CConstaterende datRoermond
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 1 - Commissie advies RU9 - concept nota van uitgangspunten omgevingsplan gemeente Roermond (nieuw)

Gemeenteraad 21 december 2023, gemeente RoermondBij agendapunt: Nota van uitgangspunten en delegatiebesluit omgevingsplan16.392 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

Nota van uitgangspunten omgevingsplan | pagina 21

annoteren. Het annoteren geeft aan ons als gemeente dus de kans om gebruikers van het Omgevingsloket in enkele klikken alle relevante informatie te laten zien voor hun initiatief of het initiatief waarbij ze belanghebbende zijn. In onderstaande afbeelding (afkomstig uit de VNG Handreiking Annoteren Omgevingsplan) is de annotatie van een regel gevisualiseerd.

Gelet op het voorgaande, betekent het uitgangspunt dat de gebruiker centraal staat, dat we voor wat betreft het annoteren van de regels inzetten op een zo hoog mogelijk niveau van dienstverlening. Het annoteren van omgevingsplanregels is ook nodig voor het opstellen van toepasbare regels: vragenbomen voor vergunningchecks en maatregelen op maat, en formulieren voor indieningsvereisten. Toepasbare regels zijn begrijpelijke vertalingen van juridische regels naar een check of een vergunning (of andere toestemming) nodig is. Wij kunnen met toepasbare regels antwoord geven op vragen over de regels in het omgevingsplan (dit kunnen inwoners of ondernemers zijn, maar ook een bevoegd gezag). Een voorbeeld van een juridische regel is: 'Een oprit mag niet breder zijn dan 4 m.' Bij een vergunningcheck hoort hier de volgende toepasbare regel bij: ' Wordt de oprit breder dan 4 m?' Het is niet verplicht om voor alle onderdelen van het omgevingsplan toepasbare regels op te stellen. Als er echter geen toepasbare regels zijn, dan krijgen inwoners en ondernemers via het Omgevingsloket geen antwoord op hun vragen. Juist via vragenbomen/toepasbare regels kan de gebruiker slim door het omgevingsplan worden geleid, worden vragen voorkomen en wordt de dienstverlening vergroot. Daarbij geldt wel, dat niet alle regels in gelijke mate geschikt zijn om te worden vertaald in een toepasbare regel.

Hoe complexer de regel, hoe moeilijker het is om deze toepasbaar te maken. We streven ernaar voor de veel voorkomende activiteiten toepasbare regels te maken. Uiteraard moet de toepasbaarheid een aandachtspunt zijn bij het opstellen van de juridische regels, maar het is dus niet de bedoeling, dat voor iedere omgevingsplanregel een toepasbare regel wordt gemaakt.

Nota van uitgangspunten omgevingsplan | pagina 22

Voor het annoteren van omgevingsplanregels en het toevoegen van toepasbare regels zijn geen wijzigingsbesluiten benodigd. De juridische inhoud van het omgevingsplan wordt er immers niet mee gewijzigd, het betreft enkel de raadpleegbaarheid. 9. Regels over de fysieke leefomgeving worden zoveel mogelijk in het omgevingsplan opgenomen In pagaragraaf 2.2 is al beschreven, dat regels over activiteiten die de fysieke leefomgeving veranderen in het omgevingsplan moeten worden opgenomen. Indien activiteiten weliswaar effect kunnen hebben op de fysieke leefomgeving, maar deze niet kunnen wijzigen, dan mogen hierover regels in het omgevingsplan worden opgenomen. Dit betreft met name een categorie regels die momenteel nog verspreid in diverse gemeentelijke verordeningen is opgenomen. Het onderscheid tussen beide categorieën zal niet altijd even scherp te maken zijn. Het is daarom verstandig om alle regels die de fysieke leefomgeving raken, zoveel mogelijk te integreren in het omgevingsplan. In de eerste plaats kan hiermee de onderlinge samenhang beter worden bewaakt. Daarnaast maakt het de regels ook beter raadpleegbaar: ze zijn dan allemaal te raadplegen via het Digitaal Stelsel Omgevingswet (zie ook het vorige uitgangspunt), in plaats van dat op verschillende plekken moet worden gezocht. Voor het Roermonds omgevingsplan kiezen we dan ook voor dit uitgangspunt.

Het is echter niet ondenkbaar, dat het handhaven van een regel op een andere plek (verordening) een meerwaarde kan hebben. Dat kan bijvoorbeeld het geval zijn wanneer een activiteit niet slechts invloed heeft op de fysieke leefomgeving, maar ook raakt aan aspecten van openbare orde en veiligheid. We houden dan ook mogelijkheid open om, waar wenselijk, dergelijke activiteiten niet via het omgevingsplan te reguleren. 10. We proberen los te laten en te vertrouwen: incidenten vragen niet meteen om meer regeldruk De Omgevingswet roept op tot verminderen van regeldruk en het geven van vertrouwen en verantwoordelijkheid aan initiatiefnemers. In de Memorie van toelichting op de Omgevingswet is dit als volgt verwoord: ‘Vertrouwen in initiatiefnemers betekent dat het nieuwe stelsel uitnodigend moet zijn voor nieuwe initiatieven. Regels moeten waar mogelijk ruimte bieden voor eigen invulling en oplossingen. En burgers en bedrijven die die regels serieus en consequent naleven, verdienen het vertrouwen van de overheid als toezichthouder.’ De regels in onze huidige bestemmingsplannen en verordeningen zijn ooit vastgesteld met een doel. Het is onverstandig die regels zonder meer los te laten. Regels zorgen immers ook voor rechtszekerheid: iedereen weet waar hij of zij aan toe is.

De insteek is om de regeldruk te verlagen, zoals ook beschreven onder het vijde uitgangspunten: ‘We gaan voor passende regels voor activiteiten en locaties’. Het loslaten van regels moet daarbij wel stapsgewijs en weloverwogen gebeuren. Soms is er sprake van een situatie, waarbij er iets onwenselijks gebeurt, en waartegen niet direct handhavend kan worden opgetreden. De ‘natuurlijke’ reflex is dan vaak om de regeldruk te verhogen. Dat is echter een reactie die niet hemelaal past bij de geest van de Omgevingswet. Als gevolg van dereguleringsslagen, kunnen meer van dat soort situaties ontstaan. We proberen dit uiteraard te voorkomen. Echter, loslaten en vertrouwen impliceert ook een acceptatie dat er zaken gebeuren die vooraf niet zijn voorzien. Het is goed om dit te beseffen. Dat vertaalt zich in het uitgangspunt dat incidenten niet meteen hoeven te vragen om meer regeldruk.

Nota van uitgangspunten omgevingsplan | pagina 23

4. De structuur en planning van de transitiefase 4.1 We staan voor een complex transitieproces In dit hoofdstuk wordt beschreven binnen welke structuur we de transitie van het omgevingsplan van rechtswege naar het eigen Roermonds omgevingsplan willen vormgeven. Daarbij wordt ook een doorkijk gegeven naar de stappen die daartoe het eerst worden gezet, en welke globale planning we hanteren. We staan namelijk voor een complex transitieproces. Het eigen Roermonds omgevingsplan zal vorm krijgen door een serie van wijzigingsbesluiten. De raad is als planwetgever daarbij als eerste aan zet. Deze bevoegdheid kan deels worden gedelegeerd aan het college, waarover meer in hoofdstuk 6. Een van de uitgangspunten van deze nota, is dat we kiezen voor een combinatie van een gebiedsgerichte en themagerichte aanpak. Dat is afhankelijk van het onderwerp en de locatie. Wanneer de transitie eenmaal goed op gang is gekomen, zullen als regel meerdere wijzigingsbesluiten gelijktijdig worden voorbereid. Dit is het gevolg van de reikwijdte van het omgevingsplan, en de vele onderwerpen die daarin een plek moeten krijgen. Een zorgvuldige afstemming binnen het volledige besluitvormingsproces (van de eerste ambtelijke voorbereiding tot en met het dictum van de raadsbesluiten) is dus een vereiste.

4.2 De pijlers van het omgevingsplan Een visualisatie van de pijlers Om het transitieproces in goede banen te leiden, is het verstandig de voorbereidende werkzaamheden ten behoeve van de wijzigingsbesluiten onder te brengen in een aantal sporen of pijlers. Binnen een centrale (project)structuur kan de samenhang daarvan wordt bewaakt. Vanuit deze structuur wordt dan naar het eigen omgevingsplan toegewerkt. Afhankelijk van het onderdeel (pijler) wordt er binnen deze structuur gewerkt aan: • Inhoudelijke onderdelen van het omgevingsplan die voortkomen uit de transitieopgave; • Inhoudelijke onderdelen van het omgevingsplan, die voortkomen uit nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen; • Inhoudelijke onderdelen van het omgevingsplan, die voortkomen uit beleidsdoelen en -wensen (bijvoorbeeld omgevingswaarden); • Begeleiding, monitoring en procesbewaking op alle inhoudelijke onderdelen (regie). • De digitale raadpleegbaarheid van het omgevingsplan via het DSO. Dit geldt voor alle pijlers op één na, zij het dat niet iedere omgevingsplanregel in een toepasbare regel zal worden vertaald. Het servicedeel hangt als het ware onder de pijlers. De structuur kan als volgt worden gevisualiseerd:

Nota van uitgangspunten omgevingsplan | pagina 24

De transitieopgave van het omgevingsplan van rechtswege naar het Roermonds omgevingsplan vindt plaats binnen de eerste drie inhoudelijke pijlers: Ruimtelijke regels, Bruidsschat, en Verordeningen. Hierna wordt verder ingegaan op de werkzaamheden die binnen de zeven pijlers zullen plaatsvinden. Beheer / Redactie / Geometrie / Gereedschap Het is bij het werken aan het omgevingsplan van belang om te beseffen, dat er per gemeente maar één omgevingsplan bestaat. Ook wanneer de transitie van het omgevingsplan van rechtswege naar het eigen Roermonds omgevingsplan is afgerond, is het omgevingsplan nog niet ‘klaar’. De wereld om ons heen is immers continu in beweging. Daarnaast is het omgevingsplan onderdeel van een beleidscyclus op gemeentelijk niveau, waarbij de wetgever uitgaat van een continu proces van beleidsontwikkeling, beleidsdoorwerking, uitvoering en evaluatie. Dat maakt het omgevingsplan tot een dynamisch plan, dat continu onderhouden moet worden, ook in de periode na 2031. De regiepijler is in dit verband de overkoepelende (en daarmee een belangrijke) pijler binnen het project. Binnen dit onderdeel ligt de verantwoordelijkheid voor de aansluiting op het DSO conform het STOP-TPOD model, en de bewaking van de opbouw en uniformiteit van het omgevingsplan (zowel voor het via het DSO zichtbare deel, als voor de onderliggende informatiedatabase).

Dit is een dwarsverband dat door alle andere sporen heen loopt. Omdat we over maar één omgevingsplan beschikken, is het van belang dat niet alleen in het begin van de transitiefase de (technische) spelregels over wijzigingen in het omgevingsplan bekend en navolgbaar zijn, maar dat dat over 10 of 20 jaar nog steeds het geval is. De afspraken daarover moeten binnen de regiepijler worden gemaakt en bewaakt. Tevens zal de coördinatie en onderlinge afstemming tussen de diverse achtereenvolgende wijzigingsbesluiten binnen deze pijler moeten plaatsvinden. Ruimtelijke regels Binnen deze pijler worden de ruimtelijke regels uit onze bestemmingsplannen (onderdeel van het omgevingsplan van rechtswege) vertaald naar het nieuwe omgevingsplan. Dit is een spoor dat hoofdzakelijk gebiedsgericht zal worden opgepakt. Het is logisch om daarbij de begrenzingen van de huidige beheersgerichte bestemmingsplannen aan te houden, en te starten met gebieden die een relatief lage ruimtelijke dynamiek kennen. Ook het wettelijk verplicht vertalen van omgevingsvergunningen voor buitenplanse omgevingsplanactiviteiten (de zogenaamde ‘Bopa’) zal naar verwachting binnen deze pijler gaan plaatsvinden. Bruidsschat Het overzetten van de bruidsschat naar het Roermonds omgevingsplan gebeurt binnen deze peiler.

Dit is een pijler die hoofdzakelijk themagewijs zal worden opgepakt, met de kanttekening dat diverse onderwerpen uit de bruidsschat zich ook lenen voor een (deels) gebiedsgerichte benadering. Over alle bruidsschatregels moet de afweging worden gemaakt of deze worden overgenomen (al dan niet in aangepaste vorm) of worden geschrapt. Voor de vertaling naar lokaal maatwerk moeten de bruidsschatregels nader worden geanalyseerd. Verordeningen De bepalingen uit onze verordeningen die de fysieke leefomgeving raken, moeten (of mogen) op termijn in het omgevingsplan worden opgenomen. Deze bepalingen maken geen onderdeel uit van het

Nota van uitgangspunten omgevingsplan | pagina 25

omgevingsplan van rechtswege. Verordeningen (behalve de verordeningsregels die onderdeel uitmaken van het omgevingsplan van rechtswege) mogen tijdens de transitieperiode nog in een bestaande vorm (dus als verordening) worden gewijzigd. De implementatie in en transitie naar het omgevingsplan vindt plaats binnen deze pijler. Ook dit is een spoor dat hoofdzakelijk themagewijs zal worden aangepakt. Vooruitlopend op de verhuizing van de diverse verordeningsregels naar het omgevingsplan, heeft de raad in november 2023 diverse technische aanpassingen aangebracht aan de huidige verordeningen, zodat deze aansluiten bij de bepalingen uit de Omgevingswet. Overige regels In het omgevingsplan kunnen nog diverse overige (overkoepelende) regels worden opgenomen, die niet onder de hiervoor genoemde categorieën vallen. Het VNG Casco bevat bijvoorbeeld hoofdstukken over ‘Beheer en onderhoud’, ‘Financiële bepalingen’, ‘Procesregels’, ‘Handhaving’, en ‘Monitoring en evaluatie’. Binnen deze pijler wordt onderzocht of en welke overige regels een plek kunnen krijgen in het Roermonds omgevingsplan. Deelplannen op maat Indien voor bepaalde ruimtelijke ontwikkelingen een omgevingsplanwijziging op maat noodzakelijk is, dan moet de opzet en inhoud hiervan worden afgestemd met de bestaande onderdelen van het omgevingsplan (en eventueel in voorbereiding zijnde onderdelen).

De coördinatie en afstemming hierover vindt plaats binnen deze pijler. Beleidsdoelen In het omgevingsplan kunnen zogenaamde omgevingswaarden worden opgenomen. Omgevingswaarden zijn bijvoorbeeld normen voor de kwaliteit die de gemeente voor (een onderdeel van) de fysieke leefomgeving wil bereiken. Het opstellen van omgevingswaarden behoort niet tot de transitieopgave. Hiervoor is al beschreven dat de eerste jaren terughoudend met het nieuwe instrument omgevingswaarde zal worden omgegaan. Beleidsdoelen waarvoor het vaststellen van omgevingswaarden of andere juridische regels wenselijk blijkt, moeten via de begroting, en vervolgens het vaststellen van beleid of programma’s, in het omgevingsplan landen. Voordat een omgevingswaarde of een juridische regel in het omgevingsplan wordt vastgesteld, moeten ook de middelen en de capaciteit voor het behalen van die beleidsdoelen worden geborgd. Vanuit het omgevingsplanproces vindt hierover uiteraard wel advisering, coördinatie en afstemming plaats. 4.3 Wanneer doen we wat? De eerste stappen De eerste acties die voor het Roermonds omgevingsplan worden uitgevoerd, zullen niet inhoudelijk van aard zijn. Dit betreft in de eerste plaats een technische publicatie van de bruidsschat in de productieomgeving van het DSO.

Het is daarna de bedoeling aan de raad in de loop van 2024 een structurerend wijzigingsbesluit van het omgevingsplan voor te leggen. Dit wordt nog geen inhoudelijke wijziging van het omgevingsplan, maar hiermee kan wel de structuur en hoofdstukindeling van het Roermonds omgevingsplan vastgesteld worden. Het eerste wijzigingsbesluit wordt dan als het ware de kapstok, waaraan de komende jaren de diverse navolgende wijzigingsbesluiten zullen worden opgehangen. Dit biedt daarna ook de ruimte om gelijktijdig binnen de pijlers omgevingsplanwijzigingen voor te bereiden, en daar regie op te voeren. Uiteraard kan indien de raad dat wenselijk acht, over dit eerste wijzigingsbesluit een informele consultatie- of informatiebijeenkomst plaatsvinden.

Nota van uitgangspunten omgevingsplan | pagina 26

Na het eerste structurenwijzigingsbesluit zal de komende jaren het omgevingsplan van rechtswege stapsgewijs worden gewijzigd in het eigen Roermonds omgevingsplan. Dit wordt, zoals ook al vastgelegd in het Plan van aanpak, een proces van meerdere jaren. Hierna wordt ten aanzien van de diverse pijlers een doorkijk gegeven naar de werkzaamheden die moeten worden uitgevoerd, en de termijn waarbinnen we die willen uitvoeren. Het betreft met name een planning voor de eerste periode van de transitiefase, en niet een harde planning voor het gehele omgevingsplanproces. Dat is vanwege de complexiteit van het proces en de periode die moet worden overzien nog niet goed mogelijk. De voortgang van de transitie naar het eigen omgevingsplan zal jaarlijks worden gerapporteerd aan de raad, waarbij voor het daaropvolgende jaar een concrete planning, en de jaren daarna een verdere doorkijk zal worden gegeven van de gebieden en onderdelen waarvoor wijzigingsbesluiten worden voorbereid. Dit krijgt bij voorkeur een plek in de P&C cyclus. Door stapsgewijs het omgevingsplan uit te breiden wordt het eigen Roermonds omgevingsplan steeds groter, totdat het het omgevingsplan van rechtswege volledig vervangen heeft. Het zal een proces zijn waarin we steeds moeten leren van de opgedane ervaringen, en bijsturen.

In de vorige paragraaf is al aangegeven dat de transitieopgave naar het Roermonds omgevingsplan plaatsvindt binnen de pijlers Ruimtelijke regels, Bruidsschat, en Verordeningen. Het tijdpad dat we voor ogen hebben kan globaal als volgt worden gevisualiseerd: Onderdeel / Jaar

2024

2025

2026

2027

2028

2029

2030

2031

2032

Ruimtelijke regels Bruidsschat Verordeningen

Hierna wordt beschreven hoe we dit de komende jaren gaan oppakken. Ruimtelijke regels De ruimtelijke regels uit onze huidige beheersverordening en bestemmingsplannen zullen hoofdzakelijk gebiedsgericht naar het eigen omgevingsplan worden vertaald. De gebieden bepalen we aan de hand de grenzen van onze beheersgerichte bestemmingsplannen. Dit is uiteraard een leidraad, maar geen harde eis. Per wijziging moet een logische grens van het nieuwe plandeel worden bepaald. In onderstaande tabel is een overzicht van onze beheersgerichte bestemmingsplannen opgenomen: Bestemmingsplan

Typering gebied

Maasniel Leeuwen Beheersverordening Maas- en Maasplassen Buitengebied Swalmen Kern Swalmen Buitengebied Asenray Bedrijventerreinzone Roerstreek Buitengebied Roerdal

Laag- tot middeldynamische stadswijk Laagdynamische stadswijk Laag- tot hoogdynamisch buitengebied grenzend aan, en binnen het rivierbed van de Maas Laagdynamisch buitengebied Laag- tot middeldynamische dorpskern Laagdynamisch buitengebied Laag- tot middeldynamisch bedrijventerrein Laagdynamisch buitengebied

Nota van uitgangspunten omgevingsplan | pagina 27

Herten Zuidelijke Stadsrand Lus van Linne Roer en Hambeek Kemp Kitskensber Kitskensdal Donderberg Hoogvonderen Noordelijke en Oostelijke Stadsrand Vrijveld Lommerveld Binnenstad Roermond Maasoever Roerdelta Fase 1 Roermondse Veld Bedrijventerrein Willem Alexander Stadsweide Roermond Kern Boukoul Kern Asenray

Laag- tot middeldynamische stadswijk Laag- tot middeldynamisch bedrijventerrein Laagdynamisch buitengebied binnen het rivierbed van de Maas Laag- tot middeldynamische stadswijk Laag- tot middeldynamische stadswijk Laag- tot middeldynamische stadswijk Laag- tot middeldynamisch stedelijk dienstenterrein Laag- tot middeldynamische stadswijk Hoogdynamische stadswijk Laag- tot middeldynamische stadswijk Laag- tot middeldynamische stadswijk Laag- tot middeldynamische stadswijk Laag- tot middeldynamisch bedrijventerrein Laagdynamisch buitengebied in het rivierbed Laagdynamische dorpskern Laagdynamische dorpskern

De term dynamisch in de context van bovenstaand overzicht duidt op de mix (of juist het ontbreken daarvan) van bepaalde functies in een gebied. Het zegt ook iets over de vraag of de nadruk van de ruimtelijke regels meer zou moeten liggen op beschermen (laagdynamisch), of op benutten (hoogdynamisch). Wellicht ten overvloede: indien een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling niet past in het omgevingsplan, dan zegt de term dynamisch in bovenstaand overzicht niets over de afweging die daarover moet worden gemaakt. Bij die afweging zijn de Omgevingsvisie en de overige inhoudelijke kaders leidend. In bovenstaand overzicht zijn niet alle bestemmingsplannen opgenomen die binnen de gemeente Roermond gelden. Voor de ontwikkelingsgerichte bestemmingsplannen (zoals bijvoorbeeld de recent vastgestelde bestemmingsplannen Woningbouw Asenray Oost en Melickerveld 2022) geldt dat per deelgebied moet worden bezien in hoeverre deze in de omzetting van het onderliggende ‘moederplan’ naar de ruimtelijke regels van het omgevingsplan worden meegenomen, of dat deze een eigen omgevingsplanprocedure zullen volgen. Dit gaat met name afhankelijk zijn van de vraag in hoeverre de betreffende ontwikkeling al gerealiseerd is. We starten met de woonwijken Maasniel en Leeuwen. De reden daarvoor is dat de bestemmingsplannen voor deze wijken het oudste zijn.

Het planologisch-juridisch kader is in deze gebieden dus het meest aan actualisatie toe. Daarnaast lenen de karakteristieken van deze gebieden ook voor het uitwerken van een regelset, die breed toepasbaar zal zijn binnen de rest van het bebouwd gebied van Roermond. Na inwerkingtreding van de wet schatten we in dat we circa 2 jaar nodig hebben voor het volledig uitwerken van de regels met werkingsgebieden, inclusief annotaties en het toepasbaar maken daarvan. In de loop van 2025 en verder, kunnen ook nieuwe omgevingsplanwijzigingen worden voorbereid voor de overige stadswijken en dorpskernen, en kan gestart worden met de regelsets voor de overige gebiedstypen (bijvoorbeeld de bedrijven- en dienstenterreinen en het buitengebied). Rekening houdend met de ‘einddatum’ van 31 december 2031, betekent dit dat vanaf 2026 per jaar gemiddeld 3 tot 4 van de in het overzicht genoemde bestemmingsplannen onder de ruimtelijke regels van het omgevingsplan moeten worden gebracht. De verwachting is dat naarmate het eigen omgevingsplan meer gevuld raakt, dit sneller zal gaan: het proces zal dan steeds meer bestaan uit het koppelen van nieuwe werkingsgebieden aan de

Nota van uitgangspunten omgevingsplan | pagina 28

bestaande regelsets, in plaats van het opstellen van nieuwe regelsets met bijbehorende toepasbare regels en annotaties. Bruidsschat De bruidsschatregels maken onderdeel uit van het omgevingsplan van rechtswege. Voor 2032 moeten we de keuze hebben gemaakt of en hoe we de bruidsschatregels overnemen in het Roermonds omgevingsplan. Hiervoor is al aangegeven dat we de bruidsschatregels in principe themagericht gaan overnemen. In bepaalde gevallen kan een gebiedsgerichte aanpak aan de orde zijn. In die gevallen streven we ernaar de overzetting mee te nemen met de omgevingsplanwijziging voor de ruimtelijke regels van dat gebied. De voorkeur gaat echter uit naar een gelijktijdige omzetting van een regelset uit de bruidsschat voor het gehele ambtsgebied van de gemeente. Voor de goede orde: ook bij een implementie van bruidsschatregels voor het gehele ambtsgebied van de gemeente, kunnen verschillende werkingsgebieden worden aangewezen, waarbinnen meer of minder (milieu)ruimte wordt gegeven aan verschillende activiteiten. Een dergelijke aanpak staat lokaal maatwerk dus niet in de weg. De Omgevingswet bevat geen sanctie voor het geval we de regels niet op tijd hebben overgenomen. Het is dus niet zo, dat indien de bruidsschatregels nog niet zijn omgezet, deze vanaf 1 januari 2032 komen te vervallen.

Het is wel zo, dat indien het Roermonds omgevingsplan na 31 december 2031 nog bruidsschatregels bevat die in strijd zijn met de instructieregels, door de bestuursrechter onverbindend kunnen worden verklaard, of buiten toepassing worden gelaten. Het omzetten van de bruidsschat zal themagewijs worden opgepakt, waarbij per wijzigingsbesluit verschillende thema’s of onderwerpen kunnen worden gecombineerd. De uitgangspunten die in hoofdstuk 3 ten aanzien van onze regels in het omgevingsplan zijn geformuleerd, zijn hierbij uiteraard leidend. Globaal ziet dit proces er als volgt uit: - de eerste stap is dat de bruidsschatregels geanalyseerd worden, en waar mogelijk op thema en complexiteit gegroepeerd; - daarna moet worden onderzocht of over die bruidsschatregels in hogere regelgeving instructieregels zijn opgenomen. Instructieregels geven de bandbreedte aan van de mogelijkheden om de bruidsschatregel te wijzigen; - een logische eerste stap zou kunnen zijn om te indieningsvereisten uit de bruidsscat te vertalen naar het Roermonds omgevingsplan; - vervolgens wordt een eerste beoordeling gedaan over het (gewijzigd) overnemen, of het schrappen van die regels.

Dit is ook het moment om af te stemmen met onze (keten)partners; - indien een regel gewijzigd wordt overgenomen, onderzoeken we in welke vorm dat het beste kan, conform de uitgangspunt dat we gaan voor passende regels voor activiteiten en locaties; - tot slot wordt de juridische regel geformuleerd, en wordt bezien of en hoe deze toepasbaar zou moeten worden gemaakt. In theorie zou de bruidsschat in één keer naar het eigen Roermonds omgevingsplan vertaald kunnen worden. Dat lijkt echter gelet op het aantal regels, en de ambitie om de bruidsschat niet beleidsneutraal over te nemen, niet reëel of wenselijk. Voor het opnemen van de bruidsschat zal dus een aantal wijzigingsbesluiten van het omgevingsplan benodigd zijn. We streven er naar binnen 3 jaar na inwerkingtreding van de Omgevingswet de eerste ‘bruidsschatwijziging’ van het omgevingsplan aan de raad voor te leggen, en de totale transitie van de bruidsschat binnen 6 jaar na inwerkingtreding af te ronden. De bruidsschatregels waarmee we gaan

Nota van uitgangspunten omgevingsplan | pagina 29

starten, moeten nog worden bepaald. Dit is ook een onderwerp dat zich kan lenen voor informele raadsconsultatie vooraf. Verordeningen Ook in onze gemeentelijke verordeningen zijn momenteel regels opgenomen die gaan over de fysieke leefomgeving. Een deel van deze regels moét overgezet worden naar het omgevingsplan, en een deel van die regels mag worden overgezet naar het omgevingsplan. Dit onderscheid is in paragraaf 2.2 al als volgt uiteengezet: • regels over activiteiten die de fysieke leefomgeving blijvend veranderen, moéten in het omgevingsplan worden opgenomen; • regels over activiteiten die effect hebben op de fysieke leefomgeving, mógen in het omgevingsplan worden opgenomen. In dit spoor starten we met de regels uit de verordeningen die in het omgevingsplan moéten worden opgenomen. Dat zijn regels uit: • de Erfgoedverordening 2023; • de Hemelwaterverordening; • de Algemene plaatselijke verordening; • de Afvalstoffenverordening, en (waarschijnlijk); • de Algemene verordening ondergrondse infrastructuren. De eerste twee verordeningen maken onderdeel uit van het omgevingsplan van rechtswege. Deze mogen na de inwerkingtreding van de omgevingswet dus niet meer in ‘verordeningsvorm’ worden aangepast. Daarom zou overwogen kunnen worden bij het omzetten van de verordeningsregels naar het omgevingsplan, met deze twee verordeningen te starten.

De Erfgoedverordening 2023 en Hemelwaterverordening zijn echter beiden recent vastgesteld. Het betreft dus regelingen die niet op korte termijn geactualiseerd hoeven te worden. Een andere mogelijkheid is dat wordt gestart met de regels uit de Algemene plaatselijke verordening. Op basis van dit kader worden wekelijks diverse vergunningen verleend en besluiten genomen. Voor wat betreft het niveau van dienstverlening, valt met het overzetten van deze verordening naar het omgevingsplan (mits goed geannoteerd en voorzien van toepasbare regels), de meeste winst te behalen. Dit heeft dan ook de voorkeur. Bij het overgaan van verordeningsregels naar het omgevingsplan, moet aandacht worden geschonken aan het deel van de originele verordening dat ‘overblijft’. Dat moet gelijktijdig met het wijzigingsbesluit van het omgevingsplan worden vastgesteld, of wellicht worden ingetrokken. Binnen deze pijler van het omgevingsplanproces moet dus niet alleen aandacht zijn voor de regeling die in het omgevingsplan wordt opgenomen, maar ook aan de ‘bronverordening’ van waaruit regels naar het omgevingsplan worden overgeplaatst. We streven er naar binnen 2 jaar na inwerkingtreding van de Omgevingswet de relevante regels uit de Algemene plaatselijke verordening naar het omgevingsplan over te brengen.

De ambitie is de totale transitie van verordeningsregels (die in het omgevingsplan móeten worden opgenomen) binnen 5 jaar na inwerkingtreding van de wet af te ronden. Ook daarbij worden uiteraard de inhoudelijke uitgangspunten zoals geformuleerd in hoofdstuk 3 in acht genomen.

Nota van uitgangspunten omgevingsplan | pagina 30

5. Omgevingsdialoog De omgevingsdialoog in de gemeente Roermond De komst van de Omgevingswet vraagt om een nadere invulling van het onderdeel participatie bij ontwikkelingen in de fysieke leefomgeving. De Omgevingswet stimuleert vroegtijdige participatie om tijdig belangen, meningen en creativiteit op tafel te krijgen. In de Omgevingswet is opgenomen dat participatie soms moet, maar niet hoe dat moet. De rolverdeling tussen overheid en gemeenschap verandert. Steeds meer inwoners, ondernemers en organisaties willen invloed hebben op en een bijdrage leveren aan de kwaliteit van hun fysieke (of sociale) leefomgeving. De veranderende rolverhoudingen vragen ook aanpassing in processen en werkwijzen van de gemeente. Het vraagt om flexibiliteit, maar ook om duidelijkheid en heldere afspraken over wat van wie verwacht mag worden. Participatie is een actueel onderwerp, op verschillende vlakken verwacht men dat de samenleving eerder bij beleidsvorming en uitvoering worden betrokken. Waar participatie specifiek betrekking heeft op het ontwikkelingen in de fysieke leefomgeving, wordt in Roermond gesproken over de omgevingsdialoog. Binnen de gemeente Roermond zijn we aan de slag gegaan met het ontwikkelen van deze beleidsnota en een leidraad voor de omgevingsdialoog.

Deze leidraad geldt bij concrete initiatieven in de fysieke leefomgeving en kan ook toegepast worden bij de totstandkoming van het omgevingsplan, toekomstige visies en programma’s. Op 17 februari 2022 heeft raad de beleidsnota ‘Omgevingsdialoog Gemeente Roermond’, inclusief leidraad omgevingsdialoog, vastgesteld (hierna: de beleidsnota omgevingsdialoog). Dit is de basis waarmee de gemeente Roermond de komende periode de omgevingsdialoog vorm gaat geven. Roermond gaat ervaring opdoen en experimenteren om initiatieven voor ontwikkelingen in de fysieke leefomgeving te verrijken en te verbeteren. De omgevingsdialoog blijft maatwerk, de leidraad geeft hierbij houvast en spelregels en is bedoeld om flexibel te gebruiken en door te ontwikkelen. Iedere omgevingsdialoog kent zijn eigen aanpak, het gaat niet om het afvinken van lijstjes maar om het geven van houvast. Het voeren van een omgevingsdialoog bij een wijziging van het omgevingsplan is verplicht De omgevingsdialoog (participatie) is een verplicht onderdeel van de voorbereiding van een omgevingsplanwijziging. Dit volgt uit artikel 10.2 van het Omgevingsbeluit: •

•

Er moet een kennisgeving worden gedaan van de voorbereiding van een voorgenomen wijziging van het omgevingsplan. In die kennisgeving moet worden aangegeven, hoe de omgevingsdialoog zal worden vormgegeven. Dit staat in artikel 10.2, lid 1 van het Omgevingsbesluit. In het vaststellingsbesluit (wijzigingsbesluit) moet worden beschreven hoe burgers, bedrijven, maatschappelijke organisaties en andere bestuursorganen bij de voorbereiding zijn betrokken, en wat met de resultaten is gedaan. Dit staat in artikel 10.2, lid 2 van het Omgevingsbesluit.

In de beleidsnota omgevingsdialoog is specifiek over het omgevingsplan het volgende aangegeven: ‘Bij de totstandkoming van het omgevingsplan is er sprake van een motiveringsplicht (bij vaststelling) en een kennisgevingsplicht (in de voorfase). Voor de start van het formele traject van het omgevingsplan dient het bevoegd gezag in te gaan op wie worden er betrokken, waarover worden ze betrokken, wanneer en wat is de rol van het bevoegd gezag. Er komt daarbij ook uitleg over waar aanvullende informatie beschikbaar is. Bevoegd gezag bepaalt zelf op welke manier informatie

Nota van uitgangspunten omgevingsplan | pagina 31

beschikbaar is, maar dient er wel voor te zorgen dat het voor iedereen toegankelijk is.’ De omgevingsdialoog in relatie tot het Roermonds omgevingsplan De wet schrijft niet voor op welke wijze de omgevingsdialoog moet plaatsvinden. De beleidsnota omgevingsdialoog bevat daarvoor ook (bewust) geen checklist. Wel is in dit document beschreven wat wat ons betreft het doel van de omgevingsdialoog moet zijn, en wat we er mee willen bereiken. Deze algemene uitgangspunten gelden (waar mogelijk) ook voor het Roermonds omgevingsplan: Het doel van de omgevingsdialoog is niet om het met elkaar eens te worden. Het doel is volwaardige deelname van alle belanghebbenden en de dialoog aangaan met elkaar. Op deze manier willen we betrokkenheid en eigenaarschap creëren. Het doel is vroegtijdig informatie boven tafel krijgen, inspelen op wat er leeft in een gebied en zoveel als mogelijk rekening houden met ideeën en wensen van belanghebbenden. Daardoor kan de kwaliteit van besluiten verbeteren. Belangen en uitgangsposities kunnen verschillend zijn. De dialoog aangaan met elkaar betekent niet dat er voor iedereen een wenselijke oplossing uitkomt. Het creëren van draagvlak kan het resultaat zijn van de omgevingsdialoog, maar dat is niet het doel. Er zullen altijd besluiten zijn die niet of nauwelijks draagvlak zullen krijgen, maar toch genomen moeten worden omdat het algemeen belang voorop staat.

Het is dan van belang dat we goed geïnformeerd zijn over de verschillende belangen en op basis daarvan, met een algemeen belang in het achterhoofd, een besluit kunnen nemen. Bij de voorbereiding van wijzigingsbesluiten van het omgevingsplan, zullen we de leidraad omgevingsdialoog volgen (bijlage 2 van de beleidsnota omgevingsdialoog). Hierin zijn een aantal processtappen beschreven: 1. Keuze maken in niveau van participatie; 2. Plan maken; 3. Omgevingsdialoog uitvoeren; 4. Verslag maken. Daarbij moet wel de kanttekening gemaakt worden dat de leidraad is toegeschreven op het voeren van een omgevingsdialoog over concrete ruimtelijke initiatieven. Dat kan bij een omgevingsplanwijziging het geval zijn, maar vaak zal de beoogde wijziging een meer algemeen en verordenend karakter hebben: • Indien een omgevingsplanwijziging het gevolg is van een concreet ruimtelijk initiatief, dan ligt een belangrijk deel van de verantwoordelijkheid voor het voeren van de omgevingsdialoog bij de initiatiefnemer zelf. Dit betekent als het goed is, dat de initiatiefnemer (ver) voor de formele besluitvormingsprocedure al belangrijke stappen heeft gezet in de omgevingsdialoog. De gemeente neemt daarbij wel de regie, om te borgen dat dit op een adequate wijze gebeurt. De uitvoering ligt in eerste instantie bij de initiatiefnemer, maar de gemeente is gesprekspartner.

Uiteindelijk is de raad bij de vaststelling van het wijzigingsbesluit als bevoegd bestuursorgaan eindverantwoordelijk in het formele besluitvormingsproces. • Indien een omgevingsplanwijziging een verordenend of beheersmatig karakter heeft (er worden bijvoorbeeld algemene regels geintroduceerd voor het hele ambtsgebied, of grotere gebieden binnen de gemeente), dan ligt de verantwoordelijkheid voor het voeren van de omgevingsdialoog geheel bij de gemeente. Het is niet ondenkbaar dat een dergelijk wijzigingsbesluit minder tot de verbeelding spreekt, en ook minder aanleiding geeft voor een dialoog. Dit kan zich vertalen naar het participatieniveau, de kring van belanghebbenden die actief wordt betrokken, en de wijze waarop dit wordt georganiseerd.

Nota van uitgangspunten omgevingsplan | pagina 32

Waar we bij concrete ruimtelijke initiatieven al steeds meer gevoel krijgen bij de wijze waarop een omgevingsdialoog een plek moet krijgen in het planproces, moeten wij dat bij dit type wijzigingsbesluiten nog geheel gaan ontdekken. Uiteindelijk kan dit gaan landen in een meer vastomlijnd proces, maar het zal in de eerste periode na inwerkingtreding van de Omgevingswet vooral gaan om maatwerk. Van belang is in ieder geval dat ook hier de verplichtingen uit artikel 10.2 van het Omgevingsbesluit in acht worden genomen. De beoogde omgevingsplanwijziging moet vooraf worden aangekondigd, en bij de besluitvorming moet rekenschap worden gegeven van (het resultaat van de) omgevingsdialoog.

Nota van uitgangspunten omgevingsplan | pagina 33

6. Delegatie Wat is delegatie? Bij delegatie draagt een hoger bestuursorgaan een bevoegdheid over aan een lager bestuursorgaan. In afdeling 10.1.2 van de Algemene wet bestuursrecht staan de wettelijke bepalingen over delegatie. Voor delegatie is een specifieke wettelijke grondslag vereist. Het bestuursorgaan dat de bevoegdheid overdraagt, kan die vanaf dat moment niet meer zelf uitoefenen. Dit betekent echter niet, dat het hogere bestuursorgaan zijn bevoegdheid definitief kwijt is. De delegatie kan weer worden ingetrokken, of het hogere bestuursorgaan kan beleidsregels opstellen over de wijze waarop de bevoegdheid moet worden uitgeoefend. Bevoegdheden ten aanzien van het omgevingsplan kunnen worden gedelegeerd In de Omgevingswet is bepaald dat de raad de bevoegdheid tot het vaststellen van delen van het omgevingsplan kan delegeren aan het college. Ook mag de raad het nemen van een voorbereidingsbeluit delegeren aan het college 4. Dat gebeurt door middel van een delegatiebesluit. Een dergelijk delegatiebesluit vormt een afzonderlijk besluit, dat geen deel uitmaakt van het omgevingsplan. Daarbij moeten de grenzen van de gedelegeerde bevoegdheid duidelijk worden omschreven: een delegatiebesluit bepaalt binnen welke grenzen en onder welke voorwaarden de bevoegdheid kan of moet worden uitgeoefend.

Ook kan in een delegatiebesluit bepaald worden hoe het college uitvoering moet geven aan de gedelegeerde bevoegdheid. De mogelijkheid om delen van het omgevingsplan te delegeren, biedt ruimte voor een toedeling van bevoegdheden op maat. Met delegatie kan de raad ervoor zorgen dat de uitvoering van het beleid bij het uitvoerende orgaan neergelegd wordt. Ook vanuit het oogpunt van efficiency en flexibiliteit kan delegatie wenselijk zijn. Er zijn ook een aantal aandachtspunten: de raad mag niet de volledige bevoegdheid tot het vaststellen van het omgevingsplan delegeren aan het college. Tot slot moet de delegatie van bevoegdheden ook kenbaar en rechtszeker gebeuren. Een omgevingsplanwijziging die het college met een gedelegeerde bevoegdheid vaststelt, moet ten slotte aan dezelfde procedurele en inhoudelijke eisen voldoen als een omgevingsplanwijziging die wordt vastgesteld door de raad. Ook de rechtsbeschermingsmogelijkheden ten aanzien van een gedelegeerd wijzigingsbesluit zijn hetzelfde. Twee ‘hoofdsmaken’ van delegatie In algemene zin zijn er twee ‘hoofdsmaken’ van delegatie denkbaar: • De raad kan een algemene lijst van aan het college gedelegeerde bevoegdheden vaststellen.

De raad wijst dan als het ware categorieën van gevallen aan, waarin het college zelfstandig bevoegd is het omgevingsplan te wijzigen; • De raad kan een concreet project of ontwikkeling aanwijzen, waarvoor het college de wijziging van het omgevingsplan mag verzorgen. Daarbij kan bijvoorbeeld worden gedacht aan een woningbouwontwikkeling waarvoor de raad het stedenbouwkundig plan vaststelt, en de juridische vertaling van dat plan in het omgevingsplan met een concreet delegatiebesluit aan het college overlaat. Dit hoofdstuk richt zich op de eerste variant: het delegeren van algemene bevoegdheden aan het college. Voor de toekomst houden we de mogelijkheid voor delegatiebesluiten van de ‘tweede categorie’ wel open. Daartoe zal in die gevallen dan expliciet besloten moeten worden.

4 Artikel 2.8 en 4.14 vijfde lid van de Omgevingswet

Nota van uitgangspunten omgevingsplan | pagina 34

De delegatiebevoegdheid is nieuw in het omgevingsrecht In de inleiding van dit hoofdstuk is al beschreven, dat de delegatie van bevoegdheden een specifieke wettelijke grondslag vereist. De Wet ruimtelijke ordening (Wro) kent een dergelijke grondslag niet. Onder de Wro is alleen de raad het bevoegd gezag voor het vaststellen van een bestemmingsplan. De raad kan deze bevoegdheid niet delegeren aan het college. Ook de bevoegdheid tot vaststelling van verordeningen ligt in principe bij de gemeenteraad (artikel 147 Gemeentewet). In de Omgevingswet zijn delegatiebevoegdheden opgenomen voor het wijzigen van delen van het omgevingsplan, en voor het nemen van een voorbereidingsbesluit. Deze bevoegdheden zijn nieuw. Daarom hebben ook over deze nieuwe bevoegdheid informele consultatiesessies met de raad plaatsgevonden. Daarbij is in eerste instantie de juridische figuur van delegatie toegelicht, en zijn voorbeelden besproken van bevoegdheden die met een algemeen delegatiebesluit aan het college zouden kunnen worden gedelegeerd. Tijdens de tweede bijeenkomst zijn delegatiebesluiten van gemeenteraden van vijf andere Limburgse gemeenten geanalyseerd en besproken, zodat de aanwezigen een beter gevoel konden krijgen bij de materie. Uit de analyse is gebleken dat de verschillende gemeenteraden ook verschillend met de delegatiebevoegdheid omgaan.

Dit is ook in lijn met de gedachte achter de Omgevingswet, die een dergelijke afweging op lokaal niveau mogelijk maakt. Uit de analyse (voor de goede orde: van de vijf delegatiebesluiten) kon het volgende worden afgeleid: De volgende bevoegdheden zijn door nagenoeg alle gemeenteraden die een delegatiebesluit hebben genomen, gedelegeerd: - Het corrigeren van verschrijvingen en kleine fouten (5 keer) - Het opnemen van verleende vergunningen in het omgevingsplan (5 keer) - Wijzigingen die noodzakelijk zijn als gevolg van hogere regelgeving en waarbij geen beleidsruimte bestaat (4 keer) - Het beleidsneutraal verwerken van kaderstellend beleid (4 keer) - Het beleidsneutraal verwerken van (specifieke) verordeningen (4 keer) - Het nemen van een voorbereidingsbesluit (4 keer) Er is ook sprake van een aantal bevoegdheden, die niet algemeen gedelegeerd worden: - Wijzigingen die het gevolg zijn van wijzigings- of uitwerkingsbevoegdheden in de huidige bestemmingsplannen (2 keer) - Het aanwijzen, wijzigen of schrappen van monumenten (2 keer) - Wijzigingen in de artikelsgewijze toelichting van het omgevingsplan (1 keer) - Het toevoegen of wijzigen van begripsbepalingen (1 keer) - Het wijzigen van het omgevingsplan voor aanvragen omgevingsvergunningen die in strijd zijn met het omgevingsplan, waarvoor het omgevingsplan gewijzigd zou moeten worden (1 keer) Uit de consultatiesessie bleek dat

de aanwezigen over het algemeen open stonden voor het delegeren van bevoegdheden aan het college, maar dat daarbij wel enige voorzichtigheid moet worden betracht. De kaderstellende rol van de raad is leidend. Vooralsnog komen daarom alleen bevoegdheden voor delegatie in aanmerking, waar dit vanuit het oogpunt van efficiency, flexibiliteit en/of urgentie wenselijk is, of waar vanuit de huidige bevoegdhedenverdeling al een bevoegdheid van het college aan de orde is.

Nota van uitgangspunten omgevingsplan | pagina 35

Welke bevoegdheden worden aan het college gedelegeerd? De volgende bevoegdheden worden vanaf de inwerkingtreding van de Omgevingswet aan het college gedelegeerd5: - Het doorvoeren van juridische en/of redactionele correcties van inventarisatiefouten, verschrijvingen, schrijffouten en het herstel van technische (teken)fouten in het omgevingsplan. - Het in overeenstemming brengen van het omgevingsplan met verleende omgevingsvergunningen, voor zover deze omgevingsvergunningen onherroepelijk zijn. - Het wijzigen van het omgevingsplan indien dat noodzakelijk is vanwege gewijzigde wet- en regelgeving, voor zover hier geen beleidsvrijheid is toegekend - Het aanwijzen, wijzigen of schrappen van gemeenelijke monumenten. - Het nemen van een voorbereidingsbesluit. Uiteraard kan de delegatie van bevoegdheden op een later moment door de raad worden uitgebreid, of juist worden beperkt. Daarvoor zal dan een nieuw delegatiebesluit genomen moeten worden. In de navolgende tekst worden de bij de inwerkingtreding van de Omgevingswet aan het college gedelegeerde bevoegdheden nader toegelicht. Het doorvoeren van juridische en/of redactionele correcties van inventarisatiefouten, verschrijvingen, schrijffouten en het herstel van technische (teken)fouten in het omgevingsplan. Het opbouwen van het eigen Roermonds omgevingsplan wordt een complex en omvangrijk proces.

Het gaat ook om nieuwe materie, die zowel het bestuur als de ambtelijke organisatie zich eigen moet maken. Ondanks alle zorgvuldigheid die we daarbij in acht nemen, kunnen tijdens dit proces onjuistheden in het omgevingsplan ontstaan. Het herstellen van dergelijke onjuistheden (bijvoorbeeld een verkeerde verwijzing in de regels van het plan, of duidelijke verschrijvingen), wordt gedelegeerd aan het college. -

Het in overeenstemming brengen van het omgevingsplan met verleende omgevingsvergunningen, voor zover deze omgevingsvergunningen onherroepelijk zijn. Net zoals onder de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) kan worden afgeweken van een bestemmingsplan, blijft het onder de Omgevingswet mogelijk om ontwikkelingen die afwijken van het omgevingsplan mogelijk te maken met een omgevingsvergunning. Het college kan een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit (BOPA) verlenen. Het college heeft de bevoegdheid (in bepaalde gevallen rekening houdend met een bindend advies van de raad) te besluiten over het verlenen van een omgevingsvergunning in afwijking van het omgevingsplan. De Omgevingswet bepaalt dat de gemeenteraad vergunningen voor afwijkactiviteiten binnen vijf jaar moet verwerken in het omgevingsplan. Een dergelijke wijziging van het omgevingsplan is niet meer vatbaar voor beroep. Het verwerken van een verleende omgevingsvergunning in het omgevingsplan wordt daarmee vergelijkbaar met een administratieve handeling (de met de vergunning verkregen rechten kunnen immers niet zomaar worden ingetrokken, door de vergunning niet te verwerken). Dit leent zich dus goed voor delegatie. -

Voor de goede orde wordt opgemerkt dat met de term omgevingsvergunningen in dit verband niet slechts wordt gedoeld op omgevingsvergunningen die verleend op grond van de Omgevingswet, maar ook op omgevingsvergunningen die zijn verleend op grond van de Wabo.

5 Raadsbesluit d.d. 21 december 2023: Vaststelling delegatiebesluit Omgevingswet 2023

Nota van uitgangspunten omgevingsplan | pagina 36

- Het wijzigen van het omgevingsplan indien dat noodzakelijk is vanwege gewijzigde wet- en regelgeving, voor zover hier geen beleidsvrijheid is toegekend. Wet– en regelgeving wijzigt regelmatig, net als normen uit beleidsstukken/-visies. Dit kan er toe leiden dat normen, meetmethoden, referenties en verwijzingen (naar wetgeving) die in het omgevingsplan zijn opgenomen aangepast moet worden. Wanneer bij deze gewijzigde wet- en regelgeving van hogerhand geen beleidsvrijheid aan de raad is toegekend, dan bestaat er geen afwegingsruimte over de vraag hoe een en ander in het omgevingsplan opgenomen moet worden. De verwerking van de gewijzigde regeling beperkt zich ook hier dan feitelijk tot een administratieve handeling. Om de procedure voor het aanpassen van het omgevingsplan in deze situaties sneller te laten verlopen ligt het delegeren van de vaststelling van het omgevingsplan op dit punt voor de hand. - Het aanwijzen, wijzigen of schrappen van gemeenelijke monumenten. Gemeentelijke monumenten moeten volgens de Omgevingswet in het omgevingsplan opgenomen worden. Het toedelen van de functie monument aan een locatie (voorheen: het aanwijzen van een gemeentelijk monument) is volgens de gemeentelijk Erfgoedverordening 2023 een collegebevoegdheid. In het kader van de Omgevingswet dienen verordeningen in het omgevingsplan opgenomen te worden.

Tot het moment dat het tijdelijk omgevingsplan wordt omgezet in een omgevingsplan (uiterlijk 2032) en alle gemeentelijke verordeningen hierin opgenomen zijn, kunnen nieuwe gemeentelijke monumenten nog worden aangewezen op grond van de gemeentelijke erfgoedverordening. Na de overgangsperiode zal het aanwijzen van gemeentelijke monumenten geregeld worden door deze op te nemen in het omgevingsplan. Aangezien de bevoegdheid tot het aanwijzen van gemeentelijke monumenten reeds bij het college ligt, ligt het voor de hand dat het college ook verantwoordelijk is voor het wijzigen van het omgevingsplan die relatie hebben met gemeentelijke monumenten. - Het nemen van een voorbereidingsbesluit. Onder de Wet ruimtelijke ordening kan de raad een voorbereidingsbesluit nemen. Deze bevoegdheid bestaat ook onder de Omgevingswet. Een voorbereidingsbesluit is een verklaring dat een wijziging van het omgevingsplan wordt voorbereid, waarmee een aanhoudingsplicht geldt voor bouw- en aanlegactiviteiten. Hierdoor wordt voor het gebied waarvoor het besluit wordt genomen de bestaande situatie als het ware tijdelijk bevroren totdat het omgevingsplan is gewijzigd. Met het nemen van een voorbereidingsbesluit wordt voorkomen dat een initiatiefnemer kort voor aanpassing van het omgevingsplan bewust een vergunningaanvraag indient die in strijd is met de voorgenomen aanpassing.

De noodzaak tot het nemen van een voorbereidingsbesluit komt nauwelijks voor, maar wanneer dit nodig is, is het belangrijk dat er snel gehandeld kan worden. Gelet op de vergaderfrequentie van de raad in relatie tot die van het college, kan het college hierin sneller acteren. Om die reden is in de Omgevingswet een delegatiemogelijkheid opgenomen voor de bevoegdheid tot het nemen van een voorbereidingsbesluit (artikel 4.14 Ow).

Nota van uitgangspunten omgevingsplan | pagina 37

7. Uitvoering en financiële middelen Het vaststellen van een eigen Roermonds omgevingsplan is een wettelijke taak. Voor het uitvoeren van deze wettelijke taak wordt de komende jaren een (fors) beroep gedaan op onze organisatie. Het maken van het eigen omgevingsplan komt deels in de plaats van het actualiseren van onze bestemmingsplannen en het up to date houden van onze verordeningen. Daarvoor is reguliere capaciteit beschikbaar, en zijn middelen in de begroting gereserveerd. Echter, in de voorgaande hoofdstukken is al aangegeven dat een aanzienlijk aantal nieuwe onderwerpen een plek moet krijgen in het omgevingsplan, welke allemaal een eigen voorbereiding en afweging vergen. Daarbij moeten we ons een nieuwe werkwijze eigen maken. Dit alles gaat waarschijnlijk extra tijd en capaciteit vragen. Uitgangspunt is om dit zo veel mogelijk op te vangen binnen de bestaande formatie, door het maken van slimme keuzes en combinaties. In de begroting 2023 is de verwachting uitgesproken dat we in de periode tot 2030 jaarlijks € 160.000 nodig hebben voor het definitief vormgeven van het omgevingsplan. Voor de gedeeltelijke dekking van deze kosten wordt elk jaar het budget voor het actualiseren bestemmingsplannen van € 60.000 ingezet.

De resterende € 100.000 kan gedekt worden uit de door het rijk aangekondigde compensatie invoeringskosten Omgevingswet en door te beschikken over de bestemmingsreserve invoering Omgevingswet (saldo 31 december 2022: € 386.000). De door het Rijk toegezegde compensatie is echter niet zoals verwacht verwerkt in de septembercirculaire 2023. In de Kamerbrief van 14 juli 2023 is aangegeven dat deze compensatie wordt opgenomen in de decembercirculaire. Zodra de aard en hoogte van de compensatie bekend is kan worden bepaald welke beschikkingen over eerdergenoemde bestemmingsreserve nodig zijn om de extra kosten voor het opstellen van het omgevingsplan te dekken. Tijdens de transformatieperiode wordt gemonitord of deze middelen voldoende zijn, aanvullende middelen noodzakelijk blijken of ambities moeten worden bijgesteld. Een beschrijving van de uitvoering, inclusief een globale planning, is opgenomen in hoofdstuk 4 van dit document.

Nota van uitgangspunten omgevingsplan | pagina 38

8

Risico’s, effecten en maatregelen

Tot slot worden in dit hoofdstuk de mogelijke risico´s benoemd die we in de transitieperiode naar het eigen Roermonds omgevingsplan voorzien. Dit overzicht is waarschijnlijk niet uitputtend, maar geeft wel een overzicht van de complexiteit waarmee we als gemeente te maken krijgen. De effecten en mogelijke maatregelen zijn ook beschreven. Deze kunnen helpen bij de evaluatie en bewaking van het proces om te komen tot een eigen Roermonds omgevingsplan. Risico

Effect

Maatregel

Te weinig ambtelijke capaciteit

Proces omgevingsplan kan

-

beschikbaar, krapte op de

niet uitgevoerd worden en/óf

arbeidsmarkt

reguliere werkzaamheden

de ambtelijke organisatie. -

komen in het gedrang (b.v. procedures

Tijdig signaleren, te beginnen in Mogelijk aanvullende financiële middelen voor inhuur noodzakelijk

-

vergunningverlening)

Inrichten flexibele schil, mogelijk regionaal

Het DSO blijkt niet naar behoren

Wijzigingsbesluiten kunnen

-

Dit is een landelijke voorziening.

te werken

niet, of niet op tijd

Als deze niet naar behoren werkt

gepubliceerd worden in het

moet bekeken worden of

DSO

publicatie uitgesteld kan worden of andere maatregelen mogelijk/noodzakelijk zijn.

Lange tijd 2 juridische en digitale

Extra onzekerheden, mogelijk

-

Snelheid proces omgevingsplan

stelsels

meer kosten, juridische

-

Keuzes maken bij wijze van

procedures, afhankelijkheid

inrichten omgevingsplan

softwareleveranciers Te veel prioriteiten tegelijkertijd

-

onduidelijkheid intern en

-

extern (wat eerst

proces beleggen

oppakken) -

-

gemaakte afspraken ter discussie

-

Duidelijk de regie op het totale Duidelijk afspraken met raad en college over de aanpak

-

vertraging bij lopende

Duidelijke afspraken maken met clusters over de planning en de

ontwikkelingen

inzet, sturing op de planning -

Tijdig signaleren, te beginnen bij de ambtelijke organisatie

Meer afstemming met

Proces omgevingsplan

- Tijdig afstemmen met

ketenpartners

vertraagt door intensievere

ketenpartners over inzet van

samenwerking van alle

capaciteit.

betrokkenen (RUD LN, VrLN, Waterschap, RWS, gemeentes, provincie). Prioritering bij ketenpartners

Nota van uitgangspunten omgevingsplan | pagina 39

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Roermond&id=96468988-04d9-44dc-bf0d-912f03fd6252