bijlage 3. Was - Wordt overzicht
Tekst van het document
WAS (Erfgoedverordening 2018)
WORDT (erfgoedverordening Roermond 2023)
WORDT (beleidsregel erfgoedsubsidies Roermond 2023)
ERFGOEDVERORDENING 2018
ERFGOEDVERORDENING ROERMOND 2023
BELEIDSREGEL ERFGOEDSUBSIDIES ROERMOND 2023
HOOFDSTUK 1
HOOFDSTUK 1 DEFINITIES
HOOFDSTUK 1
Artikel 1 Definities Deze verordening verstaat onder:
Artikel 1 definities Deze beleidsregel verstaat onder:
ALGEMENE BEPALINGEN
Artikel 1 Definities Deze verordening verstaat onder:
WIJZIGING
DEFINITIES
Gewijzigd en deels verplaatst naar beleidsregel
Archeologische monumentenzorg: De bescherming van archeologische waarden. Archeologisch terrein of vindplaats: Een terrein waarvan bekend is dat er in het verleden archeologische vondsten zijn gedaan.
Beschermd (gemeentelijk) stads- c.q. dorpsgezicht: Stads- c.q. dorpsgezicht dat als zodanig ingevolge artikel 35 van de Monumentenwet 1988 of op basis van hoofdstuk 3 van deze verordening is aangewezen. Beleidsondersteunende activiteiten: Door derden te organiseren activiteiten die ondersteunend werken aan het vastgestelde beleid op het gebied van monumentenzorg en/of archeologie.
gemeentelijk beschermd stads- of dorpsgezicht: stads- of dorpsgezicht als bedoeld in de bijlage bij artikel 1.1 van de Omgevingswet dat als zodanig is aangewezen op grond van artikel 18; Beleidsondersteunende activiteiten: Door derden te organiseren activiteiten die ondersteunend werken aan het vastgestelde beleid op het gebied van monumentenzorg en/of archeologie.
Bevoegd gezag: Het bestuursorgaan als bedoeld in artikel 1.1., eerste lid, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht. Buitenplaats: Het geheel van samenstellende onderdelen van een tot rijksmonument aangewezen buitenplaats. Casco: De muren en de kap inclusief de fundering. Hiertoe worden ook de buitenafwerking en de ramen, vensters, kozijnen en deuren in de buitenmuren gerekend.
Casco: De muren en de kap inclusief de fundering. Hiertoe worden ook de buitenafwerking en de ramen, vensters, kozijnen en deuren in de buitenmuren gerekend. College: Het college van burgemeester en wethouders van Roermond.
1
College: Het college van burgemeester en wethouders van Roermond. Commissie Beeldkwaliteit: De in de Verordening op de Commissie Beeldkwaliteit voorziene commissie. Eigenaar: De natuurlijke persoon of rechtspersoon, die het recht van eigendom dan wel een ander zakelijk recht op een monument heeft.
Eigenaar: De natuurlijke persoon of rechtspersoon, die het recht van eigendom dan wel een ander zakelijk recht op een monument heeft.
Gebouw voor de eredienst: Gemeentelijk- of rijksmonument van oorsprong ontworpen en gebouwd voor het vieren van een eredienst.
Gebouw voor de eredienst: Gemeentelijk monument van oorsprong en in hoofdzaak ontworpen en gebouwd voor het vieren van een eredienst.
Gemeentelijk monument: Onroerende zaken die bij besluit van het college als gemeentelijk monument zijn aangewezen.
Gemeentelijk monument: monument of archeologisch monument als bedoeld in artikel 1.1 van de Erfgoedwet dat is ingeschreven in het gemeentelijk erfgoedregister;
Gemeentelijk monument: Onroerende zaken die bij besluit van het college als gemeentelijk monument zijn aangewezen.
Industrieel monument: Gemeentelijk- of rijksmonument van oorsprong ontworpen en gebouwd ten behoeve van fabrieksmatige productie of daarmee verwante of daaraan gerelateerde functies.
Industrieel monument: Gemeentelijk monument van oorsprong ontworpen en gebouwd ten behoeve van fabrieksmatige productie, nutsvoorzieningen, infrastructuur of daarmee verwante of daaraan gerelateerde functies.
Inspectierapport; Een rapport waarin de technische staat van het monument is beschreven. Het rapport geeft inzicht in de gebreken, oorzaken en eventuele gevolgen daarvan. Het bevat adviezen over de uit te voeren werkzaamheden in volgorde van urgentie en over de termijnen van aanpak.
Inspectierapport; Een rapport waarin de technische staat van het monument is beschreven. Het rapport geeft inzicht in de gebreken, oorzaken en eventuele gevolgen daarvan. Het bevat adviezen over de uit te voeren werkzaamheden in volgorde van urgentie en over de termijnen van aanpak.
Klein religieus erfgoed: Stoffelijke uitingen van devotie in de openbare ruimte.
Klein religieus erfgoed: Stoffelijke uitingen van devotie in de openbare ruimte.
Klooster: Gemeentelijk- of rijksmonument van oorsprong ontworpen en gebouwd ten behoeve van een kloosterorde of kloostergemeenschap.
Klooster: Gemeentelijk monument van oorsprong ontworpen en gebouwd ten behoeve van een kloosterorde of kloostergemeenschap.
Kruiswegpark: Park met gebeeldhouwde en geschilderde voorstellingen van de lijdensweg van Christus. Niet-rendabel rijksmonument: Een rijksmonument dat uit de aard der zaak niet op een rendabele wijze geëxploiteerd kan worden.
minister: minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap; Omgevingsvergunning: Een vergunning als bedoeld in de Wet algemene bepalingen
omgevingsvergunning:
Omgevingsvergunning: Een vergunning als bedoeld in artikel 5.1, eerste lid, aanhef en onder
2
omgevingsrecht .
vergunning als bedoeld in artikel 5.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Omgevingswet voor een activiteit met betrekking tot een gemeentelijk monument of een gemeentelijk beschermd stads- of dorpsgezicht.
a, van de Omgevingswet voor een activiteit met betrekking tot een gemeentelijk monument of een gemeentelijk beschermd stads- of dorpsgezicht.
Plangebied: Het totaal van kadastrale percelen waarop de werkzaamheden waarvoor een omgevingsvergunning wordt afgegeven dan wel een bestemmingsplan wordt vastgesteld, zullen plaatsvinden. Prestatieverklaring: Een door de aanvrager ondertekende verklaring waaruit blijkt dat de gesubsidieerde werkzaamheden met uitzondering van de in deze verklaring gemelde afwijkingen, volledig zijn uitgevoerd en dat de aan de subsidieverstrekking verbonden voorschriften zoals die voor en tijdens de uitvoering van de werkzaamheden van toepassing waren, zijn nageleefd. Eventuele afwijkingen daarvan zijn eerder gemeld of worden in de verklaring aangegeven. Wanneer een gemachtigde het formulier ondertekent, is toezending van een machtiging noodzakelijk.
Prestatieverklaring: Een door de aanvrager ondertekende verklaring waaruit blijkt dat de gesubsidieerde werkzaamheden met uitzondering van de in deze verklaring gemelde afwijkingen, volledig zijn uitgevoerd en dat de aan de subsidieverstrekking verbonden voorschriften zoals die voor en tijdens de uitvoering van de werkzaamheden van toepassing waren, zijn nageleefd. Eventuele afwijkingen daarvan zijn eerder gemeld of worden in de verklaring aangegeven. Wanneer een gemachtigde het formulier ondertekent, is toezending van een machtiging noodzakelijk.
Rijksmonument: Onroerende monumenten, die zijn ingeschreven in de ingevolge de Erfgoedwet vastgestelde registers. School: Gemeentelijk- of rijksmonument van oorsprong ontworpen en gebouwd ten behoeve van het onderwijs.
School: Gemeentelijk monument van oorsprong ontworpen en gebouwd ten behoeve van het onderwijs.
Stads- en dorpsgezichten: groepen van onroerende zaken die van algemeen belang zijn wegens hun schoonheid, hun onderlinge ruimtelijke of structurele samenhang dan wel hun wetenschappelijke of cultuurhistorische waarde en in welke groepen zich één of meer gemeentelijke en/of rijksmonumenten bevinden. Subsidiabele kosten: De voor een subsidie in aanmerking komende kosten zoals beschreven in de hoofdstukken 6 en 7 van deze verordening. Subsidieplafond: Het bedrag dat gedurende een kalenderjaar ten hoogste beschikbaar is voor de verstrekking van subsidies krachtens deze verordening. Technische omschrijving: Een beschrijving van de geplande werkzaamheden waaruit blijkt: 1. waarom de werkzaamheden noodzakelijk zijn (eventueel geïllustreerd met foto’s); 2. hoe en met welke materialen de werkzaamheden worden uitgevoerd.
Subsidiabele kosten: De voor een subsidie in aanmerking komende kosten zoals beschreven in hoofdstuk 3 van deze beleidsregel. Subsidieplafond: Het bedrag dat gedurende een kalenderjaar ten hoogste beschikbaar is voor de verstrekking van subsidies krachtens deze beleidsregel.
Technische omschrijving: Een beschrijving van de geplande werkzaamheden waaruit blijkt: 1. waarom de werkzaamheden noodzakelijk zijn (eventueel geïllustreerd met foto’s); 2. hoe en met welke materialen de werkzaamheden worden uitgevoerd.
3
Verdedigingswerk: Bouwwerk of aardwerk bedoeld om een nederzetting of landstreek te verdedigen tegen aanvallen.
Verdedigingswerk: Tot gemeentelijk monument aangewezen bouwwerk of aardwerk bedoeld om een nederzetting of landstreek te verdedigen tegen aanvallen.
Artikel 2 Gebruik van het monument en/of beschermd stads- c.q. dorpsgezicht. Bij de toepassing van deze verordening wordt rekening gehouden met het gebruik van het monument en/of het beschermd stads- c.q. dorpsgezicht.
HOOFDSTUK 2
Paragraaf 1
GEMEENTELIJKE MONUMENTEN
De aanwijzing tot gemeentelijk monument.
gewijzigd en verplaatst (art. 11 erfgoedverordening 2023)
HOOFDSTUK 2
Paragraaf 1
GEMEENTELIJKE MONUMENTEN
De aanwijzing tot gemeentelijk monument.
Artikel 3 Gemeentelijk monument. 1. Het college kan, ambtshalve of op aanvraag van belanghebbenden, besluiten onroerende zaken aan te wijzen tot gemeentelijk monument. 2. Onroerende zaken kunnen worden aangewezen tot gemeentelijk monument wegens hun schoonheid of betekenis voor de wetenschap. 3. De in het tweede lid genoemde aspecten kunnen met name tot uitdrukking komen in cultuurhistorische waarde, architectuurhistorische waarde, bouwhistorische waarde, archeologische waarde, ensemble waarde, zeldzaamheid en gaafheid. 4. Het geheel van tot gemeentelijk monument aangewezen onroerende zaken dient een evenwichtige selectie uit de voor Roermond belangwekkende perioden, typen, functies en constructies te vormen en dient in verhouding te staan tot de mogelijkheden van de gemeente om dit geheel adequaat te beheren. 5. Onroerende zaken die zijn ingeschreven in het register als bedoeld in artikel 3.3 van de Erfgoedwet worden niet aangewezen tot gemeentelijk monument. 6. Onroerende Zaken die na aanwijzing tot gemeentelijk monument worden ingeschreven in het register als bedoeld in artikel 3.3 van de Erfgoedwet , worden geacht niet meer te zijn aangewezen tot gemeentelijk monument.
Artikel 2 Aanwijzing tot gemeentelijk monument. 1. Het college kan ambtshalve of op aanvraag van belanghebbenden besluiten onroerende zaken aan te wijzen tot gemeentelijk monument. 2. Onroerende zaken kunnen worden aangewezen tot gemeentelijk monument wegens hun schoonheid of betekenis voor de wetenschap. 3. De in het tweede lid genoemde aspecten kunnen met name tot uitdrukking komen in cultuurhistorische waarde, architectuurhistorische waarde, bouwhistorische waarde, archeologische waarde, ensemble waarde, zeldzaamheid en gaafheid. 4. Het geheel van tot gemeentelijk monument aangewezen onroerende zaken dient een evenwichtige selectie uit de voor Roermond belangwekkende perioden, typen, functies en constructies te vormen en dient in verhouding te staan tot de mogelijkheden van de gemeente om het behoud van de selectie te ondersteunen. 5. Onroerende zaken die zijn ingeschreven in het register als bedoeld in artikel 3.3 van de Erfgoedwet worden niet aangewezen tot gemeentelijk monument. 6. Onroerende Zaken die na aanwijzing tot gemeentelijk monument worden ingeschreven in het register als bedoeld in artikel 3.3 van de Erfgoedwet , worden geacht niet meer te zijn aangewezen tot gemeentelijk monument. 7. Het college kan een besluit tot aanwijzing als bedoeld in het eerste lid wijzigen of intrekken.
gewijzigd
Artikel 4 Een aanvraag tot aanwijzing. Een aanvraag om aanwijzing tot gemeentelijk monument dient vergezeld te gaan van de volgende gegevens: a. de exacte omvang van hetgeen voor aanwijzing wordt
Artikel 3 Een aanvraag tot aanwijzing. 1. Een aanvraag om aanwijzing tot gemeentelijk monument dient vergezeld te gaan van de volgende gegevens: 2. de exacte omvang van hetgeen voor aanwijzing wordt
ongewijzigd
4
voorgedragen; b. namen en adressen van alle gerechtigden op die percelen en van eventuele hypothecaire schuldeisers, zoals die bij de dienst voor het kadaster en de openbare registers bekend zijn; c. een beschrijving van exterieur, interieur en bouwgeschiedenis van alle gebouwen en bijgebouwen; d. constructie; e. van belang zijnde onderdelen; f. plattegrond; g. interieuronderdelen; h. recente originele kleurenfoto’s van exterieur en interieur; i. overzichtsfoto’s van alle gebouwen of gebouwdelen die voor bescherming worden voorgedragen (op foto’s aangeven op welk object/gevel/onderdeel zij betrekking hebben); j. detailopnamen van architectuur- of bouwhistorisch interessante onderdelen.
voorgedragen; 3. namen en adressen van alle gerechtigden op die percelen en van eventuele hypothecaire schuldeisers, zoals die bij de dienst voor het kadaster en de openbare registers bekend zijn; 4. een beschrijving van exterieur, interieur en bouwgeschiedenis van alle gebouwen en bijgebouwen; 5. constructie; 6. van belang zijnde onderdelen; 7. plattegrond; 8. interieuronderdelen; 9. recente originele kleurenfoto’s van exterieur en interieur; 10. overzichtsfoto’s van alle gebouwen of gebouwdelen die voor bescherming worden voorgedragen (op foto’s aangeven op welk object/gevel/onderdeel zij betrekking hebben); 11. detailopnamen van architectuur- of bouwhistorisch interessante onderdelen.
Artikel 5 De redengevende omschrijving. 1. Een redengevende omschrijving maakt onderdeel uit van een besluit omtrent aanwijzing tot gemeentelijk monument. Deze redengevende omschrijving omvat: a. de plaatselijke aanduiding; b. de kadastrale aanduiding; c. de tenaamstelling van het beschermde monument; d. een beschrijving van het beschermde monument; e. een exacte omschrijving van de omvang van de bescherming; f. een op de in artikel 3, tweede en derde lid genoemde criteria gebaseerde motivatie van de bescherming. 2. Het college kan ambtshalve of op aanvraag van belanghebbenden in een redengevende omschrijving wijzigingen aanbrengen.
Artikel 4 het besluit tot aanwijzing tot gemeentelijk monument In het besluit tot aanwijzing van een gemeentelijk monument wordt minimaal het volgende genoemd: 1. de plaatselijke aanduiding; 2. de kadastrale aanduiding; 3. een exacte omschrijving van de omvang van de bescherming; 4. een op de in artikel 2, tweede en derde lid genoemde criteria gebaseerde motivatie van de bescherming.
gewijzigd
Artikel 6 Bescherming in afwachting van een besluit. Met ingang van de datum waarop de eigenaar van een monument de kennisgeving van het voornemen tot aanwijzing van een monument ontvangt tot het moment dat de aanwijzing plaatsvindt, zijn de artikelen 8 en 9 van overeenkomstige toepassing.
Artikel 5 Bescherming in afwachting van een besluit. Met ingang van de datum waarop de eigenaar van een monument de kennisgeving van het voornemen tot aanwijzing van een monument ontvangt tot het moment dat de aanwijzing plaatsvindt, zijn de artikelen 7 en 8 van overeenkomstige toepassing.
ongewijzigd
Artikel 7 Erfgoedregister. Het college houdt een erfgoedregister bij als bedoeld in artikel 3.16, derde lid van de Erfgoedwet.
Artikel 6 Erfgoedregister Burgemeester en wethouders houden een door eenieder te raadplegen gemeentelijk erfgoedregister bij van krachtens deze verordening aangewezen gemeentelijke monumenten inclusief de locaties waaraan krachtens artikel 4.2, eerste lid, van de Omgevingswet in het omgevingsplan de functie cultureel erfgoed is toebedeeld. Het gemeentelijk erfgoedregister bevat gegevens over de inschrijving en ter identificatie van het aangewezen gemeentelijk
gewijzigd
5
cultureel erfgoed.
Paragraaf 2 Vergunningen tot wijziging, verplaatsing of afbraak van beschermde gemeentelijke monumenten.
Paragraaf 2 Omgevingsvergunningen tot wijziging, verplaatsing of afbraak van beschermde gemeentelijke monumenten.
Artikel 8 Aantasting gemeentelijk monument. 1. Het is verboden aan een gemeentelijk monument onderhoud te onthouden dat voor instandhouding daarvan noodzakelijk is. 2. Het is verboden een gemeentelijk monument te beschadigen of te vernielen. 3. Het is verboden zonder omgevingsvergunning of in strijd met bij zodanige vergunning gestelde voorschriften een gemeentelijk monument te slopen, te verstoren, te verplaatsen, in enig opzicht te wijzigen, te herstellen, te gebruiken of te laten gebruiken op een wijze, waardoor het wordt ontsierd of in gevaar gebracht. 4. Het college kan in het belang van de monumentenzorg nadere regels stellen met betrekking tot de uitvoering van werkzaamheden aan een gemeentelijk monument. Deze regels kunnen mede inhouden een vrijstelling van het verbod bedoeld in het derde lid.
Artikel 7 Aantasting gemeentelijk monument. 1. Het is verboden aan een gemeentelijk monument onderhoud te onthouden dat voor instandhouding daarvan noodzakelijk is. 2. Het is verboden een gemeentelijk monument te beschadigen of te vernielen. 3. Het is verboden zonder omgevingsvergunning of in strijd met bij zodanige vergunning gestelde voorschriften een gemeentelijk monument te slopen, te verstoren, te verplaatsen, in enig opzicht te wijzigen, te herstellen, te gebruiken of te laten gebruiken op een wijze, waardoor het wordt ontsierd of in gevaar gebracht. 4. Het college kan in het belang van de monumentenzorg nadere regels stellen met betrekking tot de uitvoering van werkzaamheden aan een gemeentelijk monument. Deze regels kunnen mede inhouden een vrijstelling van het verbod bedoeld in het derde lid.
ongewijzigd
Artikel 9 Strafbepaling. Degene die handelt in strijd met artikel 8, eerste, tweede en derde lid of het bepaalde krachtens artikel 8, vierde lid van deze verordening wordt gestraft met een geldboete van de tweede categorie of een hechtenis van ten hoogste drie maanden.
Artikel 8 Strafbepaling. Degene die handelt in strijd met artikel 7, eerste, tweede en derde lid of het bepaalde krachtens artikel 7, vierde lid van deze verordening wordt gestraft met een geldboete van de tweede categorie of een hechtenis van ten hoogste drie maanden.
ongewijzigd
Artikel 10 Cultuurhistorisch rapport. In een cultuurhistorisch rapport als bedoeld in hoofdstuk 5 van de Regeling omgevingsrecht wordt in ieder geval opgenomen: a. een gedetailleerde beschrijving van de in het geding zijnde monumentale waarden van het object voor wat betreft de bouw- en architectuurhistorie, de functie en de ontwikkeling; b. een matrix waarin de relevante onderdelen van de structuur, constructie en verschijningsvorm van het object worden afgezet tegen de kwalificaties ‘zeker te behouden’, ‘eventueel te behouden’ en ‘te amoveren’; c. een uitvoerige documentatie van de actuele alsmede de historische verschijningsvorm, constructie en structuur in foto en tekening alsmede van de relevante historische afbeeldingen.
Artikel 9 Cultuurhistorisch rapport. In een cultuurhistorisch rapport als bedoeld in hoofdstuk 5 van de Regeling omgevingsrecht wordt in ieder geval opgenomen: 1. een gedetailleerde beschrijving van de in het geding zijnde monumentale waarden van het object voor wat betreft de bouw- en architectuurhistorie, de functie en de ontwikkeling; 2. een matrix waarin de relevante onderdelen van de structuur, constructie en architectuur c.q. vormgeving van het object worden afgezet tegen de kwalificaties ‘zeker te behouden’, ‘eventueel te behouden’ en ‘te amoveren’; 3. een uitvoerige documentatie van de actuele alsmede de historische verschijningsvorm, details, constructie en structuur in foto en tekening alsmede van de relevante historische afbeeldingen; 4. een overzicht van de conform lid b genoemde als ‘zeker te behouden’ en ‘eventueel te behouden’ gekwalificeerde onderdelen met daarbij aangegeven wat daarmee volgens het plan waarvoor een omgevingsvergunning is aangevraagd
gewijzigd
6
zal gebeuren.
Artikel 11 Commissie Beeldkwaliteit. Het bevoegd gezag vraagt de Commissie Beeldkwaliteit om advies over aanvragen om een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 8, derde lid.
Artikel 10 Commissie Ruimtelijke kwaliteit. Het bevoegd gezag vraagt de Commissie Ruimtelijke kwaliteit om advies over aanvragen om een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 7, derde lid.
ongewijzigd
Artikel 12 Omgevingsvergunning. De omgevingsvergunning wordt verleend indien het belang van de monumentenzorg zich daartegen niet verzet.
Artikel 11 Omgevingsvergunning. De omgevingsvergunning wordt verleend indien het belang van de monumentenzorg zich daartegen niet verzet. Bij de beoordeling hiervan wordt het gebruik van het monument meegewogen.
gewijzigd
Artikel 13 Aan een omgevingsvergunning verbonden voorschriften. Het bevoegd gezag kan aan een omgevingsvergunning voorschriften verbinden in het belang van de monumentenzorg.
Artikel 12 Aan een omgevingsvergunning verbonden voorschriften. Het bevoegd gezag kan aan een omgevingsvergunning voorschriften verbinden in het belang van de monumentenzorg.
gewijzigd
HOOFDSTUK 3 DORPSGEZICHTEN
HOOFDSTUK 3 DORPSGEZICHTEN
GEMEENTELIJKE STADS- EN
Artikel 14 Aanwijzing tot beschermd gemeentelijk stadsen dorpsgezicht. 1. De gemeenteraad kan, op voorstel van burgemeester en wethouders, stads- en dorpsgezichten aanwijzen als beschermd gemeentelijk stads- of dorpsgezicht. 2. De gemeenteraad stelt ter bescherming van een op grond van het eerste lid aangewezen beschermd stads- of dorpsgezicht een bestemmingsplan vast als bedoeld in de Wet ruimtelijke ordening. Bij het besluit tot aanwijzing van een beschermd stads- en dorpsgezicht kan hiertoe een termijn worden gesteld. 3. Bij het besluit tot aanwijzing van een beschermd stads- of dorpsgezicht wordt bepaald of en in hoeverre geldende bestemmingsplannen als beschermend plan als bedoeld onder 2 kunnen worden aangemerkt, dan wel of een beheerverordening als bedoeld in de Wet ruimtelijke ordening kan worden vastgesteld. 4. Dit artikel is niet van toepassing op beschermde stads- en dorpsgezichten die zijn aangewezen op grond van artikel 35, eerste lid, van de Monumentenwet 1988 of een provinciale verordening als bedoeld in artikel 2.2, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht.
Artikel 15
Wijziging, intrekking en vervallen van de
GEMEENTELIJKE STADS- EN
Artikel 13 Aanwijzing tot beschermd gemeentelijk stads- of dorpsgezicht. 1. De gemeenteraad kan, op voorstel van burgemeester en wethouders, stads- en dorpsgezichten aanwijzen als beschermd gemeentelijk stads- of dorpsgezicht. 2. De gemeenteraad stelt ter bescherming van een op grond van het eerste lid aangewezen beschermd stads- of dorpsgezicht een omgevingsplan als bedoeld in artikel 2.4 van de Omgevingswet vast. Bij het besluit tot aanwijzing van een beschermd stads- en dorpsgezicht kan hiertoe een termijn worden gesteld. 3. Bij het besluit tot aanwijzing van een gemeentelijk beschermd stads- of dorpsgezicht wordt bepaald of en in hoeverre het tijdelijk omgevingsplan als beschermend in de zin van het vorige lid kan worden aangemerkt. 4. Dit artikel is niet van toepassing op een beschermd stads- of dorpsgezicht dat via instructies de functie-aanduiding rijksbeschermd of provinciaal beschermd stads- of dorpsgezicht heeft, of dat is aangewezen op grond van artikel 35, eerste lid, van de Monumentenwet 1988 of een provinciale verordening als bedoeld in artikel 2.2, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht.
gewijzigd
Artikel 14 Wijziging, intrekking en vervallen van de aanwijzing tot beschermd gemeentelijk stad- of dorpsgezicht.
gewijzigd
7
aanwijzing tot beschermd gemeentelijk stad- en dorpsgezicht. 1. De gemeenteraad kan, op voorstel van burgemeester en wethouders, een besluit tot aanwijzing als bedoeld in artikel 14, eerste lid, wijzigen of intrekken. Artikel 14, tweede en derde lid, is hierop van overeenkomstige toepassing, tenzij het een aanpassing van ondergeschikte betekenis betreft of het stads- en dorpsgezicht waarop aanwijzing betrekking heeft als zodanig is tenietgegaan. 2. Een aanwijzing vervalt met ingang van de dag waarop het stads- en dorpsgezicht waarop de aanwijzing betrekking heeft wordt aangewezen als: a. beschermd stads- en dorpsgezicht als bedoeld in artikel 35, eerste lid, van de Monumentenwet 1988, of b. beschermd stads- en dorpsgezicht op grond van een provinciale erfgoedverordening als bedoeld in artikel 2.2, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht.
HOOFDSTUK 4
RIJKSMONUMENTEN
1. De gemeenteraad kan, op voorstel van burgemeester en wethouders, een besluit tot aanwijzing als bedoeld in artikel 13, eerste lid, wijzigen of intrekken. Artikel 13, tweede en derde lid, is hierop van overeenkomstige toepassing, tenzij het een aanpassing van ondergeschikte betekenis betreft of het stads- of dorpsgezicht waarop aanwijzing betrekking heeft als zodanig is tenietgegaan. 2. Een aanwijzing vervalt met ingang van de dag waarop het stads- of dorpsgezicht waarop de aanwijzing betrekking heeft wordt aangewezen als: a. beschermd stads- of dorpsgezicht als bedoeld in artikel 2.33, eerste lid, of artikel 2.34, vierde lid, van de Omgevingswet, of b. beschermd stads- en dorpsgezicht op grond van een provinciale erfgoedverordening als bedoeld in artikel 2.2, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht.
HOOFDSTUK 4
RIJKSMONUMENTEN
Artikel 16 Cultuurhistorisch rapport. Artikel 10 is van overeenkomstige toepassing op de aanvragen om omgevingsvergunning voor een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder f van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht.
Artikel 15 Cultuurhistorisch rapport. Artikel 9 van deze verordening is van overeenkomstige toepassing op de aanvragen om omgevingsvergunning voor een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder f van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht.
gewijzigd
Artikel 17 Adviescommissie. Het college vraagt advies aan de Commissie Beeldkwaliteit, in haar hoedanigheid van commissie op het gebied van monumentenzorg voordat: a. zij beslist op een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder f, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht of b. zij advies uitbrengt omtrent een aanvraag om, of het ontwerp van, een omgevingsvergunning voor een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder f, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht.
Artikel 16 Commissie beeldkwaliteit. Het college vraagt advies aan de Commissie Ruimtelijke kwaliteit, in haar hoedanigheid van commissie op het gebied van monumentenzorg voordat: 1. zij beslist op een aanvraag om een omgevingsvergunning of 2. zij advies uitbrengt omtrent een aanvraag om, of het ontwerp van, een omgevingsvergunning voor een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder f, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht.
gewijzigd
HOOFDSTUK 5
HOOFDSTUK 5
Artikel 18
ARCHEOLOGIE
Verplichting tot archeologisch onderzoek.
Artikel 17
ARCHEOLOGIE
Verplichting tot archeologisch onderzoek.
gewijzigd 8
1. Archeologisch onderzoek is verplicht a. voorafgaande aan grondwerkzaamheden binnen de op de bij deze verordening behorende Beleidskaart archeologie als historische kern aangeduide gebieden of binnen de grenzen van gemeentelijke archeologische monumenten dient een archeologisch vooronderzoek plaats te vinden waar uit moet blijken wat de archeologische verwachting is; b. voorafgaande aan grondwerkzaamheden binnen de op de bij deze verordening behorende Beleidskaart archeologie als gebied met hoge archeologische verwachting aangeduide gebieden dient een archeologisch vooronderzoek plaats te vinden. Dit geldt niet wanneer de grondwerkzaamheden plaatsvinden binnen de bebouwde kom én het plangebied kleiner is dan 1.000 m2 of wanneer de grondwerkzaamheden plaatsvinden buiten de bebouwde kom én het plangebied kleiner is dan 2.500 m2; c. voorafgaande aan grondwerkzaamheden binnen de op de bij deze verordening behorende Beleidskaart archeologie als ‘overige gebieden’ aangeduide gebieden is archeologisch vooronderzoek noodzakelijk tenzij het plangebied kleiner is dan 5.000 m2. 2. Indien de resultaten van het onder a tot en met c genoemde onderzoek daartoe aanleiding geven kan het college besluiten vervolgonderzoek verplicht te stellen waaruit moet blijken wat de omvang en de kwaliteit van de archeologische vindplaats is. 3.
indien de resultaten van het onder d genoemde onderzoek daartoe aanleiding geven kan het college besluiten een definitieve archeologische opgraving verplicht te stellen. 4. Het in het eerste lid, aanhef en onder a tot en met e genoemde archeologische onderzoek hoeft niet te worden verricht wanneer de grondwerkzaamheden plaatsvinden in evident eerder verstoorde bodem of wanneer de grondwerkzaamheden niet dieper reiken dan 40 centimeter onder maaiveld of wanneer de geplande grondwerkzaamheden in totaal een oppervlakte beslaan kleiner dan 100 m2. 5. De aanvang van vervolgonderzoek of van een definitieve archeologische opgraving dient door de ter plekke leiding gevende archeoloog uiterlijk een dag te voren aan de gemeente te worden gemeld. 6. Binnen twee weken na voltooiing van het vervolgonderzoek of van een definitieve archeologische opgraving meldt de ter plekke leiding gevende archeoloog de eerste bevindingen aan de gemeente.
Archeologisch onderzoek is verplicht: 1. voorafgaande aan grondwerkzaamheden binnen de op de bij deze verordening behorende Beleidskaart archeologie (bijlage 1) als historische kern aangeduide gebieden of binnen de grenzen van gemeentelijke archeologische monumenten dient een archeologisch vooronderzoek plaats te vinden waar uit moet blijken wat de archeologische verwachting is; 2. voorafgaande aan grondwerkzaamheden binnen de op de bij deze verordening behorende Beleidskaart archeologie (bijlage 1) als gebied met hoge archeologische verwachting aangeduide gebieden dient een archeologisch vooronderzoek plaats te vinden. Dit geldt niet wanneer de grondwerkzaamheden plaatsvinden binnen de bebouwde kom én het plangebied kleiner is dan 1.000 m2 of wanneer de grondwerkzaamheden plaatsvinden buiten de bebouwde kom én het plangebied kleiner is dan 2.500 m2; 3. voorafgaande aan grondwerkzaamheden binnen de op de bij deze verordening behorende Beleidskaart archeologie (bijlage 1) als ‘overige gebieden’ aangeduide gebieden is archeologisch vooronderzoek noodzakelijk tenzij het plangebied kleiner is dan 5.000 m2. 4. Indien de resultaten van het onder a tot en met c genoemde onderzoek daartoe aanleiding geven kan het college besluiten vervolgonderzoek verplicht te stellen waaruit moet blijken wat de omvang en de kwaliteit van de archeologische vindplaats is. 5.
indien de resultaten van het onder d genoemde onderzoek daartoe aanleiding geven kan het college besluiten een definitieve archeologische opgraving verplicht te stellen. 6. Het in het eerste lid, aanhef en onder a tot en met e genoemde archeologische onderzoek hoeft niet te worden verricht wanneer de grondwerkzaamheden plaatsvinden in evident eerder verstoorde bodem of wanneer de grondwerkzaamheden niet dieper reiken dan 40 centimeter onder maaiveld of wanneer de geplande grondwerkzaamheden in totaal een oppervlakte beslaan kleiner dan 100 m2. 7. De aanvang van vervolgonderzoek of van een definitieve archeologische opgraving dient door de ter plekke leiding gevende archeoloog uiterlijk een dag te voren aan de gemeente te worden gemeld. 8. Binnen twee weken na voltooiing van het vervolgonderzoek of van een definitieve archeologische opgraving meldt de ter plekke leiding gevende archeoloog de eerste bevindingen aan de gemeente.
9
Artikel 19 Archeologische monumentenzorg in de bestemmingsplannen. Artikel 18 is niet van toepassing wanneer in het geldend bestemmingsplan bepalingen zijn opgenomen omtrent archeologische monumentenzorg.
Artikel 18 Archeologische monumentenzorg in de bestemmingsplannen. Artikel 17 is niet van toepassing wanneer in het geldende omgevingsplan bepalingen zijn opgenomen omtrent archeologische monumentenzorg.
gewijzigd
HOOFDSTUK 6 SUBSIDIES VOOR KLEINE (ONDERHOUDS)PROJECTEN
Gewijzigd en verplaatst naar beleidsregel
Paragraaf 1 Algemene bepalingen met betrekking tot op basis van dit hoofdstuk verstrekte subsidies.
HOOFDSTUK 2
ALGEMENE BEPALINGEN
Artikel 20 Indienen van aanvragen. 1. Subsidieaanvragen kunnen vanaf 1 januari van het betreffende begrotingsjaar worden ingediend. 2. Subsidieaanvragen kunnen uitsluitend schriftelijk worden ingediend. Per e-mail ingediende aanvragen worden niet in behandeling genomen. 3. In de subsidieaanvraag dient minimaal het volgende te worden vermeld: a. het adres van het monument; b. de naam, adres en telefoonnummer van de aanvrager; c. een technische omschrijving van de werkzaamheden; d. een begroting van de kosten van de werkzaamheden waarbij de in de begroting genoemde posten herleid moeten kunnen worden naar de onder c genoemde werkzaamheden; e. de geschatte begin- en einddatum van de werkzaamheden; f. de naam, adres en telefoonnummer van een eventuele contactpersoon; g. het bank- of gironummer waarop de eventuele subsidie overgemaakt kan worden; h. de ondertekening. 4. Na een verzoek tot aanvulling incompleet gebleven aanvragen worden niet in behandeling genomen. 5. Op verzoek van de aanvrager stelt de betrokken ambtenaar zich ter plekke op de hoogte van de noodzaak en de wijze van uitvoering van de geplande werkzaamheden.
Indien naar het oordeel van de betrokken ambtenaar de noodzaak en de wijze van uitvoering van de geplande werkzaamheden voldoende duidelijk zijn kan de aanvraag in behandeling worden genomen zonder de onder het derde lid, aanhef onder c genoemde omschrijving van de werkzaamheden. 6. Besluiten met betrekking tot de subsidieaanvragen worden
Artikel 2 Indienen van een aanvraag van subsidie. 1. Subsidieaanvragen kunnen uitsluitend schriftelijk, gebruik makend van een door het college vastgesteld en door aanvrager volledig ingevuld en ondertekend aanvraagformulier worden ingediend. 2. Bij het in het eerste lid genoemde aanvraagformulier dienen de in dit formulier genoemde bijlagen te worden bijgevoegd. 3. Na een verzoek tot aanvulling incompleet gebleven aanvragen worden niet in behandeling genomen.
Verplaatst naar beleidsregel
Gewijzigd en verplaatst naar beleidsregel
10
genomen in volgorde van ontvangst van de ontvankelijke aanvragen.
Artikel 21 Beslissing op de aanvraag. 1. Het college neemt een besluit op de aanvraag binnen 6 weken na ontvangst van de aanvraag. 2. Het college kan zijn besluit eenmaal voor ten hoogste 6 weken verdagen. De aanvrager wordt hiervan schriftelijk in kennis gesteld.
Artikel 3 Beslissing op een aanvraag van een subsidie 1. Het college neemt een besluit op de aanvraag binnen 6 weken na ontvangst van de aanvraag. 2. Het college kan zijn besluit eenmaal voor ten hoogste 6 weken verdagen. De aanvrager wordt hiervan schriftelijk in kennis gesteld.
Gewijzigd en verplaatst naar beleidsregel
Artikel 4 Sober doch doelmatig. De te subsidiëren werkzaamheden en activiteiten dienen sober doch doelmatig van aard te zijn.
ongewijzigd verplaatst (art. 26) en verplaatst naar beleidsregel
Artikel 22 Niet toekennen van subsidie. Subsidie wordt in ieder geval geweigerd: a. voor zover door de verstrekking van de subsidie het subsidieplafond wordt overschreden; b. indien voor de werkzaamheden de vergunning, bedoeld in artikel 8 van deze verordening of in artikel 2.1, eerste lid, onder f van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht noodzakelijk is doch niet is verleend; c. indien met de werkzaamheden is begonnen voordat het college heeft beslist omtrent de aanvraag tot subsidie; d. voor zover het kosten van werkzaamheden betreft welke op grond van een verzekering worden gedekt; e. voor zover binnen de termijn van een redelijke onderhoudscyclus voor dezelfde werkzaamheden reeds eerder een subsidie op grond van deze regeling is verstrekt; f. voor zover het monumenten betreft die voor huisvesting van de gemeentelijke organisatie gebruikt worden; g. voor zover het archeologische onderzoeken betreft naar percelen die voor de gemeentelijke dienst of voor openbaar gebruik bedoeld zijn.
Artikel 5 Weigeringsgronden Subsidie wordt in ieder geval geweigerd 1. voor zover door de verstrekking van de subsidie het betreffende subsidieplafond wordt overschreden. 2. indien voor de werkzaamheden een omgevingsvergunning noodzakelijk is doch niet is verleend; 3. indien met de werkzaamheden is begonnen voordat het college heeft beslist omtrent de aanvraag tot subsidie; 4. voor zover het kosten van werkzaamheden betreft welke op grond van een verzekering worden gedekt; 5. voor zover binnen de termijn van een redelijke onderhoudscyclus voor dezelfde werkzaamheden reeds eerder een subsidie op grond van deze of een andere gemeentelijke regeling is verstrekt; 6. voor zover het monumenten betreft die voor huisvesting van de gemeentelijke organisatie gebruikt worden.
Gewijzigd en verplaatst naar beleidsregel
Artikel 23 Toestemming om alvast te mogen beginnen. Op schriftelijk verzoek van de aanvrager kan het college ontheffing verlenen van het bepaalde op grond van artikel 22, aanhef en onder c mits de op grond van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht benodigde vergunning is verleend en de werking daarvan niet is opgeschort.
Artikel 6 Toestemming om alvast te mogen beginnen met de werkzaamheden. Op schriftelijk verzoek van de aanvrager kan het college ontheffing verlenen van het bepaalde in artikel 5, derde lid mits de eventueel benodigde omgevingsvergunning is verleend en de werking daarvan niet is opgeschort.
gewijzigd en verplaatst naar beleidsregel
Artikel 24 Begin en einde van de werkzaamheden. 1. Met de uitvoering van de werkzaamheden dient te zijn
Gewijzigd en verplaatst (art. 38) 11
aangevangen binnen 26 weken na de datum van het besluit tot subsidieverstrekking. 2. De werkzaamheden dienen te zijn voltooid binnen 52 weken na de datum van het besluit tot subsidieverstrekking. 3. Van de aanvang en het einde van de gesubsidieerde werkzaamheden doet de aanvrager terstond schriftelijk mededeling aan de gemeente. 4. De betrokken ambtenaar dient in de gelegenheid te worden gesteld zich ter plekke op de hoogte te stellen van (het resultaat van) de werkzaamheden.
en verplaatst naar beleidsregel
Artikel 25 Vaststelling en uitbetaling van de subsidie. 1. Subsidies op basis van hoofdstuk 6 van deze verordening worden bij verlening tevens vastgesteld. 2. Ten behoeve van steekproefsgewijze controle dienen kopieën van de facturen tot een jaar na voltooiing van de gesubsidieerde werkzaamheden of beëindiging van de gesubsidieerde activiteiten ter beschikking van het college gehouden te worden. Deze facturen dienen eenduidig herleid te kunnen worden naar de begroting, op basis waarvan de subsidie is verstrekt. Wanneer niet aan deze verplichting wordt voldaan kan de subsidie worden ingetrokken of gewijzigd worden. 3. Uitbetaling van de subsidie vindt uiterlijk zes weken na vaststelling van de subsidie plaats.
Gewijzigd en verplaatst (art. 39) naar beleidsregel
Artikel 26 Sober doch doelmatig. De te subsidiëren werkzaamheden en onderzoeken dienen sober doch doelmatig van aard te zijn.
Verplaatst (art. 20) naar beleidsregel
Artikel 27 Subsidieplafonds. Voor de in hoofdstuk 6 genoemde subsidies stelt het college, vóór aanvang van het tijdvak waarin ze kunnen worden aangevraagd, een subsidieplafond vast.
Verplaatst (art. 28, 36) naar beleidsregel
Paragraaf 2 Subsidies voor kleine onderhoudsprojecten aan monumenten en aan onbekende monumentale waarden.
vervalt
Artikel 28 Kosten aan een gemeentelijk- of een nietrendabel rijksmonument. Het college kan éénmaal per jaar aan de eigenaar van een gemeentelijk monument of een niet-rendabel rijksmonument subsidie verstrekken in de kosten van werkzaamheden en onderzoeken zoals in artikel 29 genoemd.
vervalt
Artikel 29
vervalt
Voor subsidie in aanmerking komende
12
werkzaamheden en onderzoeken en het subsidiemaximum. 1. Voor een subsidie komen in aanmerking: a. werkzaamheden welke het behoud van monumentale waarden en / of het casco van een gemeentelijk monument en / of een niet-rendabel rijksmonument ten doel hebben; b. een in het kader van een vergunningaanvraag op grond van hoofdstuk 5 van de Regeling omgevingsrecht of op basis van artikel 2.1 eerste lid, aanhef en onder f van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht door de gemeente geëist onderzoek naar de cultuurhistorische waarden van het monument; c. werkzaamheden aan tot nog toe onbekende monumentale waarden mits door de aanvrager voor het betreffende object tevens een aanvraag voor aanwijzing tot gemeentelijk monument wordt ingediend en mits dit leidt tot een onherroepelijk besluit tot aanwijzing tot gemeentelijk monument. 2. Subsidie voor activiteiten, bedoeld in het eerste lid onder a en c, bedraagt ten hoogste 25% van de subsidiabele kosten, maar nooit meer dan het door het college jaarlijks vastgestelde maximum subsidiebedrag per monument. 3. Subsidie voor activiteiten, bedoeld in het eerste lid onder b bedraagt ten hoogste 50% van de subsidiabele kosten, maar nooit meer dan het door het college jaarlijks vastgestelde maximum subsidiebedrag per monument.
Artikel 30 Zelfwerkzaamheid. Van werkzaamheden welke niet door een bij een Kamer van Koophandel ingeschreven bedrijf worden uitgevoerd komen slechts de materiaalkosten voor subsidiëring in aanmerking.
vervalt
Paragraaf 3 Subsidies voor archeologische onderzoeken.
vervalt
Artikel 31 Subsidiemogelijkheid. Het college kan een subsidie verstrekken in de kosten van archeologisch onderzoek. De subsidie wordt verstrekt aan de eigenaar van het betreffende perceel.
vervalt
Artikel 32 Voor subsidie in aanmerking komende werkzaamheden, het subsidiepercentage en het maximum van de subsidie. 1. Voor een subsidie als bedoeld in artikel 31 komen in aanmerking de kosten van een op grond van een bestemmingsplan of op grond van deze verordening verplicht gesteld archeologisch bureauonderzoek, eventueel aangevuld met een archeologisch booronderzoek of een
vervalt
13
daaraan gelijk te stellen onderzoek. 2. De subsidie bedraagt ten hoogste 50% van de subsidiabele kosten, maar nooit meer dan het door het college jaarlijks vastgestelde maximum subsidiebedrag per onderzoek.
Artikel 33 Het indienen van een aanvraag. In aanvulling op de in artikel 20, derde lid genoemde gegevens dient in de aanvraag het volgende te worden vermeld dan wel bij de aanvraag te worden bijgevoegd: a. het kadastraal nummer van het betreffende perceel; b. een offerte van een op basis van de Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie gecertificeerd bedrijf of instelling.
vervalt
HOOFDSTUK 3
SUBSIDIES
Paragraaf 4 Subsidies voor restauraties van kleine religieuze monumenten.
Paragraaf 1 Subsidies voor restauraties van kleine religieuze monumenten.
Artikel 34 Voor een subsidie in aanmerking komende kosten. 1. Het college kan een eenmalige subsidie verstrekken in de kosten van behoud van klein religieus erfgoed. 2. De onder het eerste lid genoemde werkzaamheden dienen te worden uitgevoerd door (een) vrijwilliger(s). 3. Voor subsidie in aanmerking komen de kosten van het te gebruiken materiaal en het huren van te gebruiken gereedschap. Indien de werkzaamheden vanwege de benodigde specifieke deskundigheid of gereedschappen redelijkerwijs niet door vrijwilligers kunnen worden uitgevoerd, komen de kosten van de inhuur van derden eveneens in aanmerking voor subsidie. 4. De subsidie bedraagt ten hoogste 100% van de subsidiabele kosten, maar nooit meer dan het door het college jaarlijks vastgestelde maximum subsidiebedrag per monument.
Artikel 7 de kosten van restauraties van kleine religieuze monumenten waarvoor een subsidie kan worden verleend Het college kan een eenmalige subsidie verstrekken in de kosten van behoud van klein religieus erfgoed. 1. De te subsidiëren werkzaamheden dienen voor een significant deel te worden uitgevoerd door (een) vrijwilliger(s). 2. Voor subsidie in aanmerking komen de kosten van het te gebruiken materiaal en het huren van te gebruiken gereedschap. Indien de werkzaamheden vanwege de benodigde specifieke deskundigheid of gereedschappen redelijkerwijs niet door vrijwilligers kunnen worden uitgevoerd komen de kosten van de inhuur van derden eveneens in aanmerking voor een subsidie.
Gewijzigd en verplaatst naar beleidsregel
Artikel 8 de termijn waarbinnen een subsidie voor restauraties van klein religieus erfgoed kan worden aangevraagd Subsidieaanvragen op basis van artikel 7 kunnen vanaf 1 januari van het betreffende begrotingsjaar worden ingediend.
Nieuw in beleidsregel
Artikel 9 het subsidiepercentage voor subsidies voor restauraties van kleine religieuze monumenten. De subsidie bedraagt ten hoogste 100% van de subsidiabele kosten.
gewijzigd en verplaatst (art. 34.4) naar beleidsregel 14
Artikel 10 het subsidieplafond en volgorde besluiten 1. Voor de op basis van artikel 7 van deze beleidsregel te verlenen subsidies stelt het college, vóór aanvang van het tijdvak waarin ze kunnen worden aangevraagd, een subsidieplafond vast. Een verleende subsidie komt ten laste van het budget dat volgt uit het subsidieplafond met betrekking tot het jaar waarin de subsidie is aangevraagd. 2. Op subsidieaanvragen wordt beslist op volgorde van ontvangst met dien verstande dat de datum van ontvangst van onvolledige aanvragen wordt gesteld op de datum waarop de aanvraag is gecompleteerd.
Gewijzigd en verplaatst (art. 27) naar beleidsregel
Artikel 11 Verlening, vaststelling en uitbetaling van een subsidie voor restauratie van kleine religieuze monumenten 1. Subsidies op basis van artikel 7 worden verleend onder gelijktijdige vaststelling . 2. Uitbetaling van de subsidie vindt uiterlijk zes weken na vaststelling van de subsidie plaats.
gewijzigd en verplaatst (art. 25.1 en 25.3) naar beleidsregel
Artikel 12 Begin en einde van de op basis van op basis van artikel 7 gesubsidieerde werkzaamheden 1. De op basis van artikel 7 van deze beleidsregel gesubsidieerde werkzaamheden dienen a. te zijn aangevangen binnen 26 weken na de datum van verzending van het besluit tot subsidieverstrekking. b. te zijn voltooid binnen 52 weken na de datum van verzending van het besluit tot subsidieverstrekking. 2. Van de aanvang en het einde van de op basis van artikel 8 van deze beleidsregel gesubsidieerde werkzaamheden doet de aanvrager terstond schriftelijk mededeling aan de gemeente. 3. Het college dient in de gelegenheid te worden gesteld zich ter plekke op de hoogte te stellen van (het resultaat van) de op basis van artikel 8 van deze beleidsregel gesubsidieerde werkzaamheden.
Gewijzigd, verplaatst en verplaatst (art. 24 Erfgoedverordening 2018) naar beleidsregel
Artikel 13 controle achteraf van een subsidie voor restauratie van kleine religieuze monumenten Ten behoeve van steekproefsgewijze controle dienen kopieën van de facturen tot een jaar na voltooiing van de gesubsidieerde werkzaamheden of beëindiging van de gesubsidieerde activiteiten ter beschikking van het college gehouden te worden. Deze facturen dienen eenduidig herleid te kunnen worden naar de begroting, op basis waarvan de subsidie is verstrekt. Wanneer niet aan deze verplichting
ongewijzigd verplaatst (art. 25.2 Erfgoedverordening 2018) naar beleidsregel
15
wordt voldaan kan de subsidie worden ingetrokken of gewijzigd worden.
Paragraaf 5
Subsidies voor overige activiteiten.
Artikel 35 Voor subsidie in aanmerking komende overige activiteiten. Het college kan een subsidie verstrekken voor: a. het opstellen van op basis van hoofdstuk 5 van de Regeling omgevingsrecht of op basis van artikel 2.1, eerste lid , aanhef en onder f. van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht verplicht gestelde cultuurhistorische analyses voor niet-monumentale panden binnen de op grond van de Monumentenwet 1988 (op grond van het overgangsrecht van de Erfgoedwet, zijn de hoofdstukken II, paragrafen 2 en 3, IV, V, paragrafen 1 en 9, en VI van de Monumentenwet 1988, zoals die luidden voor inwerkingtreding van de Erfgoedwet, van toepassing tot de inwerkingtreding van de Omgevingswet) aangewezen beschermde stads- en dorpsgezichten; b. beleidsondersteunende activiteiten die naar het oordeel van het college het draagvlak voor het monumenten- en archeologiebeleid verbreden of in voldoende mate bijdragen aan de doelstelling van het gemeentelijk archeologie- en monumentenbeleid.
Artikel 36 Het subsidiepercentage, het maximum aan subsidie en het subsidiebedrag. De subsidie als bedoeld in artikel 35 bedraagt ten hoogste 50% van de subsidiabele kosten, maar nooit meer dan het door het college jaarlijks vastgestelde maximum subsidiebedrag. Wanneer de subsidie als bedoeld in artikel 35 aanhef onder a. ten goede komt aan activiteiten die jaarlijks worden georganiseerd bedraagt deze een door het college vast te stellen vast bedrag per jaar.
Paragraaf 2
Subsidies voor beleidsondersteunende activiteiten.
Artikel 14 De kosten van beleidsondersteunende activiteiten waarvoor een subsidie kan worden aangevraagd Het college kan een subsidie verstrekken in de kosten van beleidsondersteunende activiteiten die naar het oordeel van het college het draagvlak voor het monumenten- en archeologiebeleid verbreden of in voldoende mate bijdragen aan de doelstelling van het gemeentelijk archeologie- en monumentenbeleid.
Gewijzigd en verplaatst naar beleidsregel
Artikel 15 De termijn waarbinnen een subsidie voor beleidsondersteunende activiteiten kan worden aangevraagd. Subsidieaanvragen op basis van artikel 14 kunnen vanaf 1 januari van het betreffende begrotingsjaar worden ingediend.
Nieuw in beleidsregel
Artikel 16 Het subsidiepercentage en het maximumbedrag voor subsidies voor beleidsondersteunende activiteiten De subsidie als bedoeld in artikel 14 bedraagt ten hoogste 50% van de subsidiabele kosten. Wanneer de subsidie ten goede komt aan activiteiten die jaarlijks worden georganiseerd bedraagt deze een door het college vast te stellen vast bedrag per jaar.
gewijzigd en verplaatst naar beleidsregel
Artikel 17 Weigering Subsidie wordt, in aanvulling op het gestelde in artikel 5, in ieder geval geweigerd voor zover de te subsidiëren activiteiten reeds zijn uitgevoerd.
ongewijzigd verplaatst (art. 44 erfgoedverordening 2018) en verplaatst naar beleidsregel 16
Artikel 37 Het indienen van een aanvraag. In aanvulling op de in artikel 20, derde lid, genoemde gegevens wordt bij de aanvraag om een subsidie op grond van artikel 34, eerste lid, tevens een offerte van een ter zake kundig bureau of bedrijf gevoegd.
vervalt
Artikel 18 Subsidieplafond 1. Voor de op basis van artikel 14 van deze beleidsregel te verlenen subsidies stelt het college, vóór aanvang van het tijdvak waarin ze kunnen worden aangevraagd, een subsidieplafond vast. Een verleende subsidie komt ten laste van het budget dat volgt uit het subsidieplafond met betrekking tot het jaar waarin de subsidie is aangevraagd. 2. Op subsidieaanvragen wordt beslist op volgorde van ontvangst met dien verstande dat de datum van ontvangst van onvolledige aanvragen wordt gesteld op de datum waarop de aanvraag is gecompleteerd.
gewijzigd en verplaatst (art. 27 Erfgoedverordening 2018) naar beleidsregel
Artikel 19 Verlening, vaststelling en uitbetaling van een subsidie voor beleidsondersteunende activiteiten 1. Subsidies op basis van artikel 15 worden verleend onder gelijktijdige vaststelling . 2. Uitbetaling van de subsidie vindt uiterlijk zes weken na vaststelling van de subsidie plaats.
Gewijzigd en verplaatst (art. 25.1 en 25.3 Erfgoedverordening 2018) naar beleidsregel
Artikel 20 Begin en einde van de op basis van op basis van artikel 14 gesubsidieerde werkzaamheden De op basis van artikel 14 van deze beleidsregel gesubsidieerde werkzaamheden dienen 1. te zijn aangevangen binnen 26 weken na de datum van verzending van het besluit tot subsidieverstrekking. 2. te zijn voltooid binnen 52 weken na de datum van verzending van het besluit tot subsidieverstrekking.
gewijzigd en verplaatst (art. 24 Erfgoedverordening 2018) en verplaatst naar beleidsregel
Artikel 21 controle achteraf van een subsidie voor beleidsondersteunende activiteiten Ten behoeve van steekproefsgewijze controle dienen kopieën van de facturen tot een jaar na voltooiing van de gesubsidieerde werkzaamheden of beëindiging van de gesubsidieerde activiteiten ter beschikking van het college gehouden te worden. Deze facturen dienen eenduidig herleid te kunnen worden naar de begroting, op basis waarvan de subsidie is verstrekt. Wanneer niet aan deze verplichting wordt voldaan kan de subsidie worden ingetrokken of gewijzigd worden.
HOOFDSTUK 7
SUBSIDIES VOOR GROTE
Paragraaf 3
subsidies voor onderhoud aan bijzondere
ongewijzigd verplaatst (art. 25.2 Erfgoedverordening) en verplaatst naar beleidsregel
Gewijzigd en 17
ONDERHOUDSPROJECTEN
categorieën van gemeentelijke monumenten
verplaatst naar beleidsregel
Artikel 38 Subsidiabele activiteiten aan een gemeentelijkof een rijksmonument.
Artikel 22 De categorieën van monumenten en kosten waarvoor een subsidie kan worden aangevraagd 1. De volgende categorieën van gemeentelijke monumenten komen in aanmerking voor een subsidie: a. gebouwen voor de eredienst; b. scholen; c. kloosters; d. industriële monumenten; e. verdedigingswerken. 2. Het college kan aan de eigenaar van een gemeentelijk monument in de categorieën zoals genoemd in het eerste lid een eenmalige subsidie verstrekken in de kosten van: a. in een periode van zes kalenderjaren te verrichten onderhoudswerkzaamheden, maatregelen en voorzieningen welke het behoud van monumentale waarden en / of het casco ten doel hebben. b. Werkzaamheden ten behoeve van een herbestemming van het monument welke het behoud van het monument mede ten doel hebben.
Gewijzigd en verplaatst naar beleidsregel
Artikel 23 De termijn waarbinnen een subsidie voor onderhoud aan bijzondere categorieën van gemeentelijke monumenten kan worden aangevraagd 1. Subsidieaanvragen op basis van artikel 24 van deze beleidsregel kunnen vanaf 1 januari van het eerste jaar van de periode van zes kalenderjaren waarvoor subsidie wordt gevraagd worden ingediend. 2. Subsidieaanvragen worden in volgorde van binnenkomst behandeld.
gewijzigd en verplaatst (art. 40 Erfgoedverordening 2018) en verplaatst naar beleidsregel
1. Het college kan jaarlijks aan de eigenaar van een gemeentelijk monument of een rijksmonument voor een periode van zes kalenderjaren een subsidie verstrekken in de kosten van: a. onderhoudswerkzaamheden welke het behoud van monumentale waarden en / of het casco ten doel hebben; b. werkzaamheden ten behoeve van een herbestemming van het monument welke het behoud van het monument mede ten doel hebben. 2. Van werkzaamheden welke niet door een bij een Kamer van Koophandel ingeschreven bedrijf worden uitgevoerd komen slechts de materiaalkosten voor subsidiëring in aanmerking. 3. Slechts de volgende categorieën van monumenten, bedoeld in het eerste lid, komen in aanmerking voor een subsidie: a. gebouwen voor de eredienst; b. scholen; c. kloosters; d. industriële monumenten; e. buitenplaatsen; f. verdedigingswerken en g. kruiswegparken. 4. Een subsidie wordt uitsluitend verstrekt op basis van een plan dat ziet op de in de komende zes kalenderjaren te verrichten werkzaamheden.
Artikel 39 Subsidieplafond. Voor de in artikel 38 genoemde subsidie stelt de raad, vóór aanvang van het tijdvak waarvoor het geldt, een subsidieplafond vast.
Gewijzigd en verplaatst (art. 28 beleidsregel)
Artikel 24
Het subsidiepercentage en het minimum
gewijzigd en 18
subsidiebedrag voor een subsidie in de kosten van onderhoud aan bijzondere categorieën van gemeentelijke monumenten 1. Het subsidiebedrag bedraagt 60% van de subsidiabele kosten 2. Subsidies kleiner dan in totaal € 5.000 worden niet verleend.
verplaatst (art. 41.2) en verplaatst naar beleidsregel
ingetrokken
Artikel 25 Subsidieplafond 1. Voor subsidieverlening op basis van artikel 22 geldt een subsidieplafond van jaarlijks € 100.000,-. 2. Op subsidieaanvragen wordt beslist op volgorde van ontvangst met dien verstande dat de datum van ontvangst van onvolledige aanvragen wordt gesteld op de datum waarop de aanvraag is gecompleteerd.
Gewijzigd en verplaatst (art. 39 Erfgoedverordening 2018) en verplaatst naar beleidsregel
Artikel 26 Berekening en vaststelling van de subsidiabele kosten voor een subsidie in de kosten van onderhoud aan bijzondere categorieën van gemeentelijke monumenten 1. De in artikel 22, tweede lid, genoemde kosten worden berekend op basis van een instandhoudingsplan dat ziet op de in de komende zes kalenderjaren, inclusief het jaar waarin de subsidie wordt aangevraagd, te verrichten werkzaamheden. 2. Het in het eerste lid genoemde instandhoudingsplan omvat: a. een recent (niet ouder dan een jaar) inspectierapport van de Monumentenwacht Limburg of een ander erkend bedrijf waaruit de bouwkundige staat van het monument blijkt; b. een overzicht van de aard en omvang van de voorgenomen werkzaamheden en een omschrijving van de daarmee beoogde resultaten, en c. een meerjarenbegroting waarin wordt aangegeven welke werkzaamheden in elk van de in het eerste lid genoemde zes jaren worden verricht en wat de kosten daarvan zullen zijn. 3. De subsidiabele kosten worden voor de gehele periode van zes kalenderjaren per jaar bepaald. 4. De subsidieontvanger mag na verlening van de subsidie het in het eerste lid genoemde plan qua volgorde van de uit te voeren werkzaamheden wijzigen.
Nieuw in beleidsregel, ten dele afkomstig van art. 46 Erfgoedverordening 2018
Artikel 27 Verlening van de subsidie in de kosten van onderhoud aan bijzondere categorieën van gemeentelijke monumenten Subsidies op basis van artikel 22 worden voor de gehele in artikel 23, tweede lid onder a genoemde periode verleend.
Nieuw in beleidsregel
Artikel 28
Nieuw in
Voorwaarden waaronder de subsidie wordt
19
verleend
beleidsregel
De subsidie wordt verleend onder voorwaarde dat: 1. De subsidieontvanger het college tussentijds bericht over de voortgang van de werkzaamheden; 2. De gesubsidieerde werkzaamheden uiterlijk zes jaren na de subsidieverlening worden voltooid; 3. voor de duur van de werkzaamheden waarvoor subsidie is verleend, een Casco-All-Risks verzekering wordt afgesloten; 4. vanaf de aanvang van de werkzaamheden waarvoor subsidie is verleend, op eigen kosten het monument wordt verzekerd dan wel verzekerd gehouden tegen brand-, storm- en bliksemschade en na afloop van de werkzaamheden daartegen verzekerd te houden. 5. door de subsidieontvanger na twee, vier en zes jaar na de subsidieverlening een inspectierapport van de Monumentenwacht Limburg of een ander erkend bedrijf wordt aangeleverd.
Artikel 29
Verplichtingen van de subsidieontvanger
Het college kan de subsidieontvanger verplichten:
Nieuw in beleidsregel
1. Mee te werken aan een onderzoek naar de bouw- of ontstaansgeschiedenis van het monument; 2. Mee te werken aan een onderzoek door een deskundige naar de uitvoering van de voorgenomen werkzaamheden; 3. Het monument te voorzien van een of meer installaties ter beperking van schade als gevolg van brand of blikseminslag, ter bescherming van de monumentale waarde van het monument.
Artikel 30 uitbetaling en bevoorschotting van de subsidie in de kosten van onderhoud aan bijzondere categorieën van gemeentelijke monumenten 1. Indien de subsidie minder dan € 25.000 bedraagt, verleent het college de eigenaar een voorschot van 100% van het subsidiebedrag. 2. Indien de subsidie € 25.000 of meer bedraagt, kan het college de eigenaar een voorschot verlenen tot 100% van het subsidiebedrag. 3. De verlening van het voorschot geschiedt gelijktijdig met de beschikking tot subsidieverlening. 4. De uitkering van het voorschot geschiedt in jaarlijkse of meerjaarlijkse termijnen, op bij de beschikking aan te geven tijdstippen. 5. Indien de liquiditeitsbehoefte van de subsidieontvanger om een ander betaalritme vraagt, kan het college in afwijking van het vierde lid een groter of kleiner deel van de subsidie in door het college te bepalen termijnen als voorschot betalen. 6. Het college kan aanvrager verzoeken om aanlevering van een bankgarantie als voorwaarde voor de uitbetaling van een
Gewijzigd en verplaatst (art. 34) en verplaatst naar beleidsregel
20
subsidietermijn.
Artikel 31 Verantwoording en subsidievaststelling. 1. Uiterlijk op 30 maart van het kalenderjaar, volgend op het laatste kalenderjaar van het subsidietijdvak waarover de subsidie is verstrekt wordt een aanvraag tot subsidievaststelling ingediend. Deze aanvraag gaat vergezeld van kopieën van de rekeningen van de gesubsidieerde kosten. De in deze rekeningen genoemde bedragen dienen herleidbaar te zijn tot de begroting op basis waarvan de subsidie is verleend. 2. Indien de subsidie € 25.000 of meer bedraagt gaat de aanvraag tot subsidievaststelling vergezeld van een prestatieverklaring waaruit blijkt dat de activiteiten waarvoor de subsidie is verleend, zijn verricht en dat is voldaan aan de aan de subsidie verbonden verplichtingen. 3. Voor zover uit de prestatieverklaring volgt dat niet alle activiteiten waarvoor subsidie is verleend zijn uitgevoerd of de subsidieontvanger zich niet aan de aan de subsidie verbonden verplichtingen heeft gehouden, bevat de prestatieverklaring de redenen hiervoor. 4. Onverminderd het bepaalde in het tweede tot en met het vierde lid, toont de subsidieontvanger op verzoek van het college aan dat de activiteiten waarvoor de subsidie is verleend, zijn verricht en dat is voldaan aan de aan de subsidie verbonden verplichtingen.