CConstaterende datRoermond
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 2 - toelichting en regels bestemmingsplan Groeneweg Maasstraat

Commissie Ruimte (RU) 22 juni 2022, gemeente RoermondBij agendapunt: Bestemmingsplan Groeneweg Maasstraat23.175 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

Aanmeldnotitie vormvrije m.e.r.-beoordeling Om een correcte beoordeling te kunnen geven over de mogelijke milieugevoelige effecten die de voorgenomen ontwikkeling kan veroorzaken, is een aanmeldnotitie vormvrije m.e.r.-beoordeling opgesteld. Op basis van deze notitie is door het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Roermond op besloten dat een verdere m.e.r.-procedure niet aan de orde is. De volledige aanmeldnotitie is als Bijlage 6 bij deze toelichting opgenomen.

28

4.2 Externe veiligheid In het kader van de beoogde ontwikkeling dienen de externe veiligheidsrisico's ten gevolge van activiteiten in de directe omgeving te worden geïnventariseerd. Externe veiligheidsrisico's kunnen ontstaan door het transport van gevaarlijke stoffen door buisleidingen en over transportroutes (weg, spoor en water) en het gebruik of de opslag van gevaarlijke stoffen bij inrichtingen. In deze paragraaf zijn de risicobronnen geïnventariseerd en is beoordeeld of de genoemde risicobronnen mogelijk een belemmering vormen voor de invulling van het plangebied. Wettelijk kader Bij externe veiligheid wordt onderscheid gemaakt in de richtlijnen voor stationaire bronnen en transportassen. De regelgeving rond de risico's van het transport van gevaarlijke stoffen volgt per 1 april 2015 uit de Wet vervoer gevaarlijke stoffen (Wvgs, Stb. 2013, nr. 307). De Wvgs vervangt de nota en de circulaire Risiconormering vervoer gevaarlijke stoffen (Rnvgs). In de Wvgs en het besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) worden normwaarden gegeven voor twee verschillende typen risico's, het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. In de bijlagen van de Regeling Basisnet is opgenomen voor welke transportroutes de externe veiligheidsrisico's bepaald moeten worden.

In de Handleiding Risicoanalyse Transport (HART) is vastgelegd hoe de risico's van transport van gevaarlijke stoffen berekend en geanalyseerd moeten worden. Risiconormen Het begrip risico wordt in beeld gebracht door middel van twee begrippen: het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR). Het PR is de kans per jaar dat een persoon die onafgebroken en onbeschermd op een plaats langs een transportroute verblijft komt te overlijden als gevolg van een incident met het vervoer van gevaarlijke stoffen. De hoogte van het GR representeert de kans per jaar per kilometer transportroute dat een groep van 10 of meer personen in de omgeving van de transportroute in één keer het dodelijk slachtoffer wordt van een ongeval op die transportroute. Overeenkomstig het Bevt (artikel 8, lid 1) en de HART (paragraaf 2.1) hoeven geen beperkingen aan het ruimtegebruik van een plan te worden gesteld in het gebied dat op meer dan 200 meter van een route of tracé ligt. Een (beperkte) verantwoordingsplicht voor de hoogte van het groepsrisico is aan de orde indien een plangebied zich bevindt binnen het invloedsgebied van een risicobron. Het invloedsgebied wordt bepaald door de 1% letaliteitsafstand van de stofcategorieën die getransporteerd worden. In de HART zijn per stofcategorie en per modaliteit vaste afstanden opgenomen voor de begrenzing van het invloedsgebied.

De ligging van het invloedsgebied per modaliteit is in navolgende tabel weergegeven.

Inventarisatie risicobronnen Transport over het water Het plangebied ligt niet binnen een afstand van 1.070 meter van een waterweg waarover structureel transport van gevaarlijke stoffen plaatsvindt. Het Lateraalkanaal Linne-Buggenum ligt op circa 1.450 meter van het plangebied. De risico's als gevolg van het transport van gevaarlijke stoffen over water vormen geen belemmering voor de

29

planontwikkeling. Een verantwoordingsplicht is derhalve niet aan de orde. Transport over de weg Ten aanzien van de veiligheidsrisico's in het plangebied als gevolg van het vervoer van gevaarlijke stoffen over de weg zijn uitsluitend de transportassen van belang waar structureel vervoer van gevaarlijke stoffen in bulkvervoer is toegestaan. In beginsel zijn dit A- en N-wegen. In de omgeving van het plangebied zijn enkele wegen aanwezig waarover transport van gevaarlijke stoffen plaatsvindt. De dichtstbijzijnde wegen waarover transport van gevaarlijke stoffen plaatsvindt zijn de rijksweg A73 op circa 2.000 meter van het plangebied en de provinciale weg N280 op circa 1.750 meter van het plangebied. Op grond van de meest recente gegevens van Rijkswaterstaat (juni 2019) worden over de A73, in de nabijheid van het plangebied, LF1, LF2, LT1, LT2, GF2 en GF3-stoffen vervoerd. Op grond van de meest recente gegevens van de risicokaart worden over de N280, in de nabijheid van het plangebied, LF1, LF2, LT1, LT2, GF2 en GF3-stoffen vervoerd. Gelet op de stoffen die over deze wegen getransporteerd worden, overlapt het invloedsgebied (de 1% letaliteitsafstand) van beide transportroutes het plangebied niet. Vanuit de ligging ten opzichte van wegen waarover transport van gevaarlijke stoffen plaatsvindt, bestaan er kortom geen belemmeringen.

Transport over het spoor Het plangebied bevindt zich op ca. 2.000 meter van de spoorlijn Roermond - Sittard en op meer dan 4.000 meter van de spoorlijn Weert - Roermond. Van de spoorlijnen, die beiden opgenomen zijn in het Basisnet spoor, hebben de PR 10-6 risicocontour en het plasbrandaandachtsgebied (PAG), gezien de tussenliggende afstand, geen invloed op de planontwikkeling. Aangezien het plangebied op meer dan 200 meter van de spoorlijn is gelegen, is de hoogte van het groepsrisico geen aandachtspunt. Uit Bijlage II Tabel basisnet spoor blijkt dat over de te beschouwen trajecten ter hoogte van het plangebied A, B2, C3 en D3-stoffen worden getransporteerd. Als gevolg van het transport van deze stoffen ligt het plangebied niet binnen het invloedsgebied van de beide spoortrajecten. Vanuit de ligging ten opzichte van spoorwegen waarover transport van gevaarlijke stoffen plaatsvindt, bestaan er kortom geen belemmeringen. Een verantwoordingsplicht is niet aan de orde. Buisleidingen In de nabijheid van het plangebied zijn geen ondergrondse buisleidingen aanwezig voor het vervoer van gevaarlijke stoffen. Vanuit dit kader bestaan er geen belemmeringen voor de beoogde ontwikkeling. Inrichtingen Het plangebied bevindt zich niet binnen een invloedsgebied van een risicovolle inrichting in de omgeving.

De risico's als gevolg van inrichtingen vormen geen aandachtspunt voor de planvorming waardoor een verantwoordingsplicht niet aan de orde is. Conclusie Vanuit het aspect externe veiligheid bestaan er geen belemmeringen.

4.3 Waterhuishouding Algemeen Bij ieder ruimtelijk plan dient in beeld te worden gebracht op welke wijze rekening is gehouden met de ruimtelijk relevante aspecten van duurzaam waterbeheer. In deze paragraaf wordt daarom allereerst kort ingegaan op de beleidsmatige aspecten van duurzaam waterbeheer. Vervolgens wordt ingegaan op wateraspecten binnen het besluitgebied en de wijze waarop invulling wordt gegeven aan duurzaam waterbeheer. Beleid Vanuit beleidsmatig oogpunt heeft het aspect water een steeds belangrijkere rol gekregen. Relevante beleidsstukken op het gebied van water zijn het Waterbeheerplan 2016-2021 van Waterschap Limburg, het Provinciaal Omgevingsplan Limburg 2014 (POL2014), het Nationaal Waterplan, WB21, Nationaal Bestuursakkoord Water en de Europese Kaderrichtlijn Water. Belangrijkste gezamenlijke punt uit deze beleidsstukken is dat water een belangrijk sturend element is in de ruimtelijke ordening. Water legt een ruimteclaim op het (stads)landschap waaraan voldaan moet worden. De bekende drietrapsstrategieën zijn leidend: Vasthouden-bergen-afvoeren (waterkwantiteit); Voorkomen-scheiden-zuiveren (waterkwaliteit).

30

Grondwater Het plangebied is gelegen binnen de Roerdalslenk, zoals reeds omschreven in paragraaf 3.2.2. Het is in het gebied Roerdalslenk verboden: een boorput of een bodemenergiesysteem te maken of hebben of de grond te roeren, dieper dan de bovenkant van de Bovenste Brunssumklei; werken op of in de bodem uit te voeren of te doen uitvoeren waarbij ingrepen worden verricht of stoffen worden gebruikt die de beschermende werking van de Bovenste Brunssumklei kunnen aantasten. Het voornemen tot het maken van een boorput, het aanleggen van een bodemenergiesysteem of het roeren van grond in de Roerdalslenk dieper dan 30 meter dient vier weken op voorhand schriftelijk gemeld te worden aan Gedeputeerde Staten van de provincie Limburg. Vooralsnog is van een dergelijk voornemen geen sprake. Hemelwater Voor wat betreft de nieuw te realiseren bebouwing, mag geen sprake zijn van aanvullende regenwaterbelasting op de gemeentelijke riolering. Regenwater van de percelen dient dan ook in principe op eigen terrein geïnfiltreerd te worden, waarbij het te infiltreren hemelwater van voldoende kwaliteit dient te zijn, zodat bodemvervuiling wordt uitgesloten. Conform de richtlijnen van de Keur van Waterschap Limburg wordt als uitgangspunt gehanteerd dat de toekomstige hemelwatervoorzieningen dienen te worden gedimensioneerd op een bui van 100 mm in 24 uur (klimaatscenario 2050).

Het streven is er hierbij op gericht dat alle verharding (daken, terras, opritten, e.d..) wordt aangesloten op de bergings- c.q. infiltratievoorziening. Uit de uitgevoerde bodemonderzoeken is gebleken dat de ondergrond bestaat uit sterk zandige leem. Deze leem wordt aangetroffen tot een diepte van ongeveer 2 m-mv. Uit de iets diepere boringen blijkt dat onder de leemlaag matig fijn tot matig grof zand aanwezig kan zijn. Het is niet met zekerheid te zeggen of de leemlaag geschikt is voor de infiltratie van hemelwater, de doorlatendheid kan laag zijn. Indien de zandlaag onder de leemlaag homogeen aanwezig is, is deze mogelijk beter geschikt voor infiltratie. Dit dient te worden onderzocht door middel van een infiltratieonderzoek. Mocht uit het infiltratieonderzoek blijken dat infiltratie niet de voorkeur heeft, dan worden voorstellen gedaan over hoe met het water omgegaan dient te worden zonder dat het overlast voor anderen veroorzaakt. Het water kan bijvoorbeeld oppervlakkig geborgen worden (wadi's), ondergronds (in kratten) of oppervlakkig afgevoerd worden. Ongeacht de wijze waarop uiteindelijk met het hemelwater wordt omgegaan, blijft het uitgangspunt dat de berging van het hemelwater geen overlast voor derden mag veroorzaken. Hier wordt door de gemeente dan ook op getoetst bij de beoordeling van toekomstige omgevingsvergunningaanvragen. De exacte wijze waarop berging c.q.

infiltratie van hemelwater zal plaatsvinden, wordt zoals aangegeven uitgewerkt in het kader van de toekomstige omgevingsvergunningaanvragen voor het bouwen. Er is namelijk sprake van bouwkavels die afzonderlijk worden uitgegeven en in dit stadium is kortom nog geen exacte berekening te maken van de benodigde bergings- c.q. infiltratievoorzieningen. Voor wat betreft de te realiseren bergingscapaciteit geldt dat deze binnen 24 uur weer volledig beschikbaar dient te zijn. Gelet op de omvang van de woningbouwpercelen, is op eigen terrein voldoende ruimte beschikbaar om volledig op eigen terrein te voorzien in de berging c.q. infiltratie van hemelwater. Kwelwater Ten aanzien van het aspect kwelwater kan worden vastgesteld dat de huidige situatie niet verslechterd. Kwel houdt in dat water via de ondergrond naar het maaiveld stroomt. Bij hoogwater in de Maas kan ter plaatse van de nieuwe woningen geen water aan het maaiveld uittreden. De hoeveelheid toekomstige bebouwing is echter beperkt in verhouding tot de totale omvang van het plangebied. Het plangebied heeft een grote omvang waardoor het water zich goed kan verdelen. Als gevolg van de nieuwe woningen wordt dan ook geen significatie toename van kwel bij de bestaande bebouwing in de omgeving verwacht.

Hierbij dient tevens te worden opgemerkt dat in artikel 5.6 van de regels middels een omgevingsvergunningstelsel beperkingen zijn opgenomen ten aanzien van het ophogen van percelen. Waterkeringen Langs het plangebied loopt een waterkering die in het beheer is van Waterschap Limburg. Op de legger van Waterschap Limburg zijn verschillende zones weergegeven, waarbij een onderscheid wordt gemaakt tussen de kernzone, de beschermingszone, de buitenbescherminszone en het profiel van vrije ruimte. Onderstaand worden deze zones nader beschreven: De kernzone (waterstaatswerk) biedt maximale bescherming voor de waterkering volgens de keur en loopt van binnen- tot buitenteen, met daarbij aan beide zijden een teenberm. Het doel van de regels omtrent de kernzone

31

is om de erosiebestendigheid, de stabiliteit en de afmetingen van de dijk te beschermen. De beschermingszone grenst direct aan de kernzone. In deze beschermingszone gelden ter bescherming van het waterstaatswerk voorschriften en beperkingen. Het doel van de regels voor beschermingszone is om grondlagen intact te houden en voldoende bereikbaarheid te borgen. De buitenbeschermingszone grenst aan beschermingszone en biedt een lichte bescherming voor de waterkering volgens de keur, maar is voldoende om bijvoorbeeld aanvullende eisen aan ontgrondingen te stellen. Het profiel van vrije ruimte is de ruimte aan weerszijden van, boven en onder een waterstaatwerk of een toekomstig waterstaatswerk die naar het oordeel van de beheerder nodig is voor toekomstige verbeteringen. Bij initiatieven in het profiel van vrije ruimte wordt getoetst of deze het toekomstig verbeteren van de waterkering niet belemmeren of onmogelijk maken. Het profiel ligt zodanig dat zowel rivierwaarts als binnendijks dijkverbetering mogelijk blijft. Op de navolgende afbeelding is de legger voor het plangebied en de directe omgeving weergegeven.

Uitsnede legger Waterschap Limburg. Uit de legger blijkt dat het gehele plangebied binnen de buitenbeschermingszone van de waterkering valt. Voor de beoogde ontwikkeling levert dit geen beperkingen op. Een deel van het plangebied ligt binnen het profiel van vrije ruimte. Aangezien ter hoogte van het plangebied sprake is van een zogeheten 'harde waterkering', levert de ligging binnen het profiel van vrije ruimte evenmin beperkingen op voor de beoogde ontwikkeling. Tot slot ligt een strook van enkele meters breedte langs de Maasstraat binnen de beschermingszone van de waterkering. Uit overleg met Waterschap Limburg is gebleken dat ter plaatse bebouwing is toegestaan, maar dat binnen de beschermingszone wel bepaalde beperkingen gelden, zoals het feit dat er ter plaatse geen kelders of bijvoorbeeld zwembaden mogen worden gerealiseerd. Afstemming met Waterschap Limburg is te allen tijde noodzakelijk bij bouwplannen binnen de beschermingszone. De belangen van Waterschap Limburg zijn in dit bestemmingsplan geborgd middels de dubbelbestemming 'Waterstaat - Waterkering'.

32

Legger Waterschap Limburg geprojecteerd op plangebied. Beleidsregels grote rivieren Het plangebied ligt binnen het bergend regime van de Maas. In paragraaf 3.1.3 is hier reeds nader op ingegaan. Uit overleg met Rijkswaterstaat is gebleken dat de uiteindelijke wijze waarop invulling wordt gegeven aan de benodigde compensatie ten behoeve van de instandhouding van het bergend vermogen, kan worden uitgewerkt in het kader van de toekomstige omgevingsvergunningaanvragen voor het bouwen. De belangen van Rijkswaterstaat zijn in dit bestemmingsplan geborgd door het opnemen van de dubbelbestemming 'Waterstaat - Waterbergend Rivierbed'. Afvalwater Voor de afvoer van het vuilwater wordt aangesloten op de bestaande riolering ter hoogte van de Maasstraat en Groeneweg. Conclusie Vanuit waterhuishoudkundig oogpunt wordt de beoogde ontwikkeling inpasbaar geacht, met dien verstande dat in het kader van de toekomstige omgevingsvergunningaanvragen voor het bouwen, voor zover sprake is van ligging binnen de beschermingszone van de waterkering, nadere afstemming met Waterschap Limburg noodzakelijk is. Daarnaast dient ten tijde van de toekomstige omgevingsvergunningaanvragen te worden voorzien in compensatie ten behoeve van de instandhouding van het bergend vermogen van de Maas.

4.4 Archeologie Op grond van de beleidskaart archeologie van de gemeente Roermond ligt het plangebied in een zone met een hoge archeologische verwachting. In verband hiermee is in eerste instantie een archeologisch bureauonderzoek uitgevoerd, gevolgd door een verkennend veldonderzoek door middel van boringen. Onderstaand wordt kort ingegaan op de conclusies van het onderzoek. Voor meer informatie wordt verwezen naar de als Bijlage 7 bij deze toelichting opgenomen rapportage van het bureauonderzoek en de als Bijlage 8 bij deze toelichting opgenomen rapportage van het verkennend veldonderzoek middels boringen. Op basis van het uitgevoerde verkennend veldonderzoek door middel van boringen kan worden gesteld dat in het plangebied de bodemopbouw bestaat uit zandige en lemige oever- en beddingafzettingen van de Maas afgedekt door een bouwvoor. De bovenste 20 tot 70 centimeter is omgewerkt, vermoedelijk als gevolg van (diep-)ploegen en rooiwerkzaamheden van de boomgaard. Er zijn geen archeologische indicatoren aangetroffen. Op basis hiervan wordt de kans laag geacht dat er archeologische resten aanwezig zijn in het plangebied. Voor het plangebied wordt daarom geen archeologisch vervolgonderzoek noodzakelijk geacht.

Desalniettemin geldt conform paragraaf 5.4, 5.10 en 5.11 van de Erfgoedwet de verplichting om eventuele archeologische vondsten te melden bij de bevoegde instantie, in dit geval de gemeente Roermond.

33

4.5 Cultuurhistorie Binnen het plangebied en de directe omgeving is geen sprake van cultuurhistorisch waardevolle elementen waarop met de beoogde ontwikkeling invloed wordt uitgeoefend. Vanuit dit kader bestaan er dan ook geen belemmeringen.

4.6 Ecologie 4.6.1 Algemeen De bescherming van de natuur is per 1 januari 2017 in Nederland vastgelegd in de ‘Wet natuurbescherming’ (Wnb). Deze wet vormt voor wat betreft soortenbescherming en gebiedsbescherming een uitwerking van de Europese Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn. Daarnaast vindt beleidsmatige gebiedsbescherming plaats door middel van het Natuurnetwerk Nederland (NNN). Het NNN is in de provinciale omgevingsvisie en omgevingsverordening verankerd.

4.6.2 Toetsing Om te kunnen bepalen of het plan in overeenstemming met de nationale natuurwetgeving en het provinciale natuurbeleid kan worden uitgevoerd, is een quickscan flora en fauna uitgevoerd. Onderstaand wordt kort ingegaan op de onderzoeksresultaten. Voor meer informatie wordt verwezen naar de volledige rapportage die als Bijlage 9 bij deze toelichting is opgenomen. Hierbij dient te worden opgemerkt dat de quickscan is uitgevoerd voor de gronden van Van Appeven aan zowel de noord- als de zuidzijde van de Groeneweg. Aangezien dit bestemmingsplan uitsluitend betrekking heeft op de gronden ten noorden van de Groeneweg, zijn uitsluitend de voor het plangebied van toepassing zijnde conclusies in deze paragraaf weergegeven. Gebiedsbescherming Natura 2000 Het Natura 2000-gebied welke het dichtste bij het plangebied ligt is het 'Roerdal'. Dit gebied ligt op een afstand van ongeveer 1,1 km van het plangebied. Door menselijke invloeden in het tussenliggende gebied zijn negatieve effecten door geluidsverstoring of visuele verstoring als gevolg van de ingreep voor de realisatie van woningbouw op Natura 2000-gebieden uitgesloten. Doordat het plangebied visueel afgeschermd is van de omliggende Natura 2000-gebieden is visuele verstoring op de Natura 2000-gebieden ten gevolge van de ingreep ook uit te sluiten.

Gelet op de omvang van het project is mogelijk sprake van een significante toename van de stikstofdepositie (verzuring of vermesting) op omliggende Natura 2000-gebieden. Hiermee is het niet mogelijk om op voorhand uit te sluiten dat negatieve effecten op de instandhoudingsdoelstellingen van Natura 2000-gebieden optreden. Daarom is in aanvulling op de quickscan een stikstofdepositieonderzoek uitgevoerd. De rapportage hiervan is opgenomen als Bijlage 10 bij deze toelichting. Uit de uitgevoerde berekeningen naar de gebruiksfase en de aanlegfase ter plaatse van Nederlandse Natura 2000-gebieden, blijkt dat de stikstofdepositie respectievelijk 0,00 mol N/ha/jaar in de gebruiksfase en 0,01 mol N/ha in de aanlegfase bedraagt ter plaatse van (bijna) overbelaste habitattype. In het kader van een voortoets kunnen significant negatieve effecten derhalve worden uitgesloten waardoor het uitvoeren van een passende beoordeling niet aan de orde is en het aspect stikstofdepositie geen belemmering vormt voor de realisatie van het plan. Er is evenmin sprake van een vergunningplicht in het kader van de Wet natuurbescherming. Het aspect stikstofdepositie vormt geen belemmering voor de realisatie van het plan. Natuurnetwerk Nederland Het plangebied bevindt zich niet binnen of aangrenzend aan het Natuurnetwerk Nederland.

De wezenlijke kenmerken en waarden van de huidige staat van het NNN worden daarom niet aangetast. Houtopstanden Het plangebied is conform het Bomenplan Gemeente Roermond (2011) binnen de bebouwde kom gelegen. De bescherming vanuit de Wnb houtopstanden is daarom niet van toepassing op het plangebied. Hierbij dient te worden opgemerkt dat binnen het plangebied geen bomen aanwezig zijn. Ten tijde van het uitvoeren van de quickscan flora en fauna, was uitsluitend aan haag aanwezig langs de zijde van de Maasstraat en deels langs de Groeneweg. Soortenbescherming

34

Broedvogels Het kappen van de haagbeuk die in het plangebied parallel aan de Maasstraat loopt, leidt mogelijk tot negatieve effecten op algemeen voorkomende broedvogels, zoals het doden of verwonden van vogels (Wnb artikel 3.1.1) of het vernielen van nesten of eieren (Wnb artikel 3.1.2.). Het is daarnaast tevens mogelijk dat als gevolg van de werkzaamheden vogels verstoord worden (Wnb artikel 3.1.4.). In gebruik zijnde nesten zijn streng beschermd en mogen daarom niet worden vernield ten behoeve van ruimtelijke ontwikkelingen. Hiervoor is geen ontheffing van de Wet natuurbescherming mogelijk. Er dient daarom voorkomen te worden dat nesten van vogels vernield worden bij het verwijderen van haagbeuk binnen het plangebied. Er dient daarom gekapt te worden buiten het broedseizoen. Voor het broedseizoen stelt de wet geen vaste begin- of einddatum. Afhankelijk van de weersomstandigheden loopt het broedseizoen voor de meeste vogelsoorten normaal gesproken van 15 maart tot 15 juli. Vleermuizen Uit de resultaten blijkt dat meerdere soorten vleermuizen binnen het plangebied kunnen voorkomen. Daarom is aanvullend op de uitgevoerde quickscan een onderzoek naar de mogelijke aanwezigheid van vleermuizen uitgevoerd. Hieruit is gebleken dat binnen het plangebied geen verblijfplaatsen of essentiële vliegroutes aanwezig zijn. Vanuit dit kader bestaan er kortom geen belemmeringen.

De volledige rapportage van het nader onderzoek naar de aanwezigheid van vleermuizen is als Bijlage 11 bij deze toelichting opgenomen. Overige soorten Op de overige soortgroepen wordt geen negatief effect op beschermde soorten (of functies) verwacht als gevolg van de beoogde ontwikkeling binnen het plangebied. Conclusie Het plan kan kortom in overeenstemming met de nationale natuurwetgeving en het provinciale natuurbeleid worden uitgevoerd, met dien verstande dat de bovengenoemde aandachtspunten in acht dienen te worden genomen. Verder geldt te allen tijde dat ten behoeve van (incidenteel) aanwezige algemene soorten de algemene zorgplicht in acht dient te worden genomen.

4.7 Verkeer en infrastructuur Verkeer Voor het plangebied geldt dat maximaal 13 woningen zijn toegestaan. Op basis van de kengetallen van het CROW geldt voor de vrijstaande woningen in niet stedelijk gebied in de zone 'rest bebouwde kom' een verkeersgeneratie van minimaal 7,8 en maximaal 8,6 motorvoertuigbewegingen per etmaal. Voor 13 vrijstaande woningen betekent dit een verkeersaantrekkende werking van minimaal 101,4 en maximaal 111,8 motorvoertuigbewegingen per etmaal op een gemiddelde weekdag. Deze toename van het aantal motorvoertuigbewegingen kan naar verwachting zonder problemen op het wegennet worden afgewikkeld. Ter ontsluiting van de woningen langs de noordzijde van het plangebied en de (deels nog te realiseren) woningen langs de Groenezijweg, wordt een ontsluitingsweg aangelegd tussen de Maasstraat en de Groenezijweg. Dit leidt tot een sterke verbetering van de verkeerskundige situatie aangezien de woningen aan de Groenezijweg in de bestaande situatie worden ontsloten via een smal pad tussen twee woningen aan de Groeneweg. Vanuit verkeerskundig oogpunt wordt de ontwikkeling kortom niet alleen inpasbaar geacht, maar leidt deze tevens tot een verbeterde verkeerkundige situatie voor de omgeving. Parkeren Binnen het plangebied worden in totaal maximaal 13 woningen mogelijk gemaakt.

Voor vrijstaande woningen geldt op basis van de gemeentelijke parkeernormen dat dient te worden voorzien in 2,4 parkeerplaatsen per woning, voor halfvrijstaande woningen bedraagt de parkeernorm 2,2 parkeerplaatsen per woning. Gelet op de omvang van de kavels voor de woningen, kan volledig op eigen terrein worden voorzien in voldoende parkeerplaatsen. Dit overeenkomstig de Nota parkeernormen 2021, waarin is aangegeven dat het uitgangspunt is dat de vastgestelde parkeerbehoefte op eigen terrein wordt opgelost. Dit geldt voor zowel het aantal benodigde parkeerplaatsen voor vaste gebruikers als voor het aantal bezoekersparkeerplaatsen. De uiteindelijke toetsing vindt plaats in het kader van de toekomstige omgevingsvergunningaanvragen, waarbij zal worden getoetst aan de in de regels van dit bestemmingsplan verankerde parkeernormen van de gemeente Roermond.

35

36

Hoofdstuk 5 Juridische planopzet 5.1 Planvorm Het bestemmingsplan 'Groeneweg Maasstraat' bevat het juridisch-planologisch instrumentarium voor de gewijzigde mogelijkheden voor het plangebied. Bij het opstellen van dit bestemmingsplan is aansluiting gezocht bij het gemeentelijke Handboek digitale bestemmingsplannen. Hierbij is gestreefd naar uniformering en standaardisering van bestemmingen en regels, zoals aangegeven in de Standaard Vergelijkbare bestemmingsplannen 2012 (SVBP2012). De Wet ruimtelijke ordening biedt mogelijkheden voor het opstellen van verschillende bestemmingsplanvormen, van zeer globaal tot gedetailleerd. In dit geval is gekozen voor een bestemmingsplan met de een bepaalde mate van flexibiliteit, zonder dat hierbij de rechtszekerheid wordt geschaad. In paragraaf 5.3 wordt inhoudelijk ingegaan op de afzonderlijke bestemmingen die in dit bestemmingsplan zijn opgenomen.

5.2 Verbeelding Bij de opzet van de verbeelding is de SVBP2012 als uitgangspunt gehanteerd. In de SVBP2012 zijn onder andere bestemmingscategorieën vastgelegd en zijn uniforme kleuren en aanduidingen beschreven. Het plangebied kent de volgende enkelbestemmingen: 'Groen' 'Verkeer - Verblijfsgebied' 'Wonen' De gronden behorend tot dit bestemmingsplan zijn op de verbeelding begrensd door de plangrens. De bestemmingen op de verbeelding zijn in de regels voorzien van bouw- en gebruiksregels.

5.3 Regels 5.3.1 Algemene opbouw regels De regels zijn conform de SVBP2012 opgebouwd uit vier hoofdstukken. Hoofdstuk 1 bevat de begrippen en de wijze van meten. In hoofdstuk 2 zijn de regels opgenomen behorende bij de bestemmingen die op de verbeelding aan de gronden zijn toegekend. In hoofdstuk 3 zijn algemene regels opgenomen die op het gehele plangebied van toepassing zijn dan wel aanduidingen die betrekking hebben op meer dan één bestemmingsvlak. In hoofdstuk 4 zijn de regels opgenomen waarmee het overgangsrecht wordt geregeld en is een artikel opgenomen waarin de formele naamgeving van het bestemmingsplan is vastgelegd.

5.3.2 Juridisch-planologische regeling plangebied Voor het plangebied zijn de enkelbestemmingen 'Groen', 'Verkeer - Verblijfsgebied' en 'Wonen' opgenomen. Onderstaand wordt achtereenvolgens ingegaan op de genoemde bestemmingen. Groen Voor de entree op de hoek van de Groeneweg en Maasstraat is de bestemming 'Groen' opgenomen. Verkeer - Verblijfsgebied De bestemming 'Verkeer - Verblijfsgebied' is opgenomen voor de ontsluitingsweg tussen de Groenezijweg en de Maasstraat, die onderdeel uitmaakt van de voorgenomen ontwikkeling. Daarnaast is deze bestemming opgenomen voor de reeds bestaande Groeneweg aan de zuidkant van het plangebied, aangezien deze in het bestemmingsplan 'Herten' nog was voorzien van de bestemming 'Agrarisch'. Wonen Voor het gebied waarbinnen de woningen zijn voorzien, is de bestemming 'Wonen' opgenomen. Het maximum aantal woningen is vastgelegd op 13, middels de aanduiding 'maximum aantal wooneenheden' op de verbeelding. Voor hoofdgebouwen is een bouwvlak opgenomen. Woningen mogen met de voorgevel in tot maximaal 3 meter in de naar de weg gekeerde grens van het bouwvlak worden gebouwd.

37

Qua woningtypen zijn vrijstaande woningen toegestaan, met dien verstande dat op de hoek van de Groeneweg en Maasstraat ook vrijstaand geschakelde of halfvrijstaande woningen zijn toegestaan. De goot- en bouwhoogte van het overgrote deel van de woningen bedraagt 5 respectievelijk 9 meter. Voor de woningen aan de Maasstraat en de woningen op de hoek van de Maasstraat en de Groeneweg is een goothoogte van 7 meter en een bouwhoogte van 10 meter toegestaan. Voor wat betreft het peilniveau is in de bouwregels een bepaling opgenomen dat binnen het bouwlak, in afwijking van de definitie van peil zoals opgenomen in artikel 1.35 van de regels, een peilniveau van maximaal 20,50 meter + NAP geldt. In artikel 5.4.2 (specifieke gebruiksregels) is een regeling opgenomen met de volgende voorwaarden ten aanzien van de berging van hemelwater: Hemelwater dient op eigen terrein geborgen te worden. Hemelwatervoorzieningen dienen te worden gedimensioneerd op een bui van 100 mm/dag per vierkante meter. De bergingscapaciteit dient binnen 24 uur weer volledig beschikbaar te zijn. Er mag als gevolg van (de berging van) hemelwater geen onaanvaardbare wateroverlast ontstaan voor aangrenzende percelen.

Verder is in artikel 5.6 van de regels een omgevingsvergunningstelsel op grond waarvan het zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning niet is toegestaan is om gronden af te graven, te ontgrinden, te egaliseren of op te hogen. Uitgezonders van deze verplichting zijn werkzaamheden die betrekking hebben op normaal onderhoud en beheer en welke op het tijdstip van het van kracht worden van het plan in uitvoering zijn dan wel krachtens een reeds verleende vergunning mogen worden uitgevoerd en welke van ondergeschikte betekenis zijn. De genoemde omgevingsvergunning kan slechts worden verleend indien door het beoogde maaiveldverloop geen wateroverlast voor aangrenzende percelen ontstaat en het boogde maaiveldverloop vanuit landschappelijk oogpunt in zijn omgeving past en op een zorgvuldige wijze aansluit op de belendende percelen. Waterstaat - Waterbergend Rivierbed In verband met de ligging binnen het bergend regime van de Maas, is voor het volledige plangebied de dubbelbestemming 'Waterstaat - Waterbergend Rivierbed' opgenomen. De als zodanig bestemde gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor de berging van het Maaswater, de afvoer en berging van oppervlaktewater, sediment en ijs, de waterhuishouding en het vergroten van de afvoercapaciteit.

In deze dubbelbestemming zijn voorwaarden opgenomen, waarmee wordt geborgd dat een ontwikkeling in principe niet ten koste gaat van het bergend vermogen. Dat wil zeggen, als vanwege een ingreep het water uit de rivier daar niet meer kan komen ten tijde van hoogwater, dan zal ervoor gezorgd moeten worden dat dezelfde hoeveelheid water wel ergens anders geborgen kan worden, in een soortgelijke situatie. Waterstaat - Waterkering In verband met de beschermingszone en het profiel van vrije ruimte van de waterkering is de dubbelbestemming 'Waterstaat - Waterkering' opgenomen. De als zodanig bestemde gronden zijn, behalve de andere daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor onder meer dijken, kaden en andere voorzieningen ten behoeve van de waterkering en de bescherming, het beheer en het onderhoud van waterkeringen en watergangen inclusief het profiel van vrije ruimte. Voor het bouwen van gebouwen zijn voorwaarden opgenomen die borgen dat voorafgaand aan (bouw)werkzaamheden binnen deze dubbelbestemming, afstemming met het bevoegd gezag, het Waterschap Limburg, plaatsvindt. Uitgangspunt is dat (bouw)werkzaamheden het belang van de waterkering niet onevenredig mogen aantasten.

38

Hoofdstuk 6 Uitvoerbaarheid 6.1 Economische uitvoerbaarheid en kostenverhaal Economische uitvoerbaarheid Op grond van het Besluit ruimtelijke ordening dient de economische uitvoerbaarheid te worden onderzocht in het kader van het bestemmingsplan. Het bestemmingsplan heeft betrekking op een initiatief van een marktpartij voor de realisatie van koop- en huurwoningen. De risico's verbonden aan de realisering van het project liggen bij de ontwikkelende partij. Hiertoe is tussen gemeente en ontwikkelaar een anterieure overeenkomst aangegaan. Ter beperking van eventuele risico's voor de gemeente is in deze overeenkomst een garantiestelling opgenomen. Hierdoor is de economische uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan verzekerd. Kostenverhaal Op grond van de Wet ruimtelijke ordening rust op de gemeente de verplichting tot het verhaal van kosten die tot de grondexploitatie behoren op basis van een exploitatieplan, indien sprake is van in het Besluit ruimtelijke ordening aangewezen bouwplannen.

De gemeente kan hiervan afzien in bij algemene maatregel van bestuur aangegeven gevallen, of indien: het kostenverhaal anderszins is verzekerd; het bepalen van een tijdvak of fasering niet noodzakelijk is; en het stellen van eisen, regels of een uitwerking van regels aan werken en werkzaamheden met betrekking tot bouwrijp maken, aanleg van nutsvoorzieningen, inrichten van de openbare ruimte en uitvoerbaarheid niet noodzakelijk is. Het bestemmingsplan voorziet in de realisering van maximaal 13 woningen. Het betreft daarmee een bouwplan als bedoeld in artikel 6.2.1 van het Besluit ruimtelijke ordening. De gemeente heeft met de initiatiefnemer een anterieure grondexploitatieovereenkomst als bedoeld in artikel 6.24 van de Wet ruimtelijke ordening gesloten. De ontwikkelaar heeft de gronden binnen het plangebied in eigendom. In de met de initiatiefnemer gesloten overeenkomst zijn afspraken opgenomen over het verhaal van kosten en eisen aan de inrichting van de openbare ruimte en de aanleg van nutsvoorzieningen. Hierdoor is het kostenverhaal verzekerd, is het bepalen van een tijdvak of fasering en het stellen van locatie-eisen aan de inrichting van de openbare ruimte en de aanleg van nutsvoorzieningen middels een exploitatieplan niet nodig.

Omdat het bestemmingsplan geen percentage woningbouwcategorieën bevat, is het niet mogelijk om door middel van een exploitatieplan nadere eisen te stellen aan de uitvoerbaarheid. Gelet op het vorenstaande kan in het kader van de vaststelling van het bestemmingsplan worden afgezien van het vaststellen van een exploitatieplan.

6.2 Maatschappelijke uitvoerbaarheid 6.2.1 Inspraakprocedure Gelet op het reeds doorlopen voortraject, wordt voor dit bestemmingsplan geen inspraakprocedure doorlopen. Het bestemmingsplan wordt direct ter inzage gelegd. In het voortraject is het opgestelde Ruimtelijk Kwaliteitskader Ool reeds aan de omwonende gepresenteerd en daarnaast heeft nadere afstemming plaatsgevonden met omwonenden, hetgeen onder meer heeft geresulteerd in het feit dat mede op verzoek van omwonenden in het plan is voorzien in een ontsluiting aan de noordzijde van het plangebied, ter ontlasting van de Groeneweg en de daaraan gelegen ontsluiting richting de Groenezijweg.

39

6.2.2 Overleg ex artikel 3.1.1. Bro Het voorontwerp bestemmingsplan Groeneweg Maasstraat' is op 27 oktober 2021 in het kader van het bestuurlijk vooroverleg ex artikel 3.1.1 Besluit ruimtelijke ordening toegestuurd aan de belanghebbende instanties, zijnde Rijkswaterstaat, Waterschap Limburg en de Provincie Limburg. Rijkswaterstaat en het Waterschap Limburg hebben aangegeven geen opmerkingen te hebben ten aanzien van het aangeboden bestemmingsplan. Door de Provincie Limburg is per e-mail d.d. 22 december 2021 een formele vooroverlegreactie ingediend. Onderstaand is de inhoud van de vooroverlegreactie per deelreactie samengevat weergegeven. Per deelreactie is vervolgens het gemeentelijk standpunt ten aanzien hiervan uiteengezet. Reactie Provincie Limburg 1 De Provincie Limburg geeft aan dat het plangebied is gelegen in het bergend regime van de Maas (Beleidsregel grote rivieren) en Normering wateroverlast 1 : 25 jaar (Omgevingsverordening 2014 en ontwerp Omgevingsverordening) en verwijst naar de ontwrichting als gevolg van het hoog water in juli 2021. Aangegeven wordt dat in antwoord hierop in november 2021 de Limburgse Propositie Water namens de Provincie Limburg, de betrokken gemeenten, waaronder Roermond, en het Waterschap Limburg is aangeboden aan het Rijk.

Hierin stellen betrokken partijen onder meer dat ze gaan voor een integrale benadering van vraagstukken waarbij water als ordenend principe geldt, om zo klimaatverandering en andere grote opgaven het hoofd te kunnen bieden. Dit werkt door in de ruimtelijke ordening. Vanuit deze benadering geeft de Provincie aan dat zij bebouwing in het plangebied minder voor de hand liggend achten en ze vragen om een goede onderbouwing of afweging, die naar mening van de Provincie (nog) ontbreekt in het voorontwerp bestemmingsplan. Gemeentelijk standpunt 1 Het is uiteraard bekend dat het plangebied onderdeel uitmaakt van het bergend regime van de Maas. In het kader daarvan heeft reeds in een vroegtijdig stadium overleg plaatsgevonden met de daartoe belanghebbende instanties, zijnde het Waterschap Limburg en Rijkswaterstaat. Uit overleg met deze partijen is gebleken dat woningbouw binnen het plangebied inpasbaar wordt geacht. De waterkering wordt binnen enkele jaren opgehoogd tot een niveau waarmee er vanuit hoog water vanaf dat moment geen directe belemmeringen meer bestaan voor het plangebied en de directe omgeving. In de tussentijd dient bij realisatie van bebouwing voordat de waterkering is opgehoogd, wel te worden voldaan aan de compensatie van het verlies aan bergend vermogen.

Deze compensatie kan op meerdere manieren plaatsvinden, zoals in paragraaf 3.1.3 'Besluit algemene regels ruimtelijke ordening' van het ontwerp bestemmingsplan, in aanvulling op het eerder toegestuurde voorontwerp bestemmingsplan, nader is toegelicht. Er heeft kortom een zorgvuldige afweging plaatsgevonden. De reactie m.b.t. Limburgse Propositie Water van november 2021 wordt ter kennisgeving aangenomen. Het project kent een lange voorgeschiedenis van enkele jaren, waarbij reeds diverse bindende afspraken zijn vastgelegd en ook in voldoende mate afstemming heeft plaatsgevonden met Waterschap Limburg en Rijkswaterstaat. Verder is sprake van een logische invulling van het plangebied en zorgvuldige afronding van het 'rondje Ool', waaraan een gedegen voorbereiding en afweging aan vooraf is gegaan, mede ook door het doorlopen traject met vaststelling van onder meer het Ruimtelijk Kwaliteitskader Ool als voorloper van het bestemmingsplan. Reactie Provincie Limburg 2 Opgemerkt wordt dat het plangebied in de Omgevingsverordening Limburg 2014 als 'Buitengebied' is aangeduid. Aangezien sprake is van een stedelijke ontwikkeling wordt verwezen naar de artikelen 2.2.2 en 2.4.2 van de verordening.

Gesteld wordt dat het bestemmingsplan een toets aan de ladder voor duurzame verstedelijking dient te bevatten en een verantwoording dient te geven over de regionale afstemming, waarbij volgens de Provincie nadere aandacht moet worden geschonken aan de (volgens de Provincie) ligging in het landelijk gebied. Verzocht wordt een laddertoets aan het plan toe te voegen / uit te breiden, en het plan regionaal af te stemmen. De relatie met het ontwerpbestemmingsplan Melickerveld wordt door de Provincie van belang wordt geacht, omdat naar mening van de Provincie daar al de prioritaire uitbreidingsopgave van Roermond gelegen is. Tevens wordt verzocht de ontwerp Structuurvisie Wonen Midden-Limburg in de laddertoets te betrekken en de behoefte aan levensloopbestendige en betaalbare woningen. Gemeentelijk standpunt 2 In de toelichting op de provinciale omgevingsverordening is het volgende aangegeven ten aanzien van het landelijk

40

gebied: 'De definitie 'stedelijke ontwikkeling' is ontleend aan het bepaalde in artikel 1.1.1 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro). Het POL2014 zet sterk in op het zoveel mogelijk concentreren van nieuwe stedelijke ontwikkelingen binnen bestaand stedelijk gebied. Voor de afbakening van ruimtelijke functies binnen het 'bestaand stedelijk gebied', kan voor de toepassing van POL2014 worden aangesloten bij de omschrijving in artikel 1.1.1 Bro. Het gaat daarbij om een bestaand stedenbouwkundig samenstel van bebouwing ten behoeve van wonen, dienstverlening, bedrijvigheid, detailhandel of horeca en de daarbij behorende openbare en of sociaal culturele voorzieningen, stedelijk groen en infrastructuur". Anders gezegd: het gaat dus om bestaand bebouwd gebied van steden en plattelandskernen. Op kaart 1 behorende bij POL2014 is het (bestaand) bebouwd gebied nader op kaart aangeduid.' Anders dan in de toelichting op de verordening is opgenomen, hoeft er bij stedelijk gebied in de zin van het Besluit ruimtelijke ordening betekent geen sprake te zijn van bestaand bebouwd gebied. Het gaat om het stedenbouwkundig samenstel. Gelet op de omgevingskenmerken ligt het gebied binnen dit bestaand stedenbouwkundig samenstel. In aanvulling op bovenstaande geldt nog het volgende.

De harde grens die in de omgevingsverordening is opgenomen tussen bebouwd en landelijk gebied, is in strijd met de uitgangspunten zoals verwoord in het POL2014. Zoals bekend dateren de plannen van voor de inwerkingtreding van de huidige Provinciale omgevingsvisie, toen het POL2014 nog gold als de provinciale structuurvisie. Op pagina's 26 en 27 van het POL2014 wordt over de grenzen tussen het bestaand bebouwd gebied en landelijk gebied het volgende aangegeven: 'Het (bestaand) bebouwd gebied betreft de huidige situatie en ruimtelijke dimensie van de steden en plattelandskernen en bedrijventerreinen in Limburg. Dit gebied is volgens een standaard-methodiek op basis van o.a. bestemmingsplannen en luchtfoto's ingetekend door ETIL. Woonterreinen, bedrijventerreinen en winkelgebieden vormen de basis, aangevuld met de aangrenzende openbare voorzieningen, sociaal-culturele voorzieningen, bouwterreinen, begraafplaatsen, sportterreinen en dag recreatieve terreinen, stortplaatsen en binnen dat gebied gelegen infrastructuur. (bebouwd gebied is de Limburgse invulling van het begrip bestaand stedelijk gebied uit het Bro) Lintbebouwingen en kleinere clusters van bebouwing zijn niet apart op de POL-kaart onderscheiden als bebouwd gebied en maken onderdeel uit van het landelijk gebied. De kaart is een momentopname (31-12-2013) en is mede daardoor een illustratief kaartbeeld.

Het (bestaand) bebouwd gebied wordt onderverdeeld naar 3 zones: stedelijk centrum, bedrijventerrein en overig bebouwd gebied. Als bestemmingsplannen op grond van het oude POL-beleid zijn aangepast en ruimte bieden voor ontwikkelingen buiten het bestaand bebouwd gebied, kunnen deze plaatsvinden. Maar ook het nieuwe POL biedt hier ruimte voor ontwikkelingen, voor zover die passen binnen de regionale afspraken over woningbouw.' En op pagina 28 is aangegeven: 'De grens tussen het bestaand bebouwd gebied en het landelijk gebied is een belangrijke grens, onlosmakelijk onderdeel van de ladder van duurzame verstedelijking, één van de Limburgse principes. Vanwege het belang dat we hechten aan een optimaal gebruik van het (bestaand) bebouwd gebied, nemen we in het POL een (indicatief) kaartbeeld daarvan op, onderverdeeld in stedelijk centrum, bedrijventerrein en overig bebouwd gebied (kaart 1). Het gaat om de weergave van de feitelijke situatie: geplande en beoogde uitbreidingen in uitleglocaties maken er geen deel van uit, meestal vallen die onder het buitengebied. Het is zeker geen visiekaart, die wordt door en met de drie regio's gemaakt in de trajecten van regionale visievorming, resulterend in bestuursovereenkomsten. De precieze begrenzing van het (bestaand) bebouwd gebied gebeurt op gemeentelijk niveau. De regionale visies

41

en afspraken (zie ook 3.2.3 en hoofdstuk 9) bieden daarbij een belangrijk kader om uitspraken te doen over de zonering en daaraan gekoppelde principes. Die regionale visies krijgen vertaling in gemeentelijke structuurvisies en bestemmingsplannen. Uiteraard kunnen gemeenten ervoor kiezen om gebruik te maken van in het verleden gehanteerde begrenzingen zoals rode contouren.' Het feit dat bijvoorbeeld een groot deel van de nabijgelegen wijk Oolderveste in de omgevingsverordening als landelijk gebied is aangeduid, onderstreept dat de grens die de omgevingsverordening beoogt te trekken tussen bebouwd en landelijk gebied, in de praktijk niet gehanteerd kan worden als harde grens. De locatie ligt op basis van de Structuurvisie Kwaliteitsbijdrage uit 2012 (gebaseerd op het Limburgs Kwaliteitsmenu) binnen de stedelijke contour van Roermond. Er is dus geen sprake van een landelijk gebied, hooguit van een landelijke invulling van een deel het stedelijk gebied. Bij dit plan, en bij toekomstige plannen, blijft de gemeente begrenzing van het stedelijk gebied op grond van de Structuurvisie kwaliteitsbijdrage bepalend achten. Het plan past binnen de behoefte aan vrijstaande koopwoningen in de gemeente Roermond, en binnen de regionale volkshuisvestelijke kaders (de Structuurvisie Wonen Midden-Limburg 2018-2022). Het plan voorziet dus in een actuele regionale behoefte.

Het is plan is afgestemd in de regio conform artikel 2.4.2 van de omgevingsverordening. Van mogelijkheden tot herbenutting van leegstaande monumentale en beeldbepalende gebouwen is gelet op de voorliggende specifieke situatie en het specifieke karakter van het plan, waarbij sanering van een bedrijfslocatie binnen een landelijke kern is voorzien, geen sprake. De behoefte aan de beoogde woningbouwtypologie in de gemeente Roermond is aanzienlijk. Van een bijzondere relatie met het bouwplan Melickerveld is geen sprake. Overigens wordt ook met het bouwplan Melickerveld die behoefte onvoldoende gedekt. Melickerveld als prioritair gebied aanduiden voor de uitbreidingsbehoefte is kwantitatief weliswaar juist, maar dat betekent niet -gezien de behoefte aan vrijstaande koopwoningen- dat er geen aanvullende locaties voor deze behoefte aan de orde zijn. Dit staat nog los van de principiële vraag wat de positie van de Provincie is bij de beantwoording van de vraag hoe Roermond (en de regio) die behoefte interpreteert en/of invult. Voor zover de ontwerp-Structuurvisie Wonen Midden-Limburg 2022-2025 in de vooroverlegreactie wordt aangehaald, geldt dat deze gebaseerd is op dezelfde kwalitatieve uitgangspunten, en in kwantitatieve zin een ruimer kader geeft. De behoefte aan grondgebonden koopwoningen wordt daarmee bevestigd.

Tot slot dient nog te worden opgemerkt dat op deze specifieke locatie vrijstaande woningen op ruime kavels het meest passend wordt geacht. De opgave voor betaalbare woningen wordt op andere locaties binnen de gemeente ingevuld. Dat voornamelijk sprake is van vrijstaande woningen op ruime kavels, betekent overigens niet dat de woningen niet als levensloopbestendig kunnen worden uitgevoerd. Reactie Provincie Limburg 3 De Provincie merkt op dat het plangebied aan de oostzijde grenst aan de bronsgroene natuurzone en dat ook de westelijk gelegen Oolderplas als bronsgroene natuurzone is aangeduid. Het plangebied betreft een onbebouwd perceel tussen deze twee gebieden met natuurwaarden, waaraan naar mening van de Provincie geen rekenschap wordt gegeven. Dit terwijl men van mening is dat ook de huidige landschappelijke waarde van de percelen als groene buffer tussen de bebouwingsconcentraties van Ool en Herten, niet gering is. Verzocht wordt het belang van deze groene waarde nadrukkelijker in de motivatie te betrekken en aan te geven hoe hier rekening mee is gehouden en hoe de nieuwe planontwikkeling hierop is afgestemd of ingepast. Gemeentelijk standpunt 3 In het kader van de planvorming is, in tegenstelling tot hetgeen wordt gesteld, wel degelijk rekening gehouden met de landschappelijke waarden en natuurwaarden binnen het plangebied en de omgeving.

Zo zijn er onder meer onderzoeken uitgevoerd naar mogelijk aanwezige natuurwaarden en is bij de planvorming reeds in een vroegtijdig stadium gekeken naar landschappelijke waarden. Voor wat betreft de bronsgroene natuurzone geldt dat deze waarden zich bevinden aan de overzijde van de Maasstraat en aan de overzijde van de waterkering, terwijl op de provinciale beleidskaarten zelfs de Maasstraat zelf als zodanig is aangeduid. Met de voorgenomen ontwikkeling wordt geen negatieve invloed uitgeoefend op de gronden aan de overzijde van de Maasstraat en aan de overzijde van de waterkering. Op de Oolderplas wordt met de voorgenomen ontwikkeling geen enkele invloed uitgeoefend, gelet op de tussenliggende afstand en de tussenliggende bebouwing. Er is geen sprake van een externe werking van het plangebied op de genoemde gebieden.

42

Verder is aan de noordzijde van het plangebied uitdrukkelijk een groene buffer opengehouden, als toegang naar het centrale groene gebied tussen de Maasstraat en Broekstraat. Ook blijven de gronden van Van Appeven ten zuidwesten van het plangebied, gelegen tussen de Broekstraat, Schuttersweg en Groeneweg, als open groene zone behouden. Reactie Provincie Limburg 4 Vanuit de provinciale benadering om gebiedsgericht nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen in te passen, vindt de Provincie het waardevol dat het plan wordt beschouwd vanuit het door het college vastgesteld Ruimtelijk Kwaliteitskader Ool. Geadviseerd wordt de beschouwing in paragraaf 3.4.5 van de toelichting sterker en uitgebreider te beschrijven en te relateren aan de landschappelijke en waterhuishoudkundige waarden van het gebied, de benodigde waterhuishoudkundige ingrepen, alsmede aan de volkshuisvestelijk beoogde doelgroep. Gemeentelijk standpunt 4 Allereerst dient te worden opgemerkt dat het Ruimtelijk Kwaliteitskader Ool een gemeentelijk (beleids)document betreft waarbij de wijze waarop hiermee wordt omgegaan en de wijze waarop hieraan wordt getoetst ook een gemeentelijke aangelegenheid betreft.

In het Ruimtelijk Kwaliteitskader Ool is ingezet op het afronden van 'het rondje Ool', onder meer door de zuidkant te begrenzen met nieuwe woonkavels, waardoor een structuur van een helder omlijste dorpsrand met daarbinnen een groene open ruimtes ontstaat. Het stedenbouwkundig ontwerp sluit voor een belangrijk deel aan bij de uitgangspunten van het Ruimtelijk Kwaliteitskader Ool. Zo is de entree op de hoek van de Maasstraat en Groeneweg voorzien van een groen voorplein en is voor wat betreft de verkaveling grotendeels aangesloten bij de opzet zoals gehanteerd in het Ruimtelijk Kwaliteitskader Ool. Tevens is een beeldkwaliteitsplan opgesteld, waarin de uitgangspunten van het Ruimtelijk Kwaliteitskader Ool nader zijn uitgewerkt. Voor dit beeldkwaliteitsplan wordt een afzonderlijk traject doorlopen. Voor wat betreft het voorstel om aan de noordzijde in erfwonen te voorzien, is hiervan afgeweken. Uit overleg met de omgeving is namelijk gebleken dat er een sterke behoefte bestaat om te komen tot een oplossing voor de bestaande ontsluiting van de woningen aan de Groenezijweg, die in de huidige situatie middels een smal pad tussen twee woningen aan de Groeneweg loopt. Door aan de noordzijde van het plangebied te voorzien in een nieuwe ontsluiting tussen de Maasstraat en de Groeneweg, wordt deze ongewenste situatie opgelost.

Door de inpassing van de ontsluitingsweg aan de noordzijde van het plangebied, is het vanuit stedenbouwkundig oogpunt logischer om de woningen ter plaatse met de voorzijde te richten op de nieuwe ontsluitingsweg. Daarnaast wordt het groene middengebied tussen de Maasstraat en de Broeksstraat toegankelijker gemaakt. Vanuit stedenbouwkundig oogpunt wordt deze afwijking van het Ruimtelijk Kwaliteitskader Ool dan ook aanvaardbaar geacht. Één en ander zoals reeds weergegeven in de toelichting van het bestemmingsplan. Een nadere uiteenzetting in relatie tot het Ruimtelijk Kwaliteitskader Ool wordt kortom niet noodzakelijk geacht. Reactie Provincie Limburg 5 a. De Provincie merkt op dat de aanleiding van het plan is gelegen in het voornemen van Van Appeven fruitsappen om binnen enkele jaren haar bedrijfsactiviteiten op de locatie aan de Groeneweg in Ool-Herten te verhuizen naar een daartoe geschikte bedrijfslocatie, in het kader waarvan met de gemeente is overeengekomen dat op een deel van de gronden van Van Appeven woningbouw mogelijk kan worden gemaakt. Dit in aansluiting op de reeds bestaande woningen langs de Groeneweg en Maastraat.

De Provincie geeft aan de activiteiten van Van Appeven fruitsappen binnen de huidige karakteristiek van het gebied in beginsel niet storend te vinden en verzoekt om nader te motiveren waarom de gemeente medewerking wilt verlenen aan deze verhuizing en de mate waarin hier planologische mogelijkheden tegenover worden gesteld. b. Verder wordt geconstateerd dat het plan niet voorziet in een passende herbestemming voor de vigerende bouwvlakken van het bedrijf. Verzocht wordt in de toelichting te vermelden hoe de verhuizing bij vaststelling van het plan is zeker gesteld. Geadviseerd wordt om in het ontwerp bestemmingsplan ook de bestaande bouwvlakken van het bedrijf een passende herbestemming te geven zodat ook planologisch-juridisch de verhuizing is geborgd en tevens ter voorkoming voor alle partijen van de lasten van een tweede ruimtelijk procedure. c. Parallel hieraan gaat het initiatief door de ligging in het bergend regime van de Maas vergezeld met een waterbergingsopgave op de overige gronden van de initiatiefnemer. Ter publiekrechtelijke borging van deze opgave adviseren we deze gronden ook in het ontwerpplan op te nemen en via een voorwaardelijke verplichting de waterberging ook te relateren aan de bouw van de woningen.

43

Gemeentelijk standpunt 5 a. Op 24 november 2017 is een principeverzoek ingediend door initiatiefnemer. Dit verzoek zag erop om meer bedrijfsruimte te realiseren. In dit verzoek zijn twee varianten benoemd, namelijk uitbreiden op de bestaande locatie of verplaatsing naar een nieuwe locatie. De voorkeur van initiatiefnemer ging daarbij uit naar verhuizen naar een nieuwe locatie. Initiatiefnemer heeft in dit verzoek ook de wens geuit om op de bestaande locatie woningbouwmogelijkheden te creëren. Het bedrijf wil investeren om fors uit te breiden en dat past niet op de huidige locatie. Vanuit de gemeente is aan initiatiefnemer medegedeeld dat dit in feite twee separate verzoeken betreft en dat de vraag om meer bedrijfsruimte en de vraag met betrekking tot eventuele herontwikkeling van de huidige locatie aan de Groeneweg 1 apart behandeld worden. Ten behoeve van een eventuele woningbouwontwikkeling op de locatie is het Ruimtelijke Kwaliteitskader Ool opgesteld. Het college heeft dit kwaliteitskader op 18 februari 2020 vastgesteld, nadat de omgeving hierover is geconsulteerd. Op grond van het kwaliteitskader blijkt dat een woningbouwontwikkeling zoals met voorliggend bestemmingsplan wordt beoogd vanuit ruimtelijk oogpunt passend is op onderhavige locatie. De woningbouwontwikkeling is, op zichzelf beoordeeld, in principe dus ook passend op de locatie.

Dat aan de overzijde van het plangebied een solitaire bedrijfslocatie wordt opgeheven, en een bedrijfsverplaatsing plaatsvindt naar een van de bedrijventerreinen in de gemeente, is uiteraard wel een pré. b. Voor de bedrijfslocatie van Van Appeven fruitsappen geldt dat er nog niet voldoende duidelijkheid is over de toekomstige invulling hiervan. Hierover lopen nog gespreken, waarbij diverse mogelijke invullingen tegen elkaar worden afgewogen. Deze gronden zijn daarom nog niet in het bestemmingsplan opgenomen en worden daarom ook niet in het ontwerp bestemmingsplan opgenomen. De gemeente wenst voldoende tijd te nemen voor een zorgvuldige afweging hierover, zonder daarmee de beoogde ontwikkeling voor het deel van de gronden ten noorden van de Groeneweg verder te vertragen. Er is kortom een bewuste keuze gemaakt om deze twee delen los te knippen. Voor wat betreft de wijze waarop de verhuizing geborgd is, geldt dat in de anterieure overeenkomst tussen gemeente en initiatiefnemer is vastgelegd dat Van Appeven binnen 5 jaar na vaststelling van het bestemmingsplan de huidige locatie dient te hebben verlaten. Op deze wijze is de verhuizing in voldoende mate verzekerd. c. De waterbergingsopgave is in het bestemmingsplan in voldoende mate geborgd door de dubbelbestemming 'Waterstaat - Waterbergend Rivierbed'.

Hierover heeft meermaals afstemming plaatsgevonden met de daartoe bevoegde instantie, zijnde Rijkswaterstaat. Vanuit Rijkswaterstaat is aangegeven dat men akkoord is met de wijze waarop de waterbergingsopgave in het bestemmingsplan is verankerd. Wel is in de toelichting van het ontwerp bestemmingsplan, in aanvulling op het in het kader van het vooroverleg toegestuurde voorontwerp bestemmingsplan, in paragraaf 3.1.3 'Besluit algemene regels ruimtelijke ordening' een nadere beschrijving opgenomen in relatie tot de waterbergingsopgave. Het heeft daarbij niet de voorkeur om de aan waterbergingsopgave op de gronden van de initiatiefnemer zelf invulling te geven. De eerste voorkeur gaat uit naar een verhoogde kade, maar uit afstemming met het Waterschap Limburg is naar voren gekomen dat de termijn waarop deze verhoging plaatsvindt nog niet zeker is. De tweede optie is aansluiten bij de beoogde verlaging van de oostelijke dam van het Lateraalkanaal. Hieraan zou een financiële bijdrage kunnen worden geleverd, om op die manier te voorzien in de compensatie van het verlies aan bergend vermogen. Uitsluitend indien de eerste twee opties niet tijdig mogelijk blijken te zijn, zal compensatie op gronden van de initiatiefnemer zelf plaatsvinden.

Hiermee is ook direct duidelijk waarom het niet wenselijk wordt geacht om de mogelijke compensatiegronden op te nemen in het bestemmingsplan en compensatie van bergend vermogen ter plaatse middels een voorwaardelijke verplichting te relateren aan de bouw van de woningen. Dit nog los van het feit dat deze compensatie, zoals reeds aangegeven, middels de dubbelbestemming 'Waterstaat Waterbergend Rivierbed' reeds in voldoende mate in het bestemmingsplan is geborgd, zoals ook bevestigd door Rijkswaterstaat. Op grond van deze dubbelbestemming is woningbouw niet mogelijk zonder invulling te geven aan de compensatie van bergend vermogen.

6.2.3 Zienswijzenprocedure Het ontwerp bestemmingsplan heeft van woensdag 2 februari 2022 tot en met dinsdag 15 maart 2022, dus gedurende 6 weken, voor een ieder ter inzage gelegen. Gedurende deze periode zijn enkele zienswijzen ingediend. Voor meer informatie over de zienswijzen en het gemeentelijk standpunt ten aanzien van de zienswijzen, wordt verwezen naar de als Bijlage 12 bij deze toelichting opgenomen Zienswijzennota.

44

Inhoudsopgave

2

Regels

3

Hoofdstuk 1 Inleidende regels Artikel 1 Begrippen Artikel 2 Wijze van meten

5 5 9

Hoofdstuk 2 Bestemmingsregels Artikel 3 Groen Artikel 4 Verkeer - Verblijfsgebied Artikel 5 Wonen Artikel 6 Waterstaat - Waterbergend Rivierbed Artikel 7 Waterstaat - Waterkering

11 11 12 13 16 18

Hoofdstuk 3 Algemene regels Artikel 8 Algemene bouwregels Artikel 9 Algemene gebruiksregels Artikel 10 Algemene afwijkingsregels Artikel 11 Algemene wijzigingsregels Artikel 12 Algemene procedureregels Artikel 13 Overige regels

19 19 20 21 22 23 24

Hoofdstuk 4 Overgangs- en slotregels Artikel 14 Overgangsrecht Artikel 15 Slotregel

25 25 26

Regels

3

4

Hoofdstuk 1 Inleidende regels Artikel 1

Begrippen

1.1

plan:

het bestemmingsplan 'Groeneweg Maasstraat' met identificatienummer NL.IMRO.0957.BP00000317-VG01 van de gemeente Roermond.

1.2

bestemmingsplan:

de geometrisch bepaalde planobjecten met de bijbehorende regels en de daarbij behorende bijlagen.

1.3

aan en/of uitbouw:

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Roermond&id=5d9901e5-cd0f-457a-a694-f361742c27eb