Bijlage 3 – Toelichting en regels ontwerp-bestemmingsplan Drusus (digitaal ter inzage)
Tekst van het document
is de Wet natuurbescherming van belang om te bepalen of een plan-MER noodzakelijk is. In de Wet natuurbescherming is opgenomen dat wanneer significante effecten op Natura 2000-gebieden niet zijn uit te sluiten een plan-MER in procedure dient te worden gebracht. Wanneer aangetoond kan worden dat er geen significante effecten zijn te verwachten is een plan-MER niet noodzakelijk. Uit paragraaf 4.6 ‘Ecologie’ blijkt dat van significante effecten die kunnen leiden tot een noodzaak tot het uitvoeren van een passende beoordeling of plan-m.e.r.-plicht geen sprake is. Conclusie De omvang van de ontwikkeling ligt ver onder de drempelwaarden die zijn opgenomen in kolom 2, namelijk een aaneengesloten gebied en 2.000 woningen of meer. Er is voor de activiteit derhalve geen sprake van een directe m.e.r.-(beoordelings)plicht. Er dient wel een vormvrije m.e.r.-beoordeling te worden uitgevoerd. Het bestemmingplan heeft geen significante gevolgen op een Natura 2000-gebied.
Hoofdstuk 4
30
Er hoeft derhalve geen passende beoordeling te worden uitgevoerd en vanuit de Wet natuurbescherming geldt geen m.e.r.-plicht. 4.1.2
Vormvrije m.e.r.-beoordeling
Op basis van paragraaf 7.6 van de Wet milieubeheer (Wm), dient degene die een activiteit wil ondernemen, aangewezen krachtens artikel 7.2, eerste lid, onder b, en voornemens is een verzoek in te dienen tot het nemen van een besluit als bedoeld in het vierde lid van dat artikel, dit voornemen schriftelijk mee te delen aan het bevoegd gezag. Bij de mededeling dient in ieder geval de informatie te worden verstrekt zoals omschreven in artikel 7.16 lid 2 tot en met 4 Wm. Op basis van artikel 7.17 Wm, dient het bevoegd gezag uiterlijk zes weken na de datum van ontvangst een beslissing te nemen omtrent de vraag of bij de voorbereiding van het betrokken besluit voor de activiteit, vanwege de belangrijke nadelige gevolgen die zij voor het milieu kan hebben, een milieueffectrapport moet worden gemaakt. Middels deze paragraaf wordt invulling gegeven aan de vereisten van artikel 7.16 Wm, op basis waarvan het bevoegd gezag op grond van artikel 7.17 Wm een beslissing kan nemen. De achterliggende gedachte bij de vormvrije m.e.r.-beoordeling is dat ook kleine projecten het milieu relatief zwaar kunnen belasten en ook bij kleine projecten van geval tot geval moet worden beoordeeld of een m.e.r.-procedure nodig is.
Deze vormvrije m.e.r.-beoordeling kan tot twee conclusies leiden: Belangrijke nadelige milieugevolgen zijn uitgesloten: er is geen m.e.r.(-beoordeling) noodzakelijk; Belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu zijn niet uitgesloten: er moet een m.e.r.(-beoordeling) plaatsvinden. In deze paragraaf wordt getoetst of op basis van de criteria die genoemd zijn in bijlage III van de EEGrichtlijn milieueffectbeoordeling een m.e.r.-beoordeling uitgevoerd moet worden. Het gaat hierbij om de volgende criteria (zie ook onderstaande tabel): 1. De kenmerken van het project; 2. De plaats van het project; 3. De kenmerken van het potentiële effect.
Hoofdstuk 4
31
Kenmerken van het project
Omvang van het project
Cumulatie met andere projecten
Gebruik van natuurlijke grondstoffen
Productie van afvalstoffen
Verontreiniging en hinder
Risico van ongevallen, mede gelet op de gebruikte stoffen en technologieën
Plaats van het project
Bestaand grondgebruik
Relatieve rijkdom aan kwaliteit en het regeneratievermogen van de natuurlijke hulpbronnen van het gebied
Het opnamevermogen van het natuurlijke milieu, met in het bijzonder aandacht voor gevoelige gebieden (wetlands, kustgebieden, berg- en bosgebieden, reservaten en natuurparken, Habitat- en Vogelrichtlijngebieden), gebieden waarin bij communautaire wetgeving vastgestelde normen inzake milieukwaliteit reeds worden overschreden, gebieden met een hoge bevolkingsdichtheid, landschappen van historisch, cultureel of archeologisch belang
Kenmerken van het potentiële effect
Bereik van het effect (geografische zone en grootte van de getroffen bevolking)
Grensoverschrijdende karakter van het effect
Waarschijnlijkheid van het effect
Duur, frequentie en de omkeerbaarheid van het effect
Criteria EEG-richtlijn milieueffectbeoordeling.
De vormvrije m.e.r.-beoordeling is opgesteld op basis van de onderzoeken die uitgevoerd zijn in het kader van het bestemmingsplan. Kenmerken van het project Criteria
Toets
Omvang van het project
Het plangebied heeft een oppervlakte van circa 25.425 m². Het project richt zich op de realisatie van maximaal 35 woningen.
Cumulatie met andere projecten
Nee
Gebruik van natuurlijke hulpbronnen
N.v.t. Bij de ontwikkeling wordt niet permanent gebruik gemaakt van natuurlijke hulpbronnen.
Productie van afvalstoffen
Naast het reguliere afval van de toekomstige bebouwing en functies zal geen sprake zijn van de productie van andere afvalstoffen.
Verontreiniging en hinder
De ontwikkeling vindt plaats in stedelijk gebied. Tijdens de aanlegfase is er mogelijk sprake van tijdelijke hinder als gevolg van bouwverkeer en bouwwerkzaamheden, maar dit betreft geen hinder groter dan bij reguliere bouwwerkzaamheden. Luchtkwaliteit (zie ook paragraaf 4.1.5): Met onderhavig plan wordt geen significante invloed op de luchtkwaliteit uitgeoefend. De ontwikkeling draagt niet in betekende mate bij aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Geluid wegverkeer (zie ook paragraaf 4.1.4): Er is sprake van een aanvaardbaar akoestisch woon-en leefklimaat ten gevolge van het wegverkeer.
Hoofdstuk 4
32
Kenmerken van het project Criteria
Toets Geur: Het betreft een stedelijke locatie, veehouderijen of andere geurhinder veroorzakende inrichtingen zijn in de directe omgeving niet aanwezig.
Risico van ongevallen
Er is sprake van de ontwikkeling van woningen. Er is geen sprake van de realisatie van een nieuwe risicobron.
Plaats van het object Criteria
Toets
Bestaand grondgebruik
In de huidige situatie zijn de gronden grotendeels bestemd als ‘Wonen uit te werken’ en braakliggend.
Relatieve rijkdom aan kwaliteit en het
N.v.t.
regeneratievermogen van de natuurlijke hulpbronnen van het gebied Het opnamevermogen van het natuurlijke milieu, met in het bijzonder aandacht voor:
gevoelige gebieden (wetlands,
Het plangebied ligt niet binnen de invloedssfeer van door Wet natuurbescherming
kustgebieden, berg- en bosgebie-
beschermde gebieden. Zie ook paragraaf 4.6 ‘Ecologie’.
den, reservaten en natuurparken, Habitat- en Vogelrichtlijngebieden)
gebieden waarin bij communau-
Nee
taire wetgeving vastgestelde normen inzake milieukwaliteit reeds worden overschreden
Gebieden met een hoge bevol-
N.v.t.
kingsdichtheid
Landschappen van historisch, cul-
Cultuurhistorie (zie ook paragraaf 4.5): Binnen het plangebied en de directe omge-
tureel of archeologisch belang
ving is geen sprake van waardevolle vanuit cultuurhistorisch oogpunt van belang zijnde waarden, waarop met de voorgenomen ontwikkeling invloed wordt uitgeoefend. Archeologie (zie ook paragraaf 4.4): Bescherming van mogelijk aanwezige archeologische waarden vindt plaats middels een dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie’. Gelet op de ophoging van het terrein zal er geen verstoring plaatsvinden waarvoor nader onderzoek noodzakelijk is.
In onderdeel A van de bijlage bij het Besluit m.e.r is bepaald wat verstaan wordt onder een gevoelig gebied. Als gevoelig gebied zijn gebieden aangewezen die beschermd worden op basis van de natuurwaarden, landschappelijke waarden, cultuurhistorische waarden en waterwingebieden. Gevoelig gebied (conform onderdeel A van de bijlage bij het Besluit m.e.r.) Gevoelig gebied
Toets
Beschermd natuurmonument
Nee.
Hoofdstuk 4
33
Gevoelig gebied (conform onderdeel A van de bijlage bij het Besluit m.e.r.) Gevoelig gebied
Toets
Habitat en vogelrichtlijngebieden
Nee, zie paragraaf 4.6 ‘Ecologie’.
Watergebied van internationale beteke-
Nee.
nis Natuurnetwerk Nederland
Het plangebied ligt niet binnen of in de nabijheid van het Natuurnetwerk Nederland
(voormalige EHS)
(NNN). Zie paragraaf 4.6 ‘Ecologie’.
Landschappelijk waardevol gebied
Het plangebied maakt geen onderdeel uit van landschappelijk waardevol gebied.
Waterwinlocaties. waterwingebieden,
Nee, zie paragraaf 4.3 ‘Waterhuishouding’.
en grondwaterbeschermingsgebieden Beschermd monument
Binnen het plangebied is geen sprake van beschermde monumenten.
Belvedere-gebied
Nee.
Kenmerken van het potentiële effect Criteria
Toets
Bereik van het effect (geografische
N.v.t.
zone en grootte van de getroffen bevolking) Grensoverschrijdende karakter van het
Nee.
effect Waarschijnlijkheid van het effect
Van onevenredige effecten voor de omgeving is echter geen sprake.
Duur, frequentie en de omkeerbaarheid
Er sprake van de aanleg van nieuwe woningen. De effecten zijn blijvend. Zoals ech-
van het effect
ter al verwoord in het voorgaande, zijn deze effecten niet van dien aard dat sprake is van een onevenredige aantasting.
Gezien het vorenstaande en indien het plan wordt vergeleken met de drempelwaarden uit onderdeel D van het Besluit m.e.r. kan worden geconcludeerd dat er, rekening houdend met: 1. De kenmerken van het project; 2. De plaats van het project; en 3. De kenmerken van het potentiële effect; sprake is van een wezenlijk ander schaalniveau en een activiteit die vele malen kleinschaliger is. Bij elk plan is sprake van invloed op het milieu, maar deze is niet zodanig dat normen worden overschreden. De potentiële effecten van het plan, in relatie tot de kenmerken en de plaats van het plan, zijn dusdanig beperkt van aard en omvang dat dit geen significant nadelige milieugevolgen tot gevolg heeft die het doorlopen van een m.e.r.-procedure noodzakelijk maken. 4.1.3
Bodem
In het kader van de voorgenomen ontwikkeling is door Econsultancy een historisch bodemonderzoek 1 uitgevoerd. Onderstaand wordt kort ingegaan op de onderzoeksresultaten. Voor meer informatie wordt verwezen naar het volledige onderzoeksrapport. 1
Econsultancy, Historisch vooronderzoek Drususberg (ong.) - "Drusus" te Herten, rapportnummer 4653.001, 28 juli 2017
Hoofdstuk 4
34
Op het maaiveld zijn ten tijde van de terreininspectie geen asbestverdachte materialen waargenomen. Het plangebied is in 2006 en 2014 opgehoogd met grond, geschikt voor het beoogde gebruik, en is in 2017 nogmaals opgehoogd met grond dat geschikt is voor het beoogde gebruik. Er bestaat dan ook geen milieuhygiënische belemmeringen voor de geplande nieuwbouw op de onderzoekslocatie. Voor een nadere toelichting wordt verwezen naar de in bijlage 1 opgenomen onderzoeksrapportage. 4.1.4
Geluid
Conform de Wet geluidhinder moet bij het projecteren van geluidgevoelige bestemmingen zoals woningen gekeken worden of bij de woningen niet te veel geluidhinder wordt ondervonden zodat het woon- en leefkwaliteit wordt aangetast. Om dit gestructureerd te onderzoeken heeft men onderstaande werkwijze in de Wet geluidhinder opgenomen. Wegverkeer Conform de Wet geluidhinder is er aan weerszijde van een weg met een voorgeschreven snelheid van 50 km/uur of meer een zone aanwezig. De breedte van de zone wordt bepaald door de randvoorwaarden welke in art. 74 van de Wet geluidhinder worden gesteld. Indien in deze zone geluidgevoelige bestemmingen zoals woningen worden geprojecteerd dient onderzocht te worden of de geluidsbelasting ten gevolge van de weg de voorkeursgrenswaarde van 48 dB wordt overschreden. Is dit het geval dan dient er een hogere grenswaarde procedure doorlopen te worden zodat het college van B&W een hogere grenswaarde tot de maximaal toelaatbare geluidbelasting (hier 63 dB) kan verlenen. Railverkeer Conform de Wet geluidhinder is er aan weerszijde van verscheidene door het Besluit geluidhinder aangewezen spoorwegtrajecten een zone aanwezig. De breedte van de zone is ook per spoorwegtraject aangegeven in het Besluit geluidhinder.
Indien in deze zone geluidgevoelige bestemmingen zoals woningen worden geprojecteerd dient onderzocht te worden of de geluidsbelasting ten gevolge van het spoorwegtraject de voorkeursgrenswaarde van 55 dB wordt overschreden. Is dit het geval dan dient er een hogere grenswaarde procedure doorlopen te worden zodat het college van B&W een hogere grenswaarde tot de maximaal toelaatbare geluidbelasting (hier 68 dB) kan verlenen. Industrielawaai Conform art. 40 van de Wet geluidhinder ligt er rond een gezoneerd industrieterrein een zone waarbuiten de geluidsbelasting ten gevolge van het industrieterrein de 50 dB(A) niet overschrijdt. Indien in deze zone geluidgevoelige bestemmingen zoals woningen worden geprojecteerd dient onderzocht te worden of de geluidsbelasting ten gevolge van het industrieterrein de voorkeursgrenswaarde van 50 dB wordt overschreden. Is dit het geval dan dient er een hogere grenswaarde procedure doorlopen te worden zodat het college van B&W een hogere grenswaarde tot de maximaal toelaatbare geluidbelasting (hier 55 dB) kan verlenen. Met het vaststellen van een hogere grenswaarde geeft het college en de raad na een gedegen afweging de goedkeuring om ondanks de hoge geluidsbelasting toch te mogen bouwen. Hier kunnen ook voorwaarden aan verbonden worden.
Indien het alleen mogelijk is een hogere waarde vast te stellen die boven de maximaal toelaatbare geluidbelasting komt is het projecteren van geluidgevoelige bestemmingen niet mogelijk.
Hoofdstuk 4
35
Onderzoek In het voorliggende geval ligt het plangebied niet binnen de onderzoekszone van wegen of spoorwegen. Evenmin ligt het plangebied binnen de geluidzone van een industrieterrein. Het uitvoeren van een akoestisch onderzoek naar één van deze geluidbronnen is kortom niet noodzakelijk. Vanuit het aspect geluid bestaan er geen belemmeringen. 4.1.5
Luchtkwaliteit
Sinds 15 november 2007 is de Wet luchtkwaliteit in werking getreden en staan de hoofdlijnen voor regelgeving rondom luchtkwaliteitseisen beschreven in de Wet milieubeheer (hoofdstuk 5 Wm). Artikel 5.16 Wm (lid 1) geeft weer, onder welke voorwaarden bestuursorganen bepaalde bevoegdheden (uit lid 2) mogen uitoefenen. Als aan minimaal één van de volgende voorwaarden wordt voldaan, vormen luchtkwaliteitseisen in beginsel geen belemmering voor het uitoefenen van de bevoegdheid: a. Er is geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde; b. Een project leidt – al dan niet per saldo – niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit; c. Een project draagt ‘niet in betekenende mate’ (NIBM) bij aan de luchtverontreiniging; d. Een project past binnen het NSL (Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit), of binnen een regionaal programma van maatregelen. In het Besluit NIBM is vastgelegd wanneer een project niet in betekenende mate (NIBM) bijdraagt aan de concentratie van een bepaalde stof. Een project is NIBM, als aannemelijk is dat het project een toename van de concentratie veroorzaakt van maximaal 3%. De 3% grens wordt gedefinieerd als 3% van de grenswaarde voor de jaargemiddelde concentratie van fijn stof (PM 10) of stikstofdioxide (NO2). Dit komt overeen met 1,2 microgram/m3 voor zowel fijn stof en NO 2.
Er zijn twee mogelijkheden om aannemelijk te maken dat een project binnen de NIBM-grens blijft: a. Aantonen dat een project binnen de grenzen van een categorie uit de Regeling NIBM valt. Er is dan geen verdere toetsing nodig, het project is in ieder geval NIBM (artikel 4, lid 1, van het Besluit NIBM); b. Op een andere manier aannemelijk maken dat een project voldoet aan het 3% criterium. Hiervoor kunnen berekeningen nodig zijn. Ook als een project niet kan voldoen aan de grenzen van de Regeling NIBM, is het mogelijk om alsnog via berekeningen aan te tonen, dat de 3% grens niet wordt overschreden. In de regeling NIBM is voor woningbouwlocaties aangegeven dat bij een woningbouwontwikkeling tot 1.500 woningen deze als NIBM wordt aangemerkt. In het voorliggende geval worden minder woningen gerealiseerd dan de genoemde 1.500, wat betekent dat binnen het 3% criterium van de NIBM-grens gebleven wordt. Het project draagt dan ook ‘niet in betekenende mate’ (NIBM) bij aan de heersende luchtkwaliteit en de luchtverontreiniging. Hiermee wordt voldaan aan Artikel 5.16 Wm, lid 1, onder c. Achtergrondwaarden In het kader van een goede ruimtelijke ordening dient te worden bezien of de luchtkwaliteit ter plaatse goed genoeg is om een goed woon- en leefmilieu te kunnen waarborgen. In de Wet milieubeheer bedraagt de jaargemiddelde grenswaarde voor PM2,5 25 µg/m³ en voor PM10 40 µg/m³.
Voor NO2 bedraagt de jaargemiddelde grenswaarde eveneens 40 µg/m³. Volgens de kaarten van het RIVM op de Atlas Leefomgeving bedraagt de concentratie PM2,5 ter plaatse minder dan 14 µg/m³ en de concentratie PM10 en NO2 minder dan 20 µg/m³. Volgens de kaarten van het RIVM is de luchtkwaliteit ter plaatse
Hoofdstuk 4
36
voldoende voor de voorgenomen ontwikkeling. Daarnaast zal door voortschrijdende voertuigtechnologie de luchtkwaliteit in de toekomst naar verwachting nog verder verbeteren. Hiermee wordt voldaan aan Artikel 5.16 Wm, lid 1, onder a. Conclusie Op basis van het bovenstaande kan worden geconcludeerd dat er vanuit het aspect luchtkwaliteit geen belemmeringen bestaan. 4.1.6
Milieuzonering / bedrijvigheid
Onder milieuzonering wordt verstaan het waar nodig zorgen voor een voldoende ruimtelijke scheiding tussen enerzijds bedrijven of overige milieubelastende functies en anderzijds milieugevoelige functies zoals woningen. Bij de planontwikkeling dient rekening gehouden te worden met milieuzonering om zodoende de kwaliteit van het woon- en leefmilieu te handhaven en te bevorderen en daarnaast bedrijven en inrichtingen voldoende zekerheid te bieden dat zij hun activiteiten duurzaam binnen aanvaardbare voorwaarden kunnen uitvoeren. Bij de milieuzonering wordt gebruik gemaakt van de door de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) opgestelde publicatie ‘Bedrijven en milieuzonering’2. Een woning betreft geen functie die volgens de (indicatieve) lijst ‘Bedrijven en Milieuzonering’ een milieuzone heeft ten opzichte van andere milieugevoelige functies. Voorts dient wel gekeken te worden of in de omgeving van het plangebied functies voorkomen die een belemmering kunnen vormen voor de ontwikkeling van de woningen. In de nabije omgeving van het plangebied liggen geen bedrijven of instellingen die op basis van de milieuzonering een belemmering vormen voor de ontwikkeling van de woningen. Tevens vormt de voorgenomen ontwikkeling geen belemmering voor eventuele andere functies in de omgeving. 4.1.7
Kabels en leidingen
Volgens het vigerende bestemmingsplan en de risicokaart komen binnen het plangebied en de directe omgeving geen kabels en/of leidingen voor met een planologische beschermingszone. Vanuit dit kader bestaan er kortom geen bellermingen.
4.2 Externe veiligheid Het beleid voor externe veiligheid is gericht op het beperken en beheersen van risico’s voor de omgeving vanwege handelingen met gevaarlijke stoffen. De handelingen kunnen zowel betrekking hebben op het gebruik, de opslag en de productie, als op het transport van gevaarlijke stoffen. Uit het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi), de Wet basisnet, het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) en het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) vloeit de verplichting voort om in ruimtelijke plannen in te gaan op de risico’s in het plangebied ten gevolge van handelingen met gevaarlijke stoffen. 2
Bedrijven en Milieuzonering’, Uitgave VNG, Den Haag, 2009.
Hoofdstuk 4
37
Op basis van de risicokaart zijn binnen het plangebied en de directe omgeving geen risicovolle inrichtingen gelegen waarmee bij de ontwikkeling rekening hoeft te worden gehouden. Uit een beschouwing van mogelijke risicobronnen (transport over wegen, spoorwegen en water, buisleidingen, alsmede inrichtingen) is gebleken dat geen van deze bronnen beperkingen oplegt aan de planrealisatie. Verder blijkt uit de signaleringskaart, behorende bij de ‘Visie Externe Veiligheid Roermond (VEVR)’, dat het plangebied niet binnen het invloedsgebied ligt van een inrichting of transportroute voor gevaarlijke stoffen. Vanuit het aspect externe veiligheid bestaan er kortom geen belemmeringen.
Uitsnede signaleringskaart Visie Externe Veiligheid Roermond, met de ligging van het plangebied aangeduid met een rode pijl.
4.3 Waterhuishouding Deze waterparagraaf is opgesteld met als doel een samenhangend beeld te geven van de wijze waarop in het voorliggende bestemmingsplan rekening wordt gehouden met de (ruimtelijk) relevante aspecten van duurzaam waterbeheer.
Hoofdstuk 4
38
Een beknopte beschrijving van de kenmerken van het watersysteem kan het benodigde inzicht geven in het functioneren van dit systeem. In deze paragraaf zullen de volgende onderdelen behandeld worden: Beschrijving van waterrelevant beleid; Kenmerken van het watersysteem; 4.3.1
Beschrijving van het waterrelevant beleid
Nationaal Waterplan Vanuit Rijks- en provinciaal beleid wordt steeds meer nadruk gelegd op duurzaam waterbeheer in de bebouwde omgeving. In december 2009 heeft het kabinet het Nationaal Waterplan vastgesteld. Dit plan geeft op hoofdlijnen aan welk beleid het Rijk in de periode 2009 - 2015 voert om te komen tot een duurzaam waterbeheer. Het Nationaal Waterplan richt zich op bescherming tegen overstromingen, beschikbaarheid van voldoende en schoon water, en diverse vormen van gebruik van water. Ook worden de maatregelen genoemd die hiertoe worden genomen. Het Nationaal Waterplan is opgesteld op basis van de Waterwet die met ingang van 22 december 2009 van kracht is. Op basis van de Wet ruimtelijke ordening heeft het Nationaal Waterplan voor de ruimtelijke aspecten de status van structuurvisie. Op provinciaal niveau kent de provincie Limburg ook als uitgangspunten dat verdroging zo veel mogelijk tegengegaan dient te worden en dat waterkwaliteit, met het oog op een duurzaam gebruik in de toekomst, erg belangrijk is. Tevens sluit de provincie aan bij het beleid om infiltratie van water in de bodem te bevorderen en water meer terug te brengen in de stad. Binnen de waterbeheersplannen van Limburg is integraal waterbeheer een belangrijk begrip. En ook hier speelt de verdroging en waterkwaliteit een belangrijke rol in het beleidsproces.
Ter invulling van (specifiek) ecologische functies stelt het waterschap onder andere dat ter voorkoming van verdroging, grondwaterstanden, daar waar dat mogelijk is, verhoogd moeten worden door peilbeheer. Ook kan er gedacht worden aan het hooghouden van peilen nabij natuurgebieden. Ter voorkoming van eutrofiëring en het verlandingsproces kunnen voedselrijke bodems uitgebaggerd worden. Een ander belangrijk punt is dat het rioleringsbeheer door gemeenten in het plangebied op en aan de aan watergangen en plassen toegekende functies afgestemd dient te worden. Naast deze ecologische functies dienen er ook mensgerichte hoofdfuncties ten behoeve van industrie of drinkwater in het gebied ingepast te worden. Ook voor mensgerichte nevenfuncties dient plaats te zijn. Duurzaam waterbeheer 21ste eeuw De kern van het Waterbeleid 21e eeuw is dat water de ruimte moet krijgen, voordat het die ruimte zelf neemt. Het water de ruimte geven betekent dat in het landschap en in de stad ruimte gemaakt wordt om water op te slaan. Dat betekent bijvoorbeeld dat toegelaten wordt dat rivieren bij hoge waterstanden gecontroleerd buiten hun oevers treden, op plekken waar daar ruimte voor is gemaakt. Daarmee worden problemen in andere, lager gelegen gebieden voorkomen.
Hoofdstuk 4
39
Vasthouden, bergen, afvoeren De waterbeheerders hebben samen gekozen voor een strategie, die uitgaat van het principe dat een overvloed aan water wordt opgevangen waar deze ontstaat. Dat betekent dat het water niet meer zo snel mogelijk afgevoerd wordt, maar dat het water zolang mogelijk wordt vastgehouden onder andere in de bodem. Is vasthouden niet meer mogelijk, dan bergen de waterbeheerders het in gebieden die daarvoor zijn uitgekozen. Door het water zo lang mogelijk vast te houden wordt tevens verdroging voorkomen. Pas als het niet anders kan, wordt het water afgevoerd. Provinciaal Waterplan Limburg 2016-2021 Het Provinciaal Waterplan Limburg bevat de ambities, opgaven en op hoofdlijnen de maatregelen die in de periode 2016-2021 worden uitgevoerd, op gebied van de hoogwaterbescherming in de Maasvallei, de aanpak van regionale wateroverlast en watertekort, mede in het licht van de klimaatverandering en het Nationale Deltaprogramma, de inrichting van de beken en waterrijke natuurgebieden als ook de verbetering van de ecologische en chemische waterkwaliteit, en de drinkwatervoorziening en het grondwaterbeheer, mede als opdracht vanuit de Kaderrichtlijn Water. Het Provinciaal Waterplan 2016-2021 heeft de status van een regionaal waterplan, zoals omschreven in de Waterwet én is een op zichzelf staande structuurvisie op grond van de Wet ruimtelijke ordening.
Het is een uitwerking en verdere detaillering van het regionale waterbeleid in het POL2014. Het plan bevat specifieke ambities en beleidsregels gericht op de doorwerking en uitvoering van waterbeleid, waarbij wordt ingezet op de volgende inhoudelijke opgaven voor het regionale waterbeleid: Een veilige en aantrekkelijke Maasvallei; Een veerkrachtig en klimaatbestendig regionaal watersysteem; Behoud en herstel natte natuur en verbetering waterkwaliteit; Duurzame drinkwatervoorziening en grondwaterbeheer. Bij de verdere ontwikkeling van het plangebied wordt aangesloten bij de bovengenoemde algemene uitgangspunten. Er is verder geen sprake van strijdigheid met het Provinciaal Waterplan 2016-2021. Gemeentelijk rioleringsplan Roermond 2017-2021 Ook in het gemeentelijke rioleringsplan is de reeks “vasthouden-bergen-afvoeren” leidend voor nieuwe plannen. Samengevat wordt de volgende beleidsrichting aangehouden ten aanzien van de omgang met hemelwater: De perceeleigenaar is (in eerste instantie) zelf verantwoordelijk voor de verwerking van hemelwater op zijn eigen perceel. Bij afkoppelprojecten wil de gemeente ook particuliere verharding meenemen zoals daken, maar alleen bij een gebiedsgerichte aanpak en als het doelmatig is. Het afkoppelen van particuliere verharding zal in eerste instantie op basis van vrijwilligheid gebeuren.
Bij kleinschalige nieuwbouw moet de particulier in eerste instantie zelf zijn hemelwater infiltreren in de bodem of afvoeren naar oppervlaktewater. Kan dat niet, dan worden afspraken op maat gemaakt. Hemelwater moet bij voorkeur bovengronds worden gehouden. Bij grootschalige nieuwbouw wordt hemelwater ingezameld en in het betreffende gebied zelf verwerkt.
Hoofdstuk 4
40
4.3.2
Kenmerken watersysteem
Grondwater De gemiddelde stand van het freatisch grondwater bedraagt ± 16,5 m +NAP, waardoor het grondwater zich op ± 3 m -mv zou bevinden. Het water van het eerste watervoerend pakket stroomt volgens de isohypsenkaart van de Dienst Grondwaterverkenning van TNO, kaartblad 57 Oost, 58 West en Oost, 1974 (schaal 1:50.000), in noordwestelijke richting. Het plangebied ligt niet binnen de grenzen van een grondwaterbeschermingsgebied of boringvrije zone van een waterwinplaats. Wel ligt het plangebied binnen de Roerdalslenkzone II. Hiervoor geldt ter plaatse van het plangebied dat voor boringen dieper dan 30 meter beneden maaiveld een melding in het kader van de Omgevingsverordening Limburg moet worden gedaan bij de provincie Limburg. Boringen in de Roerdalslenk waarbij de in de ondergrond aanwezige afschermende kleilagen (Brunssumse Klei) worden aangeboord of doorboord, zijn niet toegestaan zonder een door Gedeputeerde Staten verleende ontheffing. Van bovengenoemde boringen is geen sprake. Volgens de provincie Limburg vinden binnen en in de directe omgeving van het plangebied verder geen grootschalige grondwateronttrekkingen plaats, die een directe invloed zouden kunnen hebben op de stroming van het freatisch grondwater. Oppervlaktewater Binnen het plangebied zelf is geen oppervlaktewater aanwezig. Direct ten westen van het plangebied ligt de Oolderplas.
Langs de buitenzijde van de Oolderplas (gezien vanaf het plangebied) stroomt de Maas. Voor het overige ligt er geen oppervlaktewater in de nabijheid van het plangebied. Samenwerking met de waterbeheerder De voorgenomen ontwikkeling en de wijze waarop wateraspecten in het plan zijn meegenomen, is in nauwe afstemming met het Waterschap Limburg uitgewerkt. Ook is afstemming gezocht met Rijkswaterstaat. Vanuit dit kader bestaan er kortom geen belemmeringen. Aanpassing dubbelbestemming ‘Waterstaat’ Het Waterschap heeft opgemerkt dat de dubbelbestemming ‘Waterstaat’, zoals opgenomen in het thans vigerende bestemmingsplan ‘Oolder Veste’, gelet op de nieuwe legger zone’s breder is geworden.
Hoofdstuk 4
41
Nieuwe legger zone's
De dubbelbestemming ‘Waterstaat’ bestaat uit de kernzone (blauw), de binnenbeschermingszone (rood) en het profiel van vrije ruimte (donker geel). Op de bij dit bestemmingsplan behorende verbeelding is rekening gehouden met de nieuwe omvang van de dubbelbestemming ‘Waterstaat’. Water in relatie tot de ruimtelijke ontwikkelingen Hemelwater Voor de omgang met hemelwater wordt in grote lijnen aangesloten bij het principe zoals dit in het overige deel van Oolder Veste wordt toegepast. Het regenwater dat valt op wegen, trottoirs en parkeerplaatsen wordt niet naar het riool geleid, maar via het oppervlak afgevoerd naar de openbare weg. Vervolgens wordt dit water via goten en via de verbindingsweg naar de uitsnede geleid en zal daar infiltreren en weglopen over het lager gelegen terrein. Het hemelwater dat op de woningen valt, zal ondergrondse naar de achterzijde van de kavels worden geleid. Daar mondt de hemelwaterafvoer uit in het talud dat voorzien is van steenbestorting. Deze (beperkte) hoeveelheid hemelwater verdeelt zich tussen de steenbestorting en stroomt langs het talud omlaag alwaar het zal infiltreren in de bodem/oever. Op deze wijze blijft de kans op overlast bij hevige of langdurige regenval klein. De exacte wijze waarop bij de woningen met hemelwater zal worden omgegaan, wordt uitgewerkt in het kader van de toekomstige omgevingsvergunningaanvragen.
Riolering Het afvalwater wordt via een vuilwaterriool afgevoerd naar de waterzuivering
Hoofdstuk 4
42
Voorts geldt dat er geen uitlogende bouwmaterialen zullen worden gebruikt en dat wordt geadviseerd het gebruik van strooizout en bestrijdingsmiddelen tot het noodzakelijke minimum te beperken. Hoogwaterproblematiek Op 22 december 2009 is de Waterwet in werking getreden. In deze wet zijn een achttal wetten samengevoegd tot één wet. Het Waterbesluit is de uitwerking bij algemene maatregel van bestuur van bepalingen van de Waterwet. De Waterregeling is de uitwerking bij ministeriële regeling van bepalingen van de Waterwet en het Waterbesluit. De Waterwet, het Waterbesluit en de Waterregeling zijn het resultaat van de in 2004 aangekondigde integratie van waterwetgeving. Wat betreft de oppervlaktewaterlichamen geeft het Waterbesluit een grondslag om de grenzen hiervan in de Waterregeling vast te leggen en een grondslag voor de grenzen van de gebieden die zijn vrijgesteld van de vergunningplicht voor het gebruik van waterstaatswerken (vergelijkbaar met het Besluit rijksrivieren op grond van art. 2a Wbr). Voor de toetsing van het rivierkundig belang wordt vastgehouden aan de criteria zoals neergelegd in de Beleidsregels grote rivieren.
Uit de kaarten, behorende bij het Waterbesluit en de Waterregeling en de nog van kracht zijnde Beleidslijn grote rivieren, blijkt dat het plangebied gelegen is binnen het gebied dat is vrijgesteld van de vergunningplicht voor het gebruik van het waterstaatswerk. Een nadere toetsing aan de beleidslijn is dan ook niet noodzakelijk. Wel dient te worden opgemerkt dat het plangebied is opgehoogd, om mogelijke schade als gevolg van toekomstig hoogwater te voorkomen.
4.4 Archeologie In het vigerende bestemmingsplan ‘Oolder Veste’ is voor het overgrote deel van het plangebied de dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie’ opgenomen. De als zodanig aangewezen gronden zijn behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor de bescherming en het behoud van de op en/of in deze gronden voorkomende archeologische waarden. Op de voor 'Waarde - Archeologie' aangewezen gronden mag geen bebouwing worden opgericht, met uitzondering van: a. Vervanging, vernieuwing of verandering van bestaande bebouwing, waarbij de oppervlakte, voor zover gelegen op of onder peil, niet wordt uitgebreid en waarbij gebruik wordt gemaakt van de bestaande fundering, of; b. Bebouwing waarvoor de grondwerkzaamheden uitsluitend plaatsvinden boven de kleilaag met uitzondering van paalfunderingen, of; c. Bebouwing waarvoor de grondwerkzaamheden een oppervlak beslaan van minder dan 100 m². Daarnaast is ook de archeologische beleidskaart van de gemeente Roermond geraadpleegd. Uit de archeologische beleidskaart blijkt dat ter plaatse sprake is van een ‘hoge archeologische waarde’. In het voorliggende geval geldt dat het plangebied in 2006, 2014 en 2017 is opgehoogd met schone grond. Als gevolg hiervan zullen de grondwerkzaamheden uitsluitend plaatsvinden boven de kleilaag en zal geen verstoring plaatsvinden van mogelijk aanwezige archeologische waarden.
Het uitvoeren
Hoofdstuk 4
43
van een archeologisch onderzoek is vooralsnog dan ook niet noodzakelijk. Bij de vergunningaanvraag zal duidelijk worden of een archeologisch onderzoek noodzakelijk is geacht.
Uitsnede archeologische beleidskaart Roermond, met het plangebied rood omlijnd
4.5 Cultuurhistorie Binnen het plangebied en de directe omgeving zijn conform de Provinciale cultuurhistorische waardenkaart geen cultuurhistorisch waardevolle elementen aanwezig. Voor de volledigheid is ook de gemeentelijke cultuurhistorische waardenkaart geraadpleegd. Op basis van de gemeentelijke kaart is gebleken dat er eveneens geen cultuurhistorische waarden aanwezig zijn in het plangebied. Op onderstaande afbeelding is een uitsnede weergegeven van de gemeentelijke cultuurhistorische waardenkaart. Op de kaart is te zien dat er rondom het plangebied ‘karakteristieke elementen’ zoals omgrachtingen en dijken zijn gelegen en ook ‘historische en karakteristieke ommuringen’. De voorgenomen ontwikkeling heeft geen negatieve effecten op de cultuurhistorische waardevolle elementen.
Hoofdstuk 4
44
Uitsnede archeologische beleidskaart Roermond, met het plangebied rood omlijnd
4.6 Ecologie In het kader van de voorgenomen ontwikkeling zijn door BRO een AERIUS stikstofdepositieberekening3 en een quickscan flora en fauna4 uitgevoerd. Onderstaand zijn de onderzoeksresultaten kort samengevat. Voor meer informatie wordt verwezen naar het volledige onderzoeksrapport. Gebiedsbescherming Het plangebied is niet gelegen binnen de grenzen van een gebied dat aangewezen is als Natura 2000-gebied. Het nabijgelegen Natura 2000-gebied ‘Roerdal’ bevind zich op circa 1,7 kilometer ten noordoosten, circa van het projectgebied. Indien er sprake zou zijn van een effect, betreft dit een extern effect, zoals toename van geluid, licht of depositie van stikstof. Mede gezien de afstand tot het projectgebied zijn externe effecten als licht en geluid uitgesloten. Aangezien de voorgenomen ontwikkeling de realisatie van 35 grondgebonden woningen betreft, kan een significante toename aan stikstofdepositie tijdens de aanleg- en gebruiksfase op omliggende Natura 2000-gebieden niet op voorhand worden uitgesloten. Derhalve is de stikstofdepositie op dit Natura 2000-gebied berekend .
3 4
BRO, AERIUS_notitie Drusus hoeve, Herten 20210315 BRO, Quickscan flora en fauna ‘Drusus Herten’, projectnummer 211x09374, 13 juli 2017.
Hoofdstuk 4
45
Uit deze berekening blijkt dat bij de aanlegfase én gebruiksfase geen rekenresultaten hoger zijn dan 0,00 mol/ha/j. Daarmee kunnen op voorhand negatieve effecten op Natura 2000-gebieden vanwege stikstofdepositie uitgesloten worden. Voor een nadere toelichting wordt verwezen naar de in bijlage 2 opgenomen onderzoeksrapportage. Soortbescherming In 2017 heeft BRO reeds een Quickscan Flora en Fauna uitgevoerd. Op basis van de quickscan wordt vervolgonderzoek naar het voorkomen van verschillende soortgroepen niet noodzakelijk geacht. Evenmin is er sprake van een noodzaak tot het indienen van een ontheffingsaanvraag voor overtreding van verbodsbepalingen in de Wet natuurbescherming ten aanzien van het (indirect) verstoren van vaste rust- en verblijfplaatsen. Een update van de reeds uitgevoerde Quickscan Flora en Fauna is niet noodzakelijk geacht omdat een quickscan doorgaans 5 jaar geldig is. Omdat er destijds uit de quickscan naar voren is gekomen dat een vervolgonderzoek niet noodzakelijk is geacht, wordt een update van de Quickscan Flora en Fauna eveneens niet noodzakelijk geacht.
Uit de Quickscan Flora en Fauna is daarentegen wel het advies gesteld dat tijdens de beoogde werkzaamheden rekening dient te worden gehouden met het bepaalde in de Wet Natuurbescherming: Ten aanzien van broedvogels dient, om overtreding te voorkomen, het plangebied buiten het broedseizoen bouwrijp te worden gemaakt of een controle dient de aanwezigheid van broedgevallen uit te sluiten. Om verstoring op vleermuizen voorhand te voorkomen dient verlichting gericht op de Oolderplas te worden vermeden. Met betrekking tot de rugstreeppad, met een voorkeur voor dynamische terreinen, dient langdurige aanwezigheid van regenplassen en opslag van losse grond te worden vermeden. Ten behoeve van binnen het plangebied aanwezige algemene soorten dient de zorgplicht in acht te worden genomen. De minst gevoelige periode waarin de (graaf/ophoog)werkzaamheden kunnen plaatsvinden, met name ter hoogte van de zomerkade, betreft eind september – half november. In lijn met het bovengenoemde advies hebben de laatste werkzaamheden in het kader van de ophoging binnen de genoemde periode plaatsgevonden en is voorafgaand hieraan nog een controle uitgevoerd op de mogelijke aanwezigheid van al dan niet beschermde soorten. Hiervan was geen sprake. Na uitvoering van de ophoging zijn en worden nog diverse werkzaamheden uitgevoerd ten behoeve van het onderhouden van het terrein.
Hierdoor vindt veelvuldig verstoring plaats en is als gevolg hiervan de kans op de aanwezigheid van beschermde soorten zeer klein. In de directe omgeving hebben er wel reeds ontwikkelingen plaatsgevonden. Maar omdat deze ontwikkeling niet direct tegen het plangebied zijn gelegen kunnen deze ontwikkelingen voor onderhavig plan buitenwege worden gelaten. Vanuit ecologisch oogpunt bestaan er kortom geen belemmeringen voor de voorgenomen ontwikkeling binnen het plangebied. Voor een nadere toelichting wordt verwezen naar de in bijlage 3 opgenomen onderzoeksrapportage.
Hoofdstuk 4
46
4.7 Verkeer en infrastructuur Verkeer Binnen het plangebied zullen erftoegangswegen met een maximum toegestane snelheid van 30 km/uur worden aangelegd ter ontsluiting van de toekomstige woonpercelen. De verdere ontsluiting van het plangebied vindt plaats via de oostzijde. Aangezien de ontwikkeling binnen het plangebied reeds was voorzien in het vigerende bestemmingsplan ‘Oolder Veste’, is de bestaande wegenstructuur ook reeds voorzien op de toename van het aantal woningen binnen het plangebied. Vanuit dat kader bestaan er kortom geen belemmeringen. Parkeervoorzieningen binnen het plangebied De parkeervoorzieningen voor de te realiseren woningen zullen overwegend op eigen terrein worden gerealiseerd. Onderstaand volgt een situering van de beoogde parkeerplaatsen.
Situering parkeerplaatsen
Hoofdstuk 4
47
Bij de uiteindelijke omgevingsvergunningaanvraag zal het aantal parkeerplaatsen getoetst worden aan de gemeentelijke parkeernormen, daarbij rekening houdend met het exacte aantal en type woningen. Voor het plangebied gelden de normen uit de categorie 'rest bibeko en bubeko'. Onderhavige ontwikkeling voorziet in de realisatie van 19 vrijstaande woningen en 16 twee-onder-een-kap woningen. Voor vrijstaande woningen geldt een norm van 2,2 parkeerplaatsen per woning en voor twee-onder-eenkap woningen is deze norm 2,1 parkeerplaatsen per woning. Zodoende zijn er voor onderhavige ontwikkeling in totaal (19 x 2,2) + (16 x 2,1) = 41,8 + 33,6 = 75,4 = 76 parkeerplaatsen benodigd. In de toekomstige situatie wordt per kavel voorzien in 2 parkeerplaatsen (naast elkaar en minimaal 4,5 m breed). In totaal worden (35 x 2,0) = 70 parkeerplaatsen op eigen terrein gerealiseerd. Daarnaast worden er nog eens 17 openbare parkeerplaatsen aan de oostzijde van het plangebied gesitueerd. In totaal worden er dus (70 + 17) = 87 parkeerplaatsen gerealiseerd. Hiermee wordt voldaan aan de gestelde parkeernormen uit de ‘Nota Parkeernormen 2014’ van de gemeente Roermond. Daarnaast zijn er nog parkeermogelijkheden in de straat (openbare ruimte). Indien deze straatparkeerplaatsen worden meegeteld zijn er in totaal ruim 103 parkeerplaatsen in het plangebied voorzien.
De parkeernormen uit de parkeernota zijn eveneens verankerd in de regels van dit bestemmingsplan. Zie hiervoor eveneens paragraaf 3.4.4.
Tabel 4.1: Parkeernormen Roermond.
Hoofdstuk 4
48
5.
JURIDISCHE ASPECTEN 5.1 Feitelijke planopzet Dit bestemmingsplan is vervat in een verbeelding en bijbehorende regels en toelichting. Het plangebied wordt geregeld door middel van het toekennen van passende bestemmingen voor de gronden waar de woningen en bijbehorende functies zijn toegestaan.
5.2 Juridische planopzet 5.2.1 Verbeelding De analoge verbeelding is getekend op een bijgewerkte en digitale kadastrale ondergrond, schaal 1:1000. Als ondergrond voor de verbeelding is een uitsnede van de GBKN gebruikt d.d. 24-11-2017. 5.2.2 Planregels Wat betreft de systematiek van de regels is aangesloten bij het bestemmingsplan ‘Oolder Veste’. Onderstaand worden de in het bestemmingsplan opgenomen bestemmingen kort toegelicht. Woongebied Aan het volledige plangebied is de bestemming ‘Woongebied’ toegekend. Bestemmingsomschrijving De bestemmingsomschrijving geeft aan dat de gronden bestemd zijn voor woningen met bijbehorende voorzieningen zoals tuinen en erven, alsmede aan huis verbonden beroepen en diverse ondergeschikte voorzieningen als parkeervoorzieningen, groenvoorzieningen, waterhuishoudkundige voorzieningen, nutsvoorzieningen en speelvoorzieningen. Daarnaast is een aanduiding opgenomen voor het talud dat rondom het plangebied aan de noord-, zuid- en westzijde wordt gerealiseerd. Ter plaatse mag niet worden gebouwd en het talud moet in stand worden gehouden. Bouwregels De bouwregels geven aan waaraan woningen, bijbehorende bouwwerken en andere bouwwerken dienen te voldoen.
Zo zijn bijvoorbeeld voorwaarden opgenomen voor de afstand van hoofdbebouwing tot perceelsgrenzen en zijn specifieke voorwaarden opgenomen over bebouwingspercentages en de hoeveelheid aan bijgebouwen op een bouwperceel, waarbij dit gerelateerd is aan de oppervlakte van een bouwperceel. Specifieke gebruiksregels Het is niet toegestaan bijgebouwen te gebruiken als zelfstandige woonruimte.
Hoofdstuk 5
49
Afwijken van de gebruiksregels Tevens is het, onder voorwaarden, middels een afwijking mogelijk een bedrijf, vallende onder de kleine economie, op te richten. Voor het overige bestaan de regels uit de algemene regels, zoals algemene bouwregels, algemene afwijkings- en wijzigingsregels, procedureregels en overgangsregels. Waarde – Archeologie Voor het gehele plangebied geldt de dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie’. Binnen deze dubbelbestemming zijn voorwaarden opgenomen ter bescherming van de mogelijk aanwezige archeologische resten binnen het plangebied. Gelet op de ophoging binnen het terrein zijn hierbij specifieke voorwaarden opgenomen ten aanzien van de toegestane diepteverstoring. Aangezien het oorspronkelijke maaiveld tussen 19,30 en 19,80 m +NAP lag, is in de regels opgenomen dat voor verstoringen die niet dieper reiken dan 19,80 m +NAP geen archeologisch onderzoek nodig is. Waterstaat De voor 'Waterstaat' aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor dijken, kaden en andere voorzieningen ten behoeve van de waterkering en de bescherming, het beheer en het onderhoud van de waterkering. Deze bestemming is opgenomen voor de kade aan de oostzijde van het plangebied.
Hoofdstuk 5
50
6.
UITVOERBAARHEID 6.1 Economische uitvoerbaarheid en Grexwet Op grond van de Wet ruimtelijke ordening rust op de gemeente de verplichting tot het verhaal van kosten die tot de grondexploitatie behoren op basis van een exploitatieplan. De gemeente kan hiervan afzien indien: Het kostenverhaal anderszins is verzekerd, en Het bepalen van een tijdvak of fasering niet noodzakelijk is, en Het stellen van eisen, regels of een uitwerking van regels aan werken en werkzaamheden met betrekking tot bouwrijp maken, aanleg van nutsvoorzieningen, inrichten van de openbare ruimte en uitvoerbaarheid niet noodzakelijk is of Eén van de bij algemene maatregel van bestuur aangewezen gevallen van toepassing is, te weten: o Het totaal der wettelijk te verhalen exploitatiebijdragen bedraagt minder dan € 10.000,-; of o Er geen verhaalbare kosten in de zin van het Besluit ruimtelijke ordening aan de orde zijn; of o De verhaalbare kosten in de zin van het Besluit ruimtelijke ordening uitsluitend de aansluiting van een bouwperceel op de openbare ruimte of de aansluiting op de nutsvoorzieningen betreffen. Het voorliggende bestemmingsplan maakt de realisering mogelijk van bouwplannen zoals bedoeld in artikel 6.2.1 van het Bro. Het gehele project wordt voor rekening en risico van de ontwikkelaar gerealiseerd.
Voor het plangebied heeft de gemeente voorafgaand aan de vaststelling van het bestemmingsplan een overeenkomst als bedoeld in artikel 6.24 van de Wro gesloten, waarin afspraken zijn opgenomen over de hiervoor genoemde verhaalbare kosten. Gelet op het vorenstaande is de economische uitvoerbaarheid van het plan in voldoende mate verzekerd en kan in het kader van de vaststelling van het bestemmingsplan worden afgezien van het vaststellen van een exploitatieplan.
6.2 Maatschappelijke uitvoerbaarheid Inspraak en vooroverleg De wijzigingen ten opzichte van het thans vigerende planologische kader zijn beperkt. Er vindt slechts een beperkte overschrijding plaats van de plan- en bestemmingsgrens en het aantal woningen neemt af in vergelijking met het thans toegestane aantal woningen. Vanwege deze beperkte afwijkingen wordt het bestemmingsplan meteen als ontwerp ter inzage gelegd en vindt voorafgaand aan deze formele procedure geen inspraak en vooroverleg plaats.
Hoofdstuk 6
51
Zienswijzen Het ontwerp bestemmingsplan zal overeenkomstig artikel 3.8 van de Wet ruimtelijke ordening gedurende zes weken voor eenieder ter inzage worden gelegd. Binnen deze termijn bestaat de mogelijkheid om zienswijzen over het ontwerp bestemmingsplan bij de gemeenteraad naar voren te brengen.
Hoofdstuk 6
52
7.
PROCEDURE Wanneer het overleg over het plan met de instanties heeft plaatsgevonden en alle opmerkingen, voor zover noodzakelijk en wenselijk, zijn verwerkt wordt de wettelijke procedure (artikel 3.8 Wro e.v.) gestart. Voor een gedetailleerde beschrijving van de procedure wordt verwezen naar de betreffende artikelen in de Wet ruimtelijke ordening en de Algemene wet bestuursrecht. Wro De procedure van ontwerp bestemmingsplan onder de Wet ruimtelijke ordening ziet er als volgt uit: Openbare kennisgeving van het ontwerp bestemmingsplan; Terinzagelegging van het ontwerp en bijbehorende stukken gedurende 6 weken en toezending aan Gedeputeerde Staten en de betrokken rijksdiensten, waterschappen en gemeenten; Gedurende de termijn van terinzagelegging kunnen door eenieder schriftelijk of mondeling zienswijzen worden ingebracht; Vaststelling van het bestemmingsplan door de gemeenteraad binnen 12 weken; Algemene bekendmaking van het bestemmingsplan door terinzagelegging met voorafgaande kennisgeving en toezending aan gedeputeerde staten en betrokken rijksdiensten, waterschappen en gemeenten: binnen 2 weken dan wel, indien Gedeputeerde Staten of de inspecteur zienswijzen hebben ingebracht of het bestemmingsplan gewijzigd is vastgesteld, binnen 6 weken na vaststelling; Mogelijkheid tot beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen 6 weken na
bekendmaking voor belanghebbenden; Inwerkingtreding op de dag na afloop van de beroepstermijn, zijnde 6 weken na de bekendmaking, tenzij binnen deze termijn een verzoek om een voorlopige voorziening is ingediend bij de Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Hoofdstuk 7
53
SEPARATE BIJLAGEN Bijlage 1: Historisch vooronderzoek Bijlage 2: Stikstofdepositie berekening Bijlage 3: Quickscan Flora en Fauna
Drusus
Inhoudsopgave
Regels
3
Hoofdstuk 1 Inleidende regels Artikel 1 Begrippen Artikel 2 Wijze van meten
4 4 9
Hoofdstuk 2 Bestemmingsregels Artikel 3 Woongebied Artikel 4 Waarde - Archeologie Artikel 5 Waterstaat
10 10 14 16
Hoofdstuk 3 Algemene regels Artikel 6 Anti-dubbeltelregel Artikel 7 Algemene bouwregels Artikel 8 Algemene gebruiksregels Artikel 9 Algemene afwijkingsregels Artikel 10 Algemene wijzigingsregels Artikel 11 Algemene procedureregels Artikel 12 Overige regels
17 17 18 19 20 22 23 24
Hoofdstuk 4 Overgangs- en slotregels Artikel 13 Overgangsrecht Artikel 14 Slotregel
25 25 26
Drusus NL.IMRO.0957.BP00000296-VG01 vastgesteld
2
Regels
Hoofdstuk 1 Artikel 1 1.1
Inleidende regels
Begrippen
plan:
het bestemmingsplan Drusus met identificatienummer NL.IMRO.0957.BP00000296-VG01 van de gemeente Roermond. 1.2
bestemmingsplan:
de geometrisch bepaalde planobjecten met de bijbehorende regels en de daarbij behorende bijlagen. 1.3 bestaand a. bij bebouwing: bebouwing zoals aanwezig of wordt gebouwd op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan, dan wel mag worden gebouwd krachtens een voor dat tijdstip aangevraagde omgevingsvergunning voor het bouwen; b. bij gebruik: het vergunde gebruik zoals aanwezig op het tijdstip dat het plan in werking is getreden; c. in aanvulling op het bepaalde onder b. worden tot de bestaande kamerwoningen tevens gerekend de kamerwoningen waarvoor een omgevingsvergunning op grond van de huisvestingsverordening is verleend. 1.4
aan en/of uitbouw:
een aan een hoofdgebouw vast gebouwd bouwwerk, dat architectonisch ondergeschikt is aan het hoofdgebouw, maar dat in functioneel opzicht deel uitmaakt van het hoofdgebouw; voor de toepassing van deze regels wordt een aan- of uitbouw gelijkgesteld met een aan het hoofdgebouw aangebouwd bijgebouw. 1.5
aan huis verbonden beroep:
de uitoefening van een beroep of het beroepsmatig verlenen van diensten op administratief, juridisch, (para-)medisch, therapeutisch, kunstzinnig, ontwerptechnisch of hiermee gelijk te stellen gebied dat door zijn beperkte omvang in een woning en daarbij behorende bijgebouwen, met behoud van de woonfunctie, kan worden uitgeoefend. Hieronder dient niet te worden begrepen de uitoefening van detailhandel. 1.6
aanduiding:
een geometrisch bepaald vlak of figuur, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels regels worden gesteld ten aanzien van het gebruik en/of het bebouwen van deze gronden. 1.7
aanduidingsgrens:
de grens van een aanduiding indien het een vlak betreft. 1.8
aanlegniveau
Het niveau dat gelegen is op 0,1 meter boven de hoogste grondwaterstand, die eens in de 1.250 jaar voorkomt. Deze hoogste grondwaterstand is berekend op basis van de Maaswaterstand die eens in de 1.250 jaar voorkomt, overeenkomstig de beschikking d.d. 13 april 2000 met nr. DLB/8491 van de minister van Verkeer en Waterstaat ingevolge de Rivierenwet ten behoeve van de ophoging van (delen van) het plangebied (onherroepelijk geworden op 10 oktober 2001). 1.9
afhankelijke woonruimte:
een (deel van een) gebouw waarin een gedeelte van de huishouding uit het oogpunt van mantelzorg is gehuisvest en dat qua ligging een ruimtelijke eenheid met de woning vormt. 1.10
archeologische waarde:
waarde die bestaat uit de aanwezigheid van een bodem-archief met sporen van vroegere menselijke bewoning en/of grondgebruik daarin, en als zodanig van wetenschappelijk belang is en het cultuurhistorisch erfgoed vertegenwoordigt.
Drusus NL.IMRO.0957.BP00000296-VG01 vastgesteld
4
1.11
bebouwing:
een of meer gebouwen en/of bouwwerken, geen gebouwen zijnde. 1.12
bebouwingspercentage:
een percentage, dat de grootte aangeeft van het deel van een bouwperceel, dat ten hoogste mag worden bebouwd. 1.13
bedrijfsactiviteit:
het beroepsmatig uitoefenen van bedrijvigheid met gebruikmaking van machines dan wel door middel van handwerk en geen kantoor zijnde. 1.14
bedrijfsgebouw:
een gebouw dat dient voor de uitoefening van één of meer bedrijfsactiviteiten. 1.15
bedrijfsvloeroppervlak:
de totale vloeroppervlakte van kantoren, winkels of bedrijven met inbegrip van de daartoe behorende magazijnen en overige dienstruimten. 1.16
begane grond:
bouwlaag waarvan het vloerpeil ter hoogte van het (straat)peil ligt, dan wel de bouwlaag boven een souterrain. 1.17
bestemmingsgrens:
de grens van een bestemmingsvlak. 1.18
bestemmingsvlak:
een geometrisch bepaald vlak met eenzelfde bestemming. 1.19
bevoegd gezag:
bestuursorgaan dat bevoegd is tot het nemen van een besluit ten aanzien van een aanvraag om een omgevingsvergunning of ten aanzien van een al verleende omgevingsvergunning. 1.20
bijgebouw:
een gebouw dat in bouwkundig opzicht ondergeschikt is aan een op hetzelfde bouwperceel gelegen hoofdgebouw en dat ten dienste staat van dat hoofdgebouw. 1.21
bouwen:
het plaatsen, het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen en het vergroten van een bouwwerk. 1.22
bouwgrens:
de grens van een bouwvlak. 1.23
bouwlaag
een gedeelte van een gebouw, dat door op gelijke of nagenoeg gelijke hoogte liggende vloeren of balklagen is begrensd, zulks met inbegrip van de begane grond en met uitsluiting van een onderbouw en de kap/dakopbouw. 1.24
bouwperceel:
een aaneengesloten stuk grond, waarop ingevolge de regels een zelfstandige, bij elkaar behorende bebouwing is toegelaten. 1.25
bouwperceelgrens:
een grens van een bouwperceel.
Drusus NL.IMRO.0957.BP00000296-VG01 vastgesteld
5
1.26
bouwvlak:
een geometrisch bepaald vlak, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels bepaalde gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, zijn toegelaten. 1.27
bouwwerk:
elke constructie van enige omvang van hout, steen, metaal of ander materiaal, die hetzij direct hetzij indirect met de grond is verbonden, hetzij direct of indirect steun vindt in of op de grond. 1.28
detailhandel:
het bedrijfsmatig te koop aanbieden (waaronder begrepen de uitstalling ten verkoop), het verkopen, verhuren en leveren van goederen aan personen die goederen kopen of huren voor gebruik, verbruik of aanwending anders dan in de uitoefening van een beroeps- of bedrijfsactiviteit. 1.29
dienstverlening:
het bedrijfsmatig verlenen van diensten, waarbij het publiek rechtstreeks (al dan niet via een balie) te woord wordt gestaan en geholpen, zoals reis- en uitzendbureaus, kapsalons en wasserettes. 1.30
erfgrens
een grens van een bouwperceel. 1.31
evenement:
al of niet periodiek terugkerende publieke gebeurtenis op het gebied van sport, cultuur, folklore, handel, recreatie, liefdadigheid, religie, gezondheid, wetenschap, amusement en vergelijkbare gebeurtenissen. 1.32
gebouw:
elk bouwwerk, dat een voor mensen toegankelijke, overdekte, geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten ruimte vormt. 1.33
gebruiksvloeroppervlakte
de gebruiksoppervlakte wordt berekend door van de totale oppervlakte binnen de wanden van de woning, het BVO (brutovloeroppervlak) de volgende oppervlaktes af te trekken: Grondoppervlak van dragende binnenwanden. Oppervlak van vides, liftschachten en trapgaten, indien groter dan 4 m2. Oppervlak van ruimten met een vrije hoogte lager dan 1,5 meter. (ter plaatse van een trap of hellingbaan die kleiner is dan 4m2, telt de vloeroppervlakte bij een hoogte onder 1,5 meter wel mee). Grondoppervlak van afzonderlijke constructies (bijv. penanten) groter dan 0,5 m2. Grondoppervlak van leidingschachten, indien groter dan 0,5 m2. Bij de bepaling van de grenslijn, dient een incidentele nis of uitsparing en een incidenteel uitspringend bouwdeel te worden genegeerd, voor zover het grondoppervlak daarvan kleiner is dan 0,5 m2. 1.34
hoofdgebouw:
een gebouw dat door zijn constructie, afmetingen of situering, dan wel gelet op de bestemming als belangrijkste bouwwerk op een bouwperceel valt aan te merken. 1.35
huishouden
een alleenstaande, dan wel twee of meer personen die een duurzame gemeenschappelijke huishouding voeren. 1.36
kamerverhuur
woonvorm waarbij een pand door meerdere personen die geen gezamenlijk huishouden vormen wordt bewoond, en waarbij sprake is van woonruimtes waarbij afzonderlijke huishoudens afhankelijk zijn van één of meer gedeelde wezenlijke voorzieningen buiten die woonruimte.
Drusus NL.IMRO.0957.BP00000296-VG01 vastgesteld
6
1.37
kamerverhuurpand
pand dat wordt gebruikt ten behoeve van kamerverhuur en waarin zich meerdere kamerwoningen bevinden. 1.38
kamerwoning
een wooneenheid die geen eigen toegang heeft en welke niet door een huishouden kan worden bewoond, zonder afhankelijk te zijn van wezenlijke voorzieningen buiten die woonruimte. Het begrip kamerwoning wordt gelijkgesteld met het begrip 'onzelfstandige woonruimte'. 1.39
kantoor:
een ruimte die door haar aard, indeling en inrichting is bedoeld voor het verrichten van werkzaamheden van hoofdzakelijk administratieve aard. 1.40
kleine economie:
bedrijfsactiviteiten die wat betreft invloed op de woonomgeving gelijk te stellen zijn aan een aan huis gebonden beroep, waarvan de omvang en de activiteiten zodanig zijn dat de activiteiten in een woning en de daarbij behorende gebouwen met behoud van de woonfunctie kunnen worden uitgeoefend. 1.41
mantelzorg:
het bieden van zorg aan eenieder die hulpbehoevend is op het fysieke, psychische en/of sociale vlak, op vrijwillige basis en buiten organisatorisch verband. 1.42
nutsvoorzieningen:
voorzieningen ten behoeve van het op het openbare net aangesloten nutsvoorziening, het telecommunicatieverkeer, het openbaar vervoer en/of het wegverkeer. 1.43
ontwateringsnorm
de maat tussen het aanlegniveau en de maximale toelaatbare grondwaterstand zoals aangegeven in het rapport van Ingenieurs Fugro te Leidschendam d.d. 20 maart 2006, opdrachtnummer 1105-0070-000 (Bijlage 2 Rapport Fugro. De maximale grondwaterstand is de grondwaterstand die eens in de 1.250 jaar voorkomt. 1.44
onzelfstandige woonruimte
dit begrip is gelijk aan het begrip 'kamerwoning'. 1.45
peil:
het peil overeenkomstig de bouwverordening, of een door burgemeester en wethouders vast te stellen hoogte. 1.46
prostitutie:
het zich beschikbaar stellen tot het verrichten van seksuele handelingen met een ander tegen vergoeding. 1.47
rooilijn
de lijn, die behoudens toegelaten afwijkingen, bij het bouwen aan de wegzijde of aan de van de weg afgekeerde zijde niet mag worden overschreden. 1.48
seksinrichting:
de voor het publiek toegankelijke, besloten ruimte waarin bedrijfsmatig, of in omvang alsof zij bedrijfsmatig was, seksuele handelingen worden verricht of gelegenheid wordt geboden seksuele handelingen te verrichten dan wel vertoningen en/of voorstellingen van erotisch-pornografische aard plaatsvinden. Onder een seksinrichting worden in ieder geval verstaan: een prostitutiebedrijf; een raamprostitutiebedrijf; een erotische massagesalon; een seksbioscoop; Drusus NL.IMRO.0957.BP00000296-VG01 vastgesteld
7
een sekstheater; een parenclub; geheel of gedeeltelijke bedrijfsvoering in overwegend seksueel geaarde dienstverlening; al dan niet in combinatie met elkaar. 1.49
talud
een kunstmatige helling of glooiiing in het landschap in de vorm van een aarden wal (al dan niet beplant) of bekleed met stenen / keien. 1.50
twee- aan- een gebouwde woning:
een woning die onderdeel uitmaakt van een blok van twee aaneengebouwde woningen. 1.51
voorgevelrooilijn:
denkbeeldige lijn waarin een (of meer) gevel(s) van een gebouw is/zijn of word(t)(en) geplaatst en die is gelegen aan de zijde van de aan de weg gelegen perceelsgrens. 1.52
vrijstaand bijgebouw:
een bijgebouw, dat qua constructie en visueel vrij staat van het hoofdgebouw. 1.53
waterhuishouding:
het ontvangen, vasthouden, (tijdelijk) bergen en afvoeren van water, eventueel gecombineerd met infiltratie van water in de bodem. 1.54
woning:
een complex van ruimten, uitsluitend bedoeld voor de huisvesting van één afzonderlijk huishouden. Het begrip woning wordt gelijkgesteld met het begrip 'zelfstandige woonruimte'. 1.55
woongebouw:
een gebouw, dat meerdere naast elkaar en/of geheel of gedeeltelijk boven elkaar gelegen woningen omvat en dat qua uiterlijke verschijningsvorm als een eenheid kan worden beschouwd. 1.56