Bijlage 3 – Toelichting en regels ontwerp-bestemmingsplan Drusus (digitaal ter inzage)
Tekst van het document
zelfstandige woonruimte
dit begrip is gelijk aan het begrip 'woning'.
Drusus NL.IMRO.0957.BP00000296-VG01 vastgesteld
8
Artikel 2
Wijze van meten
Bij de toepassing van deze regels wordt als volgt gemeten: 2.1
de afstand
de afstand tussen bouwwerken onderling alsmede de afstand van bouwwerken tot perceelsgrenzen worden daar gemeten waar deze afstand het kleinst is. 2.2
de bedrijfsvloeroppervlakte
binnenwerks, op de vloer van de ruimten die worden of kunnen worden gebruiks voor bedrijfsactiviteiten 2.3
de bouwhoogte van een bouwwerk
vanaf het peil tot aan het hoogste punt van een gebouw of van een bouwwerk, geen gebouw zijnde, met uitzondering van ondergeschikte bouwonderdelen, zoals schoorstenen, antennes en naar de aard daarmee gelijk te stellen bouwonderdelen. 2.4
breedte, lengte en diepte van een bouwwerk
tussen (de lijnen getrokken door) de buitenzijde van de gevels en het hart van de scheidsmuren. 2.5
breedte van een zone langs een watergang
vanaf de insteek van de betreffende zijde van de watergang. 2.6
de dakhelling
langs het dakvlak ten opzichte van het horizontale vlak. 2.7
de goothoogte van een bouwwerk
vanaf het peil tot aan de bovenkant van de goot, c.q. de druiplijn, het boeibord, of een daarmee gelijk te stellen constructiedeel. 2.8
de inhoud van een bouwwerk
tussen de onderzijde van de begane grondvloer, de buitenzijde van de gevels (en/of het hart van de scheidsmuren) en de buitenzijde van daken en dakkapellen. 2.9
de oppervlakte van een bouwwerk
tussen de buitenwerkse gevelvlakken en/of het hart van de scheidingsmuren, neerwaarts geprojecteerd op het gemiddelde niveau van het afgewerkte bouwterrein ter plaatse van het bouwwerk. 2.10
aanvullende bepalingen
bij de toepassing van het bepaalde ten aanzien van het bouwen binnen bestemmingsvlakken worden ondergeschikte bouwdelen als plinten, pilasters, kozijnen, gevelversieringen, ventilatiekanalen, schoorstenen, gevel- en kroonlijsten en overstekende daken buiten beschouwing gelaten, mits de bouwc.q. bestemmingsgrens met niet meer dan 0,5 m wordt overschreden.
Drusus NL.IMRO.0957.BP00000296-VG01 vastgesteld
9
Hoofdstuk 2 Artikel 3 3.1
Bestemmingsregels
Woongebied
Bestemmingsomschrijving
De voor ‘Woongebied’ aangewezen gronden zijn bestemd voor: a. woningen met bijbehorende voorzieningen zoals tuinen en erven, alsmede aan huis verbonden beroepen; met daarbij behorende: b. verkeersvoorzieningen; c. parkeervoorzieningen; d. nutsvoorzieningen; e. groenvoorzieningen; f. speelvoorzieningen; g. kleinschalige evenementen; h. water en waterhuishoudkundige voorzieningen; i. ter plaatse van de aanduiding 'overige zone - talud' uitsluitend een talud ten behoeve van de ophoging van het terrein en overeenkomstig het bepaalde in artikel 3.5; 3.2
Bouwregels
3.2.1
Algemeen
Voor het bouwen gelden de volgende regels: a. op de als ‘Woongebied’ bestemde gronden mogen uitsluitend bouwwerken ten dienste van de onder 3.1 genoemde functies worden gebouwd; b. bebouwing dient plaats te vinden op of boven aanlegniveau, met uitzondering van funderingsconstructies tot 125 cm beneden het peil en paalfunderingen; c. het beschermingsniveau tegen overstroming dient zodanig te zijn, dat de overstromingskans eens in de 1.250 jaar bedraagt; d. binnen deze bestemming bedraagt het maximaal aantal woningen 35, waarvan tenminste 19 vrijstaande woningen; 3.2.2 Hoofdgebouwen a. binnen deze bestemming mogen vrijstaande en twee-aaneengebouwde woningen worden gebouwd, in overeenstemming met het bepaalde in artikel 3.2.1 onder d; b. de afstand van gebouwen tot de voorste erfgrens bedraagt ten minste 5 meter; c. de afstand van de gebouwen tot de zijdelingse perceelsgrenzen bedraagt bij vrijstaande woningen ten minste 4,0 meter en bij twee-aaneengebouwde woningen tenminste 3 meter; d. in afwijking van het onder c. bepaalde mogen twee-aaneengebouwde woningen aan één zijde in de zijdelingse perceelsgrens worden gebouwd; e. de afstand van hoofdgebouwen tot de achterste erfgrens bedraagt ten minste 5 meter; f.
de hoogte van hoofdgebouwen bedraagt 2 bouwlagen met kap tot een maximale bouwhoogte van 12 meter, met dien verstande dat de kap mag worden uitgevoerd met hoogteaccenten in de vorm van maximaal één dakkapel of een dakopbouw die qua hoogte boven de nok van het dak mag worden uitgevoerd tot een maximale hoogte van 2 meter boven de nok van het dak; g. het maximale bebouwingspercentage bedraagt: 1. per bouwperceel voor woondoeleinden tot 200 m² maximaal 70%; 2. per bouwperceel voor woondoeleinden tussen 200 m² en 400 m² maximaal 60%; 3. per bouwperceel voor woondoeleinden tussen 400 m² en 600 m² maximaal 50%; 4. per bouwperceel voor woondoeleinden groter of gelijk aan 600 m² maximaal 40%; 3.2.3 Bijgebouwen a. bijgebouwen worden tenminste 1 meter achter het verlengde van de voorgevel van het hoofdgebouw Drusus NL.IMRO.0957.BP00000296-VG01 vastgesteld
10
geplaatst, tenzij het een aan de wegzijde gelegen open stallingsruimte voor personenauto’s betreft; b. het totale grondoppervlak van bijgebouwen bedraagt per bouwperceel tot en met 700 m² maximaal 70 m², waarbij het bepaalde in 3.2.2 onder f van overeenkomstige toepassing is; c. het totale grondoppervlak van bijgebouwen bedraagt per bouwperceel groter dan 700 m², maximaal 10 % van de totale oppervlakte van het bouwperceel, met een maximum van 200 m² per bouwperceel, waarbij het bepaalde in 3.2.2 onder f van overeenkomstige toepassing is; d. de maximale goothoogte van bijgebouwen met een kap bedraagt 3 meter en de maximale bouwhoogte van bijgebouwen met een kap bedraagt 5 meter; e. de maximale bouwhoogte van bijgebouwen zonder kap bedraagt 3 meter; f. de goothoogte van bijgebouwen aansluitend aan het hoofdgebouw, bedraagt ten hoogste de hoogte van de eerste bouwlaag van het hoofdgebouw, waarbij een overschrijding van 30 centimeter is toegestaan en de kap van het hoofdgebouw mag worden doorgetrokken. 3.2.4
Bouwwerken, geen gebouwen zijnde
De hoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, bedraagt maximaal 3 meter, met uitzondering van erfafscheidingen, waarbij de hoogte voor de voorgevelrooilijn maximaal 1,0 meter bedraagt en achter de voorgevelrooilijn maximaal 2 meter. In afwijking hiervan mag bij hoekpercelen de hoogte van de erfafscheiding aan één wegzijde voor de voorgevelrooilijn maximaal 2 meter bedragen. 3.3
Afwijken van de bouwregels
3.3.1
Afwijken ten behoeve van erfafscheidingen
Het bevoegd gezag kan met een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde onder 3.2.4 voor het plaatsen van erfafscheidingen op de perceelsgrens bij hoekpercelen, onder de voorwaarden dat de erfafscheiding: a. het vrije uitzicht van het wegverkeer niet mag belemmeren en voor het wegverkeer ook niet anderszins hinder of gevaar mag opleveren; b. geen fundamentele inbreuk op de groene dan wel open structuur pleegt. 3.3.2
Afwijken ten behoeve van bouwen onder aanlegniveau
Het bevoegd gezag kan met een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde onder 3.2.1 onder b voor het bouwen onder aanlegniveau, mits aangetoond is dat: a. de onderkant van het bouwwerk ten minste 50 cm boven de kleilaag ter plaatse gesitueerd wordt; b. voldaan wordt aan de ontwateringsnorm. Om te kunnen voldoen aan de ontwateringsnorm mag het peil met maximaal 10 cm verhoogd worden; Ter beoordeling van het voorgaande wordt in ieder geval de kaart als opgenomen in Bijlage 3 Kaart gegevens kleilaag en het rapport van Ingenieurs Fugro te Leidschendam d.d. 20 maart 2006, opdrachtnummer 1105-0070-000, als opgenomen in Bijlage 2 Rapport Fugro van deze regels, gebruikt.
3.3.3
Afwijken ten behoeve van afstand zijdelingse perceelsgrenzen
Het bevoegd gezag kan met een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde onder 3.2.2 onder c ten behoeve van het realiseren van bebouwing op een kortere afstand tot de zijdelingse perceelsgrenzen, mits: a. de afstand tot de zijdelingse perceelsgrenzen voor percelen tot 750 m² minimaal 3 meter bedraagt; b. de afstand tot de zijdelingse perceelsgrenzen voor percelen groter dan 750 m² minimaal 4,5 meter bedraagt. 3.4
Specifieke gebruiksregels
3.4.1
Strijdig gebruik
Tot een strijdig gebruik van gronden en bouwwerken wordt in elk geval gerekend: a. het gebruik van bijgebouwen voor zelfstandige bewoning; Drusus NL.IMRO.0957.BP00000296-VG01 vastgesteld
11
b. een ander gebruik dan talud ter plaatse van de aanduiding 'overige zone - talud'; c. het bouwen en/of in gebruik nemen van nieuwe kamerverhuurpanden; d. het bouwen en/of in gebruik nemen van nieuwe woningen met gebruiksoppervlakte kleiner dan 60 m2. 3.5
Voorwaardelijke verplichting in stand houden talud
a. het gebruiken en het (doen) laten gebruiken van een bouwperceel conform de bestemming 'Woongebied', is alleen toegestaan indien het ter plaatse gelegen talud met de aanduiding 'overige zone - talud' in stand wordt gehouden en wordt onderhouden. 3.6
Afwijken van de gebruiksregels
3.6.1
Kleine economie
Het bevoegd gezag kan met een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde onder 3.1 voor de uitoefening van bedrijven, vallende onder de kleine economie, met dien verstande dat: a. geen onevenredige hinder mag worden toegebracht aan de kwaliteit van het woonmilieu; b. door de uitoefening van de activiteit het uiterlijk aanzien van de woning niet zodanig mag veranderen, dat het karakter ervan geheel of gedeeltelijk verloren gaat, dit houdt onder meer in dat er geen grote reclame-uitingen aan of bij de woning geplaatst mogen worden; c. de oppervlakte van de woning welke voor de bedrijfsvoering wordt gebruikt, niet meer dan 50% van de begane grond en maximaal 30% van het totale vloeroppervlak van de woning en de bijgebouwen bedraagt en de totale oppervlakte van de activiteit niet meer bedraagt dan 25 m²; d. het niet zodanig verkeersaantrekkende activiteiten betreft, die de woonomgeving onevenredig belasten en ten gevolge waarvan extra verkeersmaatregelen, waaronder extra parkeerplaatsen, noodzakelijk worden, tenzij op eigen terrein gezorgd kan worden voor voldoende parkeervoorzieningen of in de omgeving voldoende beschikbare plaatsen zijn; e. de uitvoerder van de activiteiten op hetzelfde perceel woont; f.
detailhandel alleen als ondergeschikte activiteit is toegestaan en uitsluitend van goederen die verband houden met de activiteit waarvoor de omgevingsvergunning wordt verleend; g. activiteiten die op grond van het bepaalde in de Wet milieubeheer meldingsplichtig zijn of activiteiten die op grond van artikel 2.1 lid 1 onder e van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht vergunningplichtig zijn, in beginsel niet worden toegestaan, tenzij kan worden aangetoond dat geen overlast voor de omgeving op zal treden, waarbij maximaal bedrijven uit categorie 2 van Bijlage 1 Bedrijvenlijst Kleine Economie of daarmee qua aard en invloed op de woonomgeving vergelijkbare bedrijven worden toegestaan. 3.6.2
Nieuwe kamerwoningen
Het bevoegd gezag kan, met in acht name van de daartoe vastgestelde beleidsregel 'Uitvoeringsbeleid kamerverhuur en ministudio's' (of een daarvoor in de plaats tredende beleidsregel), met een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in 3.4.1 onder c in gevallen: a. waarin bestaande kamerwoningen verdwijnen, en minder kamerwoningen worden teruggebouwd / in gebruik genomen, of; b. waarbij de beoogde ontwikkeling niet leidt tot een dreigende onaanvaardbare aantasting van de leefbaarheid in de omgeving. 3.6.3
Nieuwe woningen kleiner dan 60 m2
Het bevoegd gezag kan, met in acht name van de daartoe vastgestelde beleidsregel 'Uitvoeringsbeleid kamerverhuur en ministudio's' (of een daarvoor in de plaats tredende beleidsregel), met een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in 3.4.1 onder d in gevallen: a. waarin bestaande woningen met een gebruiksoppervlakte kleiner dan 60 m2 verdwijnen, en minder bestaande woningen met een gebruiksoppervlakte kleiner dan 60 m2 worden teruggebouwd / in gebruik genomen, of; Drusus NL.IMRO.0957.BP00000296-VG01 vastgesteld
12
b. waarin de aanvraag ziet op de bouw- of in gebruikname van één woning met een gebruiksoppervlakte kleiner dan 60 m2, in een bestaand gebouw waarbij vanwege de beschikbare ruimte in de bestaande toestand redelijkerwijs geen woning met een gebruiksoppervlak van minimaal 60 m2 kan worden gerealiseerd, of; c. waarbij de beoogde ontwikkeling niet leidt tot een dreigende onaanvaardbare aantasting van de leefbaarheid in de omgeving. 3.7 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden 3.7.1
Aanlegverbod
Het is verboden op de in dit artikel bedoelde gronden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning de volgende werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden uit te voeren: a. het afgraven van gronden op een diepte van meer dan 0,6 meter beneden peil; 3.7.2
Uitzondering
Het in 3.7.1 vervatte verbod is niet van toepassing op werken en werkzaamheden welke: a. op het tijdstip van het van kracht worden van het plan in uitvoering zijn dan wel krachtens een reeds verleende vergunning mogen worden uitgevoerd. b. op werken of werkzaamheden welke het normale onderhoud en beheer betreffen. 3.7.3
Voorwaarden voor verlening
De in artikel 3.7.1 genoemde vergunning kan slechts worden verleend, indien: a. er minimaal een grondlaag van 50 cm boven de kleilaag aanwezig blijft; b. voldaan wordt aan de ontwateringsnorm; c. het niet leidt tot een verminderd functioneren van het eventueel ter plaatse aanwezige drainage systeem. Ter beoordeling van het voorgaande wordt in ieder geval de kaart als opgenomen in Bijlage 3 Kaart gegevens kleilaag en het rapport van Ingenieurs Fugro te Leidschendam d.d. 20 maart 2006, opdrachtnummer 1105-0070-000, als opgenomen in Bijlage 2 Rapport Fugro van deze regels, gebruikt.
Drusus NL.IMRO.0957.BP00000296-VG01 vastgesteld
13
Artikel 4 4.1
Waarde - Archeologie
Bestemmingsomschrijving
a. De voor 'Waarde - Archeologie' aangewezen gronden zijn behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor de bescherming en het behoud van de op en/of in deze gronden voorkomende archeologische waarden. b. Waar een basisbestemming samenvalt met deze dubbelbestemming geldt primair het bepaalde ten aanzien van de dubbelbestemming. De bepalingen van de basisbestemming zijn als dan uitsluitend van toepassing voor zover deze niet strijdig zijn met het bepaalde ten aanzien van de dubbelbestemming. 4.2
Bouwregels
Op de voor 'Waarde - Archeologie' aangewezen gronden mag geen bebouwing worden opgericht, met uitzondering van: a. vervanging, vernieuwing of verandering van bestaande bebouwing, waarbij de oppervlakte, voor zover gelegen op of onder peil, niet wordt uitgebreid en waarbij gebruik wordt gemaakt van de bestaande fundering, of; b. bebouwing waarvoor de grondwerkzaamheden uitsluitend plaatsvinden boven de kleilaag met uitzondering van paalfunderingen, of; c. bebouwing waarvoor de grondwerkzaamheden een oppervlak beslaan van minder dan 100 m², of; d. bebouwing waarvoor de grondwerkzaamheden niet dieper reiken 19,80 m + NAP. 4.2.1
Afwijken van de bouwregels
Het bevoegd gezag kan met een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde onder 4.2 voor het bouwen van gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, indien: a. bebouwing plaatsvindt ter plaatse van een evident eerder verstoorde bodem, of; b. op basis van een archeologisch vooronderzoek blijkt dat geen verstoring plaatsvindt van archeologische waarden of mogelijke verstoring van archeologische waarden kan worden voorkomen door aan de omgevingsvergunning voorwaarden te verbinden, gericht op het behoud van de archeologische resten in de bodem of het verrichten van archeologisch vervolgonderzoek, of; c. de voorgenomen werkzaamheden plaatsvinden op een terrein dat kleiner is dan 1.000 m² en het terrein niet is gelegen binnen 50 meter van een beschermd archeologisch monument. 4.3 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen gebouw zijnde, of van werkzaamheden 4.3.1
Aanlegverbod
Het is verboden op of in gronden met de bestemming 'Waarde - Archeologie' zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning de volgende werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden uit te voeren: a. het uitvoeren van grondbewerkingen, waaronder ontgronden, afgraven, diepploegen en het aanbrengen van leidingen in/onder de kleilaag, behalve indien deze in het kader van onderzoek naar mogelijke archeologische vindplaatsen worden uitgevoerd. 4.3.2
Uitzondering
Het onder 4.3.1 vervatte verbod is niet van toepassing op werken en werkzaamheden welke: a. betrekking hebben op normaal onderhoud en beheer; b. op het tijdstip van het van kracht worden van het plan in uitvoering zijn dan wel krachtens een reeds verleende vergunning mogen worden uitgevoerd; c. niet dieper reiken dan 19,80 m + NAP.
Drusus NL.IMRO.0957.BP00000296-VG01 vastgesteld
14
4.3.3
Voorwaarden voor verlening
De werken of werkzaamheden als bedoeld onder 4.3.1 zijn slechts toelaatbaar, indien: a. de werken of werkzaamheden plaatsvinden in een evident eerder verstoorde bodem, of; b. op basis van een archeologisch vooronderzoek blijkt dat geen verstoring plaatsvindt van archeologische waarden of mogelijke verstoring van archeologische waarden kan worden voorkomen door aan de omgevingsvergunning voorwaarden te verbinden, gericht op het behoud van de archeologische resten in de bodem of verrichten van archeologisch vervolgonderzoek. 4.4
Wijzigingsbevoegdheid
Burgemeester en wethouders zijn bevoegd het plan te wijzigen in die zin dat deze bestemming (deels) komt te vervallen, indien als gevolg van archeologisch onderzoek blijkt dat de archeologische waarden van de gronden niet behoudenswaardig zijn of niet langer aanwezig zijn.
Drusus NL.IMRO.0957.BP00000296-VG01 vastgesteld
15
Artikel 5 5.1
Waterstaat
Bestemmingsomschrijving
a. de voor 'Waterstaat' aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor: 1. dijken, kaden en andere voorzieningen ten behoeve van de waterkering; 2. de bescherming, het beheer en het onderhoud van de waterkering. b. waar een basisbestemming samenvalt met deze dubbelbestemming geldt primair het bepaalde ten aanzien van de dubbelbestemming. De bepalingen van de basisbestemming zijn alsdan uitsluitend van toepassing voor zover deze niet strijdig zijn met het bepaalde ten aanzien van de dubbelbestemming. 5.2
Bouwregels
Voor het bouwen gelden de volgende regels: a. op deze gronden mogen uitsluitend bouwwerken, geen gebouwen zijnde, worden gebouwd ten dienste van de onder 5.1 genoemde functies; b. de bouwhoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, bedraagt ten hoogste 3,5 meter. 5.2.1
Afwijken van de bouwregels
Het bevoegd gezag kan met een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in 5.2 ten behoeve van het bouwen overeenkomstig de basisbestemming, mits: a. het belang van de waterkering niet onevenredig wordt aangetast; b. vooraf advies wordt ingewonnen bij de beheerder van de waterkering omtrent voorwaarde a.
Drusus NL.IMRO.0957.BP00000296-VG01 vastgesteld
16
Hoofdstuk 3 Artikel 6
Algemene regels
Anti-dubbeltelregel
Grond die eenmaal in aanmerking is genomen bij het toestaan van een bouwplan waaraan uitvoering is gegeven of alsnog kan worden gegeven, blijft bij de beoordeling van latere bouwplannen buiten beschouwing.
Drusus NL.IMRO.0957.BP00000296-VG01 vastgesteld
17
Artikel 7
Algemene bouwregels
7.1
Algemene bepaling over bestaande afstanden en andere maten
7.1.1
Overschrijding voorgeschreven maten
Indien afstanden tot, bouwhoogten, inhoud, aantallen en/of oppervlakten van bestaande bouwwerken die gebouwd zijn met inachtneming van het bepaalde bij of krachtens de Woningwet of de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, op het tijdstip van de terinzagelegging van het ontwerp van het plan meer bedragen dan ingevolge hoofdstuk 2 is voorgeschreven, mogen deze maten en hoeveelheden als maximaal toelaatbaar worden aangehouden. 7.1.2
Minimaal toelaatbare maten
In die gevallen dat afstanden tot, bouwhoogten, inhoud, aantallen en/of oppervlakten van bestaande bouwwerken, die gebouwd zijn met inachtneming van het bepaalde bij of krachtens de Woningwet of de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, op het tijdstip van de terinzagelegging van het ontwerp van het plan minder bedragen dan ingevolge hoofdstuk 2 is voorgeschreven, mogen deze maten en hoeveelheden als minimaal toelaatbaar worden aangehouden. 7.1.3
Heroprichting van gebouwen
In het geval van (her)oprichting van gebouwen is het bepaalde in 7.1.1 en 7.1.2 uitsluitend van toepassing indien het geschiedt op dezelfde plaats.
Drusus NL.IMRO.0957.BP00000296-VG01 vastgesteld
18
Artikel 8 8.1
Algemene gebruiksregels
Strijdig gebruik
Tot een strijdig gebruik met de bestemming wordt in ieder geval gerekend: a. het gebruik voor een seksinrichting; b. het permanent bewonen van recreatiewoningen, kampeermiddelen en andere onderkomens en gebouwen die niet voor permanente bewoning bestemd zijn; c. het gebruik van niet-bebouwde grond als permanente staan- of ligplaats van demonteerbare of verplaatsbare inrichtingen voor de verkoop van etenswaren en/of dranken; d. het gebruik van niet-bebouwde staan- of ligplaats voor kampeermiddelen buiten de daarvoor aangewezen gronden; e. het gebruik van niet-bebouwde grond als staan- of ligplaats voor (menselijk of dierlijk) verblijf geschikte, al dan niet aan hun bestemming onttrokken, vaar- of voertuigen, arken of andere objecten, voor zover die niet als bouwwerk zijn aan te merken; f. het gebruik van niet-bebouwde grond voor het opslaan, storten of bergen van al dan niet afgedankte stoffen, voorwerpen en producten, tenzij dit gebruik noodzakelijk is voor of verband houdt met het op de bestemming gerichte gebruik van de gronden.
Drusus NL.IMRO.0957.BP00000296-VG01 vastgesteld
19
Artikel 9 9.1
Algemene afwijkingsregels
Algemene afwijking
Het bevoegd gezag kan – tenzij op grond van Hoofdstuk 2 reeds kan worden afgeweken – met een omgevingsvergunning afwijken van de regels voor: a. het afwijken van de maatvoering (inclusief percentages) met ten hoogste 15%; b. het oprichten van niet voor bewoning bestemde bouwwerken van openbaar nut, zoals wachthuisjes, telefooncellen en naar de aard en omvang daarmee gelijk te stellen bouwwerken, voor zover deze bouwwerken geen grotere bouwhoogte dan 3,50 meter en geen grotere oppervlakte dan 20 m² hebben; c. het oprichten van gebouwtjes ten dienste van de verkoop van kranten en tijdschriften, bloemen, ijs, frisdranken en straatconsumpties, voor zover deze bouwwerken geen grotere bouwhoogte dan 3,50 meter en geen grotere oppervlakte dan 12 m² hebben; d. geringe afwijkingen, van de op de verbeelding aangegeven bestemmingsgrenzen, welke in het belang zijn van een ruimtelijk of technisch beter verantwoorde plaatsing van bouwwerken of welke noodzakelijk zijn in verband met de werkelijke toestand van het terrein, mits de afwijking niet meer dan 2 meter bedraagt; e. het oprichten van zend; ontvangst; en/of sirenemasten voor zover deze van geringe horizontale afmetingen zijn en mits de hoogte, gemeten vanaf het peil tot het hoogste punt van het bouwwerk, niet meer bedraagt dan 15 meter voor privégebruik en niet meer dan 40 meter voor gemeenschappelijk gebruik; f.
het oprichten van waterretentiebekkens, met dien verstande dat: 1. de inhoud niet meer bedraagt dan 4000 m3; 2. ingeval van ondergrondse bekkens: de bovenzijde van de bekkens minimaal 0,50 meter onder het aangrenzende maaiveld blijft; de putdeksels op maaiveldniveau gelegen zijn. g. evenementen voor zover de bestemming niet onevenredig wordt aangetast. 9.2
Voorwaarden
9.2.1
Voorwaarden ten aanzien van de situering
Het bevoegd gezag kan bij verlening van de omgevingsvergunning voorwaarden stellen ten aanzien van de situering van de in 9.1 bedoelde bouwwerken, teneinde een ruimtelijk verantwoorde plaatsing van deze bouwwerken ten opzichte van de omgeving te waarborgen. 9.2.2
Geen onevenredige afbreuk aan gebruiksmogelijkheden
De in artikel 9.1 genoemde vergunning mag slechts worden verleend indien hierdoor geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden en bouwwerken. 9.3
Afwijken ten behoeve van erkers
9.3.1
Erkers aan de voorzijde
Het bevoegd gezag kan met een omgevingsvergunning afwijken van de voorgeschreven afstand tot de voorste erfgrens ten behoeve van het bouwen van erkers, uitbouwen en architectonische elementen, mits: a. de diepte ten hoogste 30% van de afstand tot de voorste erfgrens bedraagt met een maximum van 1 meter; b. de breedte maximaal 75% van de voorgevel van de woning bedraagt, met een maximum van 4 meter. 9.3.2
Erkers aan de zijkant
Het bevoegd gezag kan met een omgevingsvergunning afwijken van de voorgeschreven afstand tot de zijdelingse perceelsgrens ten behoeve van het bouwen van erkers en uitbouwen aan de zijgevel van woningen, mits: a. de erker of uitbouw op tenminste 60 centimeter afstand uit de voor- en achtergevel of het verlengde Drusus NL.IMRO.0957.BP00000296-VG01 vastgesteld
20
daarvan wordt gebouwd; b. de breedte maximaal 75% van de zijgevel van de woning bedraagt, met een maximum van 4 meter; c. de maximale bouwhoogte en goothoogte van de erker of uitbouw ten hoogste de hoogte van de eerste bouwlaag van het hoofdgebouw bedraagt, waarbij een overschrijding van 30 centimeter is toegestaan; d. de afstand tot de zijdelingse perceelsgrens tenminste 2 meter bedraagt.
Drusus NL.IMRO.0957.BP00000296-VG01 vastgesteld
21
Artikel 10
Algemene wijzigingsregels
Burgemeester en wethouders kunnen de in het plan opgenomen bestemmingen wijzigen ten behoeve van: a. het wijzigen van de voorgeschreven maatvoering voor bouwwerken met ten hoogste 25%; b. een enigszins andere situering en/of begrenzing van de bestemmingsgrenzen, indien bij de uitvoering van het plan mocht blijken dat verschuivingen in verband met de uitvoering van een bouwplan waarvan realisering wenselijk of noodzakelijk wordt geacht; c. het wijzigen van de lijst van bedrijfsactiviteiten, indien technologische ontwikkelingen of vernieuwde inzichten hiertoe aanleiding geven; d. het aanpassen van opgenomen bepalingen in de voorafgaande artikelen, waarbij verwezen wordt naar bepalingen in wettelijke regelingen, indien deze wettelijke regelingen na het tijdstip van tervisielegging van het ontwerpplan worden gewijzigd.
Drusus NL.IMRO.0957.BP00000296-VG01 vastgesteld
22
Artikel 11
Algemene procedureregels
Bij het stellen van nadere eisen als bedoeld in deze regels gelden de volgende procedureregels: a. het ontwerpbesluit ligt gedurende tenminste twee weken voor belanghebbenden ter inzage ter gemeentesecretarie; b. burgemeester en wethouders maken de ter inzage legging van het ontwerpbesluit tevoren bekend in één of meer dag-, nieuws- of huis-aan-huisbladen, die in de gemeente worden verspreid, en voorts op de gebruikelijke wijze; c. de bekendmaking houdt in de bevoegdheid van belanghebbenden tot het schriftelijk indienen van zienswijzen bij burgemeester en wethouders tegen het ontwerpbesluit gedurende de onder a. genoemde termijn; d. burgemeester en wethouders delen aan hen, die zienswijzen hebben ingediend, de beslissing daaromtrent mede.
Drusus NL.IMRO.0957.BP00000296-VG01 vastgesteld
23
Artikel 12 12.1
Overige regels
Werking wettelijke regelingen
De wettelijke regelingen waarnaar in de regels wordt verwezen, gelden zoals deze luiden op het moment van vaststelling van het plan. 12.2
Parkeren
12.2.1 Bepaling met betrekking tot het aantal parkeerplaatsen op eigen terrein Bij het oprichten van gebouwen of het veranderen van gebruik dient de inrichting van elk perceel zodanig te zijn dat voldoende ruimte aanwezig is om zowel het parkeren als het eventueel laden en lossen op eigen terrein te kunnen afwikkelen. Er wordt in voldoende mate voorzien in parkeergelegenheid, wanneer wordt voldaan een de parkeercriteria zoals opgenomen in de Nota Parkeernormen 2014, waarbij geldt dat ingeval de Nota Parkeernormen 2014 binnen de planperiode wordt herzien, deze herziening leidend is voor het bepalen van de parkeercriteria. 12.2.2 Voorwaardelijke verplichting / specifieke gebruiksregel Het gebruik van de gronden conform de in dit bestemmingsplan toegekende bestemming(en) is alleen dan toegestaan indien is voorzien in voldoende parkeerkeergelegenheid. Er wordt in voldoende mate voorzien in parkeergelegenheid, wanneer wordt voldaan aan de parkeercriteria zoals opgenomen in de Nota Parkeernormen 2014, of aan een verleende omgevingsvergunning, waarbij geldt dat: a. indien functiewijziging of nieuwbouw plaatsvindt op de gronden na (eventuele) herziening van de Nota Parkeernormen 2014, deze herziening leidend is voor het bepalen van de parkeercriteria; b.
voor bestaand gebruik van de gronden ten tijde van de ter inzage legging van het ontwerp van dit bestemmingsplan, de parkeercriteria worden gehanteerd conform de verleende (omgevings)vergunning, dan wel conform de verleende vrijstelling of ontheffing. Wanneer voor bestaand gebruik op het moment van aanvang daarvan een (omgevings)vergunning, vrijstelling of ontheffing was vereist, wordt voldoende parkeergelegenheid geacht aanwezig te zijn. 12.2.3 Afwijken van het benodigd aantal parkeerplaatsen Het bevoegd gezag kan met een omgevingsvergunning afwijken van het in artikel 12.2.1 en 12.2.2 bepaalde indien anderszins in voldoende parkeergelegenheid is voorzien. 12.3
Nadere eis
Burgemeester en Wethouders kunnen, met het oog op het aspect externe veiligheid, ter beheersing van de blootstelling aan giftige stoffen en uitpandige vluchtroutes, nadere eisen stellen aan: a. b. c. d.
de situering van bouwwerken (gebouwen en bouwwerken, geen gebouw zijnde); de inrichting van terreinen; de bruto vloeroppervlakte (bvo) en de hoogte van gebouwen; de wijze van afsluitbaarheid van mechanische ventilatiesystemen.
Drusus NL.IMRO.0957.BP00000296-VG01 vastgesteld
24
Hoofdstuk 4 Artikel 13 13.1
Overgangs- en slotregels
Overgangsrecht
Overgangsrecht bouwen
13.1.1 Algemeen overgangsrecht bouwwerken Een bouwwerk dat op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan aanwezig of in uitvoering is, dan wel gebouwd kan worden krachtens een omgevingsvergunning voor het bouwen, en afwijkt van het plan, mag, mits deze afwijking naar aard en omvang niet wordt vergroot, a. gedeeltelijk worden vernieuwd of veranderd; b. na het teniet gaan ten gevolge van een calamiteit geheel worden vernieuwd of veranderd, mits de aanvraag van de omgevingsvergunning voor het bouwen wordt gedaan binnen twee jaar na de dag waarop het bouwwerk is teniet gegaan. 13.1.2 Afwijking Het bevoegd gezag kan eenmalig in afwijking van 13.1.1 een omgevingsvergunning verlenen voor het vergroten van de inhoud van een bouwwerk als bedoeld in 13.1.1 met maximaal 10%. 13.1.3 Uitzondering op het overgangsrecht bouwwerken Lid 13.1.1 is niet van toepassing op bouwwerken die weliswaar bestaan op het tijdstip van inwerkingtreding van het plan, maar zijn gebouwd zonder vergunning en in strijd met het daarvoor geldende plan, daaronder begrepen de overgangsbepalingen van dat plan. 13.2
Overgangsrecht gebruik
13.2.1 Algemeen overgangsrecht gebruik Het gebruik van grond en bouwwerken dat bestond op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan en hiermee in strijd is, mag worden voortgezet. 13.2.2 Wijzigen strijdig gebruik Het is verboden het met het bestemmingsplan strijdige gebruik, bedoeld in lid 13.2.1, te veranderen of te laten veranderen in een ander met dat plan strijdig gebruik, tenzij door deze verandering de afwijking naar aard en omvang wordt verkleind. 13.2.3 Verboden gebruik Indien het gebruik, bedoeld in 13.2.2, na het tijdstip van inwerkingtreding van het plan voor een periode langer dan een jaar wordt onderbroken, is het verboden gebruik daarna te hervatten of te laten hervatten. 13.2.4 Uitzondering op het overgangsrecht gebruik Lid 13.2.1 is niet van toepassing op het gebruik dat reeds in strijd was met het voorheen geldende bestemmingsplan, daaronder begrepen de overgangsbepalingen van dat plan.
Drusus NL.IMRO.0957.BP00000296-VG01 vastgesteld
25
Artikel 14
Slotregel
Deze regels worden aangehaald onder de naam 'Regels van het bestemmingsplan Drusus'.
Drusus NL.IMRO.0957.BP00000296-VG01 vastgesteld
26
Drusus
Inhoudsopgave
Bijlagen bij regels
3
Bijlage 1
Bedrijvenlijst Kleine Economie
4
Bijlage 2
Rapport Fugro
6
Bijlage 3
Kaart gegevens kleilaag
48
Drusus NL.IMRO.0957.BP00000296-VG01 vastgesteld
2
Bijlagen bij regels
Drusus NL.IMRO.0957.BP00000296-VG01 vastgesteld
3
Bijlage 1 Bedrijvenlijst Kleine Economie
Drusus NL.IMRO.0957.BP00000296-VG01 vastgesteld
4
Bedrijvenlijst kleine economie
GEVAAR
CATEGORIE
VERKEER
VISUEEL
0 0 0 0 0 0
10 10 30 10 30 10
0 0 0 10 10 0
10 10 30 30 30 D 10
1 1 2 2 2 1
1 P 1 G 2 G 2 G 2 G 1 G
1 1 1 1 1 1
30
0
30
0
30
2
1 G
1
0 30
10 10
10 10
0 10
10 30
1 2
1 P 1 G
1 1
0
0
10
0
10
1
1 P
1
0
0
10
10
10
1
1 P
1
0
0
10
0
10
1
2 P
1
0 0 0
0 0 0
10 10 10
0 0 0
10 10 10 D
1 1 1
2 P 1 P 1 P
1 1 1
0
0
10
0
10
1
1 P
1
0
0
10
0
10
1
1 P
1
0
0
10
0
10 D
1
2 P
1
0
0
30
0
30
2
2 P
1
0
0
10
0
10
1
1 P
1
0
0
10
0
10
1
2 P
1
0 0
0 0
10 10 C
0 0
10 10 D
1 1
1 P 1 P
1 1
-
B B
B
LUCHT
GELUID
0 0 30 30 30 0
GROOTSTE AFSTAND
STOF
UITGEVERIJEN, DRUKKERIJEN EN REPRODUKTIE VAN OPGENOMEN MEDIA Uitgeverijen (kantoren) A Grafische afwerking B Binderijen Grafische reproduktie en zetten Overige grafische aktiviteiten Reproduktiebedrijven opgenomen media - VERVAARDIGING VAN MEDISCHE EN OPTISCHE APPARATEN EN INSTRUMENTEN A Fabrieken voor medische en optische apparaten en instrumenten e.d. - VERVAARDIGING VAN MEUBELS EN OVERIGE GOEDEREN N.E.G. 2 Meubelstoffeerderijen b.o. < 200 m2 Fabricage van munten, sieraden e.d. - GROOTHANDEL EN HANDELSBEMIDDELING Handelsbemiddeling (kantoren) - DETAILHANDEL EN REPARATIE T.B.V. PARTICULIEREN Reparatie t.b.v. particulieren (excl. auto's en motorfietsen) - VERVOER OVER WATER / DOOR DE LUCHT A Vervoersbedrijven (uitsluitend kantoren) - DIENSTVERLENING T.B.V. HET VERVOER Overige dienstverlening t.b.v. vervoer (kantoren) Reisorganisaties Expediteurs, cargadoors (kantoren) - VERHUUR VAN EN HANDEL IN ONROEREND GOED A Verhuur van en handel in onroerend goed - COMPUTERSERVICE- EN INFORMATIETECHNOLOGIE A Computerservice- en informatietechnologie-bureau's e.d. - OVERIGE ZAKELIJKE DIENSTVERLENING A Overige zakelijke dienstverlening: kantoren - GEZONDHEIDS- EN WELZIJNSZORG 2 Kinderopvang - DIVERSE ORGANISATIES Bedrijfs- en werknemersorganisaties (kantoren) - CULTUUR, SPORT EN RECREATIE Bibliotheken, musea, ateliers, e.d.
- OVERIGE DIENSTVERLENING Kappersbedrijven en schoonheidsinstituten B Persoonlijke dienstverlening n.e.g.
INDICES
GEUR
nummer
22 221 2223 2223 2224 2225 223 23 33 33 34 36 361 362 37 51 511 52 52 527 55 61, 62 61, 62 63 63 6322, 6323 633 634 64 70 70 71 72 72 73 74 74 75 85 853 90 91 9111 92 92 9251, 9252 93 93 9302 9305
AFSTANDEN IN METERS
BODEM
OMSCHRIJVING
SBI-CODE
Bijlage 2 Rapport Fugro
Drusus NL.IMRO.0957.BP00000296-VG01 vastgesteld
6
FUGRO INGENIEURSBUREAU B.V. Adviesgroep Stedelijke Hydrologie en Waterbeheer
ADVIES betreffende
BOUW ONDERGRONDSE CONSTRUCTIES B-PLAN "OOLDER VESTE" TE ROERMOND, Opdrachtnummer: 1105-0070-000
Opdrachtgever
:
Oolder Veste BV Postbus 70 6400 AB Heerlen
Projectleider
:
ing. F.M.R. Schrauwen Hoofd Afdeling Hydrologie
Opgesteld door
:
ing. G.J.P. Boers Adviesgroep Stedelijke Hydrologie en Waterbeheer
VERSIE
DATUM
OMSCHRIJVING WIJZIGING
1
25 januari 2006
1105-0070-000 conceptversie
2
8 maart 2006
Wijziging uitgangspunten
3
20 maart 2006
Definitieve versie
PARAAF PROJECTLEIDER
FILE: 1105-0070-000.R03 Op deze rapportage zijn de algemene leveringsvoorwaarden van de V.O.T.B. van toepassing die een aansprakelijkheidsbeperking bevatten.
Veurse Achterweg 10, Postbus 63, 2260 AB Leidschendam, Tel.: 070-3111333, Fax: 070-3111402 E-mail: ingenieursbureau@fugro.nl, Internet: www.fugro-nederland.nl
INHOUDSOPGAVE 1. INLEIDING 2. PROJECTOMSCHRIJVING 2.1. Aanleiding 2.2. Beschrijving inrichting 2.3. Beschrijving problematiek 3. INVENTARISATIE GEGEVENS EN UITGANGSPUNTEN 3.1. Modellering 3.2. Ontwatering 4. MOGELIJKHEDEN AANLEG ONDERGRONDSE CONSTRUCTIES 4.1. Inleiding 4.2. Aanleg ondergrondse constructie 4.3. Stabiliteit bouwputbodem 4.4. Zandophoging 5. HANDREIKING VOOR BOUWAANVRAGEN 5.1. Algemeen 5.2. Benodigde informatie bouwaanvragen 5.3. Aanbevelingen maatregelen / uitvoering 6. CONCLUSIES EN AANBEVELINGEN
Blz. 1 2 2 3 4 6 6 8 10 10 11 15 16 18 18 18 19 22
BIJLAGEN - Maximale grondwaterstand, dikte kleilaag en zelfbouwkavelindeling 1105-0070-000-1a - Aanleghoogte deelgebieden, kruinhoogte wegcunet en kavelindeling 1105-0070-000-2a - Samenvatting inventarisatie literatuur conform appendix 1 1105-0070-000-3 - Theoretische achtergrond barrièrewerking 1105-0070-000-4 - Mogelijkheden aanleg ondergrondse constructies in ophooglaag 1105-0070-000-5a - Overzichtskaart mogelijkheden aanleg ondergrondse constructies 1105-0070-000-5b in ophooglaag - Aansluiting folieconstructie 1105-0070-000-6 APPENDICES - Appendix 1 Literatuurlijst
1. INLEIDING Op 23 november 2005 ontving Fugro Ingenieursbureau B.V. te Leidschendam van Oolder Veste BV te Heerlen, de opdracht voor het uitvoeren en rapporteren van een onderzoek naar de mogelijkheden voor het bouwen in de ophoging "Oolder Veste" te Roermond.
Het doel van het onderzoek is het nagaan of, in verband met de bouw van ondergrondse constructies, bouwen in de ophoging en de kleilaag mogelijk is.
Het onderzoek bestaat uit de volgende onderdelen: •
Onderzoek naar de uitgangspunten voor de gehele projectlocatie “Oolder Veste”, waarbij de “ruis” 1 (gevoeligheid) in het model wordt aangegeven;
•
Het verschaffen van inzicht in de mogelijke locaties ten aanzien van het bouwen van ondergrondse constructies binnen de grenzen van de projectlocatie.
Deze rapportage vormt een basis voor de beoordeling van de haalbaarheid van de aanleg van ondergrondse constructies binnen het projectgebied. Tevens is in deze rapportage een handreiking voor de behandeling en beoordeling van de bouwaanvragen voor de Gemeente Roermond opgenomen.
In de afgelopen jaren zijn door diverse partijen onderzoeken en adviezen uitgebracht met betrekking tot de projectlocatie “Oolder Veste”. Deze onderzoeken en adviezen vormen de basis voor deze rapportage. In appendix 1 is een literatuurlijst opgenomen van de literatuur, waarnaar verwezen wordt in de tekst.
De voorliggende rapportage is als volgt opgebouwd: In hoofdstuk 2 wordt een projectomschrijving gegeven en wordt de inrichting van het gebied beschreven waarna in hoofdstuk 3 de inventarisatie van de gegevens en de uitgangspunten wordt behandeld. De mogelijkheid voor de aanleg van ondergrondse constructies wordt behandeld in hoofdstuk 4. Hoofdstuk 5 bevat een handreiking voor de beoordeling van bouwaanvragen. Tot slot volgen in hoofdstuk 6 de conclusies en aanbevelingen.
1
De gevoeligheid van het grondwater model wordt omschreven als het absolute verschil tussen berekende waarden en gemeten waarden van de grondwaterstand.
1105-0070-000.r03
Opdr: 1105-0070-000 Blz: 1
2. PROJECTOMSCHRIJVING Het plangebied ‘Oolder Veste’ ligt ten westen van de bebouwde kom van Herten en ten noorden van Merum. Dwars door het plangebied loopt de Merumerkerkweg en aan westelijke zijde wordt het gebied omsloten door de Broekveeweg. Het plangebied wordt ingesloten door de Ool, Herten, Merum en Oolderplas. Binnen het Rijksdriehoeknet heeft het plangebied globaal de coördinaten X = 195.000 m en Y = 354.500 m. 2.1. Aanleiding Het plangebied is gelegen in het bergend winterbed van de Maas. Het beschermingsniveau van het projectgebied tegen hoog water van de Maas (overstromingsgevaar) bedraagt 1 keer per 1250 jaar. Om wateroverlast te voorkomen is een kade om het plangebied aangelegd en is een zandophoging aangebracht, welke van oost naar west van ca. 0,6 m naar ruim 2,5 m oploopt. De ophoging is zodanig gekozen dat bij hoge Maaswaterstanden (1:1250 jaar) het kwelwater tot maximaal 0,1 m beneden het aanlegniveau, als bedoeld in het bestemmingsplan van Oolder Veste, mag stijgen.
Bij het opstellen van het plan “Oolder Veste” is uitgegaan van het bouwen zonder ondergrondse constructies, zoals kruipruimtes, kelders of zwembaden. Het bestemmingsplan geeft echter de mogelijkheid om hiervan vrijstelling te verlenen. Een van de voorwaarden is dat daarbij wordt aangetoond dat hierdoor geen extra kwel zal ontstaan of dat er voor de extra optredende kwel compenserende maatregelen worden genomen.
De opdrachtgever heeft Fugro Ingenieursbureau BV gevraagd te verifiëren welke overige mogelijkheden er zijn voor de aanleg van ondergrondse constructies binnen het plangebied. Hierbij zijn de volgende vragen geformuleerd: •
Wat zijn de consequenties van het doorsnijden van de ophooglaag en de kleilaag door de aanleg van ondergrondse constructies met betrekking tot de kwel en de grondwaterstand.
•
Wat zijn de consequenties van het doorsnijden van de ophooglaag door de aanleg van ondergrondse constructies met betrekking tot de belemmering van de grondwaterstroming in de ophooglaag (barrièrewerking).
1105-0070-000.r03
Opdr: 1105-0070-000 Blz: 2
Aanvullend is er behoefte aan een handreiking voor de beoordeling van aanvragen voor ondergrondse constructies. Tevens is de wens meer inzicht te hebben in eventuele oplossingen voor de aanleg van constructies. 2.2. Beschrijving inrichting Beschrijving huidige inrichting Bij de voorbereidende werkzaamheden voor het bouwrijp maken van het projectgebied is veel zorg besteed aan het behoud van de weerstand van de deklaag. Er zijn diverse maatregelen getroffen om de kleilaag in tact te laten en waar nodig is de kleilaag hersteld. Zo zijn volgens informatie van de opdrachtgever onder andere na het verwijderen van boomstronken de ontstane gaten zorgvuldig aangevuld met klei en zijn rioolsleuven eveneens gedicht met klei. Vervolgens is het gebied bouwrijp gemaakt, waarbij een ophooglaag variërend in dikte is aangebracht. Van het oorspronkelijke maaiveld is een teelaardelaag met een dikte van ca. 0,3 m verwijderd, welke in een later stadium op de zandlaag wordt aangebracht. Binnen een deel van het gebied wordt momenteel gebouwd. Rondom de projectlocatie is ter plaatse van de dijk een damwand aangebracht. Beschrijving toekomstige inrichting Aan de westzijde van Oolder Veste bevindt zich een dijk, waarvan de hoogte is berekend voor een situatie van hoge Maaswaterstanden die per jaar 1/1250 keer kan optreden.
Bij deze situatie van hoge Maaswaterstanden staat rondom het projectgebied het water tegen de dijken.
Om wateroverlast te voorkomen is het plangebied opgehoogd, waarbij de dikte van de ophooglaag berekend is aan de hand van de te verwachte maximale grondwaterstanden (onder andere kwel vanuit de Maas).
Door een systeem van molgoten, greppels en graften wordt het hemelwater van de daken en straten geborgen en geleid door het gebied en geloosd op de “Groene Slenk”. Bij hoogwaterstanden in de Maas wordt het water vanuit de “Groene Slenk” geloosd op de Maas door middel van pompen.
1105-0070-000.r03
Opdr: 1105-0070-000 Blz: 3
Binnen het plangebied komen diverse woningtypen voor, waaronder eengezinswoningen, appartementen, dijkwoningen, half-vrijstaande woningen en vrijstaande woningen, al dan niet met garage. Tevens komen er 127 zelfbouwkavels van Oolder Veste voor, welke zijn verdeeld over een twaalftal woonblokken, verspreid over het plangebied. Voor alle kavels zijn de mogelijkheden voor de aanleg van ondergrondse constructies tot aanlegniveau -2 m onderzocht. De mogelijkheden voor de aanleg van kelders (aanlegniveau -3 m) zijn alleen onderzocht voor de zelfbouwkavels. 2.3. Beschrijving problematiek Bij het toepassen van ondergrondse constructies binnen het projectgebied kunnen de volgende twee invloeden op de grondwaterstroming optreden: 1. Invloed ondergrondse constructie op de verticale grondwaterstroming (kwel); 2. Invloed ondergrondse constructie op de horizontale grondwaterstroming (barrièrewerking).
Ad1.
Kwel
Door drukverschil tussen de stijghoogte in het 1e watervoerend pakket en de freatische grondwaterstand in de ophooglaag kwelt er water vanuit het 1e watervoerend pakket door de kleilaag naar de ophooglaag. Deze kleilaag heeft een waterremmende functie.
De volgende situaties kunnen bij de aanleg van ondergrondse constructies voorkomen: •
De ondergrondse constructie blijft geheel boven de bestaande kleilaag;
•
De ondergrondse constructie bevindt zich voor een deel in de kleilaag (insnijding);
•
De ondergrondse constructie doorsnijdt de gehele kleilaag.
Door het verwijderen van een deel van de klei uit de deklaag neemt de weerstand van deze laag af, waardoor mogelijk een grotere kwelstroom ontstaat. Bij de aanleg van ondergrondse constructies wordt de deels verwijderde klei vervangen door een betonnen bak. Doordat na de aanleg van de ondergrondse constructie klei wordt teruggeplaatst tegen de betonnen wanden, ontstaat er naast de betonwanden een verstoorde grondlaag. Verwacht wordt dat deze verstoorde grondlaag een kleinere weerstand heeft dan de oorspronkelijke deklaag. Door het nemen van voorzorgsmaatregelen kan de weerstand ter plaatse van de betonwanden weer worden vergroot (zie hoofdstuk 5).
1105-0070-000.r03
Opdr: 1105-0070-000 Blz: 4
Ad2.
Barrièrewerking
De woonblokken in het projectgebied worden begrensd door ontwateringsmiddelen in de ophooglaag ter plaatse van de wegen (greppels, graften en drainage). Aangezien de wegen, greppels en graften lager zijn gelegen dan de woonblokken zal er ten tijde van een hoogwatergolf (1:1250 jaar) naar verwachting een grondwaterstroming optreden in de ophooglaag richting de ontwateringsmiddelen.
Bij de aanleg van een ondergrondse constructie tot in de kleilaag wordt de gehele ophooglaag doorsneden. De ondergrondse constructie fungeert als barrière voor de grondwaterstroming in de ophooglaag. Het grondwater zal om de constructie heen moeten stromen, waarbij ter plaatse van het midden van de constructie de grootste opstuwing optreedt. De mate van opstuwing is afhankelijk van de breedte van de barrière (constructiedeel haaks op de stromingsrichting), het verhang van de grondwaterstand over de locatie, de mate van doorsnijding van de ophooglaag en de weerstand van de deklaag. Voor een nadere uitleg wordt verwezen naar bijlage 1105-0070-000-4.
Ten aanzien van de barrièrewerking heeft er veelvuldig overleg plaatsgevonden met Grontmij. Uit deze overleggen is de gezamenlijke conclusie getrokken dat het risico en de mate van barrièrewerking niet (nauwkeurig) te bepalen is. Het ontwateringsplan, systeem van drainageleidingen, molgoten, greppels, graften en de Groene Slenk (zie Lit. H), is namelijk niet opgenomen in het gekalibreerde grondwatermodel 1998/1999. Derhalve is met het model het effect van de ontwatering op de berekende maximale grondwaterstand niet inzichtelijk.
In hoofdstuk 4 wordt nader ingegaan op de effecten van het aanbrengen van ondergrondse constructies op de grondwaterstroming.
1105-0070-000.r03
Opdr: 1105-0070-000 Blz: 5
3. INVENTARISATIE GEGEVENS EN UITGANGSPUNTEN
Door de opdrachtgever zijn met betrekking tot de ontwikkelingslocatie Oolder Veste diverse rapporten en studies beschikbaar gesteld. In appendix 1 is een literatuurlijst van de stukken opgenomen. Deze literatuurlijst is chronologisch opgesteld, waarbij tevens de onderlinge relatie is aangegeven.
In dit hoofdstuk wordt aan de hand van de beschikbaar gestelde informatie achtereenvolgens de modellering en de ontwatering toegelicht, waarbij de conclusies uit de diverse stukken zijn weergegeven. Voor een uitgebreide toelichting wordt verwezen naar bijlage 1105-0070-000-3. De bij de modellering gebruikte uitgangspunten en parameters in paragraaf 3.1 worden chronologisch behandeld, waarbij de indeling volgens de appendix wordt aangehouden. Het ontwateringsplan is niet opgenomen in het gekalibreerde model 1998/1999. Derhalve is met het model het effect van de ontwatering op de maximale grondwaterstanden niet inzichtelijk. Er zijn door Fugro geen berekeningen uitgevoerd.
3.1. Modellering De basis van het geohydrologische model (MicroFem) van Grontmij wordt gevormd door het geijkte grondwatermodel van Heidemij Modflow, 1995). Het laatste model is geijkt op het jaar 1986 en tevens voor de natte periode januari februari 1995 aan de hand van de berekende kwel, die voornamelijk is gebaseerd op een geschatte hoeveelheid water die met behulp van noodpompen is uitgemalen om wateroverlast in het gebied te voorkomen.
In verband met onzekerheden met betrekking tot de extreme grondwaterstanden, de variatie in de bodemparameters en weerstand van de deklaag is het model opnieuw gekalibreerd. Dit nieuwe model is gekalibreerd voor de situatie begin december 1998 tot medio februari 1999. In dit model is het verschil tussen de berekende en de gemeten grondwaterstanden acceptabel geacht. Inzicht in de werkelijke verschillen kan niet worden verkregen uit de beschikbare gegevens. Bij de kalibratie van het grondwatermodel is met name de weerstand van de deklaag en de eerste scheidende laag gevarieerd.
1105-0070-000.r03
Opdr: 1105-0070-000 Blz: 6
Hieronder zijn de belangrijkste conclusies uit de diverse stukken met betrekking tot het model 1995 en het gekalibreerde model 1998/1999 weergegeven ten aanzien van de volgende onderwerpen: •
Grondwaterstand en stijghoogte;
•
Weerstand van de deklaag;
•
Ontwatering van de projectlocatie.
Conclusie grondwaterstand en stijghoogte Model 1995 1.
Geijkt op basis van hoogwatergebeurtenis januari / februari 1995 aan de hand van gemeten grondwaterstanden (enkele metingen TNO), grondwaterstandsverloop en de geschatte hoeveelheid uitgemalen water (bij modelkalibratie is kwelwater bepaald op basis van geschatte pompcapaciteit).
2.
De piek van de stijghoogte valt precies tussen twee metingen, waardoor de ijking onnauwkeurig is.
3.
Door variatie deklaag is reële gevoeligheid grondwaterstand +0,40 m à -1,0 m. Conclusie: afwijking grondwaterstand van enkele decimeters.
Model 1998/1999 1.
Nieuwe model gekalibreerd voor de winter 1998 / 1999 (einde van natte periode). Voor situatie 1998/1999 is verschil berekende en gemeten grondwaterstanden acceptabel.
2.
De absolute verschillen tussen de berekende waarden en de gemeten waarden bedragen ca. 0,3 à 0,4 m.
Conclusie weerstand deklaag Model 1995 1.
Weerstand geschat op 50 à 100 dagen, voornamelijk op basis van geschatte hoeveelheid uitgemalen water.
2.
Hydraulische weerstand verlaagd van 100 dagen naar 10 dagen i.v.m. onvoldoende kwelwater naar deklaag om water tot aan maaiveld te krijgen en aanvullend bodemonderzoek.
3.
Gebiedsgemiddelde waarden Æ onvoldoende gegevens.
4.
Bij zettingsberekeningen geen rekening gehouden met ontgraven van 0,3 m teelaardelaag.
1105-0070-000.r03
Opdr: 1105-0070-000 Blz: 7
5.
In modellering rekening gehouden met geleidelijke overgang tussen deklaag en ophooglaag.
6.
Weerstand deklaag volgens Iwaco 50 à 150 dagen, Heidemij ca. 10 dagen. Bij bepaling weerstand relatief hoge kvert Æ aan veilige kant!
Model 1998/1999 1.
Kalibratie september 1999: op basis van gemeten freatische grondwaterstanden en stijghoogten in 1e watervoerend pakket heeft het afdekkend pakket een aanmerkelijke hogere weerstand.
2.
Toename weerstand deklaag 40 à 200 dagen, wel enkele onzekerheden. Deklaag variatie weerstand: 5 tot 156 dagen. (Rapport H, bijlage 3).
3.
Op sommige plekken deklaag verwijderd voor aanleg riolering (diepste deel bij de Veste).
3.2. Ontwatering Op basis van de voorgenomen analyses (hoofdstuk 4) wordt ten aanzien van de ontwatering in de diverse stukken het volgende geconcludeerd:
Ontwateringsmiddelen 1.
Intensief systeem noodzakelijk met grote capaciteit en beperkte levensduur.
2.
In de cunetten cunetdrainage aanbrengen.
3.
In deel van het noorden van het plangebied is geen drainage noodzakelijk.
4.
Aan weerszijde van de weg wordt een drain toegepast. Bij de berekeningen is de onderlinge invloed van de drains niet meegenomen.
Ten aanzien van het gekalibreerd model 1998/1999 zijn in het rapport Definitief ontwerp Bodem & Water (H) in het onderdeel ontwateringsplan de volgende verschillen aangetroffen: 1.
Weerstand deklaag is uit veiligheidsoverwegingen bij de berekeningen gehalveerd.
2.
Bij drainageberekeningen is de weerstand laag gehouden, de dikte van de ophooglaag ruim genomen, waardoor de drainage is overgedimensioneerd.
3.
In de modellering is rekening gehouden met een geleidelijke overgang tussen deklaag en ophooglaag. Bij de drainageberekeningen is uitgegaan van de variatie van de weerstand (rapport H, bijlage 3).
1105-0070-000.r03
Opdr: 1105-0070-000 Blz: 8
Conclusie: De absolute verschillen tussen de berekende waarden en de gemeten waarden in het model bedragen ca. 0,3 à 0,4 m (gevoeligheid model, zie verder hoofdstuk 4). Dit betekent dat, ten opzichte van de eis voor een maximale grondwaterstand tot 0,1 m onder aanlegniveau de grondwaterstand maximaal tot 0,25 à 0,30 m onder aanlegniveau mag stijgen.
Het ontwateringsplan is door de halvering van de weerstand van de deklaag, ruimere dikte ophooglaag en door het niet meenemen van de onderlinge invloed van de drains in de berekeningen overgedimensioneerd. In hoofdstuk 4 zal nader worden ingegaan op de “extra ruimte” die in de ontwatering zit (de lagere grondwaterstand ten opzichte van het model, is niet gekwantificeerd in het model).
1105-0070-000.r03
Opdr: 1105-0070-000 Blz: 9