Bijlage 2 – concept plantoelichting met bijlagen ‘bestemmingsplan Transformatie voormalig Philipsterrein (Weerstand)’ DEEL VII (p. 2101-2520)
Tekst van het document
Denk aan diverse soorten maak- en productiebedrijven (zie Lijst Staat van bedrijfsactiviteiten), ambachtelijke bedrijven en creatieve bedrijven. Huidige marktsituatie en -behoefte De provincie Limburg heeft in april 2022 de Monitor Werklocaties Limburg 2021 gepubliceerd. Het doel van de monitor is om te voorkomen dat knelpunten optreden in het aanbod van werklocaties (bedrijventerreinen en stedelijke dienstenterreinen) in de provincie. Het plangebied van Weerstand bevindt zich op Vrijveld (SD) wat gekwalificeerd wordt als stedelijk dienstenterrein. De monitor biedt inzicht in een breed scala aan informatie over werklocaties in Limburg waaronder het bedrijfsonroerendgoed (BOG) aanbod. Onderstaand figuur laat het BOG-aanbod op werklocaties (bedrijventerreinen en stedelijke dienstenterreinen) in de provincie Limburg zien. Te zien is dat zowel het aantal aangeboden locaties als de omvang van aanbod de afgelopen jaren afneemt. De afname van het aanbod doet zich voor in bedrijfsruimten, kantoorruimten en winkelruimten. Kijken we specifiek naar de omvang van het aanbod bedrijfsruimten op 31-12-2021 dan zien we dat deze met zo’n 510.000 m2 beduidend lager is dan op 31-122020, toen de omvang van het aanbod bedrijfsruimten zo’n 800.000 m2 bedroeg. Dit is een afname van zo’n 36%.
Zoals opgenomen in Bijlage 2 Staat van Bedrijfsactiviteiten van het bestemmingsplan Transformatie voormalig Philipsterrein (Weerstand) 9 Zoals opgenomen in Bijlage 2 Staat van Bedrijfsactiviteiten van het bestemmingsplan Transformatie voormalig Philipsterrein (Weerstand) 10 Bron: Vastgoeddata (2023). 8
Laddertoets Weerstand Roermond 22.135
22
Figuur 9: Aanbod bedrijfsonroerendgoed (BOG-monitor) per 31-12-2021
Bron: Werklocaties Limburg 2021 (Provincie Limburg & Etil, 2022).
Ook brengen we het huidige aanbod op werklocaties in de gemeente Roermond in beeld. In oktober 2022 wordt circa 26.000 m2 bvo bedrijfsvastgoed op werklocaties aangeboden op Funda in Business. Dit is circa 1,2% van het totale bedrijfsvastgoedvoorraad op werklocaties. De totale leegstand in de gemeente Roermond is laag en onder frictieniveau (circa 5%). Een frictieleegstand betekent een gezonde leegstand: bedrijven met een acute ruimtevraag of bedrijven die een ander pand zoeken, hebben bij frictieleegstand enige schuifruimte. De ruimtevraag naar bedrijfsruimte kan dus zeer beperkt worden opgevangen in de bestaande voorraad. Momenteel is al enige bedrijvigheid in het plangebied gevestigd. Door het huidig functioneren wordt de behoefte aan deze functie op de locatie in de praktijk bewezen. Met de omgevingsvergunning wordt tevens momenteel ruimte geboden aan tijdelijk gebruik ten behoeve van atelier/werkplaatsen/bedrijfsruimtes voor bedrijven in de maakindustrie. Ruimtelijke effecten en conclusie De bedrijfsruimtemarkt in de gemeente Roermond functioneert gezond (weinig leegstand).
Het mogelijk maken van circa 5.300 m2 bvo voor creatieve economie en ambachtelijke bedrijvigheid en 6.100 m2 bvo voor bedrijven in de categorieën 1 en 2 van de Staat van bedrijfsactiviteiten 11 in het bestemmingsplan Weerstand zal naar verwachting niet leiden tot overaanbod van bedrijfsruimte en/of onaanvaardbare leegstand van bedrijfsruimte in de gemeente Roermond. Naar verwachting zullen er zich geen onaanvaardbare ruimtelijke effecten voordoen.
Zoals opgenomen in Bijlage 2 Staat van Bedrijfsactiviteiten van het bestemmingsplan Transformatie voormalig Philipsterrein (Weerstand)
11
Laddertoets Weerstand Roermond 22.135
23
5.4 Culturele en sociaal programma Voor de functie cultureel en sociaal programma wordt planologisch 7.100 m2 bvo mogelijk gemaakt. Het verzorgingsgebied voor de functie cultureel en sociaal programma varieert sterk per type voorziening en type gebruiker. Een bijzonder museum zal automatisch bezoekers van een groter gebied trekken dan bijvoorbeeld een lokaal kunstatelier. Een eenduidig verzorgingsgebied is daarmee niet te definiëren. We kijken daarom voornamelijk naar de behoefte en mogelijk te verwachten effecten. Maatschappelijke bestemming We constateren dat de functies genoemd bij het cultureel en sociaal programma aansluiten bij de bestemming ‘Maatschappelijk’ in het vigerende bestemmingsplan Vrijveld Lommerveld en bij de definitie van ‘maatschappelijke voorzieningen’ in het bestemmingplan Binnenstad Roermond. o Bestemmingsplan Vrijveld Lommerveld In het bestemmingsplan Vrijveld Lommerveld zijn de voor ‘Maatschappelijk’ aangewezen gronden bestemd voor: jeugd-/kinder-/naschoolse opvang, onderwijs, openbare dienstverlening, verenigingsen gemeenschapsleven, medische- en sociale zorg, sociaal/culturele voorzieningen, zorgwoningen, ondergeschikte kantoorvoorzieningen ten behoeve van voornoemde functies en ter plaatse van de aanduiding 'kantoor' zijn zelfstandige kantoorvoorzieningen toegestaan.
12 o Bestemmingsplan Binnenstad Roermond De definitie ‘maatschappelijke voorzieningen’ luidt: voorzieningen ten behoeve van educatieve, sociale, sociaal-medische, sociaal-culturele, (para-)medische en levensbeschouwelijke voorzieningen, alsmede voorzieningen ten behoeve van sport en sportieve recreatie en voorzieningen ten behoeve van begeleid wonen en van de openbare dienstverlening, alsook ondergeschikte detailhandel en horeca ten dienste van deze voorzieningen 13. Cultuurvisie 2022-2025 In de Cultuurvisie 2022-2025 van de gemeente Roermond is eind 2021 opgesteld. De ambitie van de cultuurvisie is om Roermond als werkplaats neer te zetten en te laten fungeren als een cultureel knooppunt in Limburg. Hier kan op een toegankelijke manier cultuur van dichtbij worden beleefd, gedragen en gemaakt. Roermond wil meer ruimte bieden voor makers en een centrumfunctie voor cultuur binnen de Cultuurregio Noord-Limburg zijn. Momenteel bereikt cultuur in Roermond nog lang niet iedereen. De gemeente wil meer mensen bereiken om hen de intrinsieke waarde van cultuur te laten ervaren. Bijvoorbeeld door met (nieuw) aanbod sterker verbindingen te leggen tussen de verschillende wijken, gemeenten, sectoren en doelgroepen in de gemeente, waardoor de waarde van cultuur een sterkere basis in de samenleving krijgt.
Daarom luidt een van de doelstellingen: “het zoeken naar en stimuleren van vernieuwing in en verbreding van het culturele aanbod en de culturele sector”. Het cultureel en sociaal programma in het plan Weerstand draagt bij aan de gemeentelijke ambitie om (nieuw) cultureel aanbod te realiseren. Behoefte, ruimtelijke effecten en conclusie We constateren dat: De behoefte aan de functie cultureel en sociaal programma is sterk afhankelijk van de uiteindelijke functie en gebruiker. De behoefte aan cultureel en sociaal programma is niet vooraf te berekenen in een marktruimteberekening. Immers, de behoefte aan cultureel en sociaal programma wordt mede bepaald door de gebruikers en bewoners en vooral beïnvloed door overheidsbeleid. Culturele en sociale voorzieningen concurreren hierdoor ruimtelijk gezien niet met andere locaties. De ontwikkeling van het cultureel en sociaal programma ondersteunend is aan het totaalprogramma. Cultureel en sociaal programma heeft doorgaans niet tot nauwelijks effecten op de bestaande voorraad aangezien deze ondergeschikt zijn aan de (toekomstige) inwoners. Bovendien zit er ook geen commercieel belang bij culturele en sociale voorzieningen waarbij beperkte vraaguitval niet direct zal leiden tot onaanvaardbare leegstand.
12 13
Gemeente Roermond. Bestemmingsplan Vrijveld Lommerveld, onherroepelijk vastgesteld 2011. Gemeente Roermond. Bestemmingsplan Binnenstad Roermond, onherroepelijk vastgesteld 2013.
Laddertoets Weerstand Roermond 22.135
-
24
Ruimtelijke effecten zijn mogelijk maar deze zullen niet onaanvaardbaar zijn aangezien het niet tot nauwelijks effect heeft op het functioneren van andere functies en plekken en dus ook niet leidt tot onaanvaardbare leegstand.
TIJDELIJKE BESTEMMING OMGEVINGSVERGUNNING Zoals benoemd in hoofdstuk 3 heeft de gemeente Roermond eind september 2022 besloten een omgevingsvergunning te verlenen voor het tijdelijk gebruik van de gebouwen A, B, Z en de tussengelegen buitenruimte. Hiervoor heeft onder andere een onderzoek plaatsgevonden naar de behoefte aan een ruimte voor Urban Sport / Culture. In deze behoefte wordt met het realiseren van de (tijdelijke) voorzieningen binnen het terrein Weerstand voorzien. Er wordt gesteld dat vanuit cultuur (van de gemeente Roermond) het zeer wenselijk is dat het Huis voor de Kunsten in Roermond op deze locatie wordt gevestigd.
RUIMTELIJKE MOTIVERING
6.3
50
Verkennend bodemonderzoek vml. Philipsterrein te Roermond, inclusief nader bodemen asbestonderzoek, door Arcadis Nederland B.V., d.d. 28 januari 2022, kenmerk: D10045535.
Onze referentie: 20241106 – Datum: 6 november 2024 - Internal
Verkennend bodemonderzoek vml. Philipsterrein te Roermond Inclusief nader bodem- en asbestonderzoek REEL B.V. 28 januari 2022
VERKENNEND BODEMONDERZOEK VML. PHILIPSTERREIN TE ROERMOND
Contactpersoon TIM SOTTHEWES Senior projectleider
T +31 6 2706 0388 M +31 6 2706 0388 E tim.sotthewes@arcadis.com
2
Onze referentie: D10045535:23 - Datum: 28 januari 2022
Arcadis Nederland B.V. Postbus 264 6800 AG Arnhem Nederland
VERKENNEND BODEMONDERZOEK VML. PHILIPSTERREIN TE ROERMOND
Inhoudsopgave 1
2
3
4
3
Inleiding
5
1.1
Aanleiding
5
1.2
Doel
7
1.3
Aanpak
7
1.4
Werkzaamheden
7
1.5
Leeswijzer
8
Opzet en uitvoering van het onderzoek
9
2.1
Hypothese en onderzoeksopzet
9
2.2
Uitvoering veldwerk
11
2.3
Uitvoering laboratoriumonderzoek
11
2.4
Kwaliteitsborging
12
Resultaten
14
3.1
Bodemopbouw en grondwater
14
3.2
Veldwaarnemingen
14
3.2.1
Grond
14
3.2.2
Grondwater
14
3.3
Laboratoriumonderzoek en toetsing analyseresultaten
14
3.3.1
Resultaten
15
3.4
Interpretatie
15
3.4.1
Verkennend bodemonderzoek
15
3.4.2
Nader bodemonderzoek
18
3.4.3
Verkennend en nader asbestonderzoek
21
3.5
Toetsing hypothese
22
Samenvatting, conclusies en aanbevelingen
23
4.1
Aanleiding en doel
23
4.2
Conclusies
23
4.3
Aanbevelingen
24
Onze referentie: D10045535:23 - Datum: 28 januari 2022
VERKENNEND BODEMONDERZOEK VML. PHILIPSTERREIN TE ROERMOND
Bijlagen Bijlage A Rapportage vooronderzoek en CSM
25
Bijlage B Samenvatting veldwaarnemingen
26
Bijlage C Boorprofielen
34
Bijlage D Opzet uitgevoerde analyses
35
Bijlage E Analysecertificaten
43
Bijlage F Samenvatting Toetsingsresultaten
44
Bijlage G Toetsing van de analyseresultaten
53
Bijlage H Toelichting op het toetsingskader
54
Bijlage I Verklaring onafhankelijkheid
58
Bijlage J Foto’s van de locatie
61
Bijlage K Tekeningen
62
Colofon
63
4
Onze referentie: D10045535:23 - Datum: 28 januari 2022
VERKENNEND BODEMONDERZOEK VML. PHILIPSTERREIN TE ROERMOND
1
Inleiding
In opdracht van Reel B.V. heeft Arcadis Nederland B.V. een verkennend milieukundig bodem- en asbestonderzoek verricht op het voormalige Phillipsterrein aan de Bredeweg 10 te Roermond. Voor een aantal eerder aangetoonde bodemverontreinigingen wordt een nader bodemonderzoek uitgevoerd. Het onderzoek is uitgevoerd conform de NEN 5740+A1 (Strategie voor het uitvoeren van verkennend bodemonderzoek, NEN, 2016), NEN 5707+C2 (Inspectie en monsterneming van asbest en partijen grond, NEN, 2017) en NTA 5755 (Strategie voor het uitvoeren van nader onderzoek – Onderzoek naar de aard en omvang van bodemverontreiniging, NEN, 2010). Het terreindeel rond gebouw OC (29.050 m²) is medio 2021 reeds onderzocht en gerapporteerd1 door Arcadis en maakt geen onderdeel uit van dit onderzoek. Het in deze rapportage beschreven onderzochte terrein (de onderzoekslocatie) heeft een oppervlakte van circa 31.080 m². Hiervan is het overgrote deel bebouwd of verhard met klinkers of stelconplaten (zie tekening 1 in Bijlage K).
1.1
Aanleiding
Dit bedrijventerrein is sinds 2005 verlaten door de vorige eigenaar Yageo, opvolger van Philips. De huidige nieuwe eigenaar heeft in samenwerking met de gemeente Roermond een gebiedsvisie opgesteld die in juni 2021 unaniem door de raad is vastgesteld. De visie beschrijft de gewenste transformatie van dit gebied tot een levendig stadsdeel met gemengd stedelijk programma (o.a. bedrijven-recreatie-horeca-cultuur-wonen). Als 1e stap is het tijdelijk gebruik, Placemaking, op de centrale middenas (ten zuiden van gebouwen A en B) gestart medio juni 2021. Onderdeel van de vervolgtransformatie is om gebouwen te hergebruiken met gemengd stedelijk programma (wonen(zorg)-kantorenvoorzieningen) en de directe omgeving tot groen parkgebied her in te richten. Na de tijdelijke ingebruikname van de middenas is dit een volgend plandeel voor de transformatie van het voormalig Philipsterrein. Het bodemonderzoek is uitgevoerd in verband met deze voorgenomen transformatie van de gebouwen en de omliggende terreindelen. De huidige hergebruikplannen voorzien in woningen, kantoren en algemene voorzieningen waarbij de meeste huidige bebouwing behoudend blijft. In Figuur 1 is een tekening uit het concept stedenbouwkundig structuur ontwerp van de toekomstige situatie weergegeven. De gehele onderzoekslocatie is weergeven in de tekening 1 in Bijlage K.
Verkennend milieukundig bodem- en asbestonderzoek vml. Philipsterrein te Roermond, Gebouw OC en parkzone, door Arcadis Nederland B.V., d.d. 29 oktober 2021, projectnummer 30068372-0240.10, kenmerk D10032634:54 1
5
Onze referentie: D10045535:23 - Datum: 28 januari 2022
VERKENNEND BODEMONDERZOEK VML. PHILIPSTERREIN TE ROERMOND
Figuur
1
mogelijke ruimtelijke uitwerking van de transformatie van het vml. Philipsterrein 6
Onze referentie: D10045535:23 - Datum: 28 januari 2022
VERKENNEND BODEMONDERZOEK VML. PHILIPSTERREIN TE ROERMOND
1.2
Doel
Het doel van het verkennend bodemonderzoek is aan te tonen dat op de locatie redelijkerwijs gesproken geen verontreinigende stoffen aanwezig zijn in de grond of in het freatisch grondwater in gehalten boven de achtergrondwaarde of streefwaarde, of te bevestigen dat (bepaalde delen van) de locatie verontreinigd zijn met de verwachte stoffen (Bron: NEN 5740+A1). Het doel van het verkennend onderzoek asbest in de bodem is om na te gaan of de verdenking van verontreiniging met asbest van de bodem terecht is en een indicatieve uitspraak te doen over het asbestgehalte in de bodem. Op het terrein zijn er vier locaties waar in voorgaande bodemonderzoeken een bodemverontreiniging is aangetoond. Ter plaatse wordt een nader bodemonderzoek uitgevoerd om de aard en omvang van de bodemverontreiniging in beeld te krijgen. Het bodemonderzoek is niet gericht op het vaststellen van de mogelijkheden voor hergebruik van (eventueel) in een later stadium af te voeren grond. Op hergebruik van grond is het Besluit bodemkwaliteit van toepassing. Voor bodemonderzoek dat in het kader van grondverzet wordt uitgevoerd gelden andere onderzoeksprotocollen. Wel zijn de onderzoeksresultaten indicatief getoetst aan het Besluit bodemkwaliteit. Het doel daarvan is om een indicatie te krijgen over de mogelijkheden om eventueel vrijkomende grond te hergebruiken.
1.3
Aanpak
Het verkennend milieukundig bodem- en asbestonderzoek wordt voorafgegaan door een vooronderzoek volgens NEN 5725 (Strategie voor het uitvoeren van milieuhygiënisch vooronderzoek, NEN, 2017). Op basis van dit vooronderzoek is een Conceptual Site Model (CSM) opgesteld. In een CSM wordt de verontreinigingssituatie beschreven in de context van de activiteiten en historie van de onderzoekslocatie. Daarnaast wordt een inventarisatie gemaakt van data gaps en leemten in kennis. Op basis van de resultaten uit het vooronderzoek wordt een onderzoekshypothese geformuleerd. Afhankelijk van eventuele aanwijzingen over de aanwezigheid van een bodemverontreiniging wordt een locatie geclassificeerd als ‘verdacht’ of ‘onverdacht’. Op basis van deze classificatie wordt een hypothese geformuleerd, welke vervolgens aan de hand van de onderzoeksresultaten wordt getoetst. Bij een onderzoek op een ‘onverdachte’ locatie wordt de hypothese getoetst dat er geen verontreiniging aanwezig is, bij een onderzoek van een verdachte locatie wordt de hypothese getoetst dat wel een (specifieke) verontreiniging aanwezig is. Daarnaast is het verkennend en nader bodem- en asbestonderzoek erop gericht om het CSM aan te vullen waar nog data gaps zijn geïdentificeerd.
1.4
Werkzaamheden
In het kader van het verkennend bodemonderzoek zijn de volgende werkzaamheden verricht: • • • • • •
7
vooronderzoek conform NEN 5725; veldonderzoek; laboratoriumonderzoek; toetsing en interpretatie van de analyseresultaten; toetsing van de onderzoekshypothese; rapportage inclusief formuleren van conclusies en eventuele aanbevelingen.
Onze referentie: D10045535:23 - Datum: 28 januari 2022
VERKENNEND BODEMONDERZOEK VML. PHILIPSTERREIN TE ROERMOND
Disclaimer Hoewel het bodemonderzoek op zorgvuldige wijze is voorbereid en uitgevoerd, kan niet worden uitgesloten dat er in werkelijkheid afwijkingen optreden ten opzichte van de in dit rapport gepresenteerde resultaten. Immers, elk bodemonderzoek is gebaseerd op het nemen van een aantal steekproeven, welke representatief worden geacht voor het onderzochte gebied, maar waarbij (lokale) afwijkingen niet volledig kunnen worden uitgesloten.
1.5
Leeswijzer
Hoofdstuk 2 beschrijft de opzet van het veld- en laboratoriumonderzoek. De resultaten van het onderzoek volgen in hoofdstuk 3. Tenslotte volgen in hoofdstuk 4 een samenvatting, de conclusies en eventuele aanbevelingen. In de bijlagen zijn onder meer tabellen, boorprofielen, analysecertificaten en kaartmateriaal opgenomen.
8
Onze referentie: D10045535:23 - Datum: 28 januari 2022
VERKENNEND BODEMONDERZOEK VML. PHILIPSTERREIN TE ROERMOND
2
Opzet en uitvoering van het onderzoek
2.1
Hypothese en onderzoeksopzet
In Bijlage A zijn de resultaten van het vooronderzoek en de beschrijving van het CSM opgenomen. Op basis van deze resultaten is de onderzoekshypothese en de bijbehorende onderzoeksstrategie geformuleerd. In de NEN 5740+A1 zijn, afhankelijk van de onderzoeksstrategie, richtlijnen gegeven voor de aantallen te verrichten boringen en te analyseren grond‐ en grondwatermonsters als functie van de oppervlakte van de te onderzoeken locatie. De nadere bodemonderzoeken zijn op conform de NTA 5755 uitgevoerd. In de NTA 5755 beschrijft de werkwijze voor het opstellen van de onderzoeksstrategie voor een nader bodemonderzoek gericht op een vermoedelijk geval van ernstige bodemverontreiniging. Er is gekozen voor de onderzoeksstrategie voor het bepalen van de omvang van bodemverontreiniging. In de onderstaande tabellen is de onderzoeksopzet samengevat. Tabel 1 Onderzoeksopzet verkennend bodemonderzoek
Onderdeel Deellocatie Strategie Oppervlakte Veldwerk Verkennend Gehele locatie NEN5740 31.080 37 x boring tot 0,5 m-mv (0,5 m in verdachte laag) onderzoek VED-HE-NL 8 x boring tot 2,0 m-mv (boring tot onderzijde verdachte laag) 4 x boring tot 9,0 m-mv, afgewerkt tot peilbuis (deels gecombineerd met nader bodemonderzoek) Tabel 2 Onderzoeksopzet nader bodemonderzoek
Onderdeel NO minerale olie
Deellocatie West van gebouw E
Strategie Oppervlakte Veldwerk NTA5755 450 6 x boring tot 9,0 m-mv 4 x boring tot 9,0 m-mv, afgewerkt tot peilbuis
NO zware metalen Noord van gebouw AB NTA5755 3000 NO zware metalen Noord van gebouw E Verificatie PCB in grondwater
9
NTA5755 1000
Rond gebouw B
Onze referentie: D10045535:23 - Datum: 28 januari 2022
12 x boring tot 1,0 m-mv 2 x boring tot 1,5 m-mv (0,5 m – onderzijde verdachte laag) 5 x boring tot 2,0 m-mv 1 x boring tot 2,5 m-mv (0,5 m – onderzijde verdachte laag) 2 x boring tot 9,0 m-mv, afgewerkt tot peilbuis
Analyses* 8 x ST GR + PFAS (bovengrond) 4 x ST GR + PFAS (ondergrond) 4 x ST GW + PCB (grondwater)
Analyses* 10 x minerale olie + structuur (verdachte bodemlaag) 4 x minerale olie + VOCL + BTEX + PCB (grondwater) 20 x ST GR (bovengrond) 2 x PFAS (bovengrond) 2 x ST GR (ondergrond) 16 x ST GR (bovengrond 1 x PFAS (bovengrond) 1 x ST GR (ondergrond) 2 x PCB (grondwater)
VERKENNEND BODEMONDERZOEK VML. PHILIPSTERREIN TE ROERMOND
Tabel 3 Onderzoeksopzet bodemonderzoek asbest
Onderdeel Deellocatie Verkennend onderzoek Gehele locatie asbest in combinatie met verkennend bodemonderzoek Nader onderzoek asbest Rond gat 3104 (onderzoek 2005) noordoost van gebouw L
Strategie Oppervlakte Veldwerk Analyses* NEN5707 VED- 31.080 37 x inspectiegat tot 0,5 m-mv (0,5 m in 8 x asbest in grond HE de verdachte laag);
8 x inspectiegat tot 2,0 m-mv (boring tot onderzijde verdachte laag) NEN5707
1.000
5 x inspectiesleuf tot onderzijde verdachte laag
5 x asbest in grond
*: Toelichting zie §3.3
Voorafgaand aan het veldwerk (§ 3.2) is een terreininspectie uitgevoerd. De resultaten van de terreininspectie gaven geen aanleiding tot aanpassing van de onderzoeksopzet.
10
Onze referentie: D10045535:23 - Datum: 28 januari 2022
VERKENNEND BODEMONDERZOEK VML. PHILIPSTERREIN TE ROERMOND
2.2
Uitvoering veldwerk
Het veldwerk is uitgevoerd in de periode van 6 oktober t/m 7 december 2021. In het veld is de vrijgekomen grond beoordeeld op de bodemkundige samenstelling. Hierbij zijn eveneens de percentages lutum en organische stof geschat. Daarnaast is gelet op het voorkomen van puin, slakken, kolengruis en dergelijke en op afwijkingen van geur en kleur, die kunnen duiden op de aanwezigheid van bodemverontreiniging. De grond uit de boringen is met behulp van de oliedetectiepan beoordeeld op de aanwezigheid van olieachtige en oppervlakte-actieve stoffen. De mogelijke aanwezigheid van vluchtige stoffen in de opgeboorde grond is met behulp van een PID-meter vastgesteld. PID staat voor Photo Ionisatie Detectie. De PID meet de aanwezigheid van enkele bekende vluchtige organische stoffen, zoals vluchtige aromaten (BTEXN) en chloorethenen (per, tri). De uitgeboorde grond van elke boring is per bodemlaag van maximaal 0,5 m bemonsterd. Afhankelijk van de bodemopbouw en de veldwaarnemingen is eventueel een kleiner monstertraject gekozen. De grondmonsters voor analyses op vluchtige stoffen zijn met behulp van steekbussen genomen. Na een wachttijd van minimaal een week zijn grondwatermonsters van de geplaatste peilbuizen genomen. In deze periode heeft het evenwicht tussen de grond en het grondwater zich kunnen herstellen.
Om een indruk te krijgen van de grondwaterkwaliteit zijn in het veld de zuurgraad (pH), het elektrische geleidingsvermogen (EC) en de troebelheid (NTU) bepaald. De resultaten van het veldwerk zijn opgenomen in hoofdstuk 4. De resultaten van het veldwerk gaven geen aanleiding tot aanpassing van de onderzoeksopzet (§ 3.1).
Asbest De weersomstandigheden waren op deze dag gunstig voor het uitvoeren van het verkennend onderzoek (neerslag < 10 mm en meer dan 50 meter zicht). Er zijn tijdens de veldwerkzaamheden geen waarnemingen gedaan die hebben geleid tot een aanpassing van de onderzoekshypothese. Omdat het maaiveld vrijwel volledig verhard is met klinkers was een effectieve maaiveldinspectie niet mogelijk. Op de onverharde terreindelen is geen asbestverdacht materiaal aangetroffen. Verkennend asbestonderzoek Het onderzoek heeft zich gericht op de actuele contactzone (0,0 tot 0,5 m-mv) en de ondergrond. Voor het onderzoek naar de actuele contactzone zijn handmatig inspectiegaten gegraven met minimaal een afmeting van 0,3 x 0,3 x 0,5 m. (l x b x d). Voor het onderzoek naar de ondergrond zijn vervolgens boringen doorgezet tot op de ongeroerde ondergrond, in combinatie met het verkennend bodemonderzoek. Nader asbestonderzoek Het onderzoek heeft zich gericht op de verdachte bovengrond (tot minimaal 0,5 m-mv). Voor het onderzoek zijn met een graafmachine inspectiesleuven gegraven met minimaal een afmeting van 2,0 x 0,5 x 0,5 m. (l x b x d.). De daadwerkelijke diepte is afhankelijk van de dikte van de verdachte laag. De in het veld vrijgekomen grond is beoordeeld op de bodemkundige samenstelling, waarbij eveneens de percentages lutum en organische stof zijn geschat.
De uitkomende grond per inspectiegat is in het veld visueel geïnspecteerd door de uitgekomen grond te zeven (tevens monstervoorbehandeling). In geen van de inspectiegaten is hierbij asbestverdacht materiaal aangetroffen. De monstername van de fijne fractie (< 20 mm) heeft plaatsgevonden door mengmonsters samen te stellen van de actuele contactzone en de ondergrond.
11
Onze referentie: D10045535:23 - Datum: 28 januari 2022
VERKENNEND BODEMONDERZOEK VML. PHILIPSTERREIN TE ROERMOND
2.3
Uitvoering laboratoriumonderzoek
Voor de analyses van de vaste bodem zijn van zowel de bovengrond als de ondergrond in het laboratorium representatieve mengmonsters samengesteld. De samenstelling van de mengmonsters heeft plaats gevonden op basis van de zintuiglijke waarnemingen, de locaties van de boringen en/of het bodemtype. De monsters zijn geanalyseerd op de parameters van het standaardpakket. Van de bovengrond zijn enkele mengmonsters geanalyseerd op PFAS (23 parameters volgens het Tijdelijk Handelingskader PFAS). Het standaardpakket omvat: Landbodem en grond (ST GR): • Droge stofgehalte. • Bodemkenmerken: organisch stof en lutum. • Metalen: barium, cadmium, kobalt, koper, kwik, lood, molybdeen, nikkel en zink. • Organische parameters: som-PCB's (polychloorbifenylen; 7), som-PAK's (polycyclische aromatische koolwaterstoffen; 10) en minerale olie. Grondwater (ST GW): • Metalen: barium, cadmium, kobalt, koper, kwik, lood, molybdeen, nikkel en zink. • Vluchtige aromatische koolwaterstoffen: benzeen, tolueen, ethylbenzeen, som-xylenen (som o, m, p), styreen, naftaleen.
• Vluchtige gehalogeneerde koolwaterstoffen: vinylchloride, 1,1-dichlooretheen, dichloormethaan, trans-1,2dichlooretheen, cis-1,2-dichlooretheen, som 1,2-dichlooretheen, 1,1-dichloorethaan, chloroform, 1,1,1trichloorethaan, tetrachloormethaan, 1,2-dichloorethaan, trichlooretheen, 1,2-dichloorpropaan, 1,1-dichloorpropaan, 1,3-dichloorpropaan, som dichloorpropanen, 1,1,2-trichloorethaan, tetrachlooretheen en bromoform. • Minerale olie. De resultaten van het laboratoriumonderzoek zijn opgenomen in hoofdstuk 4. De resultaten van het laboratoriumonderzoek gaven geen aanleiding tot aanpassing van de onderzoeksopzet (§ 3.1). Wel zijn meerdere mengmonsters uitgesplitst vanwege matig of sterk verhoogde gehalten.
2.4
Kwaliteitsborging
Dit onderzoek is uitgevoerd conform de eisen uit de KWALIBO-regeling; KWALIBO staat voor ‘Kwaliteitsborging bij bodemintermediairs’. Arcadis Nederland B.V. is gecertificeerd volgens het procescertificaat ‘Veldwerk bij milieuhygiënisch bodem- en waterbodemonderzoek’. Het veldwerk is uitgevoerd door Arcadis Nederland B.V. conform de BRL SIKB 2000 en de onderliggende protocollen 2001, 2002, en 2018 en Bodem Expert B.V. conform BRL SIKB 2000 en protocollen 2001 en BRL SIKB 2100 en onderliggend protocol 2101. Het milieukundig veldwerk is onafhankelijk van de opdrachtgever uitgevoerd; voor de onafhankelijkheidsverklaring van de betrokken erkende milieutechnici zie Bijlage I. Het laboratoriumonderzoek is uitgevoerd door het door de Raad van Accreditatie geaccrediteerd en conform AS SIKB 3000 gecertificeerd laboratorium AL-West. Indien mogelijk zijn de analyses uitgevoerd conform AS SIKB 3000 en de onderliggende relevante protocollen. Dergelijke protocollen zijn echter niet voor alle stoffen opgesteld, en derhalve zijn niet alle analyses conform AS SIKB 3000 uit te voeren. Op de analysecertificaten in Bijlage E staat per parameter aangegeven of de gehanteerde analysemethode erkend is volgens AS SIKB 3000. Dit rapport draagt het keurmerk ‘kwaliteitswaarborg bodembeheer SIKB’.
Tijdens het uitgevoerde onderzoek is namelijk niet op kritieke punten afgeweken van de gehanteerde certificatieschema’s, richtlijnen of normen. Hierna vindt u een uiteenzetting van de niet-kritieke afwijkingen. De conserveringstermijn van naftaleen is overschreden bij de analyses VA-OG01, VA-OG02, VAB-BG01, VAEFBG02, VAEF-BG03, VO-BG02, VO-BG03 en MO-OG03, zie certificaten 1089056, 1106182 en 1104429. De gehaltes zijn mogelijk onderschat en formeel niet betrouwbaar. Er is geen naftaleen aangetoond waardoor eventuele onderschatting geen relevant effect heeft op de interpretatie van de resultaten.
12
Onze referentie: D10045535:23 - Datum: 28 januari 2022
VERKENNEND BODEMONDERZOEK VML. PHILIPSTERREIN TE ROERMOND
De conserveringstermijn van droge stof en PCB is overschreden bij de analyses van de uitsplitsingen, zie certificaten 1094447 en 1099498. De gehaltes zijn mogelijk onderschat en formeel niet betrouwbaar. De uitsplitsing is echter uitgevoerd om het voorkomen van de verhoogde gehalten nikkel en PCB in de bodem binnen het onderzoeksgebied beter in beeld te krijgen en niet om het exacte gehalte te bepalen. De conserveringstermijn van de aromaten is overschreden bij de MO-OG05, MO-ST03, MO-ST04, MO-OG01, MOOG02, MO-ST01, MO-ST02 en VB-OG03, zie certificaten 1104429 en 1104112. De gehaltes zijn mogelijk onderschat en formeel niet betrouwbaar. Echter zijn er geen aromaten aangetoond. Daar waar aromaten zijn aangetoond (MOST01) is de interventiewaarde ruim overschreden, waardoor eventuele onderschatting geen relevant effect op de interpretatie van de resultaten heeft. Tijdens de interpretatie van de verontreinigingssituatie en de boordeling of mogelijk sprake is van een geval van ernstige verontreiniging is rekening gehouden met de mogelijk onderschatting. Daarbij is gelet op o.a. de index (verhouding tussen achtergrondwaarde en interventiewaarde, zie Bijlage F), plaats van voorkomen binnen het onderzoeksgebied en in het veld waargenomen verontreinigingskenmerken (afwijkingen). De analyseresultaten gaven voldoende informatie en de conclusies van dit bodemonderzoek zijn betrouwbaar.
13
Onze referentie: D10045535:23 - Datum: 28 januari 2022
VERKENNEND BODEMONDERZOEK VML. PHILIPSTERREIN TE ROERMOND
3
Resultaten
In dit hoofdstuk worden de resultaten van het veld- en laboratoriumonderzoek besproken.
3.1
Bodemopbouw en grondwater
De lokale bodemopbouw is afgeleid uit de uitgevoerde boringen en is in Tabel 4 geschematiseerd weergegeven. In Bijlage B zijn de boorstaten opgenomen van de bij het onderzoek uitgevoerde boringen en geplaatste peilbuizen. De ligging van alle boringen en peilbuizen is weergegeven op tekening 1 in Bijlage K. Tabel 4 Lokale bodemopbouw
Diepte (m-mv) 0,00 – 1,00 1,00 – 8,00 8,00 – 11,00 11,00 – 12,00
omschrijving Zand, matig grof, zwak siltig, zwak humeus – vergraven profiel Zand, matig fijn, matig siltig – onverdachte ondergrond Zand, matig grof, zwak siltig, zwak tot matig grindig – watervoerend pakket Klei, sterk siltig – ondoorlatende laag
Het grondwater is tijdens het onderzoek aangetroffen op 8,0 m-mv.
3.2
Veldwaarnemingen
3.2.1
Grond
De bij de boringen vrijkomende grond is in het veld onderzocht op (zintuiglijk) waarneembare kenmerken. In de boorstaten (Bijlage C) zijn deze waarnemingen per boring weergegeven. In Bijlage B zijn de waarnemingen die kunnen wijzen op bodemverontreiniging samengevat. In diverse boringen zijn zwakke bijmengingen met puin, baksteen en/of kolengruis aangetroffen.
Asbest Binnen de onderzoekslocatie zijn in de bovengrond in sterk wisselende mate bijmengingen met puin aangetroffen. Plaatselijk zijn in de bovengrond ook bijmengingen met kolengruis, slakken en/of hout aangetroffen. In de ondergrond is enkel sprake van sporen of een zwakke bijmenging met puin. Er is op het maaiveld en/of de uitkomende geïnspecteerde bodem geen materiaal waargenomen waarvan het vermoeden bestaat dat dit asbesthoudend is. Uit de gewichtspercentages voor de fracties > en < 20 mm vastgesteld tijdens de veldwerkzaamheden en de korrelgrootteverdeling van de fractie < 20 mm (analysecertificaten), blijkt dat bij alle proefsleuven sprake is van bodem conform de Wet bodembescherming (percentage aan bodemvreemde bijmengingen <50%).
3.2.2
Grondwater
In Bijlage B zijn de resultaten van de veldmetingen weergegeven. Het grondwater was troebel (een watermonster met een waarde >10 NTU wordt als troebel beschouwd). De zuurgraad en het geleidingsvermogen van het grondwater zijn normaal te noemen voor dit type bodem. Afwijkende waarden kunnen een indicatie zijn voor bodemverontreiniging. De gemeten waarden geven geen aanleiding aan te nemen dat sprake is van een dergelijke situatie.
3.3
Laboratoriumonderzoek en toetsing analyseresultaten
De opzet van de uitgevoerde analyses is weergegeven in Bijlage D. De chemische analyses van de monsters geven informatie over de aanwezigheid en de gehalten van de onderzochte stoffen. De analysecertificaten van de onderzochte grond- en grondwatermonsters zijn opgenomen in Bijlage E. Toetsing van de analyseresultaten van 14
Onze referentie: D10045535:23 - Datum: 28 januari 2022
VERKENNEND BODEMONDERZOEK VML. PHILIPSTERREIN TE ROERMOND
grond- en grondwater heeft plaatsgevonden aan het toetsingskader zoals gedefinieerd in de Circulaire bodemsanering per 1 juli 2013 en de Regeling bodemkwaliteit van 13 december 2007. Voor asbest staat beschreven dat de interventiewaarde voor bodem 100 mg/kg d.s. gewogen asbest (serpentijnconcentratie plus tienmaal de amfiboolconcentratie) betreft. De restconcentratienorm voor toepassing en het hergebruik van alle asbest bevattende materialen (inclusief grond, baggerspecie en puingranulaat) is vastgesteld op 100 mg/kg gewogen (serpentijnconcentratie plus tienmaal de amfiboolconcentratie). De gemeten gehalten voor grond zijn gecorrigeerd naar een standaardbodem (25% lutum en 10% organische stof). De resultaten van toetsing van de analyses zijn, inclusief correctie naar een standaard bodem, opgenomen in Bijlage F. Om de mate van bodemverontreiniging aan te geven wordt in de voorliggende rapportage de volgende terminologie gebruikt: • • • •
Niet verontreinigd: Index ≤ 0,0 (gehalte ≤ AW (achtergrondwaarde) / S (streefwaarde)). Licht verontreinigd: Index > 0,0 ≤ 0,5 (AW / S < gehalte ≤ T (tussenwaarde)) Matig verontreinigd: Index > 0,5 ≤ 1,0 (T (tussenwaarde) < gehalte ≤ I (interventiewaarde)). Sterk verontreinigd: Index > 1,0 (gehalte > I).
Daarnaast is een toetsing aan de Regeling bodemkwaliteit van 13 december 2007 uitgevoerd. Deze toetsing geeft een indicatieve indruk over de toepassingsmogelijkheden van eventueel vrijkomende grond. De resultaten zijn getoetst aan het generieke beleid, zoals vastgesteld in de Regeling bodemkwaliteit. Een uitgebreide toelichting op het toetsingskader is weergegeven in Bijlage H.
3.3.1
Resultaten
De resultaten van toetsing van de grond- en grondwatermonsters zijn per onderdeel samengevat in de tabel in Bijlage F. In Hoofdstuk 3.4 worden alle toetsingsresultaten samengevat en geïnterpreteerd.
3.4
Interpretatie
Het verkennend bodemonderzoek is afgestemd op de activiteiten in en rond de gebouwen. Bij de plaatsing van de boringen is getracht om de meest voor de hand liggende bronnen en verspreidingsroutes van bodemverontreiniging te onderzoeken. Zo zijn boringen in de buurt van ondergrondse tanks, bezinkputten en buitendeuren van de fabriekshallen geplaatst. De samenstelling van de analysemonsters is hier ook op afgestemd, ervanuit gaande dat boringen rond hetzelfde gebouw een vergelijkbare verdenking hebben. Er zijn ook boringen en analyses uitgevoerd voor de terreindelen waar geen gebouwen staan. In deze paragraaf worden de resultaten van het verkennend bodemonderzoek geïnterpreteerd op basis van bovengenoemde opzet. Vervolgens worden de resultaten van de nadere bodemonderzoeken en het verkennend asbestonderzoek geïnterpreteerd. De interpretatie van het grondwater wordt onder de paragraaf over gebouw B en het nader onderzoek naar minerale olie meegenomen.
3.4.1
Verkennend bodemonderzoek
Gebouw A Rond gebouw A zijn zes boringen uitgevoerd. De bovengrond bestaat uit een verdachte laag met sporen puin en resten kolengruis. Van de bovengrond zijn (deels gecombineerd met de nabijgelegen boringen rond gebouw E/F) vier (meng)monsters voor de bovengrond en twee mengmonsters voor de ondergrond samengesteld. Drie mengmonsters zijn uitgesplitst vanwege een sterk verhoogd gehalte PCB. De uitsplitsing geeft een beter beeld van de verspreiding van de PCB-verontreiniging. Met de uitsplitsing blijkt dat er ter plaatse van boringen VA002, VA003 en VA004 een sterk verhoogd gehalte PCB in de bovengrond aanwezig is. Bij boringen VA003 en VA004 is deze verontreiniging afgeperkt tot ca. 0,5 m-mv. De ondergrond ter plaatse van VA002 is echter tot 1,20 m-mv sterk verontreinigd met PCB. Hier is de verontreiniging niet 15
Onze referentie: D10045535:23 - Datum: 28 januari 2022
VERKENNEND BODEMONDERZOEK VML. PHILIPSTERREIN TE ROERMOND
verticaal afgeperkt. VA002 is ter plaatse van een washok aan de buitenzijde van gebouw A geplaatst. Ter plaatse van het washok is mogelijk PCB-houdende stoffen afgewassen waardoor hier de PCB-verontreiniging ook dieper in de bodem aanwezig is. VA003 is ter plaatse van de buitendeur van de vml. schuimhal uitgevoerd en VA004 onder een leidingbrug. Beide activiteiten zijn niet direct te relateren aan de verontreiniging met PCB. De verdachte bodemlaag met puin en kolengruis lijkt heterogeen verontreinigd te zijn PCB. Naast de verontreiniging met PCB zijn licht verhoogde gehalten met zware metalen en plaatselijk PAK aangetoond in de verdachte bodem (tot 1,0 m-mv). Er zijn geen PFAS-gehalten boven de achtergrondwaarde aangetoond in de bovengrond.
Gebouw AB Rond gebouw AB zijn 9 boringen geplaatst. Net als rond gebouw A is hier een verdachte laag met sporen puin, resten kolengruis en plaatselijk sporen slakken aangetroffen, maar heterogener verdeeld. Niet alle boringen vertonen dezelfde verdachte laag. Van de boven- en ondergrond zijn elk twee mengmonsters samengesteld. Een mengmonster van de bovengrond en een mengmonster van de ondergrond zijn uitgesplitst vanwege een sterk verhoogd gehalte PCB. De uitsplitsing geeft een beter beeld van de verspreiding van de PCB-verontreiniging. Uit de toetsingsresultaten blijkt dat ter plaatse van boringen VAB006 en VAB007 de bovengrond sterk verontreinigd is met PCB. De sterke verontreiniging is ter plaatse van boring VAB006 afgeperkt op 0,95 m-mv, maar bij boring VAB007 is de verontreiniging nog tot 1,15 m-mv aangetoond. Beide boringen zijn uitgevoerd ter plaatse van een bezinkput aan de buitenzijde van gebouw AB. De activiteiten in AB (zeefdrukruimtes, productie condensatoren en slurry-bereiding) hebben mogelijk gebruikgemaakt van PCB-houdende stoffen. De stoffen die via de bezinkput zijn weggevoerd hebben mogelijk (door overstromen of lekkage) de verontreiniging met PCB veroorzaakt. De sporen puin en resten kolengruis in boringen VAB006 en VAB007 wijzen op de aanwezigheid van een verontreinigde ophooglaag, zoals ook elders op het terrein is aangetroffen.
De ophooglaag is mogelijk ook een verklaring voor de verontreiniging met PCB. Naast de verontreiniging met PCB zijn licht verhoogde gehalten met zware metalen en plaatselijk PAK aangetoond in de verdachte bodem (tot 1,0 m-mv). In de bovengrond is een licht verhoogd gehalte PFOS aangetoond (indicatief toepasbaar voor klasse Wonen).
Gebouw B Rond gebouw B zijn elf boringen uitgevoerd, waarvan vijf afgewerkt als peilbuis. Ten noorden en zuiden van gebouw B is een PCB-verontreiniging bekend. In twee boringen zijn sporen baksteen waargenomen, maar de verdachte bodemlaag met kolengruis en puin die elders op het terrein aangetroffen is, is hier niet aanwezig. Van de bovengrond zijn drie mengmonsters geanalyseerd, waarvan één is uitgesplitst voor PCB en één is uitgesplitst voor nikkel. Uit de toetsingsresultaten blijkt dat de bovengrond sterk verontreinigd is met PCB ter plaatse van boringen VB02, VB08, VB10 en VB11. Één mengmonster is niet uitgesplitst ondanks dat ook in dat mengmonster een sterk verhoogd gehalte PCB is aangetoond. Het betreft het mengmonster van VB01, VB03, VB04 en VB06. De PCB-verontreiniging rond gebouw B wordt met onderhavig onderzoek bevestigd. Het vermoeden dat de verontreiniging door een lekkend riool is veroorzaak wordt echter niet ondersteund, aangezien de verontreiniging in de bovengrond is aangetoond en niet rond de grondwaterstand. In gebouw B is veel gewerkt met PCB-houdende stoffen bij de bedrijfsactiviteiten (onder andere fabricage condensatoren en metaalfilmweerstanden). Van oud-medewerkers is vernomen dat de vloeren regelmatig gedweild zijn waarbij het vieze water door de buitendeuren getrokken werd.
Boringen VB08, VB10 en VB11 zijn bij buitendeuren uitgevoerd en de bovengrond is daar sterk verontreinigd met PCB. De verklaring van de oud-medewerkers wordt hiermee onderbouwd. In boring VB10 is op de einddiepte (9,40 – 9,50 m-mv) een zwakke olie-waterreactie waargenomen. Er zijn met de PID-meter geen vluchtige stoffen gemeten. Deze laag is separaat geanalyseerd en blijkt sterk verontreinigd te zijn met minerale olie. In de ondergrond rond de grondwaterstand zijn licht verhoogde gehalten PCB aangetoond. De oorzaak van de minerale olie in de diepe ondergrond is niet te herleiden. De bovengrond van VB07 is sterk verontreinigd met nikkel. Een duidelijke bron of oorzaak van deze verontreiniging is niet bekend. In de bovengrond is plaatselijk een licht verhoogd gehalte PFOS aangetoond (indicatief toepasbaar voor klasse Wonen). Grondwater: PCB-verontreiniging 16
Onze referentie: D10045535:23 - Datum: 28 januari 2022
VERKENNEND BODEMONDERZOEK VML. PHILIPSTERREIN TE ROERMOND
In het grondwater van peilbuizen VB05, VB10 en VB11 zijn sterk verhoogde concentraties PCB aangetoond. In het grondwater van peilbuizen VB02 en VB08 is geen PCB in het grondwater aangetoond. Verder zijn licht verhoogde concentraties molybdeen, barium, per en ter plaatse van VB10 tetra en minerale olie aangetoond. De licht verhoogde concentratie minerale olie houdt verband met de sterke verontreiniging met minerale olie die in de dezelfde boring in de diepe ondergrond is aangetoond. De concentraties PCB variëren sterk. Ter plaatse van VB05 en VB11 worden concentraties van ca. 0,2 µg/l gemeten, terwijl er in het grondwater van peilbuis VB10 een concentratie van 14 µg/l PCB is aangetoond. Deze zeer hoge concentratie correspondeert met het zeer hoge gehalte PCB in de bovengrond van VB10 (64 mg/kg ds). De PCBverontreiniging in het grondwater wordt met onderhavig onderzoek bevestigd en de mate van verontreiniging is beter in beeld gebracht. VB08, VB10 en VB11 zijn in de buurt van het riool geplaatst, maar er omdat er in VB08 geen PCB is aangetoond, is het verband met het riool niet vanzelfsprekend. PCB is een stoffengroep die niet mobiel zijn, dus verspreiding via het grondwater is niet te verwachten. Lozing van PCB-houdende vloeistoffen ter plaatse van VB10 is ook een mogelijke verklaring waarom hier een erg hoog gehalte PCB is aangetoond in het grondwater.
Gebouw E/F Ten oosten en ten zuiden zijn in totaal twee boringen geplaatst. Ten noorden en westen van gebouw E/F is nader bodemonderzoek uitgevoerd. De boringen VEF001 en VEF002 zijn gecombineerd geanalyseerd met de boringen rond gebouw A. Na uitsplitsing van één mengmonster blijkt dat de verdachte bodemlaag met puin en kolengruis sterk verontreinigd is met PCB. De ondergrond is licht verontreinigd met PCB, zware metalen, minerale olie en PAK. De bovengrond van boring VEF002 is licht verontreinigd met kobalt, cadmium en PCB. Er zijn geen PFAS-gehalten boven de achtergrondwaarde aangetoond in de bovengrond. Boring VEF001 is geplaatst in de buurt van de buitendeur van de werkplaats in gebouw E. In de werkplaats is voornamelijk met oliën gewerkt, als onderdeel van het ketelhuis. De sterke verontreiniging met PCB is daarom niet te relateren aan de bedrijfsactiviteiten in gebouw E. Ook hier is de verdachte bodemlaag met puin en kolengruis de meest voor de hand liggende verklaring voor de verontreiniging met PCB.
Gebouw L Rond gebouw L zijn zes boringen geplaatst. Tot ca. 1,0 m-mv is een baksteen- en kolengruishoudende bodemlaag aangetroffen. Van de bovengrond zijn twee mengmonsters en van de ondergrond is één mengmonster samengesteld. Alle mengmonsters zijn uitgesplitst vanwege een sterk verhoogd gehalte PCB. Op basis van de uitsplitsing blijkt dat er ter plaatse van boringen VL02 en VL07 een sterk verhoogd gehalte PCB is aangetoond. De verontreiniging ter plaatse van boring VL07 is verticaal afgeperkt op 0,7 m-mv. De verontreiniging ter plaatse van VL02 is aanwezig tot 1,0 m-mv en niet verticaal afgeperkt. De verontreiniging PCB ter plaatse van boring VL02 is enkel te verklaren door de verdachte bodemlaag die op het terrein aanwezig is. VL02 is bij een verdachte activiteit geplaatst. VL07 is geplaatst bij de buitendeur van de lakmengerij. Deze activiteit is niet relateerbaar aan de PCB-verontreiniging. Ook ter plaatse van VL07 lijkt het te gaan om een heterogene verontreiniging met PCB in de verdachte bodemlaag. De onverdachte ondergrond is niet analytisch onderzocht. Verder zijn er licht verhoogde gehalten met zware metalen en PAK aangetoond in de boven- en ondergrond. In de bovengrond aan de westzijde van gebouw L is een licht verhoogd gehalte PFOS aangetoond (indicatief toepasbaar voor klasse Wonen).
In de ondergrond overschrijdt het PFOS-gehalte de maximale waarde waardoor indicatief de bodemlaag niet toepasbaar is. Er is geen duidelijke oorzaak voor dit verhoogde gehalte aan te wijzen, maar het is enkele bedrijfsactiviteiten in gebouw L (fabricage weerstanden) hebben mogelijk wel PFOS-houdende stoffen gebruikt.
Gebouw P Langs de oost- en zuidzijde van gebouw P zijn vier boringen geplaatst. VP004 ter plaatse van het laaddok moest verplaatst worden. De voegen tussen de klinkers ter plaatse van het laaddok zijn afgegoten met beton, waardoor de boring niet handmatig uitgevoerd kon worden. In de boringen is de verdachte bodemlaag met puin en kolengruis tot ca. 1,0 m-mv ook aangetroffen. Er zijn één mengmonster van de verdachte bovengrond en één van de verdachte laag daaronder samengesteld. De onverdachte laag onder ca. 1,0 m-mv is niet analytisch onderzocht. Vanwege een sterk verhoogd gehalte PCB is het mengmonster van de bovengrond uitgesplitst.
17
Onze referentie: D10045535:23 - Datum: 28 januari 2022
VERKENNEND BODEMONDERZOEK VML. PHILIPSTERREIN TE ROERMOND
Uit de toetsingsresultaten van de uitsplitsing blijkt de bovengrond ter plaatse van boringen VP001 en VP002 sterk verontreinigd is met PCB. De PCB-verontreiniging is te verklaren door de verdachte bodemlaag in de bovengrond die elders op het terrein ook heterogeen verontreinigd is met PCB. In de ondergrond zijn licht verhoogde gehalten koper en PCB aangetoond. Er zijn geen PFAS-gehalten boven de achtergrondwaarde aangetoond in de bovengrond.
Gebouw R/S Rond gebouw R/S zijn acht boringen geplaatst. Tot ca. 1,30 m-mv is een verdachte bodemlaag met puin en in mindere mate kolengruis aangetroffen. Er zijn drie mengmonsters voor de bovengrond en twee mengmonsters voor de ondergrond geanalyseerd. De bovengrond aan de westzijde van gebouw R/S is niet analytisch verontreinigd. Hier is de verdachte bodemlaag ook niet aangetroffen. De andere twee mengmonsters van de bovengrond zijn uitgesplitst vanwege een sterk verhoogd gehalte PCB. Boring VRS02 is uitgevoerd ter plaatse van de ingang tot de vatenopslag van gebouw S en boring VRS05 is uitgevoerd ter plaatse van de buitendeur van het chemicaliënmagazijn in gebouw R. Deze activiteiten zijn mogelijk te relateren aan de PCB-verontreiniging, maar dat is afhankelijk van de stoffen die zijn opgeslagen zijn in gebouw R en S. De PCB-verontreiniging is ook te verklaren door de verdachte bodemlaag in de bovengrond die elders op het terrein ook heterogeen verontreinigd is met PCB. Verder is een sterk verhoogd gehalte koper, een matig verhoogd gehalte zink en licht verhoogde gehalten andere zware metalen en PAK aangetoond in boringen VRS001 en VRS002. Deze verontreinigingen hangen samen met de verdachte bodemlaag in de bovengrond. In de ondergrond zijn enkel licht verhoogde gehalten aangetoond. Er zijn geen PFAS-gehalten boven de achtergrondwaarde aangetoond in de bovengrond.
Overig terrein Verspreid over het onbebouwde deel van het terrein, ter plaatse van parkeerplaatsen en onverharde terreindelen, zijn dertien boringen geplaatst. Ter plaatse van de meest zuidelijke parkeerplaats (boringen VO10 t/m VO13) is een baksteen- en kolengruishoudende laag aangetroffen. De bodemlaag is licht verontreinigd met zware metalen en PCB. In de bovengrond van de andere parkeerplaatsen langs de oostzijde van het terrein (VO05 t/m VO09) zijn geen verdachte bijmenging aangetroffen. Ook hier zijn enkel licht verhoogde gehalten zware metalen en PCB aangetoond. Ter plaatse van het onverharde terrein ten noorden van gebouw AB (VO01 t/m VO04) is aardewerk en puin in de bovengrond aangetroffen. In VO01 is een licht verhoogd gehalte PCB in de bovengrond aangetoond. In de andere drie boringen rond het tennisveld (VO02 t/m VO04) zijn sterk verhoogde gehalten koper, lood en zink en verder lichte tot matig verhoogde gehalten met zware metalen, PAK en PCB. Na uitsplitsing zijn in de bovengrond van VO-03 sterk verhoogde gehalten koper en zink en van VO-04 sterk verhoogde gehalten koper, lood, nikkel en zink aangetoond. Gebaseerd op de zintuiglijke waarnemingen is de sterke verontreiniging niet te relateren aan de verontreiniging met zink ter plaatse van de tennisbaan. Er is geen bijmenging met slakken waargenomen.
De verontreiniging houdt wel verband met de bijmenging aardewerk en puin. Een directe oorzaak is niet bekend. Er zijn geen PFAS-gehalten boven de achtergrondwaarde aangetoond in de bovengrond.
3.4.2
Nader bodemonderzoek
Zware metalen ter plaatse van tennisveld Ter plaatse van het tennisveld was een bodemverontreiniging bekend met zware metalen. Met onderhavig onderzoek is het geval van bodemverontreiniging nader onderzocht om de mate en omvang in beeld te krijgen. Op het tennisveld ligt gravel met een funderingslaag van slakken. Slakken zijn verdacht op de aanwezigheid van PAK en zware metalen. Onder de slakkenlaag zijn zintuiglijk geen verdachte bijmenging aangetroffen. Van de eerste 0,5 meter onder de slakkenlaag is van elke boring de grond onderzocht op het standaardpakket. Uit de resultaten blijkt dat de bovengrond sterk verontreinigd is met zink. Verder zijn er licht verhoogde gehalten kobalt, cadmium en nikkel aangetoond. De ondergrond is licht verontreinigd met kobalt en zink. Er zijn geen PFAS-gehalten boven de achtergrondwaarde aangetoond in de bovengrond.
18
Onze referentie: D10045535:23 - Datum: 28 januari 2022
VERKENNEND BODEMONDERZOEK VML. PHILIPSTERREIN TE ROERMOND
Ondanks dat de slakkenlaag in elke boring is aangetroffen, lijkt de sterke verontreiniging met zink zich te beperken tot de noordelijke helft van de tennisbaan (zie Figuur 2). Hier is geen verklaring voor gevonden. Er zijn geen andere activiteiten op de locatie bekend dan de tennisbaan. Vooralsnog wordt de verontreiniging in verband gebracht met de slakkenhoudende funderingslaag. De verontreiniging is voldoende horizontaal en verticaal afgeperkt. De oppervlakte van de sterke verontreiniging is ca. 900 m². Met een dikte van 0,5 meter heeft de verontreiniging een omvang van 450 m³. Hiermee is er sprake van een geval van ernstige bodemverontreiniging. Omdat de bodemverontreiniging onder een afgesloten gravellaag aanwezig is, is de verontreiniging voldoende geïsoleerd. Hierdoor zijn er geen directe humane risico’s. Zink is een immobiele stof waardoor er geen verspreidingsrisico’s aanwezig zijn. Het geval van ernstige bodemverontreiniging is niet spoedeisend.
Figuur 2 Verontreiniging met zink ter plaatse van het tennisveld
Toelichting kleuren figuur 2Figuur 2: Bovengrond (tot 0,65 m-mv) sterk verontreinigd (rood), matig verontreinigd (oranje), licht verontreinigd (groen)
Zware metalen tussen gebouwen E/F en R/S Vanuit het vooronderzoek is een sterke verontreiniging met koper en PCB bekend tussen gebouwen E/F en R/S. De verontreiniging wordt in verband gebracht met het voormalige gebouw Q waar een schopeermachine heeft gestaan. De verontreiniging is onvoldoende afgeperkt en in onderhavig onderzoek nader onderzocht om de mate en omvang in beeld te krijgen. Op de locatie is een verdachte laag met puin en kolengruis tot ca. 1,0 m-mv aangetroffen. Een enkele boring (boring B008) is gestaakt op beton, mogelijk een oude fundering. Boring B014 is daarom iets richting het oosten van boring 19
Onze referentie: D10045535:23 - Datum: 28 januari 2022