CConstaterende datRoermond
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 2 - nota van antwoorden

Gemeenteraad 20 april 2023, gemeente RoermondBij agendapunt: Verklaring van geen bedenkingen (VVGB) dijkverbetering Willem-Alexanderhaven40.866 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 5

Nota van Antwoord zienswijzen - Ontwerp Projectplan Waterwet dijkversterking Willem Alexanderhaven Roermond - Ontwerp besluit leggerwijziging - Ontwerp uitvoeringsbesluiten

100% versie Datum: 21 juli 2022

1/169

WLDOC-1142526069-20159

Zaaknr. 2021-Z37780 Docnr. WLDOC-1142526069-20159

1. Inleiding 1.1 Inleiding Het ontwerp van het Projectplan Waterwet dijkversterking Roermond-Alexanderhaven, de bijbehorende ontwerp uitvoeringsbesluiten en het ontwerp besluit leggerwijziging (hierna: ontwerp besluiten) hebben van 10 december 2021 tot en met 20 januari 2022 ter inzage gelegen. Eenieder werd in de gelegenheid gesteld om zienswijzen in te dienen. Op het Ontwerp Projectplan Waterwet zijn 10 zienswijzen binnengekomen. Op het ontwerpbesluit leggerwijziging zijn 6 zienswijzen binnengekomen en op de ontwerp uitvoeringsbesluiten zijn 6 zienswijzen binnengekomen. De ontvangen zienswijzen zijn geregistreerd. Aan de indieners is een ontvangstbevestiging gezonden met daarin een registratienummer. Met onderstaande opzoektabel kan bij het ontvangen registratienummer het bijbehorende zienswijzenummer worden opgezocht. nummer indiener OPPW 001 OPPW 002 OPPW 003

OPPW 008 OPPW 009 OPPW 010

Registratienummer DOC-00218652 DOC-00220324 DOC-00223866 DOC-00233264 DOC-00223918 DOC-00230527 DOC-00223912 DOC-00230517 DOC-00223921 DOC-00230526 DOC-00223914 DOC-00230521 DOC-00223907 DOC-00223931 DOC-00225577

OBL 001 OBL 002 OBL 003

OPPW 003 OPPW 004,005,006,007 OPPW 008

OVA 001 OVA 002 OVA 003

OPPW 003 OPPW 004,005,007 OPPW 006,008

OVK 001 OVK 002

OPPW 004,005,007 OPPW 006,008

OPPW 004 OPPW 005 OPPW 006 OPPW 007

datum zienswijze 2 januari 2022 11 januari 2022 19 januari 2022 7 februari 2022 19 januari 2022 4 februari 2022 19 januari 2022 4 februari 2022 19 januari 2022 4 februari 2022 19 januari 2022 4 februari 2022 19 januari 2022 januari 2022 januari 2022

ingekomen op 7 januari 2021 12 januari 2022 19 januari 2022 8 februari 2022 19 januari 2022 7 februari 2022 19 januari 2022 7 februari 2022 19 januari 2022 7 februari 2022 19 januari 2022 7 februari 2022 19 januari 2022 20 januari 2022 26 januari 2022

In hoofdstuk 2 van deze Nota van Antwoord wordt reactie gegeven op de ingediende zienswijzen. Ter inleiding wordt in hoofdstuk 2 eerst een algemene beschouwing gegeven over een aantal uitgangspunten bij de totstandkoming van het Ontwerp Projectplan waterwet dijkversterking WillemAlexanderhaven. Achtereenvolgens worden de volgende onderwerpen nader toegelicht: 1. de verplichtingen van het Waterschap, op grond van de Waterwet, in relatie tot buitendijks gelegen gebieden; 2. de consequenties van hoogwater en bereikbaarheid als gevolg van de voorgenomen dijkversterking; 3. de wijze van omgang met meekoppelkansen en de doorlopen variantenafweging. 2/169

Zaaknr. 2021-Z37780 Docnr. WLDOC-1142526069-20159

In de paragrafen 2.1 t/m 2.3 zijn de ingediende zienswijzen vervolgens per ontwerp besluit samengevat en van een reactie voorzien. Er is tevens aangegeven of en hoe met de zienswijzen rekening is gehouden. In hoofdstuk 3 van deze Nota van Antwoord zijn de ambtshalve wijzigingen opgenomen die hebben plaatsgevonden ten opzichte van de ontwerpbesluiten.

1.2 Ontvankelijkheid indieners De ontwerp besluiten hebben met ingang van 10 december 2021 tot en met 20 januari 2022 ter inzage gelegen. Gedurende die termijn kon eenieder een zienswijze tegen de ontwerp besluiten kenbaar maken. De openbare kennisgeving over de ter inzage legging van de ontwerp besluiten heeft plaatsgevonden middels: • publicatie op de website www.overheid.nl (provinciaal blad en waterschapsblad). • publicatie op www.waterschaplimburg.nl/actueel/bekendmakingen. Diverse belanghebbenden hebben, voorafgaand aan de afloop van de ter inzage termijn, bij Provincie Limburg een verzoek ingediend voor een aanvullende termijn van 2 tot 4 weken voor het nader aanvullen van hun zienswijzen. Provincie Limburg heeft, in overleg met het Waterschap Limburg, ambtshalve besloten om aan dit verzoek tegemoet te komen. Geconstateerd is dat, rekening houdend met dit uitstel, alle ingekomen zienswijzen tijdig zijn ingediend en daarmee ontvankelijk zijn.

3/169

Zaaknr. 2021-Z37780 Docnr. WLDOC-1142526069-20159

2. Zienswijzen en reactie Verplichtingen op grond van Waterwet in relatie tot buitendijkse gebieden Meerdere bedrijven in de haven en de bewoner van de (bedrijfs)woning op het terrein van BESIX stellen dat hun bedrijfsterrein binnendijks moeten worden gebracht. Hun economische belangen en bestaande rechten zouden niet juist bij de besluitvorming zijn betrokken, terwijl het waterschap deze (economische) belangen, concreet de economische bewoonbaarheid, op grond van zijn grondwettelijke zorgplicht en de doelstellingen van artikel 2.1 lid 1 Waterwet bij zijn besluitvorming had moeten betrekken. De zorgplicht van de overheid om zorg te dragen voor de bewoonbaarheid van het land en de bescherming en verbetering van het leefmilieu is vastgelegd in artikel 21 van de Grondwet. Deze zorgplicht is onder meer uitgewerkt in de doelstellingen van artikel 2.1 van de Waterwet. Een van de doelstellingen is het voorkomen en waar nodig beperken van overstromingen en wateroverlast. De doelstellingen van de Waterwet geven het kader voor de uitvoering van de Waterwet 1 en dus ook voor de reikwijdte van de taken van het waterschap ten aanzien van waterkeringen. Daartoe stelt de Waterwet normen voor de waterkeringen. De wet gaat sinds de wijziging van de Waterwet vanwege de nieuwe normering voor primaire waterkeringen uit van de dijktrajecten vermeld in bijlage 1 bij de wet.

Deze normen zijn de wettelijke uitwerking van de zorgplicht van de betrokken overheden voor de waterveiligheid. Uit artikel 2.2 van de wet blijkt dat de normen gelden voor de gebieden gelegen binnen de dijktrajecten. Gebieden buiten de primaire waterkeringen – buitendijkse gebieden – vallen buiten de zorgplicht van het waterschap voor de bewoonbaarheid van het land, waar het gaat om maatregelen tegen overstromingen en wateroverlast.2 Het systeem van de wet, en daarmee de reikwijdte van de zorgplicht, is dat bewoners en bedrijven in buitendijks gebied, dat wil zeggen buitendijks ten opzichte van de primaire kering, zelf verantwoordelijk zijn voor het treffen van gevolgbeperkende maatregelen tegen eventuele wateroverlast vanuit het aangrenzende oppervlaktewaterlichaam en zelf het risico van waterschade dragen 3. De door de bedrijven en de bewoner op het terrein van BESIX aangehaalde uitspraak van 13 maart 2019 van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft niet de door hen kennelijk gesuggereerde betekenis. Inderdaad bevestigt de Afdeling in die uitspraak dat de regels uit de Waterwet ook strekken tot de bescherming van de belangen van diegenen van wie het woon- en leefklimaat mede door de bescherming tegen overstromingen en wateroverlast worden bepaald. Dat wordt door het waterschap ook niet ontkend.

Het gaat in de aangehaalde uitspraak om binnendijks wonende appellanten, wiens belangen volgens de bedrijven in het geding waren omdat niet was uitgesloten dat zij van een overstroming of wateroverlast als gevolg van het falen van de waterkering gevolgen kunnen ondervinden. Deze uitspraak gaat overigens over de relativiteitseis bij een watervergunning voor een windturbine binnen de beschermingszone van een primaire kering; de Afdeling oordeelt daarmee dus niet over de zorgplicht van het waterschap voor bedrijven die buitendijks zijn gevestigd. De Willem-Alexanderhaven ligt in dijktraject 76-2, vermeld op Kaart 4 van Bijlage I bij de wet. Uitgangspunt van de wet is dat de begin- en eindpunten van het dijktraject zijn vastgelegd in Bijlage IA bij de wet. De concrete ligging, vorm, afmeting en constructie van het dijktraject zijn vastgelegd in de legger die wij op grond van artikel 5.1 lid 1 Waterwet hebben vastgesteld. Voor dijktraject 76-2 zijn de volgende leggerzoneringen van de primaire waterkering opgenomen:

1

Kamerstukken II 2006/07, 30818, nr. 3. Zie ook de MvT bij de Wijziging van de Waterwet, 34 436, nr. 3, pag. 8 waarin als te realiseren doel van het nieuwe waterveiligheidsbeleid wordt benoemd het bieden van bescherming aan iedereen die in Nederland achter een primaire kering woont. 3 MvT bij de Wijziging van de Waterwet, 34 436, nr. 3, pag. 34 over de overgang van primaire naar regionale normering en de situatie bij een voorliggende kering. 2

4/169

Zaaknr. 2021-Z37780 Docnr. WLDOC-1142526069-20159

Uit de leggerkaart blijkt dat de bedrijven ten noorden van de kering buiten het dijktraject, en dus buitendijks liggen. N.B. Uit de leggerkaart blijkt ook dat in de zuid-oost hoek van het dijktraject geen sprake is van een gesloten kering. De opgave voor de huidige dijkverbetering is dat de bestaande kering wordt gesloten door deze aan te sluiten op de hoge grond. Vanwege de leidende principes van sober en doelmatig (waarover hierna meer) gaat het daarbij om een zo kort mogelijke en logische aansluiting op de dichtstbijzijnde hoge gronden. Het VKA voorziet in de ophoging van de bestaande kering en de logische aansluiting van de bestaande kering op de hogere gronden. Sinds 1 januari 2017 bevat de Waterwet nieuwe wettelijke normen voor hoogwaterveiligheid. Het doel van deze nieuwe normen voor primaire waterkeringen is dat iedereen die in Nederland achter een primaire waterkering woont, uiterlijk in 2050 kan rekenen op het basisbeschermingsniveau. Voor ieder dijktraject bestaan de wettelijke normen uit twee waarden, beide uitgewerkt in een overstromingskans per jaar. De eerste waarde is de signaleringswaarde, de overstromingskans per jaar die de beheerder het sein geeft dat de waterkering op termijn versterkt moet worden. Daarnaast de ondergrens, de overstromingskans per jaar waarop het dijktraject gedurende de gehele levensduur ten minste berekend moet zijn.

Voor dijktraject Roermond Willem-Alexanderhaven betreft dit een signaleringswaarde van 1/300e per jaar en een ondergrens van 1/100e per jaar. De opgave voor dit dijktraject is een benodigde kruinhoogte (ontwerphoogte) van NAP + 22,0 meter bij zichtjaar 2075 (het zgn. adaptieve ontwerp van dijkvak 7) tot en met NAP + 22,5 meter bij zichtjaar 2125 (de maximale hoogte van de overige

5/169

Zaaknr. 2021-Z37780 Docnr. WLDOC-1142526069-20159

dijkvakken).4 Het gaat hier om de overstromingskans van de binnendijkse gebieden en de opgave om het huidige, bestaande dijktraject te verbeteren. De veiligheidsnormen in artikel 2.2 van de Waterwet en de daarmee corresponderende waarden betekenen niet alleen dat de huidige primaire keringen versterkt moeten worden, maar ook dat de aansluiting op hoge grond op een ander niveau (hoogte) nodig is. De aansluiting van de bestaande dijk op hoge grond verschuift daardoor naar een hoger gelegen punt.5 Uit de leggerkaart blijkt duidelijk dat er, rekening houdend met de nieuwe hoogteopgave, in de huidige situatie geen sprake is van een gesloten dijktraject. Onze opgave bestaat er dan ook niet alleen uit om dijktraject 76-2 te versterken, maar ook in zijn geheel aan te laten sluiten op hoge grond. De veiligheidsnorm van artikel 2.2 van de Waterwet heeft betrekking op gronden die binnen de primaire waterkering liggen. De Waterwet regelt alleen het wettelijk beschermingsniveau voor de gebieden die beschermd worden door primaire keringen, en het beheer van het hoofdwatersysteem om deze gebieden te beschermen. In het buitendijkse gebied zelf geldt geen wettelijke norm voor bescherming tegen overlast als gevolg van hoogwater. 6 De veiligheidsnorm van de Waterwet strekt er ook niet toe dat buitendijks gelegen gebieden binnendijks worden gebracht.

Dit heeft de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State bevestigd in haar uitspraak van 9 november 2016 (ECLI:NL:RVS:2016:2988). Daarin overwoog de Afdeling dat de veiligheidsnorm in artikel 2.2 van de Waterwet betrekking heeft op gronden die binnen de primaire waterkering liggen en daarmee niet de strekking heeft om buitendijkse gronden te beschermen. De veiligheidsnorm strekt er toe dat het gebied binnen de primaire waterkering wordt beschermd. In dat kader speelt volgens de Afdeling bestuursrechtspraak geen rol dat een bedrijf/instituut een grote maatschappelijke waarde heeft en dat de overschrijdingskans ter plaatse van die gronden niet gering is. 7 Het wettelijk systeem is aldus dat buitendijks gelegen gebieden niet wettelijk beschermd zijn tegen overstroming, en dat de zorgplicht van het waterschap zich daar volgens het kader van de wet niet toe uitstrekt.8 Buitendijks zijn de bewoners en gebruikers zelf verantwoordelijk voor het treffen van gevolgbeperkende maatregelen en dragen zij zelf het risico van waterschade. Voor het binnendijks brengen van buitendijkse gronden, in die zin dat de wettelijke normen en daarmee ook de zorgplicht voor de bewoners en bedrijven in dat gebied gaan gelden, is nodig dat de 4 Ontwerpprojectplan, p. 8. 5 Ontwerpprojectplan, p. 21. 6 Handreiking Beleidslijn Grote Rivieren, geactualiseerde versie 2019, p.

27 “De Waterwet regelt alleen het wettelijk beschermingsniveau voor de gebieden die beschermd worden door primaire keringen en het beheer van het hoofdwatersysteem om deze gebieden te beschermen.” 7 “4.7. De Afdeling constateert dat er een verschil van mening is over de vroegere situatie rondom polder ’t Horntje. Vast staat dat de gronden van het NIOZ thans buiten de primaire waterkering liggen. De veiligheidsnorm in artikel 2.2 van de Waterwet heeft betrekking op gronden die binnen de primaire waterkering liggen en heeft daarmee niet de strekking om de gronden van het NIOZ te beschermen. Voor het beschermingsbereik van artikel 2.2 is het niet relevant of in het verleden de gronden van het NIOZ binnendijks hebben gelegen. Daarom maakt het in het kader van deze procedure niet uit of de gronden van het NIOZ in het verleden wel of niet binnen- of buitendijks lagen. In de Startnotitie is reeds opgemerkt dat het door het NIOZ gewenste alternatief geen redelijkerwijs in beschouwing te nemen alternatief is. Hiertoe is terecht gesteld dat het doel van het NIOZ-alternatief meer omvat dan uitsluitend er voor zorgen dat de primaire waterkering voldoet aan de veiligheidsnorm uit de Waterwet. Het projectplan heeft uitsluitend tot doel dat de primaire waterkering aan de veiligheidsnorm uit de Waterwet voldoet.

Weliswaar wordt het gebied binnen de primaire waterkering ook beschermd als gekozen wordt voor het NIOZ-alternatief, maar het doel van het NIOZ-alternatief is met name om de buitendijks gelegen gronden van het NIOZ binnendijks te brengen. De veiligheidsnorm uit de Waterwet strekt hiertoe niet. Deze veiligheidsnorm strekt er toe dat het gebied binnen de primaire waterkering wordt beschermd. In dit kader speelt geen rol dat het NIOZ een grote maatschappelijke waarde heeft en dat de overschrijdingskans ter plaatse van de gronden van het NIOZ niet gering is. Voor zover het NIOZ verwijst naar de doelstelling van de Waterwet om overstromingen te voorkomen en te beperken, is de Afdeling van oordeel dat het niet aannemelijk heeft gemaakt dat voor hem in de toekomst zodanig overstromingsgevaar dreigt dat het college in redelijkheid goedkeuring aan het projectplan had moet onthouden op de grond dat het niet voorziet in een verlegging van de primaire waterkering. Als gevolg van dit projectplan neemt het overstromingsgevaar voor de gronden van het NIOZ immers niet toe.” Deze uitspraak heeft betrekking op de oude veiligheidsnormen. Uit de Memorie van Toelichting op de wetswijziging en de Handreiking Beleidslijn grote rivieren blijkt dat de reikwijdte van de bescherming (binnendijks versus buitendijks) niet is veranderd. 8 Nationaal Water Programma 2022-2027, p. 67. 6/169

Zaaknr. 2021-Z37780 Docnr. WLDOC-1142526069-20159

betrokken gronden bij algemene maatregel van bestuur worden aangewezen als primaire waterkering en dijktraject. Er is dan sprake van een systeemmaatregel waarbij het nieuwe dijktracé wordt aangewezen door de Minister. Consequenties hoogwater en bereikbaarheid voor buitendijks gelegen bedrijven Meerdere bedrijven in de haven wijzen erop dat wij onvoldoende rekening zouden hebben gehouden met de consequenties van hoogwater voor hun bedrijfsactiviteiten en bereikbaarheid. Wij stellen voorop dat de bedrijven zijn gelegen buiten de primaire waterkering en dus in buitendijks gebied. Wij hebben ten aanzien van buitendijkse gebieden geen verplichting om deze te beschermen tegen, onder andere, wateroverlast en overstromingen als gevolg van hoogwater. Er verandert in dit opzicht niets voor de bedrijven in vergelijking met de huidige situatie. De bedrijven liggen nu al buitendijks en liggen dat in het VKA en het ontwerpprojectplan nog steeds. De buitendijkse ligging van de bedrijven heeft gevolgen voor de mate waarin wij de (economische) belangen van de bedrijven in onze besluitvorming en keuzes hebben betrokken. Wij zijn van oordeel dat door de dijkversterking van traject 76-2 geen onevenredige nadelige effecten optreden voor de buitendijks gelegen bedrijven.

Het is inherent aan dijkversterkingen dat het keren van water met hogere keringen, ten opzichte van het met lagere keringen sneller inunderen van binnendijkse gebieden, tot andere effecten kan leiden voor buitendijkse gebieden. Deze effecten zijn echter niet onevenredig. De ophoging en aansluiting van de bestaande primaire kering leidt vanwege het beperkte bergend vermogen van het binnendijks beschermd gebied tot een verwaarloosbaar effect van het moment waarop de terreinen van de buitendijkse bedrijven eerder dan nu onder water zullen komen te staan. En als er al sprake zal zijn van een hogere waterstand zal deze niet zodanig zijn dat deze tot onevenredig extra nadeel zal leiden ten opzichte van de overstroming bij de huidige kering. Op basis van de modelmatig berekende waterstanden bij een 1/100 afvoer in de huidige situatie blijkt dat alleen de zuidoost hoek van het Smurfit Kappa terrein onder water kan lopen. De diepte is minder dan 0,2 meter, lokaal oplopend tot 0,5 meter.9 In de nieuwe situatie zal dit niet of in beperkte mate veranderen. Het projectplan heeft dan ook geen (onevenredig)nadelige effecten op de overstromingskans van buitendijkse gebieden. Bij hoogwater zullen de bedrijven aan de Schipperswal in de toekomstige situatie tijdelijk niet bereikbaar zijn in verband met het sluiten van de coupures.

Voor wat betreft het dichtzetten van coupures opereert het waterschap steeds meer peilgestuurd. Dit betekent dat coupures alleen worden gesloten indien dit echt nodig is. In de praktijk betekent dit dat de coupures alleen gesloten zullen worden bij een waterstand van ca. NAP + 20.40 meter en een stijgende trend in de prognoses voor de waterstanden waarbij een acute dreiging aanwezig is op hoogwater. Dit betekent dat korte tijd na het sluiten van de coupures ook (gedeeltelijke) inundatie van buitendijkse terreinen plaats vindt en daarmee, net als in de huidige situatie, niet bereikbaar zijn en bedrijfsactiviteiten niet of slechts zeer beperkt mogelijk zijn. De in het projectplan opgenomen dijkversterkingsmaatregel zal dan ook geen onaanvaardbare gevolgen hebben voor de bedrijven aan de Schipperwal.10 De dijkversterking heeft ten opzichte van de huidige situatie evenmin negatieve effecten op de bereikbaarheid van de bedrijven op de landtong in de haven via de Mijnheerkensweg. De Mijnheerkensweg wordt met het oog op de aansluiting op de hoge grond opgehoogd. Daardoor blijft deze weg tot aan de kruising met de kering ook tijdens hoogwater een begaanbare route.

In de huidige situatie staat de Mijnheerkensweg tussen de kruising met de toekomstige kering en de rotonde bij Smurfit-Kappa bij hoogwater (gedeeltelijk) onder water en is dus al sprake van onbereikbaarheid van de bedrijven op de landtong. De (uitvoering van) het projectplan heeft daarmee geen onevenredig nadelige gevolgen voor de bereikbaarheid van de bedrijven ten opzichte van de huidige situatie. 9

Effectnota, p. 4. Vgl. ABRvS 12 juli 2017, ECLI:NL:RVS:2017:1869, r.o. 22.1.

10

7/169

Zaaknr. 2021-Z37780 Docnr. WLDOC-1142526069-20159

Meekoppelkans en variantenafweging Onder meekoppelkansen verstaan wij de koppeling van projecten van derden aan de versterkingsopgave. Door oog te hebben voor meekoppelkansen draagt de dijkversterking bij aan de ruimtelijke kwaliteit van het gebied, wordt het draagvlak vergroot en wordt hinder voor de omgeving beperkt doordat projecten tegelijkertijd uitgevoerd kunnen worden. Ook biedt een combinatie van de dijkversterking met een initiatief van derden kansen voor kostenverlaging. 11 Een meekoppelkans is dus niet een afweging van varianten in het kader van de dijkversterkingsopgave, maar het koppelen van de dijkversterkingsopgave aan andere ruimtelijke ontwikkelingen. De bedrijven zijn gelegen in Deeltraject C, het industriële deel van de haven. Dit deeltraject is opgenomen in het Hoogwaterbeschermingsprogramma (HWBP). Vanuit het subsidiekader van het HWBP geldt dat het voorkeursalternatief sober en doelmatig dient te zijn. Doelmatig houdt in dat de totale kosten van de primaire waterkering gedurende de gehele (rest) levensduur worden geminimaliseerd. Doelmatigheid is een belang tussen prestaties, kosten en risico’s. Sober houdt in dat alleen de kosten van maatregelen om de primaire waterkering weer aan de veiligheidsnorm te laten voldoen en de wettelijke inpassing daarvan in de omgeving, voor subsidie in aanmerking komen.

Voor de subsidieregeling HWBP geldt dus dat de waterveiligheidsopgave leidend is en dat er geen sprake mag zijn van verhoging van de kosten als gevolg van het meekoppelen van andere initiatieven die niet primair bijdrage aan het oplossen van de waterveiligheidsopgave. 12 Dat is voor het waterschap het uitgangspunt en het kader voor de dijkverbeteringsprojecten, dus ook voor het traject van de Willem-Alexanderhaven. In het kader van het HWBP-programma hebben wij op basis van de vijf leidende principes een verkenning uitgevoerd, die heeft geleid tot het vastgestelde voorkeursalternatief voor het dijktraject van de Willem-Alexanderhaven. Wij hebben de omgeving intensief betrokken bij de tracékeuzes en bij het ontwerp. Tijdens de variantenafweging hebben we diverse varianten meegenomen waarbij ook een variant is onderzocht waarbij de bedrijven aan de landtong binnendijks worden gebracht. In de effectnota zijn de varianten beoordeeld op doelbereik, haalbaarheid en kosten. Bij doelbereik is met name de waterveiligheid en de bijdrage aan de gebiedskwaliteiten beoordeeld. Voor de haalbaarheid zijn de alternatieven op onder meer de vergunbaarheid, uitvoerbaarheid, toekomstvastheid en beheerbaarheid getoetst. Voor het bepalen van de kosten is van alle alternatieven een kostenraming opgesteld.

Het gekozen VKA voldoet aan het doelbereik: norm waterveiligheid & binnen toelaatbare planning, haalbaarheid en de uitgangspunten sober en doelmatig. In het kader van deze afweging is vastgesteld dat het binnendijks brengen van een aanvullend deel van de bedrijven niet mogelijk is binnen een sobere en doelmatige oplossing voor de HWBP-opgave en dat er, ook gelet op vergelijkbare situaties in Nederland, geen basis is om meer bedrijven binnendijks te brengen. Omdat het binnendijks brengen van de bedrijven door het substantieel verlengen van de primaire waterkering niet mogelijk is binnen de kaders en uitgangspunten voor de dijkversterkingsopgave is deze aanvullende maatregel mogelijk in beeld als meekoppelkans, dus als initiatief van de bedrijven. Op initiatief van de buitendijks gelegen bedrijven en gemeente Roermond vinden vanaf begin 2018 gesprekken plaats met de bedrijven over de mogelijkheid om de buitendijks gelegen bedrijven binnendijks te brengen. Het waterschap heeft in de zomer van 2018 kenbaar gemaakt dat vanwege de meerkosten het beschermen van de gehele landtong niet te verantwoorden en niet haalbaar is, en dat dat alleen kan in het kader van co-financiering. Daarmee was van meet af aan duidelijk dat geen 11 12

Ontwerpprojectplan, p. 13. Handreiking Verkenning HWBP.

8/169

Zaaknr. 2021-Z37780 Docnr. WLDOC-1142526069-20159

sprake was van een redelijkerwijs in beschouwing te nemen alternatief voor de opgave om de primaire waterkering te laten voldoen aan de veiligheidsnorm van de Waterwet. Vervolgens hebben de bedrijven en betrokken overheden in december 2018 afgesproken dat het waterschap wel het voorkeursalternatief vaststelt, en ook doorgaat met de verdere uitwerking hiervan (‘spoor 1’). Ook is afgesproken dat de bedrijven onder regie van Gemeente Roermond parallel een lobbytraject zouden starten (‘spoor 2’), waarmee na drie tot zes maanden duidelijkheid moest komen over het wel of niet financierbaar zijn van de door de bedrijven bepleite aanvullende hoogwaterbescherming. In februari 2019 kwamen de bedrijven niet met een voorstel voor cofinanciering maar met de visie “Somber en ondoelmatig”, waarin zij opnieuw bepleitten dat de bedrijven in het kader van de scope van de dijkversterking binnendijks zouden moeten worden gebracht. Om uit de impasse te komen heeft bureau P2 Management in opdracht van de gemeente Roermond onderzocht welke (financierings)mogelijkheden er zijn om de bedrijven binnendijks te brengen. De tussenkomst van P2 heeft op dat moment (medio 2019) niet geleid tot een realistisch vooruitzicht van cofinanciering op de korte termijn.

In de periode vanaf medio 2019 hebben diverse bestuurlijke overleggen plaatsgevonden en is tussen de betrokken bedrijven, gemeente Roermond, de Provincie en het waterschap een structureel coördinatieoverleg ingesteld. Het overleg heeft in februari 2021 geleid tot de Intentieovereenkomst ‘Toekomstbestendig havenbedrijventerrein Willem-Alexander te Roermond’ waarin nadere afspraken zijn gemaakt over de mogelijkheid van medewerking aan een initiatief van een aantal (haven)bedrijven om ook de buitendijkse bedrijven binnendijks te brengen. In deze overeenkomst stellen alle betrokken partijen vast dat het HWBP niet voorziet in financiering van hoogwaterbescherming voor havenbedrijventerreinen, en dat het door partijen ontwikkelde alternatieve integrale plan haalbaar en betaalbaar lijkt, op voorwaarde dat de subsidiemogelijkheden van overheidswege en eigen bijdragen van de bedrijven tijdens de looptijd van de intentieovereenkomst zeker worden gesteld. De daadwerkelijke haalbaarheid van dit integrale plan zal gedurende de looptijd van deze intentieovereenkomst door Partijen worden onderzocht en vastgesteld. Tijdens de looptijd van de Intentieovereenkomst, van 10 februari 2021 tot en met 31 januari 2022, is er geen duidelijkheid gekomen over de mogelijkheden van overheidssubsidie, of een voorstel voor een eigen bijdrage van de bedrijven.

In december 2021 hebben partijen in het Addendum Intentieovereenkomst nadere afspraken gemaakt over de financiële bijdragen, waarin Partijen hebben overwogen dat voor de haalbaarheid van het integrale plan Europese en/of nationale subsidie noodzakelijk is, naast cofinanciering van het VKA van het waterschap en een eigen bijdrage van de betrokken BIZ-bedrijven (Stichting Bedrijven Investeringszone Willem-Alexander). In dat Addendum is bevestigd dat de BIZ de initiatiefnemer is van het integraal plan, naast aanvrager van CEF-subsidie en opdrachtgever voor benodigde onderzoeken en tot slot verantwoordelijk is voor een eigen bijdrage voor procesmiddelen en realisatiekosten van het integraal plan. De Intentieovereenkomst van februari 2021 is verlengd tot en met 31 december 2022. Het waterschap stelt vast dat de bedrijven (en gemeente) zich reeds vanaf de zomer 2018 inspannen om de mogelijkheid van cofinanciering in de vorm van overheidssubsidies en eigen bijdragen van de bedrijven in beeld te brengen. Pas heel recent, in januari 2022, heeft de provincie een aanvraag voor CEF subsidie ingediend. Het waterschap heeft vanaf 2018 helder gecommuniceerd dat het binnendijks brengen van de bedrijven niet haalbaar is in het kader van de HWBP-maatregelen, en dat het proces voor de dijkverbetering, vanaf vaststellen VKA tot en met vaststellen projectplan, dient te worden voortgezet.

Op het moment van de vaststelling van het ontwerp projectplan en in de aanloop naar de vaststelling van het definitieve projectplan is er nog geen zekerheid verkregen op een concreet en uitgewerkt plan voor het initiatief van de bedrijven, noch van een financiële onderbouwing met zekerheid op cofinanciering. Gelet op het doel van het projectplan, het gebrek aan voortgang van de planvorming voor het gewenste alternatief en aan concreet zicht op toereikende financiering is er geen sprake van een 9/169

Zaaknr. 2021-Z37780 Docnr. WLDOC-1142526069-20159

redelijkerwijs in aanmerking te nemen alternatief 13, en was en is het waterschap genoodzaakt om de projectprocedure voort te zetten op basis van het, deugdelijk onderbouwde, VKA. Het waterschap staat voor de opgave om zorg te dragen dat de primaire waterkering op de kortst mogelijke termijn voldoen aan de wettelijke veiligheidsnormen. Vanuit deze opgave is besloten om het VKA uit te werken tot een Ontwerpprojectplan en dit in procedure te brengen. Dit besluit is in overeenstemming met de hiervoor geschetste historie en in lijn met hetgeen in 2018 aan de betrokken bedrijven kenbaar is gemaakt. In het Ontwerp projectplan hebben wij toegelicht dat als er tijdig duidelijkheid bestaat over de haalbaarheid en zekerheid van de realisatie van extra maatregelen, het Dagelijks Bestuur zal worden verzocht om alsnog medewerking te verlenen aan het alternatief. Zolang deze duidelijkheid niet is verkregen is het voor het waterschap van belang dat zij de lopende projectprocedure voor het VKA voortzet. Dit is niet enkel in het belang van het verkrijgen van een onherroepelijk projectplan waarmee realisatie van de wettelijke opgave voor de dijkversterking wordt verzekerd, maar is ook van belang voor het verkrijgen van de benodigde financiële middelen vanuit het HWBP voor realisatie.

Bij het tijdig verkrijgen van duidelijkheid over extra maatregelen, waarbij ook voor deze extra maatregelen een zorgvuldige projectprocedure is doorlopen, kan een deel van het VKA-tracé komen te vervallen ten gunste van een daarvoor in de plaats te komen tracé voor aanvullende bescherming. (Een deel van) de daarbij behorende HWBP-financiering vanuit het VKA-tracé zou dan alsnog kunnen worden aangewend voor extra maatregelen, mits hiervoor vooraf goedkeuring wordt verkregen van het HWBP.

13

Zie ABRS ECLI:NL:RVS:2020:1125, Projectplan Markermeerdijken: 58.2. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen, onder meer in de uitspraak van 23 september 2015, ECLI:NL:RVS:2015:3003, is het antwoord op de vraag welke alternatieven in een MER redelijkerwijs in beschouwing moeten worden genomen, afhankelijk van de omstandigheden van het geval. Pas wanneer met de uitvoering van een bepaald alternatief kan worden beantwoord aan de doelstelling van de initiatiefnemer, kan sprake zijn van een redelijkerwijs in ogenschouw te nemen alternatief. Naar het oordeel van de Afdeling hebben verweerders er derhalve in redelijkheid voor kunnen kiezen om geen versterkingsoplossingen te onderzoeken die weliswaar tot maximaal behoud van te beschermen waarden van het provinciale monument zouden leiden, maar niet voldoen aan de vijf voorwaarden uit de Trechteringsnotitie.

10/169

Zaaknr. 2021-Z37780 Docnr. WLDOC-1142526069-20159

2.1 Specifieke beantwoording Ontwerp Projectplan Waterwet Alle binnengekomen zienswijzen zijn genummerd zoals hiervoor aangegeven. In deze paragraaf worden de binnengekomen zienswijzen op het Ontwerp Projectplan Waterwet per indiener behandeld. Indiener OPPW 001 Zienswijze 1 Hoewel het plan aangeeft dat ook de Schipperswal en daarmee de Maashaven belangrijke toegangswegen zijn, wordt er in paragraaf 5.3 (Verkeer) niet ingegaan op de bereikbaarheidsproblematiek tijdens de uitvoering van de werken voor de woningen/appartementen aan de Maashaven. De “ruimere” omgeving wordt vergeten, terwijl wel uitvoering wordt ingegaan op de bereikbaarheid van de individuele bedrijven binnen het plangebied. De bewoners net buiten het plangebied moeten het doen met de constatering dat het onvermijdelijk is dat het verkeer ter plaatse verkeershinder zal ondervinden. Het waterschap negeert en onderschat dit probleem en mogelijke hinder voor deze bewoners.

Beantwoording Het Waterschap is zich ervan bewust dat de realisatie van een complex project als de dijkversterking bij de Willem-Alexanderhaven kan leiden tot hinder en overlast. Bij de aanbesteding van dit project wordt aan de toekomstige aannemer van het werk de contractuele verplichting opgelegd om hinder en overlast zoveel mogelijk te beperken. Omdat de exacte uitvoeringswijze, maar ook het tijdstip van uitvoering nog niet bekend zijn, ligt de verplichting om hinder en overlast te beperken, en bereikbaarheid te garanderen, bij de toekomstige aannemer van het werk. Het Projectplan beschrijft ten aanzien van hinder, overlast en bereikbaarheid slechts op hoofdlijnen de te nemen maatregelen. De toekomstige aannemer dient de maatregelen verder in detail uit te werken, waarbij als uitgangspunt het zoveel mogelijk voorkomen van hinder geldt.

2

Ook het aspect hinder (geluid, trillingen, stof, aanvoer van materieel/materiaal etc.) wordt voor de bewoners onvoldoende in beeld gebracht.

Zie hiervoor het antwoord bij punt 1.

3

De bewoners van de Maashaven kunnen via twee kanten (Schipperswal/Maashaven) hun woningen/appartementen bereiken. Via de noordoostelijke kant kan men gedeeltelijk via het haventerrein rijden en via de zuidwestelijke kant passeert men het Outlet/Stadskantoor. Er bestaan plannen om langs de Schipperswal/Maashaven in dezelfde tijdsperiode nieuwe appartementen te bouwen. Dit heeft tot gevolg dat de bewoners aan beide kanten van de Schipperswal/Maashaven met afsluiten en hinder van de toegangswegen te maken krijgen en dat omrijden dus niet meer mogelijk is. Hieraan wordt geen aandacht besteed in het projectplan (uitvoeringsaspect: coördinatie met andere werken).

De exacte planning van de uitvoering voor de dijkversterking is momenteel nog niet bekend. Er bestaat een kans dat realisatie van de dijkversterking niet eerder kan aanvangen dan vanaf 2024. Daarmee valt niet in te schatten of, en in hoeverre, sprake is van samenloop van twee projecten waarmee de bereikbaarheid van de Maashaven in het gedrang komt.

Indiener is van mening dat het Waterschap een kans laat liggen wanneer hinder en bereikbaarheid voor de gehele omgeving niet als EMVI-criteria in het kader van de

Zoals bij punt 1 vermeld, krijgt de toekomstige aannemer van het werk de verplichting mee om hinder en overlast voor de omgeving zoveel mogelijk te voorkomen. Deze verplichting wordt

4

11/169

In par. 4.2 wordt een aanvullende tekst opgenomen ten aanzien van verplichte coördinatie door de toekomstige aannemer van eventueel gelijktijdig in uitvoering zijnde werken, met als doel hinder zoveel mogelijk te voorkomen.

Zaaknr. 2021-Z37780 Docnr. WLDOC-1142526069-20159

aanbesteding worden meegenomen. In het projectplan staat nu dat aannemers zelf vergunningen en ontheffingen moeten aanvragen. De bewoners van de Maashaven hebben juist slechte ervaringen met Waterwetvergunningen omdat deze door het waterschap niet gemonitord worden en de uitvoeringsvoorschriften niet worden gehandhaafd.

contractueel aan de marktpartijen opgelegd. Door het gebruik van EMVI criteria worden inschrijvers gestimuleerd om aanvullend op de contractuele eisen aanvullende maatregelen te treffen om de hinder en overlast verder te beperken. Inschrijvers krijgen kwaliteitspunten voor het ingediende plan, waarbij de inschrijver met de beste prijs/kwaliteitverhouding het werk krijgt gegund. De exacte invulling van de EMVI criteria wordt nog verder uitgewerkt. Uw opmerking over slechte ervaring met monitoring en het niet handhaven van uitvoeringsvoorschriften nemen wij ter kennisgeving aan. De aannemer van het werk dient zich te houden aan de eventueel opgelegde voorschriften in de voor het werk benodigde vergunningen, zoals ook reeds beschreven onder par. 4.1. van het Projectplan.

Consequenties voor het Projectplan Waterwet De zienswijze leidt tot aanpassing van het Projectplan Waterwet. • In par. 4.2 wordt een aanvullende tekst opgenomen ten aanzien van verplichte coördinatie door de toekomstige aannemer van eventueel gelijktijdig in uitvoering zijnde werken, met als doel hinder zoveel mogelijk te voorkomen.

12/169

Zaaknr. 2021-Z37780 Docnr. WLDOC-1142526069-20159

Indiener OPPW 002 Zienswijze 1 Hoewel het plan aangeeft dat ook de Schipperswal en daarmee de Maashaven belangrijke toegangswegen zijn, wordt er in paragraaf 5.3 (Verkeer) niet ingegaan op de bereikbaarheidsproblematiek tijdens de uitvoering van de werken voor de woningen/appartementen aan de Maashaven. De “ruimere” omgeving wordt vergeten, terwijl wel uitvoering wordt ingegaan op de bereikbaarheid van de individuele bedrijven binnen het plangebied. De bewoners net buiten het plangebied moeten het doen met de constatering dat het onvermijdelijk is dat het verkeer ter plaatse verkeershinder zal ondervinden. Het waterschap negeert en onderschat dit probleem en mogelijke hinder voor deze bewoners.

Beantwoording Het Waterschap is zich ervan bewust dat de realisatie van een complex project als de dijkversterking bij de Willem-Alexanderhaven kan leiden tot hinder en overlast. Bij de aanbesteding van dit project wordt aan de toekomstige aannemer van het werk de contractuele verplichting opgelegd om hinder en overlast zoveel mogelijk te beperken. Omdat de exacte uitvoeringswijze, maar ook het tijdstip van uitvoering nog niet bekend zijn, ligt de verplichting om hinder en overlast te beperken, en bereikbaarheid te garanderen, bij de toekomstige aannemer van het werk. Het Projectplan beschrijft ten aanzien van hinder, overlast en bereikbaarheid slechts op hoofdlijnen de te nemen maatregelen. De toekomstige aannemer dient de maatregelen verder in detail uit te werken, waarbij als uitgangspunt het zoveel mogelijk voorkomen van hinder geldt.

2

Ook het aspect hinder (geluid, trillingen, stof, aanvoer van materieel/materiaal etc.) wordt voor de bewoners onvoldoende in beeld gebracht.

Zie hiervoor het antwoord bij punt 1.

3

De bewoners van de Maashaven kunnen via twee kanten (Schipperswal/Maashaven) hun woningen/appartementen bereiken. Via de noordoostelijke kant kan men gedeeltelijk via het haventerrein rijden en via de zuidwestelijke kant passeert men het Outlet/Stadskantoor. Er bestaan plannen om langs de Schipperswal/Maashaven in dezelfde tijdsperiode nieuwe appartementen te bouwen. Dit heeft tot gevolg dat de bewoners aan beide kanten van de Schipperswal/Maashaven met afsluiten en hinder van de toegangswegen te maken krijgen en dat omrijden dus niet meer mogelijk. Indiener verwacht dat hierdoor gedurende een lange periode verkeersoverlast met overmatig veel vrachtverkeer ontstaat op de Schipperswal/Maashaven. Dat kan erin resulteren dat de bereikbaarheid van de woontoren waar indiener woont, ernstig wordt beperkt. Hieraan wordt geen aandacht besteed in het projectplan (uitvoeringsaspect: coördinatie met andere werken).

De exacte planning van de uitvoering voor de dijkversterking is momenteel nog niet bekend. Er bestaat een kans dat realisatie van de dijkversterking niet eerder kan aanvangen dan vanaf 2024. Daarmee valt niet in te schatten of, en in hoeverre, sprake is van samenloop van twee projecten waarmee de bereikbaarheid van de Maashaven in het gedrang komt.

13/169

In par. 4.2 wordt een aanvullende tekst opgenomen ten aanzien van verplichte coördinatie door de toekomstige aannemer van eventueel gelijktijdig in uitvoering zijnde werken, met als doel hinder zoveel mogelijk te voorkomen.

Zaaknr. 2021-Z37780 Docnr. WLDOC-1142526069-20159

4

Indiener is van mening dat het Waterschap een kans laat liggen wanneer hinder en bereikbaarheid voor de gehele omgeving niet als EMVI-criteria in het kader van de aanbesteding worden meegenomen. In het projectplan staat nu dat aannemers zelf vergunningen en ontheffingen moeten aanvragen. De bewoners van de Maashaven hebben juist slechte ervaringen met Waterwetvergunningen omdat deze door het waterschap niet gemonitord worden en de uitvoeringsvoorschriften niet worden gehandhaafd.

Zoals bij punt 1 vermeld, krijgt de toekomstige aannemer van het werk de verplichting mee om hinder en overlast voor de omgeving zoveel mogelijk te voorkomen. Deze verplichting wordt contractueel aan de marktpartijen opgelegd. Door het gebruik van EMVI criteria worden inschrijvers gestimuleerd om aanvullend op de contractuele eisen aanvullende maatregelen te treffen om de hinder en overlast verder te beperken. Inschrijvers krijgen kwaliteitspunten voor het ingediende plan, waarbij de inschrijver met de beste prijs/kwaliteitverhouding het werk krijgt gegund. De exacte invulling van de EMVI criteria wordt nog verder uitgewerkt. Uw opmerking over slechte ervaring met monitoring en het niet handhaven van uitvoeringsvoorschriften nemen wij ter kennisgeving aan. De aannemer van het werk dient zich te houden aan de eventueel opgelegde voorschriften in de voor het werk benodigde vergunningen, zoals ook reeds beschreven onder par. 4.1. van het Projectplan.

Consequenties voor het Projectplan Waterwet De zienswijze leidt tot aanpassing van het Projectplan Waterwet. • In par. 4.2 wordt een aanvullende tekst opgenomen ten aanzien van verplichte coördinatie door de toekomstige aannemer van eventueel gelijktijdig in uitvoering zijnde werken, met als doel hinder zoveel mogelijk te voorkomen.

14/169

Zaaknr. 2021-Z37780 Docnr. WLDOC-1142526069-20159

Indiener OPPW 003 Zienswijze 1 In hoofdstuk 3 van het ontwerp-projectplan (Beschrijving ingepast voorkeursalternatief) is de situering van de waterkering als volgt beschreven: “In dijkvak 8 en 9 wordt op de locatie van de huidige blokkenmuur de nieuwe kering geplaatst. Dit impliceert dat de huidige blokkenmuur niet op dezelfde locatie kan worden teruggeplaatst. Uit de details van de doorsnedetekening blijkt daarenboven dat de waterkering wordt gerealiseerd binnen de kadastrale grenzen van Jos Menten”. Indiener kan zich niet vinden in een projectplan waarbij de blokkenmuur op een andere positie wordt teruggeplaatst en/of een plan waarbij dat gronden verkocht moeten worden en het bedrijfsterrein verkleind moet worden. Verzocht wordt om het plan op deze punten aan te passen.

Beantwoording Het gestelde in het Ontwerp Projectplan Waterwet (blz. 25, 4e alinea), is niet correct geformuleerd. Voor dijkvak 8 geldt namelijk dat de nieuwe waterkering wordt aangebracht in de strook grond gelegen tussen de blokkenwand van Menten Metaalrecycling en de blokkenwand van Kalle & Bakker. Zie hiervoor ook bijlage 1 van het Ontwerp Projectplan Waterwet, dwarsprofiel DP-08. Dit betekent dat voor dijkvak 8 in het huidige referentieontwerp geen aanspraak wordt gemaakt op permanent ruimtebeslag binnen de beschikbare ruimte binnen de blokkenwand op het terrein van Menten Metaalrecycling. Na realisatie van de waterkering zal de blokkenwand in dijkvak 8 worden teruggeplaatst op dezelfde locatie als in de huidige situatie. De tekst in het projectplan zal op dit punt worden aangepast. Voor wat betreft dijkvak 9 is het correct dat in het referentieontwerp de nieuwe waterkering wordt aangebracht op de huidige positie van de blokkenwand. De reden van deze ontwerpkeuze is dat bij het aanbrengen van de waterkering aan de buitenzijde van de blokkenwand er geen bermbreedte overblijft langs de toegangsweg Mijnheerkensweg waarmee niet kan worden voldaan aan de verkeersveiligheid. Naar aanleiding van uw zienswijze heeft het Waterschap nader onderzoek gedaan naar mogelijkheden om het referentieontwerp op dit punt aan te passen.

In overleg met de gemeente Roermond is de ontwerpvariant besproken om meer bermruimte te creëren door middel van het ca. 1 m verschuiven van de gehele toegangsweg in noordoostelijke richting, richting het opslagterrein van SIF. Tevens is een specialistische marktpartij geconsulteerd in het trillingsarm aanbrengen van een constructieve wand op korte afstand van de blokkenwand zonder dat het noodzakelijk is de huidige blokkenwand tijdelijk te verwijderen. Zowel het verschuiven van de Mijnheerkensweg alsmede de beoogde trillingsarme uitvoeringstechniek zijn reële opties gebleken. Op basis van de uitkomsten van het nader onderzoek heeft het Waterschap besloten het referentieontwerp in dijkvak 9 en 10 aan te passen. Concreet betekent dit dat de huidige blokkenwand niet tijdelijk zal worden verwijderd, er in dijkvak 9 geen tijdelijke werkruimte nodig is op het terrein behoudens lokaal ter plaatse van de hoek waar dijkvak 9

15/169

Zaaknr. 2021-Z37780 Docnr. WLDOC-1142526069-20159

aansluit op dijkvak 8 en ter plaatse van de coupure en de gehele toegangsweg wordt ca. 1 m opgeschoven in noordoostelijke richting.

De beschreven ontwerpwijziging zal zowel in tekst als op tekening worden doorgevoerd in het Projectplan waterwet. Zie hierboven een dwarsdoorsnede van de beoogde ontwerpwijziging. Voor dijkvak 8 blijft het referentieontwerp gehandhaafd. Dit betekent dat hier het tijdelijk verplaatsen van de blokkenwand om daarmee werkruimte te creëren op het terrein noodzakelijk blijft. Het Waterschap gaat graag met u in overleg om de impact van het tijdelijke ruimtegebruik op uw bedrijfsvoering tot een minimum te beperken. 2

16/169

Het hoogtepeil van de nieuw aan te leggen dijkversterkingen is NAP + 22.30-22.40 m. Het hoogtepeil van de bestaande waterkering op het terrein van indiener is NAP + 22.00 m. Bij hoogwaterstanden van boven NAP + 22.00 m zal het Maaswater derhalve eerst via het terrein van Jos Menten het binnendijkse gebied binnenstromen. Dit zal een dermate hoge waterstroom met zich meebrengen op het terrein van indiener op zo een manier dat de schade veel hoger zal zijn dan in de bestaande situatie waarbij het water via diverse kanalen het gebied binnenstroomt. Dit terwijl er wel mogelijkheden zijn om het peil van de waterkering bij indiener te verhogen tot NAP + 22.30-22.40 m. Indiener verzoekt dan ook om de bestaande waterkering ter hoogte van zijn terrein te verhogen tot NAP + 22.40 m.

De bestaande kadeconstructie langs uw bedrijventerrein is in het recente verleden reeds op orde gebracht en voldoet op dit moment aan de huidige normen. Dit deel van het traject is daarom nu ook geen onderdeel van de scope van deze dijkversterking. Uw zorg voor inundatie van het havengebied via uw terrein is niet gegrond. Op basis van de huidige hydraulische randvoorwaarden voorziet uw kadeconstructie tot zichtjaar 2075 in voldoende hoogte om de waterstanden bij norm veilig te keren. Middels een wettelijke beoordeling controleert het waterschap periodiek of de waterkering nog steeds voldoet aan de signaleringswaarde. Dit is de overstromingskans per jaar die de beheerder het sein geeft dat de waterkering op termijn versterkt moet worden. Daarmee zal uw kadeconstructie in de toekomst tijdig worden versterkt, waarbij u gedurende de gehele levensduur van de kadeconstructie verzekerd bent van het minimaal wettelijk voorgeschreven basisbeschermingsniveau tegen hoogwater, de zogenaamde ondergrens. Dit is de overstromingskans per jaar waarop het dijktraject gedurende de gehele levensduur ten minste berekend moet zijn. Zaaknr. 2021-Z37780 Docnr. WLDOC-1142526069-20159

3

Het hoogtepeil van de in- en uitrit naar het doodlopende deel van de Mijnheerkensweg wordt verhoogd van NAP + 20.5 m naar NAP + 20.7 m (drempelhoogte coupure). Hiervoor wordt het terrein van indiener gedeeltelijk opgehoogd, zodat vrachtverkeer de drempel van de coupure kan passeren. Dit is niet acceptabel voor indiener om de volgende redenen: • Het terrein van indiener wordt 20 cm opgehoogd middenin het logistieke centrum van het bedrijf, daar waar heel veel interne transporten plaatsvinden met vrachtwagens, hydraulische kranen en vorkheftrucks (zie paragraaf 2.1). De plaatselijke ophoging belemmert deze interne transporten en dus de gehele bedrijfsvoering van Jos Menten. • Deze in- en uitrit wordt vooral gebruikt voor transport van grotere onderdelen die niet via de centrale entree het terrein kunnen bereiken. Vaak betreft het transporten met diepladers. Het ontworpen hoogteverschil tussen de Mijnheerkensweg en het terrein van indiener zal het transport met dieplader bemoeilijken en in veel gevallen onmogelijk maken. Indiener verzoekt dan ook om het ontwerp zodanig aan te passen dat het peil van de in- en uitrit behouden blijft op NAP + 20.5 m.

De drempelhoogte van de coupure is de uitkomst van een integrale ontwerpafweging. Op nadrukkelijk verzoek van de havenbedrijven heeft het waterschap de hoogteopgave van de nieuwe waterkering zoveel als mogelijk beperkt. Dit heeft geresulteerd in een geoptimaliseerde faalkansbegroting in combinatie met geactualiseerde hydraulische randvoorwaarden waarbij een hoogtereductie van ca. 0,8 m is bereikt. Alle bedrijven zijn in meer of mindere mate qua bedrijfsvoering gebonden aan het water. Met het beperken van de hoogteopgave is ontworpen op een manier die recht doet aan de lokale situatie en welke het gemeenschappelijke belang van de watergebonden bedrijven het meeste dient. De optimalisatie van de faalkansbegroting heeft tot gevolg dat er geen ontwerpruimte meer beschikbaar is om de betreffende coupuredrempel te verlagen. Het verlagen van de coupuredrempel zou als rechtsreeks gevolg hebben dat alle waterkeringen binnen het dijkversterkingsproject Willem-Alexanderhaven weer omhoog moeten. Gezien het beperkte hoogteverschil tussen de coupuredrempel en uw terrein is een goede inpassing met vloeiende verlopen in hoogteverschillen, voldoende rijcomfort, rekening houdend met de genoemde gebruiksfuncties, goed mogelijk. Om in het nieuwe ontwerp te bepalen of een dieplader door de coupures kan manoeuvreren en de nieuwe hoogteverschillen kan overbruggen, zijn er 3D rijsimulaties opgesteld.

Voor deze simulaties zijn er vier trajecten uitgetekend: twee simulaties voor het inrijden van de coupure vanuit beide kanten van de weg en twee simulaties voor het uitrijden naar beide kanten van de weg. Voor de vergelijking is dit gedaan voor de bestaande en de nieuwe situatie. In deze rijsimulaties is visueel de beweging van de dieplader te zien waardoor te bepalen is of deze 17/169

Zaaknr. 2021-Z37780 Docnr. WLDOC-1142526069-20159

door de coupure heen kan. Uit de rijsimulaties wordt er ook een grafiek gegenereerd die de ruimte tussen het voertuig en de verharding tijdens het gehele traject laat zien. De ontworpen hoogteverschillen leveren geen problemen op voor de dieplader. Het waterschap is graag bereid met u in overleg te treden over mogelijke optimalisaties van de inpassing van de hoogteverschillen. 4

Ter plaatse van de noordelijk in- en uitrit aan het doorgaande deel van de Mijnheerkensweg wordt de Mijnheerkensweg eveneens verhoogd aangelegd. In het ontwerp is geen rekening gehouden de hoogteverschillen tussen de verhoogde Mijnheerkensweg en het terrein van indiener. Ook voor deze inrit wordt er voor gevreesd dat deze niet meer gebruikt kan worden voor diepladers, hetgeen niet acceptabel is voor indiener. Indiener verzoekt om bij de verdere uitwerking van het ontwerp rekening te houden met het verkeersveilig gebruik van deze in- en uitrit voor diepladers.

Om in het nieuwe ontwerp te bepalen of een dieplader de noordelijke in- en uitrit kan gebruiken en de nieuwe hoogteverschillen kan overbruggen, zijn er 3D rijsimulaties opgesteld.

Voor deze simulaties zijn er vier trajecten uitgetekend: twee simulaties voor het inrijden vanuit beide kanten van de weg en twee simulaties voor het uitrijden naar beide kanten van de weg. Voor deze inrit is alleen een simulatie van de bestaande situatie gemaakt omdat hier de nieuwe situatie qua hoogtespel gunstiger is dan de huidige situatie. In deze rijsimulaties is visueel de beweging van de dieplader te zien waardoor te bepalen is of deze de in- en uitrit probleemloos kan gebruiken. Uit de rijsimulaties wordt er ook een grafiek gegenereerd die de ruimte tussen het voertuig en de verharding tijdens het gehele traject laat zien. De hoogteverschillen leveren geen problemen op voor de dieplader. 5

18/169

De Mijnheerkensweg kent na realisatie van het projectplan vele hoogteverschillen: ter plaatse van de ongelijkvloerse kruising met de Schipperwal is de Mijnheerkensweg verdiept gelegen en 350 m verder, ter hoogte van de ontsluiting van Kalle&Bakker, wordt de Mijnheerkensweg verhoogd gelegd vanwege de waterkering. Ter plaatse van de verhoging is dan ook nog eens een gelijkvloers kruising gesitueerd. Tussen de verdiepte en

Algemeen De Mijnheerksenweg kruist de waterkering waardoor deze in het ontwerp verhoogd is aangelegd. De kruising met de ontsluitingsweg naar onder andere Kalle en Bakker (later zijstraat genoemd) is ook verhoogd aangelegd. Op de kruising zelf is geen hoogteverschil om er voor te zorgen dat de bijzondere manoeuvres voor voertuigen op het kruispunt veilig kunnen worden verricht. Zaaknr. 2021-Z37780 Docnr. WLDOC-1142526069-20159

verhoogde ligging van de Mijnheerkensweg bevinden zich 4 in- en uitritten van ìndiener en ten noorden van de verhoogde ligging bevinden zich op minder dan 100 m nog eens twee in- en uitritten tot bedrijfsterreinen. Dit leidt tot een verkeersonveilige situatie voor het verkeer op de Mijnheerkensweg en het verkeer van en naar de bedrijven nabij de nieuw aan te leggen verhoging van de Mijnheerkensweg.

Hoogteverschillen en hellingspercentages Het ontwerp valt binnen de richtlijnen voor het verticale profiel van de weg. Dit betekent dat de gebruikte boogstralen volstaan voor een veilige afwikkeling van het verkeer. Ook is het totale hoogteverschil vanaf het diepste punt van de tunnel onder de Schipperswal tot het hoogste punt van het kruispuntvlak beperkt ten opzichte van de afstand die gebruikt is om dit te overbruggen. Voor regionale stroomwegen met een maximum snelheid van 50 km/u geldt een maximaal hellingspercentage van 7% (bron: Handboek Wegontwerp 2013). De hellingen in het ontwerp hebben een maximaal hellingspercentage van 5.9% en vallen dus ruim binnen de richtlijnen. Met een ontwerpsnelheid van 50 km/u is er daarom geen aanleiding om te twijfelen aan het comfort van de vrachtwagens en overig gemotoriseerd verkeer die over het tracé rijden. Er is geen aanleiding voor een mogelijk achtbaaneffect. Zicht De topbogen van de hellingen hebben in het ontwerp een straal van 375 meter. Hiermee komt het zicht van oprijdend verkeer tot het kruispunt op 41 meter (stopzicht). Dit valt binnen de richtlijn (Handboek Wegontwerp 2013) en is voldoende verkeersveilig. Doordat het kruispuntvlak zonder hoogteverschil is aangelegd, is ook hier voldoende zicht om veilig het kruispunt over te steken.

In- en uitritten De in- en uitritten die grenzen aan de verhoogde Mijnheerkensweg en de zijstraat bevinden zich beide aan het begin van de helling. De hellingspercentages zijn hier beperkt waardoor verkeer makkelijk in en uit kan rijden. Daarnaast is het zicht voor zowel het uitrijdend verkeer als het verkeer op de doorgaande weg voldoende. Rond deze in- en uitritten worden daarom geen verkeersveiligheidsknelpunten verwacht. Wachtend verkeer Of wachtende vrachtwagens voor het kruispunt problemen ondervinden van de helling is onderzocht door het hellingspercentage van de opgaande hellingen voor het kruispunt over de laatste 25 meter voor het kruisingsvlak te analyseren. De eerste wachtende vrachtwagen zal nog vrijwel geen helling ervaren. Een tweede wachtende vrachtwagen staat echter wel stil op een helling. In het huidige ontwerp zijn de hellingen voor de takken over de laatste 25 meter voor het kruisingsvlak als volgt: • Noordoost-tak Mijnheerkensweg: 3.3%

19/169

Zaaknr. 2021-Z37780 Docnr. WLDOC-1142526069-20159

• •

Zuidwest-tak Mijnheerkensweg: 3.2% Noordwest-tak zijstraat: 1.8%

De hellingen zijn getoetst door een verkeersveiligheidsexpert op basis van expert judgement en berekeningen van de acceleratielengte voor voertuigen met verschillende acceleratiewaarden. Hiermee is bepaald dat de hellingen in het huidige ontwerp geen verkeersveiligheidsknelpunten met zich meebrengen door wachtende en optrekkende vrachtwagens op de helling. Wel zullen op de takken met hogere hellingsgraden de vrachtwagens er langer over doen om het kruispunt te bereiken dan op de zijstraat. De verwachte intensiteiten op de Mijnheerkensweg geven echter geen aanleiding dat er doorstromingsknelpunten te verwachten zijn door langzaam optrekkende vrachtwagens. Resume Het verkeerskundige ontwerp voldoet aan de vigerende ontwerprichtlijnen (Handboek Wegontwerp 2013). Het wegontwerp faciliteert een comfortabel en veilig weggebruik en draagt bij aan een goede doorstroming en verkeersafwikkeling. Er worden geen verkeersveiligheidsknelpunten verwacht. 6

20/169

Voor de aanleg van dijkvak 8 en 9 moeten de betonblokken over de gehele lengte 10 m opgeschoven worden, waardoor de werkruimte op het terrein van indiener in belangrijke mate verkleind wordt. Nabij dijkvak 8 en 9 is het operationele centrum van het bedrijf. Een verkleining van het terrein met 10 m over de gehele lengte van dijkvak 8 en 9 hindert de bedrijfsvoering dermate dat geen recycleproducten meer kunnen gesorteerd, geknipt, getransporteerd en opgeslagen worden. Deze werkzaamheden kunnen ook niet verplaatst worden omdat deze werkzaamheden nabij de vast opgestelde metaalknipschaar moeten plaatsvinden. Indiener verzoekt dan ook om een bouwmethode toe te passen of het plan anderszins aan te passen zodat geen, of alleszins veel minder, tijdelijke werkruimte nodig is op het terrein van indiener.

Onder verwijzing naar de beantwoording van uw zienswijze bij punt 1 zal het Waterschap het referentieontwerp ter hoogte van dijkvak 9 en 10 aanpassen. De nieuwe waterkering zal worden gerealiseerd buiten de bestaande blokkenwand zonder dat deze tijdelijk verwijderd wordt. Dit betekent ook dat de tijdelijke werkruimte met een breedte van 10 meter komt te vervallen behoudens lokaal ter plaatse van de hoek waar dijkvak 9 aansluit op dijkvak 8 over ca. 10 m en ter plaatse van de coupure. Voor dijkvak 8 blijft het referentieontwerp gehandhaafd. Dit betekent dat hier het tijdelijk verplaatsen van de blokkenwand om daarmee werkruimte te creëren op het terrein van Menten Metaalrecycling noodzakelijk blijft. Het Waterschap ziet nog potentiële optimalisaties door bijvoorbeeld na uitvoering van de funderingswerken de werkstrook te versmallen van 10 naar 5 meter. Tevens bestaan er mogelijkheden om bijvoorbeeld in 2 fasen te werken. Het Waterschap gaat graag met u in overleg om dit verder te bespreken en de impact van het tijdelijke ruimtegebruik op uw Zaaknr. 2021-Z37780 Docnr. WLDOC-1142526069-20159

bedrijfsvoering tot een minimum te beperken. De aanpassingen aan de begrenzingen van de tijdelijke werkruimtes zullen op tekening worden doorgevoerd in het Projectplan Waterwet. 7

8

21/169

Tijdens de aanlegwerkzaamheden moeten de keerwanden tijdelijk verplaatst worden. De keerwanden hebben ook een geluidsafschermende functie zodat indiener kan voldoen aan de strenge geluidsnormen die zijn vastgelegd in de omgevingsvergunning. Verplaatsing van de keerwanden leidt ertoe dat de bedrijfsvoering een geluidbelasting veroorzaakt die hoger is dan de grenswaarden die zijn vastgelegd in de omgevingsvergunning. Het industrieterrein Willem-Alexanderhaven is een krachtens de Wet geluidhinder gezoneerd industrieterrein, hetgeen voor alle bedrijven – en zeker ook voor indiener – veel beperkingen inhoudt voor wat betreft de geluiduitstraling. De wettelijke verplichtingen die hieruit voortvloeien maken het haast onmogelijk om – ook als is het maar tijdelijk – tijdens de aanlegwerkzaamheden meer geluid te produceren dan hetgeen nu in de omgevingsvergunning is vastgelegd. Het is indiener verboden om meer geluid te produceren dan hetgeen is vastgelegd in de geldende omgevingsvergunning. Indiener verzoekt dan ook om een onderzoek in te stellen naar de gevolgen op de geluidbelasting bij het verplaatsen van de keerwanden en om de nadelige gevolgen van deze verplaatsing met andersoortige geluidmaatregelen te compenseren zodat de reguliere bedrijfsvoering hierdoor niet belemmerd wordt.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Roermond&id=82138a56-ed8d-4271-a792-dac780ae3e81