CConstaterende datRoermond
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 2a (Nieuw) - Toelichting op het bestemmingsplan Melickerveld 2022 (digitaal ter inzage) (oud)

Gemeenteraad 17 februari 2022, gemeente RoermondBij agendapunt: Vaststelling bestemmingsplan Melickerveld 202229.978 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 4

Hierin is de toepassing van de Ladder voor Duurzame verstedelijking (art. 3.1.6 lid 2, Besluit Ruimtelijk ordening) voorgeschreven (lid 1). Daarnaast dienen de mogelijkheden van herbenutting van leegstaande monumentale en beeldbepalende gebouwen te worden onderzocht (lid 2). De Ladder is alleen van toepassing op nieuwe stedelijke ontwikkelingen. Daarvan is in beginsel sprake als het nieuwe bestemmingsplan meer bebouwing mogelijk maakt, of voorziet in een functiewijziging van zodanige aard en omvang dat om die reden sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling. Aan beide aspecten wordt bij het plan Melickerveld voldaan: de bebouwingsmogelijkheden nemen fors toe, en er wordt een woongebied bestemming voor de woonfunctie toegekend aan de gronden in het plangebied. Het plan 'Melickerveld' met een realisatie van 468 nieuwe woningen is dan ook zonder meer te kwalificeren als een nieuwe stedelijke ontwikkeling en daardoor ladderplichtig.

40/176

In paragraaf 3.4.6 onderdeel ‘Wonen en volkshuisvesting’ wordt op de ladder voor duurzame ontwikkeling nader ingegaan. 3.2.3 Provinciaal Waterplan Het provinciaal waterbeleid is onder andere verwoord in het Provinciaal Waterplan Limburg 2016-2021. Het Provinciaal Waterplan vormt de strategische basis voor het Limburgse waterbeleid en waterbeheer, voor de korte en lange termijn. Het waterplan houdt rekening met duurzaamheid en klimaat veranderingen. Het is een breed gedragen beleidsplan, omdat het tot stand is gekomen in nauwe samenwerking met veel belanghebbende (water)partijen in Limburg. Voor elk beleidsgebied is het POL uitgewerkt in een programma. Deze programma’s vormen het kader voor uitvoeringsprojecten, zoals beekherstel, natuurontwikkeling, aanleg of vernieuwing van wegen. Een van de vijf doelen die de provincie stelt op het gebied van water is het realiseren van schoon water. Riooloverstorten vormen een belemmering voor het behalen van de doelen voor waterkwaliteit. Om het risico op riooloverstorten te reduceren gaat de voorkeur uit naar het afkoppelen van het verharde oppervlak. Het beleid is dat voor nieuwbouw 100% van het verharde oppervlak moet worden afgekoppeld en bij bestaande bebouwing en herstructurering is het beleid maximale afkoppeling binnen grenzen van doelmatigheid.

De voorkeursvolgorde is vasthouden/infiltreren, bergen en afvoeren van het gescheiden regenwater. De voorkeurstabel afkoppelen uit “Regenwater schoon naar beek en bodem” is bij afkoppeling een belangrijk hulpmiddel. In aanvulling op de voorkeurstabel moet diepte-infiltratie van hemelwater zeer terughoudend worden toegepast i.v.m. risico’s voor verontreiniging van de diepe grondwatervoorraden. Het plangebied is gelegen binnen het Roerdalslenk Zone III, een van de kristallen waarden in het POL. Dit gebied is aangewezen om de openbare drinkwatervoorraden te reserveren. In het POL is de gehele slenk aangeduid als boringsvrije zone. Dit betekent dat boringen dieper dan 80 meter beneden maaiveld, onder andere ten behoeve van het slaan van waterputten, hier ter bescherming van de genoemde afzetting en daarmee van de strategische grondwatervoorraad, verboden zijn. Indien men een boring dieper dan 80 meter binnen de Roerdalslenk wil gaan verrichten dient dit te worden gemeld. In deze toelichting wordt op het aspect waterhuishouding nader ingegaan in paragraaf 4.6. 3.2.4 Provinciale omgevingsvisie Limburg (POVI) De nieuwe Omgevingswet treedt naar verwachting op 1 juli 2022 in werking. De Omgevingswet zorgt voor een veilige, gezonde en prettige leefomgeving met een goede balans tussen benutten en beschermen. “Ruimte voor ontwikkeling, waarborgen voor kwaliteit” is het motto.

Door minder en overzichtelijke regels moet de Omgevingswet ruimte bieden voor lokale invulling en voor initiatieven uit de samenleving, maar ook voor snellere, betere en integrale besluitvorming ("Eenvoudig en beter"). Het huidige Provinciaal Omgevingsplan Limburg (POL2014) vormt deels het vertrekpunt voor de Provinciale Omgevingsvisie Limburg (hierna: POVI). Daarnaast dient de Provincie Limburg te beschikken over een Omgevingsverordening. In de Omgevingsverordening legt de Provincie regels vast voor onder meer natuur, milieu, (grond-)water, ontgronding, wegen, ruimte (verstedelijking, woon- en werklocaties, agrarische bedrijven).

41/176

42/176

Figuur 3.3: uitsnede uit Omgevingsvisie Limburg met legenda Op 1 oktober 2021 hebben Provinciale Staten van Limburg de Omgevingsvisie Limburg (hierna: POVI) vastgesteld, met inachtneming van de aanvaarde amendementen. De POVI vervangt het in 2014 vastgestelde Provinciaal Omgevingsplan Limburg (POL2014) en is via een interactief proces met overheden, semi-overheden, belangenorganisaties en burgers opgesteld. De POVI is in werking getreden op 25 oktober 2021. De POVI is een strategische en lange termijn visie (2030-2050) op de fysieke leefomgeving. De POVI kijkt echter breder dan enkel naar de fysieke leefomgeving, zoals wonen, infrastructuur, milieu, water, natuur, landschap, bodem, ruimtelijke economie, luchtkwaliteit en cultureel erfgoed. Daarnaast worden ook de aspecten gezondheid en een gezonde leefomgeving alsmede veiligheid, economie en sociale aspecten in de Omgevingsvisie meegenomen. Dat wil zeggen dat de visie ook ingaat op onderwerpen als gezondheid en veiligheid, economie en sociale aspecten. Dit in onderlinge samenhang en met oog voor de internationale context waarin Limburg zich bevindt. De opzet en scope van de Omgevingsvisie (fysieke leefomgeving in brede zin) sluiten aan bij de nieuwe Omgevingswet (beoogde inwerkingtreding per 01-07-2022).

43/176

Er is één Provinciale Omgevingsvisie voor het grondgebied van Limburg. Deze omgevingsvisie is opgebouwd uit met elkaar samenhangende en afgestemde (beleids-)modules, zowel gebiedsgericht als thematisch. In de Omgevingswet zijn geen regels gesteld over een verplichting tot actualiseren of een (vaste) termijn waarbinnen een actualisatie van de Omgevingsvisie moet plaatsvinden. Dit biedt de flexibiliteit om, (als dat nodig is) via partiële herzieningen één of meerdere modules van de Omgevingsvisie aan te passen, waarbij de integraliteit van de Omgevingsvisie in de gaten gehouden moet worden. Impulsen hiertoe kunnen voortkomen uit nieuwe college- of coalitieprogramma’s, maatschappelijke ontwikkelingen, monitoring en evaluatie, en wetgeving. De geconsolideerde Omgevingsvisie bevat voor alle modules altijd de actuele versies. Bij de operationalisering van beleidsdoelen uit een omgevingsvisie spelen programma’s een belangrijke rol. Een programma kan een sectoraal of gebiedsgericht karakter hebben en kan verschillende elementen bevatten. Het kan ook kaders stellen voor de uitoefening van bevoegdheden door het bestuursorgaan dat het programma vaststelt.

Een programma bevat voor één of meer onderdelen van de fysieke leefomgeving: een uitwerking van het te voeren beleid voor de ontwikkeling, het gebruik, het beheer, de bescherming of het behoud daarvan; maatregelen om aan één of meer omgevingswaarden te voldoen of één of meer andere doelstellingen voor de fysieke leefomgeving te bereiken. Overheden kunnen kiezen hoe en waarvoor ze programma’s inzetten. Een omgevingsvisie kan globaal worden gehouden. Het beleid wordt dan verder uitgewerkt in programma’s. Met een specifieke omgevingsvisie kan juist minder met programma’s worden gewerkt. Limburg kiest voor een Omgevingsvisie op hoofdlijnen, waardoor er ruimte is om in samenhang met de vierjaarlijkse bestuurscyclus accenten en prioriteiten te bepalen. Dit kan waar nodig in combinatie met het op onderdelen (modulair) actualiseren van de Omgevingsvisie. Het ligt voor de hand dat wanneer een projectbesluit wordt voorbereid of wanneer de Omgevingsverordening wordt aangepast, dit in de omgevingsvisie of in een programma wordt aangekondigd. Voor enkele onderwerpen zijn programma’s wettelijk voorgeschreven ter implementatie van EU-richtlijnen.

Voor de Provincie zijn vier programma’s verplicht: Actieplan geluid; Regionaal Waterprogramma; Beheerplannen voor Natura 2000-gebieden; Programma’s bij dreigende overschrijding van omgevingswaarde (zwaveldioxiden of stikstof) Midden-Limburg heeft als relatief dunbevolkte regio goede netwerken, relaties en verbindingen naar de dichtbevolkte binnen- en buitenlandse buurregio's. Door de regio lopen verschillende stromen, sporen, kabels, buizen en wegen waarlangs mensen, goederen, energie en grondstoffen onderweg zijn naar de plek van bestemming. Door deze ligging en de transportassen is de regio aantrekkelijk voor vele bedrijven. Het is hier prettig wonen, werken, winkelen en recreëren in aantrekkelijke steden en de nabij gelegen vitale dorpen in het groen . De vitale centrumstad Roermond heeft een belangrijke verzorgende functie voor de regio. Zo heeft Roermond naast wonen en werken ook een belangrijke functie als bezoekersstad voor binnen- en buitenlandse gasten en is koploper in de retail. Midden-Limburg is in 2050 het verbindende groene hart van Limburg waar het goed wonen, werken en recreëren

44/176

is. Grenzen zijn vervaagd en de regio verbindt de omliggende regio's met elkaar. De focus van het Omgevingsbeleid voor Midden-Limburg ligt op de sterke punten, verschillen worden gekoesterd en er wordt cyclisch gewerkt en gedacht. De keuze voor kwaliteit gaat boven kwantiteit. De aandacht gaat uit naar een duurzame samenleving waar mens en natuur hand in hand samen gaan. De regio is aantrekkelijk voor mensen die vanuit een prettige woonomgeving hun werk en recreatielocaties in de eigen regio of daarbuiten, gemakkelijk kunnen bereiken. De belangrijkste uitdagingen en opgaven voor Midden-Limburg worden beschreven aan de hand van drie hoofdopgaven met daarbij de ambities die Midden-Limburg voor zichzelf ziet. De ambities zijn bedoeld als richtinggevende inspanningsverplichtingen. Aan de basis van de drie hoofdopgaven ligt de zorg voor veiligheid, gezondheid en een goede omgevingskwaliteit. Daarnaast staat het onderscheidend en verbindend vermogen van het landschap aan de basis van de hoofdopgaven. De drie hoofdopgaven zijn: Werken aan een duurzaam en klimaatbestendig Midden-Limburg; Werken aan een toekomstbestendige (circulaire) economie; Werken aan een gezonde en aantrekkelijke woon- en leefomgeving voor Midden-Limburg.

Wonen en leefomgeving Een gezonde en aantrekkelijke woonomgeving is niet alleen afhankelijk van de woning zelf, maar heeft ook te maken met onder meer gezondheid, veiligheid en het voorzieningenniveau in de omgeving. Uiteraard is ook de omgevingskwaliteit (luchtkwaliteit, geuroverlast en geluidhinder) en woningkwaliteit hierbij van belang. In Midden-Limburg is er sprake van demografische veranderingen die invloed hebben op de woon- en leefomgeving. Het is hierbij een uitdaging de komende jaren passend bij de behoeften voldoende woningen van de juiste kwaliteit toe te voegen en te zorgen voor de juiste woningen op de juiste plaats. Hierbij heeft Midden-Limburg de ambitie om een gedeelte van de woningbouwopgave van Zuid-Oost-Brabant in te vullen. Voor wonen staan voor een belangrijk deel de gemeenten aan de lat. De werkwijze voor wonen is vanaf 2015 gegroeid en per regio vastgelegd in bestuursafspraken tussen de gemeenten en de Provincie. De essentie van deze werkwijze is dat de gemeenten in regionaal verband per thema de kaders uit de provinciale omgevingsvisie (ambitie, opgave, principes) concretiseren tot gezamenlijke (inter)gemeentelijke programma’s (voorheen structuurvisies of visies), waarvan de essenties onderdeel worden van de gemeentelijke omgevingsvisies. De Provincie is nauw betrokken bij deze uitwerkingen.

De vaststelling vindt evenwel plaats door gemeenteraden/ besturen. De bestuursafspraken gaan over de totstandkoming, uitwerking, uitvoering, borging, naleving en monitoring van deze regionale uitwerkingen. De regionale aanpakken maken maatwerk per regio (zoals voor Midden-Limbug) mogelijk.

45/176

Er is sprake van zowel kwalitatieve als kwantitatieve opgaven op de woningmarkt en van een trage doorstroming. Deze opgaven verschillen per regio. Ook de betaalbaarheid van woningen staat onder druk. Op het gebied van wonen en leefomgeving liggen regionaal bepaalde uitdagingen én kansen. Limburg scoort op het punt van besteedbaar inkomen, arbeidsparticipatie, sociale contacten, vertrouwen en gezondheid beduidend slechter dan het Nederlands gemiddelde. Daarom kijkt de provincie met haar beleid voor wonen niet alleen naar de woonbehoefte en de kwaliteit en betaalbaarheid van de woning én de woon- en leefomgeving, maar wordt gekozen voor een bredere aanpak. Er is een ambitie om de brede welvaart van de Limburger te verbeteren. Daarbij zijn er ook kansen om een bijdrage te leveren aan de klimaat-, energie-, verduurzamings-, ruimtelijke- en mobiliteitsopgaven die er voor de woningmarkt en in de bebouwde omgeving liggen. De woningbehoeften van de Limburgers veranderen. Daarom wordt gekozen voor een goed doordacht, flexibel beleid op hoofdlijnen. Hiermee wordt ingespeeld op de huidige opgaven én de te verwachten uitdagingen in de toekomst. De woonbehoeften van de inwoners van Limburg zijn hierbij leidend. De grootste opgave op korte- en middellange termijn zit in het toekomstgeschikt maken van de verouderde en niet-courante bestaande woningvoorraad.

Conjuncturele ontwikkelingen en migratiestromen beïnvloeden vraag en aanbod op de woningmarkt. Daarnaast zien we dat de woonvraag verandert waardoor het woningaanbod niet altijd aansluit op de vraag. Daardoor is er op korte termijn een vraag naar woningen voor specifieke doelgroepen en lokaal een overschot aan incourante plannen en woningen. Voor zover (harde en zachte) planvoorraad voorziet in de mogelijkheid om woningen te bouwen waar niet langer behoefte aan is, zal de Provincie in overleg met de gemeenten onderzoeken hoe deze planvoorraad aangepakt kan worden. Hiertoe is reeds in POL2014 een oproep gedaan aan gemeenten, die Limburgbreed nog niet het gewenste resultaat heeft opgeleverd. Het gevolg is dat woningbouwplannen waaraan dringend behoefte bestaat, niet kunnen worden toegevoegd vanwege een te grote voorraad aan niet meer actuele plannen die niet meer aansluiten bij de behoefte. Volgens de huidige prognoses worden naar de toekomst toe overschotten in de woningvoorraad verwacht. Lokaal zijn die er nu al of ontstaat dit overschot juist pas later (zoals voor Roermond). Getalsmatig zijn er voldoende woningen en liggen er meer dan genoeg plannen klaar. Kwalitatief gezien zijn dit echter niet overal

46/176

de juiste woningen en de juiste plannen. Met name in de middenhuur en sociale huur is er een steeds diverser wordende groep mensen aangewezen op nieuwe woon(zorg)concepten. Daarnaast is er behoefte aan passende, en mogelijk tijdelijke, huisvesting voor bijvoorbeeld internationale werknemers, vluchtelingen, statushouders en woonurgenten. Limburg kent daarnaast een relatief oude, incourante woning- en planvoorraad. Deze woningen moeten toekomst- en levensloopbestendig én verduurzaamd worden. gedacht wordt hierbij aan bijvoorbeeld isoleren, het plaatsen van zonnepanelen en woningen van het gas halen. Dit leidt tot sloop- en/of herstructureringsopgaven in centra, buurten, wijken, dorpen en het buitengebied, om daarmee de woningvoorraad up-to-date en passend bij de woonbehoefte te maken. Bovendien wordt een bijdrage geleverd aan het verbeteren van de sociaal-economische en gezondheidssituatie van de inwoners en het voorkomen van segregatie. Ook de betaalbaarheid van woningen blijft een belangrijk aandachtspunt. Voor sommige doelgroepen nemen kansen op de woningmarkt af. Dit komt door stijgende huurprijzen en hoge inkomenseisen, lossere arbeidsrelaties, passend toewijzen, hogere studieschulden, strengere hypotheekeisen en weinig doorstroming. Door het in balans brengen van vraag en aanbod kan een tekort aan woningen voor bepaalde doelgroepen worden voorkomen.

Daarnaast heeft dit een positief effect op ongewenste leegstand met de bijbehorende ondermijnings- en leefbaarheidsproblemen. De woonkwaliteit voor mensen is niet alleen afhankelijk van de woning zelf. Ook sociaal-economische omstandigheden, gezondheid, leefbaarheid, het voorzieningen- niveau, de bereikbaarheid en een veilige omgeving zijn van belang. Leegstand, criminele activiteiten, ondermijning of verloedering en eenzijdig samengestelde woongebieden hebben invloed op de leefbaarheid en kunnen de kloof in de samenleving vergroten. Gemengde wijken met ruimte voor verschillende leefstijlen dragen bij aan een sterker sociaal weefsel en kunnen bijdragen aan het voorkomen van sociale problemen. Schone lucht, de nabijheid van groen - ook om hittestress tegen te gaan-, voorzieningen om wateroverlast tegen te gaan bij extreme buien en de kwaliteit van de openbare ruimte dragen bij aan de omgevingskwaliteit. Ambitie Samen met haar partners wil de provincie een voortreffelijke woon- en leefomgeving realiseren; een leefomgeving waar mensen zich prettig voelen. Het is belangrijk dat mensen kunnen wonen in een zelfgekozen woning en woonomgeving (die past bij hun mogelijkheden en levensfase) waar ze zich thuis voelen.

Dit doen we door toe te werken naar een toekomstbestendige Limburgse woningmarkt met voldoende woningen van de juiste kwaliteit op de juiste plek, die waar mogelijk op het juiste moment beschikbaar én betaalbaar zijn. De provincie faciliteert flexibiliteit op de woningmarkt én stimuleert flexibele woonvormen waardoor aan de veranderende woonwensen en –behoeften van een diverse groep mensen tegemoet kan worden gekomen in zowel de bestaande bouw als nieuwbouw. Door in samenhang naar woonopgaven te kijken, legt de provincie op wijk- en buurtniveau de juiste verbindingen tussen sociale en fysieke woonopgaven (wonen, zorg, welzijn en leefbaarheid) en een duurzame, veilige en gezonde leefomgeving met gevarieerde woonmilieus. Daarmee wordt verdere segregatie voorkomen en vindt ruimtelijk sturing plaats door te prioriteren op inbreiding (herstructurering/ herbestemming), conform

47/176

de principes van de Ladder voor duurzame verstedelijking (zie hiervoor paragraaf 3.1.3 en 3.4.6). Waarvoor wordt gekozen? De POVI is het richtinggevende kader op hoofdlijnen. Daarnaast worden nadere uitwerkingen gemaakt op basis van regionale en lokale woonbehoeften, zoals de Limburgse Agenda Wonen 2020-2023. Deze meer gerichte uitwerkingen zijn noodzakelijk in provinciale, regionale en/of gemeentelijke programma's, agenda's en instrumenten. Enerzijds omdat de woningsbehoefte verandert en anderzijds omdat er lokale en regionale verschillen zijn in de opgaven ten aanzien van woon- en leefomgeving. Zo bieden we flexibiliteit om opgaven gericht op te pakken en bij te sturen Vanwege het brede maatschappelijke belang van de opgave is gekozen voor een agenderende, stimulerende, meesturende en verbindende rol. In hoofdzaak acteert de provincie vanuit toegevoegde waarde, meestal ondersteunend en aanvullend aan die de partners en via de inzet van (financieel en juridisch) instrumentarium. Indien nodig worden provinciale instrumenten ingezet. Monitoring vormt de basis voor regionale samenwerking. Provinciale monitoring is belangrijk om de Limburgse en regionale woonopgave voortdurend in beeld te hebben. Op basis daarvan kunnen gemotiveerd provinciale en regionale uitwerkingen voor het beleidsveld wonen worden gemaakt.

Daarnaast kunnen de regio’s op basis van de monitoringsgegevens hun programmering maken en afstemmen. De woningbouwontwikkelingen worden benaderd vanuit een brede maatschappelijke context. Dit vraagt een integrale aanpak van locaties en gebieden in de vorm van herstructurering en transformatie/herbestemming in centra, buurten, wijken, dorpen en het buitengebied. Bij het nemen van keuzes wordt rekening gehouden met samenhangende belangen zoals leegstand bij detailhandel, kantoren, maatschappelijk vastgoed, monumenten, etc. Daarnaast wordt de woningopgave altijd bezien in samenhang met veiligheid en leefbaarheid. Met het stimuleren van natuurinclusief en circulair bouwen, de verduurzamingsopgave en het levensloopbestendig maken van bestaande en nieuwe woningen, vraagt de provincie om gebruik te maken van meekoppelkansen voor een klimaatbestendige en -adaptieve woonomgeving. Via het principe van de Ladder voor duurzame verstedelijking wordt de ruimte in bestaand bebouwd gebied optimaal benut, zowel kwantitatief als kwalitatief. Dat betekent dat eerst leegstaand vastgoed hergebruikt en herbestemd wordt in lijn met de Limburgse principes. Daarvoor wordt samengewerkt met andere beleidsvelden. Wonen is in beginsel alleen maar toegestaan in bestaand bebouwd gebied. Hierop kunnen – tijdelijke – uitzonderingen worden gemaakt in de vorm van flexibele woonvormen.

Voorbeelden hiervan zijn tijdelijk permanente bewoning toestaan in recreatieparken toestaan voor de huisvesting van internationale werknemers en/of woonurgenten voor de duur van maximaal tien jaar en onder (nader te bepalen) voorwaarden als verdienmodel voor toekomstige herontwikkeling of sanering van het park, of het herbestemmen van monumentale bebouwing in het buitengebied zijn hiervan voorbeelden (zie hiervoor ook het hoofdstuk Economie). Deze uitzondering – hoewel niet tijdelijk – geldt ook voor Ruimte voor Ruimte woningen. Waar nodig wordt samen met ondernemers ruimte gemaakt voor arbeidsmigratie met leefbare huisvesting voor tijdelijke internationale werknemers en goede integratie van ‘nieuwe Limburgers’. Gemeenten worden geholpen om op een goede wijze de huisvesting te organiseren waarbij toegewerkt wordt naar één keurmerk, namelijk het keurmerk van de Stichting Normering Flexwonen (SNF). Conclusie

48/176

De voorgenomen ontwikkeling op de project locatie past binnen de beleidskaders van de POVI. 3.2.5

Omgevingsverordening Limburg (ontwerp)

Algemeen Op dit moment geldt de Omgevingsverordening Limburg 2014. Met de komst van de Omgevingswet is een nieuwe omgevingsverordening nodig die de huidige gaat vervangen en past binnen de kaders en het instrumentarium van de Omgevingswet (met verwachte in werkingtreding per 1 juli 2022). Hoewel het ontwerp van de Omgevingsverordening Limburg (2021) hoofdzakelijk een beleidsneutrale omzetting van de Omgevingsverordening Limburg 2014 is, staan er enkele nieuwe of inhoudelijk aanmerkelijk gewijzigde onderwerpen in. Het gaat hier om instructieregels aan gemeenten op het gebied van wonen, zonne-energie, na-ijlende effecten van de steenkoolwinning en huisvestingsnormen voor internationale werknemers. Deze nieuwe en gewijzigde onderdelen vinden hun oorsprong in de POVI. Het ontwerp van de Omgevingsverordening Limburg (2021) lag van 7 juni tot en met 19 juli 2021 voor eenieder ter inzage. Op basis van de ontvangen zienswijzen kan de inhoud van de verordening nog gewijzigd worden. Uiteindelijk zullen Provinciale Staten de Omgevingsverordening Limburg (2021) vaststellen. Dat zal naar verwachting vóór de inwerkingtreding van de Omgevingswet zijn.

Afbeelding 3.4: uit Omgevingsverordening Limburg (ontwerp) met situering van het plangebied aangeduid met rode stip op kaartbeeld: wonen, werken en recreëren.

49/176

In de Omgevingsverordening Limburg staan regels op het gebied van milieu, wegen, water, grond, landbouw, natuur, wonen en ruimte. Alle regels die betrekking hebben op het omgevingsbeleid zijn ondergebracht in één verordening. De Omgevingsverordening bevat grofweg twee typen regels: instructieregels gericht tot gemeenten of het waterschap; regels voor activiteiten die rechtstreeks voor een ieder gelden of voor specifieke doelgroepen. Instructie regels gemeenten In de Omgevingsverordening Limburg staan instructieregels die gemeenten in acht moeten nemen als zij een omgevingsplan vaststellen of wijzigen. In artikel 2.1.1 van de Omgevingsverordening Limburg 2014 was bepaald dat de instructieregels die waren opgenomen in hoofdstuk 2 van die verordening niet alleen voor ‘bestemmingsplannen’ golden, maar breder voor ‘ruimtelijke plannen’. Hieronder werden niet alleen bestemmingsplannen begrepen, maar onder meer ook wijzigings-of uitwerkingsplannen, beheersverordeningen en omgevingsvergunningen waarmee werd afgeweken van het bestemmingsplan. Een soortgelijke bepaling in de omgevingsverordening is onder de Omgevingswet niet meer nodig. Voor een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevings- planactiviteit geldende instructieregels namelijk rechtstreeks op grond van de artikelen 8.0b en8.0c van het Besluit kwaliteit leefomgeving.

Deze artikelen bepalen dat de instructieregels van de Omgevingsverordening voor het vaststellen van een omgevingsplan, overeenkomstig worden toegepast als beoordelingsregel bij het beoordelen van een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit. De overeenkomstige toepassing van de instructieregels bij een omgevingsvergunning voor een binnenplanse omgevingsplanactiviteit is niet expliciet geregeld, maar dat is ook niet nodig. Immers het hele omgevingsplan, inclusief binnenplanse vergunningstelsels en daarbij horende beoordelingsregels, moet voldoen aan de instructieregel zoals opgenomen in de omgevingsverordening. De overige ‘ruimtelijke besluiten’ die artikel 2.1.1 van de Omgevingsverordening Limburg 2014 noemde, hebben onder de Omgevingswet geen vergelijkbare opvolger gekregen. Woningmarkt - woningvoorraad Sinds de provinciale omgevingsverordening van 2014 is er veel veranderd ten aanzien van de woningmarkt en daarom ook ten aanzien van het woningmarktbeleid. Samenwerking in de regio blijft belangrijk en om aan de actuele vraag te voldoen is het belangrijk om waar mogelijk belemmeringen weg te nemen. De provincie Limburg beschikt over meer dan voldoende planvoorraad om aan de kwantitatieve vraag te voldoen (2x meer planvoorraad dan de vraag).

Of met deze bestaande planvoorraad voldaan kan worden aan de kwalitatieve vraag is niet altijd duidelijk. Daarbij zijn veel gemeenten na de vaststelling van het bestemmingsplan sterk afhankelijk van de bereidheid van de ontwikkelaar/initiatiefnemer om tot realisatie van de woningen te komen. Om van de woningen op papier echte woningen te maken, om te stimuleren dat plannen worden gerealiseerd, in heel Limburg, in steden en op het platteland, is er een realisatie termijn voor woningbouwplannen in de omgevingsverordening opgenomen. Er is een onderscheid gemaakt in plannen die onherroepelijk en nog niet gerealiseerd zijn (op de plank liggen) en plannen die vanaf 2022 in procedure gaan (nieuwe woningbouwplannen). Zo dienen alle onherroepelijke en

50/176

niet gerealiseerde plannen van vóór 2015, vóór 2025 te zijn gerealiseerd. Indien realisatie niet plaatsvindt, dan zal de gemeente deze plannen voor die termijn heroverwegen. Voor alle woningbouwplannen die tussen 2015 en 2021 onherroepelijk zijn geworden, geldt dat ze uiterlijk in 2029 dienen te zijn gerealiseerd en anders door de gemeente worden heroverwogen. Voor alle nieuwe woningbouwplannen die vanaf 2022 door de gemeente worden vastgesteld, geldt dat ze binnen vijf jaar dienen te worden gerealiseerd. Heeft de realisatie niet plaatsgevonden, dan worden ze door de gemeente heroverwogen. Voor onherroepelijke niet gerealiseerde woningbouwplannen en nieuwe niet gerealiseerde woningbouwplannen geldt dat de gemeentelijke heroverweging plaatsvindt op basis van de dan geldende actuele kwalitatieve en kwantitatieve behoefte en de dan geldende regionale afspraken en samenwerking. Dankzij de Limburg brede realisatie termijn wordt een toename van de realisaties verwacht. Dankzij de Limburg brede heroverweging kunnen de gemeenten gelijktijdig optrekken en enerzijds bepalen of het plan wordt voortgezet en binnen afzienbare tijd wordt gerealiseerd, of anderzijds bepalen dat het plaats maakt voor een andere passende functie. Daarmee tevens ook plaats makend voor andere woningbouwplannen.

De belangrijkste gemeentelijke belemmeringen, afhankelijkheid van derden en de eeuwige houdbaarheid van papieren plannen, worden met de instructieregels in de omgevingsverordening weg genomen. Gesteund door de andere instrumenten die de provincie en het Rijk inzetten, wordt de slagingskans van onze gezamenlijke wens om te zorgen voor de realisatie van ‘de juiste woning, op de juiste plek, op het juiste moment’ vergroot. Met deze actualisatieplicht in twee stappen, wordt gestuurd op de planvoorraad die past bij de actuele kwalitatieve en kwantitatieve behoefte, welke tevens ook binnen afzienbare tijd wordt gerealiseerd en anders plaats maakt voor andere woningbouwplannen of functies. Regels over activiteiten - bescherming grondwater Een waterwingebied is het gebied waar grondwater wordt onttrokken uit de bodem voor de productie van drinkwater. Het is belangrijk dat deze gebieden beschermd worden om de kwaliteit van het drinkwater te waarborgen en verontreiniging ervan te voorkomen. Daarom gelden in de waterwingebieden de strengste regels. In de meeste gevallen ligt rondom een waterwingebied een grondwaterbeschermingsgebied om het waterwingebied extra te beschermen. Ook in een grondwaterbeschermingsgebied gelden strenge regels om het grondwater, bestemd voor de bereiding van drinkwater, te beschermen.

Naast waterwingebieden en grondwaterbeschermingsgebieden zijn er in de verordening twee boringsvrijezones aangewezen: de Roerdalslenk en de Venloschol. In deze boringsvrije zones wordt het grondwater afgedekt door een kleilaag. Deze kleilaag biedt een natuurlijke bescherming tegen vervuiling van het grondwater. Het doorboren van zo’n kleilaag zou kunnen leiden tot vervuiling van het grondwater en daarom worden er regels gesteld die het doorboren of op andere wijze aantasten van de kleilagen verbieden. Het grondwater in de boringsvrije zones is gereserveerd voor drinkwater en water voor overige menselijke consumptie. Onder dat laatste wordt verstaan, water voor de vervaardiging, behandeling, conservering of het in de handel brengen van levensmiddelen. De boringsvrije zone Roerdalslenk is onderverdeeld in vier deelzones. Deze onderverdeling is gemaakt omdat de kleilaag niet in iedere deelzone even diep is. In het geval dat er een boring of andere ingreep in de bodem plaatsvindt in de Roerdalslenk is het dus afhankelijk van de diepte van de kleilaag tot hoe diep dat is toegestaan. De gehele Roerdalslenk is een boringsvrije zone ter bescherming van de diepe grondwatervoorraad. In de

51/176

Roerdalslenk gelden zones van 20, 30 en 80 meter diepte waar ter bescherming van de diepe grondwatervoorraad enkel met ontheffing conform de Provinciale Milieuverordening boringen zijn toegestaan. Het is in het gebied Roerdalslenk verboden: a. een boorput of een bodemenergiesysteem te maken of hebben of de grond te roeren, dieper dan de bovenkant van de Bovenste Brunssumklei; b. werken op of in de bodem uit te voeren of te doen uitvoeren waarbij ingrepen worden verricht of stoffen worden gebruikt die de beschermende werking van . de Bovenste Brunssumklei kunnen aantasten. Het voornemen tot het maken van een boorput, het aanleggen van een bodemenergiesysteem of het roeren van grond in de Roerdalslenk dieper dan 20 meter beneden het maaiveld in zone I, 30 meter in zone II of 80 meter in zone III tot aan de Bovenste Brunssumklei moet worden gemeld aan gedeputeerde staten. Het plangebied Melickerveld 2022 is gesitueerd in de Roedalslenk, boringsvrije zone III (zone van 80 meter).

Afbeelding 3.5: uit Omgevingsverordening Limburg (ontwerp) met situering van het plangebied aangeduid met rode stip op kaartbeeld: grondwaterbescherming. Instructieregels voor waterschap Vanuit de provincie gelden voor regionale oppervlaktewateren omgevingswaarden, ofwel “normen” voor wateroverlast. Het waterschap is de beheerder van de regionale wateren. Vanuit die positie dient(alleen) het waterschap concrete maatregelen te nemen om de afvoer- en bergingscapaciteit van een regionaal oppervlaktewater te vergroten. Daarom moet het waterschap voldoen aan de provinciale normen voor wateroverlast. Op grond van artikel 2.10, eerste lid van de Omgevingswet moet een omgevingswaarde worden geduid als een resultaatverplichting, inspanningsverplichting of een andere, te omschrijven verplichting. Op grond van de hieronder beschreven aspecten is de omgevingswaarde geduid als resultaatverplichting: het beleid omtrent de normering zoals opgenomen in het Provinciaal Waterprogramma als continuering van het voorgaande Provinciale Waterplan; de concrete wijze waarop de normering is vastgelegd in de Omgevingsverordening, waarbij is afgewogen of de te treffen maatregelen haalbaar en betaalbaar, landschappelijk inpasbaar en ecologisch duurzaam zijn;

52/176

de mogelijkheid om de normering aan te passen op basis van de periodieke beoordeling van de regionale wateren als bedoel in artikel 3.1, tweede lid. Tevens is bepaald dat op grond van artikel 2.10, tweede lid van de Omgevingswet dat aan de resultaatsverplichting om te voldoen aan de normering uiterlijk in 2035 moet zijn voldaan. Hierbij is rekening gehouden met de complexiteit van de opgave en de omvang van de kosten. De omgevingswaarden geven de maximaal toelaatbare kans op overstroming per jaar van aangewezen gebieden aan. Ze zijn gericht op extreme situaties: neerslag- en afvoersituaties die niet vaak voorkomen. Deze omgevingswaarden geven afhankelijk van de functie van het gebied en van het oppervlaktewater aan, aan welke normen de bescherming tegen wateroverlast moet voldoen. Bij de uitvoering van maatregelen om aan deze normen te voldoen wordt rekening gehouden met de gevolgen van het extremer wordende weer, met meer hoosbuien en daardoor een grotere kans op wateroverlast. Bij de normstelling wordt het uitgangspunt gehanteerd dat maatregelen haalbaar en betaalbaar, landschappelijk inpasbaar en ecologisch duurzaam zijn. De normering regionale wateroverlast bepaalt de opgave inzake wateroverlast door het waterschap.

De project locatie is gesitueerd in Overstromingsgebied C (zie figuur 3.6) met een gemiddelde overstromingskans van 1:25 voor bebouwing in bebouwde kernen, langs beken en droogdalen. Daarbij geldt dat: de norm voor bebouwing alleen geldt voor woonbebouwing, bedrijven en niet voor overige terreinen in stedelijk gebied; de norm voor bebouwing alleen geldt voor water dat over de drempel van bebouwing naar binnen stroomt.

Figuur 3.6: uitsnede van kaart 3 'Omgevingswaarden - wateroverlast' (bron: Ontwerp Omgevingsverordening Limburg) Het waterschap is verantwoordelijk voor het realiseren van de bescherming volgens de normen. Daarbij dient het waterschap de maatregelen zodanig te ontwerpen, dat deze ook in het verwachte klimaat van 2050 nog voldoen aan de geldende normen uit de Omgevingsverordening. Daarbij dient steeds uitgegaan te worden van

53/176

de meest actuele neerslagstatistieken. Conclusie De voorgenomen ontwikkeling op de project locatie past binnen de regels van de Omgevingsverordening Limburg. 3.2.6 Conclusie provinciaal beleid Onderhavige planontwikkeling past binnen het provinciaal Limburg. Het plangebied is goed bereikbaar, aangesloten via de N293 en Heinsbergerweg op de Sint Wirosingel. Tevens sluit het aan bij de bestaande stedelijke bebouwing van Roermond. Het plangebied is niet gelegen binnen gebieden die binnen de provincie zijn aangewezen met bijzondere groene (zoals Ecologische Hoofdstructuur of Provinciaal Ontwikkelingszone Groen) of blauwe (aan water gerelateerde natuurwaarden) waarden. De woningbouwontwikkeling 'Melickerveld' is opgenomen in de bestaande planvoorraad en is in overeenstemming met de Provinciale Woonvisie binnen de kwantitatieve en kwalitatieve woningbehoefte. Zie hiervoor paragraaf 3.3 en paragraaf 3.4.6 onderdeel 'Duurzaamheidsladder'. Voor het plan is een watertoets uitgevoerd waarin wordt aangegeven op welke wijze het provinciale waterbeleid in het plan is gewaarborgd (zie paragraaf 4.6). Ook worden geen boringen voorzien die de Roerdalslenk raken.

3.3

Regionaal beleid

3.3.1 Structuurvisie Wonen Midden-Limburg (2018-2021) De structuurvisie 'bouwen aan de toekomst" voor wonen in Midden-Limburg betreft de opvolger en actualisering van de Structuurvisie Wonen, Zorg en Woonomgeving (van 2014). Ten behoeve van de nieuwe structuurvisie wonen in Midden-Limburg is een woningmarkt- onderzoek uitgevoerd (2018) met ondersteuning van de Provincie Limburg. In deze actualisatie zijn de leermomenten van de Structuurvisie 2014 meegenomen. Er zijn concrete afspraken gemaakt voor de periode 2018 tot en met 2021 en er wordt een doorkijk gegeven op de verwachte behoefte tot 2030. Deze actualisatie kan worden aangehaald als “Structuurvisie Wonen Midden-Limburg 2018 tot en met 2021” (hierna: Structuurvisie Wonen 2018). In de periode 2014-2017 heeft de economie laten zien dat nieuwbouw en economie niet losgekoppeld kunnen worden. Voor de komende periode heeft de regio haar ambities om te bouwen naar behoefte geactualiseerd om ervoor te blijven zorgen dat de juiste kwaliteit woningen op de juiste plekken kunnen worden gebouwd. Hiervoor ligt aan deze actualisatie een nieuw woningmarktonderzoek ten grondslag en zijn de meest recente landelijke, provinciale en regionale ontwikkelingen vertaald. De Structuurvisie Wonen 2018 is uitvoeringsgericht en in de praktijk toepasbaar, inclusief toetsingskaders. Voorop blijft staan dat voorzienbaarheid gecreëerd wordt m.b.t.

de benodigde reductie van de planvoorraad. Daarnaast ligt de focus op de realisatie van de (ver)bouwopgave en de verduurzaming van de bestaande woningvoorraad. De Structuurvisie Wonen 2018 bevat een gereedschapskist, het in te zetten instrumentarium om deze opgaven te realiseren. De gewenste kwalitatieve afstemming van woningbouwplannen in de regio is ook concreet gemaakt.

54/176

In deze structuurvisie uit 2014 zijn de gewenste ruimtelijke ontwikkelingsrichting ten aanzien van het beleidsveld ‘Wonen’ voor de korte termijn (2014 tot en met 2017) en met een doorkijk naar de lange termijn (2018 tot en met 2023) vastgelegd. Wat betreft de demografische ontwikkelingen doen zich daarbij tussen gemeenten in Midden-Limburg verschillen voor. Een aantal gemeenten krimpt al in bevolkingsomvang of gaat dat het komend decennium doen. Een aantal groeit nog langere tijd door. Belangrijker nog voor de resterende woningbehoefte is het moment waarop het aantal huishoudens in een gemeente niet meer toeneemt. Dit moment verschilt sterk per gemeente. ln Roermond wordt dat pas in 2040 verwacht. ln de structuurvisie 2014 is tevens een afwegingskader opgenomen om de woningbouwplannen te ordenen. De kwantitatieve resterende opgave van de gehele regio is eerst gelijkelijk verdeeld over de gemeenten, naar rato van het aantal huishoudens. Op basis van de prognoses Etil 2013 zou de regio vanaf 2014 nog met 5.800 huishoudens groeien tot de top van het aantal huishoudens. Op basis van de prognoses Etil 2017 groeit de regio vanaf 2014 ruim 1.000 huishoudens meer. In Roermond valt de groei in Etil 2017 lager uit dan in 2013 en wordt de top verwacht in 2039 in plaats van 2040.

In de Structuurvisie Wonen 2018 is vastgelegd, dat elke gemeente kan uitgaan van minimaal de afspraak uit de Structuurvisie 2014 en alleen als prognose Etil 2017 hoger uitpakt, van deze nieuwe prognose. Dit betekent dat voor Roermond de aantallen gehanteerd blijven die in 2014 zijn vastgelegd. De algemene ontwikkelingen op de woningmarkt raken alle gemeenten in Midden-Limburg. Er is een groot aantal overeenkomsten: de fase van demografische transities die voor alle gemeenten met uitzondering van Roermond binnen nu en 15 jaar omslaat van groei naar krimp. De in de over het algemeen gunstig beleefde kwaliteit van wonen en leven. De vergelijkbare transformatieopgaven in het (maatschappelijk) vastgoed en de kwetsbare segmenten op de woningmarkt. Kwantitatieve behoefte

55/176

Vanwege lokale verschillen kunnen gemeenten binnen de afgesproken kaders naar eigen inzicht invulling kunnen geven aan de gestelde doelen en opgaven. In de huidige omstandigheden drukt de ontgroening, vergrijzing en de veranderende bevolkings- samenstelling een steeds zwaardere stempel op de kwalitatieve woningbehoefte. Met de ontwikkeling van plannen dient daarom nadrukkelijker met deze veranderingen rekening te worden gehouden. Voor alle gemeenten geldt in de periode 2018 tot en met 2029 een afname van het aantal jongere huishouden en de huishoudens uit de middengroep en een toename van het aantal oudere huishoudens. Ook hier zijn er duidelijke verschillen tussen de stedelijke gemeenten zoals Roermond en de landelijke gemeenten. De afname van het aantal jongere huishoudens is in de stedelijke gemeente Roermond duidelijk lager dan in de overige gemeenten. Hetzelfde geldt voor het aantal huishoudens uit de middengroep. De toename van het aantal oudere huishoudens is in alle gemeenten ongeveer gelijk met een iets hogere toename in onder meer Roermond. Kwalitatieve behoefte In de Structuurvisie Wonen 2018 is opgenomen dat gemeenten medewerking kunnen verlenen aan nieuwe plannen waarvoor in kwalitatieve zin een tekort bestaat volgens het woningmarktonderzoek in relatie tot de planvoorraad, terwijl er kwantitatief te veel plannen zijn die niet omgebogen kunnen worden.

Uiteraard heeft dit wel gevolgen voor de totale planvoorraad en de reductie daarvan. De grootste regionale tekorten zullen ontstaan in sociale huurappartementen met lift, grondgebonden levensloopbestendige sociale huurwoningen, koopappartementen met lift en grondgebonden levensloopbestendige koopwoningen. De kwalitatieve woningbehoefte bestaat grotendeels uit appartementen met lift en grondgebonden seniorenwoningen, zowel in de huur- als in de koopsector. De grootste uitval gaat ontstaan bij appartementen zonder lift en rij-/hoekwoningen in de huursector en bij rij/hoekwoningen en twee-onder-een-kap woningen in de koopsector. Conclusie regionaal beleid woningbouw De gemeente Roermond kan inspelen op de ruimte die de provincie biedt voor wat betreft woningbouw. Allereerst geven de prognoses meer ruimte. Voor de afbouw van de planvoorraad wordt meer tijd genomen. Van de mogelijkheid om nieuwe plannen toe te voegen die aansluiten bij de kwalitatieve behoefte kan gebruik worden gemaakt. Aanvullend kan worden geconstateerd dat het aantal huishoudens in Midden-Limburg de afgelopen jaren meer is gegroeid dan het netto toegevoegde aantal woningen. Hierdoor is de druk op de woningmarkt toegenomen. In paragraaf 3.4.6 onderdeel ‘Wonen en volkshuisvesting’ wordt nader ingegaan op de onderbouwing van de kwantitatieve en kwalitatieve woningbehoefte voor Roermond.

Het plan past binnen de kaders en planvoorraad zoals aangegeven in de regionale Structuurvisie Wonen, Zorg en Woonomgeving en is regionaal afgestemd. Zie het bijgevoegd verslag van de ambtelijke werkgroep 'Werkveld Wonen, Zorg &Woonomgeving van 9 november 2021 (bijlage 17 bij de toelichting van het plan). Waterbeheerplan Limburg 2016-2021 Het Waterbeheerplan zet de koers uit voor een toekomstbestendig waterbeheer in Limburg. Het plan bevat de

56/176

beleidvoornemens voor de periode 2016-2021. Deze voornemens zijn geformuleerd op basis van nationale en provinciale beleids- uitgangspunten voor waterkwaliteit en kwantiteit (waaronder het bieden van bescherming tegen wateroverlast) waarbij een belangenafweging heeft plaatsgevonden. Het plan is deels een voortzetting van de bestaande aanpak, maar het bevat ook schetsen van de toekomst en de veranderingen die nodig zijn om daarop in te spelen. Het plan bevat operationele programma’s: plannen, watersysteem, veiligheid, zuiveren, instrumenten, bestuur, externe communicatie en belastingen en bedrijfsvoering. Het plan beschrijft: hoe het waterschap het watersysteem en waterkeringen op orde wil brengen; voor welke thema’s en opgaven het waterschap staat en welke strategie hiervoor gehanteerd wordt; welke maatregelen het waterschap gaat uitvoeren, wie de partners daarbij zijn en hoe dit wordt gemonitord en bijgestuurd. Een van de items die worden genoemd is duurzaam stedelijke waterbeheer. Onderdeel hiervan is om duurzaam om te gaan met hemelwater. De voorkeursvolgorde is net zoals in het provinciale beleid: vasthouden/infiltreren, bergen en afvoeren van het gescheiden regenwater. De lokale mogelijkheden, aard en gebruik van het oppervlak en mogelijke verontreinigingen bepalen mede wat de meest duurzame oplossing is voor de afvoer van het hemelwater.

Hierdoor worden de rioolwaterzuiverings- installaties (rwzi) minder belast en is er minder kans op overstort. Het beleid van het waterschap Limburg gaat uit van 100% afkoppelen van het verharde oppervlak bij nieuwbouw, aangezien uit ervaring blijkt dat bij nieuwbouw vrijwel altijd een afkoppelmogelijkheid is. Voor het verantwoord afkoppelen van regenwater hanteert het waterschap een voorkeurstabel, die aansluit bij de voorkeursvolgorde van de provincie Limburg. Daarbij gaat de voorkeur voor het afkoppelen van regenwater uit naar het infiltreren van het regenwater in de bodem, waarbij het regenwater afkomstig van schone dakoppervlakken rechtstreeks in de bodem geïnfiltreerd mag worden. Infiltratie van regenwater afkomstig van overige verharde oppervlakken dient minimaal middels een bodempassage te worden gescheiden of afhankelijk van het grondgebruik niet worden afgekoppeld. Conclusie regionaal beleid waterhuishouding Voor het plan is een watertoets uitgevoerd waarin wordt aangegeven op welke wijze het beleid van het Waterschap Limburg in het plan is gewaarborgd (zie paragraaf 4.6).

3.4

Gemeentelijk beleid

3.4.1 Strategische Visie De Strategische Visie Roermond 2020 beschrijft het gewenste toekomstbeeld van de gemeente Roermond en is vastgesteld op 30 oktober 2008. De visie omvat doelstellingen, standpunten, sterke punten en onderscheidende kenmerken en betreft een koers tot 2020 op hoofdlijnen. In 2020 dient Roermond een stad te zijn voor mensen van alle leeftijden, voor alle bevolkingsgroepen, waar het goed wonen, werken, vertoeven en recreëren is. De strategische visie is uitgewerkt in zes aandachtsgebieden waarin geïnvesteerd dient te worden: Roermond: Levende stad. Voor alle leeftijdscategorieën dient de stad de juiste voorzieningen te bieden zodat een bijzonder karakter en een grote aantrekkingskracht behouden blijft.

57/176

Roermond: Regio stad. De functie van Roermond als centrumstad voor de regio dient in de toekomst verder te worden versterkt. Hiervoor wordt onder meer geïnvesteerd in de gezamenlijke ontwikkeling van het toeristisch recreatief potentieel van de Maasplassen. Het huidige voorzieningenniveau van de gemeente dient zoveel mogelijk in stand te worden gehouden en waar mogelijk te worden uitgebreid. Roermond: Sociale stad. Er dient geïnvesteerd te worden in veiligheid en sociale problematiek. Roermond: Economisch sterke stad. In dit kader dient onder meer geïnvesteerd te worden in hoogwaardige (ouderen) zorg, verbetering van vestigingsklimaat voor bedrijven door een kwalitatieve woon-, cultuur-, en leefomgeving te creëren, bereikbaarheid en (duurzaam) toerisme en recreatie in de stad zelf en in de directe omgeving. Roermond: Prachtige stad. Kansen ten aanzien van toerisme en recreatie dienen optimaal te worden benut. Hiertoe dient geïnvesteerd te worden in de kwaliteit van de woon-, cultuur-, en leefomgeving en de ontwikkeling van de Maasoevers tot een hoogwaardige woon- en verblijfsomgeving. Roermond: de gemeente. Betrokkenheid van de burgers bij besluitvorming en de kwaliteit van besluitvorming dient gewaarborgd te blijven.

Beoordeling De gebiedsontwikkeling Melickerveld sluit aan op en is in overeenstemming met de aandachtsgebieden die in de Strategische visie zijn uitgewerkt (onder andere een hoogwaardige woon- en leefomgeving in diverse leeftijden). 3.4.2

Toekomstvisie Roermond 2030

Om in te spelen op deze kansen en uitdagingen heeft de gemeente – in een open co-creërend proces met Roermondenaren en partners in de stad – een toekomstvisie (" Roermond ontmoet, verbindt en werkt samen") opgesteld, dat een toekomstbeeld schetst in 5 thema's voor: jeugd, ouderen, zorg, economie en de historische binnenstad en het water. Deze thema's zijn in samenwerking met inwoners van Roermond en partners in de stad gekozen en inhoud gegeven. Meest cruciaal binnen deze visie zijn de drie rode draden die dwars door de vijf thema’s heen lopen. Deze rode draden zijn randvoorwaardelijk voor de geschetste toekomst: ontmoeting, verbinding en samenwerking. Het gaat om de houding van allen die Roermond maken tot wat de stad is. Ook hiervoor is een toekomstbeeld uitgewerkt. Hiermee schetst de toekomstvisie Roermond2030 een veelzijdig toekomstperspectief voor een veelzijdige stad. Beoordeling Met de ontwikkeling van een nieuwe duurzaam woongebied kan een bijdrage geleverd worden aan het toekomstperspectief van de stad Roermond. 3.4.3 Parkeernota Roermond In december 2020 is door de gemeenteraad een nieuwe parkeervisie vastgesteld en in 2021 (oktober) een nieuw parkeerbeleidsplan en een nieuwe Nota Parkeernormen. De Nota Parkeernormen 2021 is op 14 oktober 2021 door de gemeenteraad van Roermond vastgesteld en is op dit moment het actuele toetsingskader.

Doel van deze nota is om voldoende parkeerplaatsen op de juiste locaties in de stad te realiseren. Het parkeerbeleid van de gemeente Roermond vormt zowel een volgend als een sturend beleid. Met een sturend beleid wil de gemeente het selectief gebruik van de auto bevorderen. Dit wordt toegepast op de functies werken, winkelen en recreëren. Bij de functie wonen wordt een volgend beleid

58/176

toegepast dat inspeelt op de vraag naar parkeerplaatsen. Een sturend beleid weerhoudt burgers in die situatie niet om een tweede auto te kopen waardoor parkeerproblemen ontstaan. Bij het opstellen van bestemmingsplannen en de bouwverordening worden parkeernormen gehanteerd als norm voor het minimumaantal te realiseren parkeerplaatsen voor een gebouw of functie binnen een plangebied. Daarbij gaat het om nieuw te realiseren bestemmingen; bij bestaand gebruik blijft de parkeernorm gehandhaafd die bij het vaststellen van het oorspronkelijke bestemmingsplan is vastgesteld. Het aantal parkeerplaatsen is afhankelijk van de functie en omvang van het gebouw of de functies binnen het plangebied. De normen uit de parkeernota zijn gebaseerd op de parkeerkencijfers van het CROW (2018 geactualiseerde versie - publicatie 381) Binnen Roermond geldt een omgevingsadressendichtheid van 1.200 adressen/km2. Daarmee wordt Roermond als matig stedelijk aangemerkt. In Roermond worden vier zones onderscheiden: centrum; schil; rest bebouwde kom; overige kernen en buitengebied. Op dit moment fungeren de parkeernormen voor wonen uit de Nota parkeernormen 2021 als toetsingskader bij bouwactiviteiten. Beoordeling Voor het plangebied 'Melickerveld 2022' gaan de normen uit de categorie 'rest van de bebouwde kom' gelden. De parkeernormen uit de parkeernota zijn verankerd in de regels van dit bestemmingsplan.

In paragraaf 4.3 wordt onder andere nader ingegaan op het aspect parkeren. 3.4.4 Nota Archeologie In de nota Archeologie is de gemeentelijke archeologievisie en het beleid voor de komende jaren geformuleerd (vastgesteld op 7 juli 2011). Leidraad daarbij is dat archeologie een integraal onderdeel vormt bij afwegingen over de ruimtelijke ordening. In 2008 is de Archeologieatlas vastgesteld door de gemeenteraad. Deze Atlas vormt de basis voor het archeologiebeleid dat transparant is voor burgers en investeerders en verantwoord omgaat met het ondergrondse erfgoed. Op basis van de Atlas is de Beleidskaart Archeologie opgesteld. Op deze kaart wordt een onderscheid gemaakt in drie gebieden. In het plangebied zijn de gebieden gelegen die aangeduid zijn als 'historische kern' en 'archeologisch waardevol gebied'. Per gebied worden verschillende eisen gesteld aan het archeologisch onderzoek. In de Nota Archeologie worden de drie fasen van archeologisch onderzoek beschreven. De eerste fase betreft het vooronderzoek. De tweede fase betreft het uitvoeren van vervolgonderzoek in de vorm van een proefsleuvenonderzoek. De laatste fase is een vervolgonderzoek in de vorm van een archeologische opgraving. Uit de in het bestemmingsplan opgenomen dubbel- bestemmingen blijkt of een vooronderzoek noodzakelijk is. Uit het vooronderzoek blijkt of verder onderzoek moet plaatsvinden.

Voor het archeologisch vervolgonderzoek zijn de in de Nota genoemde onderzoeksthema's van belang. Voor de vaststelling van het bestemmingsplan blijkt dat in sommige delen van het plangebied nog archeologisch onderzoek noodzakelijk is. Mogelijk voorkomende archeologische waarden worden beschermd door de opgenomen dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie'.

59/176

Voor wat betreft het aspect archeologie wordt verder verwezen naar paragraaf 4.1.2. 3.4.5 Externe Veiligheid Externe veiligheid gaat over het beheersen van de risico's die ontstaan voor de omgeving bij het gebruik, de opslag en het vervoer van gevaarlijke stoffen over weg, water, spoor en door buisleidingen. Op bovenstaande categorieën is verschillende wet- en regelgeving van toepassing. Het huidige landelijke beleid voor transport over weg, water en spoor staat beschreven in de circulaire 'Risiconormering vervoer gevaarlijke stoffen' (cRvgs), die op termijn vervangen zal worden door het 'Besluit transportroutes externe veiligheid'. Het rijksbeleid met betrekking tot het gebruik en opslag van gevaarlijke stoffen bij bedrijven is vastgelegd in het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi). In het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb), dat op 1 januari 2011, in werking is getreden is het externe veiligheidsbeleid met betrekking tot het transporteren van gevaarlijke stoffen door buisleidingen weergegeven. Binnen het beleidskader voor externe veiligheid staan twee kernbegrippen centraal: het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Hoewel beide begrippen onderlinge samenhang vertonen zijn er belangrijke verschillen.

Plaatsgebonden Risico (PR) Het plaatsgebonden risico (PR) geeft de kans, op een bepaalde plaats, om te overlijden ten gevolge van een ongeval bij een risicovolle activiteit. De kans heeft betrekking op een fictief persoon die de hele tijd onbeschermd op die plaats aanwezig is. Het PR kan op de kaart van het gebied worden weergeven met zogeheten risicocontouren: lijnen die punten verbinden met eenzelfde PR. Binnen de 10-6/jaar contour (welke als wettelijk harde norm fungeert) mogen geen nieuwe kwetsbare objecten, zoals woningen, scholen, ziekenhuizen, gebouwen met grote aantallen personen, kampeerterreinen en dergelijke, geprojecteerd worden. Voor beperkt kwetsbare objecten, zoals bedrijfsgebouwen, winkels en dergelijke, geldt de 10-6/jaar contour niet als grenswaarde, maar als een richtwaarde. Groepsrisico (GR) Het groepsrisico (GR) is een maat voor de kans dat bij een ongeval een groep slachtoffers valt met een bepaalde omvang. Het GR is daarmee een maat voor de maatschappelijke ontwrichting bij een calamiteit. Het GR wordt bepaald binnen het invloedsgebied van een risicovolle activiteit. Dit invloedsgebied wordt begrensd door de 1% letaliteitsgrens (tenzij anders bepaald): de afstand waarop nog 1% van de blootgestelde mensen in de omgeving komt te overlijden bij een calamiteit met gevaarlijke stoffen.

Het GR kan niet 'op de kaart' worden weergegeven, maar wordt weergegeven in een grafiek waar de kans (f) afgezet wordt tegen het aantal slachtoffers (N): de fN-curve. Verantwoordingsplicht Voor elke significante verandering van het groepsrisico in het invloedsgebied dient verantwoording afgelegd te worden, over de wijze waarop de toelaatbaarheid van de verandering in de besluitvorming betrokken is. Naast de omvang van het groepsrisico dienen andere kwalitatieve aspecten meegewogen te worden in de beoordeling van de aanvaardbaarheid van het groepsrisico. Onder deze aspecten vallen onder andere zelfredzaamheid en bestrijdbaarheid. Een verplicht onderdeel in invulling van de verantwoordingsplicht is advies vragen aan de regionale brandweer.

60/176

Visie externe veiligheid Roermond De Visie externe veiligheid Roermond (kortweg Visie) is op 10 juni 2010 door de gemeenteraad vastgesteld. In de Visie zijn de ambities en de visie van de gemeente Roermond geformuleerd die gebruikt worden bij de uitvoering van het externe veiligheidsbeleid binnen de gemeente. Bovendien zijn in de Visie planologische kaders opgesteld voor nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen. Voor wat betreft het aspect externe veiligheid wordt verder verwezen naar paragraaf 4.5. 3.4.6 Woningbouw en volkshuisvesting In artikel 3.1.6, lid 2 van het Besluit ruimtelijke ordening (hierna: Bro) is voorgeschreven dat indien 'een nieuwe stedelijke ontwikkeling' mogelijk wordt gemaakt, een verantwoording daarvan moet plaatsvinden volgens de systematiek van de ladder voor duurzame verstedelijking (hierna: LDV). Zowel voor nieuwe stedelijke ontwikkelingen binnen als buiten bestaand stedelijk gebied moet de behoefte worden beschreven. Uitgangspunt voor de wijziging is, dat met het oog op een zorgvuldig ruimtegebruik, een nieuwe stedelijke ontwikkeling in beginsel in bestaand stedelijk gebied wordt gerealiseerd. Met de ladderonderbouwing wordt namelijk beoogd leegstand en onnodige bebouwing te voorkomen en zorgvuldig ruimtegebruik te stimuleren.

Dit betekent dat in de toelichting bij een ruimtelijk plan in afdoende mate inzichtelijk en verantwoord zal moeten worden op welke wijze in dat plan toepassing is gegeven aan bovenstaande inspanningsverplichting. De provincie Limburg hecht grote waarde aan toepassing van de LDV, omdat het een van de leidende principes is voor het verstedelijkingvraagstuk en een belangrijk ondersteunend instrument is om op een kwalitatieve wijze te kunnen sturen op bepaalde ruimtelijke ontwikkelingen. Onder de noemer van 'Limburgse principes' is een aantal algemene principes voor de duurzame verstedelijking benoemd die door de provincie worden gehanteerd. De provincie zal nieuwe ruimtelijke plannen hierop via de reguliere (ruimtelijke) procedures, denk aan het vooroverleg als bedoeld in artikel 3.1.1 Bro en de vervolgprocedures, beoordelen. In de toelichting bij een ruimtelijk plan zal dus afdoende moeten worden beschreven: dat de voorgenomen stedelijke ontwikkeling voorziet in een behoefte en, daar waar deze buiten het bestaand stedelijk gebied is voorzien, waarom deze niet met het oog op een zorgvuldig ruimtegebruik niet bínnen het bestaand stedelijk (lees: bebouwd) gebied kan. Dat laatste zal in principe slechts bij uitzondering het geval kunnen zijn.

In de gevallen waarbij het niettemin toch niet mogelijk is, zal de benodigde ruimte zoveel mogelijk in het direct aansluitende gebied moeten worden gezocht. "De aard en de omvang van de stedelijke ontwikkeling zijn bepalend voor de afbakening van het gebied waarbinnen de behoefte aan een nieuwe stedelijke ontwikkeling moet worden afgewogen." Het ruimtelijk verzorgingsgebied/de marktregio is dus relevant voor het behoefteonderzoek, niet de bestuurlijke regio; op welke wijze in het plan (= hier BP) toepassing is gegeven aan de LDV en aan hetgeen daaromtrent is opgenomen in het POL2014. Toegespitst op de Limburgse situatie betekent de toepassing van de LDV dat -op het juiste schaalniveau- moet worden onderzocht of er behoefte is aan nieuwe ruimte voor woningbouw. Via de “Bestuursafspraken regionale uitwerking POL2014” zijn hierover binnen de regio Midden-Limburg, waartoe Roermond behoort, nadere afspraken gemaakt en deze zijn rechtens geïncorporeerd in de Omgevingsverordening Limburg (bestuurs-

61/176

afspraken uit 2018) en uitgewerkt in de Structuurvisie wonen, woonomgeving en zorg uit 2014 en Structuurvisie wonen Midden-Limburg 2018-2021. Aan de hand van het beoogde woningbouwprogramma is de ladderonderbouwing nader uitgewerkt. Hierbij is voor de beoogde woonfunctie de behoefte aangetoond binnen het ruimtelijk relevante verzorgingsgebied of marktgebied. De 'behoefte' aan woningen kan bestaan uit een 'kwantitatieve behoefte' maar tevens ook uit een 'kwalitatieve behoefte'. Met kwalitatieve behoefte wordt bedoeld de behoefte aan het specifieke karakter van de voorziene stedelijke ontwikkeling. Hoe groter het overaanbod, hoe minder relevant de kwalitatieve meerwaarde van een beoogde ontwikkeling zal zijn. Niettemin kunnen er situaties zijn waarbij de kwalitatieve behoefte aan een ontwikkeling duidelijk is aan te tonen, wanneer er sprake is van een vernieuwend of ander concept dat een nieuwe vraag creëert. Het gehele aanbod in het relevante verzorgingsgebied dat beschikbaar is in onherroepelijke planologische besluitvorming is overigens voor de behoefte verantwoording relevant. Dat betreft ook het aanbod dat nog niet is gerealiseerd en misschien ook nooit wordt gerealiseerd. In een separate 'Memo ladderruimte Melickerveld Roermond' die integraal als bijlage 3 bij de toelichting van dit plan is gevoegd wordt nader ingegaan op de LDV voor Melickerveld.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Roermond&id=aef7a3da-74af-4f40-8f32-6234bc48afee