermond-Sittard in de directe omgeving van het besluitgebied gelegen. Deze spoorlijnen liggen op circa 850 meter van het besluitgebied. Het invloedgebied van de spoorwegverbindingen betreft 995 meter. Het besluitgebied is gelegen binnen de invloedgebieden van deze spoorlijnen.
Plaatsgebonden risico Het plaatsgebonden risico beschrijft de kans per jaar dat een onbeschermd individu komt te overlijden door een ongeval met gevaarlijke stoffen. Het plaatsgebonden risico wordt uitgedrukt in risicocontouren rondom de risicobron (bedrijf, weg, spoorlijn etc.), waarbij de 10-6 contour (kans van 1 op 1 miljoen op overlijden) de maatgevende grenswaarde is. Voor de aardgastransportleiding Z-509-01, de N280, de spoorlijnen Roermond-Weert, Roermond-Venlo en Roermond-Sittard en de A73 geldt dat het plaatsgebonden risico (PR) op de gasleiding dan wel de (spoor)weg zelf ligt en daarmee nergens groter is dan de grenswaarde van 10-6 per jaar. Het plaatsgebonden risico vormt uitgaande van het voorgaande geen belemmering voor het planvoornemen.
Ontwikkeling groepsrisico Conform de ‘Visie Externe Veiligheid Roermond’ (VEVR) dient het groepsrisico vanspoorlijnen Roermond-Weert, Roermond-Venlo en Roermond-Sittard en de N280 te worden verantwoord. Het besluitgebied is namelijk gelegen binnen zone IV (>300) meter ten opzichte van de genoemde transportassen. Bij zone IV dient alleen rekening gehouden te worden met de effecten van een toxische gaswolk. Indien een ruimtelijk plan in de zone IV tot toename van de personendichtheid leidt, betekent dat het groepsrisico niet significant zal toenemen, vanwege: de afstand tot de plaats van het mogelijke incident; de aard van incident (blootstelling aan toxisch gas); de reeds hoge personendichtheden binnen de gemeente Roermond nabij de grote risicobronnen. Echter in onderhavige situatie zal de personendichtheid zelfs afnemen ten opzichte van het gebruik van het besluitgebied in het verleden als school. Hoewel het groepsrisico ter plaatse van het besluitgebied ten gevolge van het planvoornemen niet significant zal toenemen, maar zelfs afnemen, is het besluitgebied gelegen in een gebied waar de gevolgen van een toxisch scenario nog merkbaar zijn. Hierom dient in het besluitgebied een luchtbehandelingsinstallatie voorzien te zijn van de mogelijkheid om deze installatie met één druk op de knop uit te schakelen.
Mogelijkheden tot beperking van het groepsrisico
36
Herstructurering Schepen v. Hertefeltstraat
De mogelijkheden tot beperking van het groepsrisico door maatregelen bij de risicobron zijn beschreven in de beleidsvisie externe veiligheid. De mogelijkheid tot beperking van het groepsrisico door het beïnvloeden van de personendichtheid is binnen het besluitgebied geen item, vanwege het gegeven dat de: toename van de personendichtheid geen significant effect op het groepsrisico heeft; kans op overlijden ten gevolge van een incident met gevaarlijke stoffen in dit gebied bijzonder klein is. De bestrijdbaarheid van de omvang van een ramp of zwaar ongeval Op deze afstand van de risicobron speelt het bestrijdbaarheidsvraagstuk niet of nauwelijks. De bestrijding vindt plaats bij de bron, op ruime afstand van het besluitgebied. Ten aanzien van de algemene mogelijkheden van de bestrijdbaarheid wordt verwezen naar desbetreffende onderdelen van de visie.
Mogelijkheden tot zelfredzaamheid Omdat blootstelling aan een toxisch gas het bepalende scenario is, biedt ‘schuilen’ de beste wijze van zelfredzaamheid. Schuilen vindt plaats binnen bouwwerken. De mate waarin deze bouwwerken afsluitbaar zijn tegen de indringing van toxisch gas en de tijdsduur dat deze bouwwerken worden blootgesteld, zijn hierbij parameters. Het besluitgebied wordt veelal alleen blootgesteld aan de gevolgen van een toxische gaswolk bij ‘optimale’ weersomstandigheden (bijvoorbeeld Pasquill-klasse F1.5: weinig vermenging met schone lucht), die gedurende het jaar procentueel weinig voorkomen. Bij bestaande bouwwerken worden geen aanvullende maatregelen getroffen om mogelijke indringing van toxisch gas te verminderen. Aanpassing van bijvoorbeeld oude woningen op dit punt is ingrijpend en kostbaar. Bij nieuwe bouwwerken is sprake van een steeds betere isolatie, welke zorgt voor een goede bescherming tegen het binnendringen van het toxische gas. Nieuwe gebouwen die voorzien zijn van een luchtbehandelingsinstallatie, waardoor het toxisch gas naar binnen kan worden gezogen dienen voorzien te zijn van mogelijkheden om dit systeem met één druk op de knop uit te schakelen. Daarnaast is het van belang dat bewoners tijdig gewaarschuwd worden.
Dit gebeurt door het in werking stellen van het WAS (Waarschuwing- en AlarmeringSysteem) als onderdeel van de algemene Rampenbestrijding of via Cell-Broadcast
Conclusie Op basis van vorenstaande wordt geconcludeerd dat het aspect 'externe veiligheid' geen belemmering vormt voor onderhavige ontwikkeling. De bestrijdbaarheid en zelfredzaamheid is in het kader van het groepsrisico in voldoende mate te verantwoorden.
4.9
Ecologie
Bij elk ruimtelijk plan moet, met het oog op beschermenswaardige natuurwaarden, rekening worden gehouden met de regelgeving op het gebied van gebiedsbescherming en soortenbescherming. Dit wordt geregeld in de Wet natuurbescherming die op 1 januari 2017 in werking is getreden. Het natuurbeschermingsrecht is verder te vinden in verdragen, Europese en nationale regelgeving en in nationaal en provinciaal beleid. Vanuit de Europese regelgeving wordt met name nadruk gelegd op de bescherming van plant- en diersoorten (Vogelrichtlijn) en leefgebieden (Habitatrichtlijn). Ten behoeve hiervan zijn dan ook diverse beschermingsgebieden aangewezen. De belangrijkste beschermingszones zijn Natura 2000-gebieden. Onderstaande paragrafen gaan nader in op de aspecten gebiedsbescherming en soortenbescherming in relatie tot onderhavige ontwikkeling.
Herstructurering Schepen v. Hertefeltstraat
37
4.9.1 Gebiedsbescherming Natura 2000 Het besluitgebied is niet gelegen binnen de grenzen van een Natura 2000-gebied. Wel is het besluitgebied op ca. 2,1 km afstand tot het Natura 2000-gebied Roerdal gelegen. Verder geldt dat op ca. 3,3 km afstand Natura 200-gebied Swalmdal, 4,1 km afstand Natura 2000-gebied Meinweg en op ca. 6,1 km afstand Natura 2000-gebied Leudal zijn gelegen. Ten aanzien van deze gebieden geldt dat, gezien de ruime afstand, negatieve effecten voor licht, geluid en trillingen ten gevolge van de realisatie en in gebruik name van de 20 woningen zijn uit te sluiten.
Indicatie ligging besluitgebied (rode contour) t.o.v. Natura 2000-gebied Roerdal Stikstof Om te bepalen of de herontwikkeling in de gebruiksfase leidt tot een toename van stikstofdepositie op Natura 2000-gebied, is een Aeriusberekening uitgevoerd. In de Wet Stikstofreductie en Natuurherstel (juli 2021) is een partiële vrijstelling opgenomen met betrekking tot de bouwactiviteiten van een plan of project. Dat betekent dat deze buiten beschouwing dienen te blijven en enkel de effecten ten aanzien van de gebruiksfase beoordeeld dienen te worden. De woningen zullen gasloos worden gebouwd. De emissies in de gebruiksfase zullen derhalve enkel bestaan uit emissies ten aanzien van de verkeersgeneratie. In de verkeersparagraaf is het maximaal aantal verkeersbewegingen per etmaal dat het planvoornemen genereert bepaald op 94 lichte verkeersbewegingen per etmaal. Om te kunnen bepalen of deze bewegingen leiden tot significante stikstofeffecten, dient allereerst te worden bepaald alweer dit verkeer op gaat in het heersende verkeersbeeld en niet meer onderscheidend is in het rij- danwel stopgedrag van het overige verkeer. In het onderhavige geval zal het verkeer dienen te rijden tot de Elmpterweg. Er is aangenomen dat het verkeer op dit traject een gemiddelde stagnatie ervaart van 10%.
Uit de berekening van de gebruiksfase volgen geen rekenresultaten die leiden tot een toename van de stikstofdepositie op nabijgelegen Natura 2000 gebieden groter dan 0,00 mol/ha/jaar. Deze berekening is
38
Herstructurering Schepen v. Hertefeltstraat
bijgevoegd in Bijlage 6. Negatieve effecten ten gevolge van stikstof op de instandhoudingsdoelen van Natura 2000- gebieden kunnen op basis van het voorgaande met zekerheid worden uitgesloten, waardoor een vergunning in het kader van de Wet natuurbescherming niet vereist is.
Natuurnetwerk Nederland De goudgroene natuurzone vormt het Limburgse deel van het Nationale Natuurnetwerk. Binnen de Goudgroene zone streeft de provincie naar behoud en beheer van de reeds aanwezige natuur, en de ontwikkeling van nieuwe natuur.
Ligging besluitgebied (rode contour) t.o.v. Natuurnetwerk Het besluitgebied maakt geen onderdeel uit van het Natuurnetwerk maar is op ca. 1,2 km afstand van de groenblauwe mantel c.q. Natuurnetwerk Nederland gelegen. Tussen het besluitgebied en de Goudgroene natuurzone bevindt zich reeds bebouwing. Negatieve effecten op het Natuurnetwerk veroorzaakt door licht, geluid en trillingen ten gevolge van de realisatie en in gebruik name van de 20 woningen zijn, gezien de kleinschaligheid, aard en afstand van het planvoornemen, uit te sluiten.
Houtopstanden De Wet natuurbescherming beschermt bos van minimaal 10 are en bomenrijen van minimaal 21 bomen, gelegen buiten de bebouwde kom (de zogenaamde 'houtopstanden'). Het is verboden deze houtopstanden geheel of gedeeltelijk te vellen zonder voorafgaande melding bij gedeputeerde staten. De bomen binnen het besluitgebied vallen niet onder de definitie houtopstanden als bedoeld in paragraaf 4.1 van de Wet natuurbescherming. De houtopstand binnen het besluitgebied is gelegen binnen de bij besluit van gemeenteraad vastgestelde grenzen van de bebouwde kom. Hiervoor geldt de algemene plaatselijke kapverordening van de gemeente Roermond. De bestaande bomen binnen het besluitgebied worden zoveel mogelijk gehandhaafd. Om de woningen te kunnen realiseren moeten er 6 bomen gerooid worden. Dit betreffen geen momumentale bomen. Voor zover dit nodig is zal hiervoor een kapvergunning worden aangevraagd.
Herstructurering Schepen v. Hertefeltstraat
39
Overzicht bomen in besluitgebied (groen bestaand, lichtgroen nieuw, gestippelde ronde verdwijnt) Tevens is in dat kader een boom effect analyse (Econsultancy, rapportnummer 18599.001, d.d. 27 mei 2022, Bijlage 7) uitgevoerd. De vraag vanuit de gemeente was om in ieder geval de staat van de Honingbomen te onderzoeken omdat deze bomen behouden dienten te blijven. Uiteindelijk is het onderzoek uitgebreider opgezet. Doel van deze analyse is om aan te tonen of de aanwezige bomen, in de huidige verschijningsvorm en op de huidige standplaats, in relatie met de voorgenomen werkzaamheden, duurzaam behouden kunnen worden. Hieruit is gebleken dat: Boom 1, 3 en 4 zijn in relatie tot de voorgenomen werkzaamheden duurzaam (> 10 jaar) te behouden. De effecten van de geplande werkzaamheden op deze bomen zijn (zeer) beperkt en hebben geen negatieve invloed op de toekomstverwachting van deze bomen. Boom 2 heeft vanwege de slechte conditie een toekomstverwachting van minder van 5 jaar en is daarom niet duurzaam te behouden. Boom 5, 6, 7, 8 en 9 zijn in het ontwerp opgenomen als te kappen bomen. Deze bomen zijn potentieel geschikt om te verplanten. Duurzaam behoud is dus niet mogelijk, maar door verplanting kan de boom op een andere plek behouden blijven. Verplantbaarheidsonderzoek kan uitwijzen wat de werkelijke slagingskans is en welke voorbereidingstijd en handelingen daarvoor nodig zijn.
Boom 10 en 11 zijn in het ontwerp opgenomen als te kappen bomen, omdat op de plek waar de bomen staan woningen gerealiseerd gaan worden. De bomen zijn vanwege stamschades niet duurzaam te behouden en ook niet geschikt om te verplanten.
40
Herstructurering Schepen v. Hertefeltstraat
Nummering bomen Verder dient bij het werken rond bomen altijd rekening worden gehouden met de algemeen geldende beschermingsmaatregelen. De algemene beschermingsmaatregelen zijn als volgt: Snoei de te behouden boom vóór uitvoering van de werkzaamheden om voldoende werkruimte te creëren en schade te voorkomen. Deze snoeiwerkzaamheden moeten worden uitgevoerd door een gecertificeerd European Tree Worker (ETW) of gelijkwaardig niveau. Gebruik bouwhekken om de kroonprojectie zoveel als mogelijk te ontzien. Het gebruik van bouw-hekken ter afbakening van de kwetsbare zone voorkomt schade aan boom en groeiplaats. Bescherm alle bomen binnen de invloedssfeer tegen directe (stam)schade door aanbrengen stamommanteling met afstandshouder (drain). Er mag geen materiaal/materieel binnen de contouren van de boomkroon worden opgeslagen. Hiermee wordt bodemverdichting en wortelschade voorkomen. Door verdichting treedt zuurstof-gebrek op in de bodem, omdat de gasuitwisseling tussen de bodem en buitenlucht wordt belemmerd. Het gevolg hiervan is een verminderde wortelactiviteit, het afsterven van bodemleven, gevolgd door wortelsterfte. Hierdoor kan de conditionele toestand van de boom sterk verminderen en in het ergste geval kan de boom afsterven.
Indien wortelkap bij wortels > 2,5 centimeter doorsnede noodzakelijk is, dient dit te gebeuren met behulp van een recht snijvlak, haaks op de lengterichting van de wortel. Wortelkap bij wortels > 5 centimeter doorsnede dient handmatig te worden uitgevoerd, in overleg met een boomdeskundige. Instrueer uitvoerende werknemers over werken rond bomen en hoe om te gaan met wortelkap. Stel een boomtechnisch toezichthouder (gecertificeerd European Tree Technician of gelijkwaardig) aan om tijdens de uitvoering van de werkzaamheden te controleren op de naleving van de randvoorwaarden. De boomtechnisch toezichthouder kan tevens advies geven tijdens de werkzaamheden en wortelkap beoordelen en uitvoeren. Bij voorkeur werkzaamheden buiten het groeiseizoen (november-eind februari) van de bomen uit voeren. Met deze algemeen geldende beschermingsmaatregelen wordt bij de realisatie van het planvoornemen rekening gehouden.
Herstructurering Schepen v. Hertefeltstraat
41
4.9.2 Soortenbescherming Ten behoeve van het planvoornemen is een quickscan Ecologische waarden (Ecolybrium, rapportnummer 21-973-WZ, 25 november 2021, Bijlage 8) uitgevoerd. De conclusies van de quickscan luiden: Er zijn geen jaarrond beschermde nesten aangetroffen en/of te verwachten in de aanwezige bomen. De locatie vormt in het geheel een zeer ongeschikt broedgebied voor vogels. In een van de aanwezige bomen (gewone es) zit een zwarte kraaiennest. Aangezien deze boom behouden blijft, blijft dit nest ook behouden. Het gebied vormt enkel foerageergebied voor enkele algemeen voorkomende soorten broedvogels die in de nabijheid kunnen broeden (zoals merel, zanglijster, roodborst, gaai e.d.). Effecten op vogels treden echter niet op. In het kader van de Wet natuurbescherming kan dan ook geconcludeerd worden dat er geen negatieve effecten optreden ten aanzien van vogels. Nader onderzoek is daarmee eveneens niet aan de orde. Effecten op vleermuizen zijn geheel uit te sluiten, vanwege het afwezig zijn van mogelijke verblijfplekken voor vleermuizen, het afwezig zijn van een gevarieerde vegetatie structuur (bomen, struiken en kruidenrijke grasvegetaties) en het afwezig zijn van lijnvormige groene elementen (laanbomen/houtsingels).
In het kader van de Wet natuurbescherming kan geconcludeerd worden dat er geen verbodsbepalingen optreden en dat er geen verdere vervolgstappen benodigd zijn (zoals nader onderzoek en het aanvragen van een ontheffing). Ter plekke van de ingreeplocatie is het voorkomen van andere beschermde soorten zoals, vaatplanten, libellen, dagvlinders, vissen, reptielen, amfibieën, grondgebonden zoogdieren en overige ongewervelden geheel uit te sluiten. Effecten treden daarmee niet op. In het kader van de Wet natuurbescherming kan geconcludeerd worden dat de werkzaamheden geen effecten hebben op beschermde plant- en diersoorten en dat de voorgenomen herinrichting uitgevoerd kan worden zoals beoogd. Op basis van de quickscan Ecologische waarden kan geconcludeerd worden dat soortenbescherming in het kader van Wet natuurbescherming geen belemmering vormt voor de uitvoerbaarheid van het planvoornemen. Conclusie Het aspect ecologie vormt in het kader van de Wet natuurbescherming geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het planvoornemen.
4.10
Waterparagraaf
Water vormt een steeds belangrijker aspect bij ontwikkelingen op onder meer het gebied van woningbouw en bedrijventerreinen. Belangrijke thema’s zijn: het vasthouden in plaats van direct afvoeren van hemelwater, het hergebruik van water, het zuinig omgaan met drinkwater en het beperken van de onttrekking van grondwater. Het is dan ook verplicht om bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen in de toelichting c.q. ruimtelijke onderbouwing aan te geven op welke wijze rekening is gehouden met de gevolgen van het plan voor de waterhuishouding. Deze verantwoording wordt ook wel de waterparagraaf genoemd. Deze paragraaf kan als waterparagraaf worden beschouwd. 4.10.1 Nationaal Waterplan 2022-2027 Het Nationaal Waterplan 2022-2027 is de opvolger van het Nationaal Waterplan 2016-2021 en vervangt dit plan én de partiële herzieningen hiervan (Wind op Zee buiten 12 nautische mijl en verankering rijksbeleid Deltabeslissingen). Op basis van de Waterwet is het Nationaal Waterplan voor de ruimtelijke aspecten tevens een structuurvisie. Het NWP is zelfbindend voor het Rijk. Het Rijk is in Nederland verantwoordelijk voor het hoofdwatersysteem. In het Nationaal Waterplan legt het Rijk onder meer de strategische doelen voor het waterbeheer vast.
De wateropgaven waar Nederland op dit moment voor staat, de uitdagingen richting de toekomst en de noodzaak van een integrale aanpak vormen de basis voor 3 hoofdambities van dit NWP:
42
Herstructurering Schepen v. Hertefeltstraat
Een veilige en klimaatbestendige delta: Nederland is kwetsbaar voor de gevolgen van klimaatverandering. Dat vraagt om maatregelen die verdere klimaatverandering tegengaan. Daarnaast zijn stappen nodig om ons aan te passen aan de gevolgen van klimaatverandering. Dit wordt klimaatadaptatie genoemd. Klimaatadaptatie is geen beleidsterrein op zich, het is een opgave die vele beleidsterreinen en sectoren raakt en daar dwars doorheen loopt. Veel beleid en maatregelen in dit NWP dragen bij aan klimaatadaptatie. Een concurrerende, duurzame en circulaire delta: Een goede zoetwatervoorziening is van groot belang voor de economie. Nederland moet in 2050 weerbaar zijn tegen zoetwatertekorten. Daarom werkt het Rijk in de planperiode van het NWP samen met de zoetwaterregio’s en de gebruikers aan maatregelen om ervoor te zorgen dat Nederland ook in droge perioden over voldoende zoetwater beschikt voor bijvoorbeeld landbouw, natuur, historisch groen, industrie en scheepvaart. Dit gebeurt in het Deltaprogramma Zoetwater en met de maatregelen die voortkomen uit de Beleidstafel Droogte. Een schone en gezonde delta met hoogwaardige natuur: Het Rijk werkt aan schoon en ecologisch gezond (grond)water voor duurzaam gebruik en een leefomgeving van hoge kwaliteit.
In de planperiode van het NWP wordt gewerkt aan structurele vermindering van lozingen en verspreiding van opkomende stofen, onder andere via het Actieprogramma PFAS in water. Het beleid voor grondwaterkwaliteit is erop gericht verontreiniging van bodem en grondwater zo veel mogelijk te voorkomen. Het kabinet heef in 2021 het statiegeldsysteem uitgebreid naar kleine fesjes om de hoeveelheid plastic in het milieu te verminderen. 4.10.2 Waterschap Limburg Vanaf 1 november 2003 zijn de overheden wettelijk verplicht om alle ruimtelijke plannen, die van invloed zijn op de waterhuishouding, voor advies voor te leggen aan de waterbeheerders. Tot juli 2004 kwam het voor dat voor de watertoets verschillende waterbeheerders (waterschapsbedrijf, waterschap, provincie en Rijkswaterstaat) apart moesten worden benaderd. Die gaven dan afzonderlijke wateradviezen. Dat zorgde voor veel onduidelijkheid en papieren rompslomp. Daarom hebben de Limburgse waterbeheerders afgesproken om alle aanvragen in het hun betreffende gebied af te handelen via één loket: het zogenaamde watertoetsloket. Het loket is ondergebracht bij het waterschap. 4.10.3 Gevolg planvoornemen Onderhavige ontwikkeling is gelegen binnen het werkgebied van het Waterschap Limburg en dient het planvoornemen voor wateradvies voorgelegd te worden (zie paragraaf 6.3).
Onderhavige ontwikkeling ziet toe op de transformatie van een voormalige school locatie naar woonlocatie. Hiertoe heeft de sloop van de voormalige bebouwing plaatsgevonden en worden op deze locatie 20 hoogwaardige woningen gerealiseerd. Aan de hand van de ontwikkeling neemt het verhard oppervlak niet of maar beperkt toe. Daarnaast wordt ook de openbare ruimte groen ingericht middels het openbare groene hofje aan de achterzijde van de hoek/rijwoningen. Dit is grotendeels ter plaatse van de gronden van de voormalig school locatie die voorheen verhard waren. Er is hierdoor in zeer geringe mate sprake van een toename in het verhard oppervlak. Waterschap Limburg hanteert zowel een voorkeursvolgorde voor waterkwaliteit (schoonhouden, scheiden, zuiveren) als voor waterkwantiteit (hergebruik water, vasthouden in de bodem (infiltratie), tijdelijk bergen, afvoeren naar oppervlaktewater, afvoeren naar gemengd of DWA-riool). In aansluiting op het landelijk beleid hanteert Waterschap Limburg het beleid dat bij nieuwe plannen altijd onderzocht behoort te worden hoe omgegaan kan worden met het schone hemelwater. Hierbij worden de afwegingsstappen “hergebruik – infiltratie – buffering – afvoer” (afgeleid van de trits “vasthouden – bergen – afvoeren” doorlopen. Bij nieuwbouw wordt in eerste instantie gekozen voor het niet aansluiten van hemelwater op het rioolwaterstelsel.
Het afval- en hemelwater dienen in de mate van het mogelijke gescheiden van elkaar gehouden te worden. In onderhavig geval zal het afval- en hemelwater ten gevolge van de woningen gescheiden worden aangeboden. Er worden geen knelpunten verwacht voor aansluiting van het vuilwater op het bestaande riool aangezien in het verleden de voormalige basisschool op het bestaande riool was aangesloten en het hemelwater wordt afgekoppeld en dus niet meer in het bestaande riool terecht komt. De
Herstructurering Schepen v. Hertefeltstraat
43
aanleghoogtes van het systeem dienen nader bepaald te worden. Daarnaast wordt het hemelwater volledig afgekoppeld en ter plaatse geïnfiltreerd in de bodem. Hiervoor worden de noodzakelijke voorzieningen, in de vorm van een centrale infiltratievoorziening ter plaatse van het binnenhofje, aangelegd met voldoende capaciteit waarbij voldaan wordt aan de bergingseis van de gemeente Roermond, zijnde 50 mm in 24 uur. Daarnaast moet een doorkijk gegeven worden naar de effecten van een bui van 84 mm in 48 uur.
Situering (indicatief) centrale infiltratievoorziening ter plaatse van binnenhofje Om de haalbaarheid van infiltratievoorzieningen in kaart te brengen, is een infiltratieadvies opgesteld (Geonius, GA220459.R02.V1.0, 10 mei 2022, Bijlage 9). Uit de gemeten doorlatendheden en grondwaterstand blijkt dat infiltratie van hemelwater tot de mogelijkheden behoort. De doorlatendheid van de ondergrond is voldoende tot goed te noemen. Geonius adviseert een infiltratievoorziening in de ondiepe ondergrond bijvoorbeeld middels kratten en/of grindkoffers toe te passen. Vanwege de (plaatselijk) matige doorlatendheid zal de voorziening echter voornamelijk als buffer fungeren. Conform gegevens verstrekt door de architect bedraagt het totale afwaterend oppervlak voor de nieuwbouw ca. 1.727 m2 . Deze 1.727 m2 bestaat uit 1.424 m2 aan verhard oppervlakte van de woningen, 60 m2 van trottoir en 243 m2 van de locatie ter hoogte van de infiltratievoorziening. Deze collectieve infiltratievoorziening heeft een totale afvoercapaciteit van 208,5 m3 uitgaande van een verhard oppervlak van 1.727 m2 en de bergingseisen van de gemeente Roermond. De toekomstige bewoners mogen meedenken over de invulling hiervan. De afvoer van hemelwater wordt hiermee binnen het besluitgebied geregeld.
Conclusie Geconcludeerd wordt dat ten aanzien van het aspect water geen belemmeringen voor de uitvoerbaarheid van het planvoornemen worden verwacht.
44
Herstructurering Schepen v. Hertefeltstraat
4.11
Archeologie en cultuurhistorie
4.11.1 Archeologie Als wettelijk toetsingskader in Europees verband is het zogenaamde 'Verdrag van Malta' tot stand gekomen. Uitgangspunt van dit verdrag is het archeologisch erfgoed zo veel mogelijk te behouden. Waar dit niet mogelijk is, dient het bodemarchief met zorg ontsloten te worden. Bij het ontwikkelen van ruimtelijk beleid moet het archeologisch belang vanaf het begin meewegen in de besluitvorming. Sinds 1 september 2007 is de Wet op de Archeologische Monumentenzorg (Wamz) in werking getreden. Deze wet is de Nederlandse uitwerking van het Verdrag van Malta uit 1992. De Wamz is in zijn geheel opgenomen in de Monumentenwet 1988 (Mw art. 38 t/m 60). In de Wamz is vastgelegd dat Rijk, provincies en gemeenten in ruimtelijke plannen rekening houden met het aspect 'archeologie'. De wet beoogt het archeologische erfgoed in hoofdzaak in situ te beschermen.
Uitsnede erfgoedkaart Limburg (besluitgebied blauw omlijnd) Op basis van erfgoedkaart Limburg geldt dat binnen het besluitgebied geen archeologische verwachtingswaarden in het geding zijn. In dat kader geldt voor het besluitgebied op basis van het vigerende bestemmingsplan 'Maasniel' dat er eveneens geen dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie' van toepassing is. Echter, In het vigerend bestemmingsplan Maasniel staan de volgende voorschriften opgenomen: 3.4 Archeologisch onderzoek Binnen het plangebied dient voorafgaande aan graafwerkzaamheden een archeologische verkenning plaats te vinden. Naar aanleiding van de resultaten van deze verkenning besluiten burgemeester en wethouders of er aanvullend onderzoek dan wel een archeologische opgraving noodzakelijk is. De verplichting tot dergelijk onderzoek dient in de voor de werkzaamheden benodigde vergunningen opgenomen te worden. Omdat er op basis van het geldende bestemmingsplan voor onderhavige ontwikkeling mogelijk een archeologisch onderzoek benodigd is, wordt een archeologisch onderzoek als voorwaarde aan deze omgevingsvergunning gekoppeld. Als aangetoond wordt dat met het planvoornemen de grond niet dieper, of
Herstructurering Schepen v. Hertefeltstraat
45
op andere plekken, dan de fundering van de voormalige basisschool geroerd wordt, is een archeologisch onderzoek niet nodig. Als blijkt dat de grond wel dieper, of op andere plekken, dan de fundering van de voormalige basisschool geroerd wordt, dan is een archeologisch onderzoek verplicht. Op basis van voorgaande wordt geconcludeerd dat archeologie geen belemmering vormt voor de uitvoerbaarheid van het planvoornemen. 4.11.2 Cultuurhistorie Vanaf 1 januari 2012 dient in ruimtelijke plannen rekening te worden gehouden met cultuurhistorie. Dit is een wijziging van het Besluit ruimtelijke ordening en maakt onderdeel uit van de modernisering van de monumentenzorg. Op basis van de cultuurhistorische waardenkaart van de provincie Limburg wordt geconcludeerd dat binnen het besluitgebied geen cultuurhistorisch waardevolle bebouwing aanwezig is. Het besluitgebied is namelijk onbebouwd aangezien de bebouwing van de voormalige school is gesloopt en het terrein momenteel braak ligt. Het besluitgebied wordt zelf eveneens niet aangeduid als cultuurhistorisch waardevol.
Uitsnede cultuurhistorische waardenkaart Limburg (besluitgebied blauw omlijnd) Conclusie Op basis van vorenstaande wordt geconcludeerd dat archeologie en cultuurhistorie geen belemmering vormen voor de uitvoerbaarheid van het planvoornemen.
46
Herstructurering Schepen v. Hertefeltstraat
4.12
Leidingen
Er zijn binnen of in de directe omgeving van het besluitgebied geen hoofdtransportleidingen of persleidingen van water, olie, gas, brandstof en/of hoogspanningsleidingen gelegen, die van invloed zijn op de realisatie van het project. In het straatprofiel van de Schout Offermanstraat, de Schepen van Hertefeltstraat en de Schout Kellermanstraat zijn wel de reguliere leidingen c.q. nutsvoorzieningen aanwezig zoals gas, electra en telefonie.
Herstructurering Schepen v. Hertefeltstraat
47
48
Herstructurering Schepen v. Hertefeltstraat
Hoofdstuk 5
Uitvoerbaarheid
Naast het toetsen van een omgevingsvergunning in afwijking van het bestemmingsplan aan diverse milieu- en veiligheidsaspecten, dient de aanvraag van de omgevingsvergunning ook getoetst te worden aan de uitvoerbaarheid van het project. Hierbij wordt gekeken naar de economische uitvoerbaarheid en de maatschappelijke uitvoerbaarheid.
5.1
Maatschappelijke uitvoerbaarheid
Onderhavige ontwikkeling voorziet in de transformatie van een voormalige school locatie naar een woonlocatie. Er worden 20 woningen gerealiseerd waarmee zowel kwantitatief als kwalitatief wordt voorzien in de actuele woningbehoefte zoals beschreven in de Structuurvisie Wonen Midden-Limburg. De woningen worden gerealiseerd binnen bestaand stedelijk gebied, op een locatie waar reeds (in de directe nabijheid) wordt gewoond. Met de bouw van de woningen wordt aangesloten op de bestaande ruimtelijke structuur. De woonfunctie is daarbij passend bij de directe omgeving omdat het overwegend een woonomgeving betreft. De initiatiefnemer Wonen Zuid heeft voor onderhavig plan een participatieplan opgesteld (Bijlage 10). Er heeft in dat kader participatie plaatsgevonden in de vorm van een inloop-informatiemiddag waarbij artist impressions en de plattegronden van de woningen zijn getoond. Belangstellenden en belanghebbenden zijn vooraf met een brief hierover geïnformeerd en konden binnenlopen, het nieuwe plan bekijken en hierover vragen stellen. Aan het einde van het bezoek is iedere bezoeker gevraagd een formulier in te vullen, om zodoende feedback op het plan te geven. Over het algemeen kan gesteld worden dat de in totaal 19 bezoekers het planvoornemen postief beoordelen.
Zij waren vooral blij met het planvoornemen dat voorziet in laagbouw woningen in plaats van hoogbouw, zoals al veel in de directe omgeving voorkomt. Gezien de positieve geluiden vanuit de omgeving wordt een verder vervolg van participatie niet noodzakelijk geacht. Wel zal in het voorjaar 2023 in gesprek worden gegaan met de toekomstige bewoners van de woningen, om mee te denken over de invulling van het groene binnenhofje. Voorts vindt ook participatie plaats in de vorm van het informeren van de omwonenden met nieuwsbrieven, waarin zij op de hoogte worden gesteld van de ontwikkelingen van het plan en de (toekomstige) werkzaamheden. Op de reeds verzonden nieuwsbrieven is geen enkele reactie of vraag bij Wonen Zuid ontvangen. Mocht iemand alsnog bedenkingen hebben ten aanzien van het project dan kan ten aanzien van het ontwerpbesluit een zienswijze kenbaar worden gemaakt en na verlening van de omgevingsvergunning eventueel beroep worden ingesteld.
5.2
Economische uitvoerbaarheid
Ingevolge het bepaalde in artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening dient inzicht te worden gegeven over de uitvoerbaarheid van het planvoornemen. Hiermee wordt mede de financiële uitvoerbaarheid bedoeld. Er is sprake van een omgevingsvergunning dat een bouwplan mogelijk maakt. Het bouwplan wordt op kosten van initiatiefnemer uitgevoerd. Op grond van de Wet ruimtelijke ordening rust op de gemeente de verplichting tot het verhaal van kosten die tot de grondexploitatie behoren op basis van een exploitatieplan. De gemeente kan hiervan afzien indien: het kostenverhaal anderszins is verzekerd; en het bepalen van een tijdvak of fasering niet noodzakelijk is; en het stellen van eisen, regels of een uitwerking van regels aan werken en werkzaamheden met betrekking tot bouwrijp maken, aanleg van nutsvoorzieningen, inrichten van de openbare ruimte en uitvoerbaarheid niet noodzakelijk is; óf
Herstructurering Schepen v. Hertefeltstraat
49
in de volgende bij algemene maatregel van bestuur aangegeven gevallen: het totaal der exploitatiebijdragen bedraagt minder dan € 10.000; óf er zijn geen verhaalbare kosten als bedoeld in het besluit ruimtelijke ordening (Bro); óf de verhaalbare kosten als bedoeld in het Bro betreffen uitsluitend de aansluiting van een bouwperceel op de openbare ruimte of de aansluiting op nutsvoorzieningen. Voorliggend plan heeft betrekking op een initiatief voor de realisatie van 20 hoogwaardige woningen. Ten behoeve van het planvoornemen worden aanpassingen gedaan aan de bestaande openbare ruimte, namelijk de aanleg van de 20 nieuwe parkeerplaatsen. De gemeente voert deze werkzaamheden in het openbare gebied uit, dat deels ligt binnen de kadastrale perceelsgrens. De kosten hiervoor worden door Wonen Zuid betaald. Een en ander is vastgelegd in een anterieure overeenkomst, zijnde de koopovereenkomst van de grond. Daarin is opgenomen dat het gedeelte van het perceel dat nodig is voor de nieuwe openbare parkeerplaatsen niet door Wonen Zuid wordt gekocht. Er zal dus een kadastrale perceelswijziging plaatsvinden. Derhalve voldoet het initiatief aan de bij algemene maatregel van bestuur aangegeven gevallen, op grond waarvan kan worden afgezien van het vaststellen van een exploitatieplan. Uit de gevraagde planologische wijziging kan planschade voortvloeien.
In verband met mogelijke vergoedingen van planschade als bedoeld in art. 6.1 Wet ruimtelijke ordening is met de initiatiefnemer een planschadeovereenkomst gesloten, op basis waarvan de kosten voor planschade voor rekening en risico van de initiatiefnemer komen. Gelet op het vorenstaande kan in het kader van het verlenen van de omgevingsvergunning voor het plan worden afgezien van het vaststellen van een exploitatieplan.
50
Herstructurering Schepen v. Hertefeltstraat
Hoofdstuk 6 6.1
Procedure
De te volgen procedure
Deze ruimtelijke onderbouwing is opgesteld als onderdeel van de aanvraag omgevingsvergunning ten behoeve van het planvoornemen noodzakelijke omgevingsvergunning. De Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) bevat twee procedures voor het verkrijgen van een omgevingsvergunning, te weten de reguliere en de uitgebreide procedure. In het onderhavige geval, waarbij afgeweken wordt van het geldende bestemmingsplan, dient de uitgebreide procedure te worden gevolgd.
6.2
Terinzagelegging
De omgevingsvergunning wordt, inclusief deze ruimtelijke onderbouwing, conform de uitgebreide procedure, gedurende zes weken ter inzage gelegd. Gedurende deze termijn kan een ieder reageren op het ontwerpbesluit van de omgevingsvergunning en zijn of haar zienswijzen indienen.
6.3
Watertoets
De ontwikkeling heeft geen of nauwelijks invloed op de waterhuishouding. Echter sinds de nieuwe keur van 2019 is de ondergrens los gelaten en komen alle ruimtelijke ontwikkelingen (niet zijnde functiewijzigingen) in aanmerking voor wateradvies. Dit is ook gebeurd en de reactie van het waterschap is in paragraaf
6.4 weergegeven.
6.4
Vooroverleg met diensten van Rijk en provincie
Gedurende de voorbereidende fase van deze procedure vindt zo nodig vooroverleg plaats met de diverse diensten van Rijk en provincie en met het Waterschap. Gezien de conclusies uit voorgaande hoofdstukken en realisatie binnen bestaand bebouwd gebied (passend in de ruimtelijke structuur), mag redelijkerwijs worden aangenomen dat met onderhavige ontwikkeling belangen van voornoemde vooroverlegpartners niet zullen worden geschaad. Dit wordt bevestigd door de reactie van de provincie; die hierin aangeeft dat de vergunning is beoordeeld op de adequate doorwerking van provinciale belangen, de reactie van de gemeente; die hierin aangeeft... en de reactie van het waterschap; die hierin aangeeft dat ... .
6.5
Vaststelling
p.m.
Herstructurering Schepen v. Hertefeltstraat
51