Bijlage 4 - toelichting en regels bestemmingsplan Herontwikkeling Borneostraat eo project De Kemp
Tekst van het document
De maximale ontheffingswaarde wordt daarmee niet overschreden. Het treffen van maatregelen aan de bron in de vorm van een andere wegverharding zouden kunnen worden overwogen. Hiermee is een geluidreductie van maximaal 5 dB te realiseren. De geluidbelasting kan daarmee niet worden teruggebracht tot de voorkeursgrenswaarde of lager. Omdat op dit deel verschillende kruisingen zijn gelegen, is het toepassen van geluidreducerend wegdek niet duurzaam. Het asfalt lijdt namelijk onder het afremmende en optrekkende verkeer. Zodoende is het aanbrengen van een stiller wegdek om de geluidbelasting ten gevolge van deze weg terug te dringen uit het oogpunt van praktische uitvoerbaarheid, beheer en onderhoud niet wenselijk. Bij de gemeente Roermond wordt daarom een verzoek tot vaststelling van een hogere toelaatbare waarde ingediend. Indien een hogere waarde wordt vastgesteld, kan de gemeente aan deze ontheffing aanvullende voorwaarden stellen. Gezien de bepaalde optredende gevelbelastingen dient ermee rekening te worden gehouden dat plaatselijk zwaardere eisen worden gesteld aan de karakteristieke geluidwering van de gevel(s) om te kunnen voldoen aan de gestelde eisen van het Bouwbesluit ten aanzien van de realisatie van een goed woon- en leefklimaat.
4.3 Luchtkwaliteit Sinds 15 november 2007 zijn de belangrijkste bepalingen inzake de luchtkwaliteit opgenomen in hoofdstuk 5, titel 5.2 van de Wet milieubeheer (Wmb). Omdat de luchtkwaliteitseisen op zijn genomen in titel 5.2 van de Wmb, staat deze ook wel bekend als de ‘Wet luchtkwaliteit’. Met de inwerkingtreding van de Wet milieubeheer is het besluit luchtkwaliteit 2005 komen te vervallen.
CA210028.049.R01.v1.1-toelichting
28 van 52
Het doel van artikel 5.2 Wmb is om de mensen te beschermen tegen de negatieve gevolgen van luchtverontreiniging op hun gezondheid. In de wet- en regelgeving zijn de richtlijnen uit de Europese regelgeving opgenomen, waaraan voorgenomen ontwikkelingen dienen te voldoen. Als aan minimaal één van de volgende voorwaarden wordt voldaan, vormen de luchtkwaliteitseisen in beginsel geen belemmering voor het uitoefenen van de bevoegdheid van een bestuursorgaan ex. artikel 5.16 Wmb: - er is geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van de grenswaarde; - een project leidt al dan niet per saldo, niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit; - een project draagt ‘niet in betekenende mate’ (NIBM) bij aan de verslechtering van de luchtkwaliteit; - een project past binnen het NSL (Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit) of een regionaal programma van maatregelen. Het besluit NIBM Deze Algemene maatregel van Bestuur (AmvB) legt vast wanneer een project ‘niet in betekenende mate’ bijdraagt aan de toename van concentraties van bepaalde stoffen in de lucht. Een project is NIBM wanneer het aannemelijk is dat het een toename van de concentratie veroorzaakt van maximaal 3%. De 3% grens wordt gedefinieerd als 3% van de grenswaarde voor de jaargemiddelde concentratie van fijn stof (PM10) of stikstofdioxide (NO2).
Dit komt overeen met 1,2 microgram/m³ voor zowel PM10 als NO2. Het NSL is vanaf augustus 2009 van kracht, zodat de 3% grens aangehouden dient te worden. Dit bestemmingsplan maakt het mogelijk dat er 124 woningen worden gebouwd, waar momenteel 126 woningen aanwezig zijn. In een worstcase scenario genereert één woning in een zeer stedelijke omgeving zo’n 8 ritten per dag. De maximale mogelijkheden die dit bestemmingsplan biedt, leiden daarmee tot zo’n 16 ritten minder per dag. Een woningbouwproject wordt in de Regeling NIBM als niet in betekenende mate aangemerkt, indien het maximaal 1.500 woningen bij één ontsluitingsweg betreft. Een dergelijke ontwikkeling leidt tot zo’n 12.000 ritten. Dit is dus ruim meer dan de verkeersgeneratie die dit bestemmingsplan mogelijk maakt. Gesteld wordt, dat het plan als niet in betekenende mate beschouwd kan worden. Omdat de geplande woningen op gepaste afstand zijn gelegen van wegen met hoge verkeersintensiteiten, liggen de PM10 en NO2-contouren van deze wegen niet over het plangebied. Hiermee voldoet het plan aan de Wet luchtkwaliteit en het Roermonds luchtkwaliteitsbeleid. Uit de monitoringstool van het NSL blijkt, dat de huidige NO2-concentratie (jaar 2021) bij de rekenpunten rondom de wijk waarin het plangebied zich bevindt lager is dan 35 μg/m3. Dit geldt ook voor de PM10concentratie. De PM2.5 concentratie is daarbij lager dan 20 μg/m3.
Gesteld wordt, dat ter plaatse van het beoogde bouwplan sprake is van een acceptabel woon- en leefklimaat. Conclusie: Gelet op het vorenstaande vormt het aspect luchtkwaliteit geen belemmeringen voor onderhavige planontwikkeling.
4.4 Geur Bij het bouwen van nieuwe geurgevoelige objecten moet rekening worden gehouden met deze geurcontour. Het is daarbij niet toegestaan om zonder meer nieuwe geurgevoelige objecten te bouwen binnen de geurcontour van een bestaand bedrijf. Deze verplichting vloeit voort uit de jurisprudentie over een goed woon- en leefklimaat.
CA210028.049.R01.v1.1-toelichting
29 van 52
In het plangebied zijn geen bedrijven gelegen met een geurcontour. Met voorliggend plan worden geen strijdigheden verwacht voor een goede ruimtelijke ordening ten aanzien van het aspect ‘Geur’.
4.5 Bodem Algemeen Bij een bestemmingsplanprocedure of bij een functiewijziging (bij een omgevingsvergunning voor planologisch strijdig gebruik) moet het bevoegde gezag voldoende inzicht hebben om de vraag te kunnen beantwoorden of de bodem geschikt is voor de toe te kennen functie. Daarvoor dient een bodemonderzoek. Een bodemonderzoek hoeft echter niet te worden uitgevoerd als de bodemkwaliteitskaart als bewijsmiddel kan dienen voor een bestemmingsplanwijziging. Een belangrijke voorwaarde daarbij is de vaststelling van het niet verdacht zijn van de locatie voor puntbronnen op basis van een uitgevoerd NEN 5725 vooronderzoek. Blijkt hieruit dat er geen verdachte locaties/situaties zijn, ofwel er zijn geen knelpunten, dan kan volstaan worden met dit vooronderzoek aangevuld met een veldinspectie. Uit het vooronderzoek volgens NEN 5725 kan ook blijken dat de kwaliteit van de bodem onvoldoende zou kunnen zijn ofwel een verdachte situatie bestaat. In die gevallen moet altijd een vooronderzoek gevolgd door een verkennend onderzoek conform NEN 5740 worden uitgevoerd, aangevuld met een bodemonderzoek asbest conform NEN5707. Onderzoeken die niet volgens de geldende normen zijn opgesteld en uitgevoerd zijn of verouderde onderzoeken gelden niet als representatief en onvoldoende.
Voorliggend plan In het kader van voorliggend bestemmingsplan is door Geonius een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd. Het rapport van dit onderzoek is opgenomen in bijlage 2. Uit het verkennend bodemonderzoek blijkt het volgende. - De geroerde zandige bovengrond (0-0,5 m- maaiveld) binnen het plangebied is over het algemeen licht verontreinigd met zware metalen en/of sporadisch met PAK, PCB en/of minerale olie. Indicatief getoetst aan de maximale waarden uit de Regeling bodemkwaliteit varieert de bodemkwaliteitsklasse tussen achtergrondwaarde en industrie. - De ongeroerde zandige ondergrond (0,5-2,0 m- maaiveld) is niet verontreinigd met de onderzochte componenten en voldoet indicatief aan bodemkwaliteitsklasse achtergrondwaarde. - Op basis van nader onderzoek blijkt dat plaatselijk (in boring 007) barium voorkomt boven de interventiewaarde. Voor barium is de interventiewaarde alleen van toepassing, zodra sprake is van een antropogene bron, hetgeen in dit geval aan de orde is. Het is namelijk een geroerde bodemlaag met bijmengingen aan baksteen en beton. De omvang bedraagt ca. 25 m². Het betreft vermoedelijk een historische verontreiniging, ontstaan voor 1987. Er is sprake van een geval van ernstige bodemverontreiniging - In de bovengrond ter plaatse van proefgat 001 is asbest aangetroffen in gehalten boven de interventiewaarde.
Naar aanleiding hiervan is nader onderzoek verricht, waaruit blijkt dat geen gehalten meer zijn aangetroffen boven de detectielimiet. Het eerder aangetroffen gehalte tijdens het verkennend onderzoek is niet representatief voor het gemiddeld gehalte aan asbest in de bodem. Mogelijk is sprake van een zeer lokale verontreiniging die waarschijnlijk al is verwijderd door de bemonstering van de asbestplaatjes.
CA210028.049.R01.v1.1-toelichting
30 van 52
-
In de overig onderzochte bodem is geen asbest aangetroffen in gehalten die aanleiding geven tot nader onderzoek. Met uitzondering van het geval van ernstige bodemverontreiniging met barium is de locatie geschikt voor toekomstige woningbouw. De bodem met indicatieve kwaliteit industrie geven geen aanleiding tot herstel van de bodem naar de gewenste bodemfunctieklasse, namelijk wonen.
Conclusie: Plaatselijk is de locatie ernstig verontreinigd met barium en dient de locatie voorafgaand aan de graafwerkzaamheden gesaneerd te worden. Dit onderzoek dient in het kader van de toekomstige omgevingsvergunningsaanvraag uitgevoerd te worden. Voor het overige plangebied is de locatie geschikt voor toekomstige woningbouw. De bodem met indicatieve kwaliteit industrie geven geen aanleiding tot herstel van de bodem naar de gewenste bodemfunctieklasse, namelijk wonen. Indien bij de bouw, sloop of de inrichting van het terrein grond wordt geroerd, verplaatst, opgebracht en/of van de locatie wordt aan-/afgevoerd, dient u rekening te houden met de Wet bodembescherming en/of het Besluit bodemkwaliteit.
4.6 Externe veiligheid Ten aanzien van het aspect externe veiligheid dient te worden bekeken of het plangebied in de invloedssfeer ligt van opslag en transport van gevaarlijke stoffen van stationaire of mobiele risicobronnen. Hierbij dient te worden onderzocht: • Stationaire bronnen: bedrijven waar opslag, gebruik en/of productie van gevaarlijke stoffen plaatsvindt; • Niet-stationaire bronnen: vervoer van gevaarlijke stoffen over wegen, spoor, water of leidingen. De risicobenadering externe veiligheid kent twee begrippen om het risiconiveau voor de omgeving aan te geven: het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Het plaatsgebonden risico (PR) is de kans per jaar dat een persoon op een bepaalde plaats overlijdt als rechtstreeks gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen, indien hij onafgebroken en onbeschermd op die plaats zou verblijven. Het plaatsgebonden risico werd voorheen ook wel individueel risico genoemd. De norm voor het plaatsgebonden risico ligt in principe op 10-6 per jaar, oftewel een kans van één op een miljoen. Voor nieuwe situaties geldt deze norm als grenswaarde. Voor bestaande situaties met een plaatsgebonden risico dat hoger is dan 10-6, geldt deze norm als streefwaarde. In zulke situaties geldt een standstill-beginsel totdat aan de norm van 10-6 per jaar wordt voldaan.
Voor kwetsbare bestemmingen die zich binnen een gebied bevinden met een plaatsgebonden risico dat hoger is dan 10-5 per jaar is eerst sprake van een dringende sanering. Het groepsrisico (GR) is de kans per jaar per kilometer transportroute dat een groep van tien of meer personen in de omgeving van een transportroute in één keer dodelijk slachtoffer wordt van een ongeval op die transportroute. Voor het groepsrisico is een oriëntatiewaarde vastgesteld die afhankelijk is van het aantal dodelijke slachtoffers per kilometer transportroute: 0,01/N2, waarbij N gelijk is aan het aantal dodelijke slachtoffers. Dus: • voor tien of meer dodelijke slachtoffers is de oriëntatiewaarde gelijk aan 1/10-4, oftewel een kans van één op tienduizend per jaar; • voor honderd of meer dodelijke slachtoffers is deze kans 1/10-6, oftewel één op een miljoen per jaar;
CA210028.049.R01.v1.1-toelichting
31 van 52
•
voor duizend of meer dodelijke slachtoffers is deze kans 1/10-8.
In tegenstelling tot de grenswaarde voor het plaatsgebonden risico mag van de oriëntatiewaarde voor het groepsrisico door het bevoegd gezag worden afgeweken, mits er een goede reden toe is. Hierbij moet een verantwoording van het groepsrisico worden afgelegd. In verband met de voorgenomen planontwikkeling voor de realisatie van woningen is door Kragten een Quickscan Externe Veiligheid Uitgevoerd. Het volledige rapport van dit onderzoek is opgenomen in bijlage 3. Transport over het water Het plangebied ligt niet binnen een afstand van 1070 meter van een waterweg waarover structureel transport van gevaarlijke stoffen plaatsvindt. De risico’s als gevolg van het transport van gevaarlijke stoffen over water vormen dan ook geen belemmering voor de planontwikkeling. Een verantwoordingsplicht is derhalve niet aan de orde. Transport over de weg Het plangebied ligt op een afstand van circa 450 meter van de tunnelmond van de rijksweg A73. Dit wegdeel kent geen PR 10-6-risicocontour en het PAG, waardoor deze aspecten geen belemmering vormen voor de planvorming. Aangezien het plan op meer dan 200 meter van de A73 is gelegen, is de hoogte van het groepsrisico geen aandachtspunt. Overeenkomstig het gemeentelijk beleid ligt het plangebied als gevolg van het transport van gevaarlijke stoffen over de A73 binnen zone IV.
Binnen deze zone gelden geen beperkingen voor het ruimtegebruik en dient alleen rekening gehouden te worden met de effecten van een toxische gaswolk. Er kan volstaan worden met een standaardverantwoording. Transport over het spoor Op circa 1 kilometer is de spoorlijn Sittard-Roermond (route 50S) gelegen, die is opgenomen in het basisnet spoor. Op grond van de ruimtelijke scheiding vormen de PR 10-6 risicocontour en het PAG geen belemmering voor de planvorming. Aangezien het plangebied op meer dan 200 meter van de spoorlijn is gelegen, is ook de hoogte van het groepsrisico geen aandachtspunt. Overeenkomstig het gemeentelijk beleid ligt het plangebied als gevolg van het transport van gevaarlijke stoffen over het spoor binnen zone IV. Binnen deze zone gelden geen beperkingen voor het ruimtegebruik en dient alleen rekening gehouden te worden met de effecten van een toxische gaswolk. Er kan volstaan worden met een standaardverantwoording. Buisleidingen Het plangebied ligt niet binnen het invloedsgebied van een buisleiding, waardoor het transport van gevaarlijke stoffen door buisleidingen geen belemmering vormt voor de planvorming. Een verantwoordingsplicht is niet aan de orde. Inrichtingen Het plangebied bevindt zicht niet binnen een invloedsgebied van een risicovolle inrichting in de omgeving.
De risico’s als gevolg van inrichtingen vormen geen aandachtspunt voor de planvorming waardoor een verantwoordingsplicht niet aan de orde is.
CA210028.049.R01.v1.1-toelichting
32 van 52
Verantwoording groepsrisico Met het invullen van de verantwoordingsplicht wordt antwoord gegeven op de vraag in hoeverre externe veiligheidsrisico’s in het plangebied wordt geaccepteerd en welke maatregelen zijn getroffen om het risico zoveel mogelijk te beperken. Het invullen van e verantwoordingsplicht is een taak van het bevoegd gezag. Door de verantwoordingsplicht worden gemeenten verplicht het externe veiligheidsaspect mee te laten wegen bij het maken van ruimtelijke keuzes. Deze verantwoording is kwalitatief en bevat verschillende onderdelen die aan bod kunnen of moeten komen. Het Besluit externe veiligheid transport (Bevt) geeft de regionale brandweer/Veiligheidsregio een wettelijke adviestaak bij het invullen van de verantwoordingsplicht. Het advies van de regionale brandweer/Veiligheidsregio gaat vooral over het groepsrisico en mogelijkheden om een ramp of zwaar ongeval te voorkomen of de omvang ervan te beperken en de zelfredzaamheid van personen te vergroten. Daarnaast heeft de gemeente Roermond haar eigen beleidsvisie externe veiligheid, waarin is opgenomen op welke wijze het groepsrisico verantwoord moet worden. In de onderhavige situatie dient invulling gegeven te worden aan de standaardverantwoording. Bevt- Weg- en spoorwegtransport Het Bevt geeft de regionale brandweer/Veiligheidsregio een wettelijke adviestaak bij het invullen van de verantwoordingsplicht.
De adviestaak omvat de mogelijkheden om een ramp of zwaar ongeval te voorkomen of de omvang ervan te beperken en de zelfredzaamheid van personen te vergroten. Voor zover mogelijk wordt in dit hoofdstuk invulling gegeven aan de verantwoordingsplicht. In artikel 7 en 8 van het Bevt is opgenomen wanneer sprake is van het verantwoorden van het groepsrisico. In onderhavige situatie is sprake van een beperkte verantwoordingsplicht waarbij de verantwoording dient in te gaan op de volgende onderdelen. a. De mogelijkheden tot voorbereiding van bestrijding en beperking van de omvang van een ramp op die weg, spoorweg of dat binnenwater, en b. voor zover dat plan of die vergunning betrekking heeft op nog niet aanwezige kwetsbare of beperkt kwetsbare objecten: de mogelijkheden voor personen om zich in veiligheid te brengen indien zich op die weg, spoorweg of dat binnenwater een ramp voordoet. Als gevolg van het vervoer van gevaarlijke stoffen over de weg en het spoor, dient binnen de planlocatie rekening te worden gehouden met een toxisch scenario. Toxisch scenario Toxische vloeistoffen en gassen kunnen vrijkomen als de tankwagen, -wagon of -container met toxische stoffen het begeeft als gevolg van bijvoorbeeld een incident. Hierbij komen de toxische stoffen vrij in de vorm van een plas of een wolk.
Een toxische plas zal vervolgens (gedeeltelijk) verdampen, waarbij een toxische wolk wordt gevormd. Afhankelijk van de windrichting en de weersomstandigheden kan de toxische wolk richting het plangebied drijven. Bestrijdbaarheid/beheersbaarheid De beheersbaarheid is afhankelijk van de inzetbaarheid van hulpverleningsdiensten. De brandweer moet in staat zijn om haar taken goed uit te voeren om daarmee verdere escalatie van een incident te voorkomen. Hierbij kan gedacht worden aan het voldoende/adequaat aanwezig zijn van aanvalswegen en bluswatervoorzieningen, maar
CA210028.049.R01.v1.1-toelichting
33 van 52
ook de brandweerzorgnorm wordt hier onder geschaard. Hierbij hanteert de brandweer richtlijnen zoals beschreven in de publicatie “Handleiding bluswatervoorziening en bereikbaarheid” van brandweer Nederland. Uit bovengenoemde handleiding volgt het advies dat het plangebied goed bereikbaar moet zijn voor de hulpverleningsdiensten via twee van elkaar onafhankelijke aanvalswegen, waardoor in geval van calamiteiten het plangebied bereikbaar is. Zorgnorm De brandweerzorgnorm is een aanbevolen opkomsttijd die afhankelijk is van het soort object en de risico’s voor de aanwezige personen. De opkomsttijd bestaat uit een optelsom van de uitruktijd en aanrijdtijd. De uitruktijd betreft de tijd die men heeft vanaf het alarmeren totdat met gereed is om te vertrekken naar de plaats van het incident. De uitruktijd voor een beroepskorps ligt lager dan die van een vrijwillig korps, omdat beroepsmedewerkers zich in de directe nabijheid van de kazerne bevinden. Bestrijdbaarheid toxisch scenario Bij een ongeval met toxische gassen en vloeistoffen kan de brandweer, afhankelijk van de stofintensiteit en het groeiscenario, optreden door de gaswolk neer te slaan of te verdunnen/op te nemen met water. Hiertoe dienen voldoende bluswatervoorzieningen nabij de risicobron aanwezig te zijn.
De aanwezigheid van bluswatervoorzieningen binnen het plangebied is met het oog op een toxische scenario niet relevant. Ook ten aanzien van de bereikbaarheid is bij een toxisch scenario met name de bereikbaarheid van de risicobron maatgevend. De inrichting van het plangebied heeft geen invloed op de bereikbaarheid en de bluswatervoorzieningen ter plaatse van de risicobron. Zelfredzaamheid Zelfredzaamheid is het zichzelf kunnen onttrekken aan een dreigend gevaar, zonder daadwerkelijke hulp van hulpverleningsdiensten. De mogelijkheden voor zelfredzaamheid bestaan globaal uit schuilen en ontvluchten. Mobiliteit van de aanwezigen Binnen het plangebied worden geen functies voorzien die specifiek bedoeld zijn voor minder zelfredzame personen. Het plan betreft de realisatie van 125 woningen waarvan er momenteel op dezelfde plek 126 staan. Indien minder zelfredzame personen aanwezig zijn wordt er van uitgegaan dat zij met behulp van valide personen in veiligheid kunnen worden gebracht. Mogelijkheden voor ontvluchting/schuilen Bij incidenten zal een afweging gemaakt moeten worden tussen schuilen of vluchten Bij een toxische wolk kunnen mensen komen te overlijden als gevolg van blootstelling aan de toxische stof. Of mensen daadwerkelijk komen te overlijden is afhankelijk van de dosis, die bestaat uit de blootstellingsduur en de concentratie waaraan de persoon is blootgesteld.
Aangenomen wordt dat personen die zich binnen in een van de buitenlucht afgesloten ruimte bevinden een 10 keer zo lage kans hebben te overlijden als personen die zich buiten bevinden (PGS 3) Het beste advies bij het vrijkomen van een toxische wolk als gevolg van een incident op de weg of het spoor is te schuilen, mits ramen, deuren en ventilatie gesloten kunnen worden. Om personen goed te kunnen beschermen tegen de effecten van een giftige gaswolk dienen ramen en deuren dan ook goed gesloten te kunnen worden.
CA210028.049.R01.v1.1-toelichting
34 van 52
Aangezien het nieuwbouw van woningen betreft, zal op grond van de vigerende bouwregelgeving voldoende aandacht zijn voor de luchtdichtheid van de woningen. Eventueel aanwezige luchtbehandelingsinstallaties dienen met één handeling uitgeschakeld te worden. Indien desalniettemin bij een toxische wolk wordt besloten het gebied te ontruimen, is het van belang dat personen haaks op de wolk kunnen vluchten. Hiervoor is het nodig dat er haaks op elkaar staande vluchtwegen beschikbaar zijn, die van de bron afgericht zijn. Deze wegen mogen niet doodlopen zijn. Op basis van het bestaande wegennet kan afzijdig van de bron gevlucht worden. Risicocommunicatie In zijn algemeenheid kan worden gesteld dat de zelfredzaamheid kan worden verbeterd door maatregelen zoals een waarschuwings- en alarmeringssysteem en risicocommunicatie (hoe te handelen bij een incident, gebaseerd op het eerder genoemde scenario). In geval van een calamiteit is het van levensbelang dat de aanwezigen tijdig gewaarschuwd worden. Bij invulling van de risicocommunicatie dient conform de Wet veiligheidsregio’s door het bestuur van de Veiligheidsregio’s uitgevoerd te worden.
De Veiligheidsregio ondersteunt en adviseert de gemeenten hierin in voorbereiding op een alarmering bij rampen Conclusie Op grond van bovenstaande beschouwing wordt geconcludeerd, dat geen van de risicobronnen leidt tot belemmeringen op de voorgenomen ontwikkeling.
4.7 Archeologie Archeologische waarden zijn bij wet beschermd. Sinds september 2007 is de Archeologische monumentenzorg geïmplementeerd in de Monumentenwet 1988, die vanaf 1 juli 2016 deels is overgegaan in de Erfgoedwet. De onderdelen over omgevingsrecht uit de Monumentenwet gaan (naar verwachting) in 2023 over naar de Omgevingswet. Voor deze onderdelen is een overgangsregeling in de Erfgoedwet opgenomen. De essentie is dat voorafgaand aan de uitvoering van plannen onderzoek moet worden gedaan naar de aanwezigheid van archeologische waarden en daar in de ontwikkeling van plannen zoveel mogelijk rekening mee te houden. Het archeologisch beleid is vastgelegd in de nota archeologie gemeente Roermond 2011 in combinatie met de beleidskaart archeologie, en de Erfgoedverordening 2018. Op deze kaart wordt onderscheid gemaakt tussen drie categorieën van gebieden: historische kernen, gebieden met een hoge archeologische verwachting en overige gebieden. In bestemmingsplannen zijn deze categorieën vertaald naar ‘Waarde - Archeologie’ en ‘Waarde archeologie – Historische kern’. Op basis van de beleidskaart archeologie is het plangebied aangemerkt als een gebied met hoge archeologisch verwachting. In dat kader heeft het plangebied dan ook de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie'.
Dit houdt in dat voor het bouwen van de woningen op basis van een archeologisch vooronderzoek is aangetoond dat er geen verstoring plaatsvindt van archeologische waarden of mogelijke verstoring van archeologische waarden kan worden voorkomen door aan de omgevingsvergunning voorwaarden te verbinden gericht op het behoud van de archeologische resten in de bodem, of het verrichten van archeologisch vervolg onderzoek.
CA210028.049.R01.v1.1-toelichting
35 van 52
Uitsnede gemeentelijke archeologische beleidskaar
Voorliggend plan In verband met de voorgenomen planontwikkeling voor de realisatie van woningen is door Geonius een archeologisch bureau- en booronderzoek uitgevoerd. Het volledige rapport van dit onderzoek is opgenomen in bijlage 4. Uit het onderzoek blijkt dat de geplande nieuwbouw grotendeels ter plaatse van de huidige bebouwing komt te liggen. Deze nieuwe woningen krijgen een strokenfundering (fundering op staal) welke tot circa 0,8 meter – peil reiken. Op basis van de bouwtekeningen van de huidige bebouwing kon vastgesteld worden dat de bodem hier naar verwachting 90-250 cm -mv verstoord is. De bestaande woningen zijn tot 2,5 m – peil onderkelderd en de funderingen van de woonhuizen en bergingen reiken tot 1,05 m – peil. Op basis van de boringen die rondom de huidige bebouwing uitgevoerd zijn, werd vastgesteld dat de bodem in het plangebied grotendeels verstoord is en dat hier hooguit nog diep ingegraven sporen resteren. In slechts vijf boringen werd een intacte bodem aangetroffen. Conclusie Aan de hand van de resultaten uit het onderzoek wordt geconcludeerd dat de kans op het voorkomen van archeologische vindplaatsen in het plangebied gering is en dat de geplande nieuwbouw daarom geen bedreiging vormt voor archeologie. Derhalve wordt geadviseerd het plangebied vrij te geven voor de geplande ingrepen.
Te allen tijde geldt dat mochten tijdens de voorgenomen graafwerkzaamheden alsnog archeologische waarden worden aangetroffen, hiervan melding dient te worden gemaakt conform artikel 5.10 van de erfgoedwet.
4.8 Natuur Bij ruimtelijke ingrepen dient rekening te worden gehouden met de natuurwaarden ter plaatse. De bescherming van de natuur is in Nederland vastgelegd in de Wet natuurbescherming. Deze wet vormt een uitwerking van de Europese Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn. Daarnaast vindt beleidsmatig gebiedsbescherming plaats door middel van het Nationaal Natuurnetwerk Nederland (NNN, voormalige ecologische hoofdstructuur (EHS)), die is geïntroduceerd in het ‘Natuurbeleidsplan’ (1990) van het Rijk en op provinciaal niveau in structuurvisies en verordeningen is vastgelegd.
CA210028.049.R01.v1.1-toelichting
36 van 52
Gebiedsbescherming De planlocatie ligt niet in of nabij een Natura 2000-gebied. De dichtstbij gelegen gebieden betreffen 'het Roerdal' en 'Meinweg' op een afstand van respectievelijk 0,6 km en 3,5 km.. Significant negatieve effecten op de instandhoudingsdoelstellingen op genoemde Natura 2000-gebieden kunnen met zekerheid worden uitgesloten. Vanwege de afstand is er geen sprake van effecten als vernietiging, verdroging of verstoring. Gelet op de afstand tussen het plangebied en Natura 2000-gebieden worden negatieve effecten vanwege geluidverstoring, licht of trillinghinder eveneens uitgesloten. Stikstof In het kader van het bestemmingsplan is een stikstofberekening uitgevoerd. Het rapport van deze berekening is opgenomen in bijlage 5. Op basis van deze berekening wordt geconcludeerd dat de grenswaarde van 0,00 mol stikstof/ha/j wordt overschreden met 0,04 mol stikstof/ha/j voor de aanlegfase. In de gebruiksfase is er geen overschrijding van de grenswaarde. Geconcludeerd wordt dat milieueffecten niet op voorhand kunnen worden uitgesloten. Voortoets Om te beoordelen of de berekende depositie wel of geen significante gevolgen heeft is een ecologische voortoets uitgevoerd. Het rapport van deze voortoets is opgenomen in bijlage 6.
Bij de berekende overschrijding van de grenswaarde voor in totaal 37 typen, waarvan 20 habitattypen, verdeeld over de Natura 2000-gebieden Meinweg, Roerdal, Swalmdal en Leudal gaat het om een relatief geringe extra depositie (0,01 à 0,04 mol N/ha/jaar), die geheel verwaarloosbaar is ten opzichte van de temporele en ruimtelijke natuurlijke fluctuatie in de achtergronddepositie. Voor de meeste typen geldt ook dat de trend stabiel is. De belangrijkste overweging is dat er sprake is van een tijdelijke toename van maximaal één tot drie jaar, afhankelijk van het habitattype. Er vindt geen structurele toename van depositie plaats, alleen van een tijdelijke verstoring is sprake. De berekende eenmalige toenames van stikstofdepositie zullen dan ook redelijkerwijs niet leiden tot significant negatieve gevolgen voor de betrokken stikstofgevoelige habitattypen, leefgebiedtypen en zoekgebiedtypen in de Natura 2000-gebieden Meinweg, Roerdal, Swalmdal en Leudal. Omdat significant negatieve effecten redelijkerwijs kunnen worden uitgesloten, is er geen vergunning nodig en hoeft er geen passende beoordeling te worden opgesteld. Soortenbescherming In het kader van voorliggend project is in eerste instantie een quickscan flora en fauna (Ecolybrium, kenmerk 18292) uitgevoerd. Aanvullend is voor de locatie Kempweg 16-20 eveneens een quickscan uitgevoerd (Ecolybrium, kenmerk 21-848-WZ).
De rapportages van deze quickscans zijn opgenomen in bijlage 7. Op basis van de resultaten van deze quickscans is aanvullend ecologisch onderzoek (Ecolybrium, kenmerk 18-306) uitgevoerd. Deze rapportage is opgenomen in bijlage 8. Quickscan flora en fauna Op basis van de resultaten van de quickscan wordt het volgende geconcludeerd: - Er zijn op meerdere plekken huismusnesten aangetroffen. De totale omvang van de populatie is onbekend en dient nader onderzocht te worden, zodat een gedegen effectbeoordeling en toetsing mogelijk is. - In de bebouwing zijn diverse invliegopeningen aanwezig voor vleermuizen om als vaste rust- en verblijfplaats te dienen en gierzwaluw om als broedplek te fungeren. Effecten op vleermuizen en gierzwaluwen zijn op voorhand dan ook niet uit te sluiten.
CA210028.049.R01.v1.1-toelichting
37 van 52
-
-
Ter plekke van de ingreeplocatie is het voorkomen van andere beschermde soorten zoals, planten, libellen, dagvlinders, vissen, reptielen, amfibieën, grondgebonden zoogdieren en overige ongewervelden geheel uit te sluiten. Effecten treden daarmee niet op; De beoogde sloop kan derhalve leiden tot effecten op huismussen en vleermuizen en mogelijk tot overtredingen van verbodsbepalingen van de Wet natuurbescherming. Het is dan ook noodzakelijk om een huismus- en vleermuisonderzoek uit te voeren, om dit te kunnen beoordelen.
Aanvullen ecologisch onderzoek: Naar aanleiding van de resultaten van de quickscan is aanvullend ecologisch onderzoek uitgevoerd naar de huismus en de vleermuis. Uit dit onderzoek is gebleken dat: - Er in de te renoveren woningen vaste rust- en verblijfplaatsen aanwezig zijn van de gewone dwergvleermuis en van de laatvlieger. Het betreft hier alleen zomerverblijven; - Er diverse nesten van huismus aanwezig zijn in te renoveren woningen; - Er een ontheffing in het kader van de Wet natuurbescherming noodzakelijk is, voor de vernietiging van de verblijfplaatsen van gewone dwergvleermuis, laatvlieger en de nestlocaties van de huismus. Ten behoeve van de sloop zullen maatregelen genomen moeten worden om negatieve effecten te voorkomen en de functionaliteit van verblijfplaatsen te garanderen. Deze maatregelen bestaan uit het realiseren van tijdelijke verblijfplaatsen, verstorende werkzaamheden uitvoeren buiten de gevoelige periode en het realiseren van nieuwe permanente voorzieningen voor de aangetroffen soorten en functies. De maatregelen moeten worden vastgelegd in een ecologisch activiteitenplan en ter goedkeuring worden voorgelegd aan de provincie Limburg, middels een ontheffingsaanvraag.
Ontheffing Wet Natuurbescherming: Op 23 november 2021 is een aanvraag gedaan om ontheffing van de verbodsbepalingen als bedoeld in artikel 3.5, tweede en vierde lid, Wet natuurbescherming voor de sloop en nieuwbouw van woningen in onderhavig plangebied. In dat kader hebben Gedeputeerde Staten van Limburg op 25 juli 2022, gelet op het bepaalde in de artikelen 3.3 en 3.8 van de Wet natuurbescherming (Wnb), en gelet op de overwegingen die zijn opgenomen in de ontheffing, besloten om ontheffing te verlenen (Bijlage 9). Deze ontheffing is voor de volgende handelingen verleend: - het opzettelijk vernielen of beschadigen van nesten, rustplaatsen en eieren van de huismus (Passer domesticus) en de gierzwaluw (Apus apus) of hun nesten wegnemen, artikel 3.1, tweede lid, Wnb; - het opzettelijk verstoren van de gewone dwergvleermuis (Pipistrellus pipistrellus), artikel 3.5, tweede lid, Wnb; - het beschadigen of vernielen van de voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van de gewone dwergvleermuis (Pipistrellus pipistrellus), artikel 3.5, vierde lid, Wnb; Aan deze ontheffing zijn nader voorschiften verbonden en is verleend voor de periode 25 juli 2022 tot 1 februari 2025. Daarnaast blijven de betreffende mitigerende en compenserende maatregelen van kracht na afloop van de periode van de ontheffing.
Houtkap Ten behoeve van de planontwikkeling dienen meerdere bomen te worden gekapt binnen het plangebied. Naar aanleiding hiervan is door Geonius een bomeninventarisatie uitgevoerd. Deze inventarisatie is bijgevoegd als bijlage 10.
CA210028.049.R01.v1.1-toelichting
38 van 52
Geen van de bomen staat op de kaart monumentale bomen van de gemeente of maakt onderdeel uit van de structuurbomen zoals weergegeven op de Structuurkaart. Tevens is geen van de bomen aangewezen als rijksmonument, beschermd dorpsgezicht, groencompensatie of is via een privaatrechtelijke overeenkomst aangeplant. Ten behoeve van de planontwikkeling zal te zijner tijd een 'omgevingsvergunning kappen houtopstand’ worden aangevraagd. Conclusie: Gelet op het vorenstaande vormt het aspect Natuur geen belemmering voor onderhavige planontwikkeling.
4.9 Waterparagraaf 4.9.1 Beleidskaders Nationaal Beleid Europese Kaderrichtlijn Water (KRW) De KRW is in 2000 in werking getreden en is bedoeld om te zorgen voor een goede chemische en ecologische kwaliteit van het watersysteem. De KRW-doelstellingen zijn gericht op het voorkomen van achteruitgang (standstill) en het streven naar verbetering van de ecologische (verbetering tot aan GEP, Goede Ecologische Potentieel) en chemische toestand (verbetering tot aan GCT, Goede Chemische Toestand). De KRW-opgave voor een goede chemische waterkwaliteit gaat over het terugdringen van de verontreinigde stoffen zoals zware metalen en gewasbeschermingsmiddelen. De KRW-opgave voor een goede ecologische waterkwaliteit betreft maatregelen zoals het aanleggen van natuurvriendelijke oevers, het aanleggen van vispaaiplaatsen, het vis passeerbaar maken van kunstwerken en het voorkomen van verontreiniging. Gemeenten leggen de kansen vast in onder meer structuurvisies en bestemmingsplannen. In de landelijke ’Handreiking Ruimtelijke planprocessen en waterkwaliteit‘ is een beslisboom met toelichting opgenomen, waarmee kan worden bepaald hoe in ruimtelijke planprocessen waterkwaliteit kan worden meegenomen. Voor Waterschap Limburg is de KRW bepalend voor projecten die gericht zijn op waterkwaliteit, -kwantiteit en onderhoud.
Een KRW-project voor Waterschap Limburg volgt als na toetsing blijkt dat een norm uit de Kaderrichtlijn Water niet gehaald wordt en dat het uitvoeren van de benodigde maatregelen tot de taak van het waterschap behoort. Uitwerking van de KRW doelstellingen vind plaats in nationale, provinciale en regionale plannen. Binnen het plangebied bevinden zich geen KRW wateren. Waterwet De Waterwet [2] regelt sinds 22 december 2019 in hoofdzaak het beheer van watersystemen, waaronder waterkeringen, oppervlaktewater- en grondwaterlichamen. De wet is gericht op het voorkomen dan wel beperken van overstromingen, wateroverlast en waterschaarste, de bescherming en verbetering van kwaliteit van watersystemen en de vervulling van maatschappelijke functies door watersystemen. Niet in de laatste plaats levert de Waterwet een belangrijke bijdrage aan kabinetsdoelstellingen zoals: vermindering van regels, vereenvoudiging van vergunningstelsels en vermindering van administratieve lasten. Totdat de Omgevingswet in werking treedt blijft de Waterwet van kracht.
CA210028.049.R01.v1.1-toelichting
39 van 52
Nationaal Bestuursakkoord Water Het Nationaal Bestuursakkoord Water is opgesteld door het Rijk, de provincies, de gemeenten en de Unie van Waterschappen [3]. Het akkoord is afgesloten in juli 2003 en geactualiseerd in 2008. In het akkoord zijn afspraken vastgelegd voor een duurzame en klimaatbestendige waterhuishouding in Nederland. Doel van het Bestuursakkoord Water is om het watersysteem op orde te hebben en te houden zodat problemen met wateroverlast, watertekort en waterkwaliteit zoveel mogelijk voorkomen worden In het Nationaal Bestuursakkoord Water-actueel (2008) is opnieuw afgesproken om het watertoetsproces te doorlopen bij alle waterhuishoudkundig relevante ruimtelijke plannen en besluiten van rijk, provincies en gemeenten. Met de introductie van de Omgevingswet veranderd de term ‘watertoets’ in: weging van het waterbelang. Nationaal Waterprogramma Het Nationaal Water Programma (NWP) 2022–2027 [4] geeft een overzicht van de ontwikkelingen binnen het waterdomein en legt nieuw ontwikkeld beleid vast. Gewerkt wordt aan schoon, veilig en voldoende water dat klimaatadaptief en toekomstbestendig is. Ook is er aandacht voor de raakvlakken van water met andere sectoren.
Het NWP beschrijft de nationale beleids- en beheerdoelen op het gebied van: • klimaatadaptatie; • waterveiligheid; • zoetwater en waterverdeling; • waterkwaliteit en natuur; • scheepvaart; • de functies van de rijkswateren. Belangrijke onderdelen van het NWP zijn • de stroomgebiedbeheerplannen; • het overstromingsrisicobeheerplan; • het Programma Noordzee. Provinciaal Beleid Het waterbeleid van de provincie Limburg voor de jaren 2022-2027 staat in het Provinciaal Waterprogramma [5]. Het provinciaal waterprogramma is in samenwerking met Waterschap Limburg opgesteld en betreft een bindend document met het waterbeleid, met als doelstelling het realiseren van een duurzaam, robuust en ecologisch gezond watersysteem dat kan omgaan met wateroverlast en droogte en dat voorziet in voldoende water van goede kwaliteit. Waterschap Elke zes jaar leggen waterschappen vast welke aanpak en welke maatregelen nodig zijn om de watertaken goed te kunnen uitvoeren. Dit gebeurt in het waterbeheerprogramma (WBP). Eind 2020 heeft het dagelijks bestuur na een uitgebreid participatieproces het ontwerp Waterbeheerprogramma 2022-2027 vastgesteld [6]. Hiermee zijn de Limburgse wateropgaven voor de toekomst bepaald. De belangrijkste thema’s waaronder het Waterschap in dit plan de speerpunten heeft geformuleerd zijn: • Hoogwaterbescherming Maasvallei: bescherming tegen overstromingen vanuit de Maas.
• Klimaatadaptatie: balans tussen water afvoeren én water vasthouden.
CA210028.049.R01.v1.1-toelichting
40 van 52
• •
Waterkwaliteit en ecologie: het water is schoon en wateren zin natuurlijk ingericht. Zuiveren en waterketen: zuiveren rioolwater en grondstoffen terugwinnen en gebruiken.
Duurzamer grondgebruik in het stroomgebied van de Maas en de beken zorgt voor een gelijkmatiger afvoerdynamiek. Regenwater infiltreren in stedelijk gebied helpt daar ook bij, voorkomt dat riolen overstorten en ontlast onze zuiveringen. Een constantere aanvoer in de zomer verlaagt de kans op waterkwaliteitsproblemen door droogte en hitte. Kortom: alle uitdagingen in samenhang met elkaar bekijken. Met de maatregelen lost het waterschap het liefst meerdere problemen tegelijk op: een integrale aanpak. Keur, uitvoeringsregels, beleidsregels en legger De Keur is regelgeving over wat mensen wel en niet mogen doen in en nabij water, dijken en stuwen [7]. Op de Legger staan alle oppervlaktewateren en dijken aangegeven die Waterschap Limburg in beheer heeft en waarop de Keur van toepassing is. In de uitvoeringsregels staan de belangrijkste inhoudelijke regels over activiteiten of handelingen in of in de buurt van een oppervlaktewater of waterkering die op de legger staat. Als voor een bepaalde activiteit geen uitvoeringsregel is opgesteld, dan moet u zich houden aan de zorgplicht. Voor de meest voorkomende vergunningplichtige activiteiten zijn er beleidsregels. In deze beleidsregels staat met welke criteria een vergunningsaanvraag beoordeeld wordt. Door middel van het opstellen van de waterparagraaf worden de uitgangspunten en toetsingscriteria van het Waterschap inzichtelijk gemaakt.
Plannen dienen onder andere hydrologisch neutraal te zijn, dat wil zeggen dat de opgave voor watercompensatie (waterberging) ten behoeve van het dempen van wateroppervlak of ten behoeve van het uitbreiden van verhard oppervlak in een plan meegenomen dienen te worden. Maar ook andere aspecten zoals waterkwaliteit en beheer en onderhoud worden beschouwd. Gemeentelijk beleid In 2016 is er een toekomst visie Roermond 2030 opgesteld. Hier wordt voor 5 hoofdthema’s een toekomstbeeld geschetst voor de gemeente. Eén van de hoofdthema’s is; Roermond een historische binnenstad aan het water. Roermond is in 2030 een levendige historische binnenstad aan het water. Het historische decor en de verbinding met het water dragen bij aan een unieke beleving. In 2030 opent de binnenstad zich naar het water toe. In de overgangszone ontmoeten groen en water en dynamische stedelijkheid elkaar en lopen in elkaar over. Water is dus een belangrijk thema binnen het beleid van de gemeente. In het gemeentelijk Rioleringsplan (GRP 2017-2010) zijn doelen opgenomen met betrekking tot de waterhuishouding en riolering. • Doel 1: Zorgen voor inzameling en transport van stedelijk afvalwater. • Doel 2: Zorgen voor inzameling (voor zover niet door de particulier) en verwerking van hemelwater • Doel 3: Zorgen dat (voor zover mogelijk) het grondwater de bestemming van een gebied niet structureel belemmert.
Bij nieuwbouwsituaties geldt het beleid dat, indien technisch mogelijk, geen hemelwater mag worden afgevoerd naar de riolering. Bij (kleinschalige) nieuwbouw moet de initiatiefnemer in eerste instantie het hemelwater zelf infiltreren in de bodem of afvoeren naar het oppervlaktewater. Is dat niet mogelijk dan worden afspraken op maat gemaakt. Het hemelwater moet bij voorkeur bovengronds worden gehouden.
CA210028.049.R01.v1.1-toelichting
41 van 52
Voor het afkoppelen van hemelwater wordt in het rioleringsplan aansluiting gezocht bij de voorkeurstabel afkoppelen in de visie ‘Regenwater schoon naar beek en bodem’ van de Limburgse waterbeheerders. Hemelwater wordt zoveel mogelijk geïnfiltreerd of zo nodig na lokale zuivering afgevoerd naar het oppervlaktewater binnen of in de omgeving van het plangebied.
4.9.2 Watertoets In het kader van de watertoets moet elk bestemmingsplan een waterparagraaf bevatten, waarin wordt aangegeven hoe in het bestemmingsplan wordt omgegaan met het aspect water. Door Geonius is ten behoeve van de planontwikkeling een watertoets uitgevoerd. Deze watertoets is integraal als bijlage 11 bij de toelichting van het plan gevoegd. Hieronder wordt volstaan met een samenvatting. Proces De nieuwe situatie is besproken met de gemeente en hierna voorgelegd aan de waterbeheerder (waterschap Limburg) voor een wateradvies. Hiermee is aan de verplichting tot een wateradvies voldaan. Compensatie Als gevolg van de verandering van de verharding (sloop – herbouwen van 12.700 m2) dient er 1270 m3 waterberging voorzien te worden volgens de regels van Waterschap Limburg (100 mm compensatie per 2 uur voor elke m2 verharding). De gemeente Roermond hanteert 84 mm berging ten opzichte van het aangesloten verhard oppervlak, wat neerkomt op 1.067 m3. Oppervlaktewater In het huidige plangebied is er geen oppervlaktewater aanwezig, of in de nabijheid aanwezig. Hemelwater Hemelwater vallend op de bebouwing, verharding en parkeervakken voert in de huidige situatie af naar het gemengde stelsel. Er wordt ernaar gestreefd de nieuwe bebouwing en verharding compleet af te koppelen van de gemengde riolering, doormiddel van berging en infiltratie op eigen terrein/openbaar terrein.
Hierbij is aangetoond dat infiltratiekratten op de percelen en parkeerhavens in beheer van Wonen Zuid voldoende berging geven voor de compensatie van de nieuwe woningen en verharding. Hemelwater vallend op groen en paden binnen het plangebied kan vrij afwateren/uitvloeien en infiltreren. De gemeente is voornemens de mogelijkheden te onderzoeken voor het afkoppelen van de openbare verharding in het plangebied. Hierbij kan de benodigde berging gezocht worden in infiltratiekratten onder de openbare parkeerplaatsen in combinatie met wadi’s in het openbaar groen. Bij eventuele aanleg van een centraal berging/infiltratie systeem zijn er geen voorzieningen op de percelen noodzakelijk. De keuze van het nader uit te werken systeem kan in deze fase nog niet worden gemaakt. Echter is er aangetoond dat er voldoende ruimte beschikbaar is om de benodigde berging te kunnen realiseren. En is het afkoppelen van het hemelwater van openbaar terrein ook het advies van Waterschap Limburg. Er dienen daarom duidelijke afspraken gemaakt te worden tussen gemeente Roermond en de projectontwikkelaar Wonen Zuid over de eigendom-, beheer- en onderhoudsgrenzen en de toekomstige inpassing. Riolering
CA210028.049.R01.v1.1-toelichting
42 van 52
Huishoudelijk afvalwater van de woningen wordt aangesloten op het bestaand gemengd riool in het projectgebied, of het in de toekomst vervangend gescheiden systeem. Gevolgen Binnen het plangebied spelen geen bijzondere waterbelangen. De ingrepen binnen het plangebied zullen geen invloed hebben op het (omliggende) watersysteem. Door het afkoppelen van het hemelwater en te infiltreren in de bodem hoeft er minder rioolwater gezuiverd te worden. De nieuwe groenere inrichting en het infiltreren van hemelwater in de bodem draagt bij aan het verminderen van verdroging en hittestress binnen de verstedelijkte kern van Roermond. Conclusie: Gelet op het vorenstaande vormt het aspect waterhuishouding geen belemmeringen voor onderhavige plan.
4.10 Verkeer en parkeren Parkeren Zoals in 3.4.3 besproken is op 11 november 2021 de Nota Parkeernormen Roermond 2021 vastgesteld. Naar aanleiding van de daar genoemde normen kan worden nagegaan of voorliggende bestemmingsplan hieraan voldoet. Voor het plangebied gelden de normen uit de categorie 'rest bebouwde kom’. Uitgaande van het segment ‘Sociale huur’ betreft de parkeerbehoefte per woning 1,5 parkeerplaatsen. Het plangebied bestaat uit drie deelgebieden: twee kleinere deelgebieden aan de Kempstraat en de Celebesstraat en het centrale deelgebied rondom de Kempweg, Floresstraat, Celebesstraat en het Karel Doormanplein. In het deelgebied aan de Kempstraat (huisnummers 16 t/m 22) worden vier bestaande woningen vervangen door vier nieuwe (senioren)woningen en in het deelgebied aan de Celebesstraat (huisnummers 72 t/m 82) worden zes bestaande woningen vervangen door zes nieuwe (senioren)woningen. De ontwikkeling in deze twee kleine deelgebieden betreft uitsluitend vervangende nieuwbouw. In deze deelgebieden vinden geen aanpassingen van de openbare ruimte plaats. Aangezien er geen woningen worden toegevoegd is de parkeerbehoefte in de nieuwe situatie gelijk aan die van de bestaande situatie. Binnen het grootste deelgebied rondom de Kempweg, Floresstraat, Celebesstraat en het Karel Doormanplein vindt herstructurering plaats.
Naast de sloop en nieuwbouw van woningen vinden hier tevens aanpassingen plaats in de openbare ruimte waarbij onder andere wordt voorzien in extra parkeergelegenheid. Met de herontwikkeling van dit deelgebied worden de 116 bestaande woningen vervangen door 114 nieuwe woningen. Met deze afname van 2 woningen is de parkeerbehoefte in de nieuwe situatie lager dan in de huidige situatie. In de huidige situatie zijn er binnen dit projectgebied 128 parkeerplaatsen aanwezig waarvan 26 parkeerplaatsen op eigen terrein. Dit komt overeenkomt met 1,10 parkeerplaats per woning. In de nieuwe situatie is een toename van 37 parkeerplaatsen voorzien en worden binnen dit deelgebied 165 openbare parkeerplaatsen gerealiseerd ten behoeve van de 114 woningen. Dit komt overeen met 1,48 parkeerplaats per woning. Uitgaand van de parkeernorm van 1,5 parkeerplaats per woning betreft de parkeerbehoefte van dit deelgebied 171 parkeerplaatsen. Feitelijk bestaat er daarmee een tekort van 6 parkeerplaats. In verband met de gefaseerde uitvoering van het plan kan de situatie ontstaan waarbij er voor 114 woningen 158 parkeerplaatsen beschikbaar zijn, waarvan 3 parkeerplaatsen op eigen terrein. Uitgaand van de parkeerbehoefte van 171 parkeerplaatsen bestaat daarmee binnen dit deelgebied een tekort van 14 parkeerplaatsen.
CA210028.049.R01.v1.1-toelichting
43 van 52
Door Kragten is in 2020 een onderzoek naar de parkeerdruk in de omgeving van het plangebied uitgevoerd welke is bijgevoegd in bijlage 12. Uit het parkeerdrukonderzoek blijkt dat binnen het projectgebied de hoogste bezettingsgraad 74% is in de Celebesstraat west. De totale bezettingsgraad binnen het projectgebied bedraagt in de huidige situatie minder dan 60%. Voorliggende herontwikkeling voorziet in de afname van 2 woningen waarbij tevens 37 extra parkeerplaatsen worden gerealiseerd. Op basis hiervan kan geconcludeerd worden dat door de herontwikkeling van het plangebied het parkeren in de openbare ruimte van de omliggende straten van het plangebied zal verminderen. Hierdoor zal de parkeerdruk ook verminderen ten opzichte van de huidige bestaande situatie. De bezettingsgraden van de parkeerplaatsen zullen hierdoor lager zijn dan nu (< 60%), waarmee ruimschoots onder een bezetting van 85% wordt gebleven. Geconcludeerd wordt dat er bij de herontwikkeling voldoende parkeerplaatsen beschikbaar zullen zijn voor de beoogde woningen. Door de toevoeging van extra parkeerplaatsen neemt de parkeerdruk binnen het plangebied af waarbij de parkeerdruk op de maatgevende momenten beduidend lager zal zijn dan 85%. Het aspect parkeren vormt daarmee geen belemmering voor het plan. Verkeer De voorgenomen ontwikkeling leidt niet tot aanpassingen in de wegenstructuur.
Doordat er twee woningen minder wordt gerealiseerd, is er geen toename in verkeersbewegingen te verwachten. Het aspect verkeer vormt geen belemmering voor het plan.
4.11 Bezonning en privacy Het planvoornemen voorziet in de herstructurering van het plangebied. De bestaande woningen worden daarbij vervangen door nieuwe woningen. Binnen het plangebied wordt geen hoogbouw gerealiseerd waardoor geen sprake kan zijn van onaanvaardbare inkijk in de achtertuinen van de aangrenzende woningen. Gezien de situering en de hoogte (1 en 2 bouwlagen met kap) van de nieuwe woningen blijft de bezonning en privacy van de aangrenzende woningen voldoende gewaarborgd. De nieuwe woningen, grenzend aan de bestaande woningen, worden niet noemenswaardig hoger dan de bestaande woningen. Daarbij worden deze woningen op dezelfde (of grotere) afstand gesitueerd t.o.v. de bestaande woningen. Uitzondering hierop vormt de situatie hoek Borneostraat – Karel Doormanplein. Hier zijn de woningen in de nieuwe situatie aan het Karel Doormanplein gesitueerd in plaats van aan de Borneostraat zoals in de bestaande situatie. Voor deze situatie is een bezonningsstudie uitgevoerd. Deze studie is bijgevoegd in bijlage 13. In de bezonningsstudie is gekeken naar de schaduwwerking op verschillende momenten op de dag op zowel de kortste als de langste dag van het jaar en in de voor- en nazomer. Hierbij is de huidige/oude situatie vergeleken met de situatie die voorziet in de nieuwbouw.
CA210028.049.R01.v1.1-toelichting
44 van 52
Uit de bezonningsstudie blijkt een zeer beperkt effect van de nieuwbouw op de bezonning van de omliggende percelen. Alleen voor het perceel aan de Karel Doormanplein 13 zal er gedurende de middaguren in de voorjaarsen herfstperiode een vermindering van zonlicht in de zijtuin merkbaar zijn. Gezien het feit dat de er ondanks de nieuwbouw nog meer dan voldoende daglicht in de woning aan de Doctor Philipslaan 13 zal toetreden en er geen vermindering van zonlicht op de andere omliggende percelen van het plangebied plaatsvindt, is er geen sprake is van een onevenredige afname van bezonning.
4.12 Milieueffectrapportage Op 7 juli 2017 is het gewijzigde Besluit m.e.r. in werking getreden. In het gewijzigde Besluit staat de nieuwe procedure voor de vormvrije m.e.r.-beoordeling. Voor elke aanvraag waarbij een vormvrije m.e.r.beoordeling aan de orde is moet een m.e.r.-beoordelingsbesluit worden genomen. Dit houdt in dat in afwijking van voorheen voor iedere activiteit dat wordt genoemd in kolom 1 en onder de drempelwaarde blijft van gevallen in kolom 2, een m.e.r.-beoordelingsbesluit moet worden genomen.
Kolom 1
Kolom 2
Kolom 3
Kolom 4
Activiteiten
Gevallen
Plannen
Besluiten
In gevallen waarin de activiteit betrekking heeft op: 1°. een oppervlakte van 100 hectare of meer, 2°. een aaneengesloten gebied en 2000 of meer woningen omvat, of 3°. een bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m2 of meer.
De structuurvisie, bedoeld in de artikelen 2.1, 2.2 en 2.3 van de Wet ruimtelijke ordening, en het plan, bedoeld in artikel 3.1, eerste lid, van die wet.
De vaststelling van het plan, bedoeld in artikel 3.6, eerste lid, onderdelen a en b, van de Wet ruimtelijke ordening dan wel bij het ontbreken daarvan van het plan, bedoeld in artikel 3.1, eerste lid, van die wet.
D De aanleg, wijziging of 11.2 uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen.
Uit bijlage onderdeel D, Besluit milieueffectrapportage.
CA210028.049.R01.v1.1-toelichting
45 van 52
Wanneer een woningbouwplan wordt getoetst aan onderdeel D en wordt gekeken in kolom 2 van de Dlijst, is hier een drempelwaarde opgenomen voor '2000 of meer woningen'. Omdat het planvoornemen ruim beneden de drempelwaarde valt, kan worden volstaan met een vormvrije m.e.r.-beoordeling. Voor deze vormvrije m.e.r.-beoordeling dient de initiatiefnemer een zogenaamde aanmeldingsnotitie op te stellen. Deze aanmeldingsnotitie is in principe vormvrij, mits wordt voldaan aan opbouw uit bijlage III bij de Europese richtlijn 'betreffende de milieubeoordeling van bepaalde openbare en particuliere projecten'. Daarbij is gekozen voor een beknopte samenvattende notitie die als bijlage bij deze toelichting is opgenomen. In de bovengenoemde Europese richtlijn is gesteld dat moet worden ingegaan op: 1. Kenmerken van het project. Hierbij dient in het bijzonder in overweging worden genomen, de omvang van het project, de cumulatie met andere projecten, het gebruik van hulpbronnen, de productie van afvalstoffen, verontreiniging en hinder en risico van ongevallen (met name gelet op de gebruikte stoffen of technologieën). 2. De plaats van het project.
Bij de mate van kwetsbaarheid van het milieu in de gebieden waarop de projecten van invloed kunnen zijn, moet in het bijzonder in overweging worden genomen, het bestaande grondgebruik, de relatieve rijkdom aan en de kwaliteit van het regeneratievermogen van natuurlijke hulpbronnen van het gebied en het opnamevermogen van het natuurlijk milieu. Hierbij geldt dat in het bijzonder aandacht dient uit te gaan naar de volgende typen gebieden: wetlands, kustgebieden, berg- en bosgebieden, reservaten en natuurparken, vogelrichtlijn- of habitatrichtlijngebieden, gebieden waarbij vastgestelde normen inzake milieukwaliteit worden overschreden, gebieden met een hoge bevolkingsdichtheid of landschappen van historisch, cultureel of archeologisch belang. 3. Kenmerken van het potentiële effect. Bij de potentiële aanzienlijke effecten van het project moeten in samenhang met de criteria van bovenstaande punten in het bijzonder in overweging worden genomen: het bereik van het effect (geografische zone en grootte van de getroffen bevolking, het grensoverschrijdende karakter van het effect, de waarschijnlijkheid van het effect en de duur, frequentie en omkeerbaarheid van het effect.
Aanmeldnotitie vormvrije m.e.r.-beoordeling Om een correcte beoordeling te kunnen geven over de mogelijke milieugevoelige effecten die de voorgenomen ontwikkeling kan veroorzaken, is een aanmeldnotitie vormvrije m.e.r.-beoordeling opgesteld. Op basis van deze notitie is door het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Roermond besloten dat een verdere m.e.r.-procedure niet aan de orde is. De volledige aanmeldnotitie is als Bijlage 14 bij deze toelichting opgenomen.
CA210028.049.R01.v1.1-toelichting
46 van 52
5 Uitvoerbaarheid Naast het toetsen van het planvoornemen aan diverse milieu- en veiligheidsaspecten, dient het planvoornemen ook getoetst te worden aan de uitvoerbaarheid. Hierbij wordt gekeken naar de economische uitvoerbaarheid en de maatschappelijke uitvoerbaarheid. Daarnaast moet er getoetst worden of participatie plaats heeft gevonden en op welke manier.
5.1 Economische uitvoerbaarheid Bij de voorbereiding van een bestemmingsplan dient op grond van artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) in de plantoelichting minimaal inzicht te worden gegeven in de economische uitvoerbaarheid van het plan. Tevens is met de inwerkingtreding van de Wet ruimtelijke ordening de verplichting ontstaan om, indien sprake is van ontwikkelingen waarvoor de gemeente redelijkerwijs kosten moet maken, bijvoorbeeld voor de aanleg van voorzieningen van openbaar nut, en de plankosten, deze moeten worden verhaald op de initiatiefnemer c.q. ontwikkelaar. Een en ander dient te worden vastgelegd in privaatrechtelijke overeenkomst met iedere grondeigenaar. Als er met een grondeigenaar geen overeenkomst is gesloten en het kostenverhaal niet anderszins is verzekerd, dient een exploitatieplan te worden opgesteld welke tegelijkertijd met het bestemmingsplan moet worden vastgesteld. Voor onderhavig planvoornemen wordt een overeenkomst gesloten tussen initiatiefnemer en de gemeente. In de overeenkomst zijn afspraken gemaakt over de verdeling van kosten om de realisatie van het bouwprogramma, de (weg)infrastructuur en het openbaar groen mogelijk te maken. Daarmee zijn de kosten in voldoende mate verzekerd. Een exploitatieplan is daarmee niet noodzakelijk. Binnen het plangebied zijn momenteel nog 5 woningen in particulier bezit.
Ten behoeve van de realisatie van het eindbeeld heeft Wonen Zuid de intentie tot aankoop van deze woningen. Het plan voor de herontwikkeling zal gefaseerd worden uitgevoerd. Daarbij wordt de fasering van de herontwikkeling afgestemd op beschikbaarheid van de woningen welke nog in particulier eigendom zijn. In voorliggend bestemmingsplan is rekening gehouden met de hiervoor beschreven fasering. Het plan voorziet in een planologisch kader voor zowel het eindbeeld als voor de situatie waarin een deel van de bestaande woningen (inclusief de woningen die in particulier bezit zijn) nog behouden blijven.
5.2 Maatschappelijke uitvoerbaarheid Het planvoornemen voorziet in de herstructurering van bestaand bebouwd gebied door de bouw van 124 sociale woningen (87 gezinswoningen en 37 nultredewoningen). Daarmee wordt zowel kwantitatief als kwalitatief voorzien in de actuele woningbehoefte. Het plan wordt gerealiseerd in een gebied met uitsluitend een woonfunctie. Met dit planvoornemen vindt geen wezenlijke wijziging plaats van de bestaande ruimtelijke structuur. Uit de voorgaande hoofdstukken blijkt dat het plan ter plaatse goed inpasbaar is. Tevens heeft het nodige overleg plaatsgevonden met de belanghebbenden in de omgeving. Ook is op verschillende momenten met de gemeente gesproken over de stand van zaken met betrekking tot de planvorming en wijze van communicatie. De bewoners zijn al in een vroeg stadium betrokken bij de planvorming. In de eerste helft van 2019 is een bewonersenquête uitgevoerd. Daarnaast zijn in juni 2019 een tweetal evenementen georganiseerd waarbij Wonen Zuid met de bewoners in gesprek is gegaan over de thema’s Technische kwaliteit en Plattegronden, Huurprijzen en Woningtype, Bewonersparticipatie en Huurdersbelangen en Duurzaamheid en Nieuwbouw. In oktober 2021 heeft er een bewonersbijeenkomst plaatsgevonden. Na de
CA210028.049.R01.v1.1-toelichting
47 van 52
inloopmiddag van oktober 2021 is er regelmatig contact geweest met de wijkraad, is er een bewonerscommissie samengesteld bestaande uit een aantal zittende huurders, en heeft er regulier overleg plaatsgevonden met de bewonerscommissie, de wijkraad en de huurdersbelangenvereniging (HWZ, Huurdersvereniging Wonen Zuid). Het bestemmingsplan is conform de wettelijke vereisten kenbaar gemaakt. De maatschappelijke uitvoerbaarheid van een bestemmingsplan wordt getoetst aan het overleg met de wettelijke overlegpartners en een zienswijzenperiode voor reacties van eenieder. Het ontwerpbestemmingsplan is in het kader van het overleg ex artikel 3.1.1 Bro verzonden aan de wettelijk overlegpartners. Het ontwerpbestemmingsplan heeft voorafgaand aan de vaststelling de procedure doorlopen zoals door de Wro is voorgeschreven. Dit betekent dat het plan gedurende 6 weken ter inzage is gelegd. Gedurende deze periode is één zienswijze tegen het ontwerpbestemmingsplan ingediend. De zienswijze heeft geen aanleiding gegeven om het plan niet vast te stellen, of het plan te wijzigen. In de Nota van zienswijzen, die als bijlage 15 is opgenomen bij deze plantoelichting, is de zienswijze samengevat, en is de zienswijze van een reactie voorzien.