CConstaterende datRoermond
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 2 - toelichting en planregels bestemmingsplan Rooswinkel

Gemeenteraad 25 april 2024, gemeente RoermondBij agendapunt: Herontwikkeling Rooswinkelterrein21.180 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

bestemmingsplan Rooswinkel

31

Uitsnede NSL-monitoringsviewer met uitsnede plangebied lichtblauw omlijnd Uit de NSL- monitoringskaart blijkt dat de jaargemiddelde grenswaarden voor NO2 , PM1 0 en PM2,5 ter plaatse van de rekenpunten niet overschreden worden.

Gevolg planvoornemen Gelet op bovenstaande kan worden geconcludeerd dat het aspect luchtkwaliteit geen belemmering vormt voor het planvoornemen.

4.5

Bedrijven en milieuzonering

Zowel in het kader van een goede ruimtelijke ordening als vanuit milieuwet- en regelgeving wordt gestreefd naar het voorkomen van voorzienbare hinder en gevaar door milieubelastende activiteiten, met als doel het handhaven en waar mogelijk bevorderen van een goede kwaliteit van het leefmilieu. Dit gebeurt onder andere door het fysiek scheiden van milieubelastende activiteiten (zoals bedrijven) en milieugevoelige functies (zoals woningen) door het aanbrengen van een voldoende ruimtelijke scheiding daartussen. Deze ruimtelijke scheiding bestaat doorgaans uit het aanhouden van een bepaalde afstand, hetgeen ook wel wordt aangeduid als milieuzonering. Die onderlinge afstand moet groter zijn naarmate de milieubelastende functie het milieu sterker belast. Milieuzonering heeft twee doelen: 1.

Het voorkomen of zoveel mogelijk beperken van hinder en gevaar bij woningen en andere gevoelige functies; 2. het bieden van voldoende zekerheid aan bedrijven dat zij hun activiteiten duurzaam onder aanvaardbare voorwaarden kunnen uitoefenen. Voor het bepalen van de aan te houden afstanden wordt in de praktijk gebruik gemaakt van VNG-uitgave "Bedrijven en milieuzonering, editie 2009" (verder: VNG-uitgave). De VNG-uitgave geeft op systematische wijze informatie over de ruimtelijk relevante milieuaspecten van een scala aan bedrijfsactiviteiten. Deze uitgave bevat een lijst waarin voor veelvoorkomende milieubelastende activiteiten indicatieve richtafstanden zijn gegeven ten opzichte van milieugevoelige functies, uitgaande van een gemiddeld modern bedrijf. De

32

bestemmingsplan Rooswinkel

handreiking is oorspronkelijk bedoeld als hulpmiddel bij de ruimtelijke planvorming. Uit de rechtspraak van de Afdeling vloeit voort dat de handreiking als hulpmiddel is erkend. Afwijken van de richtafstanden is mogelijk, mits wordt onderbouwd dat sprake is van een goed woon- en leefklimaat. De indicatieve richtafstanden uit de VNG-brochure gaan uit van de afstand die dient te worden gehouden van het gebiedstype 'rustige woonwijk'. Indien sprake is van een 'gemengd gebied' mogen de richtafstanden met één afstandsstap worden verkleind (uitzondering is de richtafstand voor gevaar). Een gemengd gebied is een gebied met matige tot sterke functiemenging. Direct naast woningen komen andere functies voor zoals winkels, horeca en kleine bedrijven. Gebieden die direct langs de hoofdinfrastructuur liggen, behoren eveneens tot het omgevingstype gemengd gebied. Het plangebied is gelegen in de directe omgeving van de Koninginnelaan, dat onderdeel van de hoofdinfrastructuur van Roermond betreft. Tevens zijn in de directe omgeving van het plangebied woon-, bedrijfs, verkeers- en maatschappelijke bestemmingen gelegen. Het plangebied is gelegen in gemengd gebied. Ten zuiden van de locatie grenst het plangebied aan een bedrijventerrein.

Deze gronden zijn bestemd voor een bedrijf en/of het uitoefenen van bedrijfsactiviteiten die staan vermeld in de categorieën 1 tot en met 2 van de 'Staat van bedrijfsactiviteiten'. Hiervoor geldt op basis van de VNG-brochure 'Bedrijven en milieuzonering' een maximale richtafstand van 30 meter. Gezien de ligging in gemengd gebied kan de richtafstand met een afstandsstap worden verkleind naar 10 meter. De contour van 1 meter reikt tot binnen het plangebied. Om aan te tonen dat sprake is van een goed woon- en leefklimaat ter plaatse van de woningen ter plaatse van deze richtafstand is een akoestisch onderzoek industrielawaai (Aelmans, rapportnummer M222420.002.001/JME , d.d. 15 december 2022, Bijlage 5) uitgevoerd. Uit dit akoestisch onderzoek is gebleken dat sparke is van een overschrijding van het maximale geluidniveau. Door het plaatse van een geluidscherm met een hoogte van 2 meter op de plan-/perceelsgrens kan het woon- en leefklimaat van de woningen binnen de richtafstand van 10 meter gewaarborgd worden. Om te waarborgen dat dit geluidscherm ook daadwerkelijk gerealiseerd wordt is in de regels bepaald dat ter plaatse van de aanduiding 'geluidscherm' een geluidscherm met een hoogte van 2 meter dient te worden opgericht, tenzij door middel van nader onderzoek is aangetoond dat het woon- en leefklimaat van de woningen op een andere wijze wordt gewaarborgd.

In de direct omgeving van het plangebied zijn maatschappelijke bestemmingen opgenomen. Deze gronden zijn bestemd voor activiteiten passend in categorie 1 van de 'Staat van bedrijfsactiviteiten'. Hiervoor geldt op basis van de VNG-brochure 'Bedrijven en milieuzonering' een maximale richtafstand van 10 meter. Gezien de ligging in gemengd gebied kan de richtafstand met een afstandsstap worden verkleind naar 0 meter. Voor een maatschappelijke bestemming in de omgeving van het plangebied geldt geen richtafstand, deze inrichtingen vormen dan ook geen belemmering voor het planvoornemen. Gevolg planvoornemen Gelet op voorstaande vormt het aspect bedrijven en milieuzonering geen belemmering voor het planvoornemen.

4.6

Externe veiligheid

Het beleid in het kader van de externe veiligheid is gericht op het beperken en beheersen van risico's voor de omgeving voor wat betreft handelingen met gevaarlijke stoffen. Deze handelingen kunnen zowel betrekking hebben op het gebruik, de opslag en de productie van gevaarlijke stoffen, als op het vervoer van deze stoffen. Uit het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) en de richtlijnen voor het vervoer van gevaarlijke stoffen, vloeit de verplichting voort om in het kader van ruimtelijke plannen in te gaan op de risico's ter plaatse van het plangebied als gevolg van handelingen met gevaarlijke stoffen. Het Nederlandse externe veiligheidsbeleid is gebaseerd op twee elementen: een harde norm in de vorm van het plaatsgebonden risico en een oriënterende waarde in de vorm van het groepsrisico. De norm voor het

bestemmingsplan Rooswinkel

33

plaatsgebonden risico bedraagt één op de miljoen (10-6) per jaar, ofwel 1 op de miljoen blootgestelde personen. Het hanteren van een norm voor het plaatsgebonden risico biedt een basisveiligheidsniveau voor de individuele burger in de omgeving van een risicovolle activiteit. Voor nieuwe situaties geldt deze norm als grenswaarde. Dat wil zeggen dat nieuwe kwetsbare bestemmingen buiten de 10-6 contour moeten zijn gelegen. Het groepsrisico gaat over de impact van een calamiteit met veel dodelijke slachtoffers tegelijk. Rondom een risicobron wordt een invloedsgebied gedefinieerd, waarbinnen grenzen worden gesteld aan het maximaal aanvaardbare aantal personen, de oriënterende waarde. Dit is een richtwaarde waarvan het bevoegd gezag, voldoende gemotiveerd, kan afwijken.

Uitsnede kaart 'Veilige omgeving' met plangebied lichtblauw aangeduid Om inzicht te krijgen in het aspect externe veiligheid is een quickscan externe veiligheid (Econsultancy, rapportnummer 20008.002 d.d. 23 september 2022, Bijlage 6) uitgevoerd. In deze quickscan zijn de risicovolle objecten, transport gevaarlijke stoffen en buisleidingen geïnventariseerd. Ten aanzien hiervan kan het volgende worden gesteld. Hogedruk aardgastransportleiding Op circa 1,2 kilometer ten oosten van het plangebied is een hogedruk aardgastransportleiding (1) gelegen. De grootste inventarisatieafstand voor hogedruk aardgastransportleidingen bedraagt 580 meter. Omdat er binnen een straal van 580 meter tot het plangebied geen leidingen zijn gelegen, bestaan er op dit punt geen belem-meringen voor het voorgenomen plan. Transport De afstand vanaf het midden van het spoor (2) tot de grens van het plangebied bedraagt circa 205 meter. Via deze transportroute, die onderdeel uitmaakt van het Basisnet, worden gevaarlijke stoffen vervoerd. Het traject ter hoogte van het plangebied heeft een plasbrandaandachtsgebied (PAG) van 30 meter. Gezien de afstand tot het plangebied gelden er geen belemmeringen met betrekking tot het PAG. Het plangebied is niet gelegen binnen 200 meter van het spoor, maar bevindt zich wel binnen het invloedsgebied van een aantal stofcategorieën (A 460 meter, B2 995 meter, D3 375 meter).

Een kwantitatieve risicoanalyse is derhalve niet noodzakelijk, wel is een beperkte verantwoording van het groepsrisico nodig. De toekomstige woningen liggen ook binnen zone III uit het gemeentelijk beleid waar geen functiebeperkingen

34

bestemmingsplan Rooswinkel

gelden. Een ruimtelijke ontwikkeling op meer dan 200 meter heeft een geringe bijdrage aan het groepsrisico. Ruimtelijke maatregelen om het groepsrisico te verkleinen zijn derhalve niet effectief. In hoofdstuk 4 wordt een beperkte verantwoording van het groepsrisico gegeven. Inrichting Op circa 260 meter ten westen van de grens van het plangebied is een LPG-tankstation (3) gelegen. Voor LPG-tankstations is het invloedsgebied vastgesteld op 150 meter vanuit het vulpunt en de ondergrondse tank. Er is geen sprake van invloed op het plangebied. Een nadere verantwoording van het groepsrisico is niet nodig. Beperkte verantwoording van het groepsrisico Analyse scenario's Voor stofcategorie A moet rekening gehouden worden met de scenario's fakkelbrand, explosie (koude en/of warme BLEVE) en wolkbrand / gaswolkexplosie. Door een ongeval met een ketelwagen op de spoorlijn kunnen giftige gassen (B2 en D3) vrijkomen. De toxische wolk kan zich snel ontwikkelen en verplaatsen. Afhankelijk van het type stof, windrichting en plaats van de calamiteit kunnen hoge concentraties optreden. In de onderstaande paragrafen wordt aangegeven welke maatregelen in geval van een calamiteit getroffen kunnen worden. De verantwoording zal gericht zijn op mogelijkheden ter bestrijding van calamiteiten, bereik-baarheid en zelfredzaamheid.

De verantwoording moet ter beoordeling worden voorgelegd aan de Veiligheids-regio Limburg-Noord. Zelfredzaamheid Het ontstaan van een koude BLEVE is niet preventief te bestrijden, omdat de calamiteit zonder aankondiging plaatsvindt. Zowel bij een koude of warme BLEVE dienen overlevenden het pand/woning te ontvluchten in verband met secundaire branden. Personen dienen te vluchten richting de Prins Bernhardstraat. Bij de in-richting van het plangebied moeten er minimaal twee vluchtroutes die van het spoor af gericht zijn. Hiermee kunnen bewoners snel het gebied verlaten en zichzelf in veiligheid brengen. Via waarschuwings- en alarmeringssysteem (WAS) en NL-Alert worden personen in de omgeving gewaar-schuwd. Bij een calamiteit met giftige gassen is het handelingsperspectief binnen blijven en schuilen. Ventila-tievoorzieningen moeten eenvoudig centraal uitgeschakeld en/of dichtgezet kunnen worden. Ramen en deu-ren moeten worden gesloten en aanwezigen moeten inpandig schuilen tot het gevaar is geweken. Ventilatie-openingen moeten zoveel mogelijk van de spoorlijn Sittard – Roermond af gericht worden. Evacuatie wordt pas in gang gezet als de situatie dat toelaat. Bestrijdbaarheid en bereikbaarheid Bij een calamiteit zal de brandweer zich inzetten om effecten als gevolg van het incident te beperken. Deze inzet zal voornamelijk plaatsvinden bij de bron.

Hulpdiensten kunnen het plangebied via de Koninginnelaan en de Kapellerlaan bereiken. Voor een goede bestrijdbaarheid is het van belang dat het voor de brandweer moge-lijk is om: op tijd ter plaatse te zijn; voldoende opstelplaatsen te hebben; voldoende blusmiddelen te hebben. Veiligheidsregio Limburg-Noord De Veiligheidsregio Limburg-Noord dient in de gelegenheid gesteld te worden om in verband met het groepsrisico advies uit te brengen over de mogelijkheden tot voorbereiding van bestrijding en beperking van de omvang van een ramp of zwaar ongeval en over de zelfredzaamheid van personen. Met het advies van de Veilig-heidsregio en de te nemen maatregelen zullen de risico's zoveel mogelijk worden beperkt. In dat kader heeft de Veiligheidsregio Limburg-Noord dan ook advies uitgebracht (d.d. 7 september 2023,

bestemmingsplan Rooswinkel

35

Bijlage 7). Dit advies luidt als volgt: De bereikbaarheid van het plangebied moet voldoen aan het gemeentelijke beleid ‘Bereikbaarheid en bluswatervoorziening’. Het plangebied moet vanuit minimaal twee richtingen kunnen worden bereikt door hulpdiensten. Hieraan wordt voldaan. De bluswatervoorziening in het plangebied moet voldoen aan het gemeentelijke beleid ‘Bereikbaarheid en bluswatervoorziening’. Het ontwerp van de aan te leggen bluswatervoorziening door WML, zal door de veiligheidsregio worden getoetst. Het ontvluchten van woningen, appartementsgebouwen en openbare ruimten in het plangebied, moet van de risicobron af plaats kunnen vinden bij een (dreigende) BLEVE of een toxische gaswolk. Bij een toxische gaswolk wordt bij voorkeur haaks op de windrichting gevlucht. De mechanische ventilatie in woningen moet bij het vrijkomen van een toxische gaswolk snel kunnen worden afgesloten door de bewoners. In het kader van de invoering van de omgevingswet zal dit een wettelijk worden voorgeschreven maatregel zijn in het Besluit Bouwwerken Leefomgeving. Door gerichte risicocommunicatie kunnen bewoners beter bewust worden van de externe veiligheid scenario’s en het handelingsperspectief. Waar nodig wordt bij de uitwerking van de verdere (bouw)plannen rekening gehouden met het advies van de veiligheidsregio.

Gevolg planvoornemen Gelet op voorstaande vormt het aspect externe veiligheid geen belemmering voor het planvoornemen. In dat kader is door de gemeente Roermond een afzonderlijk verantwoordingsdocument externe veiligheid opgesteld waarin gesteld wordt dat het is verantwoord om medewerking te verlenen aan de ontwikkeling van het bestemmingsplan 'Rooswinkel'. Dit document is als Bijlage 8 bijgevoegd bij deze toelichting.

4.7

Natuur

4.7.1 Soortenbescherming Wat betreft soortenbescherming is de Wet Natuurbescherming (Wnb) van toepassing. De soortenbescherming heeft betrekking op alle in Nederland in het wild voorkomende zoogdieren, (trek)vogels, reptielen en amfibieën, een aantal vissen, libellen en vlinders, enkele bijzondere en min of meer zeldzame ongewervelde dierensoorten en een aantal vaatplanten. Voor alle soorten, dus ook voor de soorten die niet onder de aangewezen bescherming vallen, of die zijn vrijgesteld van de ontheffingsplicht, geldt de zogenaamde 'algemene zorgplicht' (art. 1.10 Wnb). Deze zorgplicht houdt in dat de initiatiefnemer passende maatregelen neemt om schade aan aanwezige soorten te voorkomen of zoveel mogelijk te beperken. Hierbij gaat het bijvoorbeeld om het niet verontrusten of verstoren in de kwetsbare perioden zoals de winterslaap, de voortplantingstijd en de periode van afhankelijkheid van de jongen. De zorgplicht geldt altijd en voor alle planten en dieren, of ze beschermd zijn of niet, en in het geval dat ze beschermd zijn ook als er een ontheffing of vrijstelling is verleend. Tevens geldt onder de Wet Natuurbescherming dat bij ruimtelijke ontwikkelingen naast de zorgplicht ook rekening gehouden moet worden met juridisch zwaarder beschermde soorten vanuit nationaal en Europees oogpunt.

Beschermde soorten vanuit nationaal oogpunt betreffen soorten uit 'bijlage A en B' van de Wet Natuurbescherming. Beschermde soorten vanuit Europees oogpunt betreffen soorten uit Bijlage IV van de Habitatrichtlijn, de soorten uit Bijlage 1 en 2 Verdrag van Bern, en Bijlage 1 verdrag van Bonn, en alle in Europa inheemse vogels (Vogelrichtlijn). Met het planvoornemen vindt de (gedeeltelijke) sloop van bestaande bebouwing op het voormalige bedrijventerrein plaats. Om aan te kunnen tonen dat hier geen beschermde soorten mee in het geding komen, is een quickscan flora en fauna (Ecoterra, rapportnummer Q2021.032, d.d. 19 april 2021, Bijlage 9) uitgevoerd. De belangrijkste bevindingen uit deze quickscan zijn:

36

bestemmingsplan Rooswinkel

Om vast te stellen of de kerkuil het plangebied ook gebruikt om te broeden dient er een nader onderzoek naar de kerkuil plaats te vinden. Dit nader onderzoek dient plaats te vinden conform het Kennisdocument Kerkuil (BIJ12, versie 1.0, juli 2017, 3x •'s avonds/'s nachts in de periode begin februari tot en met half oktober). De bevindingen kunnen leiden tot het aanvragen van een ontheffing en het nemen van mitigerende maatregelen. Er zal ook een nader onderzoek naar vleermuizen moeten plaatsvinden. Dit nadere onderzoek dient vast te stellen of er (zo ja, welke soorten en welke functie) gebruik gemaakt wordt van de gebouwen en dient plaats te vinden op basis van het protocol voor vleermuisinventarisaties 2021 (GaN). Er dient in de periode 15 mei- 15 juli (kraam-/zomerverblijf) en 1 augustus- 1 oktober (massawinterverblijf en paar-/zomerverblijf) onderzoek plaats te vinden. Bij de onderzoeksopzet dient gelet te worden op de diverse functies die het plangebied kan hebben, op de verschillende soorten vleermuizen die gebruik van de gebouwen kunnen maken en op de zogenaamde 75% regel uit het vleermuizenprotocol. Mogelijk dienen er naar aanleiding van het nadere onderzoek een ontheffing aangevraagd te worden en mitigerende maatregelen genomen te worden. Voor de zekerheid dient er tijdens het nader onderzoek naar vleermuizen en kerkuil ook gelet te worden op ransuil.

Mogelijk zijn er vervolgstappen nodig aangaande deze soort. De steenmarter is beschermd volgens de Wet natuurbescherming (overige soorten). Verblijfplaatsen van deze soort zijn in principe jaarrond beschermd, echter geldt er in de provincie Limburg in de periode van 15 augustus tot en met februari een vrijstelling bij ruimtelijke ontwikkelingen. Dit houdt in dat de verblijfplaats in deze periode wel zonder ontheffing Wnb mag worden aangetast. Uiteraard geldt wel de zorgplicht en dient voor de sloop zeker te zijn gesteld dat er geen exemplaar aanwezig is. Dit kan bijvoorbeeld door het zorgvuldig verwijderen van plafondplaten en het ongeschikt maken van andere potentiële verblijfplekken. Verder geldt voor alle soorten de algemene zorgplicht. Dit houdt in dat eenieder voldoende zorg in acht moet nemen voor het in het wild levende dieren en planten, alsmede voor hun directe leefomgeving. Op basis van de bevindingen uit de quickscan is een aanvullend onderzoek naar uilen, steenmarters en vleermuizen gedaan worden. Hierom is door Ecoterra een ecologisch vervolgonderzoek (rapportnummer N2021.160, d.d. 20 december 2021, Bijlage 10) uitgevoerd. Tijdens het veldonderzoek zijn de soorten vleermuis, kerkuil en steenmarter waargenomen. Dit betekent: Vleermuis: door de voorgenomen herontwikkeling zullen vaste verblijfplaatsen voor vleermuizen verloren gaan.

Dit is niet toegestaan bij de Wnb. Er zal dan ook een ontheffing Wet natuurbescherming (soorten) moeten worden aangevraagd bij de provincie Limburg. Mogelijk dat het paarverblijf in het te behouden kantoorgebouw niet wordt aangetast. Aangezien het onbekend is wat de ingrepen ter plaatse van het kantoorgebouw precies zullen zijn wordt geadviseerd het paarverblijf mee te nemen in de ontheffing, maar zeker ook omdat niet geheel zeker is dat het paarverblijf zich in dit gebouw bevindt. In het kader van de ontheffingsaanvraag dient vervolgens een projectplan te worden opgesteld. Tevens dienen er (tijdelijke en permanente) mitigerende maatregelen genomen te worden om de vaste verblijfplaats te vervangen. Er wordt geadviseerd om zo spoedig mogelijk 8 opbouwkasten te (laten) plaatsen aan gebouwen in de omgeving, dit in verband met de gewennigstijd (tijd dat vleermuizen nodig hebben om de kasten te vinden, genoemd als eis in ontheffing) van 6 maanden). De te nemen maatregelen dienen te worden begeleid door een ecoloog en vastgelegd te worden in een werkprotocol. Kerkuil: de herontwikkeling zal tot gevolg hebben dat de jaarrond beschermde roestplekken verloren gaan. Voor het mogen vernietigen van een jaarrond beschermde roestplek is een ontheffing Wnb nodig. Tevens dienen er mitigerende maatregelen genomen te worden.

In het kader van de ontheffingsaanvraag dient eveneens een projectplan en een werkprotocol te worden opgesteld. De te nemen maatregelen dienen te worden begeleid door een ecoloog en vastgelegd te worden in een werkprotocol. Geadviseerd wordt om zo spoedig mogelijk alvast twee speciale kerkuilenkasten in de directe omgeving op te (laten) hangen. Hiervoor kan het beste de lokale uilenwerkgroep worden ingeschakeld. Dergelijke organisaties weten waar al kasten hangen, kennen de omgeving en kunnen derhalve de beste locatie uitzoeken

bestemmingsplan Rooswinkel

37

(https://www.kerkuil.com/pg-17825-7-23586/pagina/contact.html). Steenmarter: De steenmarter is beschermd volgens de Wet natuurbescherming (overige soorten). Verblijfplaatsen van deze soort zijn in principe jaarrond beschermd. In de provincie Limburg geldt in de periode van 15 augustus tot en met februari echter een vrijstelling op dit verbod al het een ruimtelijke ontwikkeling betreft. Dit houdt in dat de verblijfplaats(en) in deze periode wel zonder ontheffing Wnb mogen worden aangetast. Uiteraard geldt wel de zorgplicht en dient voor de sloop (vrijwel) zeker te zijn gesteld dat er geen exemplaar aanwezig is. Dit kan bijvoorbeeld door (buiten de periode maart- 15 augustus) het zorgvuldig verwijderen van plafondplaten, het ongeschikt maken van potentiële verblijfplekken en het gebouw af te sluiten. Echter, een gebouw van dit formaat, met veel onbereikbare/ niet zichtbare plekken (onder funderingen, daken, gaten in muur en dergelijke), is echter zeer lastig volledig af te sluiten. Het is derhalve van belang dat er niet in de kwetsbare kraamperiode (maart- 15 augustus) gesloopt wordt, daar een kraamplek niet volledig is uit te sluiten of te voorkomen. Er hoeft geen ontheffing Wnb te worden aangevraagd voor deze soort, wel zijn de genoemde voorwaarden van toepassing.

In verband met de aanwezigheid van jaarrond gebruikte verblijfplaatsen van de gewone dwergvleermuis en de mogelijke aanwezigheid van een kraamlocatie van een steenmarter is het van belang de meest geschikte periode om het gebouw natuur-vrij te maken (zorgen dat dieren er wel uit kunnen, maar niet meer erin, dit is een eis die gesteld gaat worden in de ontheffing) te bepalen. De meest geschikte periode hiervoor is begin september tot half oktober. Vleermuizen zitten dan buiten hun meest kwetsbare periodes (kraam- en winterverblijf) en deze periode valt buiten de kraamperiode van steenmarter (maart- 15 augustus). Met de planning van de (sloop)werkzaamheden dient met deze periode rekening te worden gehouden. Het zogenaamd natuur-vrij maken mag echter alleen gebeuren wanneer daar een ontheffing voor is afgegeven! Het opstellen van een projectplan en de doorlooptijd van een ontheffingsaanvraag kan zeker 6 maanden of langer duren. Wanneer genoemde periode gehaald dient te worden in 2022 is het raadzaam zo spoedig mogelijk een ontheffing Wnb aan te vragen. In dat kader is de aanvraag ontheffing Wet natuurbescherming met bijbehorende activiteitenplan inmiddels verleend (d.d. 23 april 2023). De mitigerende maatregelen met betrekking tot de uilenkasten worden in overleg met de ecoloog van de gemeente afgestemd.

4.7.2 Gebiedsbescherming Er dient aannemelijk te worden gemaakt dat het plan geen negatieve effecten heeft op de instandhoudingsdoelstellingen van Europees beschermde Natura2000-gebieden en Natuur Netwerk Nederland (NNN). Het plangebied is niet gelegen in een Natura 2000-gebied, zodat er uitsluitend sprake is van externe werking. Gezien de kleinschalige aard van het planvoornemen (planologisch mogelijk maken van 91 woningen binnen bestaand stedelijk gebied) en de afstand tot de dichtstbijzijnde Natura 2000-gebieden (ongeveer 90 meter tot Roerdal), 4,1 km (Meinweg) en 5,3 km (Swalmdal), is geen sprake van verstoring door licht, trilling, optische verstoring of verstoring door mechanische effecten. Het plangebied is niet gelegen binnen het NNN, zodat er uitsluitend sprake is van een externe werking. Op een afstand van ca. 0,1 km ten westen van het plangebied is een onderdeel van de groenblauwe mantel gelegen. Ten westen van het plangebied is op een afstand van ca. 1,3 km eveneens een onderdeel van de groenblauwe mantel gelegen. Externe effecten als gevolg van een toename van stikstofdepositie zijn vanwege de afstand tot de dichtstbijzijnde Natura 2000-gebieden op voorhand niet uit te sluiten. Vervolgonderzoek in het kader van de gebiedsbeschermingsparagrafen uit de Wet natuurbescherming ten aanzien van stikstof wordt noodzakelijk geacht.

Dit kan in eerste instantie worden onderzocht middels een modelberekening (Aerius-calculator).

38

bestemmingsplan Rooswinkel

4.7.3 Stikstof In het kader van stikstofdepositie is een notitie beoordeling stikstof (Pouderoyen Tonnaer, project J222420 , d.d. 9 november 2023, Bijlage 11) opgesteld. Onderdeel van deze notitie zijn de aeriusberekeningen voor de realisatiefase (sloopfase 2023 en bouwfase 2024/2025) en gebruiksfase (vanaf 2026). Uit de berekeningen van zowel de realisatiefase (over 3 jaar) en gebruiksfase volgen geen rekenresultaten die leiden tot een toename van de stikstofdepositie op nabijgelegen Natura 2000-gebieden groter dan 0,00 mol/ha/jaar. Het planvoornemen leidt in de realisatiefase en gebruiksfase bij de aangehouden fasering over 3 jaar) dan ook niet tot een toename van stikstofdepositie op Natura2000-gebieden. Op basis van de Wet Stikstofreductie en Natuurherstel kan gebruik worden gemaakt van de partiële vrijstelling voor bouwactiviteiten zoals opgenomen in artikel 2.9a Wnb. Voor het plan is derhalve geen vergunning in het kader van de Wet natuurbescherming vereist. 4.7.4 Conclusie Het aspect natuur vormt geen belemmering voor het planvoornemen, mits de ontheffing in het kader van de Wet natuurbescherming wordt verleent voor de soorten vleermuis en kerkuil.

4.8

Water

4.8.1

Huidige situatie waterhuishouding

Grondwater Het plangebied is ongeveer 26 tot 35 meter boven N.A.P. gelegen. Er is omtrent de GLG en GHG van het plangebied geen informatie bekend. Wel is de verwachting dat het grondwaterpeil dieper dan 3,5 meter minus maaiveld is gelegen. Dit is gebaseerd op de realisatie van het project 'Herinrichting Kappellerlaan' van BLM Wegenbouw. Oppervlaktewater Binnen het plangebied is geen oppervlaktewater aanwezig. In de directe omgeving is op een afstand van ca. 100 meter rivier de Roer gelegen. Dit betreft een oppervlaktewaterlichaam met bijbehorende meanderzone en inundatiegebied, welke alle niet tot binnen het plangebied reiken. Ten oosten van het plangebied is op een afstand van ca. 400 meter de Maasnielderbeek gelegen. Hiermee zijn er geen primaire belangen van het Waterschap Limburg op het plangebied van toepassing.

bestemmingsplan Rooswinkel

39

Uitsnede de Legger waterschap Limburg met planlocatie rood omlijnd Hemelwater In de huidige situatie is het plangebied vrijwel geheel verhard ten behoeve van het voormalig bedrijventerrein. Het hemelwater afkomstig van de bebouwing en verharding wordt in de huidige situatie 'geloosd' op het bestaande gemengde rioolstelsel, zoals aanwezig in het straatprofiel van de Prins Bernhardstraat. Aan de noordoostelijke zijde vormt een bomenrij de scheiding tussen het bedrijventerrein en de aanliggende woonfunctie. Natuurwaarden Het plangebied is niet gelegen binnen een natuurbeschermingszone. 4.8.2 Beleid Europese Kaderrichtlijn Water (2000): Met ingang van december 2000 is de Europese Kaderrichtlijn Water (KRW) van kracht. In de Kaderrichtlijn worden kwaliteitseisen gesteld gericht op het beschermen en verbeteren van de aquatische ecosystemen (verplichtingen per stroomgebied). Deze richtlijn stelt als norm dat oppervlaktewater binnen 15 jaar na inwerkingtreding moet voldoen aan een ‘goede ecologische toestand’ (GET). Voor kunstmatige wateren, zoals de meeste stadswateren, geldt dat de oppervlaktewateren minimaal moeten voldoen aan een ‘goede ecologisch potentieel’(GEP). Inmiddels zijn de GEP-normen per stroomgebied uitgewerkt. Waterwet: Op 22 december 2009 is de Waterwet in werking getreden. Kort samengevat regelt de Waterwet het beheer van oppervlaktewater en grondwater.

De Waterwet biedt instrumenten om het waterbeheer op een doeltreffende en doelmatige manier op te pakken. Ook vervangt de Waterwet een groot aantal wetten op het gebied van water. Hieruit is op Rijksniveau een Nationaal Waterplan ontwikkeld. Dit plan bevat de hoofdlijnen van het nationale waterbeleid en de daartoe behorende aspecten van het nationale ruimtelijke beleid. De provincie Limburg heeft een Regionaal Waterplan opgesteld. De bedoeling is dat op basis van deze structuurvisies plannen van de Waterwet doorwerken in de ruimtelijke ordening en ervoor zorgen dat de waterbelangen op een goede manier worden geborgd. De op 1 januari 2008 ingevoerde Wet gemeentelijke watertaken is opgenomen in de Waterwet. Door deze wetgeving kunnen gemeenten een verbrede zorgplicht op zich nemen. Deze wetgeving maakt het mogelijk om rioolheffing te heffen voor zuiveringstechnisch werk dat door de gemeente (of waterschap/derde) wordt beheerd op grond van de Gemeentewet. Nationaal Water Programma 2022-2027 (NWP): Het NWP beschrijft de nationale beleids- en beheerdoelen op het gebied van klimaatadaptatie, waterveiligheid, zoetwater & waterverdeling, waterkwaliteit & natuur, scheepvaart, en de functies van de rijkswateren. Hierbij moet gedacht worden aan het omgaan met droogte, onze dijken, en het borgen van de drinkwatervoorziening en de bevaarbaarheid van onze rivieren en kanalen.

Er wordt daarbij gekeken naar de raakvlakken binnen en tussen de verschillende waterthema’s, ook in de verschillende ‘water’ gebieden (dit zijn: Noordzee, Zuidwestelijke Delta, Waddengebied, IJsselmeergebied, Rivieren, Kanalen en Rijnmond-Drechtsteden). Dat brengt samenhang in het waterbeleid aan. Daarnaast zijn de raakvlakken tussen water en andere thema’s als landbouw, landschap, bodem en het energie- en klimaatbeleid inzichtelijk gemaakt. Het programma biedt daarmee overzicht en inzicht van wat ons nu en in de toekomst te wachten staat. Met dit programma anticipeert het Rijk op de inwerkingtreding van de Omgevingswet. Provinciaal Waterprogramma 2022-2027 Het waterbeleid van de provincie Limburg voor de jaren 2022-2027 staat in het Provinciaal Waterprogramma 2022-2027 dat op 17 december 2021 door Provinciale Staten is vastgesteld. Het is de opvolger van het Provinciaal waterprogramma 2016-2021.

40

bestemmingsplan Rooswinkel

Het Provinciaal Waterprogramma is een uitwerking van de Omgevingsvisie Limburg en bevat de doelstellingen die wij als Provincie de komende planperiode samen met onze partners willen bereiken op het gebied van Water. Centraal staat hierbij het realiseren van een duurzaam, robuust en ecologisch gezond watersysteem dat kan omgaan met wateroverlast en droogte en dat voorziet in voldoende water van goede kwaliteit. Het Provinciaal Waterprogramma werkt door in de Provinciale Omgevingsverordening en in omgevingsvisie en plannen van gemeenten en het waterbeheerprogramma van het Waterschap Limburg. Waterbeheerprogramma 2022-2027 ‘Limburgs water in een veranderend klimaat’: Elke zes jaar leggen waterschappen vast welke aanpak en welke maatregelen nodig zijn om de watertaken goed te kunnen uitvoeren. Dit gebeurt in het waterbeheerprogramma (WBP). Dit Waterbeheerprogramma bevat een beschrijving van de algemene ontwikkelingen en succesfactoren. Daarnaast bevat het waterbeheerprogramma een beschrijving van het regionale watersysteem en afwegingen op het gebied van crisisbeheersing. Naast dit beschrijvende deel van het waterbeheerprogramma bevat het ook een uitvoeringsprogramma voor de periode 2016-2021. Dit programma is uitgesplitst op het gebied van hoogwaterveiligheid, het regionaal watersysteem, zuiveren en waterketens, crisisbeheersing en beleidsinstrumenten. 4.8.3

Toekomstige situatie waterhuishouding

Grondwater Inrichting en beheer van het waterhuishoudkundig systeem binnen het plangebied dient te zijn gericht op het voorkomen van wateroverlast voor wegen en bebouwing en het voorkomen van schade aan de volksgezondheid door bijvoorbeeld vochtige kruipruimten, stilstaand water en onveilige oevers. Zo nodig dient de drooglegging of ontwatering te worden verbeterd (bijvoorbeeld bij lage ligging plangebied of hoge grondwaterstanden). Drooglegging is de maat waarop het maaiveld, het straatniveau of het bouwpeil boven het oppervlakte waterpeil ligt. Gezien het maaiveld van het planvoornemen ruim boven het N.A.P. ligt en het grondwater naar verwachting op 3,5 meter minus maaiveld is gelegen, is het onwaarschijnlijk dat met het planvoornemen problemen ontstaan met betrekking tot wateroverlast. Op de afvoer van hemelwater als gevolg van de verharding van het terrein door de woonontwikkeling wordt ingegaan onder het kopje hemelwater. Oppervlaktewater Binnen het plangebied en directe omgeving is geen oppervlaktewater aanwezig, met het planvoornemen vinden hier geen veranderingen in plaats. Er worden dus met uitvoering van het planvoornemen geen beschermde oppervlaktewateren geraakt. Hemelwater Momenteel is het plangebied vrijwel volledig verhard. Met het planvoornemen zal de totale verharding binnen het plangebied afnemen.

Echter het hemelwater afkomstig van bebouwing en verhardingen zal bij de herontwikkeling van het voormalige bedrijventerrein volledig afgekoppeld worden. In dat kader is de 'wateropgave' uitgewerkt in de memo 'Herontwikkeling perceel Rooswinkel te Roermond, inpassing waterhuishouding' (BLM wegenbouw, d.d. 26 juli 2022, Bijlage 12). De wateropgave voor de grondgebonden woningen en appartementen bedraagt 465 m3 . Om hierin te voorzien worden infiltratiekratten toegepast met een hoog holle ruimte percentage (95%). Hierbij wordt voorzien in een zandvang/voorreiniging welke wordt voorzien van ontluchting in combinatie met overstort ten behoeve van extreme neerslagsituaties. Per perceel en appartementen wordt een sluitende wateropgave gerealiseerd. Dit resulteert in een totale waterberginscapaciteit van 480 m3 . De geplande waterbergingen is hiermee groter dan de vereiste

bestemmingsplan Rooswinkel

41

wateropgave. Naast de statische bergingseis dient het gehele plan tevens binnen de grenzen van 84 mm waterrobuust te worden ontworpen. Het teveel aan aangeboden water voor de private buffervoorziening, stroomt bovengronds af naar het infiltratiestelsel in de openbare ruimte. Dit betreft een totaalvolume van (7.979+625+702)m2 x (84)mm = 480 m3 private retentie = 302 m3 'overhevelend water'. Ook in de openbare ruimte dient het hemelwater te worden opgevangen en geïnfiltreerd. Op basis van het totaal verhard oppervlak in de openbare ruimte (wegen, troittoirs, parkeren in openbare ruimte) bedraagt de wateropgave 496 m3. Hierin wordt voorzien door de aanleg van infiltratievelden met een waterbergingscapacietiet van 500 m3. In de volgende afbeelding is de geplande waterberging binnen het plangebied inzichtelijk gemaakt.

Situatietekening met infiltratievoorzieningen (zie tevens Bijlage 12) In het kader van voorgaand wateradvies is tevens een infiltratieonderzoek (BKK, rapportnummer 220815.Bkk, d.d. 22 november 2022, ) uitgevoerd. Doel van dit infiltratieonderzoek is vast te stellen wat de k-waarde is van de ondergrond, omdat de waterdoorlatendheid van de ondergrond bepalend is voor het ontwerp van de herinrichting. Uit de meetresultaten volgens de Constant head-methode blijkt dat op basis van declassificatie in de doorlatendheid de bodemlaag op 1,5 m-mv als goed doorlatend wordt beoordeeld. De bodemlaag op 2,5 m-mv is zeer goed doorlatend De onderzochte bodemlagen bieden derhalve goede mogelijkheden om het hemelwater in de bodem te infiltreren. Er bevinden zich binnen de diepte van 5 m-mv geen storende bodemlagen, welke een negatieve invloed hebben op de waterdoorlatendheid. Ten aanzien van de definitieve inrichting van de infiltratievoorziening dient rekening te houden met deze conclusies. Vuilwater De woningen worden ieder individueel aangesloten op nieuw te realiseren riolering/de bestaande riolering die aanwezig is ter plaatse van de bestaande infrastructuur (Prins Bernhardstraat). De gemeente Roermond

42

bestemmingsplan Rooswinkel

maakt met de beoogde ontwikkelaar afspraken over deze aansluiting op de riolering.

4.9

Archeologie en cultuurhistorie

4.9.1 Archeologie Sinds 1 september 2007 is de Wet op de Archeologische Monumentenzorg (Wamz) in werking getreden. Deze wet is de Nederlandse uitwerking van het Verdrag van Malta uit 1992. De Wamz is in zijn geheel opgenomen in de Monumentenwet 1988 (Mw art. 38 t/m 60). In de Wamz is vastgelegd dat Rijk, provincies en gemeenten in ruimtelijke plannen rekening houden met aspect 'archeologie'. De wet beoogt het archeologische erfgoed in hoofdzaak in situ te beschermen. De op 1 juli 2016 in werking getreden Erfgoedwet heeft de Monumentenwet 1988 deels vervangen als het gaat om archeologie. In de Erfgoedwet is vastgelegd wat onder cultureel erfgoed (waar archeologie onder valt) wordt verstaan. Onderdelen van de Monumentenwet 1988 die de omgang met archeologie in de fysieke leefomgeving betreffen, gaan naar de Omgevingswet. Voor een aantal onderdelen (onder andere bestemmingsplannen) is voor de periode tot inwerkingtreding van de Omgevingswet een overgangsregeling in de Erfgoedwet opgenomen. Op basis van het geldende bestemmingsplan geldt het volgende: Op de voor 'Waarde - Archeologie' aangewezen gronden mag geen bebouwing worden opgericht, met uitzondering van: a.

vervanging, vernieuwing of verandering van bestaande bebouwing, waarbij de oppervlakte, voor zover gelegen op of onder peil, niet wordt uitgebreid en waarbij gebruik wordt gemaakt van de bestaande fundering, of; b. bebouwing waarvoor de grondwerkzaamheden niet dieper dan 40 cm reiken, of; c. bebouwing waarvoor de grondwerkzaamheden een oppervlak beslaan van minder dan 100 m². Aangezien de bodemingrepen een verstoringoppvlakte van meer dan 100 m2 en een verstoringsdiepte van meer dan 40 cm hebben dient een archeologisch vooronderzoek uitgevoerd te worden, om het planvoornemen mogelijk te maken. Hierom is een archeologisch onderzoek (Econsultancy, rapportnummer 20008.001, d.d. 19 september 2022, Bijlage 14) uitgevoerd. De resultaten hiervan worden hieronder weergegeven. Gespecificeerde archeologische verwachting bureauonderzoek Op basis van het bureauonderzoek heeft het plangebied een middelhoge gespecificeerde archeologische verwachting voor resten uit het Paleolithicum en Mesolithicum en een hoge gespecificeerde archeologische verwachting voor resten uit het Neolithicum tot en met de Nieuwe tijd. Resultaten inventariserend veldonderzoek Het bodemprofiel in het plangebied is bij alle boringen tot in de top van de Maasterrasafzettingen verstoord. Het oorspronkelijk afdekkende dekzandpakket is hierbij geheel afgegraven dan wel in de verstoorde pakketten opgenomen.

Op basis van de aangetroffen bodemverstoringen kan de gespecificeerde verwachting voor het plangebied worden bijgesteld naar laag voor alle perioden. Advies Op basis van de waargenomen bodemverstoringen in het plangebied kan worden geconcludeerd dat archeologische waarden niet meer in situ worden verwacht. Op grond van de resultaten van het bureau- en veldonderzoek wordt geadviseerd om het plangebied vrij te geven. Het bevoegd gezag, zijnde de gemeente, dient in dat kader een selectiebesluit hierover te nemen.

bestemmingsplan Rooswinkel

43

4.9.2 Cultuurhistorie Per 1 september 2017 is de Erfgoedwet in werking getreden. In een bestemmingsplan dient op grond van het Bro artikel 3.1.6 een beschrijving te worden opgenomen hoe met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening is gehouden. Ook de facetten historische bouwkunde en historische geografie dienen te worden meegenomen in de belangenafweging. Hierbij gaat het om zowel beschermde als niet formeel beschermde objecten en structuren.

Uitsnede kaart cultuurhistorische elementen provincie Limburg met planlocatie lichtblauw omlijnd

44

bestemmingsplan Rooswinkel

Gemeentelijk monument Binnen het plangebied is een (industrieel) gemeentelijk monument gelegen in de vorm van de voormalig Kampinafabriek met kantoren (gebouwd voor 1945). Dit gemeentelijk monument wordt ingepast in de herontwikkeling in de vorm van een appartementencomplex. Het betreft met name een interne verbouwing binnen de bestaande bouwmassa. Aan de uiterlijke verschijningsvorm en uitstraling zullen geen wijzigingen worden aangebracht. Verder zijn er binnen het plangebied geen cultuurhistorische waarden gelegen. In de directe omgeving van het plangebied zijn aan de zuidwestelijke zijde, op enige afstand, cultuurhistorische waarden gelegen. Dit betreft een weg ouder dan 1806, de watergang en een pweg of veldkruis. Het planvoornemen heeft hierop geen invloed gezien de tussenliggende bebouwing. 4.9.3 Conclusie De aspecten archeologie en cultuurhistorie vormen geen belemmering voor het planvoornemen.

4.10

Kabels en leidingen

Door het plangebied lopen geen planologisch relevante leidingen. De leidingen vormen dus geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling. Wel zijn in het straatprofiel van de Prins Bernhardstraat de noodzakelijke leidingen voor gas, water, electra en telefonie/internet gelegen. De te realiseren woningen kunnen op deze leidingen worden aangesloten.

bestemmingsplan Rooswinkel

45

46

bestemmingsplan Rooswinkel

Hoofdstuk 5 5.1

Juridische opzet

Algemeen

Dit bestemmingsplan heeft tot doel een juridisch-planologische regeling te scheppen ten behoeve van de herontwikkeling van het voormalige bedrijventerrein aan de Prins Bernhardstraat 43 in Roermond. Bij het opstellen van dit bestemmingsplan is aansluiting gezocht bij de in de Wet ruimtelijke ordening, het Besluit ruimtelijke ordening en de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht geformuleerde uitgangspunten. Daarnaast is aangesloten bij het gemeentelijke Handboek digitale bestemmingsplannen. Hierbij is gestreefd naar uniformering en standaardisering van bestemmingen en regels, zoals aangegeven in de Standaard Vergelijkbare bestemmingsplannen 2012 (SVBP2012). De Wet ruimtelijke ordening biedt mogelijkheden voor het opstellen van verschillende bestemmingsplanvormen, van zeer globaal tot gedetailleerd. Het bestemmingsplan biedt voldoende flexibiliteit om op wijzigende omstandigheden en/of nieuwe maatschappelijke ontwikkelingen te kunnen inspelen. Uitgangspunt van het bestemmingsplan is het bieden van een flexibele juridische regeling, zonder dat hierdoor de rechtszekerheid voor de burger wordt geschaad. In paragraaf 5.3 wordt inhoudelijk ingegaan op de afzonderlijke bestemmingen binnen het onderhavige bestemmingsplan.

5.2

Verbeelding

Bij de opzet van de verbeelding is de SVBP2012 als uitgangspunt gehanteerd. SVBP2012 staat voor Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen 2012. In de SVBP2012 zijn onder andere bestemmingscategorieën vastgelegd en zijn uniforme kleuren en aanduidingen beschreven. Het plangebied kent de bestemmingen 'Wonen' en 'Verkeer' waarbinnen de bouw van woningen mogelijk is en waarbinnen ook de benodigde infrastructuur en (groen/parkeer/water)voorzieningen kunnen worden gerealiseerd. De gronden behorend tot onderhavig bestemmingsplan zijn op de verbeelding begrensd door de plangrens. Een deel van de Prins Bernhardstraat is daarin meegenomen om de bedrijfbestemming om te zetten in een verkeersbestemming. De bestemming op de verbeelding is in de planregels aangevuld met bouw- en gebruiksregels. De materiële inhoud van de bestemming is opgenomen in de planregels. Voor de leesbaarheid zijn op de verbeelding verder aanduidingen opgenomen, zoals straatnamen, bestaande bebouwing, kadastrale gegevens etcetera.

5.3

Planregels

Planregels zijn nodig om het gebruik van de gronden, de toegelaten bebouwing en het gebruik van de bebouwing binnen het plangebied te regelen. De planregels zijn onder te verdelen in: Inleidende regels. Bestemmingsregels. Algemene regels. Overgangs- en slotregels. Inleidende regels

bestemmingsplan Rooswinkel

47

De inleidende regels zijn van algemene aard en betreffen de ‘begrippen' en de 'wijze van meten’. Begrippen Hierin worden de in de planregels voorkomende begrippen omschreven en wordt de interpretatie van de diverse begrippen vastgelegd, zodat duidelijk wordt wat onder de begrippen wordt verstaan. Wijze van meten Hierin wordt aangegeven hoe de in het plan voorkomende maten dienen te worden bepaald.

Bestemmingsregels Binnen dit bestemmingsplan zijn de volgende bestemmingen opgenomen: Verkeer - Verblijfsgebied: de voor 'Verkeer - Verblijfgebied' aangewezen gronden zijn onder andere bestemd voor verkeersdoeleinden zoals wegen en parkeervoorzieningen. Daarnaast biedt deze bestemming de mogelijkheid tot aanleg van groen, water en waterhuishoudkundige voorzieningen. . Wonen: de voor 'Wonen' aangewezen gronden zijn onder andere bestemd voor wonen in woningen en de daarbij behorende voorzieningen. De uitoefening van aan huis gebonden beroepen is rechtstreeks toegestaan. Door de globale bestemming van de gronden zijn de gronden ook bestemd voor verschillende functies voor de inrichting van openbaar gebied, zoals wegen, paden, parkeervoorzieningen en groenvoorzieningen. Voor de bebouwing geldt dat hoofdgebouwen uitsluitend binnen de bouwvlakken mogen worden gebouwd. Op de verbeelding is aangegeven waar gestapelde, aaneengebouwde en patiowoningen zijn toegestaan. Tevens zijn het maximale wooneenheden aangegeven. De bouwhoogte van hoofdgebouwen is ook op de verbeelding aangegeven. Algemene regels Hoofdstuk 3 Algemene regels omvat regels en bepalingen die betrekking hebben op het gehele plangebied.

Anti-dubbeltelbepaling Een anti-dubbeltelregel wordt opgenomen om te voorkomen dat, wanneer volgens een bestemmingsplan bepaalde bouwwerken niet meer dan een bepaald deel van een bouwperceel mogen beslaan, het overgebleven terrein ook nog eens meetelt bij het toestaan van een ander gebouw of bouwwerk, waaraan een soortgelijke eis wordt gesteld. De opgenomen anti-dubbeltelregel is gelijkluidend aan de in het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) voorgeschreven formulering. Algemene gebruiksregels Deze bepaling is een rechtstreekse uitwerking van het in artikel 7.2 van de Wet ruimtelijke ordening opgenomen verbod gronden of bouwwerken te laten gebruiken in strijd met het bestemmingsplan. Algemene afwijkingsregels In deze bepaling wordt aan burgemeester en wethouders de bevoegdheid gegeven om af te wijken van bepaalde, in het bestemmingsplan geregelde, onderwerpen. Hierbij gaat het om afwijkingsregels die gelden voor alle bestemmingen in het plan. Aangegeven wordt van welke regel in welke gevallen kan worden afgeweken Algemene wijzigingsregels In deze bepaling wordt aan burgemeester en wethouders de bevoegdheid gegeven om meerdere bestemmingen te wijzigen. De voorwaarden, die bij toepassing van de wijzigingsbevoegdheid in acht moeten worden genomen, zijn daarbij aangegeven. Overige regels

48

bestemmingsplan Rooswinkel

Dit artikel bevat een bepaling omtrent de verhouding tussen de regels van voorliggend bestemmingsplan, en overige wettelijke bepalingen. Daarnaast zijn in dit artikel regels opgenomen omtrent het aantal parkeerplaatsen dat op eigen terrein aanwezig dient te zijn.

Overgangs- en slotregels. Hoofdstuk 4 Overgangs- en slotregels bevat onder andere de bepalingen die betrekking hebben op: Overgangsrecht Bouwwerken welke op het moment van tervisielegging van het plan bestaan (of waarvoor een bouwvergunning is aangevraagd), mogen blijven bestaan, ook al is er strijd met de bebouwingsregels. Het gebruik van de grond en opstallen, dat afwijkt van de planregels op het moment waarop het plan rechtskracht verkrijgt, mag gehandhaafd blijven. Slotregel Dit artikel geeft de titel van de planregels aan.

bestemmingsplan Rooswinkel

49

50

bestemmingsplan Rooswinkel

Hoofdstuk 6 6.1

Uitvoerbaarheid

Inleiding

Naast het toetsen van het bestemmingsplan aan diverse milieu- en veiligheidsaspecten, dient de omgevingsvergunning ook getoetst te worden aan de uitvoerbaarheid van het planvoornemen. Hierbij wordt gekeken naar de economische uitvoerbaarheid en de maatschappelijke uitvoerbaarheid.

6.2

Economische en financiële uitvoerbaarheid

Op grond van de Wet ruimtelijke ordening rust op de gemeente de verplichting tot het verhalen van kosten die tot de grondexploitatie behoren op basis van een exploitatieplan. De gemeente kan hiervan afzien in bij algemene maatregel van bestuur aangegeven gevallen, of indien: het kostenverhaal anderszins is verzekerd; het bepalen van een tijdvak of fasering niet noodzakelijk is; het stellen van eisen, regels of een uitwerking van regels aan werken en werkzaamheden met betrekking tot bouwrijp maken, aanleg van nutsvoorzieningen, inrichten van de openbare ruimte en uitvoerbaarheid niet noodzakelijk is. Het bestemmingsplan voorziet in de realisatie van 91 woningen in het gebied. Voor de realisatie van planvoornemen is met de initiatiefnemer een realiseringsovereenkomst gesloten. Partijen hebben in deze overeenkomst afspraken gemaakt. Hierdoor is het kostenverhaal verzekerd, is het bepalen van een tijdvak of fasering en het stellen van locatie-eisen aan de inrichting van de openbare ruimte, de aanleg van nutsvoorzieningen en regels voor woningbouwcategorieën middels een exploitatieplan niet aan de orde. Daarmee is het verhaal van de kosten van de grondexploitatie voor dit gebied anderszins verzekerd en is de economische uitvoerbaarheid van het plan gegarandeerd.

Gelet op het vorenstaande kan in het kader van de vaststelling van het bestemmingsplan worden afgezien van het vaststellen van een exploitatieplan.

6.3

Maatschappelijke uitvoerbaarheid

Het planvoornemen betreft de realisatie van maximaal 91 woningen ter plekke van een verouderd bedrijventerrein binnen bestaand bebouwd gebied. Binnen het plangebied vindt een aanzienlijke kwaliteitsverbetering plaats. De woningen worden geïntegreerd in de bestaande ruimtelijke structuur en sluiten door de oriëntatie aan op de omgeving. Tevens geven de woningen een invulling aan de vraag naar woningen voor ouderen en starters. In dat kader heeft er op 2 augustus 2022 en 3 oktober 2022 ook een omgevingsdialoog, Bijlage 15, plaatsgevonden. Deze omgevingsdialoog heeft in de vorm van een inloopavond plaatsgevonden en is bezocht door ongeveer 16 'adressen' (van de circa 100 aangeschreven adressen). Tijdens de inloopavond waren de omwonenden in de gelegenheid om in gesprek te gaan met de initiatiefnemers en vragen te stellen. Voor deze opzet is bewust gekozen omdat dit laagdrempelig is en men dan sneller geneigd zijn om tijdens een inloopsessie inhoudelijk commentaar te geven dan wanneer er een formele presentatie wordt gehouden. Op deze manier krijgt de gehele omgeving de mogelijkheid om via een inloopsessie laagdrempelig kennis te maken met voorliggen plan. De aanwezige omwonenden hebben allen positief gereageerd op het planvoornemen en zijn blij dat er eindelijk wat gaat gebeuren. Het planvoornemen wordt dan ook maatschappelijk uitvoerbaar geacht.

De eerste stap tot realisatie van het planvoornemen is het in procedure brengen van onderhavig bestemmingsplan.

bestemmingsplan Rooswinkel

51

Het bestemmingsplan wordt conform de gebruikelijke procedure gedurende zes weken ter inzage gelegd. Tijdens de periode van ter inzage legging kunnen omwonenden, bedrijven, dorps- en stadsraden en andere geïnteresseerden of belanghebbenden reageren op het plan. In dezelfde periode is ook overleg gevoerd met andere overheden over het plan. De resultaten van de terinzagelegging kunnen leiden tot aanpassingen, verbeteringen of wijzigingen van het plan.

6.4

Conclusie

Het planvoornemen zal gezien het bovenstaande niet leiden tot overwegende planologische bezwaren. Onderhavige herziening van het bestemmingsplan betekent, na een afweging van de verschillende belangen, een aanvaardbare invulling van het plangebied.

52

bestemmingsplan Rooswinkel

Hoofdstuk 7 7.1

De procedure

De te volgen procedure

Het bestemmingsplan doorloopt als ontwerp respectievelijk vastgesteld en onherroepelijk bestemmingsplan de volgende procedure, te weten: a.

Ontwerp: 1. 1e ter inzage legging (ontwerp bestemmingsplan) b. Vaststelling: 1. Vaststelling door de Raad 2. 2e ter inzage legging (vastgesteld bestemmingsplan) c. Beroep: 1. (Gedeeltelijk) onherroepelijk bestemmingsplan 2. Reactieve aanwijzing 3. Beroep bij Raad van State In het kader van deze procedure kunnen gedurende de ter inzagelegging van het ontwerp bestemmingsplan (fase b) zienswijzen worden ingesteld. In publicaties met betrekking tot de diverse stappen die het plan moet doorlopen wordt daarvan steeds melding gemaakt. Uiteindelijk besluit de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, indien nodig, over het plan in zijn onherroepelijke vorm.

7.2

Vooroverleg met instanties

Tot de voorbereiding van dit bestemmingsplan behoort het overleg met de daarvoor in aanmerking komende instanties. Instanties die blijkens hun werkterrein, belangen vertegenwoordigen of bevoegdheden krachtens de Wro hebben, worden bij de totstandkoming van bestemmingsplannen betrokken in het kader van artikel 3.1.1 van het Besluit op de ruimtelijke ordening (Bro). De woningen voorzien in de lokale behoefte waarbij voorzien wordt in betaalbare starterswoningen en gelijkvloerse woningen voor ouderen. Gezien de grootte van de ontwikkelingen zijn de reacties van relevante instanties belangrijk. Het bestemmingsplan aan de betrokken instanties voorgelegd. De Veiligheidsregio en Provincie Limburg hebben een reactie ingediend. De Provincie geeft aan dat het initiatief geeft geen aanleiding tot het maken van opmerkingen vanuit de provinciale belangen. Wel is in de toelichting de paragraaf provinciaal beleid aangevuld. De reactie va de Veiligheidsregio is ook verwerkt.

7.3

Ontwerp en vaststelling

Het ontwerpbestemmingsplan heeft met ingang van 13 december 2023, gedurende 6 weken, dat wil zeggen tot en met 23 januari 2024 ter inzage gelegen. Gedurende deze periode is iedereen in de gelegenheid gesteld om zijn/haar zienswijze kenbaar te maken. Hiervan is geen gebruik gemaakt. Er zijn geen zienswijzen tegen het ontwerpbestemmingsplan ingediend. Het bestemmingsplan is dan ook in de raadsvergadering van 25 april 2024 ongewijzigd vastgesteld.

bestemmingsplan Rooswinkel

53

Bestemmingsplan - Regels -

Rooswinkel Gemeente Roermond

BESTEMMINGSPLAN - Regels -

Rooswinkel Gemeente Roermond

IDN-nummer:

NL.IMRO.0957.BP00000323-VG01

Status:

vastgesteld

Datum:

25 april 2024

Locatie Nijmegen Wijchenseweg 102 6538 SX Nijmegen 024 - 322 45 79 info@pouderoyentonnaer.nl www.pouderoyentonnaer.nl

Locatie Rosmalen Berlicumseweg 6D 5248 NT Rosmalen

Inhoudsopgave Hoofdstuk 1 Inleidende regels

5

Artikel 1 Artikel 2

5 11

Begrippen Wijze van meten

Hoofdstuk 2 Bestemmingsregels

13

Artikel 3 Artikel 4

13 14

Verkeer - Verblijfsgebied Wonen

Hoofdstuk 3 Algemene regels

17

Artikel 5 Artikel 6 Artikel 7 Artikel 8 Artikel 9 Artikel 10 Artikel 11

17 18 19 20 21 22 23

Anti-dubbeltelregel Algemene bouwregels Algemene gebruiksregels Algemene afwijkingsregels Algemene wijzigingsregels Algemene procedureregels Overige regels

Hoofdstuk 4 Overgangs- en slotregels

25

Artikel 12 Artikel 13

25 26

Overgangsrecht Slotregel

Regels

bestemmingsplan Rooswinkel

3

4

bestemmingsplan Rooswinkel

Hoofdstuk 1 Artikel 1

Inleidende regels

Begrippen

1.1 plan het bestemmingsplan 'Rooswinkel' met identificatienummer gemeente Roermond.

NL.IMRO.0957.BP00000323-VG01 van de

1.2 bestemmingsplan de geometrisch bepaalde planobjecten met de bijbehorende regels en de daarbij behorende bijlagen. 1.3 aan en/of uitbouw een aan een hoofdgebouw vast gebouwd bouwwerk, dat architectonisch ondergeschikt is aan het hoofdgebouw; voor de toepassing van deze regels wordt een aan- of uitbouw gelijkgesteld met een aan het hoofdgebouw aangebouwd bijgebouw. 1.4 aan huis verbonden beroep de uitoefening van een beroep of het beroepsmatig verlenen van diensten op administratief, juridisch, (para-)medisch, therapeutisch, kunstzinnig, ontwerptechnisch of hiermee gelijk te stellen gebied dat door zijn beperkte omvang in een woning en daarbij behorende bijgebouwen, met behoud van de woonfunctie, kan worden uitgeoefend. Hieronder dient niet te worden begrepen de uitoefening van detailhandel. 1.5 aanduiding een geometrisch bepaald vlak of figuur, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels regels worden gesteld ten aanzien van het gebruik en/of het bebouwen van deze gronden. 1.6 aanduidingsgrens de grens van een aanduiding indien het een vlak betreft. 1.7 aaneengebouwde woning Een woning die onderdeel uitmaakt van een blok van minimaal drie woningen waarvan de hoofdgebouwen aan elkaar gebouwd / verbonden zijn.

1.8 archeologischewaarde waarde die bestaat uit de aanwezigheid van een bodem-archief met sporen van vroegere menselijke bewoning en/of grondgebruik daarin, en als zodanig van wetenschappelijk belang is en het cultuurhistorisch erfgoed vertegenwoordigt. 1.9 bebouwing een of meer gebouwen en/of bouwwerken, geen gebouwen zijnde.

bestemmingsplan Rooswinkel

5

1.10 bebouwingspercentage een percentage, dat de grootte aangeeft van het deel van een bouwperceel, dat ten hoogste mag worden bebouwd. 1.11 bedrijf een onderneming gericht op het bedrijfsmatig voortbrengen, vervaardigen, bewerken, opslaan, installeren, herstellen en/of verhandelen van goederen. Detailhandel, horeca, dienstverlening, zelfstandige kantoren, maatschappelijke voorzieningen, seksinrichtingen en aan huis verbonden beroepen worden hieronder niet begrepen. 1.12 begane grond bouwlaag waarvan het vloerpeil ter hoogte van het (straat)peil ligt, dan wel de bouwlaag boven een souterrain. 1.13 beperkt kwetsbaar object object als bedoeld in artikel 1 onder b van het Bevi. 1.14 bestaand a. bij bebouwing: bebouwing zoals aanwezig of wordt gebouwd op het tijdstip van de terinzagelegging van het ontwerp-bestemmingsplan, dan wel mag worden gebouwd krachtens een voor dat tijdstip aangevraagde omgevingsvergunning voor het bouwen; b. bij gebruik: het (vergunde) gebruik zoals aanwezig op het tijdstip dat het plan in werking is getreden. 1.15 bestemmingsgrens de grens van een bestemmingsvlak. 1.16 bestemmingsvlak een geometrisch bepaald vlak met eenzelfde bestemming. 1.17 bevoegd gezag bestuursorgaan dat bevoegd is tot het nemen van een besluit ten aanzien van een aanvraag om een omgevingsvergunning of ten aanzien van een al verleende omgevingsvergunning.

1.18 bijgebouw een gebouw dat in bouwkundig opzicht ondergeschikt is aan een op hetzelfde bouwperceel gelegen hoofdgebouw en dat ten dienste staat van dat hoofdgebouw. 1.19 bouwen het plaatsen, het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen en het vergroten van een bouwwerk. 1.20 bouwgrens de grens van een bouwvlak.

6

bestemmingsplan Rooswinkel

1.21 bouwlaag een doorlopend gedeelte van een gebouw dat door op gelijke of bij benadering gelijke hoogte liggende vloeren of balklagen is begrensd, zulks met inbegrip van de begane grond. 1.22 bouwperceel een aaneengesloten stuk grond, waarop ingevolge de regels een zelfstandige, bij elkaar behorende bebouwing is toegelaten. 1.23 bouwperceelgrens een grens van een bouwperceel. 1.24 bouwvlak een geometrisch bepaald vlak, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels bepaalde gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, zijn toegelaten. 1.25 bouwwerk een bouwkundige constructie van enige omvang die direct en duurzaam met de aarde is verbonden. 1.26 cultuurhistorische waarde de waarde van een bouwwerk of gebied die ontstaan is door het gebruik dat de mens in de loop van de geschiedenis heeft gemaakt van dat bouwwerk of dat gebied. 1.27 detailhandel het bedrijfsmatig te koop aanbieden (waaronder begrepen de uitstalling ten verkoop), het verkopen, verhuren en leveren van goederen aan personen die goederen kopen of huren voor gebruik, verbruik of aanwending anders dan in de uitoefening van een beroeps- of bedrijfsactiviteit. 1.28 dienstverlening het bedrijfsmatig verlenen van diensten, waarbij het publiek rechtstreeks (al dan niet via een balie) te woord wordt gestaan en geholpen.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Roermond&id=06833d1d-9f4f-4c0b-a146-b3f8943ea3dc