CConstaterende datRoermond
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 2a (Nieuw) - Toelichting op het bestemmingsplan Melickerveld 2022 (digitaal ter inzage) (oud)

Gemeenteraad 17 februari 2022, gemeente RoermondBij agendapunt: Vaststelling bestemmingsplan Melickerveld 202229.978 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 4

Hieronder worden de conclusies ten aanzien van LDV kort samengevat weergegeven. LDV Melickerveld Het plangebied grenst aan bestaand stedelijk bebouwd gebied en is al omsloten door de stedelijke ontsluitingsstructuur van Roermond (N293, Heinsbergerweg en de Ratommerweg/Eindstraat) en de bebouwing van Roermond en de kern Melick. Het wordt ook voor openbaar vervoer ontsloten. Het ligt aan de stedelijke zijde van de N293 en de Heinsbergerweg en kan derhalve ruimtelijk gezien worden beschouwd als stedelijk gebied in ontwikkeling. Hoewel het gebied momenteel niet is gelegen in het bestaand stedelijk gebied volgens het POl2014, kan wel worden gesproken van een ligging aansluitend hieraan in een gebied dat voor stadsuitbreiding is aangemerkt. Sinds 1994 wordt de locatie al aangemerkt als potentieel woongebied. De locatie wordt bovendien beleidsmatig niet beschouwd als buitengebied, maar als ontwikkellocatie en uitbreidingslocatie voor woningbouw. In de Structuurvisie uit 2001 is het gebied aangemerkt als ontwikkelingslocatie. Daarnaast is het gebied in de Structuurvisie kwaliteitsbijdrage uit 2012 opgenomen als stedelijke ontwikkelingszone, gelegen binnen de grens stedelijke dynamiek. Binnen deze zone wordt stadsuitbreiding voorzien. Het plangebied maakt dus geen deel uit van het buitengebied, maar van het deel van het stedelijk gebied dat voor stadsuitbreiding is bedoeld.

In de Structuurvisie wonen, woonomgeving en zorg uit 2014 is Melickerveld gerekend tot het stedelijk gebied van Roermond. Projectprofiel Melickerveld Kenmerken

62/176

Toelichting

Ligging

Vigerende bestemming

Beoogde bestemming (maximale invulling)

Overige aspecten

Aan de zuidrand van het stedelijk gebied van Roermond tussen Roermond en het dorp Melick. Het betreft een ontwikkeling buiten bestaand stedelijk gebied. De locatie is op dit moment een agrarisch gebied van ongeveer 28 hectare met drie bestaande woningen. Aan de zuidzijde wordt het plangebied begrensd door de provinciale weg N293 en aan de westzijde door de Heinsbergerweg. Aan de noordrand sluit het plangebied aan op de woonwijk Kitskensberg. Aan de oostzijde tot slot scheidt de Ratommerweg de nieuwe woonwijk van de voetbalvelden, de speeltuin en het Industriepark Heide-Roerstreek. Het vigerende bestemmingsplan is ''Buitengebied Roerdal', vastgesteld op 3 juni 2009 door de gemeenteraad van Roermond. Het plangebied heeft hoofdzakelijk een agrarische bestemming en ook dienovereenkomstig in gebruik. Daarnaast zijn binnen het plangebied drie burgerwoningen opgenomen. Beoogde bestemming is woongebied, waarbinnen de woon- functie binnen het plan wordt toegestaan, naast verkeer en verblijf en groenvoorzieningen. Wonen: maximaal 468 woningen, met een mix in typologie (vrijstaand, rijenwoningen, levensloopbestendige wonen, appartementen, twee-aan-een woningen) en eigendomsvormen (koop en vrije sector huur).

Melickerveld wordt ontwikkeld als een woongebied in een natuurlijke setting, waarbij de woonmilieus afgestemd zijn op de verschillende landschappelijke-stedenbouwkundige eenheden in het plan De maatvoering en specifieke invulling van de woonfuncties zijn passend binnen de verschillende woonmilieus in een stedelijke omgeving: qua aantal, maatvoering en zonder een hinderlijke functie voor de omgeving.

Het bestemmingsplan voor Melickerveld zal de bouw van maximaal 468 woningen in een planperiode van 10 jaar mogelijk maken binnen het door de gemeenteraad op 8 juli 2021 vastgestelde groene 'raamwerk stedenbouwkundig model Melickerveld'. De woningbouw zal organisch en stapsgewijs, gefaseerd gerealiseerd worden, met een mix van woningen qua typologieën en eigendomsvormen. In onderstaande tabel is een overzicht opgenomen, van de op dit moment beoogde woningbouwinvulling (verkavelingsschets) met woningen in een groene omgeving zoals opgenomen in vastgestelde raamwerk stedenbouwkundig model Melickerveld

Vrijstaande/ vrijstaand geschakelde woning AanExtra tal kenmerk

63/176

Woningbouwprogramma Melickerveld Totaal 468 – verdeling typologie woningen Twee-onderRijenwoning (= Nultreden een-kap aaneengebouwd) grondgebonden woning woning (twee-aan-een) Aan- tal Extra AanExtra AanExtra kenmerk tal kenmerk tal kenmerk

Appartementen met lift

Aantal

Extra kenmerk

85

78

Levensloopgeschikt

46

Sociale huur 125

Midden huur Koop

85

78

46 43 135

18%

17%

29%

45

125

45

27%

10%

Levensloopbestendig

Nadrukkelijk wordt beoogd bij iedere ontwikkelingsfase binnen Melickerveld ruimte te bieden voor diverse woningtypes: grondgebonden én gestapeld, van levensloop- bestendige woning tot vrijstaand huis, zowel huur als koop, op basis van de op dat moment aanwezige woonbehoefte. De ontwikkeling van Melickerveld kan, gelet op de ligging ten opzichte van het centrum van Roermond en de stedenbouwkundige opzet, gekarakteriseerd worden al een groen-stedelijk woonmilieu. De realisatie van het nieuwe woongebied Melickerveld met een gedifferentieerd woningbouwprogramma qua woningtypologieën in de combinatie van een groen-stedelijk en landelijk woonmilieu, met veel aandacht voor duurzaamheid en natuur-inclusief bouwen en ontwikkelen, voorziet in een behoefte die binnen het bestaand stedelijk gebied van Roermond niet verder in voldoende mate wordt aangeboden c.q. kan worden aangeboden in de omvang en mate zoals voorzien in Melickerveld. Er zijn onvoldoende binnenstedelijk gelegen locaties geschikt en beschikbaar om het in Melickerveld beoogde woonmilieu met een gedifferentieerd woningbouwprogramma te verwezenlijken. Ook zijn er geen herbenuttingsmogelijkheden in het stedelijk gebied aanwezig.

Woningbouw in Melickerveld is daarom noodzakelijk in aanvulling op bestaande plannen om te zorgen dat de gemeente Roermond een goed kwantitatief en kwalitatief woningaanbod kan blijven bieden aan haar bewoners aansluitend op de woonwensen en woonbehoefte. De ontwikkeling van het woongebied Melickerveld in Roermond biedt een passende oplossing voor de kwantitatieve en kwalitatieve behoefte aan woningen en de gespannen woningmarkt binnen het verzorgingsgebied Roermond, waarbij flexibel ingespeeld kan worden op wijzigingen in woningbehoefte en woonwensen gedurende de gefaseerde realisatie van het woongebied in de periode 2021-2030 alsmede de periode daarna gezien de behoefte tot 2043 binnen Roermond naar woningen in een woonmilieu 'groen-stedelijk'. 3.4.7 Groenstructuurplan In juni 2006 heeft de gemeenteraad het groenstructuurplan vastgesteld. Het Groen- structuurplan legt op hoofdlijnen beleid vast dat dient te zorgen voor bescherming, ontwikkeling en uitbreiding van groene waarden. Het geeft een lange termijnvisie over de wijze waarop groenvoorzieningen in samenhang met andere ruimtelijke functies vorm gegeven dienen te worden. Het groenstructuurplan richt zich daarbij onder andere op de volgende onderdelen: 1. kaartbeelden van de diverse wijken met een nadere beschrijving van de aanwezige groene waarden in die

64/176

wijken. Per wijk zijn de beschrijvingen voorzien van een korte analyse en relevante aanbevelingen gericht op handhaving, verbetering, uitbouw of omvorming; 2. nadere benoeming of beschrijving van de Groene Waarden die 'Mooi Roermond' bepalen. Groen leent zich bij uitstek om, in samenhang met de gebouwde omgeving in de stad of bij kenmerkende situaties in het landelijk gebied, identiteit te verlenen aan een plek. Omvang en soortenkeuze spelen hierbij een belangrijke rol. Het groen neemt daarbij wisselende vormen aan. Groen langs wegen heeft een andere vorm en functie dan het groen rondom een speelplek of in een plantenbak in het centrumgebied. Een andere belangrijke functie van het groen is de verbindende waarde of de mogelijkheid om structuren aan te brengen. Groen kan de samenhang van ruimtelijke onderdelen of functies bevorderen en daarmee zorgen voor structuur binnen de opeenvolging van groene waarden in het stedelijk gebied of in het omringende buitengebied. Beoordeling In het stedenbouwkundig en landschappelijk raamwerk voor Melickerveld is ruime aandacht voor enerzijds het behoud maar ook voor de versterking van groen. Het raamwerk gaat uit van duurzame en natuurinclusieve leefomgeving waarin woningbouw en landschap hand in hand gaan. Met meer aandacht voor groen, flora en fauna, biodiversiteit en ecologische waarden.

De beoogde inrichting van het toekomstige woningbouwlocatie Melickerveld met gevarieerde woonmilieus binnen een groen raamwerk past binnen de aanbevelingen van het groenstructuurplan. 3.4.8

Gemeentelijk rioleringsplan 2017-2021

Het gemeentelijk beleid ten aanzien van de waterhuishouding is vastgelegd in het GRP van 2017-2021. De beleidsdoelen in het GRP zijn: 1. zorgen voor inzameling en transport van stedelijk afvalwater; 2. zorgen voor inzameling (voor zover niet door particulieren gebeurt) en verwerking van hemelwater; 3. (voor zover mogelijk) zorgen dat het grondwater de bestemming van een gebied niet structureel belemmert. Het beleid in het GRP sluit aan bij het beleid dat het Waterschap Limburg voert voor hemelwater. In het plangebied zal moeten worden voldaan aan de normen voor infiltratie en de beleidsuitgangspunten ten aanzien van afvalwaterverwerking. Een en ander is nader verwoord in paragraaf 4.6 ("Waterhuishouding"). 3.4.9 Aan huis verbonden beroepen Op 27 juni 2006 is de beleidsregel 'Aan huis gebonden beroepen en kleine economie' vastgesteld. Hierin wordt aangegeven welke bedrijfsmatige activiteiten als een aan huis verbonden beroep en welke als zogenaamde 'kleine economie' beschouwd kunnen worden. Aan huis verbonden beroepen De zogenaamde aan huis verbonden beroepen vallen binnen de woonbestemming als de woonfunctie in overwegende mate behouden blijft.

Voor de toepassing van de beleids- regel wordt als definitie aangehouden: “de uitoefening van een beroep of het beroeps- matig verlenen van diensten op administratief, juridisch, (para-)medisch, therapeutisch, kunstzinnig, ontwerptechnisch of hiermee gelijk te stellen gebied dat door zijn beperkte omvang in een woning en daarbij behorende bijgebouwen, met behoud van de woonfunctie, kan worden uitgeoefend. Hieronder dient niet te worden begrepen de uitoefening van detailhandel.”. De zogenaamde vrije beroepen, die onderdeel uitmaken van de aan huis verbonden beroepen, worden geacht binnen de woonbestemming te passen als de woonfunctie in overwegende mate behouden blijft. Onder vrije

65/176

beroepen worden onder meer begrepen de beroepen van arts, advocaat, notaris en makelaar. Kleine economie Overige bedrijvigheid die niet valt onder de aan huis gebonden beroepen, maar in bepaalde gevallen wel daarmee gelijk te stellen is, wordt aangemerkt als kleine economie. De definitie van kleine economie is: “bedrijfsactiviteiten die wat betreft invloed op de woonomgeving gelijk te stellen zijn aan een aan huis gebonden beroep, waarvan de omvang en de activiteiten zodanig zijn dat de activiteiten in een woning en de daarbij behorende gebouwen met behoud van de woonfunctie kunnen worden uitgeoefend.”. De activiteiten die tot de kleine economie behoren zijn niet rechtstreeks toegestaan binnen de woonbestemming. Wel is het mogelijk een omgevingsvergunning te verlenen. Voorwaarde daarbij is dat de ruimtelijke uitwerking overeenkomt met die van de aan huis gebonden beroepen. De uitoefening van deze beroepen mag immers niet ten koste gaan van een goed woon- en leefmilieu in de omgeving.

Ter invulling hiervan worden bij de afweging om al dan niet een omgevingsvergunning te verlenen, de volgende voorwaarden aangehouden: er mag geen onevenredige hinder worden toegebracht aan de kwaliteit van het woonmilieu; door de uitoefening van de activiteit mag het uiterlijk aanzien van de woning niet zodanig veranderen, dat de woning het karakter van een woning geheel of gedeeltelijk verliest; dit houdt onder meer in dat er geen grote reclame-uitingen aan of bij de woning geplaatst mogen worden; de oppervlakte van de woning welke voor de bedrijfsvoering wordt gebruikt, mag niet meer dan 50% van de begane grond en maximaal 30% van het totale vloeroppervlak van de woning en de bijgebouwen bedragen; de totale oppervlakte van de activiteit mag niet meer bedragen dan 25 m².

Het te gebruiken oppervlak dient op een tekening te worden aangegeven die bij het besluit wordt gevoegd; er mag geen sprake zijn van een verkeer aantrekkende activiteit die de woonomgeving onevenredig belast en ten gevolge waarvan extra verkeersmaatregelen waaronder extra parkeerplaatsen, noodzakelijk worden, tenzij op eigen terrein gezorgd kan worden voor voldoende parkeervoorzieningen of er in de omgeving voldoende beschikbare plaatsen zijn; de uitvoerder van de activiteit dient ter plaatse te wonen; detailhandel is alleen als ondergeschikte activiteit toegestaan en uitsluitend van goederen die verband houden met de activiteit waarvoor een omgevingsvergunning wordt verleend; activiteiten die op grond van het bepaalde in de Wet milieubeheer meldingsplichtig of op grond van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht vergunning plichtig zijn, worden in beginsel niet toegestaan, tenzij kan worden aangetoond dat er geen overlast voor de omgeving op zal treden, waarbij maximaal bedrijven uit categorie 2 van de Staat van bedrijfsactiviteiten of daarmee vergelijkbare bedrijven worden toegestaan. De hiervoor beschreven regeling is in de planregels van dit bestemmingsplan verwerkt. In de planregels is een afwijkingsmogelijkheid van de gebruiksregels opgenomen om nieuwe bedrijvigheid, die valt onder de categorie 'kleine economie', toe te staan.

66/176

3.4.10 Conclusie gemeentelijk beleid Het plan past binnen de kaders van het gemeentelijke beleid. De planlocatie is al in het Streekplan Noord- en Midden-Limburg (1994) en in de gemeentelijke Structuurvisie uit 2001 aangewezen als woningbouwlocatie. Het plan past in kwantitatief en kwalitatief opzicht binnen de woningbouwbehoefte van de gemeente Roermond. Bij de planuitwerking is daarnaast rekening gehouden met de kaders van het Groenstructuurplan. In de planregels zijn de gemeentelijke parkeernormen opgenomen en regels ten aanzien van bedrijfsmatige activiteiten aan huis. Tot slot zijn voor de diverse uitvoeringsaspecten de vereiste onderzoeken uitgevoerd en verantwoord (zie tevens hoofdstuk 4).

67/176

Hoofdstuk 4

4.1

Omschrijving omgevingsaspecten

Cultuurhistorie en archeologie

4.1.1 Cultuurhistorie Gemeenten moeten bij het opstellen van bestemmingsplannen rekening houden met cultuurhistorische waarden. Deze verplichting, die voorkomt uit het rijksbeleid voor modernisering van de monumentenzorg (MoMo), is vanaf 1 januari 2012 vastgelegd in het Besluit ruimtelijke ordening (Bro). Het doel van deze verplichting is te bevorderen dat de cultuurhistorische waarden al bij de start van een planontwikkeling een rol spelen en worden meegewogen in de besluitvorming. Beschermde rijks- of gemeentelijke monumenten zijn objecten met een dermate hoge historische waarde of schoonheid dat naar behoud daarvan gestreefd moet worden, ongeacht de cultuurhistorische waarde van hun directe omgeving. Bij het streven naar behoud zullen wel de eisen van het gebruik van het object meegewogen worden. Het bezit van een nuttige en liefst ook rendabele functie, passend bij het monument, is een belangrijk doel. In het plangebied zijn géén Rijksmonumenten of gemeentelijke monumenten gelegen. Het gemeentelijk beleid is erop gericht om bestaande cultuurhistorische kwaliteiten zoveel mogelijk te handhaven en te versterken. Instrumenten hiervoor vormen de Monumentenwet 1988 en de gemeentelijke monumenten- en archeologieverordening 2011. Toetsing van de cultuurhistorische waarden vindt plaats aan de hand van de cultuurhistorische waardenkaarten.

De raad van de gemeente Roermond heeft op 11 september 2018 de Erfgoedverordening 2018 van de gemeente Roermond vastgesteld, houdende regels omtrent het erfgoed. Beoordeling

68/176

Afbeelding 4.1: uitsnede van de gemeentelijke beleidskaart van Roermond uit 2011 gebaseerd op de gemeentelijke verwachtingskaart (Ellenkamp en Tichelman 2008). De lagergelegen geulen hebben een lage verwachting gekregen, terwijl de hoger gelegen ruggen een hoge verwachting hebben gekregen. Het onderzochte gebied is met de rode contour aangegeven. Het plangebied is cultuurhistorisch gezien van belang. Op afbeelding 4.1 staan onder meer de cultuurhistorische waarden van de gemeente Roermond aangegeven. Op deze uitsnede is zichtbaar dat vrijwel het gehele plangebied deel uitmaakt van twee cultuurhistorisch waardevolle gebieden. Het grootste deel van het plangebied betreft het cultuurhistorisch waardevolle gebied Kitskensberg en het uiterst westelijke deel betreft het Roerdal bij Melick. Het gebied Kitskensberg betreft een cultuurhistorisch waardevol gebied vanwege de aanzienlijke, natuurlijke hoogteverschillen, de aanwezige archeologische resten, het feitelijk onveranderde historische wegenpatroon en landgebruik sinds 1830 en het parkachtige karakter.

Het gebied Roerdal bij Melick is een cultuurhistorisch waardevol gebied vanwege de historisch waardevolle verdeling tussen de lager gelegen natte graslanden en de hoger gelegen drogere akkerlanden enerzijds en anderzijds door de aanwezigheid van enkele 18e/19e eeuwse boerderijen die de bewoonbare locaties binnen het Roerdal aanduiden. Het plangebied en directe omgeving kennen volgens de gemeentelijke cultuurhistorische waardenkaart bovendien de volgende cultuurhistorische elementen. Er is sprake van historische infrastructuur, met name oude wegtracés (Heinsbergerweg, Dirksbergerweg, Eindstraat, Bronkweg, Ratommerweg). In en rondom het plangebied liggen verschillende hoogwaardige groenelementen. De aan het plangebied

69/176

grenzende begraafplaats (Kitskensdal) en het zogenaamde 'Dirksbergbosje, gelegen tussen de Ratommerweg en de Heinsbergerweg. Ook de laanbeplanting langs de Dirksbergerweg en de Eindstraat wordt als waardevol getypeerd. Kenmerkend voor het gebied en ook van cultuurhistorisch belang is de steilrand die zich achter de bestaande woningen aan de Eindstraat bevindt. Op de nationale cultuurhistorische website staan binnen het plangebied geen noemenswaardige zaken vermeld. Op de cultuurhistorische waardenkaart van de provincie Limburg staat aangegeven dat er op de kruising tussen de Heinsbergerweg, de Linderweg en de Bronkweg net buiten het plangebied een kruis en een kapel aanwezig zijn. Het betreft een voormalig monument dat dateert uit de 19e eeuw, dat op de gemeentelijke monumentenlijst van 2015 niet meer voorkomt.

Afbeelding 4.2: kruisbeeld gesitueerd tussen Heinsbergerweg en de Bronkweg Daarnaast wordt vermeld dat de Heinsbergerweg evenals de Eindstraat en de Ratommerweg dateert van voor 1806. Het veelal agrarisch gebied heeft een sinds 1830 matig veranderd verkavelingspatroon. Conclusie cultuurhistorie De binnen het plangebied gesitueerde cultuurhistorische elementen blijven behouden en zijn opgenomen in het stedenbouwkundige en landschappelijk raamwerk van het woongebied Melickerveld.

70/176

4.1.2 Archeologie Het Verdrag van Valletta (Malta) verplicht de Europese overheden tot het beschermen van archeologisch erfgoed. Hierbij wordt als uitgangspunt gehanteerd dat archeologische waarden in situ bewaard moeten blijven. Dat wil zeggen, dat ernaar gestreefd moet worden om de waarden op de locatie te behouden. Als dit niet mogelijk blijkt, bijvoorbeeld bij bouwplannen, dan moeten de waarden worden opgegraven en ex situ worden bewaard. Het Verdrag van Valletta is door vertaald. Sinds de inwerkingtreding van de Wet op de archeologische monumentenzorg (Wamz) per 1 september 2007 is de gemeente verantwoordelijk voor het archeologiebeleid en heeft de provincie zich hiervan teruggetrokken. In de Wet op de Archeologische Monumentenzorg is een raamwerk gegeven dat regelt hoe Rijk, provincies en gemeenten om moeten gaan met het aspect archeologie in ruimtelijke plannen. De uitgangspunten van de Wet op de Archeologische Monumentenzorg zijn als volgt: de archeologische waarden dienen zoveel mogelijk in de bodem te worden bewaard; er dient vroeg in het proces van de ruimtelijke ordening al rekening te worden gehouden met het aspect archeologie. Op 1 juli 2016 is de Erfgoedwet in werking getreden.

De wet bundelt bestaande wet- en regelgeving voor behoud en beheer van het cultureel erfgoed en vervangt 6 wetten en regelingen op het gebied van cultureel erfgoed, waaronder de Monumentenwet 1988. De belangrijkste verandering voor archeologen is de vervanging van de opgravingsvergunning door een wettelijk geregelde certificering. Dit moet garanderen dat opgravingen volgens professionele kwaliteitsnormen worden uitgevoerd. Een aantal onderdelen van de Monumentenwet 1988 gaat in 2019 over naar de Omgevingswet. Tot de inwerkingtreding van de Omgevingswet blijven deze onderdelen van kracht binnen het overgangsrecht van de Erfgoedwet. Voor archeologie gaat het onder meer om: het meewegen van het archeologische belang bij het opstellen van bestemmingsplannen; de mogelijkheid om voorschriften te verbinden aan de omgevingsvergunning ter bescherming van archeologie; de mogelijkheid van de Minister van OCW om bij (dreigende) schade aan archeologische monumenten na een toeval vondst voorschriften te stellen aan de uitvoering de werkzaamheden of die stil te leggen; de mogelijkheid van het bevoegd gezag of de Minister van OCW om toegang tot een terrein af te dwingen om archeologisch onderzoek te kunnen doen. Onderzoeken Ten behoeve van de gebiedsontwikkeling Melickerveld is in het verleden een aantal onderzoeken uitgevoerd ten aanzien van het aspect archeologie.

De betreffende onderzoeken zijn gebundeld opgenomen in bijlage 12 bij de toelichting van het plan. Naar aanleiding van deze onderzoeken is hierna een beoordeling opgenomen ten aanzien van het aspect archeologie, inclusief conclusie en aanbevelingen. Beoordeling In het projectgebied ligt op basis van de vastgestelde gemeentelijke Archeologische Advieskaart deels in een gebied met een hoge archeologische verwachtingswaarde (zie afbeelding 4.3). De beleidslijn voor dergelijke

71/176

gebieden is om het archeologisch erfgoed 'in situ' te bewaren. Als dit niet mogelijk is, wordt geadviseerd om vroegtijdig in de planvorming een archeologisch onderzoek in de vorm van een bureau- en inventariserend veldonderzoek (verkennende fase) te laten uitvoeren.

Afbeelding 4.3: archeologische beleidsadvieskaart (Nota archeologie). Het plangebied is rood omlijnd. Uitgevoerde onderzoeken Archeologisch bureauonderzoek door ADC In 2004 is door ADC een archeologisch bureauonderzoek uitgevoerd. In het plangebied Melickerveld zijn archeologische vondsten aangetroffen. Het betreft vondsten uit de perioden Mesolithicum-Neolithicum en/of Bronstijd. Op basis van het bureauonderzoek werd geconcludeerd dat in het plangebied nog onbekende vindplaatsen van laat- paleolithische of jongere ouderdom aanwezig konden zijn. De toenmalige Indicatieve Kaart Archeologische Waarden (IKAW) achtte de relatieve dichtheid aan archeologische resten in het plangebied gemiddeld tot groot. Verwacht werd dat archeologische vindplaatsen te herkennen zouden zijn als vondststrooiingen van overwegend aardewerk en/of vuursteen dicht onder en/of aan de oppervlakte. Mogelijk zouden de vindplaatsen ook nog dieper in de ondergrond herkenbaar zijn als een sporenniveau. Archeologisch bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek (karterende fase) door BAAC In 2012 is door BAAC een archeologisch bureauonderzoek en inventariserend veld- onderzoek met behulp van boringen (karterende fase) uitgevoerd in het plangebied. Uit dit onderzoek bleek volgens BAAC dat het plangebied op een Pleniglaciaal rivierterras van de Maas of de Roer ligt. Het rivierterras is gedurende het Laat

72/176

Glaciaal op verscheidene locaties afgedekt door dekzand. Op de plekken waar “Hochflutlehm” is afgezet ontbreekt het dekzand of wordt deze afgedekt. In het noordelijke en oostelijke deel van het plangebied zijn gedurende de Late Dryas of het Vroeg-Holoceen daarnaast rivierduinen ontstaan met zand dat afkomstig is vanuit het droogstaande Laat-glaciale Maas- en Roerdal. Bodemkundig worden volgens de bodemkaart van Nederland in het plangebied zowel bodems met een duidelijke profielontwikkeling (holtpodzolbodems) als bodems zonder duidelijke profielontwikkeling verwacht (gooreerd- en vorstvaaggronden). Binnen en in de nabije omgeving van het plangebied zijn diverse waarnemingen bekend. In het zuidelijke deel van het plangebied zijn voornamelijk losse vondsten uit de steentijd, crematiegraven (deel van een grootschalig urnenveld) uit de late bronstijd tot en met de ijzertijd en gebruiksvoorwerpen in combinatie met aanwijzingen voor een weg uit de Romeinse tijd en de middeleeuwen bekend. In het centrale lagergelegen deel van het plangebied zijn voornamelijk archeologische resten uit het neolithicum en in mindere mate uit de Romeinse tijd bekend. Grenzend aan het noordelijke deel van het plangebied zijn aanwijzingen voor de Nederrijnse grafheuvel-cultuur waargenomen.

Voor het plangebied geldt volgens BAAC een hoge verwachting op het aantreffen van archeologische resten vanaf het laat-paleolithicum tot en met de nieuwe tijd B. Specifiek geldt er volgens BAAC een zeer hoge verwachting op kleinschalige jacht- en/of verzamelaar kampementen uit de steentijd nabij de zuidelijk gelegen terrasrand, nederzettingsterreinen uit het neolithicum tot en met de middeleeuwen met bijbehorende grafheuvels, inhumatiegraven of urnenvelden en mogelijk resten van een Romeinse weg van Xanten naar Heerlen of een zijweg daarvan. Daarnaast verwacht BAAC op grond van hun onderzoek boerderijen en/of landbouw gerelateerde complextypen uit de middeleeuwen en de nieuwe tijd. Voor een mogelijk afgegraven laagte in het zuidoostelijke deel van het plangebied geldt een lage tot middelhoge verwachting tot en met de nieuwe tijd B. Vanwege het ontbreken van bebouwing op historisch kaartmateriaal geldt een lage verwachting op het aantreffen van archeologische resten uit de nieuwe tijd C.

73/176

Afbeelding 4.4: archeologische verwachtingenkaart van BAAC (bron: rapportage BAAC - oktober 2012) Uit het veldonderzoek blijkt volgens BAAC dat binnen het plangebied in totaal 17 mogelijke vindplaatsen aanwezig zouden kunnen zijn met een gezamenlijk oppervlak van ca. 17,7 ha, ca. 63,5% van het plangebied. De vindplaatsen staan op de verwachtingskaart van BAAC aangegeven als gebieden met een hoge verwachting. De

74/176

overige delen binnen het plangebied krijgen, met uitzondering van het uiterst westelijke deel van het plangebied, een middelhoge verwachting op het aantreffen van archeologische resten uit alle perioden vanaf het laat paleolithicum/mesolithicum tot en met de nieuwe tijd B. Ter plekke van de oorspronkelijke bebouwde kavel aan de Heinsbergerweg kan de hoge verwachting volgens BAAC worden bijgesteld naar een lage verwachting. Op de verwachtingskaart staat daarnaast het oorspronkelijke wegenpatroon aangegeven als zones met een hoge verwachting vanaf de Romeinse tijd. Ook staat de locatie van de graft (oude terrasrand) aangegeven als een cultuurhistorisch waardevol relict. Op grond van hun bureau- en veldonderzoek adviseert BAAC om bodemverstorende ingrepen in het gehele plangebied, met uitzondering van een voormalig bebouwd perceel aan de Heinsbergerweg, te vermijden. Indien het plangebied tot de voorgenomen diepte (tot in de beddingafzettingen van de Roer) verstoord gaat worden, dan is een archeologisch vervolgonderzoek noodzakelijk. In eerste instantie adviseert BAAC om de zeventien omschreven vindplaatsen nader te onderzoeken. Voor de gebieden waarvoor een hoge verwachting geldt op het aantreffen van archeologische resten uit de steentijd wordt geadviseerd een waarderend booronderzoek en, waar mogelijk, een intensieve oppervlaktekartering uit te voeren.

Voor de overige vindplaatsen acht BAAC bij bodemverstorende ingrepen een waarderend proefsleuvenonderzoek noodzakelijk. Volgens BAAC dient de nadruk bij het proefsleuvenonderzoek enerzijds te liggen op de vindplaatsen 1 tot en met 3 en het bijbehorend historische wegenpatroon in het noordelijke deel en anderzijds te focussen op vindplaats 8 in het zuidelijke deel van het plangebied. Binnen de contouren van de grootschalige vindplaats 8 wordt geadviseerd om tijdens het proefsleuvenonderzoek de nadruk te leggen op de afzonderlijk beschreven vindplaatsen 9 tot en met 17. Indien blijkt dat er aanwijzingen zijn voor nederzettingen, urnenvelden, huisplaatsen, wachttorens, villaterreinen en/of nederzettingsterreinen of andere complextypen dan verdient het volgens BAAC aanbeveling om de direct aangrenzende gebieden met een middelhoge verwachting mee te nemen in het proefsleuvenonderzoek. Hierdoor kunnen eventueel behoudens waardige complextypen in hun geheel in beeld worden gebracht.

75/176

Afbeelding 4.5: vindplaatsenkaart van BAAC (bron: rapportage BAAC - oktober 2012) Crevasse Advies (alternatief plan van aanpak) In vervolg op het onderzoek van BAAC, heeft Crevasse Advies op basis van dit onderzoek een second opinion uitgevoerd met daaraan gekoppeld een plan van aanpak en dit aan het gemeentelijk bevoegde gezag

76/176

voorgelegd. De gemeente als bevoegd gezag is in maart 2013 akkoord gegaan met deze aanpak. "Het voorliggende rapport van BAAC presenteert de onderzoeksgegevens adequaat. Crevasse Advies is het echter voor een groot deel niet eens met de op basis van de resultaten gedane interpretaties, conclusies en adviezen van BAAC. Crevasse Advies respecteert echter de objectiviteit en onafhankelijkheid van archeologisch uitvoerders en laat het BAAC-rapport intact. Het verschil van mening betreft aantal en vooral grootte van de als vindplaats aangemerkte terreindelen. Het bevoegd gezag heeft het rapport van BAAC vastgesteld met uitzondering van de conclusies en aanbevelingen. Ook heeft het bevoegd gezag de alternatieve zienswijze en plan van aanpak zoals Crevasse dat voorstelt, vastgesteld." Naar mening van Crevasse Advies zijn de hoeveelheid en kwaliteit van het daadwerkelijk aangetroffen vondstmateriaal (oppervlaktevondsten en in de boringen) niet van dien aard dat er betrouwbaar 17 vindplaatsen met een totaal oppervlak van 177.775 m2 kunnen worden onderscheiden. Uitgaande van ca. 28 ha aan plangebied betekent dat ca. 63,5% van het totaal.

De begrenzing van vindplaatsen is zeer ruim en naar mening van Crevasse Advies onvoldoende onderbouwd en deels arbitrair, als men het belangrijkste materiaal in beschouwing neemt: het bij onderhavig karterend booronderzoek aangetroffen diagnostische materiaal. Houtskool wordt veelal door BAAC gebruikt als indicator voor qua periode uiteenlopende vindplaatsen, terwijl maar zeer de vraag is of dat correct is gezien de beschreven productie van Romeinse houtskool in het gebied. Een behoudende visie op het erfgoed is te prijzen, echter aangezien op een verantwoorde en door SIKB vastgelegde onderzoek wijze is gewerkt, mogen de resultaten van het onderzoek zwaarder wegen dan door BAAC is voorgesteld. BAAC is van mening dat de resultaten aanleiding geven om de lage verwachting van de gemeentelijke kaart in het centraal, relatief laaggelegen gebied, te veranderen in middelhoog. Hiermee, krijgt de facto vrijwel het gehele plangebied een mogelijke onderzoeksplicht.

BAAC schrijft hierover: 'Indien blijkt dat er aanwijzingen zijn voor nederzettingen, urnenvelden, huisplaatsen, wachttorens, villaterreinen en/of neder- zettingsterreinen of andere complextypen dan verdient het aanbeveling om de direct aangrenzende gebieden met een middelhoge verwachting mee te nemen in het proefsleuvenonderzoek.' Naar mening van Crevasse Advies dient er in eerste instantie sprake te zijn van behoudenswaardige archeologie en niet slechts 'aanwijzingen' alvorens de middelhoge verwachtingsgebieden te gaan onderzoeken. Crevasse Advies stelde daarom deels andere vindplaatsbegrenzingen voor, op basis van de gepresenteerde gegevens. Aan het bevoegde gezag is gevraagd om goedkeuring van onderhavige zienswijze op de vindplaatsen, wat betreft ligging, omvang en vervolgonderzoek. Crevasse Advies stelde voor mogelijke en zekere vindplaatsen middels een intensieve oppervlaktekartering nader te inspecteren en te begrenzen, alvorens conform het advies van BAAC, met proefsleuven te gaan waarderen. Daarnaast streeft opdrachtgever overeenkomstig de uitgangspunten van huidige wet- en regelgeving naar het duurzaam in situ behouden van zo veel als mogelijk mogelijke en zekere vindplaatsen door gebruik te maken van ophogingen en andere archeologie- sparende bouwwijzen. Juist het reliëf dat het beoogde woningbouwplan kenmerkt, biedt daartoe goede mogelijkheden.

Op basis van het geldende beleid zal het bevoegd gezag steeds kiezen voor behoud in situ in plaats van onderzoek. Dit betekent echter wel dat op plaatsen waar vindplaatsen in situ behouden zijn een dubbelbestemming noodzakelijk wordt.

77/176

Oppervlaktekartering door Transect Door Transect is vervolgens in april 2013 op basis van een door het gezag goedgekeurd Programma van Eisen/Plan van Aanpak conform het advies van Crevasse een oppervlaktekartering uitgevoerd in een deel van het plangebied. Gezien de vondstzichtbaarheid is in deelgebied 2 de oppervlaktekartering op 12 december 2013 een tweede maal uitgevoerd. In overleg met het bevoegd gezag is vervolgens besloten om voorafgaande aan het besluit tot eventueel waarderend onderzoek (gravend, dan wel middels boringen) een oppervlaktekartering uit te laten voeren. Uitgangspunt daarbij vormde in principe de aangepaste vindplaatscontouren. De oppervlaktekartering kan worden gezien als een aanscherping van de onderzoeks- resultaten van het booronderzoek door BAAC (van oktober 2012). Het betreffende booronderzoek heeft meerdere indicaties opgeleverd voor archeologische vindplaatsen. Deze bestaan deels uit primaire archeologische indicatoren, zoals bewerkt vuursteen, keramiek en verbrand leem, maar deels ook uit indirecte indicatoren zoals houtskool. Een scherpe afbakening van vindplaatsen bleek op basis van het booronderzoek lastig, gezien de grote oppervlaktes die als vindplaats c.q. nederzettingsterrein door BAAC zijn aangewezen.

Door het uitvoeren van onderhavige oppervlaktekartering, konden de door BAAC als vindplaats aangemerkte zones worden geverifieerd en beter begrensd. Met daarbij als belangrijke aanname dat het archeologisch niveau in het plangebied in ieder geval gedeeltelijk is verploegd en niet is afgedekt door bijvoorbeeld recentere cultuurlagen c.q. bouwlanddekken. De oppervlaktekartering in de zes deelgebieden is door Transect uitgevoerd. Daarnaast is een aanvullende oppervlaktekartering uitgevoerd in deelgebied 2. De akkers zijn belopen in looplijnen met een onderlinge afstand van 5 meter. Belangrijke en bijzondere vondsten, zoals bewerkt vuursteen en aardewerk uit de Ijzertijd Middeleeuwen zijn ingemeten met behulp van GPS met een nauwkeurigheid van 2 meter. Keramiek uit de Nieuwe Tijd, dat overtuigend als mestafval moet worden beschouwd, is ingemeten met een nauwkeurigheid van 5 à 10 meter. Hierbij zijn nabijgelegen vondsten onder eenzelfde vondstnummer geregistreerd en met GPS ingemeten. Het betreft in de meeste gevallen steengoed met zoutglazuur (Westerwald/Frechen) en roodbakkend aardewerk met loodglazuur (al dan niet met slibversiering). Het indelen van de deelgebieden in 10 x 10 m vakken, zoals in het Plan van Aanpak was voorgesteld, bleek niet praktisch. Daarbij geeft GPS een exactere plaatsbepaling. De oppervlaktekartering heeft vier vindplaatsen opgeleverd c.q.

bevestigd, te weten vindplaatsen I, II, III en IV (zie afbeelding 4.6). Deze komen overeen met vindplaatsen 4, 6, 11 en 12 van het BAAC- booronderzoek. Vindplaats III die uit de oppervlaktekartering naar voren is gekomen, is een nieuwe vindplaats en ligt binnen vindplaats 11 van BAAC. De cultuurlaag in deelgebied 3 kon niet door middel van de oppervlaktekartering worden bevestigd. Met enige betrouwbaarheid mag worden verondersteld, dat in deelgebieden 1, 3, 4 en 6 geen sprake is van archeologisch relevante vondstcomplexen. De weinige relevante vondsten die er zijn gedaan, betreffen waarschijnlijk geïsoleerde vondsten. Daarbij moet men zich realiseren dat bij het intensief afzoeken van akkers, altijd wel een stukje bewerkt vuursteen wordt gevonden. Geadviseerd wordt om vindplaatsen I, II, III en IV indien deze verstoord worden bij de planontwikkeling, nader te onderzoeken door middel van een waarderend proefsleuvenonderzoek.

78/176

Afbeelding 4.6: vindplaatsenkaart (bron: Transect) Hiertoe is een dubbelbestemming 'Waarde Archeologie' in het bestemmingsplan opgenomen met aanvullende planregels. Voor het overige wordt geadviseerd om in de zones van de deelgebieden die buiten de vindplaatsen liggen, geen beschermende archeologische maatregelen te nemen. Op basis van de uitgevoerde onderzoeken kan echter niet definitief worden uitgesloten dat hier archeologische waarden aanwezig zijn. Als bij bodemingrepen in deze zones alsnog vondsten of archeologische waarnemingen worden gedaan, dienen deze bij het bevoegd gezag te worden gemeld. Samenvatting en conclusie Resumerend kan gesteld worden dat bureauonderzoeken, karterend booronderzoek en oppervlaktekartering tot zeven vindplaatsen heeft geleid. Het betreft de BAAC=vindplaatsen 1 en 2 en de door Transect begrensde vindplaatsen I, II, III en IV. Om deze vindplaatsen te beschermen is in dit bestemmingsplan de dubbelbestemming 'Waarde – Archeologie' opgenomen. Als ter plaatse van deze vindplaatsen bodemverstoringen dieper dan 30 centimeter beneden huidig maaiveld plaatsvinden, dan dienen deze vindplaatsen voorafgaande aan de bodemingrepen gewaardeerd te worden. Meest voor de hand liggend is een waarderend proefsleuvenonderzoek conform de Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie.

4.2

Verkeer en infrastructuur

4.2.1 Bestaande situatie Het plangebied Melickerveld ligt ingeklemd tussen de N293, Ratommerweg, Heinsbergerweg en Kitskensdal. Andere wegen in het gebied zijn de Eindstraat, Bronkweg en Dirksbergerweg. Het gebied is op verschillende manieren te benaderen. Vanaf de westzijde vanaf de Heinsbergerweg kan het gebied op vier manier worden bereikt. 1. via de aansluiting met de Bronkweg;

79/176

2. via de Dirksbergerweg ter hoogte van de Laan van Schöndeln; 3. via de Dirksbergerweg ten noorden van de Laan van Schöndeln; 4. via het Kitskensdal. Vanaf de oostzijde is het gebied te bereiken vanaf het Poortereind via de Morgenstraat en de Eindstraat. Sportpark en speeltuin Kitskensberg Aan de Eindstraat tussen de Oude Keulsebaan en de Ratommerweg ligt sportpark Kitskensberg. Aan dit sportpark zijn zowel een voetbalclub als een rugbyvereniging gevestigd. Het sportpark is toegankelijk via de Eindstraat en Morgenstraat. Met name in het weekend wordt dit gedeelte van de Eindstraat en de Morgenstraat veelvuldig gebruikt door met name auto's die een herkomst of bestemming op het sportpark hebben. Ten noorden van het sportpark ligt Speeltuin Kitskensberg. Veel bezoekers parkeren voor het bezoek aan de speeltuin op de parkeerplaats van het sportpark en lopen daarna te voet via de Eindstraat en Oude Keulsebaan naar de speeltuin. Roer College Ten noorden van de Laan van Schöndeln aan de Heinsbergerweg ligt een school voor praktijkonderwijs en het Roer College (middelbare school) voor scholieren uit Roermond en de omliggende dorpen. De scholieren verplaatsen zich voornamelijk per fiets naar en van deze scholen via een tweezijdig fietspad naast de Heinsbergerweg (westelijke zijde).

Autoverkeer De Heinsbergerweg en het Poortereind zijn gecategoriseerd als gebiedsontsluitingswegen en liggen binnen de bebouwde kom. De maximumsnelheid op deze wegen ligt op 50 km/uur. De Morgenstraat is een erftoegangsweg binnen de bebouwde kom met een maximumsnelheid van 30 km/uur. De Bronkweg en de Eindstraat zijn eveneens erftoegangswegen maar liggen buiten de bebouwde kom. De maximumsnelheid bedraagt hier 60 km/uur. De Dirksbergerweg betreft een onverharde weg zonder verlichting. De Ratommerweg is ook een erftoegangsweg en ligt vanaf het Kitskensdal binnen de bebouwde kom. De maximumsnelheid is hier vastgesteld op 30 km/uur. Het gedeelte van de Ratommerweg ten zuiden van het Kitskensdal is ook gecategoriseerd als erftoegangsweg met een maximumsnelheid van 60 km/uur. Dit gedeelte van de Ratommerweg vormt tevens de oostelijke begrenzing van het plangebied. Behalve het Poortereind en de Heinsbergerweg hebben de genoemde wegen een rijbaanbreedte van circa 3 meter. Daarmee zijn de wegen relatief smal te noemen. Hieronder een overzicht van de relevante wegen in en rond het plangebied, inclusief beschrijving van het wegvak.

80/176

Afbeelding 4.7: Ligging plangebied, belangrijke bestemmingen en wegvaknummering, maximum snelheden huidige situatie Fiets De wegen in het plangebied maken geen deel uit van het utilitaire hoofdfietsnetwerk. Wel is er een belangrijk fietsverbinding aanwezig tussen Melick en Roermond. Onderdeel van deze route is een fietsburg die de N293 ten zuiden van het plangebied kruist. Met name de Ratommerweg en de Oude Keulsebaan worden om die reden veel gebruikt door fietsers. De Morgenstraat, Eindstraat, Ratommerweg en Kitskensdal maken wel deel uit het recreatieve fietsnetwerk. Op de genoemde wegen delen de fietsers de rijbaan met de automobilisten. In het verlengde van de Ratommerweg sluit de recreatieve fietsroute met een fietsverbinding aan op de kern Melick. De N293 wordt daarbij ongelijkvloers met een fietsbrug gekruist. Deze route en de route via de Oude Keulsebaan zal naar verwachting drukker worden als de gemeente Roermond de plannen rondom de oude Ijzeren Rijn route omzet naar fietspad.

81/176

Afbeelding 4.8: recreatieve fietsroutes Melickerveld De Heinsbergerweg maakt wel deel uit het hoofdfietsnetwerk en voor het Poortereind wordt momenteel onderzocht of deze toegevoegd kan worden aan het hoofdfietsnetwerk. Langs het Poortereind ligt een tweerichtingenfietspad dat de Morgenstraat kruist. De Heinsbergerweg heeft vanaf de N293 een tweerichtingenfietspad aan de westzijde en vanaf de Bronkweg ook een tweerichtingenfietspad aan de oostzijde. Met name het fietspad aan de westzijde is belangrijk als fietsroute voor scholieren van het Roer college en de school voor parktijkonderwijs met herkomst of bestemming Melick of Sint Odiliënberg. Openbaar vervoer Op loopafstand vanaf Melickerveld zijn bushaltes gelegen aan de Heinsbergerweg. Hier halteren meerdere buslijnen (61, 62, 63 en 64). Enkele van deze buslijnen halteren ook op het intercitystation van Roermond. Door deze openbaar vervoer verbindingen zijn er voor met name het westelijk deel van de toekomstige bewoners van Melickerveld alternatieven voor het gebruik van de auto. Er zijn ook woningen in het plan die op grotere afstand gelegen zijn van de bushalte. Het is raadzaam om fietsrekken te plaatsen bij deze bushaltes. Op die manier wordt het aantrekkelijk de fiets als voor- en natransport te gebruiken en kan het gebruik van de bus voor alle toekomstige bewoners van Melickerveld een alternatief zijn. 4.2.2

82/176

Toekomstige verkeerstructuur

Afbeelding 4.9: afbeelding onderzochte kruispunten Melickerveld Afbeelding 4.9 geeft een beeld van de toekomstige verkeersstructuur. De bestaande verkeersstructuur in het plangebied wordt aangepast en de te ontwikkelen woonwijk kan straks op twee manieren voor het gemotoriseerde verkeer worden ontsloten, namelijk via de Heinsbergerweg en via de Eindstraat/Morgenstraat op het Poortereind. Tevens wordt het straks onmogelijk om vanaf het oostelijk deel van het plan aan de Eindstraat vanuit de richting Ratommerweg richting de Heinsbergerweg te rijden. Er wordt éénrichtingsverkeer ingesteld op het gedeelte van de Eindstraat tussen het deelgebied aan de Ratommerweg en het meest zuidelijk gelegen deelgebied. Verder zal een gedeelte van de Dirksbergerweg en het onverharde deel van de Eindstraat komen te vervallen. Ook zal de Ratommerweg ten noorden van het plangebied voor autoverkeer worden afgesloten. Hierdoor is het straks niet meer mogelijk om van het Kitskensdal van en naar de Eindstraat te rijden via de Ratommerweg. Per fiets blijft deze verbinding wel in takt. Tenslotte is een langzaamverkeersroute gesitueerd die het plangebied van oost naar west doorkruist.

83/176

Afbeelding 4.9: toekomstige verkeersstructuur en hoofdontsluitingen (in blauw) van Melickerveld Met de ontwikkeling van Melickerveld komen de wegen in het plangebied binnen de bebouwde kom te liggen en worden de wegen gecategoriseerd als erftoegangswegen. De grens van de bebouwde kom komt daarmee te liggen ter hoogte van het kruispunt Eindstraat – Ratommerweg. De Eindstraat tussen de Ratommerweg en de Morgenstraat ter hoogte van het sportpark blijft 60 km/uur. De Morgenstraat die zal fungeren als toegangsweg vanaf het Poortereind, zal als erftoegangsweg binnen de bebouwde kom worden gecategoriseerd. De maximumsnelheid op deze weg komt hierdoor te liggen op 30 km/uur. Verkeersafwikkeling Het is van belang te beoordelen of de verkeersafwikkeling als gevolg van de ontwikkeling tot eventuele knelpunten leidt. Daarvoor is gekeken naar de twee kruispunten die de wijk Melickerveld ontsluiten (zie afbeelding 4.9), namelijk: aansluiting Heinsbergerweg direct ten westen van het plangebied;

84/176

kruispunt Morgenstraat – Poortereind, ten oosten van het plangebied. Als gevolg van de ontwikkeling van Melickerveld wordt het drukker op zowel de Heinsbergerweg als het Poortereind. Ongeacht of het verkeer op de Heinsbergerweg en het Poortereind voldoende kan worden afgewikkeld, kan gesteld worden dat de verkeersveiligheid als gevolg van deze verkeerstoename niet tot knelpunten leidt. Het kruispunt Morgenstraat-Poortereind ligt op enige afstand van de het plangebied, maar vormt het eerste kruispunt waarbij een weg met een aanzienlijke verkeersintensiteit wordt gekruist. Een ander kruispunt op de oostelijke ontsluitingsroute betreft de kruising met de Oude Keulsebaan. De Oude Keulsebaan heeft echter zo'n geringe verkeers- intensiteit dat op voorhand gesteld kan worden dat de verkeersafwikkeling met de geprognotiseerde verkeersintensiteiten op de Eindstraat/Morgenstraat op dit kruispunt niet tot knelpunten zal leiden. Om de verkeersafwikkeling te beoordelen zijn indicatieve kruispuntberekeningen uitgevoerd voor de ochtenden avondspits. Daarbij is voor beide spitsen naar het drukste spitsuur gekeken. De kruispuntberekeningen zijn uitgevoerd met het programma Omni-X. Voor beide kruispunten is alleen de verkeersafwikkeling beoordeeld voor de situatie na planrealisatie.

In de autonome situatie is het verkeer afkomstig uit het plangebied dermate gering, dat dit niet of nauwelijks effect heeft op verkeersafwikkeling en is om die reden dan ook niet beoordeeld. Resultaten kruispuntberekeningen Beide kruispunten zijn in de berekening ingevoerd als voorrangskruispunt zonder voorsorteervakken. De kruisingen zijn vervolgens beoordeeld op de hoogste gemiddelde wachttijd en de I/C verhouding van de kruisingen. Uit de berekeningen m.b.t. de aansluiting Heinsbergerweg blijkt dat de I/C verhouding zowel in de ochtend- als avondspits ruimschoots onder de minimale grenswaarde van 0,80 blijft. Ook de wachttijd is met maximaal 5 seconden zeer acceptabel te noemen. Gesteld kan worden dat de aansluiting met een voorrangskruispunt vormgegeven kan worden zonder dat dit leidt tot knelpunten. De verkeersafwikkeling is dan ook geen aanleiding om het kruispunt in te richten als een rotonde of een met verkeerslichten geregeld kruispunt. In deze berekening is de invloed van het fietsverkeer niet meegenomen. Omdat het kruispunt nog voldoende restcapaciteit heeft, kan gesteld worden dat de invloed van het fietsverkeer niet tot andere conclusies zal leiden. Ook voor het kruispunt Morgenstraat – Poortereind geldt dat zowel in de ochtend- als avondspits het verkeer ruimschoots kan worden afgewikkeld.

De I/C verhouding blijft ook hier ver onder de minimale grenswaarde van 0,80. Ook hier geldt dat de invloed van fietsers niet is meegenomen. Maar omdat ook hier de restcapaciteit van het kruispunt nog zeer ruim is, kan gesteld worden dat de aanwezigheid van fietsers geen nadelige gevolgen heeft voor de verkeersafwikkeling. Verkeersveiligheid Voor de Heinsbergerweg geldt dat de weg een maximumsnelheid heeft van 50 km/uur, maar dat de inrichting

85/176

van de weg de eigenschappen heeft van een weg met een maximumsnelheid van 80 km/uur. Naar verwachting wordt er dan ook regelmatig te hard gereden op de Heinsbergerweg. Aanbevolen wordt om met de komst van de realisatie van de aansluiting voor Melickerveld aan de Heinsbergerweg snelheidsremmende of attentie verhogende maatregelen te nemen of om de aansluiting uit re rusten met verkeerslichten. Verder wordt aanbevolen om het fietspad dat de toekomstige nieuwe ontsluiting van Melickerveld ter hoogte van de Heinsbergerweg kruist, verkeersveilig vorm te geven, door het fietspad uit te buigen en in de voorrang te leggen Omdat de wegen in het plangebied zijn gecategoriseerd als erftoegangsweg wordt aanbevolen de wegen conform Duurzaam Veilig met een gemengd profiel vorm te geven. Verder wordt aanbevolen om bij de verdere uitwerking van het wegontwerp binnen het plan bijzondere aandacht te geven aan de locaties waar de wegen voor het autoverkeer de langzaam verkeerroute kruisen. Ook zijn de afstanden tussen sommige woningen en de ontsluiting op de omliggende verkeersstructuur (Heinsbergerweg en Einstraat), relatief lang. Met een geldende maximum snelheid van 30 km/uur op deze wegen kan het voor veel automobilisten lastig zijn om zich, over deze lange afstand, aan de snelheid van 30 km/uur te houden.

Bij de verdere uitwerking van het plan wordt dan ook aanbevolen om deze wegen te voorzien van snelheidsremmende maatregelen zoals asverspringingen. Daarnaast kan bij de verdere uitwerking met het inpassen van landschappelijke elementen zoals bomen en groen, de snelheid van het autoverkeer op een natuurlijke manier worden teruggebracht naar de maximum snelheid van 30 km/uur. Verder is het noodzakelijk om de Ratommerweg, Eindstraat en Morgenstraat te verbreden en rekening te houden met de aanwezigheid van voetgangers die de speeltuin bezoeken en parkeren bij het sportpark. Zij lopen momenteel over de rijbaan van de Eindstraat en de Oude Keulsebaan. Zowel de Ratommerweg, Eindstraat als de Morgenstraat hebben op dit moment een rijbaanbreedte van 3.00 meter. Die is gezien het huidige gebruik al te smal om het verkeer in twee richtingen op een verkeersveilige manier te kunnen verwerken. Met de realisatie van Melickerveld zal de verkeersintensiteit op deze wegen verder toenemen ongeacht welk woningbouwprogramma er uiteindelijk gerealiseerd wordt. Daar komt nog bij dat deze wegen ook deel uit maken van een recreatieve fietsroute waardoor op de wegen ook veel gefietst wordt. Een verbreding van de wegen is dan ook noodzakelijk om de verkeersveiligheid op deze wegen te garanderen.

Tenslotte is de Eindstraat tussen de Oude Keulsebaan en de Ratommerweg nu gecategoriseerd als erftoegangsweg buiten de bebouwde kom. Hier geldt dan ook een maximumsnelheid van 60 km/uur. Op de wegen die daarop aansluiten geldt straks een maximumsnelheid van 30 km/uur. Aanbevolen wordt om dit gedeelte van de Eindstraat tevens in te richten als 30 km/zone, met bij behorende wegkenmerken. Op die manier is de uniformiteit en herkenbaarheid van de wegen geborgd hetgeen de verkeersveiligheid ten goede komt. Conclusie mobiliteitstoets Aan de hand van een mobiliteitstoets is de verkeersgeneratie afkomstig van de woningbouwontwikkeling van Melickerveld in beeld gebracht (zie bijlage 5 bij de toelichting). Het is gebruikelijk om bij een ontwikkeling 10 jaar vooruit te kijken vanaf het jaar dat het plan vastgesteld is. Ervan uit gaande dat het plan in 2022 wordt vastgesteld, dient voor de toekomstige situatie het jaar 2032 beschouwd te worden. Om dat inzichtelijk te maken is het verkeersmodel gebruikt. Daarbij heeft het

86/176

verkeersmodel de verkeersgeneratie van de planontwikkeling toegedeeld aan de omliggende wegen, waarbij rekening is gehouden met de toekomstige verkeersstructuur van Melickerveld. Omdat het verkeersmodel een uitspraak doet over de verkeersintensiteiten in het jaar 2030, zijn de verkeersintensiteiten van 2030 doorgerekend naar het jaar 2032 uitgaande van een jaarlijkse autonome groei van het verkeer van 1%. Hieronder een overzicht van de verkeersintensiteiten op een aantal relevante wegen in de toekomstige situatie vóór en ná voltooiing van Melickerveld met verwijzing naar de wegvaknummering in afbeelding 4.7. Tabel: verkeersintensiteiten toekomstige situatie nr. 1a Heinsbergerweg tussen de Laan van Schödeln en toekomstige aansluiting Melickerveld 1b Heinsbergerweg tussen toekomstige aansluiting Melickerveld en N293 3 Ratommerweg tussen Eindstraat en Dirksbergerweg 8 Eindstraat tussen oude Keulsebaan en Ratommerweg 9 Morgenstraat 10a Poortereind tussen Keulsebaan en Morgenstraat 10b Poortereind tussen Schepelstraat en Morgenstraat

2032 (excl.plan) 6.543

2032 (incl.plan) 7.695

Toe-/afname + 1.152

6.543

7.172

+ 629

438

1.440

+ 1.002

438

2.012

+ 1.574

432 4.028 4.457

1.236 4.201 5.418

+ 804 + 173 + 961

Uit de mobiliteitstoets blijkt dat de afwikkeling van deze verkeergeneratie voor wat betreft de verkeersveiligheid, verkeersafwikkeling geen problemen zal gaan opleveren. In het vervolg van dit hoofdstuk wordt ingegaan op de impact van het verkeer als het gaat om de aspecten geluid (paragraaf 4.4.3 en luchtkwaliteit (paragraaf 4.4.4).

4.3

Parkeren

Huidige situatie In de huidige situatie zijn géén fysieke aangewezen parkeerplaatsen binnen het plangebied aanwezig in de openbare ruimte. Op de drie bestaande woonpercelen in het plangebied is voldoende parkeerruimte aanwezig om te voorzien in de parkeerbehoefte op eigen terrein. Parkeerbehoefte De maatgevende parkeerbehoefte wordt bepaald aan de hand van het op het moment van vergunningverlening van toepassing zijnde parkeerbeleid van de gemeente Roermond en de feitelijke invulling van het plangebied met woningen en openbaar gebied. Parkeerinvulling

87/176

Afbeelding 4.11: impressie schetsmatige opzet parkeerinvulling in Melickerveld (bron: buro Lubbers) Bij het parkeren in het nieuwe woongebied wordt rekening gehouden met de aanleg van parkeerplaatsen op eigen terrein en ook in de openbare ruimte. Daarbij wordt rekening gehouden met het aandeel bezoekers parkeren. Bij elk woningtype speelt het bijbehorende parkeerprogramma gebaseerd op het parkeer normenbeleid van de gemeente Roermond. Het parkeren zal zoveel mogelijk uit het straatbeeld/zicht plaatsvinden tussen de bomen of in parkeerhofjes achter de woningen. Het parkeren vindt veelal plaats op eigen terrein. De rijwoningen en de woningen in een woongebouw delen een gezamenlijke parkeerontsluiting op een achter- of entree erf. In de openbare ruimte van het plangebied zal tevens op meerdere locaties rekening gehouden worden met de

88/176

aanleg van parkeervoorzieningen voor met name bezoekers en deels voor bewoners (aaneengebouwde woningen/appartementen). Conclusie De parkeerbehoefte behorende bij de planontwikkeling kan volledig opgevangen worden in het plangebied op eigen terrein en in het openbaar gebied. Het aspect parkeren vormt op basis van het programma géén belemmering voor de beoogde ontwikkeling in het plangebied. In dit bestemmingsplan is in de planregels een parkeernormen bepaling opgenomen waarin is bepaald dat voldaan dient te worden aan de gemeentelijke parkeernormen zoals deze zijn vastgelegd in de op het moment van vergunningverlening van toepassing zijnde gemeentelijke nota parkeernormen. In de nota parkeernormen wordt onderscheid gemaakt tussen 4 verschillende zones: ‘centrum’, ‘schil’ en ‘rest bebouwde kom Roermond en 'overige kernen en buitengebied'. Bij elke zone horen specifieke parkeernormen. Het nieuw te ontwikkelen woongebied Melickerveld komt te liggen in de zone ‘rest bebouwde kom Roermond’. De parkeernormen zijn als bijlage 3, bij de regels van dit bestemmingsplan opgenomen. De definitieve parkeertoets en daadwerkelijke invulling vindt plaats aan de hand van de in te dienen omgevingsvergunningaanvragen, die getoetst worden aan het op dat moment van toepassing zijnde gemeentelijke parkeer(normen)beleid (dynamische verwijzing parkeerbeleid in de planregels).

4.4

Milieu

4.4.1

Bodem

Regelgeving Het nationale bodembeleid is geregeld in de Wet bodembescherming (Wbb). Het doel van de Wbb is om te voorkomen dat nieuwe gevallen van bodemverontreinigingen ontstaan. Voor bestaande bodemverontreinigingen is aangegeven in welke situaties (omvang en ernst van verontreiniging) en op welke termijn sanering moet plaatsvinden. Hierbij dient de bodemkwaliteit tenminste geschikt te worden gemaakt voor de functie die erop voorzien is, waarbij verspreiding van verontreiniging zoveel mogelijk wordt voorkomen. Op basis van artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening en artikel 3.2 Algemene wet bestuursrecht, moet in planvorming rekening gehouden worden met de bodemkwaliteit in relatie tot de gewenste functies. Het beleid gaat uit van het principe dat de bodem geschikt dient te zijn voor de beoogde functie. De gewenste functie bepaalt als het ware de gewenste bodemkwaliteit. Omdat er wel een signaalfunctie van het onderzoek uit kan gaan, is een onderzoek naar de kwaliteit van de bodem in het plangebied uitgevoerd. In de Bouwverordening van de gemeente is geregeld dat onder bepaalde omstandigheden het oprichten van gebouwen pas kan plaatsvinden als de bodem geschikt is (of geschikt is gemaakt) voor het beoogde doel. Om die reden dient bij iedere nieuwbouwactiviteit de bodemkwaliteit door middel van onderzoek te worden vastgesteld.

89/176

Algemeen Vervuiling dient opgeruimd te worden indien de vervuiling zodanig is dat er sprake is van risico's voor gezondheid of milieu. In de praktijk blijken er vrijwel nooit risico's te zijn voor de gezondheid van mensen. Milieurisico's (verspreiding en ecologie) komen wel voor, maar meestal gaat het erom dat eventuele vervuilingen afstemming vereisen met bepaalde ontwikkelingen. Op dit moment is er sprake van een omslag van saneren naar beheren en behoeven alleen de zogeheten "ernstige vervuilingen" in meer of mindere mate aangepakt te worden. De maatregelen worden daarbij afgestemd op de functie. Voor locaties waar nieuwe (woning)bouwmogelijkheden zijn opgenomen, is een bodemonderzoek (conform NEN 5740) nodig om eventuele bodem- en/of grondwaterverontreinigingen in kaart te brengen. Wanneer een ontwikkeling geen bestemmingswijziging tot gevolg heeft, is geen bodemonderzoek in het kader van het bestemmingsplan nodig; de bodem wordt in dat geval geschikt geacht voor de toegestane functie. Het bodemonderzoek wordt in die gevallen uitgevoerd in het kader van de omgevingsvergunning voor het bouwen. Bodemonderzoeken Melickerveld (eerder uitgevoerd) Onderzoeken Econsultancy Voor de bodemonderzoeken die vóór mei 2011 zijn uitgevoerd wordt verwezen naar het vooronderzoek NEN 5725 plan Melickerveld te Roermond dat door Econsultancy in 2011 is uitgevoerd (rapport 1102176 - d.d.

13 mei 2011. Uit dit vooronderzoek is gebleken, dat er voor het overgrote deel van de onderzoek locatie géén sprake is van bodembelasting, anders dan een regionale of landelijke diffuse achtergrondbelasting. Voor wat betreft de (voormalige) locatie Heinsbergerweg 367 en de (onverharde) wegen is geconcludeerd dat hier wél sprake is van voormalige of huidige bodembelasting, waardoor sprake was van een vermoeden van bodemverontreiniging. Daarom is destijds geadviseerd deze (deel)locaties verder middels een verkennend bodemonderzoek te onderzoeken. Onderzoek Arcadis In 2012 heeft Arcadis een bodemkundig/hydrologisch onderzoek uitgevoerd (rapport 076411851:0.8 d.d. 9 mei 2012). In dit rapport werden adviezen gegeven voor ontwatering en minimale peilen, infiltratie van hemelwater, geschiktheid uitkomend bodemmateriaal en grondverbetering. Onderzoek Geonius In 2013 heeft Geonius een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd (plan Melickerveld, fase 1: verdachte deellocaties wegen en Heinsbergerweg 367 | rapport MA-120463.R1 - d.d. 18 januari 2013. Uit de resultaten van het uitgevoerde verkennend bodemonderzoek is het volgende naar voren gekomen: gebleken is dat het funderingsmateriaal bij boring 48 (Eindstraat) sterk verontreinigd is met PAK en bij boring 49 matig verontreinigd met PAK. Deze verontreinigingen zijn waarschijnlijk veroorzaakt door de zintuiglijk bijmenging van asfalt.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Roermond&id=aef7a3da-74af-4f40-8f32-6234bc48afee