Bijlage 2 - toelichting en regels bestemmingsplan Groeneweg Maasstraat
Tekst van het document
Inhoudsopgave
2
Toelichting
3
Hoofdstuk 1 Inleiding 1.1 Aanleiding 1.2 Ligging, begrenzing en juridische status van het plangebied 1.3 Bij het plan behorende stukken 1.4 Leeswijzer
5 5 5 7 7
Hoofdstuk 2 Gebieds- en planbeschrijving 2.1 Gebiedsbeschrijving 2.2 Planbeschrijving
9 9 9
Hoofdstuk 3 Beleidskader 3.1 Europees- en Rijksbeleid 3.2 Provinciaal beleid 3.3 Regionaal beleid 3.4 Gemeentelijk beleid
13 13 17 19 20
Hoofdstuk 4 Omschrijving deelaspecten 4.1 Milieu 4.2 Externe veiligheid 4.3 Waterhuishouding 4.4 Archeologie 4.5 Cultuurhistorie 4.6 Ecologie 4.7 Verkeer en infrastructuur
25 25 29 30 33 34 34 35
Hoofdstuk 5 Juridische planopzet 5.1 Planvorm 5.2 Verbeelding 5.3 Regels
37 37 37 37
Hoofdstuk 6 Uitvoerbaarheid 6.1 Economische uitvoerbaarheid en kostenverhaal 6.2 Maatschappelijke uitvoerbaarheid
39 39 39
Toelichting
3
4
Hoofdstuk 1 Inleiding 1.1 Aanleiding Van Appeven fruitsappen is voornemens om binnen enkele jaren haar bedrijfsactiviteiten op de locatie aan de Groeneweg in Ool-Herten te verhuizen naar een daartoe geschikte bedrijfslocatie. Om deze verhuizing mogelijk te maken, is met de gemeente Roermond overeengekomen dat op een deel van de gronden van Van Appeven woningbouw mogelijk kan worden gemaakt. Dit in aansluiting op de reeds bestaande woningen langs de Groeneweg en Maastraat. De beoogde ontwikkeling is op grond van het vigerende bestemmingsplan 'Herten' niet rechtstreeks toegestaan. Verder biedt dit bestemmingsplan geen afwijkings- of wijzigingsbevoegdheden, waarmee de ontwikkeling mogelijk kan worden gemaakt. Om de beoogde ontwikkeling mogelijk te maken is daarom het voorliggende bestemmingsplan opgesteld. Hiermee wordt voorzien in een passend juridisch-planologisch kader.
1.2 Ligging, begrenzing en juridische status van het plangebied 1.2.1 Ligging plangebied Het plangebied ligt aan de Groeneweg en Maasstraat in de kern Ool-Herten in de gemeente Roermond. Op de navolgende afbeelding is de globale ligging van het plangebied weergegeven op een topografische kaart.
Topografische kaart met ligging plangebied (rood omcirkeld).
1.2.2 Begrenzing plangebied Op de navolgende afbeelding is de plangrens weergegeven op de kadastrale ondergrond en een luchtfoto. Tevens zijn de enkelbestemmingen weergegeven, die op grond van dit bestemmingsplan aan het plangebied worden toegekend.
5
Plangrens geprojecteerd op kadastrale ondergrond en luchtfoto, met weergave enkelbestemmingen 'Woongebied', 'Groen' en 'Verkeer - Verblijfsgebied'. Het plangebied valt binnen delen van de percelen kadastraal bekend als Herten, sectie B, nummers 1391, 2103, 2210, 2211, 2717, 2718.
1.2.3 Juridische status plangebied Voor het plangebied geldt het bestemmingsplan 'Herten' dat op 27 september 2014 door de gemeenteraad van Roermond is vastgesteld. Op grond van dit bestemmingsplan geldt voor het gehele plangebied de bestemming 'Agrarisch'. Binnen deze bestemming is de beoogde woningbouw niet toegestaan. Evenmin zijn in het bestemmingsplan afwijkings- of wijzigingsbevoegdheden opgenomen op basis waarvan de beoogde ontwikkeling mogelijk kan worden gemaakt.
Uitsnede verbeelding bestemmingsplan 'Herten' voor het plangebied en de directe omgeving.
6
Verder geldt voor vrijwel het gehele plangebied de dubbelbestemming 'Waterstaat - Waterbergend rivierbed'. De voor 'Waterstaat - Waterbergend rivierbed' aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor de berging van het Maaswater, de afvoer en berging van oppervlaktewater, sediment en ijs, de waterhuishouding en het vergroten van de afvoercapaciteit. De realisatie van gebouwen binnen deze bestemming is uitsluitend toegestaan op grond van een afwijkingsbevoegdheid, mits: a. het veilig en doelmatig gebruik van het oppervlaktelichaam (de Maas) gewaarborgd blijft, en; b. geen sprake is van een feitelijke belemmering voor de vergroting van de afvoercapaciteit van de rivier (de Maas), en; c. de waterstandsverhoging of de afname van het bergend vermogen zo gering mogelijk is en deze verhoging of afname wordt gecompenseerd, en; d. de ecologische toestand van het oppervlaktewaterlichaam (de Maas) niet verslechtert; e. voor het verlenen van de vergunning advies wordt ingewonnen bij de rivierbeheerder omtrent de toepassing van voorwaarde a t/m d. Tot slot geldt voor een smalle strook langs de Maasstraat de dubbelbestemming 'Waterstaat - Waterkering'.
De voor 'Waterstaat - Waterkering' aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor dijken, kaden en andere voorzieningen ten behoeve van de waterkering, (overkluisde) watergangen, de bescherming, het beheer en het onderhoud van waterkeringen en watergangen, inclusief het profiel van vrije ruimte.
1.3 Bij het plan behorende stukken Dit bestemmingsplan bestaat uit regels en een verbeelding en gaat vergezeld van deze toelichting. Op de verbeelding zijn de bestemmingen binnen het plangebied aangegeven. In de regels zijn de bouw- en gebruiksmogelijkheden van de op de verbeelding opgenomen bestemmingen zijn opgenomen. In deze toelichting zijn de gemaakte keuzes nader gemotiveerd en verantwoord. Tevens is het van toepassing zijnde beleid beschreven en is aangegeven hoe bij de ontwikkeling met (milieu)-planologische aspecten rekening is gehouden. De verbeelding vormt samen met de regels het juridisch bindende deel van het bestemmingsplan.
1.4 Leeswijzer Na deze inleiding volgt in hoofdstuk 2 een gebieds- en planbeschrijving. Hoofdstuk 3 beschrijft het relevante nationaal, provinciaal, regionaal en gemeentelijk beleid. In hoofdstuk 4 wordt ingegaan op de milieuhygiënische en planologische aspecten met betrekking tot de ontwikkeling. In hoofdstuk 5 wordt ingegaan op de juridische planopzet. Hoofdstuk 6 bevat tot slot een uiteenzetting over de uitvoerbaarheid van het plan.
7
8
Hoofdstuk 2 Gebieds- en planbeschrijving 2.1 Gebiedsbeschrijving Het plangebied ligt aan de Groeneweg en Maasstraat in de kern Ool-Herten in de gemeente Roermond. Direct aan de overzijde van de Maastraat ligt een waterkering, die in het beheer is van Waterschap Limburg. Deze waterkering dient ter bescherming tegen hoogwater van de Maas. Aan de zuidkant van de Groeneweg ligt de huidige bedrijfslocatie van Van Appeven fruitsappen. Aan de oostzijde sluit het plan aan op de woningbouw langs de Groeneweg en de Groenezijweg. In de huidige situatie zijn de gronden overwegend in agrarisch gebruik. Op de navolgende afbeelding is de plangrens geprojecteerd op een luchtfoto.
Plangrens geprojecteerd op een luchtfoto.
2.2 Planbeschrijving Algemeen Binnen het plangebied is voorzien in de ontwikkeling van maximaal 13 woningen en een nieuwe ontsluitingsweg tussen de Maasstraat en de Groenezijweg. Er is sprake van ruime kavels waarop in principe uitsluitend vrijstaande woningen zijn toegestaan. Uitsluitend op de hoek van de Maasstraat en de Groeneweg zijn ook twee halfvrijstaande of vrijstaand geschakelde woningen mogelijk. Voor wat betreft de hoogtes van de woningen geldt dat voor de woningen aan de Maasstraat een goot- en bouwhoogte is toegestaan van 7 en 10 meter. Voor de overige woningen, bestaande uit de woningen langs de Groeneweg en de nieuwe ontsluitingsweg tussen de Maasstraat en de Groenezijweg, is een goot- en bouwhoogte toegestaan van 5 en 9 meter. Voor alle woningen geldt als uitgangspunt dat deze worden afgedekt met een kap. Ter ontsluiting van de woningen langs de noordzijde van het plangebied en de (deels nog te realiseren) woningen langs de Groenezijweg, wordt een ontsluitingsweg aangelegd tussen de Maasstraat en de Groenezijweg. Deze ontsluitingsweg is mede op verzoek van omwonenden in de ontwikkeling opgenomen en leidt tot een sterke verbetering van de verkeerskundige situatie ter plaatse aangezien de woningen aan de Groenezijweg in de bestaande situatie worden ontsloten via een smal pad tussen twee woningen aan de Groeneweg. Deze toegang
9
vanaf de Groeneweg wordt afgesloten voor autoverkeer gaat dienen als doorsteek voor het langzaamverkeer en als eventuele calamiteitenroute. Volledigheidshalve dient te worden opgemerkt dat ook een deel van de Groeneweg is opgenomen in het plangebied. Deze weg heeft in het bestemmingsplan 'Herten' de bestemming 'Agrarisch' en wordt middels dit bestemmingsplan voorzien van de meer passende bestemming 'Verkeer - Verblijfsgebied'. Stedenbouwkundig ontwerp - ‘Ontspannen wonen in het Oolse’ Op de navolgende stedenbouwkundige schets is een impressie gegeven van de beoogde toekomstige situatie.
Stedenbouwkundige schets. De centrale insteek van het ontwerp is een dorpse, afwisselende uitbreiding van het aantal woningen binnen de bestaande omgevingskwaliteiten, als vervolmaking van het ‘rondje’ Ool op de landtong. Het stedenbouwkundig plan sluit aan op de omringende wegen, de Maasstraat en de Groeneweg. Een insteek wordt gerealiseerd aan de rand van de groene open, agrarische ruimte, welke als een ruime doorkijk vanaf de Maasstraat wordt vormgegeven. De insteek bestaat uit een minimaal profiel van 5 meter om de doorgang te waarborgen. De weg wordt begeleidt door enkele bouwblokken met uitzicht op de open ruimte en aansluitend op de reeds in ontwikkeling zijnde bouwblokken aan de Groenezijweg, gericht op de open ruimte. De bebouwing aan de Maasstraat bestaat eveneens uit vrijstaande woningen op ruime kavels en zoekt de aansluiting met de reeds bestaande kenmerken. Dit betekent dat het uitzicht op de Maas van grote toegevoegde waarde is en dat van deze weidsheid gebruik gemaakt dient te worden bij de ontwikkeling op de kavel. De bouwblokken vertonen hierbij een sterke afwisseling in situering op de kavel, kaprichting en mogelijke rooilijn. Op de hoek waar de Maasstraat en de Groeneweg samenkomen, wordt een kleinschalige entree ontwikkeld in de vorm van een groen pleintje met ruimte om als bezoeker de rust te nemen tijdens een wandeling of fietstocht.
Een duidelijk groen accent met één of enkele kenmerkende bomen maken het tot een aantrekkelijk en een herkenbare plek als entree tot Ool. Het aan het pleintje gelegen bouwblok is tweeledig in zijn context. Het accentueert het pleintje en tegelijkertijd begeleidt het bouwblok de twee aangrenzende linten, Maasstraat en Groeneweg. Hier zal door het bouwblok direct op gereageerd moeten worden en betekent dus een tweeledige verbijzondering in een samengesteld bouwblok. Aan de Groeneweg wordt het lint doorgezet richting de hoek met de Maasstraat, in aansluiting op de bestaande bebouwing. Doorzetten van het beeld middels vrijstaande bouwblokken zorgt voor een duidelijke eenheid in de straat. De bebouwing dient hierbij te reageren op het lint.
10
De afwisseling aan kwaliteiten in het plan, zit hem niet zozeer in het stedenbouwkundig plan, maar vooral in de locatie waar de kavel gelegen is. De bebouwing vormt een gezamenlijke eenheid door de ontwikkeling van vrijstaande woningen op ruime kavels in een landelijke sfeer. De bebouwing vormt een duidelijke eenheid in typologie, waarbij juist de individualiteit terugkomt in de uiterlijke verschijningsvorm. Dit betekent geen herhaling van woningen, maar juist een beeld van organische, informele groei. Eigenheid en individualiteit, gericht op de bestaande kwaliteiten van de reeds aanwezige bebouwing, zorgen voor rust en toch eenheid met een passende mate van diversiteit. Het gehele plan staat ten dienste van het prettig en ontspannen wonen in het Oolse. Wonen in een hedendaagse, dorpse, groene setting, in een beleefbare, hoogwaardige omgeving. Beeldkwaliteit Voor het plangebied is naast het voorliggende bestemmingsplan een beeldkwaliteitsplan opgesteld. Het beeldkwaliteitsplan wordt vastgesteld als onderdeel van de gemeentelijke Nota Beeldkwaliteit. Hierdoor worden de individuele bouwplannen niet alleen getoetst aan dit bestemmingsplan, maar ook aan het beeldkwaliteitsplan. In het beeldkwaliteitsplan is uiteengezet aan welke eisen het plan moet voldoen.
11
12
Hoofdstuk 3 Beleidskader 3.1 Europees- en Rijksbeleid 3.1.1 Nationale Omgevingsvisie Vooruitlopend op de inwerkingtreding van de Omgevingswet, heeft de rijksoverheid de Nationale Omgevingsvisie (NOVI) opgesteld. In de NOVI wordt een toekomstbeeld geschetst van een Nederland: dat gezond en klimaatbestendig is, met schone lucht, schoon water en een schone bodem en veel ruimte voor groen en water; met een uitstekend functionerende economie, die duurzaam en circulair is. Nauw verbonden met onze buurlanden en de rest van de wereld, als onderdeel van de internationale gemeenschap; waar het goed wonen en werken is. Met aangename en vitale steden en dorpen, en een productief en aantrekkelijk platteland; met uitstekende bereikbaarheid, waar iedereen snel en gemakkelijk van A naar B komt, met zo min mogelijk schadelijke uitstoot en overlast; waar we voldoende ruimte hebben om te kunnen bewegen, ontspannen en tot onszelf te komen; zowel in de stad als daarbuiten; dat veilig is en ons beschermt tegen overstromingen en andere gevaren; waar een goede balans is tussen gebouwde omgeving en open landschap, tussen natuur en cultuur, tussen land en water; dat openstaat voor verandering, en waar de kracht van zijn traditie, cultuur en identiteit wordt weerspiegeld in de inrichting van de leefomgeving.
Gemeenten, waterschappen, provincies en het Rijk zijn samen verantwoordelijk voor de fysieke leefomgeving. Sommige belangen en opgaven overstijgen het lokale, regionale en provinciale niveau en vragen om nationale aandacht. Dit zijn de 'nationale belangen'. In totaal zijn er 21 nationale belangen geformuleerd. Het Rijk heeft voor alle nationale belangen een zogenaamde systeemverantwoordelijkheid. Voor een aantal belangen is het Rijk zelf eindverantwoordelijk. Maar voor een groot aantal nationale belangen zijn dat de medeoverheden. De NOVI richt zich op die ontwikkelingen waarin meerdere nationale belangen bij elkaar komen, en keuzes in samenhang moeten worden gemaakt tussen die nationale belangen. Voorbeelden hiervan zijn het: Bevorderen van een duurzame ontwikkeling van Nederland als geheel en van alle onderdelen van de fysieke leefomgeving. Waarborgen en bevorderen van een gezonde en veilige fysieke leefomgeving. Zorgdragen voor een woningvoorraad die aansluit op de woonbehoefte. Waarborgen en realiseren van een veilig, robuust en duurzaam mobiliteitssysteem. Zorgdragen voor nationale veiligheid en ruimte bieden voor militaire activiteiten. Waarborgen van de waterveiligheid en de klimaatbestendigheid (inclusief vitale infrastructuur voor water en mobiliteit) Waarborgen van een goede waterkwaliteit, duurzame drinkwatervoorziening en voldoende beschikbaarheid van zoetwater.
Verbeteren en beschermen van biodiversiteit. Behouden en versterken van cultureel erfgoed en landschappelijke en natuurlijke kwaliteiten van (inter)nationaal belang. Bij de voorgenomen ontwikkeling zijn met name het waarborgen en bevorderen van een gezonde en veilige fysieke leefomgeving, het zorgdragen voor een woningvoorraad die aansluit op de woonbehoefte en het waarborgen van de waterveiligheid (zie paragraaf 3.1.3) en de klimaatbestendigheid van belang. Verder geldt dat sprake is van een lokale ontwikkeling, waarbij geen nationale belangen zoals genoemd in het NOVI in het geding zijn. De beoogde ontwikkeling is kortom niet in strijd met de NOVI.
13
3.1.2 Ladder voor duurzame verstedelijking In de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) is de 'ladder voor duurzame verstedelijking' geïntroduceerd, met als doel een goede ruimtelijke ordening te bereiken door een optimale benutting van de ruimte in stedelijke gebieden. Daarnaast ondersteunt het gemeenten en provincies in de vraaggerichte programmering van hun grondgebied. De ladder voor duurzame verstedelijking is verankerd in artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro). Het tweede lid van artikel 3.1.6 luidt volgt: "De toelichting bij een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, bevat een beschrijving van de behoefte aan die ontwikkeling, en, indien het bestemmingsplan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien." In het voorliggende geval is sprake van een stedelijke ontwikkeling als bedoeld in het kader van de ladder voor duurzame verstedelijking. De voorgenomen ontwikkeling voorziet in een actuele behoefte (zie voor nadere uitleg paragrafen 3.2, 3.3 en 3.4) binnen bestaand stedelijk gebied, geheel in lijn met de beleidsuitgangspunten van de ladder voor duurzame verstedelijking. De ontwikkeling voldoet kortom aan de uitgangspunten van de ladder voor duurzame verstedelijking.
3.1.3 Besluit algemene regels ruimtelijke ordening Ter bescherming van de nationale belangen is door het Rijk het 'Besluit algemene regels ruimtelijke ordening' (Barro) opgesteld. De regels van het Barro moeten in acht worden genomen bij het opstellen onder meer bestemmingsplannen. In het Barro zijn regels opgenomen voor de volgende nationale belangen: Rijksvaarwegen, Project Mainportontwikkeling Rotterdam, Kustfundament, Grote Rivieren, Waddenzee en waddengebied, Defensie, Nationaal Natuurnetwerk, erfgoederen van uitzonderlijke universele waarde, hoofdwegen en hoofdspoorwegen, elektriciteitsvoorziening, buisleidingen van nationaal belang voor vervoer van gevaarlijke stoffen, primaire waterkeringen buiten het kustfundament, ruimtereservering parallelle Kaagbaan en het IJsselmeergebied. Het plangebied ligt met uitzondering van de ligging binnen het rivierbed van de Maas, niet binnen de invloedssfeer van reserveringsgebieden, begrenzingen en vrijwaringszones volgend uit het Barro dan wel de ministeriële uitwerking hiervan in de 'Regeling algemene regels ruimtelijke ordening' (Rarro). De ligging in het riverbed van de Maas wordt onderstaand nader op ingegaan. Grote rivieren Op 14 juli 2006 zijn de Beleidsregels grote rivieren in werking getreden. De beleidslijn is onder de titel 'Grote rivieren' doorvertaald in het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening.
In de Beleidsregels grote rivieren wordt voor de gebieden rond de grote rivieren aangegeven welke activiteiten toegestaan zijn. Deze regels gelden in het gebied van oppervlaktewateren die in het beheer zijn van het Rijk. De regels gelden in de bedijkte gebieden en in de gebieden die begrensd worden door hoogwaterkerende gronden. Bij deze beleidsregels horen kaarten waarop staat aangegeven waar het zogenaamde stroomvoerend regime of het bergend regime geldt. Op basis van de kaarten behorende bij de Beleidsregels grote rivieren valt het plangebied binnen het bergend regime van de Maas, zoals weergegeven op de navolgende uitsnede van de kaart behorende bij de Beleidsregels grote rivieren. Het groen weergegeven gebied betreft het bergend regime. Het blauw weergegeven gebied betreft het stroomvoerend regime. Het gele gebied is het gebied dat uitgezonderd is van de regels horende bij het stroomvoerende- en bergende regime (artikel 6.16 van het Waterbesluit).
14
Uitsnede kaart behorende bij de Beleidsregels grote rivieren, met de globale ligging van het plangebied aangeduid middels een zwarte pijl. Wanneer ingrepen plaatsvinden in het stroomvoerend- of bergend regime dient aangetoond te worden dat er geen negatieve effecten voor de rivier plaatsvinden. Zo mogen ingrepen bijvoorbeeld niet leiden tot extra opstuwing in de rivier. Daarnaast mag een ontwikkeling in principe niet ten koste gaan van het bergend vermogen. Dat wil zeggen, als vanwege een ingreep het water uit de rivier daar niet meer kan komen ten tijde van hoogwater, dan zal ervoor gezorgd moeten worden dat dezelfde hoeveelheid water wel ergens anders geborgen kan worden, in een soortgelijke situatie. Uit afstemming met Waterschap Limburg en Rijkswaterstaat is gebleken dat de beoogde ontwikkeling in principe inpasbaar wordt geacht, mits wordt voldaan aan de compensatie-eisen in relatie tot de ligging binnen het bergend regime van de Maas. Feitelijk bestaan er ten behoeve van de beoogde woningbouw drie opties in relatie tot het feit dat de ontwikkeling niet mag leiden tot extra opstuwing in de rivier en niet ten koste mag gaan van het bergend vermogen. Deze zijn in volgorde van voorkeur als volgt: 1. De kade ter hoogte van het plangebied wordt verhoogd waardoor geen compensatie meer hoeft plaats te vinden; 2.
Compensatie vindt plaatst door een financiële bijdrage te leveren aan de beoogde verlaging van de oostelijke dam van het Lateraalkanaal; 3. Compensatie vindt plaats binnen de grondeigendommen van Van Appeven. Navolgend worden de alternatieven nader beschreven. Ad1. Voor wat betreft de verhoging van de kade ter hoogte van het plangebied, geldt dat deze optie de voorkeur heeft, aangezien na verhoging van de kade, compensatie niet meer noodzakelijk is. Uit afstemming met Waterschap Limburg blijkt dat deze verhoging weliswaar op lange termijn is voorzien, maar dat nog geen duidelijkheid bestaat over het daadwerkelijke moment waarop de verhoging plaatsvindt. De kans is kortom reëel dat de beoogde woningbouw plaatsvindt voordat de kade is opgehoogd. Ad 2. Uit onderzoek in opdracht van de Gemeente Roermond, Rijkswaterstaat en de Provincie Limburg, is gebleken dat de verlaging van de oostelijke dam van het Lateraalkanaal in hoogwatersituaties een daling van de waterstand kan opleveren tot ongeveer 20 centimeter. Het voornemen bestaat hierbij om initiatiefnemers binnen de regio de kans te bieden om in plaats van zelf te moeten voorzien in compensatie bij ontwikkelingen, een financiële bijdrage aan de
15
verlaging van de oostelijke dam van het Lateraalkanaal te leveren als compensatie voor een eventueel verlies aan bergend vermogen bij een ontwikkeling. Op het moment dat optie 1 (kadeverhoging) niet haalbaar blijkt, gaat de voorkeur uit naar deze mogelijkheid. Hierbij dient te worden opgemerkt dat op dit moment nog niet voldoende duidelijkheid bestaat over deze mogelijkheid, waardoor zekerheidshalve ook een derde alternatief dient te worden uitgewerkt indien ten tijde van de toekomstige omgevingsvergunningaanvraag het nog niet mogelijk is om mee te liften op het initiatief om de oostelijke dam van het Lateraalkanaal te verlagen. Ad 3. Indien optie 1 en 2 niet tijdig een oplossing bieden, vindt compensatie van bergend vermogen plaats op de gronden van Van Appeven, in de directe nabijheid van het plangebied. Op de navolgende afbeelding zijn de eigendommen van Van Appeven geel omlijnd weergegeven. Het is daarbij de bedoeling de eventueel benodigde compensatie uit te werken ter hoogte van de zuidelijke agrarische gronden, op de percelen kadastraal bekend als Herten, sectie B, nrs. 502, 501, 877, 878, 2614.
Weergave eigendommen Van Appeven.
16
Weergave beoogde compensatiegronden. Door Rijkswaterstaat is aangegeven dat de maximaal te verwachten waterstand ter hoogte van het plangebied ca. 22,16 meter +NAP bedraagt. De maaiveldhoogte bedraagt circa 19,60 meter +NAP. Het te compenseren volume bedraagt daarmee circa 2,56 m³ per vierkante meter bebouwing. Hierbij dient te worden opgemerkt dat op het moment dat bedrijfsbebouwing van Van Appeven gesloopt /c.q. verwijderd wordt, zonder compensatie een gelijk oppervlak kan worden herbouwd. Om de in eigendom van Van Appeven zijnde gronden in te kunnen zetten voor compensatie van bergend vermogen, is het van belang om aan te tonen dat deze compensatie ook feitelijk mogelijk is. In het kader hiervan is een notitie opgesteld die als Bijlage 1 bij deze toelichting is gevoegd. Uit deze notitie blijkt dat, mede gelet op de hoogste grondwaterstand ter hoogte van het terrein waar compensatie voorzien is, ruimschoots voldoende volume ontgraven kan worden om in de benodigde compensatie te voorzien. Hiermee kan kortom worden voldaan aan de benodigde compensatie indien de verhoging van de kade niet tijdig is gerealiseerd en het meeliften op de beoogde verlaging van de oostelijke dam van het Lateraalkanaal niet tijdig mogelijk blijkt te zijn. In dit bestemmingsplan is de dubbelbestemming 'Waterstaat - Waterbergend Rivierbed' opgenomen.
Hiermee zijn de belangen van Rijkswaterstaat in voldoende mate geborgd. Het bestemmingsplan is dan ook in lijn met het gestelde in het Barro en de Rarro. Voor het overige wordt in relatie tot waterhuishoudkundige aspecten verwezen naar paragraaf 4.3.
3.2 Provinciaal beleid 3.2.1 Omgevingsvisie Limburg Op 1 oktober 2021 hebben Provinciale Staten van de provincie Limburg de Omgevingsvisie Limburg vastgesteld. De Omgevingsvisie Limburg is per 25 oktober 2021 in werking getreden. Op grond van de kaart 'Limburgse principes' is het plangebied aangeduid als 'buitengebied'.
17
Uitsnede kaart 'Limburgse principes' uit de Omgevingsvisie Limburg. Binnen het buitengebied is, rekening houdend met de droogtegevoeligheid en de kwaliteit van de grondwatervoorraden, een breed scala aan grondgebruiksvormen mogelijk, rekening houdend met de ruimteclaims vanuit de verschillende transitieopgaves. Conclusie In het voorliggende geval is sprake van een woningbouwontwikkeling en een logische invulling van een open deel in een bestaand bebouwingslint langs de Maasstraat en Groeneweg in Herten. Daarnaast vindt een kwaliteitsverbetering van het woon- en leefklimaat in de omgeving plaats, doordat de beoogde ontwikkeling is gekoppeld aan het op termijn verdwijnen van de bedrijfsactiviteiten van Van Appeven ter plaatse. De ontwikkeling wordt daarmee passend geacht op deze locatie.
3.2.2 Omgevingsverordening Limburg 2014 Algemeen Op 12 december 2014 is de 'Omgevingsverordening Limburg 2014' vastgesteld. Hierin staan de regels die het omgevingsbeleid van het POL2014 juridische binding geven. Beschermingsgebieden Uit de kaarten behorende bij de Omgevingsverordening Limburg 2014 blijkt dat het plangebied binnen de boringsvrije zone Roerdalslenk II ligt. Ter plaatse zijn alle boringen (en het roeren van grond) dieper dan de bovenkant van de Bovenste Brunssumklei verboden. Voor boringen dieper dan 30 meter geldt een meldingsplicht bij Gedeputeerde Staten van de provincie Limburg. Dergelijke boringen zijn vooralsnog niet voorzien. Verder ligt het plangebied niet binnen een stiltegebied, waterwingebied, grondwaterbeschermingszone of overige boringsvrije zone. Vanuit dit kader bestaan er dan ook geen belemmeringen. Duurzame verstedelijking In paragraaf 2.2 van de omgevingsverordening zijn regels opgenomen ten behoeve van duurzame verstedelijking. Onderdeel hiervan vormt onder meer de ladder voor duurzame verstedelijking. De onderbouwing van het project in relatie tot deze ladder is reeds opgenomen in paragraaf 3.1.2. Het plan voldoet aan het gestelde in de omgevingsverordening ten aanzien van de ladder voor duurzame verstedelijking.
Bestuursafspraken ten aanzien van wonen In paragraaf 2.4 van de omgevingsverordening zijn bestuursafspraken opgenomen met betrekking tot de regionale
18
uitwerking van het POL2014. In artikel 2.4.2 'Wonen' lid 3 is opgenomen dat een ruimtelijk plan voor een gebied gelegen in de regio Midden-Limburg niet mag voorzien in de toevoeging van woningen aan de bestaande voorraad woningen alsmede aan de bestaande planvoorraad woningen, anders dan op de wijze zoals beschreven in de door de gemeenteraden vastgestelde regionale structuurvisie ten aanzien van wonen voor de regio Midden-Limburg. In dit geval past de ontwikkeling binnen het regionale woonbeleid, zoals omschreven in paragraaf 3.3.1. Conclusie Het voorliggende bestemmingsplan is in overeenstemming met de Omgevingsverordening Limburg 2014.
3.3 Regionaal beleid 3.3.1 Structuurvisie Wonen Midden-Limburg 2018 - 2021 Algemeen In de 'Structuurvisie Wonen Midden-Limburg 2018 - 2021' van de samenwerkende gemeenten in Midden-Limburg (Echt-Susteren, Leudal, Maasgouw, Nederweert, Roerdalen, Roermond en Weert) zijn op basis van een woningmarktonderzoek en met ondersteuning van de Provincie Limburg, concrete afspraken gemaakt ten aanzien van het woningbouwbeleid voor de periode 2018 tot en met 2021. De structuurvisie geeft een doorkijk op de verwachte behoefte tot 2030. De regio heeft haar ambities om te bouwen naar behoefte geactualiseerd om ervoor te blijven zorgen dat de juiste kwaliteit woningen op de juiste plekken kunnen worden gebouwd. Deze actualisatie is, net zoals haar voorganger (de gezamenlijke structuurvisie uit 2014), een uitwerking van het POL2014 en bevat tevens een regionale reactie op het Provinciale rapport “Beweging op de woningmarkt”. De structuurvisie is uitvoeringsgericht en in de praktijk toepasbaar, inclusief toetsingskaders. Voorop blijft staan dat voorzienbaarheid gecreëerd wordt m.b.t. de benodigde reductie van de planvoorraad. Daarnaast ligt de focus op de realisatie van de (ver)bouwopgave en de verduurzaming van de bestaande woningvoorraad. De structuurvisie bevat een gereedschapskist, het in te zetten instrumentarium om deze opgaven te bereiken.
De structuurvisie biedt verder de mogelijkheid om planvoorraad in een segment toe te voegen waar ruimte bestaat (d.w.z. meer behoefte dan plannen), zelfs in het geval de gemeente overall meer plannen heeft dan behoefte. Opgave Roermond De gemeente Roermond heeft binnen Limburg een relatief grote woningbehoefte, welke direct wordt bepaald door de groei van het aantal huishoudens. In de Structuurvisie Wonen Midden-Limburg 2018-2021 wordt voor de afspraken uitgegaan van de woningbehoefteberekening uit 2013, welke per 1 januari 2018 een resterende woningbehoefte van 2.841 woningen geeft. Het voorliggende bestemmingsplan maakt de realisatie van maximaal 13 woningen mogelijk. Vanuit kwantitatief oogpunt past de ontwikkeling daarmee binnen de kaders van de Structuurvisie Wonen Midden-Limburg 2018-2021. Op grond van de Kwaliteitsenvelop (zie navolgende uitsnede) behorende bij de Structuurvisie Wonen Midden-Limburg 2018-2021 blijkt dat in Roermond behoefte bestaat aan vrijstaande koopwoningen in de duurdere prijsklassen. Op basis hiervan kan worden geconcludeerd dat de beoogde ontwikkeling ook vanuit kwalitatief oogpunt past binnen de kaders van de Structuurvisie Wonen Midden-Limburg 2018-2021.
19
Weergave Kwaliteitsenvelop. Tot slot dient te worden opgemerkt dat het voorliggende initiatief voor de realisatie van maximaal 13 woningen, is opgenomen in de meest recente 'planvoorraad woningbouw' van de gemeente Roermond. De ontwikkeling past kortom binnen het regionale en gemeentelijke woningbouwbeleid en de afspraken zoals deze zijn gemaakt in de Structuurvisie Wonen Midden-Limburg 2018-2021.
3.4 Gemeentelijk beleid 3.4.1 Toekomstvisie Roermond 2030 Op 22 december 2016 is de Toekomstvisie Roermond 2030 door de gemeenteraad vastgesteld. De toekomstvisie is in een interactief proces met burgers en bedrijven in Roermond tot stand gekomen. In de Toekomstvisie Roermond 2030 staan drie rode draden centraal. In 2030 moet Roermond een stad zijn van ontmoeten (1), verbinden (2) en samenwerken (3). Deze rode draden lopen dwars door de verschillende thema’s heen die in de toekomstvisie worden benoemd. De rode draden zijn op basis van een constatering van (maatschappelijke) trends tot stand gekomen. In de eerste plaats worden de verschillen in de samenleving groter. Dat gaat allereerst over sociaal-economische verschillen. Internationaal gezien is de ongelijkheid in inkomen relatief klein in Nederland. Maar bepaalde mensen hebben over de afgelopen tien jaar een minder gunstige inkomensontwikkeling gehad dan anderen. Het aantal kwetsbare mensen in de samenleving is de afgelopen jaren toegenomen. Daarnaast ontstaan ook sociaal-culturele verschillen, omdat mensen van verschillend opleidingsniveau, verschillende afkomst of leeftijd groepen vormen. Door de inwoners van Roermond is aandacht gevraagd voor het verbinden van deze groepen. Een tweede trend is het toegenomen organiserend vermogen van de samenleving, wellicht ingegeven door het vormen van groepen gelijkgestemden.
Maatschappelijke initiatieven worden belangrijker in een samenleving waar steeds meer nadruk komt te liggen op zelfredzaamheid en zelforganisatie. Het is een uitdaging om nieuwe mensen te betrekken bij initiatieven en te enthousiasmeren om een actieve rol op te pakken. Ontmoeting en verbinding zijn zodoende cruciale ingrediënten van maatschappelijke initiatieven. Daarnaast is een goede samenwerking tussen maatschappelijke initiatieven en professionele partijen in de stad, waaronder de gemeente, onontbeerlijk. In de economie groeit het belang van beleving en innovatie. Steeds sterker komt de nadruk te liggen op beleving van een product of dienst, dan het product of de dienst zelf. Om de
20
concurrentie voor te blijven zetten producenten en winkels in op beleving en datzelfde geldt voor winkelgebieden. Een centrale rol in beleving is weggelegd voor ontmoeting. Een beleving krijgt pas echt waarde als je deze kan delen. Tot slot is de samenleving door de toegenomen beschikbaarheid van informatie en social media getransformeerd in een netwerksamenleving. Dat vraagt een andere rol van de gemeente. Het is niet langer zo dat een gemeente van bovenaf, met enkele grote andere partijen, de ontwikkeling van de stad kan bepalen. De toekomst van Roermond wordt gemaakt door een veelheid aan partijen en in de eerste plaats door de inwoners van Roermond zelf. Samenwerken is daarin cruciaal. Inwoners en partners in de stad kozen vijf thema's die zij voor de nabije toekomst het belangrijkst vinden en die in hun ogen centraal zouden moeten staan in de toekomstvisie: Thema 1: Een thuis voor de jeugd. Thema 2: Stad die je actief houdt. Thema 3: Roermond zorg(t) voor elkaar. Thema 4: Stad van retail, leisure en industrie. Thema 5: Historische binnenstad aan het water. Roermond is een compacte stad met een rijke variatie aan stadslandschappen en woonbuurten. De stad is meerkernig met herkenbare gemeenschappen. Er is een rijkdom aan natuur in de directe omgeving en de Maasplassen bieden een uitgestrekt waterlandschap aan de westkant van de stad. Roermond is een veelzijdige stad.
Roermond is in 2030 een stad waar aandacht is voor kwaliteit van leven van haar inwoners. Voorliggend bestemmingsplan sluit aan bij hetgeen wordt nagestreefd in de Toekomstvisie van Roermond. De bouw van maximaal 13 woningen binnen het plangebied, waarmee wordt aangesloten bij de marktvraag, draagt bij aan de compacte stad en een rijke variatie aan woonbuurten.
3.4.2 Duurzaamheidsvisie Roermond Op 30 maart 2017 heeft de gemeenteraad van Roermond de 'Duurzaamheidsvisie Roermond' vastgesteld. Voor Roermond is duurzaamheid een van de pijlers uit het coalitieakkoord 2018 - 2022. De gemeente onderschrijft daarbij ook de mondiale doelen. Elke bestuurslaag in ieder land ter wereld, dient mee te werken om deze doelstellingen te realiseren in de periode 2016 – 2030. De gestelde doelen zijn talrijk, ambitieus en breed. Het is onmogelijk om aan alle doelen tegelijkertijd te werken. Om die reden zijn voor de komende 15 jaar een aantal doelen voor Nederland in het bijzonder benoemd. Ook de gemeente Roermond en haar inwoners willen hun bijdrage leveren aan de realisatie van deze doelen. Nationaal wordt ingezet op: Aanpak klimaatverandering. Een einde maken aan extreme armoede. Ongelijkheid en onrecht bestrijden. Op Roermondse schaal kan via realisatie van de in deze visie opgenomen doelstellingen, maar ook via sociaal beleid en uitvoering daarvan (armoedebeleid, gezondheidsbeleid, participatiebeleid etc.) een bijdrage worden geleverd. Bijvoorbeeld via de realisatie van de klimaatdoelstellingen en de doelstellingen vanuit participatie en sociale duurzaamheid.
Dat geldt overigens ook voor een aantal andere doelen zoals het streven naar toegang tot duurzame energie voor iedereen, het veerkrachting en duurzaam maken van steden, het duurzaam consumeren en produceren en het beschermen van ecosystemen, bossen en biodiversiteit. Verder is het creëren van een aantrekkelijke leefomgeving en een goed woonklimaat, waarbij de beschikbare ruimte in Roermond efficiënt en duurzaam wordt gebruikt een belangrijke doelstelling. De kwaliteit van de ruimte wordt verhoogd, wat wil zeggen dat Roermond inzet op een toegankelijke en bruikbare buitenruimte voor een breed spectrum aan doelgroepen. Een andere doelstelling betreft het streven naar energieneutrale bouwplannen en Nul op de Meter (NoM) bebouwing, waarbij materiaalgebruik en groen in relatie tot elkaar worden toegepast. Verder wordt gestreefd naar een gasloze woningvoorraad. Gestreefd wordt naar een verduurzaamde Roermondse woningvoorraad in 2040, wat onder meer inhoudt dat de woningvoorraad minimaal energielabel C (of) B heeft. Concreet gaat de gemeente duurzaamheidspricipes hanteren bij het inrichten van de stad. Zo gaat inbreiding boven uitbreiding en dient er voldoende ruimte te blijven voor groen, natuur en water.
Woningeigenaren worden geadviseerd, gestimuleerd en ontzorgd bij verduurzaming van woningen en in samenwerking met bewoners en bedrijven wordt gestreefd naar het creëren van een bruikbare en groene buitenruimte.
21
Voorliggend bestemmingsplan geeft invulling aan de duurzaamheidsvisie van de stad Roermond. Zo wordt invulling gegeven aan het principe 'inbreiding gaat voor uitbreiding' en is sprake van gasloze woningen.
3.4.3 Nota parkeernormen 2021 Op 14 oktober 2021 is de 'Nota parkeernormen 2021' vastgesteld door het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Roermond. In deze nota zijn gemeentelijke parkeernormen opgenomen voor auto- en fietsparkeren. Middels de parkeernota is een actuele parkeernormensystematiek vastgesteld waarin de eisen ten aanzien van parkeren bij in-, uitbreidingen en functieveranderingen duidelijk zijn vastgelegd. Hierbij is aangesloten bij de parkeerkencijfers zoals opgenomen in de in 2018 uitgebrachte CROW-publicatie 318. Op deze manier sluit Roermond met de hoogte van haar parkeernormen aan bij de actuele richtlijnen. Bij het opstellen van bestemmingsplannen worden parkeernormen gehanteerd als norm voor het minimum aantal te realiseren parkeerplaatsen voor een gebouw of functie binnen een plangebied. Daarbij gaat het om nieuw te realiseren functies of uitbreidingen. Bij bestaand gebruik blijft de parkeernorm gehandhaafd die bij het vaststellen van het oorspronkelijke bestemmingsplan is vastgesteld. De parkeerbehoefte is afhankelijk van de locatie van de voorziening en van het aanbod en de kwaliteit van alternatieve vervoersbewijzen is er een onderscheid gemaakt naar stedelijkheid en de zone waarin de voorziening gelegen is. In Roermond worden drie zones onderscheiden: Centrum; Schil; Rest van de bebouwde kom Roermond; Overige kernen en buitengebied.
Voor het plangebied gelden de normen uit de categorie 'Overige kernen en buitengebied'. Volgens de Nota parkeernormen 2021 geldt voor vrijstaande woningen een parkeernorm van 2,4 parkeerplaatsen per woning en voor 2 onder 1 kap woningen een parkeernorm van 2,2 parkeerplaatsen per woning. In paragraaf 4.7 wordt nader ingegaan op de wijze waarop binnen het plangebied invulling wordt gegeven aan de parkeerbehoefte. De parkeernormen uit de parkeernota zijn verankerd in de regels van dit bestemmingsplan. Hiermee zijn de uitgangspunten van de Nota parkeernormen 2021 in voldoende mate verzekerd.
3.4.4 Gemeentelijk rioleringsplan Roermond 2017 - 2021 Op 13 juli 2017 heeft de gemeenteraad van Roermond het 'Gemeentelijk rioleringsplan Roermond 2017 - 2021' vastgesteld. In het rioleringsplan wordt gesteld dat het afvalwater van alle nieuwbouw in de kernen wordt aangesloten op de riolering. In nieuwbouwgebieden wordt stedelijk afvalwater en hemelwater gescheiden. Voor nieuwbouwlocaties wordt de riolering ontworpen volgens de laatste stand der techniek, in overleg met het waterschap en/of Rijkswaterstaat. Nieuwe plannen worden op wateraspecten getoetst door de watertoets. De trits “vasthouden-bergen-afvoeren”is hierbij leidend. Dat betekent ook dat in nieuwe plannen voldoende ruimte moet worden gereserveerd voor het vasthouden en bergen van water, de zogenaamde “blauwe ruimte”. Om dit te waarborgen, moet vanaf het beginstadium van planontwikkelingen de gemeente worden betrokken (voor de bestemmingsfase). Aan het voorgaande wordt invulling gegeven bij de ontwikkeling van het plangebied. Het plan sluit dus aan op en geeft invulling aan het gemeentelijk rioleringsplan. Voor meer informatie over de wijze waarop wordt omgegaan met afvalwater en hemelwater, wordt verwezen naar paragraaf 4.3.
3.4.5 Ruimtelijk Kwaliteitskader Ool Vooruitlopend op de beoogde ontwikkeling heeft de gemeente Roermond het Ruimtelijk Kwaliteitskader Ool (RKO) opgesteld, dat als (stedenbouwkundig) kader dient voor de verdere uitwerking van de plannen. Het RKO is opgesteld voor zowel het plangebied als de gronden aan de zuidkant van de Groeneweg, met inbegrip van de huidige bedrijfslocatie van Van Appeven. In het RKO is ingezet op het afronden van 'het rondje Ool', onder meer door de de zuidkant te begrenzen met nieuwe woonkavels, waardoor een structuur van een helder omlijste dorpsrand met daarbinnen een groene open ruimtes ontstaat. De woonkavels binnen het plangebied dienen zich in de fijnmazige structuur van de historische verkaveling te voegen. Voor wat betreft de entree aan de oostzijde, op de hoek van de Maasstraat en Groeneweg, dient de entree zijn blok
22
te richten op de haven. Markante gebouwen vormen een kader voor een (groen) open, informeel voorplein met een erfboom. Met het zicht op het water en de jachthaven wordt een uitspanning aan het plein inpasbaar geacht ter markering van de entree van het dorp. Aan de noordzijde van het plangebied is een erftypologie in de vorm van erfwonen voorgesteld. In een erfopzet concentreren zich meerdere adressen op één kavel. Het hoofdgebouw is het meest zichtbaar aan de straatzijde. Daarachter liggen nieuwe gebouwvolumes die ruimte bieden voor bijvoorbeeld collectieve woonzorg. De erfwoningen grenzen aan minstens één zijde aan het open binnengebied. De bovengenoemde uitgangspunten zijn weergegeven op de stedenbouwkundige structuurschets en de ruimtelijke schets voor het nieuwe woonmilieu.
Stedenbouwkundige structuurschets Ruimtelijk Kwaliteitskader Ool.
Ruimtelijke schets nieuw woonmilieu uit het Ruimtelijk Kwaliteitskader Ool. Het stedenbouwkundig ontwerp (zie paragraaf 2.2) sluit voor een belangrijk deel aan bij de uitgangspunten van het RKO. Zo is de entree op de hoek van de Maasstraat en Groeneweg voorzien van een groen voorplein en is voor wat betreft de verkaveling grotendeels aangesloten bij de opzet zoals gehanteerd in het RKO. Tevens is een beeldkwaliteitsplan opgesteld, waarin de uitgangspunten van het RKO nader zijn uitgewerkt.
23
Voor wat betreft het voorstel om aan de noordzijde in erfwonen te voorzien, is hiervan afgeweken. Uit overleg met de omgeving is namelijk gebleken dat er een sterke behoefte bestaat om te komen tot een oplossing voor de bestaande ontsluiting van de woningen aan de Groenezijweg, die in de huidige situatie middels een smal pad tussen twee woningen aan de Groeneweg loopt. Door aan de noordzijde van het plangebied te voorzien in een nieuwe ontsluiting tussen de Maasstraat en de Groeneweg, wordt deze ongewenste situatie opgelost. Door de inpassing van de ontsluitingsweg aan de noordzijde van het plangebied, is het vanuit stedenbouwkundig oogpunt logischer om de woningen ter plaatse met de voorzijde te richten op de nieuwe ontsluitingsweg. Vanuit stedenbouwkundig oogpunt wordt deze afwijking van het RKO dan ook aanvaardbaar geacht.
3.4.6 Groenvisie Roermond Op 22 december 2016 heeft de gemeenteraad van Roermond de Groenvisie Roermond vastgesteld. De gemeente Roermond heeft veel stenige stedelijke omgevingen met wanden en daken die getransformeerd kunnen worden naar groen en ziet daar een mooie uitdaging. Roermond heeft de ambitie om dé groene architectuurstad te worden. Om dit te bereiken worden in de Groenvisie kansen benoemd en inspirerende voorbeelden gegeven voor groene architectuur, waarbij de gemeente het voortouw neemt met strategische groenprojecten. De koppeling tussen groen en architectuur vraagt om een zorgvuldige afstemming, bouwkundig en communicatief. Elke situatie is anders en dat daagt uit tot verrassende en innovatieve oplossingen. Tegelijkertijd zet de Groenvisie in op duurzame groenstructuren voor de openbare ruimte. Groenstructuren die aantrekkelijk zijn en zo robuust dat ze voor lange tijd bijdragen aan een aantrekkelijke en gezonde leefomgeving. De gemeente wil de landschappelijke structuren herkenbaar maken in de stad en meer bomen krijgen de kans om monumentaal te worden. De gemeente gaat voor een ecologisch waardevolle, klimaat- en ziektebestendige openbare groenstructuur die klaar is voor de toekomst. Om de ambitie voor de groene buitenruimte waar te maken, zijn spelregels opgesteld, toetsingscriteria voor kwaliteit.
Deze spelregels zijn noodzakelijk om richting te kunnen geven aan nieuwe ontwikkelingen en het in stand houden van het huidige openbaar groen. Goede spelregels zorgen er ook voor dat de beschikbare financiële middelen gerichter ingezet kunnen worden. In het kader van de voorgenomen ontwikkeling gaat er geen openbaar groen verloren. Op de hoek van de Groeneweg en Maasstraat wordt een groene entree richting Ool gecreëerd en verder is aan de noordzijde van het plangebied voorzien in een ontsluiting van de Maasstraat naar de Groenezijweg, waardoor de open groene binnenruimte beter toegankelijk wordt gemaakt. Hiermee is de ontwikkeling in lijn met de algemene uitgangspunten zoals opgenomen in de Groenvisie Roermond. In de Groenvisie zijn verder voor het plangebied geen specifieke voorwaarden opgenomen.
24
Hoofdstuk 4 Omschrijving deelaspecten 4.1 Milieu 4.1.1 Bodem In het kader van de voorgenomen ontwikkeling is in eerste instantie een vooronderzoek conform NEN5725 en vervolgens verkennend bodemonderzoek conform NEN5740 uitgevoerd. Naar aanleiding van de resultaten van het verkennend bodemonderzoek is tot slot een aanvullend bodemonderzoek uitgevoerd. De rapportage van deze onderzoeken zijn als Bijlage 2, Bijlage 3 en Bijlage 4 bij deze toelichting te raadplegen. Onderstaand wordt kort ingegaan op de onderzoeksresultaten. Vooronderzoek en verkennend bodemonderzoek Bij de uitvoering van de veldwerkzaamheden zijn in het opgeboorde bodemmateriaal ter plaatse van het grasland (voormalige boomgaard) plaatselijk baksteen- en koolresten aangetroffen. De bovengrond ter plaatse van de verharde berm langs de Groeneweg is matig tot sterk puinhoudend. Ter plaatse van de puinhoudende berm is zowel op het maaiveld als in de grond (fractie > 20 mm) geen asbestverdacht materiaal waargenomen. Uit de analyseresultaten blijkt dat de bovengrond ter plaatse van het weiland/grasland licht verhoogd is met zware metalen. De matige tot sterk puinhoudende bovengrond ter plaatse van de berm (mengmonster MM4) is licht verhoogd met zware metalen, som PCB en minerale olie en matig verhoogd met PAK.
Na uitsplitsing van mengmonster MM4 blijkt dat de bovengrond van boorpunt 26 (traject 0–0,5 m-mv.) sterk verhoogd is met PAK. In de overige deelmonsters is een licht verhoogd gehalte aan PAK aangetoond. Uit het onderzoek naar OCB blijkt dat de bovengrond (0-0,3 m-mv) ter plaatse van de voormalige boomgaard licht tot plaatselijk matig verhoogd is met OCB. Het matig verhoogde gehalte is aangetoond in mengmonster MM6. Na uitsplitsing blijkt dat in separaat geanalyseerde deelmonsters slechts licht verhoogde gehalten aan OCB’s zijn aangetoond. Het aangetoonde matige verhoogde gehalte in mengmonster MM6 wordt niet bevestigd. In de zintuiglijk waargenomen schone ondergrond (mengmonsters MM8 t/m MM10) zijn geen gehalten gemeten verhoogd ten opzichte van de achtergrondwaarden. Uit de resultaten van het onderzoek naar asbest in bodem ter plaatse van de verharde berm blijkt dat zowel zintuiglijk (maaiveld en grove fractie) als analytisch (fijne fractie) geen asbest is aangetoond. Het freatisch grondwater ter plaatse van de onderzoekslocatie is licht verhoogd met vluchtige aromaten. De resultaten van het bodemonderzoek geven voor wat betreft het aangetoonde sterk verhoogde gehalte aan PAK in de berm ter plaatse van boorpunt 26 (aan de noordzijde van de Groeneweg) aanleiding tot het uitvoeren van een aanvullend bodemonderzoek.
De milieuhygiënische conditie van de bodem van het overige deel van de onderzoekslocatie vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling. Indien er werkzaamheden plaatsvinden, waarbij grond vrijkomt, kan de grond mogelijk niet zonder meer worden afgevoerd of elders worden toegepast. Ten aanzien van hergebruik van deze grond elders is het Besluit Bodemkwaliteit en het Tijdelijk Handelingskader PFAS van toepassing. Het freatisch grondwater ter plaatse van de onderzoekslocatie is niet multifunctioneel toepasbaar. Het wordt daarom afgeraden het freatisch grondwater te gebruiken voor consumptie, besproeiing of proceswater. Aanvullend bodemonderzoek Naar aanleiding van het sterk vehoogde gehalte aan PAK in de berm ter plaatse van boorpunt 26 in het verkennend bodemonderzoek, is een aanvullend bodemonderzoek uitgevoerd. Op basis van de resultaten van dit aanvullend bodemonderzoek kan geconcludeerd worden dat ter plaatse sprake is van een heterogeen verspreide verontreiniging met PAK in het bodemtraject van 0 tot 0,5 m-mv. Het in het verkennend bodemonderzoek aangetoonde sterk verhoogde gehalte aan PAK is in de afperkende boringen niet aangetoond. De verhoogde gehalten met PAK hebben een duidelijke samenhang met de aangetroffen bijmengingen aan puin-, baksteen en asfaltresten in de berm (kadastraal perceel Herten, sectie B, nummers 1391 (ged.)). In de zintuiglijk
25
waargenomen schone grondmonsters zijn geen verhoogde gehalten aangetoond. Op basis van de resultaten van het verkennend en aanvullend bodemonderzoek blijkt dat ter plaatse geen sprake is van een geval van ernstige bodemverontreiniging. Bij een beoogde wijziging naar een gevoeliger gebruik van de bermstrook of bij geplande grondwerkzaamheden wordt geadviseerd de bovengrond separaat te ontgraven en af te voeren. Conclusie Vanuit het aspect bodem bestaan er, met inachteneming van bovengenoemd advies inzake het ontgraven en afvoeren van de bovengrond ter plaatse van bermstrook, geen belemmeringen.
4.1.2 Geluid In het kader van de beoogde ontwikkeling is een akoestisch onderzoek naar wegverkeerslawaai uitgevoerd. De rapportage van dit onderzoek is als Bijlage 5 bij deze toelichting te raadplegen. Onderstaand wordt kort ingegaan op de conclusies uit het onderzoek. Het plangebied is niet gelegen binnen zone van zoneringsplichtige geluidbronnen zoals bedoeld in de Wet geluidhinder. In het kader van een goede ruimtelijke ordening zijn de geluidbelastingen vanwege de omliggende 30 km/uur-wegen inzichtelijk gemaakt. De berekende geluidbelasting (inclusief aftrek artikel 110g Wet geluidhinder) ten gevolge van het wegverkeer op de Groenestraat, Maasstraat, Schoolstraat en de nieuwe ontsluitingsweg, voldoet binnen het gehele plangebied aan de voorkeurswaarde van 48 dB uit de Wet geluidhinder. Geconcludeerd wordt dat er daarmee zonder meer sprake is van een goede ruimtelijke ordening. In het kader van een goede ruimtelijke ordening is tevens de cumulatieve geluidbelasting ten gevolge van alle wegen inzichtelijk gemaakt De cumulatieve geluidbelastingen (exclusief aftrek artikel 110g van de Wet geluidhinder) bedragen ten hoogste 50 dB. Dit komt volgens methode Miedema overeen met een 'goed' akoestisch woon- en leefklimaat. Conclusie Vanuit het aspect wegverkeerslawaai bestaan er geen belemmeringen.
4.1.3 Luchtkwaliteit Hoofdstuk 5 van de Wet milieubeheer (titel 5.2 Luchtkwaliteitseisen, ook wel bekend als de 'Wet luchtkwaliteit') bevat de regelgeving op het gebied van luchtkwaliteit. In de Wet milieubeheer zijn luchtkwaliteitseisen opgenomen voor diverse verontreinigende stoffen, waaronder stikstofdioxide (NO2 ) en fijn stof (PM10). In artikel 5.16 van de Wet milieubeheer is vastgelegd in welke gevallen de luchtkwaliteitseisen geen belemmering vormen voor een nieuwe ontwikkeling. Dit is het geval wanneer: a. een ontwikkeling niet leidt tot overschrijding van de grenswaarden voor luchtkwaliteit; b. ten gevolge van een ontwikkeling de concentraties van de betreffende stoffen verbeteren of ten minste gelijk blijven; c. een ontwikkeling niet in betekenende mate bijdraagt aan de concentraties van de betreffende stoffen in de buitenlucht; d. een ontwikkeling past binnen een vastgesteld programma (zoals het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit). Het Besluit NIBM Een nadere uitwerking van de regelgeving met betrekking tot het begrip 'niet in betekenende mate' is vastgelegd in het 'Besluit niet in betekende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen)' en de 'Regeling niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen)'.
In de Regeling zijn categorieën van gevallen benoemd die in ieder geval als 'niet in betekenende mate' worden aangemerkt en waarvoor toetsing aan de grenswaarden dus zonder meer achterwege kan blijven. Er is blijkens deze regeling geen onderzoek nodig voor 'woningbouwlocaties, indien een dergelijke locatie, in geval van één ontsluitingsweg, netto niet meer dan 1.500 nieuwe woningen omvat, dan wel, in geval van twee ontsluitingswegen met een gelijkmatige verkeersverdeling, netto niet meer dan 3.000 woningen omvat'. De voorgenomen ontwikkeling heeft betrekking op de realisatie van maximaal 13 woningen. Hiermee wordt ruimschoots onder de aantallen gebleven zoals genoemd in de 'Regeling niet in betekende mate bijdragen'. Achtergrondwaarden
26
In aanvulling op het bovenstaande is tevens bekeken of de kwaliteit van de lucht ter plaatse goed genoeg is voor de realisatie van de gewenste ontwikkeling. De luchtkwaliteit wordt in Nederland gemonitord door middel van het NSL. Volgens de monitoringstool uit het NSL bedraagt de concentratie PM10 ter plaatse minder dan 35 µg/m³, de concentratie PM2,5 µg/m³ minder dan 20 µg/m³ en de concentratie NO2 minder dan 35 µg/m³. In de Wet milieubeheer is de jaargemiddelde grenswaarde voor PM10 en NO2 40 µg/m³. Voor PM2,5 bedraagt de jaargemiddelde grenswaarde 25 µg/m³. De luchtkwaliteit ter plaatse is in de huidige situatie daarom voldoende voor de beoogde ontwikkeling. Conclusie Vanuit het aspect luchtkwaliteit bestaan er geen belemmeringen.
4.1.4 Milieuzonering / bedrijvigheid Goede ruimtelijke ordening voorziet in het voorkómen van hinder en gevaar. Door bij nieuwe ontwikkelingen voldoende afstand in acht te nemen tussen milieubelastende activiteiten (zoals bedrijven) en gevoelige functies (zoals woningen) kan dit gerealiseerd worden. Het is aan de ene kant zaak om te voorkomen dat er hinder en gevaar voor gevoelige bestemmingen ontstaat en aan de andere kant dient aan bedrijven voldoende zekerheid te worden geboden dat zij niet in hun activiteiten worden beperkt door nieuwe gevoelige functies. Om te bepalen of tussen de milieubelastende activiteiten en de gevoelige functies voldoende afstand in acht wordt genomen, wordt gebruik gemaakt van de VNG-publicatie 'Bedrijven en milieuzonering' uit 2009. Woningen vormen geen functie die volgens de (indicatieve) brochure 'Bedrijven en Milieuzonering' gezoneerd dienen te worden ten opzichte van milieugevoelige functies in de omgeving. Medewerking aan dit project is echter pas mogelijk indien blijkt dat in de toekomstige woningen sprake zal zijn van een goed woon- en leefklimaat, alsmede dat bedrijven in de omgeving door de nieuwe woonfunctie niet in hun activiteiten worden gefrustreerd.
In de directe omgeving van het plangebied zijn twee agrarische bouwvlakken aanwezig, een klein bouwvlak ten noorden van het plangebied en het bouwvlak ten behoeve van Van Appeven Fruitsappen, zoals op de navolgende afbeelding rood omcirkeld weergegeven.
Agrarische bouwvlakken in de omgeving van het plangebied (rood omcirkeld). Voor wat betreft het bouwvlak ten noorden van het plangebied geldt dat reeds woningen dichterbij gelegen zijn, waardoor de beoogde nieuwbouw binnen het plangebied geen belemmering vormt voor de ter plaatste toegestane activiteiten.
27
Ook voor de locatie van Van Appeven geldt dat er reeds woningen direct aangrenzend aan het bedrijfsperceel aanwezig zijn, waardoor de beoogde nieuwbouw binnen het plangebied geen belemmering vormt voor de ter plaatste toegestane activiteiten. Daarnaast geldt dat de bedrijfsactiviteiten van Van Appeven binnen afzienbare tijd worden beëindigd. Dit vormt immers de aanleiding voor het voorliggende bestemmingsplan. Op basis van het bovenstaande kan worden geconcludeerd dat enerzijds omliggende bedrijven niet in hun functioneren worden belemmerd en dat anderzijds sprake zal zijn van een goed woon- en leeklimaat binnen het plangebied. Vanuit het aspect milieuzonering bestaan er kortom geen belemmeringen voor de beoogde ontwikkeling.
4.1.5 Milieueffectrapportage Algemeen Op 1 april 2017 is een wijziging van het Besluit milieueffectrapportage (Besluit m.e.r.) in werking getreden. Eén van de wijzigingen in dit Besluit is dat voor elk project dat betrekking heeft op activiteiten die voorkomen op de D-lijst (m.e.r.-beoordelingsplichtige activiteiten) van het Besluit m.e.r., ook als de genoemde indicatieve drempelwaarden niet worden overschreden, het bevoegd gezag dient te beoordelen of er een m.e.r.- of m.e.r.-beoordelingsprocedure moet worden doorlopen. Dit besluit dient expliciet te zijn genomen voordat de uitgebreide omgevingsvergunningprocedure of bestemmingsplanprocedure wordt voortgezet. In bijlage D van het Besluit m.e.r. is een groot aantal activiteiten genoemd waarvoor een m.e.r.-beoordelingsplicht geldt. Eén van de genoemde activiteiten betreft 'de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject, met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen' (activiteit D11.2). Deze activiteit is m.e.r.-beoordelingplichtig in geval deze betrekking heeft op een oppervlakte van 100 ha of meer of wanneer het een aaneengesloten gebied van 2.000 of meer woningen betreft. Het planvoornemen ligt ruim onder de plandrempels waarvoor conform het Besluit m.e.r. een m.e.r.-beoordelingsprocedure noodzakelijk is.
Het initiatief betreft namelijk slechts de realisatie van maximaal 13 woningen, met inbegrip van bijbehorende voorzieningen. Dit betekent dat de bovengenoemde (indicatieve) drempelwaarden uit het Besluit m.e.r. niet overschreden worden, waardoor kan worden volstaan met het uitvoeren een zogenaamde 'vormvrije m.e.r.-beoordeling'. Voor deze vormvrije m.e.r.-beoordeling dient de initiatiefnemer een zogenaamde aanmeldingsnotitie op te stellen. Deze aanmeldingsnotitie is in principe vormvrij, mits wordt voldaan aan opbouw uit bijlage III bij de Europese richtlijn 'betreffende de milieubeoordeling van bepaalde openbare en particuliere projecten'. Daarbij is gekozen voor een beknopte samenvattende notitie in tabelvorm die als bijlage bij deze toelichting is opgenomen. In de bovengenoemde Europese richtlijn is gesteld dat moet worden ingegaan op: 1. Kenmerken van het project. Hierbij dient in het bijzonder in overweging worden genomen, de omvang van het project, de cumulatie met andere projecten, het gebruik van hulpbronnen, de productie van afvalstoffen, verontreiniging en hinder en risico van ongevallen (met name gelet op de gebruikte stoffen of technologieën). 2. De plaats van het project.
Bij de mate van kwetsbaarheid van het milieu in de gebieden waarop de projecten van invloed kunnen zijn, moet in het bijzonder in overweging worden genomen, het bestaande grondgebruik, de relatieve rijkdom aan en de kwaliteit van het regeneratievermogen van natuurlijke hulpbronnen van het gebied en het opnamevermogen van het natuurlijk milieu. Hierbij geldt dat in het bijzonder aandacht dient uit te gaan naar de volgende typen gebieden: wetlands, kustgebieden, berg- en bosgebieden, reservaten en natuurparken, vogelrichtlijn- of habitatrichtlijngebieden, gebieden waarbij vastgestelde normen inzake milieukwaliteit worden overschreden, gebieden met een hoge bevolkingsdichtheid of landschappen van historisch, cultureel of archeologisch belang. 3. Kenmerken van het potentiële effect. Bij de potentiele aanzienlijke effecten van het project moeten in samenhang met de criteria van bovenstaande punten in het bijzonder in overweging worden genomen: het bereik van het effect (geografische zone en grootte van de getroffen bevolking, het grensoverschrijdende karakter van het effect, de waarschijnlijkheid van het effect en de duur, frequentie en omkeerbaarheid van het effect.