Bijlage 3 - regels en toelichting bestemmingsplan Woningbouw Asenray Oost
Tekst van het document
Hoofdstuk 5
31
Besluit NIBM Deze AMvB legt vast, wanneer een project niet in betekenende mate (NIBM) bijdraagt aan de concentratie van een bepaalde stof. Binnen de getalsmatige grenzen van de Regeling NIBM draagt een project altijd niet in betekenende mate bij aan een verslechtering van de luchtkwaliteit. Voor woningen gelden in de Regeling NIBM de volgende getalsmatige grenzen:
Woningen (maximaal)
Minimaal 1 ontsluitingsweg
Minimaal 2 ontsluitingswegen
3%-norm
3%-norm
1.500
3.000
Getalsmatige grenzen Regeling NIBM
De realisatie van 40 Ruimte voor Ruimte kavels ligt ruimschoots beneden de grenswaarden voor woningbouw conform de Regeling NIBM. Het project leidt daarmee niet in betekenende mate tot een verslechtering van de luchtkwaliteit. Hiermee wordt voldaan aan artikel 5.16, lid 1, onder b. Achtergrondwaarden In aanvulling op het bovenstaande is tevens bekeken of de kwaliteit van de lucht ter plaatse goed genoeg is voor de realisatie van de gewenste ontwikkeling. Volgens de Grootschalige Concentratie- en Depositiekaarten Nederland (GCN en GDN) van het RIVM was de concentratie fijnstof (PM10) ter plaatse in 2020 gelegen tussen de 14 µg/m³ en 16 µg/m³, de concentratie stikstof (PM2,5) µg/m³ tussen de 8 µg/m³ en 10 µg/m³ en de concentratie stikstofdioxide (NO2) tussen de 12 µg/m³ en 14 µg/m³. In de Wet milieubeheer is de jaargemiddelde grenswaarde voor PM10 en NO2 40 µg/m³. Voor PM2,5 bedraagt de jaargemiddelde grenswaarde 25 µg/m³. Volgens de kaarten van het RIVM is de luchtkwaliteit ter plaatse in de huidige situatie daarom voldoende voor de realisatie van de nieuwe woonfunctie. Conclusie Gezien de bestaande concentraties is geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde en wordt voldaan aan het bepaalde in artikel 5.16 Wm lid 1 onder a.
Daarnaast draagt het project niet in betekenende mate bij aan de luchtverontreiniging, waarmee wordt voldaan aan het bepaalde in artikel 5.16 Wm, lid 1 onder c. Uit bovenstaande kan worden geconcludeerd dat de voorgenomen ontwikkeling niet bezwaarlijk is in het kader van de luchtkwaliteitseisen uit de Wet milieubeheer. 5.1.4 Externe veiligheid Het beleid voor externe veiligheid is gericht op het beperken en beheersen van risico’s voor de omgeving vanwege handelingen met gevaarlijke stoffen. De handelingen kunnen zowel betrekking hebben op het gebruik, de opslag en de productie, als op het transport van gevaarlijke stoffen. Uit het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi), het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) en het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) vloeit de verplichting voort om in ruimtelijke plannen in te gaan op de risico’s in het plangebied ten gevolge van handelingen met gevaarlijke stoffen.
Hoofdstuk 5
32
De risico’s dienen te worden beoordeeld op twee maatstaven, te weten het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Risicovolle activiteiten Het voorliggende bestemmingsplan maakt de realisatie van woningen mogelijk. Op basis van paragraaf 1, artikel 1 van het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) zijn woningen kwetsbare objecten. In het kader van dit plan moet daarom bekeken worden of er sprake is van risicovolle activiteiten in de nabijheid (zoals Bevi-inrichtingen, BRZO-bedrijven en/of transportroutes) of dat in het plangebied zelf risicovolle activiteiten worden toegestaan. Toetsing Door ESRI Nederland is een risicokaart samengesteld waarop de meest belangrijke risico veroorzakende bedrijven, objecten en transportroutes zijn aangegeven. Het gaat hierbij onder meer om risico’s van opslag van patronen, stofexplosies, opslag van gasflessen, ammoniakinstallaties, LPG-tankstations enzovoorts. Risicovolle inrichtingen Op basis van de risicokaart zijn binnen het plangebied en in de wijde omgeving geen risicovolle inrichtingen gelegen.
Uitsnede risicokaart met globale ligging plangebied (groen omlijnd)
Hoofdstuk 5
33
Buisleidingen Op circa 650 meter ten zuiden ligt een pijpleiding van Defensie (deze leiding ligt tevens op circa 800 meter ten oosten van het plangebied) en circa 800 meter ten oosten van het plangebied liggen drie hogedruk aardgastransportleidingen van Gasunie. De leiding van defensie heeft een uitwendige diameter van 273 mm en een maximale werkdruk van 80 bar. De 1%-letaliteitsgrens van deze leiding ligt op een afstand van 160 meter, gemeten aan weerszijden van de leiding. Het plangebied ligt buiten deze contour en hierdoor niet binnen het invloedsgebied van de leiding. De leidingen van de Gasunie in de buisleidingenstrook zijn de A-665, A-578 en A-520. De A-665 heeft een uitwendige diameter van 48 inch en een maximale werkdruk van 80 bar. De 1%-letaliteitsgrens van deze leiding ligt op een afstand van 585 meter, gemeten aan weerszijden van de leiding. De A578 heeft een uitwendige diameter van 42 inch en een maximale werkdruk van 66 bar. De 1%-letaliteitsgrens van deze leiding ligt op een afstand van 485 meter, gemeten aan weerszijden van de leiding. De A-520 heeft een uitwendige diameter van 24 inch en een maximale werkdruk van 66 bar. De 1%-letaliteitsgrens van deze leiding ligt op een afstand van 320 meter, gemeten aan weerszijden van de leiding.
Het plangebied ligt buiten de 1%-letaliteitscontour van voornoemde hogedruk aardgastransportleidingen en hierdoor niet binnen het invloedgebied van deze leidingen. Voor het overige vindt in de nabijheid van het plangebied geen risicovol transport door buisleidingen plaats. Vanuit dit kader bestaan er kortom geen belemmeringen. Transportroutes voor gevaarlijke stoffen over de weg Op 2,3 kilometer ten noordwesten van het plangebied vindt risicovol transport plaats over de N280 tot de A73. Deze weg heeft een plaatsgebonden risicocontour 10-6 van 15 meter en het groepsrisico is kleiner dan 0,1 maal de oriënterende waarde. Gezien de grote tussenliggende afstand wordt met de ontwikkeling in het plangebied geen invloed uitgeoefend op het groepsrisico en ligt het plangebied niet binnen het invloedsgebied van deze weg. Over het gedeelte van de N280 tussen de A73 en de Duitse grens vindt geen vervoer van gevaarlijke stoffen plaats. De A73 ligt op circa 1,2 kilometer ten westen van het plangebied. De A73 heeft een plaatsgebonden risicocontour 10-6 van 0 meter en het groepsrisico is kleiner dan 0,1 maal de oriënterende waarde. Het invloedgebied van de A73 ter hoogte van het plangebied heeft een omvang van 880 meter, gemeten aan weerszijden van de weg. Het plangebied is niet gelegen binnen het invloedgebied van deze weg.
Voor het overige zijn er in de omgeving geen wegen gelegen waarover risicovol transport plaatsvindt. Transportroutes voor gevaarlijke stoffen over spoor- en vaarwegen In de wijde omgeving rond het plangebied zijn geen spoorlijnen en vaarwegen gelegen, waarover transport van gevaarlijke stoffen plaatsvindt. Vanuit dit kader bestaan er kortom geen belemmeringen.
Hoofdstuk 5
34
Conclusie Het plangebied ligt niet binnen een plaatsgebonden risicocontour of het invloedsgebied van een risicovolle inrichting, buisleiding, weg, spoorweg of vaarweg. Vanuit het aspect externe veiligheid zijn er dan ook geen belemmeringen voor de voorgenomen ontwikkeling binnen het plangebied. 5.1.5 Milieuzonering De beoogde woningbouw vormt volgens de (indicatieve) brochure ‘Bedrijven en Milieuzonering’, uitgegeven door de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) 2009, geen milieubelastende functie. Medewerking aan de realisatie van woningbouw is echter pas mogelijk indien blijkt dat een goed woon- en leefklimaat in een woning gegarandeerd is en dat daarnaast bedrijven in de omgeving door de nieuwe woonfunctie niet in hun activiteiten worden belemmerd. Daarom dient getoetst te worden of in de omgeving van het plangebied functies voorkomen die een belemmering kunnen vormen voor de voorgenomen nieuwbouw en of de nieuwe woningen een belemmering kan vormen voor in de omgeving gelegen bedrijvigheid. Ten westen van het plangebied bevindt zich een paardenhouderij, die in het bestemmingsplan ‘Kern Asenray’ is bestemd tot ‘Agrarisch’ en in het bestemmingsplan ‘Buitengebied Asenray’ is bestemd tot ‘Agrarisch met waarden – Agrarische functie met landschapswaarden’.
Op basis van deze bestemming zijn activiteiten toegestaan gericht op grondgebonden agrarisch gebruik, waaronder dus een paardenhouderij. De VNG-brochure adviseert voor een paardenhouderij een richtafstand van 50 meter. Ter plaatse is tevens een paardenrenbak en opslaglocatie voor vaste mest aanwezig. Conform het Activiteitenbesluit dient de afstand van een nieuw geurgevoelig object minstens 100 meter te bedragen tot de opslaglocatie. Aangezien de dichtstbijzijnde woningen in het plangebied op ruim 100 meter van deze inrichting worden gerealiseerd, wordt aan de richtafstand voldaan. Ten zuidenwesten van het plangebied ligt op circa 30 meter het dorpshuis van Asenray. De grootste afstand voor een dergelijke inrichting is 30 meter. De dichtstbijzijnde woning is op ruim 70 meter van het dorpshuis gelegen. Hiermee wordt voldaan aan de richtafstand. Op circa 470 meter ten zuidoosten van het plangebied ligt een intensieve veehouderij (varkenshouderij). De grootste afstand voor een dergelijke veehouderij is 200 meter voor het aspect geur. Het plangebied is ruim buiten het invloedgebied van deze veehouderij gelegen. Hiermee wordt voldaan aan de richtafstand. Op circa 380 en 550 meter ten oosten van het plangebied liggen respectievelijk volkstuinen en een paardenfokkerij. Voor een volkstuin is geen richtafstand opgenomen in de VNG-Brochure. Voor de paardenfokkerij daarentegen wel.
De VNG-brochure adviseert voor een paardenfokkerij een richtafstand van 50 meter. Aangezien het plangebied op ruim 550 meter van deze inrichting worden gerealiseerd, wordt aan de richtafstand voldaan. Tot slot ligt op circa 400 meter ten noorden van het plangebied, aan de andere zijde van de N280, een hoveniersbedrijf. De VNG-brochure adviseert voor een dergelijk hoveniersbedrijf een richtafstand van
Hoofdstuk 5
35
50 meter. Aangezien het plangebied op ruim 400 meter van deze inrichting worden gerealiseerd, wordt aan de richtafstand voldaan. Voor het overige zijn er geen inrichtingen in de omgeving van het plangebied gelegen die (negatieve) invloed kunnen uitoefenen op de voorgenomen ontwikkeling of die door de ontwikkeling worden belemmerd. In de nieuwe woningen zal sprake zijn van een goed woon- en leefklimaat. Conclusie Vanuit het aspect milieuzonering bestaan er kortom geen belemmeringen voor de voorgenomen ontwikkeling. 5.1.6 Geur Nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen dienen te worden getoetst aan de normen uit de Wet geurhinder en veehouderij. Als gevolg van deze wet worden normen gesteld voor de bouw van nieuwe geurgevoelige objecten, waaronder woningen. Er dient voor deze objecten sprake te zijn van een goed woon- en leefklimaat. Daarnaast mag geen inbreuk ontstaan op de milieuruimte van omliggende veehouderijen. In de directe omgeving van de ontwikkeling is een paardenhouderij gelegen. Voor een paardenhouderij geldt een maximale afstand van 50 meter. Ter plaatse is tevens een paardenrenbak en opslaglocatie voor vaste mest aanwezig. Conform het Activiteitenbesluit dient de afstand van een nieuw geurgevoelig object minstens 100 meter te bedragen tot de opslaglocatie.
De ontwikkeling is zo ingericht dat er géén woningen worden gerealiseerd binnen 100 meter van de paardenhouderij en de mestopslag. Zodoende is een geuronderzoek niet noodzakelijk geacht. Conclusie Vanuit het aspect geurhinder van veehouderijen zal in de beoogde woningen sprake zijn van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Vanuit dit aspect zijn er derhalve geen belemmeringen.
5.2 Archeologie en cultuurhistorie Archeologie In de Erfgoedwet is een raamwerk gegeven dat regelt hoe Rijk, provincies en gemeenten om moeten gaan met het aspect ‘archeologie’ in ruimtelijke plannen. De uitgangspunten van de Erfgoedwet zijn als volgt: De archeologische waarden dienen zoveel mogelijk in de bodem te worden bewaard; Er dient vroeg in het proces van de ruimtelijke ordening al rekening te worden gehouden met het aspect archeologie. De wet bepaalt tevens dat gemeenten verantwoordelijk zijn voor hun eigen bodemarchief. De gemeente is dus het bevoegde gezag waar het gaat om het toetsen van bestemmingsplannen op het aspect archeologie en de uit onderzoek voortkomende rapporten.
Hoofdstuk 5
36
Het plangebied ligt volgens de Archeologische Beleidskaart van de gemeente Roermond in de zone ‘overige gebieden’. Voor deze zone geldt een onderzoeksplicht bij bodemingrepen met een oppervlakte groter dan 5.000 m2. Aangezien deze ondergrens bij de voorliggende ontwikkeling zal worden overschreden, is een archeologisch bureau- en verkennend booronderzoek7 uitgevoerd. Onderzoek Het bureauonderzoek toonde aan dat er zich mogelijk archeologische waarden in het plangebied zouden kunnen bevinden. In het bijzonder verhoogt de ligging van het plangebied op een dalvlakterras bedekt met dekzand, zwak golvend, waarin een gooreerdgrond is ontstaan, ten westen van een beek, de kans daarop. Daarom is aansluitend een inventariserend veldonderzoek in de vorm van een verkennend booronderzoek uitgevoerd. De aangetroffen bodemopbouw is deels verstoord als gevolg van agrarische bewerking en onder de verstoorde lagen is een van nature vochtige bodem aangetroffen. De gespecificeerde archeologische verwachting, zoals die is weergegeven tijdens het bureauonderzoek, is door het booronderzoek grotendeels bijgesteld naar laag voor alle perioden met uitzondering van sporen van agrarisch gebruik en wegen uit de Nieuwe tijd maar deze sporen worden niet als behoudenswaardig gezien en vervolgonderzoek hiernaar wordt niet geadviseerd.
Op grond van de resultaten van het bureau- en veldonderzoek adviseert Econsultancy om het plangebied vrij te geven. De meldingsplicht conform paragraaf 5.4 van de Erfgoedwet (1 juli 2016) blijft van kracht. Mochten bij graafwerkzaamheden in het plangebied alsnog archeologische resten en/of sporen worden aangetroffen, dient dit direct te worden gemeld aan de bevoegde overheid. Cultuurhistorie Op basis van de cultuurhistorische waardenkaart van de provincie Limburg zijn binnen het plangebied geen monumenten of overige gebouwde cultuurhistorisch waardevolle elementen aangeduid. De Maalderstraat die aan de noordzijde van het plangebied grenst en de Duiperweg die aan de westzijde van het plangebied grenst zijn aangeduid als een ‘andere weg ouder dan 1806’ op de provinciale cultuurhistorische waardenkaart. Middels de voorliggende ontwikkeling wordt echter geen invloed uitgeoefend op het verloop en profiel van deze wegen. Conclusie Vanuit archeologisch en cultuurhistorisch oogpunt bestaan er geen belemmeringen voor de beoogde ontwikkeling. Nader onderzoek is dan ook niet noodzakelijk.
7
Econsultancy, Archeologisch onderzoek Maalderstraat, Asenray, projectnummer 15488.001, d.d. 7 mei 2021
Hoofdstuk 5
37
5.3 Ecologie De bescherming van de natuur is per 1 januari 2017 in Nederland vastgelegd in de Wet natuurbescherming (Wnb). Deze wet vormt voor wat betreft soortenbescherming en gebiedsbescherming een uitwerking van de Europese Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn. Daarnaast vindt beleidsmatige gebiedsbescherming plaats door middel van het Natuurnetwerk Nederland (NNN), de voormalige Ecologische Hoofdstructuur (EHS). Gebiedsbescherming vanuit de Wet natuurbescherming De Wet natuurbescherming heeft voor wat betreft gebiedsbescherming betrekking op de Europees beschermde Natura 2000-gebieden. De Vogelrichtlijn- en Habitatrichtlijngebieden worden in Nederland gecombineerd als Natura 2000-gebieden aangewezen. Als er naar aanleiding van projecten, plannen en activiteiten mogelijkerwijs significante effecten optreden, dienen deze vooraf in kaart gebracht en beoordeeld te worden. Projecten, plannen en activiteiten die mogelijk een negatief effect hebben op de beschermde natuur in een Natura 2000-gebied zijn vergunningplichtig. Gebiedsbescherming vanuit provinciaal beleid De provinciale groenstructuur, bestaande uit beschermingszones van verschillende typen (waaronder de goudgroene en zilvergroene natuurzones), is ruimtelijk vastgelegd in het Provinciaal Omgevingsplan Limburg 2014 (POL2014).
De goudgroene natuurzone vormt het netwerk aan bestaande natuurgebieden (voormalige EHS) en nieuw aan te leggen natuur en verbindingszones tussen de gebieden. De beheergebieden voor agrarisch natuurbeheer behoren tot de zilvergroene natuurzone. In het Provinciaal Natuurbeheerplan zijn de na te streven doelen weergegeven op het gebied van (agrarisch) natuur- en landschapsbeheer. De feitelijke beleidsmatige gebiedsbescherming vindt plaats middels de uitwerking van het provinciaal beleid in de gemeentelijke bestemmingsplannen. Houtopstanden De bescherming van houtopstanden, conform de Wet natuurbescherming, heeft betrekking op alle zelfstandige eenheden van bomen, boomvormers of struiken van een oppervlakte van minimaal tien are of een rijbeplanting die meer dan twintig bomen omvat, gelegen buiten de bebouwde kom. Soortenbescherming vanuit de Wet natuurbescherming Soortenbescherming vanuit de Wet natuurbescherming heeft betrekking op alle in Nederland in het wild voorkomende zoogdieren, (trek)vogels, reptielen en amfibieën, een aantal vissen, libellen en vlinders, enkele bijzondere en min of meer zeldzame ongewervelde dierensoorten en een aantal vaatplanten. Voor alle soorten, dus ook voor de soorten die niet onder de aangewezen bescherming vallen, of die zijn vrijgesteld van de ontheffingsplicht, geldt de zogenaamde ‘algemene zorgplicht’ (art. 1.10 Wnb).
Deze zorgplicht houdt in dat de initiatiefnemer passende maatregelen neemt om schade aan aanwezige soorten te voorkomen of zoveel mogelijk te beperken. Hierbij gaat het bijvoorbeeld om het niet verontrusten of verstoren in de kwetsbare perioden zoals de winterslaap, de voortplantingstijd en de periode van afhankelijkheid van de jongen. De zorgplicht geldt altijd en voor alle planten en dieren, of ze beschermd zijn of niet, en in het geval dat ze beschermd zijn ook als er een ontheffing of vrijstelling is verleend.
Hoofdstuk 5
38
Toetsing Om te kunnen bepalen of het plan in overeenstemming met de nationale natuurwetgeving en het provinciale natuurbeleid kan worden uitgevoerd, is een quickscan flora en fauna8 uitgevoerd in het plangebied. De resultaten daarvan zijn hieronder samengevat. Voor meer informatie wordt verwezen naar de volledige rapportage. Gelet op de potentiële ecologische waarden kan het voorgenomen plan alleen in overeenstemming met de nationale natuurwetgeving en het provinciale natuurbeleid worden uitgevoerd, mits voorafgaand en tijdens het uitvoeren van de werkzaamheden het bepaalde in de Wet natuurbescherming in acht wordt genomen: De werkwijze van activiteiten dient te worden aangepast om verstoring van de dassenpijpen ten westen van het plangebied te voorkomen. Dit geldt voor alle activiteiten in een straal van 200 meter van de dassenburcht. Tevens dient er ten alle tijden voldoende foerageergebied aanwezig te zijn voor de das.
Dit kan mede door maatregelen in te passen binnen de toekomstige situatie; Ten aanzien van vleermuizen dient licht gericht of uitstralend op de bomenlaan tegen de noordelijke grens van het plangebied, de Maasnielderbeek en de struweelstrook ten oosten van het plangebied te worden vermeden; Om kolonisatie door de rugstreeppad te voorkomen is het belangrijk dat aanwezigheid van vergraafbaar zand, en vorming van ondiepe plassen in het voorjaar wordt vermeden; In het kader van de algemene zorgplicht is het noodzakelijk om voldoende zorg te dragen voor aanwezige individuen. Dit houdt in dat al het redelijkerwijs mogelijke gedaan dient te worden om het doden van individuen te voorkomen. Mitigatieplan Das Uit de quickscan is gebleken dat de beoogde ontsluitingsweg binnen een straal van 200 van een dassenburcht is gelegen. Op basis daarvan dienen de werkzaamheden te worden aangepast om verstoring van de dassenpijpen ten westen van de ontsluiting te voorkomen. Zodoende is door BRO een mitigatieplan (dassenplan)9 opgesteld. Om de uitwerking van het mitigatieplan te waarborgen zal een voorwaardelijke verplichting worden opgenomen. In het dassenplan zijn vier maatregelen uitgewerkt die genomen moeten worden ten behoeve van de das.
De maatregelen zijn onderverdeeld in maatregelen ten behoeve van: Foerageergebied: deze maatregelen omvatten voornamelijk het aanleggen van bemest grasland (waarbij tevens maatregelen getroffen worden om de regenwormenstand te behouden) , het aanplanten van (fruit)boomgaarden, struweelhagen. De grond ten oosten van de ontsluitingsweg zal verpacht blijven worden, waarbij gestuurd zal worden om de grond te verbouwen met mais of tarwe of om koeien op te houden. Oriëntatie en schuilplekken: Binnen de huidige situatie zijn er geen tot weinig struwelen of taluds aanwezig binnen het plangebied. Hierdoor is de mogelijkheid voor de das om schuilplekken te creeren minimaal. In ieder geval worden de struwelen langs de weg en langs de beek als houtwal uitgevoerd. Dit vindt plaats door een verhoging aan te planten, met greppels langs de randen. 8 9
BRO, Quickscan flora en fauna, projectnummer P01830, d.d. 7 mei 2021 BRO, Dassenplan Asenray-Oost, projectnr.: P01830, d.d. 24 januari 2023.
Hoofdstuk 5
39
Versnippering en dispersie: Door de aanleg van de ontsluitingsweg treed versnippering op en worden de dassen kwetsbaar voor verkeerbewegingen. Door de aan te planten hagen binnen de compensatiegronden aan te laten sluiten op de snelheidsheuvels, wordt gestuurd om de das over te laten steken daar waar de snelheid het laagst is. Daarnaast zal een vak in het oosten van het plangebied, tussen de woningen en de Maasnielderbeek, gevrijwaard zijn van nieuwbouw. Deze strook zal worden ingericht met grasland en een haag, om dispersie via deze strook mogelijk te maken. Hierdoor blijft het mogelijk om verbindingen richting het zuiden te behouden. Verstoring: Om verstoring van foerageergebieden en dispersieroutes te voorkomen en minimaliseren zal er rond de woningen een struweelhaag worden aangeplant. Deze zullen worden aangeplant aan de rand van de nieuwbouwwoningen. Hierdoor zal licht en geluid uitschijnend op omliggende gronden worden geminimaliseerd. Daarnaast wordt de straatverlichting zodanig ingericht dat verlichting gericht en uitschijnend op het opgaand groen geminimaliseerd wordt. Het verlichtingsplan wordt opgesteld in overleg met een ter zaken kundige ecoloog. Hierdoor wordt verstoring door licht tot een minimum gehouden.
Zie voor meer informatie het dassenplan in de bijlagen. Gebiedsbescherming Het plangebied is niet gelegen binnen de grenzen van een gebied dat aangewezen is als Natura 2000-gebied. Het meest nabijgelegen Natura 2000-gebied, ‘Meinweg’, bevindt zich op circa 1,0 kilometer afstand ten zuiden van het projectgebied. Indien er sprake zou zijn van een effect, betreft dit een extern effect als gevolg van storingsfactoren als toename van geluid, licht of depositie van stikstof. Mede gezien de afstand tot het plangebied zijn externe effecten als gevolg van aspecten als licht, geluid en trillingen uitgesloten. Gezien de aard van de ontwikkeling is wel een toename van stikstofuitstoot te verwachten. Negatieve effecten vanwege stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden kunnen niet op voorhand worden uitgesloten. Daarom is een AERIUS-berekening10 uitgevoerd voor de gebruiksfase. Uit deze berekeningen blijkt dat bij gebruiksfase geen rekenresultaten hoger zijn dan 0,00 mol/ha/jaar. Vanuit het aspect stikstofdepositie zijn er hierdoor geen belemmeringen voor de voorliggende ontwikkeling. Voor meer informatie wordt verwezen naar de volledige rapportage. Wat betreft gebiedsbescherming vanuit provinciaal beleid is het plangebied niet gelegen binnen de goudgroene natuurzone, zilvergroene natuurzone of bronsgroene landschapszone.
Het dichtstbijzijnde onderdeel van het Natuurnetwerk Nederland (NNN) betreft de Goudgroene natuurzone, die ligt ongeveer 400 meter ten noorden van het plangebied. Gezien de aard van de voorgenomen plannen zullen de omgevingscondities redelijkerwijs gelijk blijven, waardoor de wezenlijke kenmerken en waarden van de bronsgroene landschapszone niet worden aangetast. Vervolgonderzoek in het kader van de bronsgroene landschapszone wordt dan ook niet noodzakelijk geacht.
10
Econsultancy, stikstofdepositieberekening Maalderstraat, Asenray, projectnummer 15488.004 D1, d.d. 30 september 2022
Hoofdstuk 5
40
Houtopstanden Aangezien het plangebied zich buiten de bebouwde kom bevindt, is toetsing aan het onderdeel houtopstanden conform de Wet natuurbescherming bij dit plan aan de orde. In het plangebied zijn geen bomen aanwezig. Wel zijn aan de rand van het plangebied (oostzijde, westzijde en noordzijde) bomenrijen aanwezig. Deze blijven met de beoogde ontwikkeling gehandhaafd. Zodoende bestaan er met de beoogde ontwikkeling geen negatieve gevolgen voor de houtopstanden. Conclusie Negatieve effecten op Natura 2000-gebieden en provinciaal beschermde natuurgebieden zijn op basis van de onderzoeksresultaten uitgesloten. Wat betreft soortenbescherming zijn er met in acht neming van de bovenstaande maatregelen geen belemmeringen voor de uitvoering van de benodigde werkzaamheden.
5.4 Leidingen en infrastructuur Op circa 650 meter ten zuiden en circa 800 meter ten oosten van het plangebied ligt een hogedruk aardgastransportleiding van GasUnie. In het geldende bestemmingsplan ‘Buitengebied Asenray’ is voor deze leidingen een planologische beschermingszone opgenomen met een breedte van 8 meter aan weerszijden van de leiding. Deze beschermingszone reikt bij lange na niet tot het plangebied, waardoor de ligging ten opzichte van de leiding geen belemmering vormt. In paragraaf 5.1.4 is reeds ingegaan op het aspect externe veiligheid met betrekking tot deze leiding. Voor het overige zijn binnen het plangebied en in de directe omgeving blijkens de provinciale risicokaart en blijkens de verbeelding van het geldende bestemmingsplan geen leidingen of kabels gelegen met een dusdanige planologische-juridische beschermingszone dat zij een belemmering vormen voor de beoogde woningbouw.
5.5 Verkeerskundige aspecten Verkeer De voorgenomen ontwikkeling voorziet in de realisatie van 40 woningen. De woningen worden allemaal ontsloten op het nieuwe woonerf. De twee woonerven worden ontsloten op een centrale toegangsweg die in het noorden wordt ontsloten op de Maalderstraat. De woningbouw zal een toename van het aantal verkeersbewegingen tot gevolg hebben, die is berekend aan de hand van een verkeersstudie11. Tevens is een variantenstudie opgesteld om te bepalen wat de meest gunstige situatie is voor de ontsluiting van het beoogde planvoornemen. Uit de variantenstudie zijn verschillende ontsluitingswegen bekeken en na overleg met de omgeving en de gemeente is bepaald dat de noordelijke ontsluiting het meest gunstig is. Op onderstaande afbeelding zijn
11
Grenspaal 12, Variantenstudie infrastructuur woongebied Asenray, projectnummer 21-0306-01, d.d. 5 augustus 2021
Hoofdstuk 5
41
de verschillende ontsluitingen weergegeven. Inmiddels is na overleg besloten om het plangebied te laten ontsluiten via de noordelijke ontsluiting. De definitieve ligging/begrenzing van de noordelijke ontsluiting (groene lijn) is inmiddels, in overleg met de gemeente/pachter, bepaald en zal dan ook worden uitgewerkt.
Uitsnede kaartje variantenstudie (beoogde ontsluiting in het groen weergegeven) bron: Grenspaal 12
Parkeren Het parkeerbeleid van de gemeente Roermond is vastgelegd in de ‘Nota Parkeernormen 2021’. In deze nota staat aangegeven dat parkeren in eerste instantie zoveel mogelijk dient te geschieden op eigen terrein. Bij het bepalen van de parkeernorm is onderscheid gemaakt in de gebiedstypen ‘centrum’, ‘schil’ en ‘rest bebouwde kom’ en ‘Overige kernen en buitengebied’. Het voorliggende projectgebied ligt in het gebiedstype ‘Overige kernen en buitengebied’. Voor woningen is een onderscheid gemaakt in woningtypen. Aan de westzijde van het plangebied worden in totaal 20 woningen gerealiseerd. Waarvan twee vrije kavels, twee vrijstaande woningen, acht twee-onder-een-kap woningen en acht rij-/hoekwoningen. Deze woningen worden allemaal richting de as van het gebied georiënteerd. Aan de oostzijde van het plangebied worden eveneens in totaal 20 woningen gerealiseerd. Waarvan zes vrije kavels, vier vrijstaande woningen, vier twee-onder-een-kapwoningen en zes levensloopbestendige woningen. In onderstaande tabel is de parkeerbehoefte weergegeven: Woningtypen (functie)
Aantal
Woning, vrijstaand (inclusief vrije kavels) Woning, twee-ondereen-kap Woning, tussen/hoek
Hoofdstuk 5
Parkeerbehoefte
Mogelijk op eigen terrein
14
Parkeernorm (inclusief bezoekersnorm) 2,4
33,6
28
Benodigd openbaar (overschot) 5,6
12
2,2
26,4
24
2,4
8
2,0
16
0
16
42
Levensloopbestendige woning (vergelijkbaar met aanleunwoning / serviceflat) Totaal
6
0,7
4,2
6
-1,8
80,2
58
23,2
Gezien de omvang van de kavels van de vrijstaande woningen, twee-onder-een-kap woningen is voldoende ruimte aanwezig om te kunnen voorzien in minimaal 2 parkeerplaatsen per kavel op het eigen terrein. Daarnaast is eveneens ruim voldoende plaats om op de kavels van de levensloopbestendige woningen 1 parkeerplaats per kavel te realiseren op eigen terrein. In totaal dienen er nog 23,2 openbare parkeerplaatsen te worden gerealiseerd. Ter plaatse van de rijwoningen worden in totaal 16 parkeerplaatsen gerealiseerd, zodat de behoefte direct ter plaatse wordt opgevangen. Zodoende zijn in totaal nog 7,2 parkeerplaatsen in de openbare ruimte benodigd. Er is voldoende ruimte in de openbare ruimte om in deze parkeerplaatsen te voorzien. Vanuit de aspecten verkeer en parkeren zijn er kortom geen belemmeringen voor de voorliggende ontwikkeling.
5.6 Duurzaamheid Het Bouwbesluit stelt eisen aan de energiezuinigheid van nieuwe woningen. Voor alle nieuwbouwwoningen geldt dat aanvragen voor een omgevingsvergunning die vanaf 1 januari 2021 worden ingediend, moeten voldoen aan de eisen voor bijna energieneutrale gebouwen (BENG). In BENG wordt de energieprestatie van een gebouw uitgedrukt met drie indicatoren: De energiebehoefte van het gebouw. Het primair fossiele energiegebruik. Het aandeel hernieuwbare energie. De te realiseren woningen binnen het plangebied zullen aan deze eisen moeten voldoen. Naast BENG zijn in het Bouwbesluit eisen opgenomen ten aanzien van de ventilatie, luchtdichtheid en isolatie van woningen. Ook deze aspecten zijn van belang in het kader van duurzaamheid. Zo zorgt een goed ventilatiesysteem voor de juiste balans in luchtkwaliteit, comfort en energieprestatie van gebouwen en wordt door ‘kierdicht’ te bouwen voorkomen dat lucht, vocht of warmte ongewenst het gebouw binnenkomt of verlaat. Een goede isolatie zorgt daarnaast voor meer comfort en lagere energiekosten. Verder stelt het Bouwbesluit eisen aan de milieuprestaties van een gebouw. Hierbij geldt als voorwaarde dat bij nieuwbouw de belasting van het milieu wordt beperkt door de in het bouwwerk toe te passen materialen.
Voor nieuwbouwwoningen groter dan 100 m² geldt dat een zogeheten Milieuprestatieberekening (MPG) bij de aanvraag voor een omgevingsvergunning dient te worden ingediend. Tot slot is op basis van de ‘Wet voortgang energietransitie’ de gasaansluitplicht komen te vervallen. Dit volgt uit het nieuwe lid 7 van artikel 10 van de Gaswet, waarin is bepaald dat de aansluittaak van
Hoofdstuk 5
43
de netbeheerders niet van toepassing is op het aansluiten van (onder meer) nieuwbouwwoningen. Dit betekent in de praktijk dat de te realiseren woningen niet zullen worden aangesloten op het gasnet.
5.7 Waterparagraaf Deze waterparagraaf is opgesteld met als doel een samenhangend beeld te geven van de wijze waarop in het voorliggende bestemmingsplan rekening wordt gehouden met de (ruimtelijk) relevante aspecten van duurzaam waterbeheer. Een beknopte beschrijving van de kenmerken van het watersysteem kan het benodigde inzicht geven in het functioneren van dit systeem. In deze paragraaf zullen de volgende onderdelen behandeld worden: Beschrijving van waterrelevant beleid; Kenmerken van het watersysteem; Beleidskader Nationaal Waterplan Vanuit Rijks- en provinciaal beleid wordt steeds meer nadruk gelegd op duurzaam waterbeheer in de bebouwde omgeving. In december 2009 heeft het kabinet het Nationaal Waterplan vastgesteld. Dit plan geeft op hoofdlijnen aan welk beleid het Rijk in de periode 2009 - 2015 voert om te komen tot een duurzaam waterbeheer. Het Nationaal Waterplan richt zich op bescherming tegen overstromingen, beschikbaarheid van voldoende en schoon water, en diverse vormen van gebruik van water. Ook worden de maatregelen genoemd die hiertoe worden genomen. Het Nationaal Waterplan is opgesteld op basis van de Waterwet die met ingang van 22 december 2009 van kracht is. Op basis van de Wet ruimtelijke ordening heeft het Nationaal Waterplan voor de ruimtelijke aspecten de status van structuurvisie.
Op provinciaal niveau kent de provincie Limburg ook als uitgangspunten dat verdroging zo veel mogelijk tegengegaan dient te worden en dat waterkwaliteit, met het oog op een duurzaam gebruik in de toekomst, erg belangrijk is. Tevens sluit de provincie aan bij het beleid om infiltratie van water in de bodem te bevorderen en water meer terug te brengen in de stad. Binnen de waterbeheersplannen van Limburg is integraal waterbeheer een belangrijk begrip. En ook hier speelt de verdroging en waterkwaliteit een belangrijke rol in het beleidsproces. Ter invulling van (specifiek) ecologische functies stelt het waterschap onder andere dat ter voorkoming van verdroging, grondwaterstanden, daar waar dat mogelijk is, verhoogd moeten worden door peilbeheer. Ook kan er gedacht worden aan het hooghouden van peilen nabij natuurgebieden. Ter voorkoming van eutrofiering en het verlandingsproces kunnen voedselrijke bodems uitgebaggerd worden. Een ander belangrijk punt is dat het rioleringsbeheer door gemeenten in het plangebied op en aan de aan watergangen en plassen toegekende functies afgestemd dient te worden. Naast deze ecologische functies dienen er ook mensgerichte hoofdfuncties ten behoeve van industrie of drinkwater in het gebied ingepast te worden. Ook voor mensgerichte nevenfuncties dient plaats te zijn.
Hoofdstuk 5
44
Duurzaam waterbeheer 21ste eeuw De kern van het Waterbeleid 21e eeuw is dat water de ruimte moet krijgen, voordat het die ruimte zelf neemt. Het water de ruimte geven betekent dat in het landschap en in de stad ruimte gemaakt wordt om water op te slaan. Dat betekent bijvoorbeeld dat toegelaten wordt dat rivieren bij hoge waterstanden gecontroleerd buiten hun oevers treden, op plekken waar daar ruimte voor is gemaakt. Daarmee worden problemen in andere, lager gelegen gebieden voorkomen. Vasthouden, bergen, afvoeren De waterbeheerders hebben samen gekozen voor een strategie, die uitgaat van het principe dat een overvloed aan water wordt opgevangen waar deze ontstaat. Dat betekent dat het water niet meer zo snel mogelijk afgevoerd wordt, maar dat het water zolang mogelijk wordt vastgehouden onder andere in de bodem. Is vasthouden niet meer mogelijk, dan bergen de waterbeheerders het in gebieden die daarvoor zijn uitgekozen. Door het water zo lang mogelijk vast te houden wordt tevens verdroging voorkomen. Pas als het niet anders kan, wordt het water afgevoerd.
Provinciaal Waterplan Limburg 2016-2021 Het Provinciaal Waterplan Limburg bevat de ambities, opgaven en op hoofdlijnen de maatregelen die in de periode 2016-2021 worden uitgevoerd, op gebied van de hoogwaterbescherming in de Maasvallei, de aanpak van regionale wateroverlast en watertekort, mede in het licht van de klimaatverandering en het Nationale Deltaprogramma, de inrichting van de beken en waterrijke natuurgebieden als ook de verbetering van de ecologische en chemische waterkwaliteit, en de drinkwatervoorziening en het grondwaterbeheer, mede als opdracht vanuit de Kaderrichtlijn Water. Het Provinciaal Waterplan 2016-2021 heeft de status van een regionaal waterplan, zoals omschreven in de Waterwet én is een op zichzelf staande structuurvisie op grond van de Wet ruimtelijke ordening. Het is een uitwerking en verdere detaillering van het regionale waterbeleid in het POL2014. Het plan bevat specifieke ambities en beleidsregels gericht op de doorwerking en uitvoering van waterbeleid, waarbij wordt ingezet op de volgende inhoudelijke opgaven voor het regionale waterbeleid: Een veilige en aantrekkelijke Maasvallei; Een veerkrachtig en klimaatbestendig regionaal watersysteem; Behoud en herstel natte natuur en verbetering waterkwaliteit; Duurzame drinkwatervoorziening en grondwaterbeheer.
Bij de verdere ontwikkeling van het plangebied wordt aangesloten bij de bovengenoemde algemene uitgangspunten. Er is verder geen sprake van strijdigheid met het Provinciaal Waterplan 2016-2021. Gemeentelijk rioleringsplan Roermond 2017-2021 Ook in het gemeentelijke rioleringsplan is de reeks “vasthouden-bergen-afvoeren” leidend voor nieuwe plannen. Samengevat wordt de volgende beleidsrichting aangehouden ten aanzien van de omgang met hemelwater: De perceeleigenaar is (in eerste instantie) zelf verantwoordelijk voor de verwerking van hemelwater op zijn eigen perceel.
Hoofdstuk 5
45
Bij afkoppelprojecten wil de gemeente ook particuliere verharding meenemen zoals daken, maar alleen bij een gebiedsgerichte aanpak en als het doelmatig is. Het afkoppelen van particuliere verharding zal in eerste instantie op basis van vrijwilligheid gebeuren. Bij kleinschalige nieuwbouw moet de particulier in eerste instantie zelf zijn hemelwater infiltreren in de bodem of afvoeren naar oppervlaktewater. Kan dat niet, dan worden afspraken op maat gemaakt. Hemelwater moet bij voorkeur bovengronds worden gehouden. Bij grootschalige nieuwbouw wordt hemelwater ingezameld en in het betreffende gebied zelf verwerkt.
Kenmerken van het watersysteem De kenmerken van de watersystemen, zoals die voorkomen in het plangebied en omgeving, kunnen het beste beschreven worden door een onderverdeling te maken in de soorten van water die in het gebied aanwezig zijn. De belangrijkste zijn: grondwater, oppervlaktewater, hemelwater en afvalwater. Grondwater Op basis van POL2014 blijkt dat het plangebied is gelegen binnen de boringsvrije zone Roerdalslenk III. Het voornemen tot het maken van een boorput, het aanleggen van een bodemenergiesysteem of het roeren van grond in de Roerdalslenk dieper dan 80 meter in zone III tot aan de Bovenste Brunssumklei dient vier weken tevoren schriftelijk te worden gemeld aan gedeputeerde staten. Binnen het plangebied zullen geen diepe grondwaterboringen plaatsvinden. Daarnaast ligt het plangebied binnen het grondwaterlichaam Slenk-Diep en een strategische grondwatervoorraad. De ligging binnen deze zones vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling aangezien geen diepe grondboringen of grondwateronttrekkingen voorzien zijn. Het plangebied zelf ligt niet binnen de grenzen van het waterwingebied en is ook niet aangewezen als grondwaterbeschermingsgebied. Vanuit dit aspect bestaan er dan ook geen belemmeringen. Oppervlaktewater Ten oosten van het plangebied is de primaire watergang ‘Maasnielderbeek’ gelegen.
De waarden van deze watergang zullen worden gewaarborgd in onderhavig bestemmingsplan. Zodoende kan gesteld worden dat er geen negatieve effecten zullen plaatsvinden op de Maasnielderbeek. Water in relatie tot de ruimtelijke ontwikkelingen Afvalwater en hemelwater Het (huishoudelijk) afvalwater van de nieuwe woningen dient te worden aangesloten op de riolering. Het hemelwater dat terechtkomt op de nieuw op te richten bebouwing en van verhardingen wordt niet afgevoerd via het riool, maar afgekoppeld. Via daken en dakgoten wordt het hemelwater van de woningen deels naar een infiltratievoorziening op eigen terrein en deels naar een infiltratievoorziening op openbaar gebied geleid en geïnfiltreerd in de bodem. Voor onderhavig plan is een geohydrologisch veldonderzoek uitgevoerd en een watertoets opgesteld. Conform het beleid van het waterschap is ten aanzien van de ontwikkeling en het toekomstig verhard oppervlak een compenserende berging benodigd van circa 2.360 m3 (23.595 m2 x 0,1 m).
Hoofdstuk 5
46
De manier waarop het hemelwater wordt geïnfiltreerd, is in dit stadium nog niet voldoende uitgewerkt om dit uitgebreid te kunnen beschrijven. De richtlijnen, zoals hierboven beschreven, dienen in elk geval in acht te worden genomen, zodat de infiltratievoorzieningen voldoende capaciteit hebben om de maatgevende buien op te vangen en te infiltreren in de bodem. De exacte wijze waarop het hemelwater zal worden geïnfiltreerd, zal nader worden uitgewerkt in het kader van de aanvraag voor de omgevingsvergunning voor het bouwen. Om inzicht te krijgen in het ruimtebeslag die bij een (potentiële) voorziening hoort, is in de watertoets een alternatief uitgewerkt waarbij het hemelwater wordt geborgen middels een of meerdere wadi’s. Een wadi is een bovengrondse afkoppelvoorziening waarbij het hemelwater bij voorkeur oppervlakkig wordt getransporteerd naar een laagte in de openbare ruimte waar het vervolgens kan infiltreren in de bodem. Een dergelijke voorziening is controleerbaar en beheersbaar en kan tevens een zuiverende werking hebben. In sommige situatie kan een gemeente specifieke eisen stellen aan het ontwerp, aanleg, beheer en onderhoud. Wanneer een wadi wordt aangelegd met een diepte van 0,5 meter en een talud van 1 op 3 is, uitgaande van een volledige vulling, circa 4.950 m2 benodigd om de volledige wateropgave te kunnen bergen.
Het planvoornemen voorziet in voldoende groen om in de benodigde oppervlakte te voldoen. Hemelwater wordt, indien mogelijk, zoveel mogelijk zichtbaar afgevoerd. Daar waar dit niet mogelijk blijkt zal afvoer verbuisd plaatsvinden. Klimaatadaptatie Onderhavig plan is ruim opgezet en het onbebouwde deel van het plangebied wordt grotendeels groen ingericht. Dit groen zorgt er enerzijds voor dat hemelwater kan worden opgevangen en vastgehouden (in voldoende mate zoals reeds is berekend) en biedt anderzijds koeling tijdens warme perioden. De weides in het plangebied zullen iets lager worden gemaakt ten behoeve van de wateropvang. Deze weides hebben een totale oppervlakte van circa 7.982 m 2. Indien deze allemaal lager worden gesitueerd is er ruim voldoende plek om te voorzien in wateropvang. Ten oosten van het plangebied is de Maasnielderbeek gelegen en ten behoeve van de beek is een bredere zone vrij gehouden van bebouwing. Deze zone bedraagt op het smalste stuk (zuidoost) minimaal 17,5 meter. Deze zone loopt breder uit richting het noorden. Dit gebied zal functioneren als een overloopgebied. Overleg Het bestemmingsplan is ter beoordeling voorgelegd aan Waterschap Limburg. Het waterschap gaf aan akkoord te gaan met het planvoornemen. Conclusie Op basis van het bovenstaande bestaan er vanuit de wateraspecten vooralsnog geen belemmeringen voor de voorgenomen ontwikkeling.
Hoofdstuk 5
47
5.8 Explosieven Door middel van een historisch vooronderzoek is aangetoond dat het plangebied gelegen is in OO verdacht gebied. Door Den Ouden Bodac B.V. is een explosievenonderzoek 12 uitgevoerd. De volledige rapportage is als separate bijlage aan onderhavige toelichting toegevoegd. Hierna wordt de conclusie van het onderzoek weergegeven. Resultaten Tijdens de opsporingswerkzaamheden zijn diverse soorten OO en OO gerelateerde objecten aangetroffen en overgedragen aan de EODD. De EODD heeft de gevonden OO vernietigd op de aangewezen vernietigingslocatie en het strategisch schroot meegenomen ter verwerking. In bijlage 2 van het onderzoeksrapport is het OO opgave/overname formulier weergegeven waarin vermeld staat welke soorten OO zijn gevonden en zijn overgedragen aan de EODD. Tijdens de opsporingswerkzaamheden zijn diverse OO gerelateerde objecten aangetroffen welke geen springstof (meer) bevatten. Deze objecten, ook wel genoemd strategisch schroot, zijn afgevoerd en verschroot zodat deze voor een leek onherkenbaar zijn. Conclusie Den Ouden Bodac B.V. heeft de op de revisietekening in bijlage 1 van het rapport weergegeven gebieden onderzocht op de aanwezigheid van OO en per gebied is aangegeven tot op welke diepte het gebied is vrijgegeven op de aanwezigheid van OO. Middels het proces verbaal van oplevering verklaart Den Ouden Bodac B.V.
het onderzoeksgebied naar beste inzicht en zo ver de huidige stand der techniek dit toelaat te hebben onderzocht en vrijgegeven van OO tot op de aangegeven diepte, voor alle aankomende grondroerende werkzaamheden. Advies Het advies van Den Ouden Bodac B.V. luidt dat binnen de in de revisietekening vrijgegeven dimensies grondroerende werkzaamheden zonder aanvullende maatregelen, in relatie tot ontplofbare oorlogsresten, kunnen worden uitgevoerd. Wanneer werkzaamheden buiten de door Den Ouden Bodac B.V. onderzocht en vrijgegeven gebieden gaan plaatsvinden is aanvullend onderzoek noodzakelijk. Den Ouden Bodac B.V. stelt het bevoegde gezag waarbinnen dit explosievenonderzoek is uitgevoerd op de hoogte van deze bevindingen en zendt hen een kopie van dit Proces-verbaal van Oplevering toe ter archivering en verdere (administratieve) verwerking.
12
Den Ouden Bodac B.V., ‘Proces-verbaal van oplevering Opsporen Ontplofbare Oorlogsresten Roermond Asenray Oost’, documentnr.: 230330_220114_PvO_01, d.d. 30 maart 2023.
Hoofdstuk 5
48
5.9 M.e.r.-beoordeling 5.9.1
Beoordeling directe m.e.r.-plicht
Het voorliggende bestemmingsplan maakt de ontwikkeling van woningbouw mogelijk. Dit kan leiden tot een m.e.r.-plicht. Ontwikkeling van woningen De beoogde ontwikkeling van woningen komt in lijst C van de bijlage van het Besluit m.e.r. niet als activiteit voor. Met betrekking tot de ontwikkeling is in onderdeel D (11.2) van de bijlage van het Besluit m.e.r. het volgende opgenomen: “de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen.” De voorgenomen ontwikkeling ligt ver onder de drempelwaarde die is opgenomen in kolom 2, namelijk een oppervlakte van 100 hectare of meer, een aaneengesloten gebied en 2.000 woningen of meer of een bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m² of meer. Het voorliggende initiatief betreft de ontwikkeling van 40 kavels ter plaatse van een braakliggend perceel aan de rand van de kern Asenray. Blijkens jurisprudentie13 dient niet iedere mogelijk gemaakte wijziging of uitbreiding van een stedelijke ontwikkeling te worden aangemerkt als een wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject als bedoeld in kolom I, van categorie 11.2, van onderdeel D, van de bijlage bij het Besluit m.e.r. en artikel 2, onderdeel A, van de bijlage bij het Besluit m.e.r. Dat hangt af van de concrete omstandigheden van het geval.
Daarbij spelen onder meer aspecten als de aard en de omvang van de voorziene wijziging of uitbreiding van de stedelijke ontwikkeling een rol. In het voorliggende geval is sprake van een toename met 40 wooneenheden. Gezien de omvang van het project, mede afgezet tegen de oppervlakten en aantallen die worden genoemd in categorie 11.2, onderdeel D, van de bijlage bij het Besluit m.e.r., is sprake van een kleinschalig project. Daarnaast is er geen sprake van significante milieueffecten als gevolg van de ontwikkeling en is ook geen sprake van een ligging binnen of in de nabijheid van een kwetsbaar gebied (zie hoofdstuk 5). Op basis van het bovenstaande dient de voorliggende ontwikkeling niet aangemerkt te worden als een stedelijk ontwikkelingsproject als bedoeld in kolom I van categorie 11.2, onderdeel D, van de bijlage bij het Besluit m.e.r.. Er hoeft dan ook geen milieueffectrapport te worden opgesteld en er hoeft ook geen m.e.r.-beoordeling te worden doorlopen. Wet natuurbescherming (passende beoordeling en plan-m.e.r.-plicht) Naast het Besluit m.e.r. is de Wet natuurbescherming van belang om te bepalen of een plan-MER noodzakelijk is. In de Wet natuurbescherming is opgenomen dat wanneer significante effecten op Natura 2000-gebieden niet zijn uit te sluiten een plan-MER in procedure dient te worden gebracht.
Wanneer aangetoond kan worden dat er geen significante effecten zijn te verwachten is een plan-MER niet
13
O.a. ABRS 22 mei 2019 (ECLI:NL:RVS:2019:1668) en Rechtbank Amsterdam 6 februari 2018 (ECLI:NL:RBAMS:2018:648).
Hoofdstuk 5
49
noodzakelijk. Uit paragraaf 5.3 ‘Ecologie’ blijkt dat van significante effecten die kunnen leiden tot een noodzaak tot het uitvoeren van een passende beoordeling of plan-m.e.r.-plicht geen sprake is. Conclusie De voorgenomen woningbouwontwikkeling betreft geen stedelijk ontwikkelingsproject als bedoeld in het Besluit milieueffectrapportage, vanwege de aard en schaal van het project, het feit dat geen sprake is van significante milieueffecten als gevolg van de ontwikkeling en ook geen sprake is van ligging binnen of in de nabijheid van een kwetsbaar gebied. Er is voor de activiteit derhalve geen sprake van een directe m.e.r.-(beoordelings)plicht. Er dient wel een m.e.r.-beoordeling te worden uitgevoerd. Het bestemmingplan heeft geen significante gevolgen op een Natura 2000-gebied. Er hoeft derhalve geen passende beoordeling te worden uitgevoerd en vanuit de Wet natuurbescherming geldt geen m.e.r.-plicht. Deze m.e.r.-beoordeling is in een separaat document opgesteld.
Hoofdstuk 5
50
6.
PLANSTUKKEN 6.1 Planstukken Het voorliggende bestemmingsplan bestaat uit een verbeelding, de regels betreffende de bestemmingen en de voorliggende toelichting.
6.2 Toelichting op de verbeelding De verbeelding is getekend op een bijgewerkte en digitale kadastrale ondergrond, schaal 1:1000, conform de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen 2012 (SVBP 2012). Hierbij dient te worden opgemerkt dat de kadastrale ondergrond geen juridische status heeft.
6.3 Toelichting op de regels Voor de regels bij het bestemmingsplan is overwegend aangesloten bij de SVBP 2012 en overige recente bestemmingsplannen ten behoeve van de realisatie van woningen in de gemeente Nederweert. De planregels zijn verdeeld in 4 hoofdstukken, te weten: Hoofdstuk 1: Inleidende regels met daarin de begrippen en de wijze van meten; Hoofdstuk 2: Bestemmingsregels. Hiermee worden de op de verbeelding opgenomen bestemmingen geregeld. Hoofdstuk 3: Algemene regels, waaronder onder andere zijn opgenomen de anti-dubbeltelregel, algemene aanduidingsregels, algemene afwijkingsregels, algemene wijzigingsregels en overige regels. Hoofdstuk 4: Overgangs- en slotregels, waarin het overgangsrecht en de slotregel zijn opgenomen. Het belangrijkste doel van de planregels is om de bouw- en gebruiksregels van de verschillende bestemmingen aan te geven. Inleidende regels Begrippen In dit artikel zijn bepalingen (begrippen) opgenomen welke in het algemeen spraakgebruik onvoldoende vastliggen en waarbij verschillen in interpretatie bij toepassing van de planregels mogelijk zijn. Voor het gemak zijn enkele begrippen uit de Woningwet/ Bouwverordening overgenomen. Verder zijn enkele begrippen afkomstig van de SVBP 2012. Wijze van meten Hierin wordt aangegeven op welke manier hoogte, lengte, breedte, inhoud en oppervlakte van bouwwerken/ percelen gemeten moeten worden.
Bij de wijze van meten is aangesloten bij de SVBP 2012.
Hoofdstuk 6
51
Bestemmingsregels Bestemmingen De regels van een bestemming worden als volgt opgebouwd en benoemd: 1. Bestemmingsomschrijving; 2. Bouwregels; 3. Nadere eisen; 4. Afwijken van de bouwregels; 5. Specifieke gebruiksregels; 6. Afwijken van de gebruiksregels; 7. Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden; 8. Omgevingsvergunning voor het slopen van een bouwwerk; 9. Wijzigingsbevoegdheid. Duidelijk zal zijn dat een bestemmingsregel niet alle elementen hoeft te bevatten. Dit kan per bestemming verschillen. In de bestemmingsomschrijving wordt een omschrijving gegeven van de aan de gronden toegekende functies. Als eerste wordt de hoofdfunctie aangegeven. In de bouwregels wordt bepaald aan welke voorwaarden de bebouwing moet voldoen. Voor zover nodig wordt een onderscheid gemaakt in hoofdgebouwen, bijbehorende bouwwerken en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, waardoor de toetsing van aanvragen voor een omgevingsvergunning aanmerkelijk vereenvoudigd en inzichtelijker is. Onderstaand zijn de regels van de opgenomen bestemmingen nader toegelicht. Agrarisch met waarden – Agrarische functie met landschapswaarden De bestemming ‘Agrarisch met waarden – Agrarische functie met landschapswaarden’ is opgenomen ter plaatse van het compensatieplan.
De gronden zijn bestemd voor onder andere agrarische bedrijfsuitvoering, realisering en instandhouding van het dassenmitigatieplan, water en waterhuishoudkundige voorzieningen en het behoud, het herstel en de ontwikkeling van de landschappelijke en cultuurhistorische waarden. Groen De bestemming ‘Groen’ is opgenomen ter plaatse van het openbare groen. De gronden ter plaatse van deze bestemming zijn bestemd voor onder andere groenvoorzieningen, bermen en beplantingen, speelvoorzieningen, water en waterhuishoudkundige voorzieningen, voorzieningen voor langzaamverkeer, nutsvoorzieningen, overige bijbehorende voorzieningen en uitsluitend de uitvoering en instandhouding van de werkzaamheden, ingevolge het mitigatieplan ter plaatse van de aanduiding 'overige zone - Mitigatieplan das'
Hoofdstuk 6
52
Natuur De bestemming ‘Natuur’ is opgenomen ten behoeve van het behoud van natuur. De gronden ter plaatse van deze bestemming zijn bestemd voor de instandhouding, ontwikkeling en de kwaliteitsverhoging van de aanwezige natuurlijke, landschappelijke en landschapsecologische waarden, realisering en instandhouding van het dassenmitigatieplan, voor water en waterhuishoudkundige voorzieningen en tot slot voor extensief recreatief medegebruik. Verkeer De bestemming ‘Verkeer’ is opgenomen ten behoeve van de openbare infrastructuur. De gronden ter plaatse van deze bestemming zijn bestemd voor onder andere voorzieningen voor verkeer en verblijf, parkeervoorzieningen, groenvoorzieningen, speelvoorzieningen, water en waterhuishoudkundige voorzieningen en nutsvoorzieningen. Water De gronden ter plaatse van de bestemming ‘Water’ zijn bestemd voor water en waterhuishoudkundige voorzieningen en groenvoorzieningen. Met daaraan ondergeschikt verhardingen, oevers, taluds en onderhoudspaden. Wonen De gronden ter plaatse van de bestemming ‘Wonen’ zijn bestemd voor wonen.
Met daaraan ondergeschikt voorzieningen van algemeen nut, groenvoorzieningen, parkeervoorzieningen, speelvoorzieningen, tuinen en erven, waterhuishoudkundige voorzieningen en uitsluitend de uitvoering en instandhouding van de werkzaamheden, ingevolge het mitigatieplan ter plaatse van de aanduiding 'overige zone - Mitigatieplan das' Algemene regels In de Anti-dubbeltelregel wordt bepaald dat grond die eenmaal in aanmerking is genomen bij het toestaan van een bouwplan waaraan uitvoering is gegeven of alsnog kan worden gegeven, deze bij de beoordeling van latere plannen buiten beschouwing blijft. Het nog overgebleven terrein mag dus niet nog eens meegenomen worden bij het toestaan van een ander bouwwerk. In de algemene aanduidingsregels is de regeling omtrent de gebiedsaanduiding ‘milieuzone – boringsvrije zone’ en ‘overige zone – mitigatieplan das’ opgenomen. De algemene afwijkings- en algemene wijzigingsregels verschaffen burgemeester en wethouders c.q. het bevoegd gezag de gewenste beleidsruimte om bij de uitvoering van het plan te kunnen inspelen op gegevens of situaties die vooraf niet bekend kunnen zijn. In de overige regels zijn een verwijzing naar de wettelijke regelingen en de parkeerregels opgenomen.
Overgangs- en slotregels In de bepaling Overgangsrecht is geregeld in hoeverre en onder welke voorwaarden bestaande gebouwen en het bestaand gebruik van gronden en bouwwerken mogen afwijken van het plan. In de Slotregel is aangegeven op welke wijze de regels van het bestemmingsplan kunnen worden aangehaald.
Hoofdstuk 6
53
7.
UITVOERBAARHEID 7.1 Economische uitvoerbaarheid Op 1 juli 2008 zijn samen met de Wet ruimtelijke ordening (Wro) bepalingen omtrent de grondexploitatie in werking getreden. In afdeling 6.4 van de Wro is bepaald dat de gemeente verplicht is bij het vaststellen van een planologische maatregel die mogelijkheden schept voor een bouwplan zoals bepaald in artikel 6.12, eerste lid, onder a van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro), maatregelen te nemen die verzekeren dat de kosten die gepaard gaan met de ontwikkeling van de locatie worden verhaald op de initiatiefnemer van het plan. Dit betekent dat er voor de gemeente een verplichting bestaat om de kosten, die gepaard gaan met een bouwplan, te verhalen op de initiatiefnemer middels een exploitatieplan of anterieure overeenkomst. De voorgenomen ontwikkeling van 40 Ruimte voor Ruimte kavels betreft een bouwplan als bedoeld in artikel 6.12, lid 1, onder a. Voor deze ontwikkeling geldt een verplichting tot kostenverhaal. Hiertoe is reeds een anterieure overeenkomst afgesloten waarin zijn afspraken opgenomen over het verhaal van kosten. Daarnaast bevat deze overeenkomst afspraken in verband met het risico op planschade. Hiermee wordt geregeld dat eventueel te vergoeden planschade op de initiatiefnemer zal worden verhaald.
Gelet op het vorenstaande kan in het kader van de vaststelling van het bestemmingsplan worden afgezien van het vaststellen van een exploitatieplan.
7.2 Omgevingsdialoog Met betrekking tot de voorgenomen woningbouwontwikkeling hebben meerdere bijeenkomsten plaatsgevonden waarbij de omgeving en belanghebbenden zijn betrokken. Zo is er samen met het Comité van Samenwerking Asenray (CSA) een enquête opgesteld op basis waarvan burgers hun wensen en opmerkingen kenbaar konden maken. Verder heeft er op 22 december 2021 een digitale informatieavond en chat-sessie plaatsgevonden (in verband met de Corona-beperkingen digitaal). Tijdens deze informatieavond is zowel het concept bestemmingsplan, het concept beeldkwaliteitsplan en het verkeerskundig variantenonderzoek gepresenteerd. Ook heeft op 14 februari 2022 overleg plaatsgevonden met het Roermonds Natuur en Milieu Overleg (RNMO). Tijdens dat overleg is tevens het mitigatieplan voor de das toegelicht. Deze bijeenkomsten hebben op diverse punten aanleiding gegeven om het conceptplan te wijzigen. Deze wijzigingen worden onderstaand kort toegelicht. Aanpassing woningbouwprogramma In de eerste plannen waren 30 kavels voorzien, waarop uitsluitend vrijstaande woningen zouden worden gerealiseerd. Naar aanleiding van de omgevingsdialoog is er een gedifferentieerd plan opgesteld,
Hoofdstuk 7
54
waarbij, behoudens vrijstaande woningen ook voorzien wordt in levensloopbestendige -, rij- en hoekwoningen en 2onder1- kappers. Daarmee sluit het plan aan op de lokale behoefte. Het aantal kavels is daardoor verhoogd naar 40, zonder dat daarvoor het plangebied is uitgebreid. Nieuwe ontsluitingsweg Tijdens de omgevingsdialoog zijn diverse verkeerskundige ontsluitingsvarianten besproken. Uiteindelijk is, in overleg met de omgeving, gekozen voor een nieuwe noordelijke ontsluitingsweg. Daarmee is tegemoet gekomen aan de wens van de omgeving om geen extra verkeer door de kern Asenray te geleiden. Minder geluidsbelasting en voorkomen verkeersonveilige situaties. Mitigatieplan das Vanwege het gebruik van de gronden als foerageergebied van de das is een mitigatieplan voor de das opgesteld. Dat heeft geresulteerd in een aanpassing van de inrichting van het plangebied, te weten een ruimere groenstrook langs de Maasnielderbeek, het dasvriendelijk inrichting van de groengebieden en randen van het plan, en een compensatiegebied ten westen van de nieuwe noordelijke ontsluitingsweg. De daarvoor benodigde grondverwerving heeft plaatsgevonden.
7.3 Overleg Het bestemmingsplan is in het kader van het bestuurlijk vooroverleg aangeboden aan de Provincie Limburg. De provincie heeft aangegeven dat het ontwerpbestemmingsplan vooralsnog geen aanleiding geeft tot het maken van opmerkingen.
7.4 Zienswijzen Het ontwerpbestemmingsplan heeft van woensdag 31 mei 2023 tot en met dinsdag 11 juli 2023 ter inzage gelegen, na voorafgaande publicatie op 30 mei 2023 in het Elektronisch Gemeenteblad. Er zijn 4 zienswijzen ten aanzien van het ontwerpbestemmingsplan ingediend. De zienswijzen hebben geen aanleiding gegeven het bestemmingsplan niet vast te stellen, of gewijzigd vast te stellen. Wel is een tweetal ambtshalve wijzigingen aangebracht ten opzichte van het ontwerp. Ten aanzien hiervan wordt verder verwezen naar de Nota van zienswijzen en wijzigingen, welke als bijlage bij deze plantoelichting is opgenomen.