CConstaterende datRoermond
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 3 (oud) - toelichting en regels bestemmingsplan Peelveldlaan 60 Swalmen

Gemeenteraad 20 maart 2025, gemeente RoermondBij agendapunt: Bestemmingsplan Peelveldlaan 60 (hamerstuk)22.156 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

Indien de aard van de omgeving dit rechtvaardigt, kunnen gemotiveerd kleinere richtafstanden worden aangehouden bij het omgevingstype gemengd gebied, dat gezien de aanwezige functiemenging of ligging nabij milieu-inrichtingen of drukke wegen, al een hogere milieubelasting kent. Een gemengd gebied is een gebied met een matige tot sterke functiemenging. Direct naast gevoelige functies komen belastende functies voor, die om die reden een milieuzone kennen; zoals winkels, horeca en bedrijven. Gebieden die direct langs de hoofdinfrastructuur liggen behoren eveneens tot het omgevingstype gemengd gebied. De richtafstanden kunnen, zonder dat dit ten koste gaat van het woon- en leefklimaat, met één afstandsstap worden verlaagd, indien sprake is van het omgevingstype gemengd gebied. Onderhavig plangebied is gelegen aan de rand van een bestaand bedrijventerrein. Direct tegenover het plangebied is een rustige woonwijk gelegen. Echter kan gemotiveerd worden dat de eerste lijnsbebouwing van deze woonwijk aan de Peelveldlaan, als overgangszone, gelegen is binnen het omgevingstype gemengd gebied. Zo geldt ten eerste dat in onderhavige situatie gevoelige functies direct naast belastende functies voor komen. De woningen grenzen immers aan het bedrijventerrein (maximaal milieucategorie 3.2), het voormalige schoolcomplex (milieucategorie 2) en het sportcentrum (milieucategorie 3.1).

De bijbehorende richtafstanden, uitgaande van van gemengd gebied, bedragen respectievelijk 50 meter, 10 meter en 30 meter. De bestaande woningen zijn hiermee al gelegen binnen de invloedsfeer van deze functies. Ten tweede kan gesteld worden dat de Peelveldlaan deel uitmaakt van de hoodinfrastructuur van Swalmen (gebiedsontsluitingsweg). Het betreft een belangrijke ontsluitingsweg vanaf de Rijksweg Noord voor enerzijds het aangrenzende bedrijventerrein (oostzijde) en anderzijds de aangrenzende woonwijk (westzijde). De verkeersintensiteit ter hoogte van het plangebied bedraagt 2200 mvt/etmaal (2018). Ook hiervoor geldt dat de bestaande woningen in de invloedsfeer van deze gebiedsontsluitingsweg gelegen zijn. Het woon- en leefklimaat van deze woningen (1e lijnsbebouwing) aan de Peelveldlaan is hiermee reeds dermate verstoord

bestemmingsplan Peelveldlaan 60 Swalmen

27

dat voor deze woningen gemotiveerd kan worden uitgegaan van het omgevingstype gemengd gebied en de richtafstand met 1 stap verkleind kan worden. Dit houdt in dat voor milieucategorie 3.1 uitgegaan kan worden van een richtafstand van 30 meter in plaats van 50 meter. Toetsing effecten op omliggende functies Het planvoornemen voorziet in de ontwikkeling van één of meerdere bedrijfskavels waar bedrijfsactiviteiten van ten hoogste de milieucategorie 2 zijn toegestaan (bedrijfsactiviteiten in de milieucategorie 3.1 kunnen middels een afwijkingsbevoegdheid ook worden toegestaan, mits dit niet tot nadelige milieugevolgen voor de omgeving leidt). Een bedrijf wordt niet aangemerkt als hindergevoelige functie en hinderveroorzakende functies in de omgeving van het plangebied hoeven daarom niet nader te worden onderzocht. Verder geldt dat de ontwikkeling van één of meerdere bedrijfskavels binnen het plangebied niet leidt tot beperkingen in de bedrijfsvoering van omliggende bedrijven. Wel geldt dat een bedrijf zelf een veroorzaker van hinder is. Om deze reden dienen hindergevoelige functies in de omgeving van het plangebied te worden beschouwd. Zoals gezegd worden binnen het plangebied bedrijfsactiviteiten van ten hoogste de milieucategorie 3.1 toegestaan.

Op basis van de VNG publicatie Bedrijven en milieuzonering geldt voor de milieucategorie 3.1 bij het omgevingstype gemengd gebied een grootste richtafstand van 30 meter tussen het bedrijf en de gevoelige functie. Ten noorden, oosten en zuiden van het plangebied zijn bedrijven behorend bij het bedrijventerrein De Reubenberg aanwezig. Bedrijven worden niet aangemerkt als milieugevoelige functie en toetsing aan de richtafstand is voor deze bedrijven daarom niet aan de orde. Direct ten zuiden van het plangebied is een sporthal gelegen. Ook een sporthal wordt niet als milieugevoelige functie aangemerkt. Toetsing aan de richtafstand is daarom ook in dit geval niet aan de orde. Verder geldt dat ten oosten van het plangebied (ter plaatse van Heydweg 4) een bedrijfswoning is gelegen. Een bedrijfswoning wordt aangemerkt als milieugevoelige functie. De afstand tussen de bedrijfswoning en het plangebied bedraagt 30 meter, waarmee aan de richtafstand wordt voldaan. Ten westen van het plangebied, aan de overzijde van de Peelveldlaan, is woonbebouwing aanwezig. Woningen worden aangemerkt als een milieugevoelige functie. De afstand tussen de bestaande achtergevel woonbebouwing aan de Kapelaan Sourenstraat en de westelijke plangrens bedraagt ca. 39 meter (zie onderstaand figuur). Hiermee wordt aan de richtafstand van 30 meter voldaan.

Deze woningen hebben een bouwdiepte van ongeveer 12 meter en de hoofdgebouwen mogen op basis van de bouwregels uit het vigerende bestemmingsplan met maximaal 20% worden vergroot voor dezelfde functie. Dit houdt in dat deze woningen met ongeveer 2,5 meter mogen worden uitgebreid waardoor de achtergevel op ca. 36,5 meter komt te liggen. Hiermee wordt dan nog steeds voldaan aan de richtafstand van 30 meter. De woningen aan de Peelveldlaan zijn met de voorgevel richting het plangebied gelegen. De afstand van de voorgevel van deze woningen tot de grens van het plangebied bedraagt ongeveer 33 meter. Aangezien deze woningen aan de voorzijde niet mogen worden uitgebreid wordt voor deze woningen eveneens voldaan aan de richtafstand van 30 meter. Daarnaast was in de voormalige situatie toen er nog een schoolcomplex voor voortgezet onderwijs gevestigd was ook al sprake van een milieucategorie 2 activiteit met een richtafstand van 30 meter, uitgaande van een rustige woonomgeving. Hiermee wijzigt er in feite niet qua richtafstand tussen de 'oude' en 'nieuwe' situatie Onderstaand figuur geeft de afstand vanaf de plangrens tot aan de omliggende gevoelige functies weer. Hierbij is aan de westzijde van het plangebied tevens een indicatie gegeven van de afstand van 30 meter vanaf de plangrens richting de woonbebouwing.

28

bestemmingsplan Peelveldlaan 60 Swalmen

Indicatie inrichting plangebied Conclusie Het aspect 'bedrijven en milieuzonering' vormt geen belemmering voor dit planvoornemen.

4.5

Luchtkwaliteit

Op 15 november 2007 is de Wet luchtkwaliteit in werking getreden, waarmee de hoofdlijnen voor regelgeving rondom luchtkwaliteitseisen zijn beschreven in de Wet milieubeheer (Wm, hoofdstuk 5). Hiermee is het Besluit luchtkwaliteit 2005 vervallen. Artikel 5.16 Wm (lid 1) geeft weer, onder welke voorwaarden bestuursorganen bepaalde bevoegdheden (uit lid 2) mogen uitoefenen. Als aan minimaal één van de volgende voorwaarden wordt voldaan, vormen luchtkwaliteitseisen in beginsel geen belemmering voor het uitoefenen van de bevoegdheid: er is geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde; een project leidt – al dan niet per saldo – niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit; een project draagt 'niet in betekenende mate' (NIBM) bij aan de luchtverontreiniging; een project past binnen het NSL (Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit), of binnen een regionaal programma van maatregelen. NIBM Hoofdstuk 5 van de Wet Milieubeheer maakt onderscheid tussen projecten die 'Niet in betekenende mate' (NIBM) en 'In betekenende mate' (IBM) bijdragen aan de uitstoot van luchtverontreinigende stoffen. Aan de hand van een inschatting van de verkeersgeneratie kan met behulp van de NIBM-tool worden berekend of een project NIBM is. NIBM-projecten kunnen zonder toetsing aan de grenswaarden voor het aspect luchtkwaliteit uitgevoerd worden.

Als een project ervoor zorgt dat de concentratie fijn stof of CO2 met meer dan 3% van de grenswaarde verhoogd, draagt het project in betekenende mate bij aan luchtvervuiling en dient er een luchtkwaliteitsonderzoek uitgevoerd te worden. Deze regel komt voort uit het NSL. In paragraaf 2.3.2 reeds is beschreven dat de netto toename van het aantal verkeersbewegingen ten gevolge van de transformatie van het voormalig schoolcomplex naar één of meerdere bedrijfskavels ca. 650 motorvoertuigbewegingen per etmaal (worst case) bedraagt. Op basis van deze toename in het aantal

bestemmingsplan Peelveldlaan 60 Swalmen

29

verkeersbewegingen wordt aan de hand van de NIBM-tool geconcludeerd dat het planvoornemen niet in betekende mate bijdraagt aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Er is geen nader onderzoek noodzakelijk.

Uitsnede NIBM-tool Fijnstof Voor wat betreft de beoordeling van het leefklimaat ten aanzien van het aspect luchtkwaliteit dient er gelet te worden op de fijnstofconcentraties ter plaatse. Hiervoor is de NSL (Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit) geraadpleegd. Direct nabij het plangebied is geen rekenpunt gelegen. Om een beeld te krijgen van de luchtkwaliteit ter plaatse, zijn daarom de fijnstofconcentraties ter plaatse van nabijgelegen rekenpunten beoordeeld. Uit de NSL-monitoringskaart blijkt dat de jaargemiddelde grenswaarden voor NO2, PM10 (beide 40 ìg/m3) en PM2,5 (20 ìg/m3) ter plaatse van de rekenpunten niet wordt overschreden (zie onderstaande afbeelding). Het aantal overschrijdingsdagen van de 24 uur gemiddelde concentratie is maximaal 7,144 (8), waardoor het maximum van 35 dagen niet wordt overschreden. De concentratie fijnstof heeft geen negatieve gevolgen voor het leefklimaat ter plekke van het plangebied. Het aspect fijnstof vormt geen belemmering voor onderhavig planvoornemen.

30

bestemmingsplan Peelveldlaan 60 Swalmen

Uitsnede viewer NSL-monitoringstool Verder geldt dat het plangebied niet is gelegen in de nabijheid van zware industrie of een concentratiegebied van intensieve veehouderijen. Derhalve wordt redelijkerwijs aangenomen dat ten aanzien van luchtkwaliteit sprake is van een goed leefklimaat voor de te ontwikkelen bedrijfskavels op deze locatie. Conclusie Geconcludeerd wordt dat het aspect luchtkwaliteit geen belemmering vormt voor onderhavig planvoornemen.

4.6

Externe veiligheid

4.6.1 Wettelijk kader Bij de ruimtelijke planvorming moet rekening worden gehouden met het aspect externe veiligheid. Het externe veiligheidsbeleid richt zich op het voorkomen en beheersen van risicovolle bedrijfsactiviteiten en risicovol transport. Daarbij gaat het enerzijds om de risico's verbonden aan 'risicovolle inrichtingen', waar gevaarlijke stoffen worden geproduceerd, opgeslagen of gebruikt en anderzijds om het 'vervoer van gevaarlijke stoffen' via wegen, spoorwegen, waterwegen en buisleidingen. Het uitgangspunt van wet- en regelgeving en beleid ten aanzien van externe veiligheid is scheiding van kwetsbare functies en risicobronnen, waarmee men het volgende wil bereiken: bescherming van personen die zich bevinden in de nabijheid van een risicobron tegen de kans op overlijden ten gevolge van een ongeval met gevaarlijke stoffen of ten gevolge van een ongeval met een

bestemmingsplan Peelveldlaan 60 Swalmen

31

vliegtuig op of nabij een luchthaven; bescherming van de samenleving tegen het ontwrichtende effect van een dergelijk ongeval met een groot aantal slachtoffers. Om de mogelijke risico's in kaart te brengen is een inventarisatie van risicobronnen rondom het plangebied uitgevoerd waarbij gebruik is gemaakt van de 'Risicokaart Nederland' - www.risicokaartnederland.nl (samenwerking van het Rijk, de provincies en de gemeenten). Op basis van de risicokaart is inzichtelijk gemaakt welke risicobronnen zich in de omgeving van het plangebied bevinden.

Uitsnede Risicokaart met plangebied bij blauwe contour Het plangebied is binnen het invloedsgebied van de rijksweg A73, de spoorlijn Roermond - Venlo en een aardgasleiding van Gasunie gelegen. Om deze reden dient het groepsrisico ten gevolge van het planvoornemen te worden beschouwd. Onderstaande paragrafen gaan daar nader op in. Hierbij geldt tevens dat in het verleden binnen het plangebied een schoolcomplex aanwezig was. Dit planvoornemen voorziet in de transformatie van het schoolcomplex in één of meerdere bedrijfskavels. De verwachting is daarom dat het aantal personen dat binnen het plangebied verblijft netto gezien niet toeneemt maar zelfs afneemt en het groepsrisico niet wordt verhoogd. 4.6.2 Rijksweg A73 en spoorlijn Roermond - Venlo Op basis van de Risicokaart wordt geconcludeerd dat het plangebied op circa 420 meter afstand van de rijksweg A73 en op circa 470 meter afstand van spoorlijn Roermond-Venlo is gelegen. Het plangebied is daarmee binnen de invloedsgebieden van de weg A73 en de spoorlijn gelegen. Conform de ‘Visie Externe Veiligheid Roermond’ (VEVR) dient het groepsrisico van de A73 en de spoorlijn te worden verantwoord. Het plangebied is namelijk gelegen binnen zone IV (>300) meter ten opzichte van de genoemde transportassen. Bij zone IV dient alleen rekening gehouden te worden met de effecten van een toxische gaswolk.

Ontwikkeling groepsrisico Indien een ruimtelijk plan in de zone IV tot toename van de personendichtheid leidt, betekent dat het groepsrisico niet significant zal toenemen, vanwege: de afstand tot de plaats van het mogelijke incident; de aard van incident (blootstelling aan toxisch gas);

32

bestemmingsplan Peelveldlaan 60 Swalmen

de reeds hoge personendichtheden binnen de gemeente Roermond nabij de grote risicobronnen. Mogelijkheden tot beperking van het groepsrisico De mogelijkheden tot beperking van het groepsrisico door maatregelen bij de risicobron zijn beschreven in de beleidsvisie externe veiligheid. De mogelijkheid tot beperking van het groepsrisico door het beïnvloeden van de personendichtheid is binnen het besluitgebied geen item, vanwege het gegeven dat de: toename van de personendichtheid geen significant effect op het groepsrisico heeft; kans op overlijden ten gevolge van een incident met gevaarlijke stoffen in dit gebied bijzonder klein is. De bestrijdbaarheid van de omvang van een ramp of zwaar ongeval Op deze afstand van de risicobron speelt het bestrijdbaarheidsvraagstuk niet of nauwelijks. De bestrijding vindt plaats bij de bron, op ruime afstand van het plangebied. Ten aanzien van de algemene mogelijkheden van de bestrijdbaarheid wordt verwezen naar desbetreffende onderdelen van de visie Externe veiligheid van de gemeente Roermond. Mogelijkheden tot zelfredzaamheid Omdat blootstelling aan een toxisch gas het bepalende scenario is, biedt ‘schuilen’ de beste wijze van zelfredzaamheid. Schuilen vindt plaats binnen bouwwerken.

De mate waarin deze bouwwerken afsluitbaar zijn tegen de indringing van toxisch gas en de tijdsduur dat deze bouwwerken worden blootgesteld, zijn hierbij parameters. Het plangebied wordt veelal alleen blootgesteld aan de gevolgen van een toxische gaswolk bij ‘optimale’ weersomstandigheden (bijvoorbeeld Pasquill-klasse F1.5: weinig vermenging met schone lucht), die gedurende het jaar procentueel weinig voorkomen. Bij bestaande bouwwerken worden geen aanvullende maatregelen getroffen om mogelijke indringing van toxisch gas te verminderen. Aanpassing van bijvoorbeeld oude woningen op dit punt is ingrijpend en kostbaar. Bij nieuwe bouwwerken is sprake van een steeds betere isolatie, welke zorgt voor een goede bescherming tegen het binnendringen van het toxische gas. Nieuwe gebouwen die voorzien zijn van een luchtbehandelinginstallatie, waardoor het toxisch gas naar binnen kan worden gezogen dienen voorzien te zijn van mogelijkheden om dit systeem met één druk op de knop uit te schakelen. Daarnaast is het van belang dat werknemers tijdig gewaarschuwd worden. Dit gebeurt door het in werking stellen van het WAS (Waarschuwing- en AlarmeringSysteem) als onderdeel van de algemene Rampenbestrijding of via Cell-Broadcast. 4.6.3 Buisleiding Direct ten westen van het plangebied (ter plaatse van de Peelveldlaan) is een buisleiding (Z-509-11) van Gasunie gelegen.

Voor de hogedruk aardgastransportleidingen is het maatscenario een (externe) beschadiging waardoor gas vrijkomt dat vervolgens ontsteekt en een fakkelbrand vormt. Bij een fakkelbrand is de warmtestraling maatgevend voor de afstandsbepaling. Dit maatscenario is van belang binnen het invloedsgebied van de leiding. Het plangebied is binnen dit invloedsgebied (1% legaliteitsgrens 70 meter en 100% legaliteitsgrens 50 meter) gelegen. Conform het planologisch kader als beschreven in de Visie externe veiligheid wordt ingegaan op de functies die binnen het plangebied worden toegestaan, de inrichting van het plangebied en niet ruimtelijke maatregelen. Functies Binnen het invloedsgebied van de aardasleiding worden functies met een hoge mate van zelfredzaamheid en/of lage personendichtheid en/of lage kwetsbaarheid (kleinschalige kantoren en voorzieningen, bedrijven) bevorderd. Extra kwetsbare functies met een laag zelfredzaamheidsniveau, (grote zorgcomplexen, ziekenhuizen, basisscholen, peuterspeelzalen, kinderdagverblijf) zijn uitgesloten. Inrichting plangebied De inrichting van het plangebied is nog onbekend. Bij de nadere planuitwerking dient vanwege het groepsrisico in ieder geval rekening te worden gehouden met de verdeling van de personendichtheid binnen

bestemmingsplan Peelveldlaan 60 Swalmen

33

het plangebied. Hierbij geldt dat de personendichtheid van de leiding af dient te verdichten en dat objecten met een hoge personendichtheid binnen het plangebied worden verspreid. Bij de indeling van (bedrijfs)bebouwing dienen kwetsbare functies (bijvoorbeeld kantoorruimte, kantines) zoveel mogelijk van de buisleiding af (risicoluwe zijde) te worden gesitueerd. Daarnaast geldt dat binnen en rondom het plangebied dient te worden voorzien in een goede verkeerskundige ontsluiting voor hulpdiensten (deze moeten van twee kanten kunnen aanrijden). Verder moet voldaan worden aan de Handleiding bluswatervoorzieningen en bereikbaarheid en dienen minimaal twee vluchtroutes van de risicobron af te worden gerealiseerd voor aanwezigen. Met het planvoornemen zullen er minder personen binnen het plangebied verblijven dan in de situatie toen er nog sprake was van een schoolcomplex waardoor de persoonsdichtheid afneemtin de nieuwe toekomstige situatie. Daarnaast betreffen het werknemers van de bedrijven in plaats van leerlingen waarvaan aangenomen mag worden dat deze minder begeleid moeten worden bij een eventuele calamiteit. Daarnaast wordt de ontsluiting van het plangebied geoptimaliseerd door de aanleg van een insteek vanaf de Heydweg.

Deze weg wordt buiten de 100% legaliteitsgrens gesitueerd zodat er sprake is van een goede verkeerskundige ontsluiting voor hulpdienst en daarmee de bedrijven gelegen aan de Peelveldlaan van de achterzijde kunnen bereiken en niet via de Peelveldlaan zelf. Niet ruimtelijke maatregelen Bij de nadere planuitwerking / uitwerking van de bouwplannen dienen bouwtechnische maatregelen te worden beschouwd die de schuilmogelijkheden (in geval van een fakkelbrand) bij gebouwen die veel mensen huisvesten vergroten. Deze maatregelen zijn ruimtelijk niet te verankeren, maar worden als aandachtspunt meegegeven aan een initiatiefnemer. Tot slot dient aandacht te worden besteed aan organisatorische (o.a. rampenbestrijdingsplannen) en communicatie (o.a. Cell Broadcast) maatregelen om de zelfredzaamheid in geval van een calamiteit te vergroten. 4.6.4 Conclusie Het plangebied is binnen de invloedsgebieden van de rijksweg A73, de spoorlijn Roermond - Venlo en een gasleiding van Gasunie gelegen. In bovenstaande paragrafen is het groepsrisico toegelicht c.q. verantwoord. Hierbij geldt tevens dat het aantal personen dat binnen het plangebied verblijft (en daarmee het groepsrisico) niet toeneemt maar zelfs afneemt ten gevolge van het planvoornemen. Het betreft immers een transformatie van een voormalig schoolcomplex naar één of meerdere bedrijfskavels.

Geconcludeerd wordt dat het aspect 'externe veiligheid' geen belemmering vormt voor het planvoornemen.

4.7

Ecologie

Bij elk ruimtelijk plan moet, met het oog op beschermenswaardige natuurwaarden, rekening worden gehouden met de regelgeving op het gebied van gebiedsbescherming en soortenbescherming. Dit wordt geregeld in de Wet natuurbescherming die op 1 januari 2017 in werking is getreden. Het natuurbeschermingsrecht is verder te vinden in verdragen, Europese en nationale regelgeving en in nationaal en provinciaal beleid. Vanuit de Europese regelgeving wordt met name nadruk gelegd op de bescherming van plant- en diersoorten (Vogelrichtlijn) en leefgebieden (Habitatrichtlijn). Ten behoeve hiervan zijn dan ook diverse beschermingsgebieden aangewezen. De belangrijkste beschermingszones zijn Natura 2000-gebieden. Econsultancy heeft een quickscan Wet natuurbescherming uitgevoerd (d.d. 2 december 2020, rapportnr. 11816.005). De quickscan Wet natuurbescherming is uitgevoerd in het kader van de voorgenomen sloop van het schoolgebouw binnen het plangebied en heeft tot doel om in te schatten of er binnen of nabij het plangebied planten- en diersoorten, gebieden of houtopstanden aanwezig zijn die volgens de Wet natuurbescherming een beschermde status hebben en die mogelijk negatieve gevolgen kunnen ondervinden door de voorgenomen ingrepen. De resultaten van de quickscan zijn in deze paragraaf beschreven. De quickscan is tevens als Bijlage 4 bij de toelichting van dit bestemmingsplan toegevoegd.

34

bestemmingsplan Peelveldlaan 60 Swalmen

4.7.1 Gebiedsbescherming Natura 2000 De bescherming van Natura 2000-gebieden is geregeld in de Wet natuurbescherming, die de implementatie vormt van de Europese Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn. De Natura 2000-gebieden vormen samen een Europees netwerk van natuurgebieden: Natura 2000. Als ontwikkelingen (mogelijk) leiden tot aantasting van natuurwaarden binnen een Natura 2000-gebied, moet een vergunning worden aangevraagd. Gedeputeerde staten van de provincie zijn het bevoegd gezag voor verlening van deze vergunning. Indien eerst een omgevingsvergunning wordt aangevraagd voor een activiteit waarvoor tevens een vergunning op grond van de Wet natuurbescherming is vereist, dan haakt de natuurtoets aan bij de omgevingsvergunning. Verder moet rekening worden gehouden met het beleid ten aanzien van het Natuurnetwerk Nederland (NNN). De regels met betrekking tot het NNN zijn opgenomen in de provinciale verordening. Ten aanzien van ontwikkelingen binnen het NNN geldt het 'nee, tenzij-principe'. Het plangebied is niet gelegen binnen de grenzen, of in de directe nabijheid van een gebied dat aangewezen is als Natura 2000. Het meest nabijgelegen Natura 2000-gebied, Swalmdal, bevindt zich op circa 600 meter afstand ten zuiden van het plangebied.

Ligging plangebied t.o.v. Natura 2000-gebied Het plangebied is niet gelegen binnen een Natura 2000-gebied. Indien er sprake zou zijn van een effect, betreft dit een extern effect. Externe effecten als gevolg van licht, trilling en geluid als door de voorgenomen plannen binnen het plangebied zijn, gezien de afstand tot de meest nabijgelegen Natura 2000-gebieden niet te verwachten. Externe effecten als gevolg van een toename van stikstofdepositie zijn vanwege de afstand tot het meest nabijgelegen Natura 2000-gebied (circa 600 meter) echter niet op voorhand uit te sluiten. Vervolgonderzoek in het kader van de gebiedsbeschermingsparagrafen uit de Wet natuurbescherming ten aanzien van stikstof wordt noodzakelijk geacht. Dit kan in eerste instantie worden onderzocht middels een modelberekening (Aerius-calculator). In dat kader is aanvullend dan ook een stikstofdepositieonderzoek met bijbehorende aeriusberekeningen uitvoerd. Dit onderzoek is als Bijlage 3 aan de toelichting van dit bestemmingsplan toegevoegd. Uit dit

bestemmingsplan Peelveldlaan 60 Swalmen

35

onderzoek is op basis van de aeriusberekingen gebleken dat ten opzicht van de referentiesituatie in de ingeschatte bouw- en gebruiksfase in geen enkel Natura 2000-gebied sprake is van meer dan 0,00 mol N/ha/jr stikstofdepositie. Geconcludeerd kan worden dat ten opzichte van de referentiesituatie er geen sprake is van significant negatieve effecten op de instandhoudingsdoelstellingen van Natura 2000-gebieden als gevolg van de herinrichting van het plangebied. De beoogde werkzaamheden zijn derhalve niet vergunningsplichtig in het kader van de Wet natuurbescherming. Natuurnetwerk Nederland In Limburg worden de goud- en zilvergroene natuurzone en de bronsgroene landschapszone gehanteerd. De goudgroene natuurzone vormt het Limburgse deel van het Nationaal Natuurnetwerk en hierbinnen streeft de provincie naar behoud en beheer van de reeds aanwezige natuur en de ontwikkeling van nieuwe natuur. Binnen de zilvergroene natuurzone staat het benutten van kansen voor natuur en landschap centraal, maar deze zone maakt geen onderdeel uit van het Nationaal Natuurnetwerk. De functionaliteit en effectiviteit van de goudgroene natuurzone wordt wel ondersteund. De bronsgroene landschapszone omvat de landschappelijk waardevolle elementen rondom bestaande natuurgebieden. Echter, de zilvergroene natuurzones en bronsgroene landschapszones maken wel onderdeel uit van het Provinciaal Natuurnetwerk.

Het plangebied maakt geen deel uit van het Natuurnetwerk. Het plangebied ligt echter wel in de nabijheid van een deel van de goudgroene natuurzone, behorend tot het Natuurnetwerk Nederland. De meest nabijgelegen goudgroene natuurzone bevindt zich circa 450 meter ten (zuid)oosten van het plangebied. In onderstaand figuur is de ligging van het plangebied ten opzichte van het Natuurnetwerk Nederland weergegeven.

Ligging plangebied ten opzichte van Natuurnetwerk Nederland Het plangebied ligt op circa 450 meter afstand van een onderdeel van het Natuurnetwerk. Door de voorgenomen plannen binnen het plangebied zullen de wezenlijke kenmerken en waarden van het Natuurnetwerk Nederland niet worden aangetast. Vervolgonderzoek in het kader van het Natuurnetwerk wordt niet noodzakelijk geacht.

36

bestemmingsplan Peelveldlaan 60 Swalmen

4.7.2 Houtopstanden De Wet natuurbescherming beschermt bos van minimaal 10 are en bomenrijen van minimaal 21 bomen, gelegen buiten de bebouwde kom (de zogenaamde 'houtopstanden'). Het is verboden deze houtopstanden geheel of gedeeltelijk te vellen zonder voorafgaande melding bij gedeputeerde staten. In deze paragraaf wordt beschreven of er bij de voorgenomen kap sprake is van meldingsplicht en herplantplicht conform artikel 4.2 en artikel 4.3 van de Wet natuurbescherming. Verder wordt beschreven of er vervolgmaatregelen getroffen dienen te worden ten behoeve van de voorgenomen houtkap. De gekapte en nog te kappen bomen binnen het plangebied vielen niet onder de definitie houtopstanden als bedoeld in paragraaf 4.1 van de Wet natuurbescherming. De houtopstand binnen het plangebied is gelegen binnen de bij besluit van gemeenteraad vastgestelde grenzen van de bebouwde kom. Voor deze houtopstand geldt daarom geen meldingsplicht en herplantplicht. Voor gekapte de bomen geldt dat deze herplant dienen te worden. Dit vindt elders plaats (perceelsgrens met sportcentrum en Oosttangent). Dit is middels een voorwaardelijke verplichting geregeld in dit bestemmingsplan. 4.7.3 Soortenbescherming De aanwezigheid van geschikt habitat binnen het plangebied voor de verschillende soorten en soortgroepen is weergegeven in onderstaande tabel.

In de tabel is samengevat of de voorgenomen ingreep mogelijk verstorend kan werken en wat de consequenties zijn voor eventuele vervolgstappen, zoals soortgericht nader onderzoek of vergunningtrajecten. In de tabel is weergegeven of maatregelen noodzakelijk zijn om overtreding van de Wet natuurbescherming voor bepaalde soortgroepen te voorkomen.

bestemmingsplan Peelveldlaan 60 Swalmen

37

Overzicht geschiktheid plangebied voor soortgroepen en te nemen vervolgstappen

Op basis van onderhavige quickscan dient voor uitvoering van de plannen duidelijkheid te worden verkregen over de eventuele functie van de bebouwing binnen het plangebied voor gebouwbewonende vleermuizen en huismus. Een aanvullend onderzoek naar de aan- of afwezigheid van vaste rust- en verblijfplaatsen van gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis en laatvlieger wordt noodzakelijk geacht conform het vleermuisprotocol 2021. Een aanvullend onderzoek naar nestlocaties van huismus wordt noodzakelijk geacht conform het Kennisdocument Huismus. Tevens heeft het plangebied potentieel een functie voor steenmarter. Voor steenmarter geldt in Limburg een vrijstellingsperiode van 15 augustus tot en met februari. Indien tijdens het aanvullend onderzoek naar vleermuizen indicaties voor de aanwezigheid van een vaste rust- en / of voortplantingsplaats van steenmarter worden aangetroffen, wordt geadviseerd om in deze vrijstellingsperiode te werken om overtreding van de Wet natuurbescherming te voorkomen. Voor beschermde soorten behorend tot de overige soortgroepen zijn overtredingen ten aanzien van de Wet natuurbescherming vanwege het ontbreken van geschikt habitat, het ontbreken van sporen en / of vanwege een vrijstelling bij ruimtelijke ontwikkeling niet aan de orde.

Wel dient rekening gehouden te worden met de algemene zorgplicht voor zoogdieren, amfibieën en een mogelijk incidenteel voorkomende hazelworm. 4.7.4 Aanvullend ecologisch onderzoek Naar aanleiding van de resultaten en conclusies van de quickscan flora en fauna is aanvullende ecologisch onderzoek uitgevoerd naar verblijfplaatsen van de huismus en gebouwbewonende vleermuizen. De resultaten van het aanvullend ecologisch onderzoek zijn in deze paragraaf beschreven. Het aanvullend ecologisch onderzoek is tevens als Bijlage 5 bij de toelichting van dit bestemmingsplan toegevoegd. Resultaten huismus Tijdens geen van de veldbezoeken zijn roepende huismusmannetjes aangetroffen binnen het plangebied. Tevens zijn geen andere indicaties aangetroffen voor de aanwezigheid van een nestlocatie van huismus, bijvoorbeeld middels invliegende huismussen en/of aanvliegende huismussen met nestmateriaal in de bek. In de directe omgeving zijn tevens geen roepende mannetjes aangetroffen. In het te verwijderen groen zijn ten tijde van de veldbezoeken geen (roepende) huismussen aangetroffen. Daarmee kan geconcludeerd worden dat deze geen essentiële functie hebben voor in de omgeving verblijvende huismussen. Resultaten steenmarter Tijdens geen van de veldbezoeken zijn sporen van de steenmarter aangetroffen, bijvoorbeeld in de vorm van uitwerpselen, prooiresten en/of zichtwaarnemingen van individuen.

Bij intensief gebruik van een locatie door deze soort zijn dergelijke sporen vrij eenvoudig aan te treffen. Gelet op het ontbreken hiervan kan worden gesteld dat de locatie niet in gebruik is door de steenmarter. Een vaste rust- en/of voortplantingsplaats van steenmarter kan op de locatie dan ook worden uitgesloten. Resultaten gebouwbewonende vleermuizen Gedurende het vleermuisonderzoek is één kraamverblijfplaats met circa 22 individuen van de gewone dwergvleermuis vastgesteld aan de voorzijde van de bebouwing onder de golfplaten boven de ramen, aan de top van de voorgevel. Ook zijn er twee paarverblijfplaatsen van de gewone dwergvleermuis vastgesteld aan de noordelijke- en zuidelijke voorzijde van het pand. Gedurende alle rondes zijn er foeragerende en passerende gewone dwergvleermuizen en laatvliegers waargenomen rond de locatie, tijdens één van de rondes zijn tevens passerende rosse vleermuizen waargenomen, met name aan de westzijde en zuid(oost)zijde van de onderzoekslocatie. Conclusie

38

bestemmingsplan Peelveldlaan 60 Swalmen

Met betrekking tot de voorgenomen plannen ter plaatse van de locatie is er sprake van opzettelijke beschadiging, vernieling en/of verstoring van één kraamverblijfplaats en twee paarver-blijfplaatsen en (milde) winterverblijfplaatsen van de gewone dwergvleermuis. Bij uitvoering van de sloop is er dan ook sprake van overtreding van de Wet natuurbescherming. Ten behoeve van de uitvoering dient een ontheffing te worden aangevraagd bij de Provincie Limburg voor het opzettelijk beschadigen, vernielen en verstoren van één kraamverblijfplaats en twee zomer- en (milde) winterverblijfplaatsen van de gewone dwergvleermuis (artikel 3.5, lid 2 en lid 4). Daarnaast zal door het treffen van maatregelen de functionaliteit van de vaste rust- en voortplantingsplaatsen behouden moeten blijven en schade aan individuen moeten worden voorkomen. De maatregelen dienen ter onderbouwing van de ontheffingsaanvraag te worden vastgelegd in een activiteitenplan. Inmiddels is de ontheffing verleent, zijn de noodzakelijke maatregelen getroffen en is de bebouwing gesloopt waardoor het plangebied bouwrijp is gemaakt.

4.8

Water

Water vormt een steeds belangrijker aspect bij ontwikkelingen op onder meer het gebied van woningbouw en bedrijventerreinen. Belangrijke thema’s zijn: het vasthouden in plaats van direct afvoeren van hemelwater, het hergebruik van water, het zuinig omgaan met drinkwater en het beperken van de onttrekking van grondwater. Het is dan ook verplicht om bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen in de toelichting c.q. ruimtelijke onderbouwing aan te geven op welke wijze rekening is gehouden met de gevolgen van het plan voor de waterhuishouding. Deze verantwoording wordt ook wel de waterparagraaf genoemd. Deze paragraaf kan als waterparagraaf worden beschouwd. 4.8.1 Nationaal Waterplan 2016-2021 Het Nationaal Waterplan 2016-2021 is de opvolger van het Nationaal Waterplan 2009-2015 en vervangt dit plan én de partiële herzieningen hiervan (Wind op Zee buiten 12 nautische mijl en verankering rijksbeleid Deltabeslissingen). Op basis van de Waterwet is het Nationaal Waterplan voor de ruimtelijke aspecten tevens een structuurvisie. Het NWP is zelfbindend voor het Rijk. Het Rijk is in Nederland verantwoordelijk voor het hoofdwatersysteem. In het Nationaal Waterplan legt het Rijk onder meer de strategische doelen voor het waterbeheer vast.

Vanuit de verantwoordelijkheid voor het watersysteem verankert het Rijk de volgende principes: Integraal waterbeheer: Het kabinet houdt vast aan een integrale aanpak van de wateropgaven, door opgaven op het gebied van waterkwantiteit (waterveiligheid en wateroverlast), waterkwaliteit en gebruik van (zoet) water in natte en droge situaties in samenhang te beschouwen. Afwenteling voorkomen: Het kabinet wil voorkomen dat waterkwantiteits- en waterkwaliteitsproblemen worden afgewenteld in de ruimte en de tijd, zoals het afwentelen van bovenstrooms veroorzaakte waterkwaliteitsproblemen op benedenstrooms gelegen wateren. Om afwenteling te voorkomen, maken beheerders onderling afspraken over acceptabele hoeveelheden en de kwaliteit van het te ontvangen water. Om afwenteling te voorkomen gelden ook de volgende tritsen: 1. vasthouden-bergen-afvoeren 2. schoonhouden-scheiden-schoonmaken Ruimte en water verbinden: Bij de aanpak van wateropgaven en de uitvoering van maatregelen vindt vooraf afstemming plaats met de andere relevante ruimtelijke opgaven en maatregelen in het gebied. Het doel is dat de scope, programmering en financiering zo veel mogelijk op elkaar aansluiten of elkaar versterken. Met deze aanpak is het vaak mogelijk het waterbeheer te verbeteren en tegelijk de economie en de leefomgeving te versterken tegen lagere kosten.

bestemmingsplan Peelveldlaan 60 Swalmen

39

4.8.2 Waterschap Limburg Vanaf 1 november 2003 zijn de overheden wettelijk verplicht om alle ruimtelijke plannen, die van invloed zijn op de waterhuishouding, voor advies voor te leggen aan de waterbeheerders. Tot juli 2004 kwam het voor dat voor de watertoets verschillende waterbeheerders (waterschapsbedrijf, waterschap, provincie en Rijkswaterstaat) apart moesten worden benaderd. Die gaven dan afzonderlijke wateradviezen. Dat zorgde voor veel onduidelijkheid en papieren rompslomp. Daarom hebben de Limburgse waterbeheerders afgesproken om alle aanvragen in het hun betreffende gebied af te handelen via één loket: het zogenaamde watertoetsloket. Het loket is ondergebracht bij het waterschap. Niet alle ruimtelijke plannen behoeven de watertoets te doorlopen. Daartoe heeft het waterschap een stroomschema, met daarbij behorende notitie ondergrens, opgesteld waaruit het toepassingsbereik van de watertoets blijkt. Ook zijn per gemeente waterkaarten opgesteld waaruit de verschillende waterbelangen op een bepaalde locatie zijn af te lezen. Aan de hand van het ‘meldformulier watertoets’ kunnen (ruimtelijke) plannen vervolgens voor advies worden voorgelegd aan het betreffende waterschap. 4.8.3 Gevolg planvoornemen Het plangebied is gelegen binnen het werkgebied van het Waterschap Limburg.

Volgens het Waterschap Limburg hoeven kleine ruimtelijke plannen niet meer voor een wateradvies naar het watertoetsloket. Hiervoor is een bovengrens ingesteld van 1.000 m² nieuw bebouwd oppervlak, mits het plangebied niet binnen een (door het Waterschap aangegeven) speciaal aandachtsgebied valt. Onderhavig planvoornemen ziet toe op de transformatie van een voormalige schoolocatie naar één of meerdere bedrijfskavels. De voormalige schoollocatie is vrijwel geheel verhard c.q. bebouwd. In het kader van de transformatie vindt sloop van de voormalige schoolbebouwing plaats en wordt het plangebied ten behoeve van de toekomstige bedrijviheid heringericht. Gezien nog niet bekend is welke bedrijven zich binnen het plangebied zullen vestigen, is de exacte invulling van het plangebied nog onbekend. Echter, gezien het feit dat in de huidige situatie het plangebied vrijwel geheel verhard c.q. bebouwd is, wordt redelijkerwijs geconcludeerd dat de toename van nieuw bebouwd oppervlak minder dan 1.000 m2 bedraagt. Derhalve is geen wateradvies noodzakelijk. Waterschap Limburg hanteert zowel een voorkeursvolgorde voor waterkwaliteit (schoonhouden, scheiden, zuiveren) als voor waterkwantiteit (hergebruik water, vasthouden in de bodem (infiltratie), tijdelijk bergen, afvoeren naar oppervlaktewater, afvoeren naar gemengd of DWA-riool).

In aansluiting op het landelijk beleid hanteert Waterschap Limburg het beleid dat bij nieuwe plannen altijd onderzocht behoort te worden hoe omgegaan kan worden met het schone hemelwater. Hierbij worden de afwegingsstappen “hergebruik – infiltratie – buffering – afvoer” (afgeleid van de trits “vasthouden – bergen – afvoeren” doorlopen. Bij nieuwbouw wordt in eerste instantie gekozen voor het niet aansluiten van hemelwater op het rioolwaterstelsel. Het afval- en hemelwater dienen in de mate van het mogelijke gescheiden van elkaar gehouden te worden. In onderhavig geval zal het afval- en hemelwater ten gevolge van de bedrijfskavels c.q. bedrijfsbebouwing gescheiden worden aangeboden aan het bestaande gemengde riool nabij het plangebied. Er worden geen knelpunten verwacht voor aansluiting op het bestaande riool aangezien het voormalige scholencomplex reeds hierop aangesloten was. De aanleghoogtes van het systeem dienen nader bepaald te worden in overleg met de gemeente. Door het afval- en hemelwater gescheiden aan te bieden aan het gemengde riool wordt vast voorgesorteerd op de mogelijkheid dat in de toekomst het gemengde riool wordt vervangen door een gescheiden stelsel. In dat geval zijn de bedrijfskavels c.q. bedrijfsbebouwing reeds in staat het afval- en hemelwater gescheiden aan te bieden.

Voor wat betreft hemelwaterberging geldt het uitgangspunt dat 'nieuw' verhard oppervlak (daken en verharding) niet meer op het gemengd rioolstelsel mag worden aangesloten, maar dat het hemelwater volledig afgekoppeld moet worden. In de 'Verordening afvoer hemel- en grondwater' van de gemeente Roermond is bepaalde dat voor een inbreidingslocatie, met een oppervlak van meer dan 1.000 m2 , de

40

bestemmingsplan Peelveldlaan 60 Swalmen

minimale capaciteit van de hemelwaterberging voldoende moet zijn voor een bui van 100 l per m2 per 24 uur over het nieuw verhard oppervlak, waarvan 80 l per m2 in 2 uur. Het uitgangspunt daarbij is verwerking op eigen terrein. Uitgaande van een plangebied ter grootte van ca. 1,2 ha. dat volledig kan worden verhard, wordt de bergingsopgave t.b.v. een bui van 100 mm in 24 uur ingeschat op 1.200 m3 . Om inzichtelijk te maken of hemelwaterberging binnen het plangebied tot de mogelijkheden behoort, is door Econsultancy middels een geohydrologisch onderzoek (d.d. 3 december 2020, rapportnr. 11816.004, zie ook Bijlage 6) onderzocht of de bodem binnen het plangebied geschikt is voor infiltratie van hemelwater. Op basis van het geohydrologisch onderzoek wordt geconcludeerd dat de doorlatendheid van de bodem over het algemeen geclassificeerd wordt als goed tot zeer goed doorlatend, waarbij k-waarden van 2,2 - >10 m/dag zijn aangetoond. Op basis van de resultaten uit het waterdoorlatendheidsonderzoek wordt de bodem binnen het plangebied, mede op basis van de textuur, geschikt geacht voor de infiltratie van hemelwater. Geadviseerd wordt om voor het dimensioneren van de infiltratievoorzieningen een rekenwaarde te hanteren van maximaal 1,5 m/dag. Als rekenwaarde geldt het gemiddelde van alle metingen vermenigvuldigd met een veiligheidsfactor van 0,5.

Hierbij is rekening gehouden met de sterk siltige bijmengingen en de aanwezigheid van brokken leem en gleyverschijnselen in de ondergrond. Conclusie Geconcludeerd wordt dat ten aanzien van het aspect water geen belemmeringen worden verwacht. Op basis van de omvang van het plangebied en het geohydrologisch onderzoek wordt geconcludeerd dat hemelwaterinfiltratie binnen het plangebied mogelijk is. Gedacht kan worden aan waterhuishoudkundige voorzieningen als sedum dak, infiltratiekratten, wadi's. Geadviseerd wordt bij verdere planuitwerking ter plaatse van een beoogde infiltratievoorziening nader onderzoek te doen naar de meest geschikte diepte en in welke bodemlaag de beste mogelijkheden liggen voor de toepassing van hemelwaterinfiltratie.

4.9

Archeologie en cultuurhistorie

4.9.1 Archeologie Als wettelijk toetsingskader in Europees verband is het zogenaamde 'Verdrag van Malta' tot stand gekomen. Uitgangspunt van dit verdrag is het archeologisch erfgoed zo veel mogelijk te behouden. Waar dit niet mogelijk is, dient het bodemarchief met zorg ontsloten te worden. Bij het ontwikkelen van ruimtelijk beleid moet het archeologisch belang vanaf het begin meewegen in de besluitvorming. Sinds 1 september 2007 is de Wet op de Archeologische Monumentenzorg (Wamz) in werking getreden. Deze wet is de Nederlandse uitwerking van het Verdrag van Malta uit 1992. De Wamz is in zijn geheel opgenomen in de Monumentenwet 1988 (Mw art. 38 t/m 60). In de Wamz is vastgelegd dat Rijk, provincies en gemeenten in ruimtelijke plannen rekening houden met het aspect 'archeologie'. De wet beoogt het archeologische erfgoed in hoofdzaak in situ te beschermen. Het plangebied kent een dubbelbestemming 'Waarde – Archeologie'. Op basis van deze bestemming geldt dat bodemverstorende ingrepen binnen de bebouwde kom kleiner dan 1.000 m2 en niet gelegen binnen 50 meter van een beschermd archeologisch monument zijn toegestaan. Ook geldt dat bodemverstorende ingrepen zijn toegestaan indien deze plaatsvinden ter plaatse van een evident eerder verstoorde bodem. Gevolg planvoornemen Het plangebied is in het verleden in gebruik geweest als schoollocatie.

De bodem binnen het plangebied is reeds evident verstoord ten gevolge van de eerdere realisatie van de schoolbebouwing en de inrichting van het schoolterrein. De bodemverstorende ingrepen die met dit plan zijn beoogd zijn weliswaarder groter dan 1.000 m2 , maar vinden ter plaatse van een reeds evident verstoorde bodem plaats. In het kader van zorgvuldigheid en op advies van de gemeente Roermond is toch een archeologisch onderzoek (d.d. 8 augustus

bestemmingsplan Peelveldlaan 60 Swalmen

41

2023 rapportnummer 19598.001) uitgevoerd. Dit archeologisch onderzoek is als Bijlage 7 bij deze toelichting toegevoegd. Uit dit archeologisch onderzoek is gebleken dat gezien de archeologische verwachting binnen het plangebied vervolgonderzoek noodzakelijkis om deze te toetsen. Aangezien verwacht wordt dat alleen een sporenniveau zonder vondstlaag aanwezig is is in dit stadium de meest geschikte onderzoeksmethode een karterend en waarderend proefsleuvenonderzoek. Bij een proefsleuvenonderzoek dienen verspreid over het plangebied sleuven gegraven te worden met als doel om eventuele archeologische waarden te karteren en waarderen. Voor dit onderzoek dient een door de bevoegde overheid goedgekeurd Programma van Eisen te zijn opgesteld waarin is vastgelegd waaraan het onderzoek moet voldoen. Echter uit het veldonderzoek is gebleken dat het bodemprofiel van het plangebied tot in de top van de Maasterrasafzettingen is verstoord tot een diepte van 1,20 tot 1,50 meter minus maaiveld. Om het planvoornemen te realiseren zullen de bodemverstorende ingrepen zich beperken tot een diepte van maximaal 1,20 meter. In de regels is dan ook bepaald dat ondergronds bouwen niet is toegestaan en de diepte van de bouwputten of fundering voor de realisatie van de bedrijfsgebouwen of de aanleg van verhardingen dan wel hemelwatervoorzieningen niet meer mag bedragen dan 1,20 meter minus maaiveld.

Het aspect 'archeologie' vormt geen belemmering voor onderhavig planvoornemen. 4.9.2 Cultuurhistorie Vanaf 1 januari 2012 dient in ruimtelijke plannen rekening te worden gehouden met cultuurhistorie. Dit is een wijziging van het Besluit ruimtelijke ordening en maakt onderdeel uit van de modernisering van de monumentenzorg. Binnen het plangebied is de bebouwing van een voormalige schoollocatie gelegen. De bebouwing dateert uit de jaren '70 van de vorige eeuw en wordt niet als cultuurhistorisch waardevol aangemerkt. Op basis van de cultuurhistorische waardenkaart van de Provincie Limburg wordt geconcludeerd dat er zich geen cultuurhistorisch waardevolle elementen binnen het plangebied bevinden. Het aspect 'cultuurhistorie' vormt geen belemmering voor het planvoornemen.

4.10

Vormvrije m.e.r.-beoordeling

In bijlage C en D van het Besluit milieueffectrapportage (Besluit m.e.r.) is aangegeven welke activiteiten in het kader van het bestemmingsplan planMER-plichtig, projectMER-plichtig of m.e.r.-beoordelingsplichtig zijn. Voor deze activiteiten zijn in het Besluit m.e.r. drempelwaarden opgenomen. Daarnaast moet het bevoegd gezag bij activiteiten die voorkomen in één van de opgenomen categorieën, maar niet de omvang hebben van de bijbehorende drempelwaarden, nagaan of sprake kan zijn van belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu, gelet op de omstandigheden als bedoeld in bijlage III van de EEG-richtlijn milieueffectbeoordeling. Deze omstandigheden betreffen: de kenmerken van de projecten; de plaats van de projecten; de kenmerken van de potentiële effecten. Het bestemmingsplan ten behoeve van de beoogde herontwikkeling van het plangebied tot bedrijventerrein is m.e.r.-beoordelingsplichtig. Deze activiteit is opgenomen in onderdeel D, categorie 11.2 van de bijlage bij het Besluit m.e.r. Voor het bestemmingsplan is dan ook een aanmeldnotitie ten behoeve van de m.e.r.-beoordeling opgesteld en ingediend bij het bevoegd gezag. Deze aanmeldnotitie doorloopt, voorafgaand aan het bestemmingsplan, een separate procedure. Op basis van de aanmeldnotitie heeft het bevoegd gezag (de gemeente) besloten dat er geen aanleiding of noodzaak is om een m.e.r.-procedure te doorlopen.

De aanmeldnotitie is als Bijlage 8 opgenomen bij dit bestemmingsplan.

42

bestemmingsplan Peelveldlaan 60 Swalmen

Hoofdstuk 5 5.1

Juridische aspecten

Inleiding

In een bestemmingsplan zijn de bouw- en gebruiksmogelijkheden voor een bepaald gebied opgenomen. Het onderhavige bestemmingsplan regelt de inrichting van het gebied op hoofdlijnen door voor de gronden bestemmingen aan te wijzen. Het juridische deel van het bestemmingsplan bestaat uit de verbeelding (kaart) in samenhang met de regels. In deze paragraaf wordt het juridische deel van het bestemmingsplan nader toegelicht.

5.2

Uitgangspunten

5.2.1 Wettelijk kader Het wettelijk kader wordt sinds 1 juli 2008 gevormd door de Wet ruimtelijke ordening (Wro). De wettelijke regeling voor bestemmingsplannen is vervolgens verder ingevuld door het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) en de Regeling standaarden ruimtelijke ordening 2012. Het bestemmingsplan dient te voldoen aan de als bijlage bij de voornoemde Regeling opgenomen Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen 2012 (SVBP2012). Dit betekent dat bestemmingsplannen kwalitatief gelijkwaardig zijn en uniform in aanpak, uitvoering, uitwisseling van gegevens en raadpleging daarvan. 5.2.2

Planonderdelen

Onderhavig bestemmingsplan bestaat uit een verbeelding, de regels en een toelichting. De verbeelding en de regels tezamen vormen het juridisch bindende deel van het plan. Verbeelding en regels dienen te allen tijde in onderlinge samenhang te worden opgenomen en toegepast. Op de verbeelding krijgen alle gronden binnen het plangebied een bestemming. Binnen een bestemming kunnen nadere aanduidingen zijn aangegeven. De juridische betekenis van deze bestemmingen en aanduidingen zijn terug te vinden in de regels. Een gedeelte van de informatie op de analoge verbeelding heeft geen juridische betekenis, maar is slechts opgenomen om de leesbaarheid van en oriëntatie op de verbeelding te vergroten, zoals een BGT/DKK ondergrond. Alle letters, aanduidingen en lijnen worden verklaard in de legenda op de verbeelding. Bij eventuele verschillen tussen de digitale en analoge verbeelding is de digitale verbeelding juridisch bindend. De regels bepalen de gebruiksmogelijkheden van de gronden binnen het plangebied en geven tevens de gebruiks- en bouwmogelijkheden met betrekking tot bouwwerken aan. De regels van het bestemmingsplan zijn opgebouwd conform de door het SVBP2012 voorgeschreven systematiek en gebaseerd op de regels uit het vigerende bestemmingsplan 'Kern Swalmen' (inclusief herziening).

De regels omvatten inleidende regels, bestemmingsregels, algemene regels en ten slotte de overgangs- en slotregels.

bestemmingsplan Peelveldlaan 60 Swalmen

43

5.3

Toelichting op de planregels

5.3.1 Inleidende regels In de begripsbepalingen worden omschrijvingen gegeven van de in het bestemmingsplan gebruikte begrippen. Deze zijn opgenomen om onduidelijkheid door interpretatieverschillen te voorkomen. Er zijn alleen begripsbepalingen opgenomen die gebruikt worden in de regels en die tot verwarring kunnen leiden of voor meerdere uitleg vatbaar zijn. Een gedeelte van de begrippen is omschreven in het SVBP en dient letterlijk daaruit te worden overgenomen. Deze begrippen en de voorgeschreven omschrijvingen zijn overgenomen. Ook over de bepaling van afstanden, hoogtes en oppervlaktes kunnen interpretatieverschillen ontstaan. Om op een eenduidige manier afstanden, hoogtes en oppervlakten te bepalen, wordt in de 'wijze van meten' uitleg gegeven wat onder de diverse begrippen wordt verstaan. Ten aanzien van de wijze van meten op de verbeelding geldt steeds dat het hart van een lijn moet worden aangehouden. Ook voor de wijze van meten worden in de SVBP2012 regels gegeven, welke in het plan letterlijk zijn overgenomen. 5.3.2 Bestemmingsregels Per bestemming, die op de verbeelding wordt gebruikt, worden gebruiks- en bouwregels opgenomen.

De opbouw van de bestemmingen ziet er in beginsel als volgt uit: Bestemmingsomschrijving; Bouwregels; Nadere eisen; Afwijken van de bouwregels; Specifieke gebruiksregels; Afwijken van de gebruiksregels; Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, of werkzaamheden; Omgevingsvergunning voor het slopen van een bouwwerk; Wijzigingsbevoegdheid; Niet alle onderdelen komen bij elke bestemming voor. Van de meest gebruikte onderdelen volgt hieronder een korte toelichting. Bestemmingsomschrijving In de bestemmingsomschrijving wordt een omschrijving gegeven van de aan de gronden toegekende functie(s). De hoofdfunctie(s) worden als eerste genoemd. Indien van toepassing worden ook de aan de hoofdfunctie ondergeschikte functies genoemd. De ondergeschiktheid kan worden aangegeven door de woorden 'met daaraan ondergeschikt'. De ondergeschikte functies staan ten dienste van de hoofdfunctie binnen de betreffende bestemming. Bouwregels In de bouwregels is bepaald welke bouwwerken mogen worden opgericht, waarbij in ieder geval een onderscheid wordt gemaakt tussen de regeling van gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde en daar waar van toepassing ook tussen hoofdgebouwen en bijgebouwen.

Voorts bevatten de bouwregels, voor zover van toepassing, minimale en maximale maatvoeringen voor de diverse bouwwerken zoals goothoogtes, bouwhoogtes, oppervlaktes en dakhellingen. Afwijken van de bouwregels Door het opnemen van afwijkingsbevoegdheden wordt flexibiliteit in bestemmingsregels gecreëerd door mogelijkheden te bieden om in beperkte mate af te wijken van de algemeen toegestane bouwregelingen. Deze

44

bestemmingsplan Peelveldlaan 60 Swalmen

bevoegdheden zijn niet bedoeld voor afwijkingen van de bouwregels, waarvan de verwachting is, dat ze veelal kunnen worden verleend. In dat geval zijn de bouwregels hierop aangepast. Voor elke afwijking is aangegeven waarvan een omgevingsvergunning voor het afwijken van de bouwregels wordt verleend, de maximale afwijking die met de omgevingsvergunning kan worden toegestaan en meestal de situaties of voorwaarden waaronder een omgevingsvergunning wordt verleend. Het gaat hier om afwijkingsbevoegdheden voor specifieke bestemmingen. Indien afwijkingsbevoegdheden gelden voor meerdere bestemmingen dan wel een algemene strekking hebben, zijn ze opgenomen in hoofdstuk 3 van de regels (zijnde algemene regels). Specifieke gebruiksregels Met de inwerkingtreding van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht is artikel 7.10 Wet ruimtelijke ordening vervallen. In dit artikel was het verbod opgenomen om gronden te gebruiken op een manier die in strijd is met het bestemmingsplan. Derhalve moeten in de specifieke gebruiksregels bepaalde functies concreet worden genoemd als zijnde verboden gebruik. Ook het laten gebruiken moet specifiek worden genoemd. Afwijken van de gebruiksregels Door middel van een omgevingsvergunning voor het afwijken van de gebruiksregels kan van de gebruiksregels in het plan worden afgeweken ten behoeve van een concrete vorm van grondgebruik.

Dit mag echter niet leiden tot een feitelijke wijziging van de bestemming. Dat wil zeggen dat wel kan worden afgeweken van de gebruiksregels ten behoeve van functies die inherent zijn aan de in de bestemmingsomschrijving opgenomen functies, maar dat via het afwijken geen 'nieuwe' functies kunnen worden toegestaan. Het afwijken van de gebruiksregels dient te zien op kleinere, planologisch minder ingrijpende onderwerpen. Functiewijzigingen en grotere, ruimtelijke ingrepen dienen te worden geregeld via een wijzigingsbevoegdheid of een afzonderlijke bestemmingsplanherziening. Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen gebouwen zijnde, of werkzaamheden Met een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, of werkzaamheden kunnen specifieke inrichtingsactiviteiten aan een werk of werkzaamheid worden verbonden. Onder deze inrichtingsactiviteiten valt niet het bouwen en het gebruiken. Een vergunningenstelsel wordt opgenomen om extra bescherming aan een specifieke waarde van de bestemming te bieden, zoals landschappelijke of natuurlijke waarden, ecologische waarden of de groen- en/of waterstructuur. Een vergunningenstelsel kan in specifieke en bijzondere situaties worden opgenomen in verband met bijvoorbeeld het verwijderen van waardevolle boombeplanting.

5.4

Toelichting op bestemmingen

5.4.1 Bestemming Bedrijventerrein Ten behoeve van de bedrijfskavel(s) is de bestemming 'Bedrijventerrein' opgenomen. Ter plaatse van de bestemming 'Bedrijventerrein' zijn bedrijven uit de categorieën 2 en 3.1 toegestaan. Binnen deze bestemming zijn, onder andere vanwege de gewenste flexibiliteit, ook de openbare groenvoorzieningen, verkeersvoorzieningen, parkeervoorzieningen en waterhuishoudkundige voorzieningen opgenomen.

bestemmingsplan Peelveldlaan 60 Swalmen

45

5.5

Algemene regels

5.5.1 Anti-dubbeltelregeling Overeenkomstig het Besluit ruimtelijke ordening is de anti-dubbeltelregel opgenomen. Deze regel wordt opgenomen om bijvoorbeeld te voorkomen dat, wanneer volgens een bestemmingsplan bepaalde bouwwerken niet meer dan een bepaald deel of een bepaalde oppervlakte van een bouwperceel mogen beslaan, het resterende onbebouwde terrein ook nog eens meetelt bij het toestaan van een ander gebouw of bouwwerk, waaraan een soortgelijke eis wordt gesteld. 5.5.2 Algemene bouwregels Voor het hele plangebied, en dus alle bestemmingen, gelden eveneens een aantal algemene bouwregels. Deze zijn dus niet opgenomen in de afzonderlijke bestemmingen. 5.5.3 Algemene afwijkingsregels Behalve de specifieke afwijkingsregels, opgenomen binnen de bestemmingsregels, kent het plan ook een aantal algemene afwijkingsmogelijkheden. Deze bevoegdheden hebben als doel om flexibel te kunnen inspelen op afwijkingen en overschrijdingen van beperkte aard of omvang. 5.5.4 Algemene gebruiksregels De algemene gebruiksregels betreffen het strijdig gebruik. 5.5.5 Algemene wijzigingsregels De specifieke en algemene wijzigingsbevoegdheden hebben als doel het bestemmingsplan van flexibiliteit te voorzien.

Via gedeeltelijke planwijziging, zoals bedoeld in artikel 3.6 van de Wet ruimtelijke ordening, kan worden besloten tot wijziging van het plan, zonder dat daarvoor een normale (integrale) herziening van het bestemmingsplan noodzakelijk is. 5.5.6 Algemene procedureregels De procedureregels zijn opgenomen voor de in het plan geregelde afwijkingen, omgevingsvergunning voo rhet uitvoeren van werken of werkzaamheden en nadere eisen. De procedure ten aanzien van wijzigingsbevoegdheden is in de Wro beschreven.

5.6

Overgangs- en slotregels

5.6.1 Overgangsrecht In deze regels wordt het overgangsrecht, zoals voorgeschreven in het Besluit ruimtelijke ordening, overgenomen. 5.6.2 Slotregel Als laatste wordt de slotregel opgenomen, ook zoals voorgeschreven in het Besluit ruimtelijke ordening. Deze regel schrijft voor hoe het plan kan worden aangehaald.

46

bestemmingsplan Peelveldlaan 60 Swalmen

Hoofdstuk 6 6.1

Haalbaarheid

Inleiding

Naast het toetsen van een bestemmingsplan aan diverse omgevingsaspecten, dient het bestemmingsplan ook getoetst te worden aan de uitvoerbaarheid van het plan. Hierbij wordt gekeken naar de economische en maatschappelijke uitvoerbaarheid.

6.2

Economische uitvoerbaarheid

Het betreft hier een private ontwikkeling waarbij het risico geheel gedragen wordt door de initiatiefnemer. Dit wordt geregeld door middel van een anterieure overeenkomst tussen de gemeente Roermond en de initiatiefnemer. In deze overeenkomst worden de principes op basis waarvan de bedrijfskavel(s) worden gerealiseerd en de afwenteling van eventuele planschadeclaims geregeld. Voor de gemeente zelf zijn er geen kosten verbonden aan de verwezenlijking van het plan. Op grond van het voorgaande kan worden geconcludeerd dat de economische en financiële uitvoerbaarheid van het project voldoende is gegarandeerd.

6.3

Maatschappelijke uitvoerbaarheid

Dit planvoornemen voorziet ter plaatse van de Peelveldlaan 60 te Swalmen in een kwaliteitsverbetering door een verloederd c.q. verpauperd schoolcomplex te slopen en hier één of meerdere bedrijfskavels op te richten. De gebruiksmogelijkheden voor de bedrijfskavels zijn afgestemd op de omliggende woningen: er worden binnen het plangebied enkel bedrijfsactiviteiten van ten hoogste de milieucategorie 2 toegestaan (bedrijfsactiviteiten in de milieucategorie 3.1 kunnen middels een afwijkingsbevoegdheid ook worden toegestaan, mits dit niet tot nadelige milieugevolgen voor de omgeving leidt), waardoor de bijbehorende grootste richtafstand tussen de bestaande woningen en te realiseren bedrijfskavel(s) (zijnde 30 meter) blijft gehandhaafd. Het woon- en leefklimaat binnen en rondom het plangebied blijft hiermee gehandhaafd. Het bestemmingsplan wordt conform de gebruikelijke procedure gedurende zes weken ter inzage gelegd. Tijdens de periode van ter inzage legging kunnen bewoners, bedrijven, dorps- en stadsraden en andere geïnteresseerden of belanghebbenden reageren op het plan. In dezelfde periode is ook overleg gevoerd met andere overheden over het plan. De resultaten van de ter inzage legging kunnen leiden tot aanpassingen, verbeteringen of wijzigingen van het plan.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Roermond&id=a3f37e82-d8d9-437a-973f-e3651bde2e9c