Bijlage 2 – concept plantoelichting met bijlagen ‘bestemmingsplan Transformatie voormalig Philipsterrein (Weerstand)’ DEEL VII (p. 2101-2520)
Tekst van het document
RAPPORT Archeologisch bureau- en verkennend veldonderzoek door middel van boringen Maasnielderweg 33 te Roermond (gemeente Roermond)
AM22576
RAPPORT Archeologisch bureau- en verkennend veldonderzoek door middel van boringen Maasnielderweg 33 te Roermond (gemeente Roermond) Aeres Milieu Projectnummer Status rapport ISSN Nummer Datum
: AM22576 : Concept (versie 1) : 2214-5656 : 17 maart 2023
Opdrachtgever
: Sijben Ontroerend Goed B.V. Postbus 1001 6040 KA Roermond
Opsteller rapport Paraaf
: L. Kruithof MSc. | drs. D. Hagens :
Redactie Paraaf
: drs. ing. N.J.W. van der Feest :
Vrijgave Paraaf
: drs. ing. N.J.W. van der Feest :
Aeres Milieu B.V. Noordhoven 4 6042 NW ROERMOND (t) 0475 – 320 000 e-mail: info@aeres-milieu.nl www.aeres-milieu.nl
4002 + 4003
Disclaimer Het onderzoek is op zorgvuldige wijze uitgevoerd volgens de algemeen gebruikelijke inzichten en methoden (opzet conform de geldende richtlijnen en protocollen). Aeres Milieu accepteert op voorhand geen aansprakelijkheid voor maatregelen of mogelijke beslissingen die de opdrachtgever naar aanleiding van het door Aeres Milieu uitgevoerde onderzoek neemt. Tevens wordt opgemerkt dat Aeres Milieu voor het verkrijgen van de voor het bureau onderzoek noodzakelijke informatie (mede) afhankelijk is van externe bronnen. Voor Aeres Milieu is niet te verifiëren of deze bronnen altijd volledig en zonder fouten zijn. Hierdoor kan Aeres Milieu niet instaan voor de juistheid en volledigheid van de verzamelde historische informatie.
Pagina | 2
AM22576
INHOUDSOPGAVE SAMENVATTING ..................................................................................................................................................................................................................... 4 ADMINISTRATIEVE GEGEVENS ......................................................................................................................................................................................... 6 1. INLEIDING ........................................................................................................................................................................................................................... 7 2.
3.
2.1 2.2
WERKWIJZE ............................................................................................................................................................................................................ 10 Inleiding ............................................................................................................................................................................................................. 10 Verkennend veldonderzoek door middel van boringen ................................................................................................................... 10
3.1 3.2 3.3 3.4 3.5
BUREAU-ONDERZOEK ....................................................................................................................................................................................... 12 landschappelijke situatie - geomorfologie ........................................................................................................................................... 12 Landschappelijke situatie - bodem.......................................................................................................................................................... 15 Bewoningsgeschiedenis – historisch overzicht .................................................................................................................................. 16 Bewoningsgeschiedenis – archeologische waarden ........................................................................................................................ 17 Bewoningsgeschiedenis – historisch kaartmateriaal ....................................................................................................................... 20
4.
VERWACHTINGSMODEL .................................................................................................................................................................................... 24
5.
6.
5.1 5.2 5.3 5.4
VELDWERKZAAMHEDEN ................................................................................................................................................................................... 26 Algemeen .......................................................................................................................................................................................................... 26 Fysisch geografische beschrijving van de bodemopbouw .............................................................................................................. 26 Interpretatie ..................................................................................................................................................................................................... 27 Archeologische indicatoren ........................................................................................................................................................................ 28
6.1 6.2
CONCLUSIE ............................................................................................................................................................................................................. 29 Algemeen .......................................................................................................................................................................................................... 29 Beantwoording onderzoeksvragen .......................................................................................................................................................... 29
7.
AANBEVELINGEN ................................................................................................................................................................................................. 30
Bijlagen: 1 2 3 4 5 5b 5c 6 7 8
Topografische ligging onderzoeksgebied Boorpuntenkaart Archeologische gegevens cf. Archis 3 Archeologische Beleidskaart gemeente Roermond Overzicht geomorfologische kaart Geomorfogenetische kaart Maasdal Stroomgordelkaart Limburg Overzicht bodemkaart Reliëfkaart Boorkernbeschrijvingen
Pagina | 3
AM22576
SAMENVATTING Op 1 maart 2023 is door Aeres Milieu een archeologisch bureau- en verkennend booronderzoek uitgevoerd aan de Maasnielderweg 33 te Roermond (gemeente Roermond). De aanleiding voor het laten uitvoeren van dit bodemonderzoek betreft de voorgenomen (her)ontwikkeling van de locatie ten behoeve van de uitbreiding van de bestaande bedrijfsloods (Figuur 1). De diepte van de toekomstige bodemverstoring zal op basis van de aangeleverde bouwtekeningen gedeeltelijk tenminste circa 1,44 meter -mv bedragen (bovenkant verdiepte vloer op dwarsdoorsnede C-C ligt op 1,14 meter -mv). De overige funderingsdiepten zijn niet bekend. De onderzoekslocatie ligt volgens de Archeologische Beleidskaart van de gemeente Roermond (2011) in een zone die aangeduid staat als historische kern en daardoor een hoge archeologische verwachting toegekend krijgt. Binnen het bestemmingsplan Vrijveld Lommerveld (2011) geldt dubbelbestemming Waarde – Archeologie Voor deze zone geldt een onderzoeksplicht bij bodemingrepen met een oppervlakte groter dan 100 m2 en een verstoringsdiepte vanaf 40 centimeter onder maaiveld. De gemeente heeft middels deze kaart aangegeven dat er een archeologische onderzoeksplicht geldt.
Door meerdere verleggingen van de Maas ontstond er een geaccidenteerd landschap, waarbij hoge oeverwallen en laag gelegen restgeulen (verlaten meanders van de Maas) zich op korte afstand afwisselde. Het plangebied ligt hoog op het Pleniglaciale rivierterras (circa 73.000 – 14.700 jaar geleden). Ten oosten van het plangebied ligt een oude geul waar de Maasnielderbeek stroomt. De hoge ligging in de directe nabijheid van water zal een aantrekkelijke bewoningslocatie zijn geweest in deze perioden. Op basis hiervan geldt een hoge verwachting voor vuursteenresten uit de periode laat-paleolithicum en het mesolithicum. In latere prehistorische perioden zal het plangebied vanwege haar hoge ligging nabij water een aantrekkelijke vestigingslocatie zijn geweest. In de omgeving en binnen hetzelfde dalvlakteterras zijn vondsten bekend uit zowel het neolithicum, bronstijd als uit de ijzertijd. Binnen 75 meter ten opzichte van het plangebied zijn meerdere nederzettings-en begravingsresten bekend uit de ijzertijd en Romeinse tijd. De aangetroffen resten wijzen op de verwachte aanwezigheid van een Romeins grafveld. Er geldt om die reden een hoge verwachting voor nederzettingsresten uit de periode neolithicum tot en met de vroege middeleeuwen. Het plangebied ligt aan de Maasnielderweg gelegen tussen de oude stad Roermond en Maasniel.
Uit bestudering van historische kaarten blijkt dat het plangebied sinds tenminste medio 16e eeuw onbebouwd was en deel uitmaakte van een bouwlandgebied gelegen langs de al bestaande Maasnielderweg. Het kan niet uitgesloten worden dat binnen het plangebied historische bebouwing aanwezig was, mede gezien de ligging aan een doorgaande weg. Op basis van deze gegevens geldt voor het plangebied een middelhoge verwachting voor de periode late middeleeuwen tot en met de nieuwe tijd. Wat betreft de conservering en gaafheid van eventueel aanwezige archeologische resten kan het volgende gesteld worden: Wegens de verwachte aanwezigheid van radebrikgronden worden eventueel aanwezige archeologische resten direct onder het maaiveld worden verwacht. Wat betreft eventueel aanwezige organische resten is het afhankelijk hoe diep het grondwater zit. Bij de aanwezige gronden zijn de omstandigheden voor het aantreffen van organische resten minder goed: door de lage grondwaterstand (GWT VII) kunnen organische resten vaak enkel in dieper, waterhoudende sporen zoals waterputten bewaard blijven.
Pagina | 4
AM22576
Op basis van het uitgevoerd verkennend veldonderzoek door middel van boringen kan worden gesteld dat de bodemopbouw binnen het plangebied (grotendeels) intact zijn. De natuurlijke ondergrond bestaat uit bedding- en oeverafzettingen van de Maas. Op de natuurlijke afzettingen is een verbruinde laag aangetroffen. Als gevolg van de verbruining van de bodem zijn archeologische sporen zonder insluitsels moeilijk of zelfs niet meer zichtbaar en dan voornamelijk als vondstconcentraties. Voor de periode midden-paleolithicum geldt een hoge verwachting voor vindplaatsen. Eventueel aanwezige vindplaatsen zijn vermoedelijk grotendeels opgenomen in de Ap-horizont. Als gevolg zijn deze vindplaatsen alleen nog ex situ aanwezig en hebben een beperkte informatiewaarde. De middelhoge en hoge verwachting voor de periode neolithicum tot en met de nieuwe tijd kan gehandhaafd blijven. Eventueel aanwezige archeologische resten worden vanaf circa 95 centimeter onder maaiveld aangetroffen (inclusief een buffer van circa 30 centimeter). Ten tijde van het opstellen van dit rapport is de diepte van de toekomstige verstoring niet overal bekend, maar kan met zekerheid uitgaan van een gedeeltelijke funderingsdiepte van tenminste circa 144 centimeter -mv. De voorgenomen graafwerkzaamheden zullen derhalve een negatieve impact hebben op het verwachte aanwezige archeologische niveau.
Op basis hiervan wordt voor het plangebied een vervolgonderzoek geadviseerd. Gezien de relatief kleine oppervlakte van het plangebied en de aanzienlijke kans op het aantreffen van begravingsresten uit de ijzertijd en met name de Romeinse periode (zie paragraaf 3.4), wordt geadviseerd om in plaats van een regulier proefsleuvenonderzoek te opteren voor een archeologische begeleiding van alle geplande graafwerkzaamheden. Voor een dergelijk vervolgonderzoek dient voorafgaand een Programma van Eisen (PvE) ter toetsing te worden voorgelegd te worden aan de bevoegde overheid (gemeente Roermond). De resultaten van dit onderzoek dienen getoetst te worden door de bevoegde overheid (gemeente Roermond), die op basis van het uitgebrachte advies een besluit zal nemen. Wij willen de opdrachtgever erop wijzen dat dit selectieadvies nog niet betekent dat er al bodemverstorende activiteiten of daarop voorbereidende activiteiten kunnen worden ondernomen. Het uitgevoerde onderzoek is verricht conform de gestelde eisen en gebruikelijke methoden. Het onderzoek is gericht op het inzichtelijk maken van de toestand van het bodemarchief. Hiermee kan de beschadiging, dan wel vernietiging, als gevolg van de voorgenomen verstoring van een mogelijk aanwezig bodemarchief tot een minimum worden beperkt.
Echter, kan door de aard van het onderzoek, dat steekproefsgewijs verloopt, niet volledig worden uitgesloten dat er archeologische resten aan- of afwezig zullen zijn. Als gevolg hiervan, is bij het aantreffen van archeologische resten, conform de Erfgoedwet van 2016, artikel 5.10 (Archeologische toevalsvondst) en 5.11 (Waarneming), een meldingsplicht van toepassing.
Pagina | 5
AM22576
ADMINISTRATIEVE GEGEVENS Administratieve gegevens onderzoekgebied Projectnaam
AM22576
OM-nummer
5337960100
Soort onderzoek
Bureau- en verkennend veldonderzoek d.m.v. boringen
Provincie
Limburg
Gemeente
Roermond
Plaats
Roermond
Adres
Maasnielderweg 33 te Roermond
Toponiem
Maasnielderweg 33
Kadastrale registratie
Roermond, sectie B, nummer 8296 (gedeeltelijk)
x, y-coördinaten
Centrum:
198.011; 356.940
NW:
198.004; 356.964
NO:
198.025; 356.960
ZW:
197.997; 356.924
ZO:
198.017; 356.919
Aanleiding onderzoek
Omgevingsvergunning
Oppervlakte plangebied
Circa 860 m²
Huidig grondgebruik
Parkeerplaats (klinkerverharding)
Opdrachtgever
Sijben Ontroerend Goed B.V.
Bevoegde overheid
Gemeente Roermond
Opslag documentatie en materiaal Datum uitvoering veldwerk
N.v.t./Noordhoven 4 te Roermond tot deponering bij provinciaal depot te Heerlen/E-depot 1 maart 2023
Pagina | 6
AM22576
1. INLEIDING In opdracht van Sijben Ontroerend Goed B.V. heeft Aeres Milieu een archeologisch bureau- en verkennend veldonderzoek, d.m.v. boringen uitgevoerd op de locatie: Adres onderzoekslocatie
: Maasnielderweg 33 te Roermond
Gemeente
: Roermond
Oppervlakte
: Circa 860 m2
Huidig gebruik van de locatie
: Parkeerplaats (klinkerverharding)
Toekomstig gebruik
: Bedrijfsloods
Dit archeologische onderzoek is uitgevoerd conform de richtlijnen van de BRL SIKB 4000 (protocol 4002 en 4003), KNA 4.1. Het archeologische onderzoek bestaat uit een bureauonderzoek naar de historie en bodemgesteldheid van de onderzoekslocatie. Aanvullend hierop is een verkennend veldonderzoek d.m.v. boringen op het perceel uitgevoerd. De werkzaamheden in het veld zijn uitgevoerd onder leiding van een senior KNA-prospector.
Aanleiding De aanleiding voor het laten uitvoeren van dit bodemonderzoek betreft de voorgenomen (her)ontwikkeling van de locatie ten behoeve van de uitbreiding van de bestaande bedrijfsloods (Figuur 1). De diepte van de toekomstige bodemverstoring zal op basis van de aangeleverde bouwtekeningen gedeeltelijk tenminste circa 1,44 meter -mv bedragen (bovenkant verdiepte vloer op dwarsdoorsnede C-C ligt op 1,14 meter -mv). De overige funderingsdiepten zijn niet bekend. De onderzoekslocatie ligt volgens de Archeologische Beleidskaart van de gemeente Roermond (2011) in een zone die aangeduid staat als historische kern en daardoor een hoge archeologische verwachting toegekend krijgt. Binnen het bestemmingsplan Vrijveld Lommerveld (2011) geldt dubbelbestemming Waarde – Archeologie Voor deze zone geldt een onderzoeksplicht bij bodemingrepen met een oppervlakte groter dan 100 m2 en een verstoringsdiepte vanaf 40 centimeter onder maaiveld. De gemeente heeft middels deze kaart aangegeven dat er een archeologische onderzoeksplicht geldt (Bijlage 4).1
Doel Het doel van het archeologische bureauonderzoek is het opstellen van een gespecificeerd archeologisch verwachtingsmodel voor de locatie. Dit verwachtingsmodel wordt op basis van historische kaarten en bekende landschappelijke en archeologische gegevens gevormd. Dit verwachtingsmodel zal vervolgens leiden tot een aanbeveling over het behoud in-situ of eventueel vervolgonderzoek. Het doel van het aansluitende verkennend booronderzoek is het toetsen van het in het bureauonderzoek opgestelde verwachtingsmodel. Specifiek voor de onderzoekslocatie Maasnielderweg 33 te Roermond zijn de volgende onderzoeksvragen geformuleerd: •
Is er sprake van stratigrafische lagen die potentieel archeologische waarden kunnen bevatten?
•
In hoeverre zijn deze lagen intact en hoe reflecteert dit de kwaliteit van de mogelijk aanwezige archeologische resten?
1 Gemeente Roermond 2011, Beleidskaart Archeologie, kaartblad 13.
Pagina | 7
AM22576
•
Wat is de diepteligging van mogelijke archeologische resten en wat is de daadwerkelijke bedreiging van deze resten door de voorgenomen bodemingrepen?
Plangebied Het plangebied ligt aan de Maasnielderweg, ten noordoosten van de historische stadskern van Roermond. De ligging van het plangebied is weergegeven in Figuur 2. Momenteel is het plangebied in gebruik als parkeerplaats. In het noorden wordt het plangebied begrensd door Maasnielderweg, in het oosten, zuiden en westen door bebouwing aan de Maasnielderweg.
Figuur 1. Impressie van de toekomstige situatie binnen het plangebied. Het plangebied is aangegeven met het rode kader. De huidige situatie is links weergegeven en de toekomstige situatie recht (Bron: Aangeleverd door de opdrachtgever).
Pagina | 8
AM22576
Figuur 2. Topografische ligging van het plangebied. Het plangebied is weergegeven met het rode kader (Bron: OpenTopo (Map5)).
Pagina | 9
AM22576
2. WERKWIJZE 2.1
Inleiding
Bij het uitvoeren van het bureauonderzoek is gebruik gemaakt van verschillende bronnen. Deze bronnen geven inzicht in bekende, of te verwachten, archeologische resten binnen het onderzoeksgebied. Daarnaast zijn deze bronnen van belang voor het opstellen van de landschapsgenese.
Archeologische bronnen •
Archeologische Monumentenkaart (AMK)
•
Archeologisch Informatiesysteem (Archis3)
•
Archeologische Beleidskaart van de gemeente Roermond
•
Specifieke lokale informatie (heemkundekring, amateurarcheologen)
Bodem- en geomorfologische kaarten •
Bodemkaart (Alterra)
•
Geomorfologische kaart (Alterra, uit Archis3)
•
Stroomgordelkaart Limburg (Woolderink 2018)
•
Geomorfogenetische kaart Maasdal (Ellenkamp, 2012)
•
Actueel Hoogtebestand Nederland (AHN3)
Historische kaarten •
Tranchotkaart (1803-1820)
•
Historisch kadastraal minuutplan (1800-1832)
•
Historische topografische en militaire kaarten (1830 tot 1978)
•
Moderne topografische kaart (tot 2022)
De Heemkundekring Roerstreek, is op 16 februari 2023 per e-mail gecontacteerd met de vraag met de vraag om aanvullende informatie betreffende het plangebied. Tot op heden is hierop nog geen reactie ontvangen.
2.2
Verkennend veldonderzoek door middel van boringen
Aan de hand van het Plan van Aanpak (PvA) en de Leidraad Inventariserend Veldonderzoek 2 wordt een verkennend booronderzoek met een boordichtheid van 6 boringen per hectare uitgevoerd. Het onderzoek is verkennend voor alle perioden. Het plangebied heeft een oppervlakte van 860 m2. Bij het verkennend veldonderzoek zal daarom uitgegaan worden van 4 boringen welke gelijkmatig over het plangebied worden verdeeld, zie Bijlage 2. De boorlocaties worden uitgezet ten opzichte van de hoekpunten van de perceelsgrenzen, straten, en aanwezige bebouwing. Vervolgens wordt de hoogte van deze punten bepaald met het Actueel Hoogtebestand Nederland (AHN).
2 Tol et al. 2012.
Pagina | 10
AM22576
Alle boringen worden gezet met een Edelmanboor met een boorkop van 7 centimeter en de boorkernen worden beschreven conform de ASB (Archeologische Standaard Boorbeschrijving 5.2), zie Bijlage 8. Hoewel niet het doel van een verkennend onderzoek, zal worden gelet op de aanwezigheid van archeologische indicatoren zoals fragmenten keramiek, fosfaatvlekken, houtskoolresten, en verbrande leem. Om deze reden worden de opgeboorde monsters, waar nodig, verbrokkeld.
Pagina | 11
AM22576
3. BUREAUONDERZOEK 3.1
Landschappelijke situatie - geomorfologie
De omgeving van het plangebied ligt in de Lage Maasterrassen.3 Het terrassenlandschap rondom het Maasdal is ontstaan door erosie en sedimentatie van de Rijn, Maas en Roer.4 Het plangebied bevindt zich op het Pleniglaciale terras of Laagterras met gelegen in de Roerdalslenk. De Roerdalslenk wordt begrensd door de Peelrandbreuk in het noordoosten en de Sandgewandbreuk in het zuidwesten. Deze rivierterrassen ten oosten van het plangebied zijn ontstaan in het Kwartair (circa 1,81 miljoen jaar geleden). Door klimaatschommelingen en gestage opheffing ontstond er een getrapt terrassenlandschap. Tijdens de ijstijden hadden de rivieren een onregelmatig debiet en grote sedimentaanvoer. Hierdoor ontstond er een vlechtend geulpatroon waarbij zand en grind werden afgezet over de gehele breedte van de actieve bedding. Gedurende interglaciale hadden de rivieren een meanderend karakter. De meanderende riviergeulen sneden zich in de oudere sedimenten die waren afgezet tijdens de ijstijden. Het actieve dal van de meanderende rivieren was minder breed. Hierdoor kwam de rest van de voormalige vlechtende rivierbedding tijdens het interglaciaal hoog en droog in het landschap te liggen. Door de afwisseling van warme en koudere perioden ontstaat een steeds diepere gelegen riviervlakte en ontstonden er rivierterrassen (Figuur 3).
In de omgeving van Roermond hebben de Maas en Rijn vrij grove, grindhoudende zanden afgezet op de midden-Pleistocene riviervlakte. De afzettingen van de Maas behoren tot de Formatie van Beegden. Indien er mineralogische componenten van de Rijn in het sediment aanwezig zijn dan worden deze afzettingen gerekend tot de Formaties van Waalre of Sterksel. Onder invloed van tektonische opheffing verplaatste de Rijn zich. Door deze opheffing heeft de Maas in de omgeving van het plangebied een vrij diep en stroomdal gevormd. Het terrassenlandschap van de Maas heeft een lange ontwikkelingsgeschiedenis, de oudste terrassen worden in het Saalien gedateerd (circa 130.000 jaar oud). Het eerstvolgende terras, gevormd onder de toenemende invloed van de Maas ligt circa 25 meter lager. Dit terras is gevormd in de periode van de laatste ijstijd, het Weichselien tot het Pleniglaciaal (circa 73.000 – 14.500 jaar geleden). De afzettingen uit deze periode behoren, zoals gezegd, tot de formatie van Beegden. Dit rivierterras is het oudst voorkomende rivierterras in de gemeente Roermond. De top van dit rivierterras ligt op circa 60 meter +NAP en bevindt zich ten noordoosten van het plangebied nabij de grens met Duitsland. Tijdens de korte warmere periode van het Allerød interstadiaal (circa 13.500 - 12.750 jaar geleden) ontwikkelde zich vegetatie waardoor de sedimentatie en watertoevoer veranderde.
Als gevolg hiervan vormde zich een hoofdgeul die zich meanderend in het tweede terras sneed. Hieruit ontstond een volgend terras dat ook wel bekend is als Allerød-terras, circa vier meter lager gelegen dan het vorige terras. De laatste fase voor de opwarming van het Holoceen omvat de Jonge Dryas (circa 12.750 - 11.750 jaar geleden). Tijdens de Jonge Dryas daalt de temperatuur weer waardoor de aanvoer van het sediment weer toenam. In deze periode neemt de rivier weer een vlechtend patroon aan. Dit vlechtende patroon stroomde met name aan de oostoever en erodeerde daar een groot deel van het Allerød-terras en zette hier matig fijne tot grove zanden af.
3. Rensink et al., 2019. 4. Berendsen 2008a. Paragraaf 2.2.1 is ontleend aan Kalisvaart 2012.
Pagina | 12
AM22576
De tweede helft van de Jonge Dryas was aanzienlijk droger, verstuivingen vanuit de rivierbedding zorgden voor afzettingen op het Allerød-terras en tweede terrasniveau. De verstuivingen vormden in de omgeving een dekzandpakket. Met de intrede van het Holoceen veranderde het klimaat sterk waardoor de aanvoer van sediment en water constanter werd. De Maas trok zich als meanderende rivier terug in het huidige Holocene dal, waarin ook het plangebied ligt. Hier hebben zich ook zandverstuivingen voorgedaan, echter is hier niet met zekerheid te zeggen of het om een natuurlijk fenomeen gaat. In de omgeving van Roermond is het zand- en grind grotendeels ontgonnen waardoor grote grindgaten zijn ontstaan. Volgens de Geomorfogenetische kaart van het Maasdal ligt het plangebied in een terras dat tijdens het Allerød-interstadiaal is gevormd (Bijlage 5b). Volgens de Stroomgordelkaart van de Maas in Limburg en de Maasterrassenkaart ligt het plangebied dan ook op een Pleniglaciaal Maasterras (Figuur 4). Volgens de oppervlakte geologiekaart komen ter plaatse van het plangebied in de bodem dekzand en overige periglaciale afzettingen (code BX4). 5 Deze afzettingen behoren tot de Formatie van Boxtel (BX4).
Op de geomorfologische kaart (Bijlage 5A) is het plangebied niet gekarteerd vanwege de ligging in de bebouwde kom van Roermond. De bebouwde kom wordt omringd door meerdere landschappelijke eenheden: dalvlakteterras (code 5E44) en restgeul (code 22R43). Op 1,4 kilometer ten oosten van het plangebied ligt een restgeul (code 22R43). Ter plaatse stroomt de (Asseltse) Leygraaf.
Op het Actueel Hoogebestand Nederland (AHN3, Bijlage 7) is goed te zien dat het plangebied en omgeving hoog in het landschap ligt. De restgeul ten oosten van het plangebied is te herkennen als lager gelegen zone. Dit geldt zeker ook voor het Holocene dal van de Maas ten noordwesten van het plangebied, gekarteerd als een rivierdalbodem (Bijlage 5, code 32R41), en die ook te zien is op de stroomgordelkaart (Bijlage 5B) en de Maasterrassenkaart (Figuur 4). De maaiveldhoogte in het plangebied is nagenoeg gelijk en ligt op 26,99 tot 27,08 meter +NAP.
5 Geologische overzichtskaart van Nederland, 2021.
Pagina | 13
AM22576
Figuur 3. Schematische voorstelling van rivierterrassen in een opheffingsgebied (Bron: Stouthamer 2020, 161).
Pagina | 14
AM22576
Figuur 4. De verschillende Maasterrassen rondom Roermond. Het plangebied (bij benadering aangegeven met de rode cirkel) ligt op het Pleniglaciale terras van de Maas (Bron: Ellenkamp, Tichelman en De Baere 2008, 20 (RAAP rapport 1741).
3.2
Landschappelijke situatie - bodem
Op de bodemkaart (Bijlage 6) is het plangebied vanwege de ligging in de bebouwde kom van Roermond niet gekarteerd. Op basis van aangrenzende bodemkundige eenheden en de verwachte ligging op het Pleniglaciale Maasterras, worden radebrikgronden gevormd in fijnzandige, lichte zwavel (BKd26) verwacht. Mogelijk is sprake van holtpodzolgronden (code Y23). De brikgronden vormen de meest voorkomende van de bodems op het laat-glaciale Maasterras. Kenmerkend voor brikgronden is de aanwezigheid van een klei-inspoelingshorizont ('textuur-B' of briklaag). Ze ontstaan wanneer door bodemvorming ontkalking plaatsvindt. Vervolgens vindt er uitspoeling van klei plaats. De horizont waar klei-uitspoeling heeft plaatsgevonden, wordt de uitspoelings- of E-horizont genoemd. In een dieper gelegen laag accumuleert de klei en ontstaat een zogenaamde inspoelings- of Bt-horizont. De Bt-horizont (briklaag) is vaak bruinrood en tamelijk stug. Onder de Bt-horizont bevindt zich het onaangetaste, oorspronkelijke materiaal (C-horizont). De kleiige afzettingen waarin zich de radebrikgrond heeft gevormd zijn oeverafzettingen van de vroegere Laat-Glaciale Maas. Op enige diepte zullen deze overgaan in meer grofzandige terrasafzettingen. Bij podzolgronden is sprake van podzolering. Tijdens dit natuurlijke proces worden door infiltrerend regenwater kleine deeltjes ijzer, aluminium en lutum uitgespoeld.
Dit wordt uitloging genoemd. Deze deeltjes worden door het water naar beneden getransporteerd, waar inspoeling plaatsvindt.
Pagina | 15
AM22576
Holtpodzolgronden zijn gronden die zijn ontstaan op relatief mineraalrijke en zandige bodems. Holtpodzolgronden maken deel uit van de moderpodzolgronden. Deze bodems hebben een duidelijke moderpodzol-B. Moder, wat ‘verrotting’ betekend, is een humusvorm waardoor een bruine tot donkerbruine B-horizont is ontstaan als gevolg van biologische activiteit en door interne verwering. De humusdeeltjes bevinden zich afzonderlijk tussen de zandkorrels. Holtpodzolgronden kunnen voorkomen met én zonder zanddek. Het eventueel aanwezige zanddek is dunner dan 40 centimeter, zij worden vooral aangetroffen bij stuifzandcomplexen.6 Grondwatertrap De mogelijk aanwezige gronden worden gekenmerkt door een gemiddeld lage grondwaterstand, te weten grondwatertrap VII. Dit zijn de gemiddelde grondwaterstanden die op de bodemkaart staan aangegeven. Dit betekent dat de gemiddeld hoogste grondwaterstand tussen de 80 en 140 centimeter beneden maaiveld ligt. De gemiddeld laagste grondwaterstand ligt dieper dan 160 centimeter beneden maaiveld. Deze lage grondwaterstand zorgt voor slechte bewaringsomstandigheden voor eventuele organische resten.
3.3
Bewoningsgeschiedenis – historisch overzicht
De bestudeerde en beschikbare bronnen hebben het volgende beeld kunnen schetsen over de geschiedenis van Roermond en omgeving. Het plangebied ligt aan de Maasnielderweg op circa 700 meter ten noordoosten van de stadskern van Roermond. Roermond kent een lange bewoningsgeschiedenis. De nederzetting ontstond op de locatie waar de rivier de Roer in de Maas uitkomt. In de Romeinse periode waren er rondom de huidige stadskern al enige bewoningsactiviteiten. De ontwikkeling van de middeleeuwse nederzetting zal zeker gerelateerd zijn geweest aan het castrum van de graven van Gelre dat op zijn laatst vanaf het einde van de 12e eeuw in gebruik zal zijn genomen. Deze versterking bevond zich op de Buitenop.7 De naam Roermond (Ruregemunde) komen we voor het eerst in de schriftelijke bronnen tegen in het jaar 1130. Medio 12e eeuw is sprake van de Ruremunde. De naam verwijst waarschijnlijk naar een munte, een (versterkte?) heuvel aan de Roer.8 Naast deze nederzetting moet tegen het eind van de 12e eeuw een kleine handelsnederzetting tot stand zijn gekomen bij de monding van de Roer in de Maas. Roermond zou in 1214 door Keizer Otto IV (1198-1215) zijn verwoest. Roermond zal direct hierna opnieuw zijn opgebouwd/aangelegd onder toezicht van de graaf van Gelre. 9 In 1224 is sprake van het oppidum Roermond, hetgeen verwijst naar een ‘stedelijke nederzetting’.
In 1231 kreeg Roermond stadsrechten van graaf Otto II. Het jaar daarop werden de eerste ommuringen rondom de stad gerealiseerd.10 Sinds circa 1350 werd Roermond de hoofdstad van het Overkwartier van Gelre. In de 14e eeuw werd een tweede omwalling aangelegd middels ommuringen. In deze periode werden ook de stadspoorten zoals de Kattentoren, Swalmerpoort en de Moerkenspoort (Venlosepoort) gebouwd. Het plangebied maakte tot ver in de 20e eeuw deel uit van de bouwlandgronden gelegen tussen de stadskern van Roermond en Maasniel en Broekhin.
6 De Bakker en Schelling 1989, 117. 7 Nissen en Van der Bruggen 2014, 27. 8 Van Berkel en Samplonius 2006, 382. 9 Van de Garde 2002 (via www.historieroermond.nl). 10 Van de Garde 2002 (via www.historieroermond.nl).
Pagina | 16
AM22576
De Maasnielderweg vormde de verbindingsweg tussen de stad Roermond via de Venloseweg naar Maasniel. De kernen van Maasniel, Broekhin en ook het verder noordelijk gelegen Leeuwen waren met elkaar verbonden door een zuid-noordwest georiënteerde hoofdweg (huidige Wilhelminalaan) dat feitelijk de hier aanwezige geul volgt waar de Maasnielderbeek stroomt. De oude dorpskern van Maasniel ligt op circa 580 meter ten oosten van het plangebied. De nederzetting Maasniel wordt in het jaar 943 al in de schriftelijke bronnen genoemd als sprake is van Nieol. 11 Latere benamingen zijn Nile (1222), de Nyele (1266) en Maisnillio (1350).12 Maasniel was in 1298 een zelfstandige parochie. De huidige uit 1951 daterende Sint Laurentiuskerk heeft voorloper in de vorm van een vroegmiddeleeuwse zaalkerk met een fundering van maaskeien waarin Romeinse bouwmaterialen waren verwerkt.13 De nederzetting en het omliggende gebied maakte in de late middeleeuwen deel uit van de heerlijkheid Daelenbroek, behorend bij het kasteel in Herkenbosch. Het was op haar beurt onderdeel van het Overkwartier / Opper-Gelre.14 De kern van de nederzetting Leeuwen is van (laat)middeleeuwse oorsprong. De kern van Broekhin stamt waarschijnlijk uit de vroegmoderne periode (17e eeuw)15, al kan een (laat)middeleeuwse oorsprong niet worden uitgesloten.
Er zijn binnen het werk van Van Blankenstein enige gegevens bekend over enkele oorlogsvernielingen in Roermond gedurende de Tweede Wereldoorlog. Naast spoorbruggen werden enkele tientallen woningen beschadigd of vernield in de stad. 16 In het jaar 1943 vond een vliegtuigcrash plaats in Maasniel (achter de steenfabriek), op circa 500 meter ten noordoosten van het plangebied. 17 Het is niet bekend of binnen of in de onmiddellijke omgeving van het plangebied oorlogsgerelateerde verwoestingen of crashes hebben plaatsgevonden. Dit is dus niet uit te sluiten.
3.4
Bewoningsgeschiedenis – archeologische waarden
Op de leidende Archeologische Beleidskaart van de gemeente Roermond geldt voor het plangebied een hoge archeologische verwachting: historische kern (Bijlage 4).18 In de omgeving van het plangebied (binnen een straal van 500 meter) is volgens de gegevens uit Archis3 één archeologisch monument en zijn meerdere archeologische waarnemingen en onderzoeksmeldingen bekend (Bijlage 3 en Tabel 1). Monumentnummer 16.306 Op 400 meter ten oosten van het plangebied ligt een terrein waarop bewoningssporen uit de late middeleeuwen tot en met de nieuwe tijd zijn gevonden. Het gaat om de oude dorpskern van Maasniel. Zaakidentificatie 3119515100
Afstand Circa 55 m ten NW
Soort onderzoek
van het plangebied
Omschrijving Registratie archeologische vondstmelding in 1989 van keramiek, brons, dierlijk bot, tufsteen, glas, graf, crematiegraf, grafveld uit de ijzertijd – Romeinse tijd. Bij het graven van een gasleidingsleuf werd een grafvondst gedaan, zodat er een opgraving werd gestart. In het bovenstaande zijn de belangrijkste vondsten ingevoerd, waaronder enige royale bijgiften van een enkel graf.
11 Renes 1999, 258-259; Nissen en Van der Bruggen 2010, 21. 12 Van Berkel en Samplonius 2006, 283; www.maasniel.nl. 13 Renes 1999, 303. 14 Renes 1999, 322. 15 www.historieroermond.nl; www.maasniel.nl. 16. Van Blankenstein 2006, 163. 17 Van Blankenstein 2006, 131 en 135. 18 Beleidskaart Archeologie, gemeente Roermond, 2011, kaartblad 13.
Pagina | 17
AM22576
Zaakidentificatie
Afstand
Soort onderzoek
Omschrijving Het grafveld maakt een rijke indruk. Het meeste aardewerk dateert uit de tweede eeuw na Chr.
2871964100
Circa 65 m ten NW
Opgraving 1988
van het plangebied
In de proefsleuf ten westen van meubelfirma Sijben werden resten van crematiegraven aangetroffen evenals aardewerkscherven en een Romeinse munt. Enkele proefsleuven ten noorden van het terrein waren vondst loos. De opgraving was noodzakelijk, omdat meubelbedrijf Sijben ging uitbreiden. Op deze plaats zijn in het verleden en in later tijd meerdere crematiegraven aangetroffen, behorend
tot
een
Romeins
grafveld
(zie
omliggende
zaakidentificatienummers). 3091813100
Circa 65 m ten NW
Registratie archeologische vondstmelding in 1981 van meerdere
van het plangebied
vondsten keramiek, menselijk bot, ijzer, grafveld, vlakgraf en complextype uit de vroeg Romeinse tijd – midden Romeinse tijd.
3119507100
Circa 75 m ten NW
Registratie archeologische vondstmelding in 1989 van glas
van het plangebied
(kom/schaal, fles, kan), keramiek (gladwandige kruik), crematiegraf, grafveld en begraving uit de Romeinse tijd.
2879221100
Circa 70 m ten NW
Registratie archeologische vondstmelding in 1971 van keramiek
van het plangebied
(aardewerk handgevormd: 3-ledig lage vorm) en urnenveld uit de vroege ijzertijd.
3119175100
Circa 65 m ten NW
Registratie archeologische vondstmelding in 1964 in keramiek
van het plangebied
(ruwwandige kookpot, ruwwandig deksel, Terra nigra bord), menselijk bot (crematieresten), crematiegraf, grafveld, begraving uit de midden Romeinse tijd.
2802198100
3119645100
Circa 100 m ten NO
Registratie archeologische vondstmelding in 1989 van graf
van het plangebied
(onderdeel) en grafveld (crematies) uit de midden Romeinse tijd.
Circa 100 m ten NO
Registratie archeologische vondstmelding in 2015 van keramiek
van het plangebied
(Terra sigillata wrijfschaal en drinkbeker) en complextype uit de midden Romeinse tijd – laat Romeinse tijd.
2112474100
Circa 120 m ten NO
IVO-o door ADC
De bodemopbouw binnen het plangebied is tot circa 1 m -mv ernstig
van het plangebied
ArcheoProjecten in
vergraven. Er zijn geen archeologische indicatoren aangetroffen.
2006
Aangezien vele indicatoren in de onmiddellijke omgeving van het plangebied wijzen op de mogelijke aanwezigheid van een Romeins grafveld, adviseren we om in het plangebied een aanvullend archeologisch onderzoek uit te voeren. Dit onderzoek kan gebeuren in de vorm van een opgraving met beperkingen.
2164006100
Circa 120 m ten NO
IVO-p door ADC
Er werden geen sporen aangetroffen en de ingezamelde vondsten
van het plangebied
ArcheoProjecten in
(aardewerk) kwamen allemaal uit de bouwvoor. Er is bijgevolg geen
2007
sprake van een vindplaats, nederzetting of grafveld. Er is geen vervolgonderzoek geadviseerd.
2871072100
Circa 130 m ten NO
Registratie archeologische vondstmelding in 2015 van bot
van het plangebied
(crematieresten), glas (meloenkraal) en begraving uit de Romeinse tijd.
2118282100
Circa 10 m ten Z van
AB door ADC
Het onderzoek betreft een archeologische begeleiding ten behoeve
het plangebied
ArcheoProjecten in
van de aanleg van bezinkbasins en aanpassingen aan het
2006
rioolstelsel op verschillende locaties in Roermond. De locaties Pagina | 18
AM22576
Zaakidentificatie
Afstand
Soort onderzoek
Omschrijving liggen verspreid door Roermond. Tijdens de begeleiding zijn op geen van de locaties archeologische sporen of vondsten aangetroffen. Er is geen vervolgonderzoek geadviseerd.
4015667100
Circa 100 m ten NW
BO door Sweco in
Het onderzoek betreft de Maaslijn, de enkelsporige verbinding
van het plangebied
2016
Nijmegen – Venlo – Roermond. Het tracé ligt grotendeels in zones met een hoge archeologische verwachting en deels in zones met een middelhoge verwachting en een klein deel in zones met een lage verwachting. Voor het gehele tracé is een archeologisch vervolgonderzoek geadviseerd.
5079116100
Circa 500 m ten O
IVO-o door Aeres
De
bodem
bestaat
uit
zandige
en
lemige
oever-
en
van het plangebied
Milieu in 2021
beddingafzettingen van de Maas bedekt door een (humeus) zandpakket. Er is een vervolgonderzoek geadviseerd.
2229188100
Circa 400 m ten ZO
IVO-o door ADC
Het plangebied is volledig geasfalteerd. Onder het asfalt is een
van het plangebied
ArcheoProjecten in
puinlaag van enkele dm dik aangetroffen. Hieronder zijn matig tot
2009
sterk siltige zandpakketten aangetroffen. Dit zijn Pleistocene rivierafzettingen van de Maas, behorende tot de Formatie van Beegden.
Er
zijn
geen
kenmerken
van
bodemvorming
waargenomen. Er is geen vervolgonderzoek geadviseerd. 4625824100
Circa 440 m ten ZO
IVO-o door
De bodem is tot in de Maasterrasafzettingen verstoord. Op basis van
van het plangebied
Econsultancy BV in
de waargenomen bodemverstoringen en de aanwezigheid van
2018
bebouwing op een deel van de nieuwbouwlocatie, kan worden geconcludeerd dat archeologische waarden niet meer in situ worden verwacht. Er is geen vervolgonderzoek geadviseerd.
3117158100
Circa 400 m ten Z van
Registratie archeologische vondstmelding in 1865 van metaal
het plangebied
(munt), vuursteen (werktuig/gereedschapsonderdeel), keramiek (aardewerk), begraving en complextype uit het neolithicum – Romeinse tijd.
2724008100
Circa 390 m ten ZW
Registratie archeologische vondstmelding in 1977 van keramiek
van het plangebied
(aardewerk handgevormd: 3-ledig lage vorm – trechterhals) en complextype uit de vroege ijzertijd.
2174083100
Circa 450 m ten ZW
IVO-o door SOB
Archeologische resten die tijdens de uitvoering van het project
van het plangebied
Research in 2007
(deels) vergraven werden, zijn gedocumenteerd. Zo is de informatie hiervan ex situ bewaard. Verder archeologisch onderzoek is in het kader van dit project niet meer aan de orde. Er is een proefsleuvenonderzoek geadviseerd.
2286269100
Circa 450 m ten ZW
IVO-p door SOB
Er zijn geen relevante archeologische sporen aangetroffen. Er zijn
van het plangebied
Research in 2010
enkele fragmenten aardewerk en een fragment natuursteen aangetroffen uit de ijzertijd – late middeleeuwen. Deze vondsten zijn gedaan in het landbouwdek. Er is geen vervolgonderzoek geadviseerd.
2399004100
Circa 390 m ten W
IVO-o door Sweco in
Het plangebied ligt in een voormalige geul. Ten westen van de
van het plangebied
2013
kruising N280/Mijnheerkensweg bevat deze geul veel puin, en is daar afgedekt met een laag afval en puin uit de late 19e en vroege 20e eeuw.
Pagina | 19
AM22576
Zaakidentificatie
Afstand
Soort onderzoek
Omschrijving Het proefsleuvenonderzoek heeft alleen een klein fragment van de Cattentoren en een stukje muur, mogelijk de stadsmuur aangetroffen op 1.2 m – mv, op de plek waar dit ook verwacht werd. Op een tweede plek naast de Cattentoren, waar zich ook resten zouden bevinden is binnen 2.0 m –mv niets aangetroffen. In de overige 3 werkputten zijn geen resten van de stadsmuur aangetroffen, ondanks een put diepte van 2.0 m. Wel werden resten van de inrichting van het park uit de late 19e eeuw aangetroffen, en kon worden vastgesteld dat de 19e -eeuwse tuinmuren achter de Swalmerstraat een hoogte hebben van meer dan 3 m. Het oorspronkelijke maaiveld zal hier dus minimaal 1.5 tot 2.0 m lager hebben gelegen dan het huidige. Het terrein tussen de N280 en de tuinmuren blijkt in tenminste twee fasen te zijn opgehoogd vanaf de late 19e eeuw. De kans dat zich binnen het plangebied resten van de stadsmuren kunnen worden aangetroffen binnen 1.0 m –mv, wordt gering geacht, daar het onderzoek heeft aangetoond dat de stadsmuren verder van de huidige N280 afliggen dan aanvankelijk werd aangenomen.
4629072100
Circa 390 m ten W
AB door RAAP
Het onderzoek betreft een AB in het kader van het project
van het plangebied
Archeologisch
Herstructurering N280 in de gemeente Roermond. Tijdens het
Adviesbureau in
onderzoek zijn meerdere vondsten keramiek, glas, fundering, gracht
2018
en greppel/sloot uit de nieuwe tijd - recent. Archeologische resten die tijdens de uitvoering van het project (deels) vergraven werden, zijn gedocumenteerd. Zo is de informatie hiervan ex situ bewaard. Verder archeologisch onderzoek is in het kader van dit project niet meer aan de orde.
Tabel 1. Overzicht van Archismeldingen binnen een straal van 500 meter rond het plangebied.
3.5
Bewoningsgeschiedenis – historisch kaartmateriaal
In het kader van het bureauonderzoek is historisch kaartmateriaal bestudeerd. Op de oudst bestudeerde kaart, de stadsplattegrond van Jacob van Deventer uit circa 1558-1570 (Figuur 5) zijn zowel de Venloseweg (ten westen van het plangebied) als ook de Maasnielderweg al bestaande wegen. De Maasnielderweg vormt een verbindingsweg tussen de Venloseweg en de kern van Maasniel. Ook is (de voorloper van) de Doctor Philipslaan al aanwezig, direct ten zuidwesten van het plangebied. Verder ten zuidwestelijk is het historische stadscentrum van Roermond te zien. Er is geen bebouwing aanwezig binnen of in de omgeving van het plangebied, afgezien van een molen aan de Venloseweg, nabij de splitsing met de Maasnielderweg. De bebouwing concentreert zich nagenoeg geheel binnen de bestaande kernen.
Pagina | 20
AM22576
Op het minuutplan uit het begin van de 19e eeuw (Figuur 6)19 is de situatie op kadastraal niveau te zien. Hierop is te zien dat het plangebied in een onbebouwde zone ligt dat staat omschreven als Vrij Veldt (verwijzend naar de open agrarische gronden buiten de stad). Er is geen bebouwing aanwezig in de directe omgeving. Volgens de Oorspronkelijke Aanwijzende Tafels (OAT)20 behorende bij het minuutplan, is het perceel waarin het plangebied ligt als bouwland in gebruik. Op de kaarten uit 1901 en 1930 (Figuur 7) is een soortgelijke situatie te zien. Het plangebied blijft onbebouwd en net als het omliggende gebied als bouwland in gebruik. Aan de noordzijde van de Maasnielderweg is wel enige bebouwing aanwezig. De kaart uit 1950 laat enige veranderingen zien als Roermond meerdere uitbreidingen kent, zoals is te zien ten westen, noorden en oosten van het plangebied. Het plangebied zelf is als bouwland in gebruik. In 1970 is de situatie geheel veranderd als de huidige straten en infrastructuur zijn aangelegd en het plangebied deel gaat uitmaken van een bedrijventerrein. Op deze kaart is de bebouwing direct ten westen van het plangebied te zien. Volgens de gegevens uit het Basisregister Adressen en Gebouwen (BAG) stamt de bebouwing uit of kort na 1951.21
Figuur 5. Uitsnede van de stadsplattegrond van Jacob van Deventer uit 1558-1570. Het plangebied is globaal aangegeven met de rode cirkel (Bron: http://bdh-rd.bne.es (website Biblioteca Nacional de España te Madrid).
19 www.beeldbank.cultureelerfgoed.nl Gemeente Roermond, sectie B, blad 3. Minuutplans zijn de oorspronkelijke kadastrale kaarten die zijn vervaardigd vanaf 1811 en 1812 in navolging van de Fransen o.l.v. Napoleon Bonaparte. Het zijn grondbeschrijvingen (kadasters) van de gemeenten met hierop aangegeven de percelen, perceelnummers en gebouwen. 20 OAT = Oorspronkelijke Aanwijzende Tafel. Dit is een register uit 1832 waarin diverse gegevens in vermeld staan die betrekking hebben op de betreffende percelen, zoals de eigenaar, beroep en woonplaats, alsmede het grondgebruik en de oppervlakte. 21 www.bagviewer.kadaster.nl Pagina | 21
AM22576
Figuur 6. Uitsnede van het kadastraal minuutplan uit 1811-1832, met in het rood bij benadering het plangebied aangegeven (Bron: www.beeldbank.cultureelerfgoed.nl).
Pagina | 22
AM22576
Figuur 7. Uitsneden van historische kaarten uit de perioden 1901, 1930, 1950 en 1970. Het plangebied is aangegeven met het rode kader (Bron: www.topotijdreis.nl).
Pagina | 23
AM22576
4. VERWACHTINGSMODEL Jager-verzamelaars uit het paleolithicum en mesolithicum hebben als woon- en verblijfplaats vaak voor de flanken van hoger liggende terreingedeelten in het landschap gekozen. Bij voorkeur in de buurt van (open) water. Nabijgelegen watervoorzieningen waren belangrijk voor drinkwater en de aanwezige biodiversiteit. Dit vergemakkelijkt de jacht en het verzamelen van plantaardig voedsel. Door meerdere verleggingen van de Maas ontstond er een geaccidenteerd landschap, waarbij hoge oeverwallen en laag gelegen restgeulen (verlaten meanders van de Maas) zich op korte afstand afwisselde. Het plangebied ligt hoog op het Pleniglaciale rivierterras (circa 73.000 – 14.700 jaar geleden). Ten oosten van het plangebied ligt een oude geul waar de Maasnielderbeek stroomt. De hoge ligging in de relatieve nabijheid van water zal een aantrekkelijke bewoningslocatie zijn geweest in deze perioden. In de wijde omgeving en binnen dezelfde landschappelijke setting zijn enige vuurstenen artefacten uit het laatpaleolithicum en het mesolithicum bekend. Op basis hiervan geldt een hoge verwachting voor vuursteenresten uit de periode midden- en laat-paleolithicum en het mesolithicum.
Mogelijk aanwezige resten uit deze perioden worden onder de bouwvoor, in (de top van) de Bt-horizont tot in de oorspronkelijke bodem verwacht en kunnen bestaan uit tijdelijke bewoningssporen, haardkuilen, artefacten van vuursteen. Vanaf het (laat-)neolithicum ontstaan de eerste landbouwculturen die gekenmerkt worden door meer sedentaire nederzettingen. Deze nederzettingen worden gekenmerkt door permanente woningen die soms diep in de grond gefundeerd waren, waarbij men een voorkeur had voor hoger en droger gelegen gebieden. In latere prehistorische perioden zal het plangebied vanwege haar hoge ligging nabij water een aantrekkelijke vestigingslocatie zijn geweest. In de omgeving en binnen hetzelfde dalvlakteterras zijn vondsten bekend uit zowel het neolithicum, bronstijd als uit de ijzertijd. In de directe omgeving van het plangebied, voornamelijk binnen 75 meter ten noorden, zijn meerdere nederzettingsresten en begravingsresten bekend uit de ijzertijd en Romeinse tijd. De aangetroffen resten wijzen op de verwachte aanwezigheid van een Romeins grafveld. Er geldt om die reden een hoge verwachting voor nederzettingsresten uit de periode neolithicum tot en met de vroege middeleeuwen.
Resten uit de periode neolithicum tot en met de vroege middeleeuwen worden onder de bouwvoor, in (de top van) de Bt-horizont tot in de oorspronkelijke bodem verwacht en bestaan uit een cultuurlaag, paalkuilen/-gaten, afvalkuilen, fragmenten aardewerk, natuursteen of gebruiksvoorwerpen. Het plangebied ligt aan de Maasnielderweg en maakte tot ver in de 20e eeuw deel uit van de bouwlandvelden tussen de stad Roermond en de omliggende dorpen en buurtschappen. Uit bestudering van historische kaarten blijkt dat het plangebied sinds tenminste medio 16e eeuw onbebouwd was en deel uitmaakte van een bouwlandgebied en gelegen langs de Maasnielderweg. Deze weg vormde via de Venloseweg een verbindingsweg tussen Roermond en Maasniel, ten oosten van het plangebied. Vanaf de jaren vijftig of zestig van de 20e eeuw werd de huidige bedrijfsbebouwing gerealiseerd rondom het plangebied. Het kan niet uitgesloten worden dat binnen het plangebied historische bebouwing aanwezig was, mede gezien de ligging aan een doorgaande weg. Op basis van deze gegevens geldt voor het plangebied een middelhoge verwachting voor de periode late middeleeuwen tot en met de nieuwe tijd.
Archeologische resten worden vanaf het maaiveld verwacht en kunnen bestaan uit onder andere cultuurlagen, paalkuilen/-gaten, afvalkuilen, gebruiksvoorwerpen van bijvoorbeeld natuursteen, fragmenten aardewerk en sporen van agrarische activiteiten
Pagina | 24
AM22576
Wat betreft de conservering en gaafheid van eventueel aanwezige archeologische resten kan het volgende gesteld worden: Wegens de verwachte aanwezigheid van radebrikgronden worden eventueel aanwezige archeologische resten direct onder het maaiveld worden verwacht. Wat betreft eventueel aanwezige organische resten is het afhankelijk hoe diep het grondwater zit. Bij de aanwezige gronden zijn de omstandigheden voor het aantreffen van organische resten minder goed: door de lage grondwaterstand (GWT VII) kunnen organische resten vaak enkel in dieper, waterhoudende sporen zoals waterputten bewaard blijven. Periode Midden-
Verwachte kenmerken vindplaats Resten van kampementen, fragmenten
Diepteligging sporen Onder de bouwvoor, in de top van de Bt-
paleolithicum -
vuursteen, natuursteen,
horizont tot in de oorspronkelijke bodem
mesolithicum
gebruiksvoorwerpen
(laat)-neolithicum –
Verwachting Hoog
Hoog
Nederzettingsresten, fragmenten aardewerk,
Onder de bouwvoor, in de top van de Bt-
vroege
natuursteen, gebruiksvoorwerpen
horizont tot in de oorspronkelijke bodem
middeleeuwen
IIzertijd – Romeinse tijd: specifieke kans op begravingsresten, aardewerk, asresten, gebruiksvoorwerpen
Volle middeleeuwen – nieuwe tijd
Middelhoog
Cultuurlaag, funderingsresten, natuursteen,
Vanaf het maaiveld, in te top van de
fragmenten aardewerk,
Maasafzettingen en/of in de bouwvoor
gebruiksvoorwerpen, sporen van agrarische activiteiten, restanten wegen/paden Tabel 2. Archeologische verwachting per periode.
Bodemverstoring Er zijn geen gegevens van bodemverstoringen binnen het plangebied bekend. Mogelijk is verstoring opgetreden als gevolg van het gebruik als akkerland (diepploegen) en tijdens de aanleg van het huidige bedrijfsgebouw grenzend aan het plangebied. Op basis van de KLIC-melding (uitgevoerd op 23 februari 2023) zijn binnen het plangebied geen kabels/leidingen gegraven die voor een verstoring van de bodem kunnen hebben gezorgd.
Pagina | 25
AM22576
5. VELDWERKZAAMHEDEN 5.1
Algemeen
Het doel van het verkennend veldonderzoek door middel van boringen is het toetsen van de opgestelde gespecificeerde archeologische verwachting voor het plangebied (Hoofdstuk 4). Hiertoe zijn op 1 maart 2023 in totaal 4 boringen gezet (zie Bijlage 2 en 8). De boringen zijn uitgevoerd met een Edelmanboor met een diameter van 7 centimeter. De boordiepte varieerde van 220 centimeter onder maaiveld. De boorkernen zijn conform ASB (Archeologische Standaard Boorbeschrijving 5.2) beschreven, zie Bijlage 8. De hoogteligging van de boorpunten ten opzichte van NAP is afgeleid van het AHN3 (www.ahn.nl). De maaiveldhoogte in het plangebied is nagenoeg gelijk en ligt op 26,99 tot 27,08 meter +NAP.
Er is geen oppervlakte kartering uitgevoerd in verband met de aanwezige verharding.
Figuur 8. Foto plangebied, kijkende in zuidelijke richting (Foto: 1 maart 2023).
5.2
Fysisch geografische beschrijving van de bodemopbouw
De top van de bodem wordt gevormd door een dik pakket (circa 95 tot 125 centimeter) matig grof grindrijk zand. Het zand is (matig) slecht gesorteerd en matig slecht afgerond. De kleur van dit pakket varieert van oranjebeige tot licht grijs. Plaatselijk zijn inclusies onbewerkt vuursteen en glas waargenomen. In boring 3 heeft dit pakket een sterk vlekkerig karakter. Pagina | 26
AM22576
Hieronder bevindt zich een pakket van zwak siltig, matig fijn zand. Het zand is matig goed gesorteerd en bevat plaatselijk grindrijke lagen. De top van dit pakket bestaat uit een bruin-oranje zandlaag. Hieronder ligt een licht grijsbeige zandlaag. De top van dit pakket is aangetroffen op circa 125 tot 135 centimeter onder maaiveld. Dit komt overeen met circa 25,68 tot 25,83 meter +NAP. Vanaf circa 170 centimeter onder maaiveld (circa 25,18 meter +NAP) zijn dunne roodbruine zandlaagjes waargenomen. In boring 3 en 4 is tussen het matig grove grindrijke en het zwak siltige, matig fijne zandpakket een circa 20 tot 30 centimeter dik pakket matig humeus, matig siltig, matig fijn zand aangetroffen. In boring 3 bevat dit pakket sporen baksteen. Dit pakket heeft een donker grijsbruine kleur. De top van de humeuze zandlaag is aangetroffen op circa 25,76 tot 26,08 meter +NAP (circa 95 tot 105 centimeter onder maaiveld). In boring 4 onder het donker grijsbruine zandpakket een circa 10 centimeter dikke laag zwartbruin zand. Daaronder is een circa 10 centimeter dikke zwak siltig, matig fijn groengrijze zandlaag aangetroffen.
(sub-)recent opgebracht 8 cm -mv
Ap-hor Bw-hor
C-hor
220 cm -mv Figuur 9. Foto van boring 4. De leesrichting is van linksboven naar rechtsonder (0 – 220 centimeter) (Foto: 1 maart 2023).
5.3
Interpretatie
Het diep gelegen zandpakket hangt samen met de oudste afzettingen. Dit pakket is geïnterpreteerd als oever- en beddingafzettingen van de Maas. De datering van de beddingafzettingen zijn op basis van dit onderzoek niet eenduidig toe te kennen. Volgens Ellenkamp (2008, Figuur 4) 22 ligt het plangebied in een stroomgordel van de Maas die actief was in het Pleniglaciaal (circa 73.000 – 14.700 jaar geleden), laat-paleolithicum. De oever- en beddingafzettingen bestaat uit verschillende tinten bruin. Als gevolg van bioturbatie en interne verwering is er een dikke verbruinde laag ontstaan (Bw-horizont).
22 Ellenkamp, Tichelman en De Baere 2008, 20, RAAP rapport 1741.
Pagina | 27
AM22576
Door interne verwering is ijzer vrijgemaakt uit het kristalrooster van de kleimineralen en afgezet als huidjes rondom de korrel. Hierdoor heeft het pakket een roestkleur gekregen. In de diepte wordt de roestkleuring minder. De bodem is daar minder bruin en kan geïnterpreteerd worden als een BC-horizont. De C-horizont bestaat uit niet siltige beddingafzettingen. De groengrijze zandlaag aangetroffen in boring 4 duidt op gereduceerde toestand van het sediment.
De top van het zandpakket is in boringen 3 en 4 humeus en wordt in boring 3 gekenmerkt sporen baksteen. Dit duidt erop dat deze laag (sub)recentelijk is omgewerkt. Mogelijk is dit het gevolg door moderne grondbewerking voor de huidige bebouwing en/of als gevolg van (diep-)ploegen in het verleden. Ter plaatse van boring 6 is de bodem in beperkte mate verstoord. Hier is een Apb-horizont bestaande uit sterk humeus sterk zandige leem aangetroffen op 135 centimeter onder maaiveld (circa 25,68 meter +NAP). De kleur van is donker zwartbruin. Deze laag heeft een dikte van circa 10 centimeter. Vervolgens is het plangebied opgehoogd met een antropogeen opgebracht pakket matig fijn tot matig grof zand. De dikte van het pakket varieert van circa 95 – 125 centimeter. In het zandpakket komen fragmenten onbewerkt vuursteen en sporen glas voor. Het bovenste deel of een gedeelte van het oorspronkelijke bodemprofiel (A-horizont) lijkt te zijn verdwenen in boringen 1 en 2, waarschijnlijk met de aanleg van het bedrijventerrein. Op basis van de hoogteligging van de top van de Bw-horizont (circa 25,79 meter +NAP) lijkt de verstoring minimaal te zien. Geologisch (en lithostratigrafisch) gezien behoren de aangetroffen natuurlijke afzettingen tot de Formatie van Beegden.23
5.4
Archeologische indicatoren
Alhoewel geen doel van een verkennend veldonderzoek met boringen, is gelet op de aanwezigheid van archeologische indicatoren die kunnen wijzen op archeologische waarden in de ondergrond. Tijdens het onderzoek zijn dergelijke indicatoren echter niet aangetroffen.
23 De Mulder et al., 2003.
Pagina | 28
AM22576
6. CONCLUSIE 6.1
Algemeen
Op basis van het uitgevoerd verkennend veldonderzoek middels boringen kan worden gesteld dat de bodemopbouw bestaat uit zandige oever- en beddingafzettingen die plaatselijk zijn afgedekt door humeus zand met daarboven op een dik pakket (sub)recent opgebracht zand. Uit het verkennend booronderzoek blijkt dat de natuurlijke ondergrond bestaat uit een fluviatiel sediment dat onderdeel is van de Formatie van Beegden. Het diepgelegen zand pakket betreffen oever- en beddingafzettingen van de Maas die tijdens het Pleniglaciaal zijn afgezet. In de top van de oever- en beddingafzettingen is geakkerd. Uit het bureauonderzoek blijkt dat in de top van de zandige oever- en beddingafzettingen van de Maas archeologische resten kunnen worden verwacht vanaf het midden-paleolithicum. Deze oever- en beddingafzettingen zijn aangetroffen op circa 125 tot 135 centimeter onder maaiveld. Dit komt overeen met circa 25,68 tot 25,83 meter +NAP. Het plangebied ligt op een hoger gelegen Maasterras uit het Pleniglaciaal nabij watervoorzieningen zal voor latere landbouwende samenlevingen een aantrekkelijke vestigingslocatie zijn geweest. Vindplaatsen uit het midden-paleolithicum tot en met de vroege middeleeuwen en uit de volle middeleeuwen tot en met de nieuwe tijd bestaan naast vondsten uit (dieper) ingegraven grondsporen. Deze sporen kunnen onder de bouwvoor bewaard zijn gebleven.
Als gevolg van de verbruining van de bodem zijn archeologische sporen zonder insluitsels moeilijk of zelfs niet meer zichtbaar en dan voornamelijk als vondstconcentraties. De (middel)hoge verwachtingen voor deze perioden blijft dan ook gehandhaafd. Grondsporen worden direct onder de Ap-horizont of vanaf 125 centimeter onder maaiveld verwacht. Er kan op basis van de boringen geen inschatting worden gemaakt van de leesbaarheid van eventueel aanwezige grondsporen.
6.2
Beantwoording onderzoeksvragen •
Is er sprake van stratigrafische lagen die potentieel archeologische waarden kunnen bevatten? Ja. De bodem binnen het plangebied is intact en bestaat in boringen 3 en 4 uit een A-horizont met daaronder een Bw-horizont (verbruiningshorizont) met daaronder de C-horizont. In boringen 1 en 2 ontbreekt de A-horizont, de Bw-horizont is direct onder het (sub-)recent opgebrachte pakket aangetroffen.
•
In hoeverre zijn deze lagen intact en hoe reflecteert dit de kwaliteit van de mogelijk aanwezige archeologische resten? De bodemopbouw is intact. Hierdoor is de kans groot dat er archeologische waarden in het plangebied aanwezig kunnen zijn.
•
Wat is de diepteligging van mogelijke archeologische resten en wat is de daadwerkelijke bedreiging van deze resten door de voorgenomen bodemingrepen? Eventueel aanwezige archeologische resten worden verwacht onder de A-horizont en in de top van de Bw-horizont (verbruiningshorizont). Deze wordt vanaf circa 125 tot 135 centimeter onder maaiveld aangetroffen (circa 25,68 tot 25,68 meter +NAP). Ten tijde van het opstellen van dit rapport is de diepte van de toekomstige verstoring niet bekend. Gezien de diepteligging van eventueel aanwezige resten zullen deze echter bedreigd worden door de voorgenomen graafwerkzaamheden. Pagina | 29
AM22576
7. AANBEVELINGEN Op basis van het uitgevoerd verkennend veldonderzoek door middel van boringen kan worden gesteld dat de bodemopbouw binnen het plangebied (grotendeels) intact is. De natuurlijke ondergrond bestaat uit bedding- en oeverafzettingen van de Maas. Op de natuurlijke afzettingen is een verbruinde laag aangetroffen. Als gevolg van de verbruining van de bodem zijn archeologische sporen zonder insluitsels moeilijk of zelfs niet meer zichtbaar en dan voornamelijk als vondstconcentraties. Voor de periode midden-paleolithicum geldt een hoge verwachting voor vindplaatsen. Eventueel aanwezige vindplaatsen zijn vermoedelijk grotendeels opgenomen in de Ap-horizont. Als gevolg zijn deze vindplaatsen alleen nog ex situ aanwezig en hebben een beperkte informatiewaarde. De middelhoge en hoge verwachting voor de periode neolithicum tot en met de nieuwe tijd kan gehandhaafd blijven. Eventueel aanwezige archeologische resten worden vanaf circa 95 centimeter onder maaiveld aangetroffen (inclusief een buffer van circa 30 centimeter). Ten tijde van het opstellen van dit rapport is de diepte van de toekomstige verstoring niet overal bekend, maar kan met zekerheid uitgaan van een gedeeltelijke funderingsdiepte van tenminste circa 144 centimeter -mv. De voorgenomen graafwerkzaamheden zullen derhalve een negatieve impact hebben op het verwachte aanwezige archeologische niveau.