Bijlage 2 - Ruimtelijke motivering inclusief onderzoek
Tekst van het document
Stikstofdioxide
Voor stikstofdioxide (NO2) geldt een grenswaarde van 40 μg/m3 voor een jaargemiddelde concentratie. De waarde voor stikstofdioxide ter plaatse van het projectgebied bedraagt circa 11,81 μg/m3. Dit betekent dat de hoeveelheid stikstofdioxide beneden de gestelde grenswaarden ligt. Geconcludeerd wordt dat de hoeveelheid fijnstof en stikstofdioxide ter plaatse van het projectgebied beneden de gestelde grenswaarden ligt waardoor de kwaliteit van de buitenlucht door onderhavige ontwikkeling niet in het geding zal komen. Daarnaast heeft de ontwikkeling geen onevenredig negatief effect op de omgeving. Hierdoor levert de luchtkwaliteit geen belemmeringen op voor de voorgestane ontwikkeling.
5.8
Geur
De Omgevingswet heeft onder andere tot doel het beschermen van mens en milieu tegen de negatieve effecten van geurbelasting vanwege dierenverblijven en veehouderijen. Door het opnemen van geurnormen en/of vaste afstanden in het Bkl, wordt er op dit punt gestreefd naar een acceptabel woon- en leefklimaat. Het is daarom noodzakelijk om tweeledig naar dit aspect te kijken. Enerzijds mag de ontwikkeling niet leiden tot een belemmering van de ontwikkelingsmogelijkheden van omliggende veehouderijen. Anderzijds dient sprake te zijn van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat ter plaatse van de beoogde ontwikkeling.
Individuele geurhinder
In het Bkl zijn in artikel 5.109 standaardwaarden opgenomen die gelden voor landbouwhuisdieren waarvoor (bij ministeriële regeling) geuremissiefactoren zijn opgenomen. Voor landbouwhuisdieren zonder geuremissiefactoren gelden de vaste afstanden zoals opgenomen in artikel 5.112 van het Bkl. Gemeenten hebben de bevoegdheid om in hun omgevingsplan afwijkende geurnormen en afstanden op te nemen. Tot het moment dat een gemeente een omgevingsplan heeft vastgesteld, blijven (indien een geurverordening van kracht was onder de Wet geurhinder en veehouderij (Wgv)), de geurnormen en afstanden uit de geurverordening van kracht. Indien een gemeente geen geurverordening onder de Wgv heeft vastgesteld, gelden de regels zoals opgenomen in artikel 5.109 en 5.112 van het Bkl. De geurhinder dient te worden berekend op geurgevoelige gebouwen. In artikel 5.91 van het Bkl is opgenomen welke gebouwen gedefinieerd zijn als geurgevoelig gebouw. Gemeenten mogen in hun omgevingsplan meerdere gebouwen definiëren als geurgevoelig. 29
Toetsing initiatief
In de beoogde situatie is er sprake van geurgevoelig gebruik van het projectgebied doordat er 25 woningen worden toegevoegd. In de directe omgeving van het projectgebied zijn geen veehouderijen aanwezig, echter ligt in de directe omgeving een papierfabriek, welke verschillende milieubelastende activiteiten uitvoert die gevolgen kunnen hebben voor de omgeving. Derhalve is er een geuronderzoek (bijlage VIII) uitgevoerd om te beoordelen of de beoogde ontwikkeling mogelijk is volgens het aspect geur. Onderstaand worden de belangrijkste resultaten en conclusies weergegeven. De geurbelasting op het projectgebied ligt onder de richtwaarde maar boven de streefwaarde volgens het beleid van Provincie Limburg en is lager dan bij nabijgelegen woningen. Het project zal voor het nabijgelegen bedrijf geen extra hinder veroorzaken en gezien het afgenomen aantal geurklachten wordt dan ook verwacht dat dit ook in de toekomst zo blijft. Daarmee is sprake van een aanvaardbaar geurhinderniveau en een goed woon- en leefklimaat; het aspect geur vormt geen belemmering voor de besluitvorming over het project.
5.9
Externe veiligheid
Externe veiligheid heeft betrekking op de risico’s die mensen lopen als gevolg van mogelijke ongelukken met gevaarlijke stoffen bij bedrijven, transportroutes (wegen, spoorwegen en waterwegen) en buisleidingen. Omdat de gevolgen van een ongeluk met gevaarlijke stoffen groot kunnen zijn, zijn de aanvaardbare risico’s vastgelegd in een wettelijk kader. De hoofdlijnen van het wettelijk kader omtrent de externe veiligheid zijn opgenomen in instructieregels in afdeling 5.1.2 Bkl. In bijlage VII van het Bkl zijn activiteiten aangewezen als risicobronnen. Deze risicobronnen zijn van belang voor de regels over het plaatsgebonden risico en aandachtsgebieden. Het betreft de volgende activiteiten: • Activiteiten met gevaarlijke stoffen bij bedrijven. Dit zijn verschillende milieubelastende activiteiten uit het Bal; • Het basisnet vervoer gevaarlijke stoffen (weg, water en spoor); • Buisleidingen met gevaarlijke stoffen die zijn aangewezen als milieubelastende activiteit in het Bal; • Windturbines die zijn aangewezen als milieubelastende activiteit in het Bal. Risiconormering In het beoordelingskader voor externe veiligheid staan twee kernbegrippen centraal: het plaatsgebonden risico en de aandachtsgebieden.
Plaatsgebonden risico (PR)
Het plaatsgebonden risico geeft de kans, op een bepaalde plaats, om te overlijden ten gevolge van een ongeval bij een risicovolle activiteit. Het PR kan op de kaart van het gebied worden weergegeven met zogeheten risicocontouren: lijnen die punten verbinden met eenzelfde PR. Binnen de 10-6 contour (welke als wettelijke harde norm fungeert) mogen geen kwetsbare objecten geprojecteerd worden. Voor beperkt kwetsbare objecten geldt de 106 contour niet als grenswaarde, maar als een richtwaarde. 30
Aandachtsgebieden
Aandachtsgebieden zijn gebieden die zichtbaar maken waar mensen binnenshuis, zonder aanvullende maatregelen, onvoldoende beschermd kunnen zijn tegen de gevolgen van ongevallen met gevaarlijke stoffen. Het werken met aandachtsgebieden voor externe veiligheidsrisico’s is een nieuwe manier van omgaan met het groepsrisico (artikel 5.12 t/m 5.15 Bkl). Dat betekent dat zich binnen dat gebied bij een ongeval met gevaarlijke stoffen levensbedreigende gevaren voor personen in gebouwen kunnen voordoen. Ook al is de kans daarop klein. Het aandachtsgebied vormt een instrument om het gesprek over veiligheid en bescherming door het treffen van maatregelen te starten. Er is een onderscheid tussen drie soorten gevaren: warmtestraling (brand), overdruk (explosie) en concentratie giftige stoffen in de lucht (gifwolk). Daarbij zijn er ook drie typen aandachtsgebieden: • brandaandachtsgebied; • explosieaandachtsgebied; • gifwolkaandachtsgebied.
Toetsing initiatief
Met behulp van de register externe veiligheid is gekeken welke risicobronnen in de nabijheid van het projectgebied zijn gelegen (figuur 5).
31
Figuur 5 Uitsnede kaart register externe veiligheid, projectgebied in paars omkaderd
Transport van gevaarlijke stoffen
Vervoer van gevaarlijke stoffen vindt sinds jaar en dag plaats via het spoor, over de weg en het water. Regels over vervoer van gevaarlijke stoffen zijn opgenomen in de Wet vervoer gevaarlijke stoffen. De regels met betrekking tot de ruimtelijke ordening vallen onder de Omgevingswet. • Risicovol transport over spoorwegen Het projectgebied ligt op circa 157 meter afstand van het spoor. Over het spoor vindt transport van gevaarlijke stoffen plaats. Het projectgebied ligt buiten de plaatsgebonden risicocontour, maar valt deels binnen het explosieaandachtsgebied van het spoor en geheel binnen het gifwolkaandachtsgebied van het spoor. Hiermee is het spoor relevant voor het aspect externe veiligheid. • Risicovol transport over water- en autowegen In de omgeving van het projectgebied vindt geen transport van gevaarlijke stoffen over water- en autowegen plaats. Dit aspect vormt geen belemmering ten aanzien van de ontwikkeling.
Risicovolle inrichtingen
In de omgeving van het projectgebied is zijn enkele risicovolle inrichtingen aanwezig. Het projectgebied is echter niet gelegen binnen de plaatsgebonden risicocontour dan wel een aandachtsgebied van een van deze inrichtingen waardoor dit aspect geen hinder vormt ten aanzien van de ontwikkeling.
Buisleidingen
In de omgeving van het projectgebied zijn geen buisleidingen aanwezig. Dit aspect vormt geen belemmering voor de ontwikkeling.
Verantwoording groepsrisico 32
Het projectgebied ligt binnen het explosie – en gifwolkaandachtsgebied van het spoor. Artikel 5.15 (groepsrisico) verplicht om bij de beoordeling van een ontwikkeling in een aandachtsgebied rekening te houden met het groepsrisico. Bij de afweging of het groepsrisico acceptabel is, dient ingegaan te worden op de volgende aspecten: • Het aantal personen dat doorgaans aanwezig is nabij een risicobron; • De afstand tussen de omgeving en de risicobron; • Eventueel nog te treffen maatregelen om bewoners te beschermen. Om de zelfredzaamheid van toekomstige bewoners te verhogen in geval van een aanstaande explosie of gifwolk luidt het advies: Bij een aanstaande gifwolk sluit ramen en deuren, schakel aanwezige ventilatie met één druk op de knop uit. In deze ontwikkeling gaat het om nieuwbouw waardoor ventilatie met één druk op de knop uit kan worden gezet. De toekomstige bewoners zijn zelfredzaam en zijn de woningen niet specifiek bedoeld voor mensen met een mindere mate van zelfredzaamheid. Ten slotte zijn er vluchtroutes in verschillende richtingen aanwezig. In geval van een ramp, kan het projectgebied van de bron af worden ontvlucht. Het initiatief is voorgelegd aan de veiligheidsregio. Zij hebben het volgende advies gegeven: • Omgevingsveiligheid Het plangebied is gedeeltelijk gelegen binnen een explosieaandachtsgebied en volledig binnen een gifwolkaandachtsgebied van de spoorlijn.
Voor het gifwolkaandachtsgebied geldt dat het primaire handelingsperspectief bestaat uit het schuilen in de woning. Hiervoor is het noodzakelijk dat de mechanische ventilatie, middels een schakelaar, kan worden uitgeschakeld. Dit betreft een voorschrift uit het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl). • Bereikbaarheid Er wordt een verbindingsweg gerealiseerd tussen de Jan Truyenstraat en het plangebied. Om de weg bruikbaar te maken voor de brandweer moet deze aan de volgende eisen uit het gemeentelijk beleid voldoen: ▪ Een verbindingsweg heeft een minimale vrije breedte van 4,5 meter en is over een breedte van ▪ minimaal 3,25 meter verhard. ▪ Een verbindingsweg beschikt over een vrije hoogte van minimaal 4,2 meter. ▪ Een verbindingsweg is geschikt zijn voor motorvoertuigen met een massa van minimaal 14.600 kg. Deze verbindingsweg weg wordt afgesloten middels een wegneembare afsluiting (paaltjes). • Bluswater Conform het gemeentelijk beleid in het kader van bluswater en bereikbaarheid moet binnen het plangebied voldoende bluswater beschikbaar zijn. Voor 33
woningen met een hoogste verblijfsvloer lager dan 6 meter gelden de volgende eisen: ▪ Primaire bluswatervoorziening (brandkraan) op maximaal 140 meter van de woning met een minimaal debiet van 30 m3 /uur. ▪ Secundaire bluswatervoorziening op maximaal 200 meter van de woning met een minimaal debiet van 30 m3 /uur. Op basis van bovenstaande eisen moeten er in het plangebied op diverse strategische locaties brandkranen gerealiseerd worden. De locaties van de brandkranen dienen in overleg met WML te bepalen. Afhankelijk van de beschikbare capaciteit en projectie van de leidingen kunnen de brandkranen ook als secundaire bluswatervoorziening gebruikt worden. Wanneer dit niet mogelijk is moet een secundaire bluswatervoorziening gerealiseerd worden. De bluswatervoorzieningen moeten op een situatietekening aangegeven worden. Gelet op het voorgaande en met in achtneming van het advies van de veiligheidsregio, vormt het aspect Externe veiligheid geen belemmering voor het planvoornemen.
5.10
Milieubelastende activiteiten
Onder een milieubelastende activiteit wordt verstaan: een activiteit die
nadelige gevolgen voor het milieu kan veroorzaken, niet zijnde een lozingsactiviteit op een oppervlaktewaterlichaam of een lozingsactiviteit op een zuiveringtechnisch werk of een wateronttrekkingsactiviteit. In het Bal worden in
hoofdstuk 3 de hoofdcategorieën van milieubelastende activiteiten benoemd en worden de procedureregels vastgesteld. In hoofdstuk 4 worden voor deze hoofdcategorieën en daarbijbehorende nevengeschikte milieubelastende activiteiten de gedragsregels vastgesteld. Daarnaast zijn in het Bal regels opgenomen over thematische onderwerpen, zoals bodem, luchtkwaliteit en industrielawaai, activiteiten bij rijkswaterstaatswerken en -infrastructuur, activiteiten die de natuur beïnvloeden en overige activiteiten van nationaal belang. De beoogde woningen betreffen geen milieubelastende activiteit zoals bedoeld in hoofdstuk 3 van het Bal. Derhalve is toetsing aan de (gedrags-)regels niet aan de orde. Daarnaast is er bepaald of er voldoende ruimtelijke scheiding aanwezig is tussen enerzijds de beoogde woningen en anderzijds functies in de omgeving. Om e.e.a. hanteerbaar te maken, is gebruik gemaakt van de publicatie ‘Bedrijven en milieuzonering’ van de VNG. In deze publicatie zijn bedrijven ingedeeld in milieucategorieën. Per bedrijfstype is indicatief aangegeven wat de afstand tot een gevoelige functie dient te zijn (zogenaamde richtafstanden). De aan te houden afstanden hebben betrekking op stof, geluid, gevaar en geur.
Het ruimtelijk scheiden van bedrijven en woningen bij nieuwe ontwikkelingen heeft als doel om: • Het al in het ruimtelijk spoor voorkomen, danwel het zoveel mogelijk beperken, van hinder en gevaar voor omliggende gevoelige objecten zoals woningen; • Het voldoende zekerheid bieden aan bedrijven om de gewenste milieubelastende activiteit uit te voeren. 34
De afstanden uit de VNG-publicatie zijn gebaseerd op het omgevingstype ‘rustig buitengebied/woonwijk’. Indien er sprake is van een ‘gemengd gebied’ mogen de richtafstanden met 1 stap worden verkleind. De omgevingstypen zijn te definiëren als; • Rustig buitengebied/woonwijk: Een omgevingstype dat gericht is op het principe van functiescheiding. Er komen enkel gebiedsgerichte activiteiten voor waarbij geen tot kleinschalige functiemenging plaatsvindt. Tevens is er weinig verstoring door verkeer. • Gemengd gebied: Een omgevingstype dat gekenmerkt wordt door een matige tot sterke functiemenging. In de directe nabijheid van woningen vinden meerdere verschillende functies plaats in de vorm van winkels, horeca en kleine bedrijven. Met betrekking tot het buitengebied geldt dat sprake is van lintbebouwing met overwegend agrarische en nietagrarische bedrijvigheid.
Toetsing initiatief
De beoogde ontwikkeling is gelegen in een gemengd gebied bestaand uit woon, maatschappelijke- en bedrijfsfuncties. De aan te houden afstanden conform de VNG-publicatie mogen daarom met 1 stap worden verkleind. In dit geval zijn in de directe omgeving van het projectgebied een aantal bedrijven gelegen. In onderstaande tabel is de toets aan de van toepassing zijnde afstanden weergegeven. De werkelijke afstand heeft betrekking op de afstand tussen de beoogde woningen en de grens van het bestemmingsvlak van omliggende bedrijven. Adres
Functie
Jules Breukersstra at 15-17 Jules Breukersstra at 9 Daalakkerw eg 28 Mijnheerken sweg 18
Machinegereedschapverhuur
Richtafst and (meter) en 10 meter
Werkeli jke afstand (meter) 31 meter
Voldaa n?
Ja
Opslagbedrijf
10 meter
77 meter
Ja
Fietsenwinkel
0 meter
Ja
Verpakkingsbedrijf (industrieel bedrijf)
30 meter
35 meter 56 meter
Ja
Aan de richtafstanden kan worden voldaan. Hieruit kan worden geconcludeerd dat omliggende bedrijven niet in hun ontwikkelmogelijkheden worden beperkt. Daarnaast kan worden verondersteld dat het woon- en leefklimaat ter hoogte van de nieuwe woningen aanvaardbaar is.
35
5.11
Niet-gesprongen explosieven
Op vele locaties in Nederland bevinden zich nog ontplofbare oorlogsresten uit de Tweede Wereldoorlog in de ondergrond, zoals niet ontplofte vliegtuigbommen, blindgangers, granaten, mijnen en (handwapen)munitie. Voor ontplofbare oorlogsresten zijn geen rijksregels opgenomen in de Omgevingswet. De Omgevingswet biedt decentrale overheden wel de mogelijkheid om zelf decentrale regels op te stellen voor de fysieke leefomgeving.
Toetsing initiatief
Conform de VEO bommenkaart zijn er in de omgeving van het projectgebied geen niet-gesprongen explosieven gevonden. Daarom kan gesteld worden dat de locatie als niet verdacht aangemerkt kan worden.
5.12
Kabels, leidingen en hoogspanningslijnen
5.12.1
Kabels en leidingen Ondergrondse kabels en leidingen zijn belangrijk voor het transport van data, elektriciteit en stoffen zoals gas en water. Sommige ondergrondse leidingen kunnen een risico zijn voor de omgeving. In het gemeentelijk Omgevingsplan zijn normaliter geen of zeer beperkte gebruiksregels voor ondergrondse kabels en leidingen opgenomen aangaande ligging, type leiding en gebruikskenmerken. In het kader van een voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling is het echter wel belangrijk om te bezien of er in de omgeving kabels en/of leidingen (al dan niet met veiligheidszone) aanwezig zijn.
Bij ontwikkelingen is het van belang om te kijken of er door of nabij het projectgebied kabels, leidingen en/of hoogspanningslijnen zijn gelegen waar rekening mee gehouden dient te worden.
Toetsing initiatief
In de directe omgeving van het projectgebied zijn geen kabels en leidingen aanwezig. Deze zullen bij de realisatie van de beoogde ontwikkeling dan ook geen belemmeringen vormen.
5.12.2
Hoogspanningslijnen Hoogspanningsverbindingen zijn essentieel voor het energienetwerk, maar hebben ook effect op (ontwikkelingen in) de omgeving. Zo is vanwege de magneetvelden rondom een hoogspanningsverbinding afstand nodig tot gevoelige functies zoals woningen.
Toetsing initiatief
In de directe omgeving van het projectgebied zijn geen hoogspanningslijnen aanwezig. Hoogspanningslijnen zullen bij de realisatie van de beoogde ontwikkeling dan ook geen belemmeringen vormen.
5.13
Mobiliteit
Het Bkl bevat verschillende rijkinstructieregels voor de instandhouding van de rijksinfrastructuur. Mobiliteit is daarnaast ook een belangrijk aspect dat 36
meeweegt in het kader van de afweging of er sprake is van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit. Bij nieuwe ontwikkelingen moet in acht genomen worden dat er geen belemmeringen zullen ontstaan voor de omliggende wegen. Daarnaast moeten er ook voldoende parkeerplaatsen voor (deel)auto’s en voor fietsen gerealiseerd worden. Wat voldoende is, is afhankelijk van de locatie en gemeentelijk beleid. Vanuit de Nationale Omgevingsvisie (NOVI) zijn er twee nationale belangen gericht op mobiliteit: - Waarborgen en realiseren van een veilig, robuust en duurzaam mobiliteitssysteem; - In stand houden en ontwikkelen van de hoofdinfrastructuur voor mobiliteit. Het toevoegen of veranderen van een functie heeft in veel gevallen effect op het aantal verkeersbewegingen. Het is daarom van belang om te kijken welke veranderingen er optreden en of dit een effect heeft op het wegverkeer en het parkeren.
Verkeersgeneratie
Op basis van gemeentelijk beleid of de kencijfers van kennisplatform CROW kan berekend worden of er sprake is van een wijziging van het aantal verkeersbewegingen afkomstig van de locatie en kan worden bepaald of dit gevolgen heeft met betrekking tot de infrastructuur. De gemeente Roermond gaat uit van de CROW- publicatie.
Toetsing initiatief
Als gevolg van de beoogde ontwikkeling zal het aantal verkeersbewegingen toenemen, aangezien de woningen gerealiseerd worden op een terrein waarin de huidige situatie slechts twee woningen aanwezig zijn. Op basis van de CROW-publicatie is er uitgegaan van de ligging van het projectgebied in matig stedelijk gebied. Er worden 18 twee-onder-eenkapwoningen gerealiseerd en 7 tussen/hoekwoningen gerealiseerd. Op grond van de kencijfers van het CROW resulteert dit in het volgende maximaal aantal verkeersbewegingen: • Twee-onder-een-kapwoning: 7,6 x 18 = 147,6 verkeersbewegingen per etmaal; • Tussen/hoekwoning: 7,8 x 7 = 54,6 verkeersbewegingen per etmaal. De totale verkeersgeneratie bedraagt 147,6 + 54,6 = 202,2 verkeersbewegingen per etmaal. Gelet op de aard en capaciteit van de huidige infrastructuur worden er op basis van de berekende verkeerstoenamevoor de beoogde situatie geen problemen verwacht. Derhalve behoeft de huidige infrastructuur geen aanpassingen. Dit aspect vormt dan ook geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling
Parkeren 37
Op basis van gemeentelijk de Nota parkeernormen 2025 van de gemeente Roermond kan berekend worden hoeveel (extra) parkeerplaatsen er nodig zijn voor de beoogde ontwikkeling.
Toetsing initiatief
Het projectgebied is gelegen in zone 5 Voor de twee-onder-een-kapwoningen geldt in deze zone een parkeernorm van 2,3 parkeerplaats per woning. Voor de tussen/hoekwoningen geldt een parkeernorm van 2,1 parkeerplaats per woning. Daarbovenop geldt een parkeernorm van 0,2 parkeerplaats per woning voor bezoekers. In totaal zorgt dit voor een parkeerbehoefte van (18x2,3+7x2,1+25x0,2=) 61,1 (62) parkeerplaatsen. Binnen het projectgebied worden 62 parkeerplaatsen aangelegd waardoord wordt voorzien in de parkeerbehoefte en wordt voldaan aan de Nota Parkeernormen 2025 van de gemeente Roermond.
Figuur 6 Parkeersituatie
5.14
Duurzaamheid en klimaatadaptatie
De Nationale klimaatadaptatiestrategie (NAS) is in 2016 opgesteld. In 2022 is de NAS in opdracht van het ministerie van Infrastructuur en Waterstaat geëvalueerd. Om de NAS te versnellen is in 2023 het Nationaal Uitvoeringsprogramma Klimaatadaptatie (NUPKA) verschenen. Het NUPKA laat zien welke aanpak al in gang is gezet voor de komende jaren én welke extra maatregelen er nodig zijn. Zo is het uitgangspunt dat vanaf nu bij elke ontwikkeling in Nederland standaard rekening moeten worden gehouden met zeespiegelstijging, toenemende hitte, langere periodes van droogte en meer extreme neerslag. Verder moet het beleid om Nederland op tijd klimaatbestendig te maken slimmer, intensiever en inclusiever worden. 38
Toetsing initiatief
In het kader van onderhavige ontwikkeling vindt een toename plaats van het verhard oppervlak en zal geen duurzame energie opgewekt worden. Zoals in paragraaf 5.5 is beschreven zal een wadi gerealiseerd worden voor de berging van het hemelwater. In het infiltratieonderzoek is nader toegelicht hoe dit vorm zal krijgen. Het toevoegen van de wadi zal een positieve werking hebben op de biodiversiteit in de omgeving. Daarnaast zullen de woningen gasloos worden uitgevoerd. Derhalve kan worden gesteld dat de beoogde ontwikkeling bestand is tegen de effecten van klimaatverandering.
5.15
Trillingen
Ten behoeve van de bescherming van de fysieke leefomgeving, kunnen gemeenten regels opnemen ten aanzien van trillingen. In paragraaf 5.1.4.4 van het Bkl staan de instructieregels voor trillingen door activiteiten. Deze instructieregels zijn gericht op de bescherming van trillinggevoelige ruimten in trillinggevoelige gebouwen. Deze instructieregels gelden voor het op een locatie toelaten van een activiteit en/of een trillinggevoelig gebouw en/of het aanpassen daarvan.
De centrale beoordelingsregel voor trillingen door activiteiten is geformuleerd in artikel 5.83 van het Bkl: • In een omgevingsplan (of in het kader van een wijziging of afwijking daarvan) wordt rekening gehouden met trillingen door activiteiten in trillinggevoelige ruimten van trillinggevoelige gebouwen; • Een omgevingsplan (of in het kader van een wijziging of afwijking daarvan) voorziet erin dat trillingen door een activiteit in trillinggevoelige ruimten van trillinggevoelige gebouwen aanvaardbaar zijn. In artikel 5.87 en 5.87a van het Bkl staan de standaardwaarden voor continue en herhaald voorkomende trillingen. De gemeente hanteert deze standaardwaarden bij het opnemen van waarden voor trillingen door activiteiten voor een bepaald gebied in haar omgevingsplan. Niet op alle locaties leiden de voornoemde standaardwaarden voor een activiteit die trillingen genereert tot het gewenste evenwicht tussen ‘beschermen’ en ‘benutten’. Een gemeente kan dan ook gemotiveerd kiezen voor andere waarden voor specifieke locaties. Zo kan een gemeente, uit het oogpunt van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties, bijvoorbeeld een lagere waarde vaststellen voor een activiteit op een bedrijventerrein om hiermee een woonwijk te beschermen.
Toetsing initiatief
Met onderhavige ontwikkeling worden er in totaal 25 trilgevoelige objecten/ruimten toegevoegd. Er zullen daarnaast geen trilgevoelige activiteiten uitgevoerd worden. In de omgeving vinden geen activiteiten plaats welke trillingen veroorzaken. Het aspect trillingen zal voor het realiseren van de beoogde ontwikkeling geen belemmeringen vormen.
39
5.16
Energietransitie
In navolging van de hogere overheden, werkt ook de gemeente in haar omgevingsplan haar visie op het gebied van energietransitie uit in regels voor haar grondgebied. Bijvoorbeeld door (al dan niet in navolging van het Rijksen/of provinciaal beleid) regels te stellen over de aanwijzing van functies of locaties die windparken mogelijk maken of een verbod op houtstook. De ruimte in de fysieke leefomgeving die de energietransitie vraagt, maakt dit een belangrijk onderwerp voor ruimtelijke ontwikkelingen. Het gaat daarbij deels over fysieke ingrepen bovengronds, zoals de aanleg van windmolens, zonneparken of schakelstations. Maar de energietransitie heeft ook gevolgen voor de ondergrond. Denk bijvoorbeeld aan de aanleg van warmtenetten, geothermie of de ondergrondse opslag van warmte voor verwarming van gebouwen. Gemeenten dienen conform de artikelen in paragraaf 5.1.7.3 Bkl rekening te houden met de elektriciteitsvoorziening. In Bijlage XV bij het Bkl staan de van rijkswege gemarkeerde locaties voor ontwikkelingen binnen de energietransitie, maar daarnaast kunnen gemeenten zelf ook locaties reserveren voor deze doeleinden.
Toetsing initiatief
Onderhavige locatie ligt niet binnen een aangewezen gebied voor ontwikkelingen binnen de energietransitie. Hierdoor vormt dit aspect geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.
5.17
Lichthinder
Er zijn veel locaties met kunstmatige verlichting. Afhankelijk van de positionering van deze verlichting en de functies in de omgeving kan er sprake zijn van lichthinder. Dit kan verschillende soorten negatieve effecten veroorzaken: - hinder voor de mens; - hinder langs wegen; - verstoring van de natuur; - horizonvervuiling. Voorbeelden hiervan zijn verstoring voor verkeer door het optreden van reclameverlichting, of natuurimpact als gevolg van onvoldoende duisternis. Lichthinder is dan ook een thema dat decentrale overheden moeten afwegen. Rijksregels zijn er alleen voor kunstlicht in de tuinbouw bij kassen. In het gemeentelijke omgevingsplan kan het aspect lichthinder meewegen in het kader van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit.
Toetsing initiatief
Binnen het projectgebied wordt verlichting toegevoegd. Hierbij gaat het echter niet om grootschalige (bedrijfsmatige) verlichting, maar om onder andere straatverlichting. Deze verlichting is op het openbaar gebied gericht en vormt 40
geen hinder voor het woon- en leefklimaat. In het kader van het aspect lichthinder worden geen belemmeringen verwacht.
5.18
Bezonning
Voor gebouwen, tuinen, terrassen en speelplekken is het belangrijk dat er voldoende zonlicht of juist voldoende schaduw aanwezig is. Een toename van schaduw – door beplanting, nieuwbouw of andere ruimtelijke ontwikkelingen – kan ongewenst zijn. Het is belangrijk om ervoor te zorgen dat er voldoende bezonning en schaduw is en blijft. De Rijksoverheid heeft voor dit aspect van de fysieke leefomgeving echter geen instructieregels opgesteld, waardoor de gemeente deze regels zelf in kan vullen. Het onafhankelijke onderzoeksinstituut TNO (Nederlandse Organisatie voor toegepast-natuurwetenschappelijk onderzoek) heeft een norm voor bezonning bepaald: De bezonningsliniaal – een eenvoudig hulpmiddel voor de beoordeling van de bezonning en de dagverlichting. Veel gemeenten hanteren deze TNOnorm, maar dit is niet verplicht. Een aantal gemeenten heeft haar beleid op het gebied van bezonning gebaseerd op deze norm. Zo kan een gemeente er eventueel voor kiezen om een verplichting voor een onderzoek volgens deze TNO-norm in het omgevingsplan (of wijziging of afwijking daarvan) op te nemen.
TNO kent een 'lichte' en een 'strenge' norm: • De 'lichte' TNO-norm: ten minste 2 mogelijke bezonningsuren per dag in de periode van 19 februari – 21 oktober (gedurende 8 maanden) in midden vensterbank binnenkant raam; • De 'strenge' TNO-norm: ten minste 3 mogelijke bezonningsuren per dag in de periode 21 januari – 22 november (gedurende 10 maanden) in midden vensterbank binnenkant raam. Om voldoende zonlicht en schaduw te borgen kunnen gemeenten bouwregels opnemen in het omgevingsplan (of wijziging of afwijking daarvan). Ook behoren een omgevingsvergunningplicht en/of een meldingsplicht voor het bouwen van hoge gebouwen tot de mogelijkheden.
Toetsing initiatief
Aangezien in de toekomstige situatie geen hoge bebouwing en/of hoogopgaand groen zal worden geplaatst en er geen sprake is van een ruime afstand ten opzichte van omliggende woningen, zal het woongenot van omwonenden niet worden aangetast. Dit aspect zorgt derhalve niet voor belemmeringen.
5.19
Slagschaduw
De passerende schaduw van draaiende wieken van een windturbine kan bij zonnig weer een hinderlijk schaduweffect veroorzaken. Wanneer een windturbine met een rotordiameter van 2 meter of meer op een locatie wordt toegelaten, gelden er voor het aspect slagschaduw instructieregels (paragraaf 5.1.4.4a Bkl). Deze regels gelden alleen ter bescherming tegen slagschaduw op gevoelige gebouwen, zoals woningen, scholen, ziekenhuizen en kinderdagverblijven. Gemeenten kunnen de regels voor slagschaduw van de 41
windturbines en windparken op hun grondgebied aanpassen in het omgevingsplan (of wijziging of afwijking daarvan).
Toetsing initiatief In de omgeving van het projectgebied zijn geen windmolens gelegen die slagschaduw kunnen veroorzaken. Het aspect slagschaduw vormt geen belemmeringen voor onderhavige ontwikkeling.
5.20
Windhinder
Windhinder treedt vooral op rond hoge gebouwen zoals kantoren, woontorens of hotels. Wanneer het gemiddelde windklimaat te wensen overlaat (het waait te hard en te vaak) zullen mensen (recreatieve) plekken eerder mijden. Dit betekent dat de aantrekkingskracht van bijvoorbeeld winkelgebieden, pleinen en terrassen afhankelijk is van het gemiddelde windklimaat. Gemeenten kunnen de gevolgen van windhinder beperken door regels aan bouwwerken te stellen in het omgevingsplan (of wijziging of afwijking daarvan). Deze (stedenbouwkundige) oplossingen kunnen zijn: - Voldoende afstanden tussen (hoge) bebouwing; - Per locatie bekijken welke bouwhoogte toegestaan kan worden; - Rekening houden met de fysieke vorm van de gebouwen. Voor het beoordelen van het windklimaat is een norm opgesteld, namelijk NEN 8100. Deze norm werkt met uurgemiddelde windsnelheden (m/s) gerelateerd aan de overschrijdingskans (in percentage van het aantal uren per jaar). In de NEN-norm wordt aangegeven wanneer een windonderzoek nodig is: - Ingeval van gebouwen hoger dan 30 meter: windonderzoek is nodig; - Bij beschut gelegen gebouwen met een hoogte van 15 tot 30 meter: specialist beoordeelt of windonderzoek nodig is; - Bij onbeschut gelegen gebouwen met een hoogte tot 30 meter: specialist beoordeelt of windonderzoek nodig is.
Deze normering is echter niet wettelijk verplicht, maar een gemeente kan er wel voor kiezen om hiertoe regels op te nemen in het omgevingsplan (of wijziging of afwijking daarvan).
Toetsing initiatief
In de nabijheid van het projectgebied is geen hoge bebouwing gelegen en zal geen hoge nieuwbouw plaatsvinden. Derhalve is het niet aannemelijk dat er windhinder zal plaatsvinden. Het aspect windhinder vormt geen belemmering voor onderhavige ontwikkeling.
5.21
Project-mer-beoordeling
Een milieueffectrapportage (mer) is een hulpmiddel bij het nemen van besluiten. In het milieueffectrapport (MER) worden de effecten van een plan of project, en de effecten van alternatieven, op het milieu beschreven. Het doel van een mer is het milieubelang een volwaardige plaats geven in de besluitvorming. Het gaat dan om besluitvorming over plannen en programma’s en projecten die duidelijke milieueffecten kunnen hebben. Milieu is een breed 42
begrip. Het gaat onder andere om water, bodem, lucht, afval, natuur, gezondheid en archeologisch erfgoed. Een project kan op twee manieren leiden tot een project-mer-plicht: 1. de generieke aanwijzing geldt voor plannen waarvoor direct een projectmer-plicht geldt. 2. de project-mer-beoordeling geldt voor een project dat kaderstellend is Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen projecten die al dan niet in bijlage V bij het Omgevingsbesluit zijn opgenomen. Staat het project niet in bijlage V dan geldt geen project-mer-(beoordelings-)plicht. Staat het project wel in kolom 1, dan dient te worden gekeken of de ondergrenzen voor een (beoordelings-)plicht al dan niet worden overschreden.
Toetsing initiatief
Onderhavige ontwikkeling kan worden gezien als een stedelijk ontwikkelingsproject. De aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject is in principe mer-beoordelingsplichtig. Er geldt geen merplicht. Ten aanzien van de mer-beoordeling moet beoordeeld worden of er gezien de aard en locatie van de beoogde ontwikkeling negatieve effecten optreden ten aanzien van het milieu. Uit de toetsing van hoofdstuk 5 blijkt dat er geen negatieve effecten optreden ten aanzien van het milieu. Het opstellen van een milieueffectrapportage is niet noodzakelijk
43
HOOFDSTUK
6 Beperkingengebieden
In een beperkingengebied gelden beperkingen voor activiteiten die de functie van een maatschappelijk belangrijk werk of object kunnen verstoren. Dit kan onder andere gaan om wegen, spoorwegen, luchthavens en waterstaatswerken. In de hoofdstukken 6 tot en met 10 van het Bal staan de voorschriften voor speciale gebieden in beheer bij het Rijk. Niet alleen het Rijk kan beperkingengebieden aanwijzen, dat geldt ook voor provincies en waterschappen. Om de functie van het werk of object te beschermen, gelden er beperkingen in een aangewezen gebied daaromheen. Het bevoegd gezag wijst dat gebied op kaart aan. De beperkingen gelden voor activiteiten in dit gebied (het beperkingengebied). De beperkingen kunnen een vergunningplicht inhouden of bestaan uit algemene regels.
Toetsing initiatief
In onderhavig projectgebied is geen sprake van een beperkingengebied. De beoogde ontwikkeling voorziet niet in activiteiten die op grond van deze regels aan de beoordeling door het bevoegd gezag onderhevig zijn. Derhalve vormt dit aspect geen belemmering.
44
HOOFDSTUK
7 Uitvoerbaarheid
7.1
Economische uitvoerbaarheid
7.1.1
Financieel economische haalbaarheid Uitgangspunt is dat de kosten die gemaakt worden voor het opstellen van een BOPA voor rekening komen van de initiatiefnemer.
7.1.2
Kostenverhaal Aangezien sprake is van een kostenverhaalsplichtige activiteit dient het kostenverhaal geregeld te worden. In dit geval is het kostenverhaal geregeld middels een anterieure overeenkomst. In deze overeenkomst zijn afspraken gemaakt over de te betalen plankosten en te verhalen kosten voor bovenwijkse voorzieningen. Voorafgaand aan de anterieure overeenkomst is een intentieovereenkomst gesloten, waarbij reeds een voorschot op de plankosten is betaald.
In deze paragraaf wordt de wijze van bekostiging van het initiatief beschreven.
In het geval van de ontwikkeling op de locatie geen sprake van kostenverhaal. Tevens worden voor het in behandeling nemen van en de procesbegeleiding kosten gerekend. Deze worden verrekend via de gemeentelijke leges. 7.1.3
Nadeelcompensatie Onderhavige ontwikkeling wordt gerealiseerd door de particuliere initiatiefnemer. Eventuele nadeelcompensatie komt voor rekening van de initiatiefnemer. De afspraken over nadeelcompensatie zijn opgenomen in de anterieure overeenkomst.
7.2
Maatschappelijke uitvoerbaarheid
7.2.1
Participatie De initiatiefnemer heeft de buurt middels een omgevingsdialoog geïnformeerd over de beoogde ontwikkeling. Een verslag van de gevoerde omgevingsdialoog is bijgevoegd als bijlage IX.
7.2.2
Procedure Voor het verlenen van een omgevingsvergunning voor het afwijken van het tijdelijk deel van het Omgevingsplan van Roermond dient de reguliere procedure, zoals beschreven in de Omgevingswet, het Omgevingsbesluit en de Algemene wet bestuursrecht (Awb), te worden doorlopen.
Deze onderbouwing evenwichtige toedeling van functies aan locaties wordt aan de gemeente Roermond voorgelegd welk gedurende 8 weken de tijd heeft een besluit te nemen. Wanneer sprake is van benodigde afstemming met de Provincie zullen deze 6 weken verlengd worden tot 14 weken.
45
De aanvraag wordt ingediend via het DSO. De beslistermijn begint te lopen vanaf het moment van ontvangst van de aanvraag. Als het bevoegd gezag de beslissing op de aanvraag aanhoudt, begint de termijn te lopen op de dag waarop de aanhouding eindigt. De beslistermijn is normaliter 8 weken. Het bevoegd gezag kan de beslistermijn 1 maal met maximaal 6 weken verlengen. Het bevoegd gezag maakt het besluit tot verlenging bekend aan de aanvrager binnen de beslistermijn (artikel 16.64, lid 1 en 2, Omgevingswet, en 4:14 Awb). Bij een besluit op aanvraag geeft het bevoegd gezag kennis van dat besluit tegelijkertijd met of zo spoedig mogelijk na de bekendmaking. Het geeft kennis in een zelf uitgegeven elektronische publicatie (gemeenteblad, provinciaal blad, et cetera) via DROP. In de kennisgeving (artikel 16.64, lid 3, en artikel 16.64a Omgevingswet) staat: • Een zakelijke weergave van de inhoud; • Dat geen omgevingsvergunning nodig is, als het bevoegd gezag vindt dat dit het geval is; • Dat het gaat om een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit, als dit het geval is. Een vergunning welke is voorbereid met de reguliere voorbereidingsprocedure, treedt in werking met ingang van de dag na de dag waarop het bevoegd gezag het besluit bekend heeft gemaakt. 7.2.3
Bezwaar/ Beroep Na het verlenen van de vergunning kan beroep worden ingesteld bij de rechtbank tegen de verleende vergunning. Tot slot kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State.
46
HOOFDSTUK 8.1
8 Belangenafweging en conclusie
Is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties?
Initiatiefnemer is voornemens op de locatie aan de Daalakkerweg ong. in Leeuwen 25 woningen te realiseren. Uit onderhavige onderbouwing blijkt dat er vanuit de relevante omgevingsaspecten geen belemmeringen zijn te verwachten. Daarnaast is de ontwikkeling van 25 woningen passend binnen het gemeentelijke, provinciale en Rijksbeleid. Onderhavige ontwikkeling is niet rechtstreeks toegestaan binnen het huidige planologisch-juridische kader. Binnen de kaders van het geldende tijdelijk deel van het omgevingsplan zijn ook geen afwijkings- en/of wijzigingsregels opgenomen waarmee het initiatief kan worden toegestaan. Door het afwijken van het tijdelijk deel van het omgevingsplan middels een BOPA, kan het initiatief mogelijk worden gemaakt. De ontwikkeling wordt niet belemmerd door aanwezige, storende milieuaspecten en de benodigde voorzieningen zijn reeds in het projectgebied aanwezig. Bovendien zal, gezien de bestaande situatie, geen schade worden toegebracht aan natuur- of landschapselementen en -structuren.
8.2
Conclusie
Op basis van het voorgaande wordt door de initiatiefnemer dan ook geconcludeerd dat de voorgenomen ontwikkeling vanuit het oogpunt van een goede fysieke leefomgeving aanvaardbaar en haalbaar is. Derhalve is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
47
Verkennend bodemonderzoek Daalakkerweg 57-59 te Roermond (Gemeente Roermond)
Verkennend bodemonderzoek Daalakkerweg 57-59 te Roermond Aeres Milieu Projectnummer Status rapport Datum
: AM22167-3 : Definitief (versie 1) : 15 november 2023
Opdrachtgever
: LPM Development BV Postbus 2 6000 AA Weert
Opgesteld door
:
Gecontroleerd door
:
Aeres Milieu B.V. Noordhoven 4 6042 NW ROERMOND (t) 0475 – 320 000 e-mail: info@aeres-milieu.nl www.aeres-milieu.nl
2001 + 2002
Disclaimer Het onderzoek is op zorgvuldige wijze uitgevoerd volgens de algemeen gebruikelijke inzichten en methoden (opzet conform NEN 5740 en interpretatie aan de hand van de Leidraad Bodembescherming). Opgemerkt wordt dat bij een verkennend bodemonderzoek sprake is van een steekproefsgewijze bemonstering en het nemen van een beperkt aantal monsters. De mogelijkheid blijft daarom bestaan dat puntverontreinigingen, welke niet voortkomen uit het historisch onderzoek, niet door het onderzoek worden aangetoond. Daarnaast blijft het mogelijk dat lokale afwijkingen in de samenstelling van het bodemmateriaal voorkomen. Tot slot wordt erop gewezen dat het uitgevoerde bodemonderzoek een momentopname is. Het bovenstaande betekent dat Aeres Milieu op voorhand geen aansprakelijkheid accepteert voor maatregelen of mogelijke beslissingen die de opdrachtgever naar aanleiding van het door Aeres Milieu uitgevoerde bodemonderzoek neemt. Tevens wordt opgemerkt dat Aeres Milieu voor het verkrijgen van de voor het historisch onderzoek noodzakelijke informatie (mede) afhankelijk is van externe bronnen. Voor Aeres Milieu is niet te verifiëren of deze bronnen altijd volledig en zonder fouten zijn. Hierdoor kan Aeres Milieu niet instaan voor de juistheid en volledigheid van de verzamelde historische informatie.
Pagina | 2 AM22167-3
INHOUDSOPGAVE 1.
INLEIDING..............................................................................................................................................................................................................4
2.
VOORONDERZOEK .............................................................................................................................................................................................5 2.1
Inleiding ............................................................................................................................................................................................................5
2.2
Topografische beschrijving........................................................................................................................................................................5
2.3
Bewonings- en bebouwingsgeschiedenis ............................................................................................................................................6
2.4
Dossieronderzoek ..........................................................................................................................................................................................6
2.5
Bodemopbouw en geo(hydro)logie .........................................................................................................................................................8
2.6
Beschrijving van de onderzoekslocatie .................................................................................................................................................9
2.7
Asbest ................................................................................................................................................................................................................9
2.8
Bodemkwaliteitskaart ..................................................................................................................................................................................9
2.9
Onderzoekshypothese .................................................................................................................................................................................9
3.
ONDERZOEKSSTRATEGIE ............................................................................................................................................................................. 10 3.1
Inleiding ......................................................................................................................................................................................................... 10
3.2
Onderzoeksstrategie ................................................................................................................................................................................. 10
4.
VELDWERKZAAMHEDEN ............................................................................................................................................................................... 11 4.1
Algemeen ...................................................................................................................................................................................................... 11
4.2
Grondbemonstering ................................................................................................................................................................................... 11
5.
LABORATORIUMONDERZOEK..................................................................................................................................................................... 12 5.1
Algemeen ...................................................................................................................................................................................................... 12
5.2
Grond(meng)monster(s)............................................................................................................................................................................ 12
5.3
Toetsing van de gestelde hypothese .................................................................................................................................................. 14
6.
CONCLUSIES EN AANBEVELINGEN ........................................................................................................................................................... 15
Bijlagen: 1 2 3 4 5 6 7
Topografische en kadastrale overzichtskaart Foto’s onderzoekslocatie Situatietekening onderzoekslocatie met boorpunten Boorprofielen Verklaring veldmedewerker Toetsingstabellen en analyserapport grond(meng)monster(s) Omgevingsrapportage Daalakker 57-59 Roermond
Pagina | 3 AM22167-3
1. INLEIDING In opdracht van LPM Development BV heeft Aeres Milieu een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd op de locatie: Adres onderzoekslocatie
: Daalakkerweg 57-59 te Roermond
Gemeente
: Roermond
Kadastrale registratie
: Roermond, sectie G, nummers 400 en 401
Oppervlakte
: circa 8.944 m2
Huidig gebruik van de locatie
: grasland en wonen met tuin
Toekomstig gebruik
: wonen met tuin en infrastructuur
Dit bodemonderzoek is uitgevoerd conform de richtlijnen van de NEN 5740. Het verkennend bodemonderzoek bestaat uit een vooronderzoek naar de historie en bodemgesteldheid van de onderzoekslocatie en aanvullend hierop een bodemonderzoek op het perceel.
Aanleiding De aanleiding voor het laten uitvoeren van dit bodemonderzoek is een herontwikkeling van de locatie. Ter plaatse is de bouw van woningen met tuin voorzien met ontsluitingswegen.
Doel Het doel van het verkennend onderzoek is, middels een steekproef, het vaststellen van de actuele bodemkwaliteit ter plaatse. Het onderzoek is niet bedoeld om een exacte aard en omvang van een eventuele verontreiniging aan te geven.
Onderzoek Aeres Milieu B.V. heeft geen binding met de opdrachtgever en de onderzoekslocatie anders dan als onafhankelijk onderzoeksbureau. In hoofdstuk 2 is het vooronderzoek en de daaruit volgende onderzoekshypothese beschreven. Naar aanleiding van de opgestelde hypothese wordt in hoofdstuk 3 de onderzoeksstrategie opgesteld. In hoofdstuk 4 worden de veldwerkzaamheden (grond-
en
grondwateronderzoek)
beschreven.
Hoofdstuk
5
beschrijft
de
laboratoriumwerkzaamheden
en
de
onderzoeksresultaten. Het rapport wordt afgesloten met hoofdstuk 6, waarin de conclusies en enkele aanbevelingen staan beschreven. Bemonstering en laboratoriumonderzoek vonden plaats in oktober en november 2023. De veldwerkzaamheden zijn uitgevoerd conform de protocollen van de BRL SIKB 2000. De chemische analyses zijn uitgevoerd door Eurofins Analytico B.V. te Barneveld. Eurofins Analytico B.V. is geaccrediteerd volgens de door de Raad voor Accreditatie gestelde criteria voor Testlaboratoria conform ISO/IEC 17025. Alle analyses zijn uitgevoerd conform Accreditatie Schema 3000 (AS3000).
Pagina | 4 AM22167-3
2. VOORONDERZOEK 2.1
Inleiding
Conform het onderzoeksprotocol NEN 5725 is ten behoeve van de bepaling van de onderzoeksstrategie op onderhavige locatie een vooronderzoek uitgevoerd. De resultaten van dit vooronderzoek zijn opgenomen in voorliggend hoofdstuk. De in paragraaf 2.1 t/m 2.6 opgenomen informatie is afkomstig van/uit: •
de opdrachtgever;
•
het kadaster;
•
topotijdreis.nl;
•
het dinoloket;
•
gemeente Roermond;
•
provincie Limburg;
•
terreininspectie.
In principe richt het vooronderzoek zich op alle percelen waarop het onderzoek betrekking heeft én de direct hieraan grenzende percelen. Indien een direct aangrenzend perceel smal (< 10 m breed) is, worden ook de percelen hier weer aan grenzend meegenomen. Indien de aangrenzende percelen groot zijn, wordt alleen het gedeelte van deze percelen binnen 25 meter vanaf de grens van de bodemonderzoekslocatie in beschouwing genomen, tenzij er aanleiding bestaat toch het gehele perceel te onderzoeken.
2.2
Topografische beschrijving
De onderzoekslocatie ligt aan de Daalakkerweg 57-59 te Roermond. Kadastraal is de locatie bekend als gemeente Roermond, sectie G, nummers 400 en 401. De coördinaten volgens het R.D. stelsel zijn X = 197.700 / Y = 357.715. Zie bijlage 1 voor een topografische en kadastrale kaart. Op onderstaande luchtfoto is de begrenzing van de onderzoekslocatie weergegeven.
Afbeelding 1: begrenzing onderzoekslocatie (bron luchtfoto: PDOKviewer)
Pagina | 5 AM22167-3
2.3
Bewonings- en bebouwingsgeschiedenis
In het kader van het vooronderzoek is historisch kaartmateriaal bestudeerd. Uit dit kaartmateriaal is af te leiden dat de onderzoekslocatie tot de jaren vijftig van de vorige eeuw geheel onbebouwd was en in gebruik was als landbouwgrond. Op de kaart van 1960 is voor het eerst bebouwing te zien op de locatie. Volgens de BAG-viewer stamt deze bebouwing uit de jaren dertig van de vorige eeuw. Sinds de bebouwing is het overig deel van de locatie grotendeels in gebruik als boomgaard. Op de kaart van 1999 is de boomgaard verdwenen en is de locatie buiten de bebouwing in gebruik als weiland. De situatie op de kaart van 2014 komt overeen met de huidige situatie.
1920
1943
1980 1995 Afbeelding 2: geraadpleegde historische kaarten (bron kaarten: topotijdreis.nl)
2.4
1965
2014
Dossieronderzoek
Voor het verkrijgen van historische informatie van de onderzoekslocatie is op 23 oktober 2023 een informatieverzoek ingediend bij de gemeente Roermond. Gevraagd is naar uitgevoerde bodemonderzoeken en/of bodemsaneringen, verleende hinderwet- of milieuvergunningen, bouw- en/of sloopvergunningen, de aanwezigheid van onder- en/of bovengrondse brandstoftanks en gegevens over calamiteiten. Tevens is gevraagd of de locatie en de directe omgeving verdacht is op het voorkomen van verhoogde gehalten aan PFAS en/of GenX, of dat er ter plaatse bronlocaties bekend zijn voor PFAS of GenX. In het gemeentelijk archief waren echter geen, voor het verkennend bodemonderzoek relevante, bouw-, sloop en/of milieudossiers beschikbaar.
Pagina | 6 AM22167-3
Via de website van de gemeente Roermond is bodeminformatie gedownload van de locatie en directe omgeving. De bodemrapportage is opgenomen in bijlage 7. Op het adres Daalakkerweg 30 zijn in 1994 enkele bodemonderzoeken uitgevoerd en een bodemonderzoek in 2003. Er zijn diverse wegen in Leeuwen onderzocht. Aangezien dit enkel funderingsonderzoek onder de wegen betrof, wordt dit onderzoek verder niet relevant geacht. Op het terrein van de nabij gelegen papierfabriek is ook een onderzoek bekend. Op de onderzoekslocatie zelf zijn niet eerder bodemonderzoeken uitgevoerd. De relevante onderzoeken zijn in tabel 2.1 weergegeven. rapport
samenvatting
Verkennend bodemonderzoek
Bij dit onderzoek is in de bovengrond een licht verhoogd gehalte aan cadmium aangetroffen en in de
Daalakkerweg 30 te Roermond,
ondergrond een licht verhoogd gehalte aan nikkel. In de grond is tevens een verhoogd gehalte aan
van Lierop Milieutechniek,
PAK aangetoond (naar huidige normen een licht verhoogd gehalte). . De aanwezige verhardingslaag
kenmerk B94/251
is niet onderzocht.
d.d. 16-08-1994 nader bodemonderzoek
Bij dit onderzoek is de aanwezige verhardingslaag alsmede de onderliggende bodem (0,2-0,5 m -mv)
Daalakkerweg 30 te Roermond,
onderzocht op PAK. In de verhardingslaag is een sterk verhoogd gehalte aan PAK aangetroffen en
van Lierop Milieutechniek,
(volgens de huidige normen) licht verhoogde gehaltes in de onderliggende bodem.
kenmerk B94/251A d.d. 2-12-1994 Aanvullend onderzoek
Dit betreft een aanvullend uitloogonderzoek op de verhardingslaag. Hieruit blijkt dat het
Daalakkerweg 30 te Roermond,
verhardingsmateriaal ongeïsoleerd als bouwstof kan worden toegepast.
van Lierop Milieutechniek, kenmerk B94/251B, d.d. 2-12-1994 Verkennend bodemonderzoek
Locatie is gelegen op de hoek van de Daalakkerweg en de Molengriendweg, ten zuiden van
Daalakkerweg 30 te Roermond,
onderhavige onderzoekslocatie.
MAH bv,
Aanleiding voor het onderzoek vormde de voorgenomen eigendomsoverdracht van de locatie.
kenmerk 477SME/03,
Zintuiglijk zijn plaatselijk bijmengingen met puin en kooltjes waargenomen.
d.d. 6 oktober 2003
Er bleek een verhardingslaag aanwezig te zijn (0,0 - 0,5 m -mv.) Deze verhardingslaag is niet onderzocht. De onderliggende bovengrond (0,5 m – verhardingslaag) is plaatselijk zeer licht verhoogd met cadmium. In de ondergrond zijn geen verhoogde gehalten aangetroffen ten opzichte van de achtergrondwaarde. Het grondwater bevindt zich dieper dan 5,0 m -mv. en is derhalve niet onderzocht.
Verkennend bodemonderzoek
Betreft een gedeelte van het terrein van de papierfabriek.
Mijnheerkensweg 18,
Het onderzoek is uitgevoerd in het kader van een bouwvergunning.
Econsultancy bv,
De onderzoekslocatie is verhard met klinkers met daaronder een zandcement stabilisatie laag.
kenmerk 98101365,
Daaronder bevindt zich een laag zwart zand. Plaatselijk zijn bijmengingen met puin aangetroffen (15%).
d.d. 3 december 1998
De puinhoudende bovengrond is matig verontreinigd met PAK en licht verontreinigd met minerale olie. Het PAK-gehalte in de onderliggende bodem bevindt zich onder de regionale referentieniveau. De PAKverontreiniging is te relateren aan de bijmengingen met puin. Er blijkt circa 40 m3 grond met puinresten aanwezig te zijn. Het grondwater bevindt zich dieper dan 5,0 m -mv. en is derhalve niet onderzocht. De kleiige ondergrond is licht verontreinigd met nikkel.
Tabel 2.1: Overzicht uitgevoerde bodemonderzoeken
Pagina | 7 AM22167-3
Op de locatie heeft, voor zover bekend, geen bovengrondse of ondergrondse opslag van oliehoudende producten plaatsgevonden. Er is geen informatie bekend dat op de locatie of directe omgeving (bedrijfs)activiteiten hebben plaatsgevonden die een potentiële bron zijn voor PFAS en/of GenX. Voor zover bekend hebben er op de locatie geen ophogingen, opvullingen of dempingen plaatsgevonden. Uit informatie van de provincie Limburg blijkt dat binnen of direct nabij het onderzoeksgebied geen ontgrondingen, (voormalige) stortplaatsen of ernstige bodemverontreinigingen bekend zijn.
2.5
Bodemopbouw en geo(hydro)logie
De bodemopbouw van de onderzoekslocatie wordt schematisch weergegeven in tabel 2.2. Diepte [m-mv]
Lithostratigrafie
Lithologie
0.00 m - 2.41 m
Formatie van Boxtel,
Zandige eenheid, hoofdzakelijk bestaande uit midden en fijn zand, met weinig zandige
derde zandige eenheid
klei en grof zand en een spoor klei, veen en grind
Formatie van Boxtel,
Zandige eenheid, hoofdzakelijk bestaande uit midden en fijn zand, met weinig zandige
vierde zandige eenheid
klei en grof zand en een spoor klei, veen en grind
Formatie van Beegden,
Kleiige eenheid, hoofdzakelijk bestaande uit zandige klei en klei, met weinig fijn en
eerste kleiige eenheid
midden zand en een spoor veen, grof zand en grind
Formatie van Beegden,
Zandige eenheid, hoofdzakelijk bestaande uit grof zand, grind en midden zand, met
tweede zandige eenheid
weinig zandige klei en fijn zand, een spoor klei en kans op stenen, keien en blokken
Formatie van Beegden,
Zandige eenheid, hoofdzakelijk bestaande uit grof zand, grind en midden zand, met
derde zandige eenheid
weinig zandige klei en fijn zand, een spoor klei en kans op stenen, keien en blokken
Formatie van Sterksel,
Zandige eenheid, hoofdzakelijk bestaande uit grof en midden zand, met weinig zandige
eerste zandige eenheid
klei, fijn zand en grind, een spoor klei
Formatie van Sterksel,
Zandige eenheid, hoofdzakelijk bestaande uit grof en midden zand, met weinig
tweede zandige eenheid
zandige klei, fijn zand en grind en een spoor klei
2.41 m - 6.69 m
6.69 m - 7.93 m
7.93 m - 13.51 m
13.51 m - 20.88 m
20.88 m - 25.30 m
25.30 m - 41.50 m
Tabel 2.2: Geo(hydro)logische indeling (bron: Dinoloket)
Het maaiveld ter plaatse van de onderzoekslocatie bevindt zich op een hoogte van circa 24,1 meter +NAP. De stroming van het freatisch grondwater is globaal noordwestelijk gericht en bevindt zich op een hoogte van circa 17,8 meter +NAP (circa 6,3 m-mv.). De onderzoekslocatie bevindt zich niet binnen de grenzen van een grondwaterbeschermingsgebied.
Pagina | 8 AM22167-3
2.6
Beschrijving van de onderzoekslocatie
Op 31 oktober 2023 is een veldinspectie uitgevoerd. Hierbij is gelet op het terreingebruik en de aanwezigheid van ondergrondse tanks, stookplaatsen, (half)verhardingslagen, ophogingen, storthopen, dempingen, afgravingen en asbestverdacht materiaal op het terrein. Een fotoreportage van de onderzoekslocatie is opgenomen in bijlage 2, een overzicht van de fotolocatiepunten is opgenomen in bijlage 3. De onderzoekslocatie is een vlak terrein dat begroeid is met gras (zie bijlage 2 en 3: foto 1 t/m 6, 10, 12 en 13). Aan de westzijde van het terrein, aan de Daalakkerweg 59 ligt een woning voorzien van een pannendak (foto 7, 8, 9, 14). In de noordoosthoek van de locatie ligt een oude vervallen woning/schuur met pannendak (Daalakkerweg 57). Rondom de bebouwing zijn struiken aanwezig (foto 11, 15 t/m 22). Er zijn geen waarnemingen gedaan die wijzen op de aanwezigheid van bodemverontreinigingen of bronnen van verontreinigingen. Tijdens de veldinspectie is op het terrein geen asbestverdacht materiaal aangetroffen. De onderzoekslocatie wordt aan de noordwestzijde begrensd door de Jan Truyenstraat, aan de noordoostzijde en zuidoostzijde door woningen met tuin en aan de zuidwestzijde door de Daalakkerweg.
2.7
Asbest
Uit het dossieronderzoek en de uitgevoerde veldinspectie is geen informatie naar voren gekomen dat ter plaatse van de onderzoekslocatie asbestverdachte activiteiten hebben plaatsgevonden.
2.8
Bodemkwaliteitskaart
Uit de Nota bodembeheer Noord – en Midden-Limburg blijkt dat voor de onderzoekslocatie de ontgravingsklasse ‘landbouw/natuur’ geldt voor zowel de bovengrond als ondergrond. Op de bodemfunctieklassenkaart heeft de locatie de functieklasse ‘wonen’.
2.9
Onderzoekshypothese
Gebaseerd op de verzamelde gegevens uit het vooronderzoek is de onderzoekslocatie mogelijk verdacht voor bestrijdingsmiddelen (OCB) in de bovengrond. Andere verontreinigingen worden niet verwacht (onverdacht). Gezien het te verwachten homogene karakter van de verspreiding van deze bestrijdingsmiddelen, geeft de onderzoeksstrategie “onverdacht” goed inzicht in het al dan niet voorkomen van de aanwezigheid van bestrijdingsmiddelen. Derhalve wordt de locatie onderzocht conform strategie “onverdacht”. De aanwezigheid van asbestverdacht materiaal in de bodem wordt niet verwacht (niet verdacht).
Pagina | 9 AM22167-3
3. ONDERZOEKSSTRATEGIE 3.1
Inleiding
Op basis van de verzamelde informatie uit het vooronderzoek (NEN 5725) en de gestelde onderzoekshypothese(n) voor de onderzoekslocatie, is een onderzoeksstrategie opgesteld conform de richtlijnen van de onderzoeksnorm NEN 5740 (BodemLandbodem; Strategie voor het uitvoeren van verkennend bodemonderzoek – Onderzoek naar de milieuhygiënische kwaliteit van bodem en grond van het Nederlands Normalisatie-Instituut).
3.2
Onderzoeksstrategie
Het bodemonderzoek is uitgevoerd conform de strategie ‘ONV’ uit de NEN 5740. In principe worden boringen willekeurig verspreid over de gehele onderzoekslocatie. Voor het vaststellen van de milieuhygiënische conditie van de bodem (grond en grondwater) van de onderzoekslocatie zal volgens onderstaande strategie veldwerk en monstername voor laboratoriumanalyse plaatsvinden. In verband met de verschillende opbouw van de ondergrond over de locatie is er voor gekozen om een extra ondergrondmonster te analyseren. Omdat de te verwachte grondwaterstand zich op een diepte van 6,3 m-mv. bevindt worden er geen peilbuizen geplaatst. De geplande peilbuizen worden vervangen door twee boringen tot 2,0 m-mv. ONDERZOEKSNORM NEN 5740 'ONV' Aantal boringen