CConstaterende datRoerdalen
Koppel je AI →
Document · PDF

Ontwerp (concept) ruimtelijke onderbouwing

Gemeenteraad 10 maart 2022, gemeente RoerdalenBij agendapunt: Verklaring van geen bedenkingen expositiegebouw MERU27.950 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 4

Bij de inpassing van duurzame energie hebben we oog voor omgevingskwaliteit. Een voorbeeld hiervan is dat we eerst kijken naar ongebruikte daken om zonnepanelen op te plaatsten;  De overgang naar een circulaire economie, waarbij we tegelijk goed kunnen blijven concurreren en een aantrekkelijk vestigingsklimaat bieden. Een voorbeeld is het aanpassen van productieprocessen en het gebruik van reststoffen in het haven- en industriegebied;  De ontwikkeling van het Stedelijk Netwerk Nederland. Hiermee sturen we op een goed bereikbaar netwerk van steden. We gebruiken zo de ambities en mogelijkheden in steden en regio's in heel Nederland. Voorbeelden van regionale uitwerking hiervan zijn de verstedelijkingsstrategieën, waarin vooruitgekeken wordt hoe verschillende ruimtelijke functies in en rondom steden het beste ingepast kunnen worden;  Het bij elkaar plaatsen van zogenaamde logistieke functies (bijvoorbeeld distributiecentra, datacenters) om hiermee de openheid en de kwaliteit van het landschap te behouden. We maken daarbij gebruik van een voorkeursvolgorde logistieke functies;  Het toekomstbestendig maken van het landelijk gebied in goed evenwicht met de natuur en landschap. We werken bijvoorbeeld aan de overgang naar de kringlooplandbouw zodat gebruik van de grond meer wordt afgestemd op de natuurlijke water- en bodemsystemen.

Rho adviseurs voor leefruimte

20170697

48

De NOVI gaat uit van vier prioritaire opgaven:

Hierbij worden drie inrichtingsprincipes gehanteerd die helpen om in een specifieke casus of gebied bij botsende belangen een zorgvuldige weging tussen nationale belangen te maken. Die inrichtingsprincipes zijn:  combineren boven enkelvoudig;  kenmerken en identiteit van een gebied staan centraal;  afwentelen voorkomen. Beoordeling De nationale omgevingsvisie is relevant wanneer de gemeente in plannen ontwikkelingen mogelijk maakt die van nationaal belang zijn. Op dit project zijn geen van de onderwerpen die door het Rijk in de visie worden aangestipt van belang. 3.1.2 Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) Op 13 maart 2012 is de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (hierna: SVIR) vastgesteld. In deze structuurvisie staan de (rijks)plannen voor ruimte en mobiliteit. Overheden, burgers en bedrijven krijgen de ruimte om zelf oplossingen te creëren. Het rijk richt zich met name op het versterken van de internationale positie van Nederland en het behartigen van de nationale belangen. Naast de drie hoofddoelen voor een concurrerend, bereikbaar, leefbaar en veilig Nederland is het Rijk verantwoordelijk voor een goed systeem van ruimtelijke ordening. Voor deze drie rijksdoelen worden de onderwerpen van nationaal belang benoemd, waarmee het Rijk aangeeft waarvoor het verantwoordelijk is en waarop het resultaten wil boeken.

De 13 nationale belangen zijn als volgt: Versterken van de ruimtelijk-economische structuur van Nederland 1. Een excellent en internationaal bereikbaar vestigingsklimaat in de stedelijke regio's met een concentratie van topsectoren. 2. Ruimte voor het hoofdnetwerk voor (duurzame) energievoorziening en de energietransitie. 3. Ruimte voor het hoofdnetwerk voor vervoer van (gevaarlijke) stoffen via buisleidingen. 4. Efficiënt gebruik van de ondergrond. Verbeteren bereikbaarheid: Slim Investeren, Innoveren en instandhouding 5. Een robuust hoofdnetwerk van weg, spoor en vaarwegen rondom en tussen de belangrijkste stedelijke regio's inclusief de achterlandverbindingen. 6. Betere benutting van de capaciteit van het bestaande mobiliteitssysteem van weg, spoor en vaarwegen. 7. Het in stand houden van de hoofdnetwerken van weg, spoor en vaarwegen om het functioneren van de netwerken te waarborgen. Waarborgen kwaliteit leefomgeving 8. Verbeteren van de milieukwaliteit (lucht, bodem, water), bescherming tegen geluidsoverlast en externe veiligheidsrisico's. 9. Ruimte voor waterveiligheid, een duurzame zoetwatervoorziening en klimaatbestendige stedelijke (her)ontwikkeling. Rho adviseurs voor leefruimte

20170697

49

10. Ruimte voor behoud en versterking van (inter)nationale unieke cultuurhistorische en natuurlijke kwaliteiten. 11. Ruimte voor een nationaal netwerk van natuur voor het overleven en ontwikkelen van flora- en faunasoorten. 12. Ruimte voor militaire terreinen en activiteiten. 13. Zorgvuldige afwegingen en transparante besluitvorming bij alle ruimtelijke plannen. Beoordeling Voor het projectgebied waarbinnen de ontwikkeling zal plaatsvinden geldt dat er geen nationale belangen uit de structuurvisie in het geding zijn. Het rijksbeleid, zoals verwoord in structuurvisie infrastructuur en ruimte, is door provincie en gemeente verder uitgewerkt in provinciaal en lokaal beleid, zoals het POL en de handreiking ruimtelijke ontwikkeling. Ten behoeve van de voorgenomen ontwikkeling heeft een zorgvuldige afweging plaatsgevonden en zal een transparante besluitvorming plaatsvinden. Conclusie Met de (voorgenomen) ontwikkeling zijn geen nationale belangen uit de SVIR (zoals de natuurlijke kwaliteit) in het geding. 3.1.3 Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) De AMvB Ruimte wordt in juridische termen aangeduid als Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (hierna: Barro). Om de nationale belangen uit de SVIR door te laten werken in ruimtelijke plannen van lagere overheden is naast de SVIR het Barro in werking getreden.

Het Barro omvat alle ruimtelijke rijksbelangen die juridisch doorwerken van provinciale en gemeentelijke ruimtelijke plannen. Onder een ruimtelijk plan wordt mede verstaan een omgevingsvergunning waarbij met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onderdeel a, onder 3 0 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, van het bestemmingsplan of de beheersverordening wordt afgeweken (artikel 2.1.1 Omgevingsverordening Limburg 2014). Radarverstoringsgebied

Figuur 3.1: radarverstoringsgebied Volkel

Rho adviseurs voor leefruimte

20170697

50

Verspreid over Nederland staat een aantal militaire- en burgerradarstations. Deze dienen voor de beveiliging van het nationale luchtruim en voor de veilige afhandeling van het militaire en het civiele luchtverkeer. Objecten hoger dan 65 meter boven NAP binnen 15 nautische mijl (= 27,8 kilometer) van dit radarstation kunnen aanleiding geven tot verstoring van het radarbeeld en kunnen derhalve niet worden toegestaan, tenzij uit onderzoek is gebleken dat de mate van verstoring aanvaardbaar is. Hiervoor dient door TNO een radarhinderonderzoek te worden uitgevoerd. Op basis van dit onderzoek beoordeelt Defensie de aanvaardbaarheid van de verstoring. Het projectvoornemen is niet gesitueerd in het beperkingengebied behorende bij het radarstation Volkel. Bovendien heeft het projectvoornemen geen betrekking op het oprichten van een windturbine. Zie figuur 3.1. Het Barro geeft verder voor de planlocatie geen nationale belangen aan. Conclusie Het Rijksbeleid richt zich op een dusdanig schaalniveau dat hieruit geen concrete beleidskaders voortkomen voor de voorgestane ontwikkeling. Het rijksbeleid staat de uitvoering van de (voorgenomen) ontwikkeling niet in de weg.

3.1.4 Ladder voor duurzame verstedelijking (artikel 2.16, lid 2 Bro) Om zorgvuldig ruimtegebruik te bevorderen is in artikel 3.1.6, lid 2 van het Besluit ruimtelijke ordening voorgeschreven dat indien een bestemmingsplan 'een nieuwe stedelijke ontwikkeling' mogelijk maakt, in de toelichting van het bestemmingsplan een verantwoording daarvan moet plaatsvinden volgens de systematiek van de ladder voor duurzame verstedelijking (ladder). Aanvankelijk vond de verantwoording volgens de ladder plaats via een drie-stappen benadering. De ladder is echter per 1 juli 2017 gewijzigd. De huidige ladder bevat geen treden meer. De oorspronkelijke trede 1 en 2 zijn samengevoegd en trede 3 is geschrapt. Voor nieuwe stedelijke ontwikkelingen binnen bestaand stedelijk gebied dient nu de behoefte te worden beschreven (artikel 3.1.6, lid 2 Bro: "De toelichting bij een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, bevat een beschrijving van de behoefte aan die ontwikkeling"). Voor stedelijke ontwikkelingen buiten bestaand stedelijk gebied moet daarnaast worden gemotiveerd waarom deze niet binnen bestaand stedelijk gebied gerealiseerd kunnen worden (=uitgebreide motiveringsplicht). In de nieuwe Ladder is het woord 'regionale' niet meer aanwezig. De Ladder bepaalt niet nader voor welk gebied de behoefte in beeld moet worden gebracht.

Het is primair aan het bevoegd gezag om op basis van het ruimtelijk verzorgingsgebied van de stedelijke ontwikkeling te bepalen tot welk gebied de beschrijving van de behoefte zich moet uitstrekken. De aard en omvang van de stedelijke ontwikkeling bepaalt op welk niveau de afweging moet worden gemaakt. Zo kan het voorkomen dat een stedelijke ontwikkeling een ruimtelijk verzorgingsgebied heeft, dat de gemeentegrenzen niet overstijgt. Voor deze ontwikkeling is het schaalniveau van de gemeente, of wellicht zelfs het schaalniveau van de buurt, het ruimtelijk verzorgingsgebied waarbinnen de behoefte inzichtelijk moet worden gemaakt. Soms hebben provincies in de ruimtelijke verordening aanvullende regels gesteld ten aanzien van de wijze waarop de behoefte kan/moet worden bepaald of stellen soms eisen aan de wijze waarop regionale afstemming moet worden vormgegeven. De Laddertoets moet dus worden uitgevoerd wanneer er sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling. In artikel 1.1.1 onder i van het Bro is een nadere omschrijving van het begrip stedelijke ontwikkeling vastgelegd. Als stedelijke ontwikkeling wordt genoemd: 'ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen.' In het Bro is geen ondergrens voor de minimale omvang vastgelegd.

Of er sprake is van een stedelijke ontwikkeling wordt dan ook bepaald door de aard en omvang van de ontwikkeling in relatie tot de omgeving. Daarbij wordt de afbakening van het begrip 'nieuwe stedelijk ontwikkeling' door de jurisprudentie vormgegeven.

Rho adviseurs voor leefruimte

20170697

51

Formele toepassing Toetsing aan de ladder is formeel vereist bij een beleidsmatige afweging indien dit is opgenomen in een provinciale verordening (artikel 4.1 Wro) of in een gemeentelijke beleidsregel ten aanzien van de toepassing van planologische besluiten. Materiële toepassing De ladder voor duurzame verstedelijking is van toepassing op een ruimtelijk besluit dat valt binnen het formele toepassingsbereik van de ladder en voorziet in een stedelijke ontwikkeling als bedoeld in artikel 1.1.1. lid 1 aanhef en onder i Bro. “stedelijke ontwikkeling: ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen” Deze definitie is gelijk aan de definitie die in de 'Omgevingsverordening Limburg 2014' voor het begrip stedelijke ontwikkeling wordt gehanteerd. Indien een ontwikkeling niet onder deze definitie valt, behoeft de 'Ladder voor duurzame verstedelijking' niet te worden toegepast. De Ladder voor duurzame verstedelijking moet wel worden gevolgd wanneer planologisch “nieuwe stedelijke ontwikkelingen” mogelijk worden gemaakt. Daarbij wordt de afbakening van het begrip 'nieuwe stedelijk ontwikkeling' door de jurisprudentie vormgegeven. Het al dan niet toenemen van het ruimtebeslag is een belangrijk criterium voor het aanmerken van een ontwikkeling als een 'nieuwe stedelijke ontwikkeling'.

Indien er sprake is van een (geringe) toename van bouwmogelijkheden, dan is er geen sprake van een nieuwe stedelijke ontwikkeling Beoordeling De realisatie van de voorgestane ontwikkeling kan niet worden aangemerkt als een nieuwe stedelijke ontwikkeling, aangezien de bebouwing in beperkte mate toeneemt ten opzichte van de al vergunde 35 meter hoge (expositie)toren. Het extra ruimtebeslag zit met name in de hoogte door de verhoging en in zeer beperkte mate in het oppervlak (lengte/breedte van de toren). Gelet hierop en de jurisprudentie rondom het begrip stedelijke ontwikkeling kan dan ook gesteld worden dat de voorgenomen planontwikkeling niet aangemerkt wordt als een 'nieuwe stedelijke ontwikkeling'. De voorgenomen planontwikkeling vormt derhalve géén belemmering vanuit de onderbouwing van de Ladder voor duurzame verstedelijking c.q. de verplichting vanuit het Bro. Conclusie Het rijksbeleid staat de uitvoering van de (voorgenomen) ontwikkeling niet in de weg.

3.2

Provinciaal beleid

3.2.1 Provinciaal omgevingsplan Limburg (POL 2014) Op 12 december 2014 hebben Provinciale Staten het Provinciaal Omgevingsplan 2014 vastgesteld. Het is een plan op hoofdlijnen en biedt een samenhangend overzicht van de provinciale visie op de ontwikkeling van de kwaliteitsregio Limburg, en de ambities, rol en werkwijze op een groot aantal beleidsterreinen. Het is zowel Structuurvisie, Streekplan, Waterhuishoudingplan, Milieubeleidsplan, als Verkeer en vervoerplan, en bevat de hoofdlijnen van de fysieke onderdelen van het economische, en sociaal-culturele beleid. De centrale ambitie zoals verwoord in het POL2014 komt voort uit de Limburgagenda: een voortreffelijk grensoverschrijdend leef- en vestigingsklimaat, dat eraan bijdraagt dat burgers en bedrijven kiezen voor Limburg: om ernaartoe te gaan en vooral ook om daar te blijven. In het POL staan de fysieke kanten van het leef- en vestigingsklimaat centraal. Belangrijke uitdagingen zijn het faciliteren van innovatie, het aantrekkelijk houden van de regio voor jongeren en arbeidskrachten, de fundamenteel veranderde

Rho adviseurs voor leefruimte

20170697

52

opgaven op het gebied van wonen en voorzieningen, de leefbaarheid van kernen en buurten en het inspelen op de klimaatverandering. Aan het provinciaal omgevingsbeleid ligt een aantal principes ten grondslag: kwaliteit staat daarbij centraal. Dat komt tot uiting in het koesteren van de gevarieerdheid van Limburg onder het motto 'meer stad, meer land', het bieden van ruimte voor verweving van functies, in kwaliteitsbewustzijn, en in dynamisch voorraadbeheer dat moet resulteren in een nieuwe vorm van groeien. Minder dan voorheen richt de Provincie zich op het beoordelen van individuele ontwikkelingen met een lokaal karakter: deze rol wordt overgelaten aan de diverse gemeenten. Middels het POL2014 wordt wel een aantal beleidsmatige kaders gesteld, al dan niet verankerd in de al eerdergenoemde provinciale Omgevingsverordening. In het Provinciaal Omgevingsplan Limburg (POL 2014) staat de visie centraal om de kwaliteit van de fysieke leefomgeving te verbeteren. De grote variatie in omgevingskwaliteiten is een kenmerk en sterk punt van Limburg. Kwaliteit centraal betekent dat zorgvuldig moet worden omgegaan met voorraden: de ruimte (steden en dorpen, natuur, landschap), de voorzieningen (gebouwde omgeving, infrastructuur, vervoersystemen), de natuurlijke hulpbronnen, de milieuruimte en onze ondergrond.

Veel keuzes die samen de kwaliteit van Limburg bepalen, worden niet alleen in het POL gemaakt, maar dienen vooral in afwegingsprocessen over concrete projecten plaats te vinden. Ingezet wordt op een kwaliteitsniveau dat past bij het gebied. Nieuwe initiatieven moeten per saldo leiden tot verbetering van de omgevingskwaliteit. Het POL onderscheidt zeven globaal afgebakende gebiedstypen binnen bebouwd gebied en landelijk gebied. Dit zijn zones met elk een eigen karakter, herkenbare eigen kernkwaliteiten, en met heel verschillende opgaven en ontwikkelingsmogelijkheden. Binnen het landelijk gebied onderscheiden we de volgende zones:  bronsgroene landschapszone;  buitengebied;  goudgroene natuurzone;  zilvergroene natuurzone.

Figuur 3.2:

planlocatie binnen POL 2014 kaart 'Zonering Limburg" binnen Landelijk gebied met aanduiding 'Buitengebied'

Op figuur 3.2 is te zien dat de planlocatie is gelegen binnen het buitengebied en omringd wordt door de goudgroene natuurzone.

Rho adviseurs voor leefruimte

20170697

53

Buitengebied Deze zone omvat een breed scala aan gebieden variërend van landbouwgebieden in algemene zin, glastuinbouwgebieden, ontwikkelingsgebieden intensieve veehouderij, verblijfsrecreatieve terreinen, stadsrandzones tot linten en cluster van bebouwing. Goudgroene natuurzone Dit betreft het Limburgse deel van het nationale natuurnetwerk en omvat de belangrijkste bos- en natuurgebieden, waaronder de Natura 2000-gebieden, inclusief de reeds gerealiseerde areaaluitbreidingen natuur), én de nog te realiseren areaaluitbreidingen natuur. De buitenbegrenzing van de goudgroene natuurzone is vrij nauwkeurig begrensd, maar omvat ook op bestemmingsplan- niveau ook andere functies. Stiltegebieden In het POL2014 is het milieubeleid onder meer geïntegreerd in het thema: aantrekkelijke woon- en leefomgeving. Rust en stilte is een belangrijke waarde, in woonomgevingen en natuurgebieden, zeker ook vanuit toeristisch oogpunt. Limburg kiest ervoor om een aantal, van oudsher stille gebieden ook stil te laten blijven (met een geluidsniveau van 40 dB(A) of lager). In deze stiltegebieden geldt een aantal beperkingen, geregeld in de Omgevingsverordening. Deze gebieden zijn herkenbaar (gemarkeerd) en dragen bij aan de bewustwording van milieu en natuur.

Figuur 3.3:

planlocatie op kaart 'Wonen en leefbaarheid (POL 2014) met aanduiding 'Stiltegebied'

Beoordeling De planlocatie is gesitueerd in het in het POL aangewezen zonering landelijk gebied met aanduiding 'buitengebied' en de zonering 'Stiltegebied', en wordt omringd door de 'goudgroene natuurzone' (zie figuur 3.3). De beoogde ontwikkeling past binnen, c.q. is niet strijdig met de aan deze zoneringen verbonden en geformuleerde provinciale beleidsdoelstellingen. Conclusie De (voorgenomen) ontwikkeling past binnen de algemeen geformuleerde beleidsdoelstellingen/ aandachtspunten volgens de van toepassing zijnde provinciale zoneringen. Het provinciaal beleid staat de uitvoering van de (voorgestane) ontwikkeling niet in de weg.

Rho adviseurs voor leefruimte

20170697

54

3.2.2 Omgevingsverordening Limburg 2014 De Provinciale Ruimtelijke Verordening bevat algemene regels die gemeenten in acht moeten nemen bij het opstellen van hun ruimtelijke ontwikkelingen. Hieronder wordt ingegaan op een relevant van toepassing zijnde thema uit de Omgevingsverordening, te weten (artikel 4.6 - Stiltegebieden). Volgens de verordening is het verboden in het stiltegebied enkele activiteiten te verrichten die vanwege het aspect geluid/lawaai verstorend kunnen zijn ten aanzien van de boogde stilte in het gebied. Het betreft dan met name geluid van motorvoertuigen en bromfietsen en lawaaiige apparaten onder de daarbij vermelde situaties met benoemde uitzonderingen. Ontheffing van het verbod is onder bepaalde voorwaarden mogelijk door Gedeputeerde Staten. Paragraaf 4.6 van de Omgevingsverordening Limburg 2014 geldt overigens niet voor (bouw)lawaai binnen inrichtingen. In de stiltegebieden wordt een gemiddeld geluidsniveau van maximaal 40 decibel nagestreefd. Dit geluidniveau is te vergelijken met het geluid van vogels bij zonsopkomst. Het is niet de bedoeling mensen uit de stiltegebieden te weren. Ze moeten er juist kunnen genieten van de rust. Rustig recreëren, wandelen en fietsen zijn toegestaan. Dit zijn activiteiten waarbij de natuurlijke geluidsniveaus in een stiltegebied niet verstoord worden.

In stiltegebieden zijn geen activiteiten toegestaan die (veel) lawaai met zich meebrengen. Er lopen wel wegen en paden door de stiltegebieden. Gemotoriseerd verkeer is alleen toegestaan op de daarvoor openstaande wegen. Beoordeling Sinds 1984 is de hoofdvestiging van de Vedische Universiteit gevestigd op het MERU-complex te Vlodrop. Vanuit de Vedische Universiteit worden wereldwijd projecten ontwikkeld, georganiseerd, gecoördineerd en geleid op het gebied van bewustzijnsontwikkeling, vrede, onderwijs, natuurlijke gezondheid, biologische landbouw, armoedebestrijding en architectuur. Ondersteunend voor deze activiteiten vinden daartoe op de planlocatie cursussen, meditatie en wonen plaats passend binnen de ter plaatse van toepassing zijnde maatschappelijke bestemming en de daaraan verbonden gebruiksfuncties. Op het terrein buiten de gebouwen vinden behalve wandelactiviteiten, kleinschalige groenteteelt geen andere activiteiten plaats. Het bestemmingsverkeer naar het MERU-complex met de (expositie)toren maakt gebruik van een bestaande openbare (tot aan de eigendomsgrens) weg en er wordt geparkeerd op eigen terrein. Op het terrein zelf wordt onder meer gebruik gemaakt van elektrische (golf)wagens.

Conclusie De provinciale regelgeving in de Omgevingsverordening Limburg 2014 staat de uitvoering van de (voorgenomen) ontwikkeling met de daarbij behorende activiteiten en omgevingseffecten binnen een stiltegebied niet in de weg, gelet op de bij een stiltegebied verbonden regelgeving en beleidsdoelstellingen.

3.3

Gemeentelijk beleid

Strategische visie Roerdalen 2025 In 2008 heeft de gemeente Roerdalen de toekomstvisie Roerdalen 2020 opgesteld. Deze is tot stand gekomen met hulp van betrokken burgers en verenigingen. Begin 2011 was er behoefte aan het herijken van deze toekomstvisie, hetgeen heeft geleid tot de 'Strategische visie Roerdalen 2025'. De 'Strategische visie Roerdalen 2025' bestaat uit drie delen. In het eerste deel worden enkele belangrijke ontwikkelingen aangegeven die gevolgen hebben voor de gewenste identiteit van Roerdalen. In het tweede deel wordt het strategisch beleid behandeld. In feite is dit een beschreven foto van Roerdalen in 2025 zoals we dat wensen met de kennis van nu. Het derde deel is een tabel waarin de diverse taakvelden zijn opgenomen met precies dezelfde beschrijving van het gewenste strategische beleid (wat willen we bereiken?), maar nu ook met een doorkijkje naar de realisatie, het tactische beleid (hoe gaan we dat doen?). Het strategisch beleid is opgesteld vanuit de thema's; wonen, werken en leven. De navolgende punten zijn daarbij relevant voor onderliggend projectgebied:

Rho adviseurs voor leefruimte

20170697

55

  

er is een prachtig buitengebied waarbij cultuurlandschap, bos en natuurgebieden elkaar in harmonieuze afwisseling versterken; cultureel erfgoed heeft een vaste plaats in ons beleid gekregen en wordt ingezet bij de toeristische taak van de gemeente; bezinningstoerisme heeft een duidelijke plaats verworven in het toeristische aanbod.

Beoordeling De planontwikkeling maakt onderdeel uit van een totaal ontwikkeling op het MERU-terrein. Deze integrale ontwikkeling op het MERU-terrein is beoordeeld als passend in het strategische beleid van de gemeente ten aanzien van educatie en bezinningstoerisme. Behoud en versterking ervan ter plaatse door de realisatie van een (expositie)toren wordt nagestreefd en beoogd. Conclusie De (voorgenomen) ontwikkeling past binnen het strategisch beleid zoals opgenomen in de Strategische visie Roerdalen 2015. Structuurvisie Roerdalen 2030 De gemeente heeft een 'Nota van bouwstenen en voorkeurscenario Dynamisch Roerdalen' opgesteld. Deze nota is gebaseerd op de ruimtelijke inventarisatie en de inventarisatie van bestaand beleid en toekomstige wensen. De volgende stap is geweest het opstellen van een conceptueel ruimtelijk raamwerk. Het ruimtelijk raamwerk biedt een kader waarbinnen (nieuwe) ontwikkelingen kunnen plaatshebben en vormt een belangrijke basis voor de op 20 december 2012 vastgestelde 'Structuurvisie Roerdalen 2030'. In de 'Structuurvisie Roerdalen 2030' wordt inzicht gegeven in de voorgestane ruimtelijke en functionele ontwikkeling binnen de gemeente (zie figuur 3.4). Hierbij is ten doel gesteld de gemeente op de lange termijn aantrekkelijk, karakteristiek en levendig te houden.

Figuur 3.4: kaart Structuurvisie Roerdalen 2030

Goed passende recreatief-toeristische voorzieningen zijn voor de gemeente belangrijk. De gemeente wil deze behouden en waar mogelijk meewerken aan verdere ontwikkeling ervan. De te realiseren (expositie)toren kan binnen de gemeente bijkomend fungeren als voorziening binnen het "all wheater toerisme". Daarnaast wordt binnen de gemeente ruimte geboden voor behoud en verdere ontwikkeling van educatie en bezinningstoerisme. De expositieruimten in de te realiseren MERU-toren geven een passende invulling aan deze thema's.

Rho adviseurs voor leefruimte

20170697

56

Conclusie De (voorgenomen) ontwikkeling op de planlocatie sluit aan op de doelstellingen zoals geformuleerd in de Structuurvisie Roerdalen 2030. Kwaliteitsmenu Limburg Kwaliteitsmenu (LKM) Het Limburgs Kwaliteitsmenu (LKM) is overgedragen aan de gemeenten. De Provincie gaat ervanuit dat gemeenten zelf invulling geven aan dit kwaliteitsbeleid (waaronder de handhaving). De Provincie faciliteert de gemeenten hierbij. Een goede invulling van het Limburgs Kwaliteitsmenu is immers mede een provinciaal belang. De Provincie heeft in overleg met de gemeenten ervoor gezorgd dat:  Over de inzet van het LKM (als onderdeel van een bredere aanpak om ruimtelijke kwaliteit te bevorderen) in de regionale uitwerkingen per thema nadere afspraken hierover worden gemaakt.  Voor de hoogte van de tegenprestatie minimale drempelbedragen worden gehanteerd.  Stapeling met andere compensatieregelingen of regelingen met een vergelijkbaar karakter zoveel mogelijk wordt voorkomen.  De inzet van het instrument LKM wordt gemonitord. Het LKM heeft voorwaarden gesteld aan de gemeentelijke uitwerking van het LKM.

Deze voorwaarden zijn:  de gemeente werkt het LKM als gemeentelijke beleid uit en verankert dit in de gemeentelijke structuurvisie;  de gemeente respecteert de in het LKM opgenomen drempelwaarden;  de gemeente maakt gebruik van de regionale kwaliteitscommissie;  de gemeente rapporteert aan de provincie. Het Limburg Kwaliteitsmenu is in hoofdlijnen gebaseerd op de relatie met het buitengebied en de impact van de verschijningsvorm (visie of een bepaalde ontwikkeling functioneel en qua verschijningsvorm thuishoort in een (buiten)gebied. Ontwikkelingen die functioneel niet gebiedseigen zijn aan het (buiten)gebied of die qua verschijningsvorm of beleidsmatig niet zonder meer passen in het buitengebied krijgen in het kwaliteitsmenu te maken met de verplichting tot het leveren van een kwaliteitsbijdrage (= de waarde van het kwaliteitsverlies uitgedrukt in een kwaliteitsbijdrage). Als basis geldt voor elke ontwikkeling met betrekking tot bouwen, bouwwerken en verharding dat:  de ontwikkeling wordt ingepast afgestemd op de specifieke omgevingskenmerken (landschappelijk en ruimtelijk);  ten aanzien van de nieuwe ontwikkeling voorzieningen worden getroffen van hemelwater, waarbij de afhankelijk van de situatie dit infiltratie of retentie kan zijn.

Gemeentelijk kwaliteitsmenu De gemeente Roerdalen heeft het LKM vertaald in een gemeentelijk kwaliteitsmenu dat verankerd is in de gemeentelijke structuurvisie, waardoor het beleid afgestemd is op de specifieke Roerdalense situatie, het zogenaamde LKM+. Grondprincipe van het kwaliteitsmenu is, dat bepaalde ontwikkelingen in een (buiten)gebied, die een nieuw ruimtebeslag leggen met daaraan verbonden specifieke ruimtelijke invloeden op de omgeving, ter plaatse (kunnen) leiden tot een verlies aan omgevingskwaliteit, hetgeen dient te worden gecompenseerd door een kwaliteit verbeterende maatregel of financiële bijdrage. De compensatie wordt ingezet om de omgevingskwaliteit te versterken met als ambitie per saldo de kwaliteit te laten toenemen. Het kwaliteitsmenu is van toepassing op (niet onaanvaardbare) ruimtelijke ontwikkelingen die via een afwijkingsbesluit, wijziging, herziening van of rechtstreeks door het bestemmingsplan mogelijk worden gemaakt

Rho adviseurs voor leefruimte

20170697

57

Voor onderhavig project is geen sprake van nieuw ruimtebeslag. Het betreft een gewijzigde situering van een al vergunde (expositie)toren, waarbij het oppervlak van het gebouw iets wordt vergroot ten opzichte van de vergunde situatie (op een hoogte hoger dan 30 meter). Het grondoppervlak (footprint) van het gebouw past binnen de bouwbepalingen van het vigerende bestemmingsplan. Dientengevolge is het LKM niet van toepassing op de voorgestane ontwikkeling. Conclusie Voor de (voorgenomen) ontwikkeling is het LKM+ van Roerdalen niet van toepassing. Gemeentelijk Verkeers- en Vervoersplan (GVVP) In het gemeentelijk Verkeers- en Vervoersplan (GVVP) 2016-2021 wordt richting gegeven aan het gemeentelijk verkeers- en vervoersbeleid, inclusief een concreet uitvoeringsprogramma. Het GVVP fungeert op de eerste plaats als een toetsingskader voor toekomstige reconstructie- en nieuwbouwplannen, anderzijds bevat het een uitvoeringsprogramma met concrete maatregelen, prioritering en kostenraming. Het Verkeer- en Vervoersplan biedt de kaders voor nieuwe ontwikkelingen (onder meer door toepassing van een parkeernormering om ongewenst parkeergedrag en een ongewenste parkeerdruk in een omgeving/gebied tegen te gaan ter waarborging van de kwaliteit van de woon- en leefomgeving).

Beoordeling Het terrein en daarmee ook de beoogde MERU-toren wordt ontsloten door een semi-verharde weg die aansluit op het Station, vanwaar uit de provinciale weg (Herkenbosserweg N570) te bereiken is. Parkeren geschiedt op eigen terrein, waarvoor voldoende parkeergelegenheid aanwezig is. In paragraaf 4.5 wordt nader ingegaan op het aspect parkeren. Conclusie De (voorgenomen) ontwikkeling beantwoordt aan het gemeentelijk verkeers- en vervoersbeleid. Gemeentelijk rioleringsplan Het gemeentelijk rioleringsplan (GRP) Roerdalen 2017-2021, vastgesteld in december 2016 door de gemeenteraad, is van toepassing. In het GRP zijn voorwaarden voor het afkoppelen en infiltreren van hemelwater opgenomen. Bij het afwegen of ontwikkelingen die in het bestemmingsplan via een afwijkings- of wijzigingsbevoegdheid toegestaan kunnen worden wordt in het kader van de milieuhygiënische inpasbaarheid getoetst of aan de voorwaarden voldaan wordt. Op het aspect afkoppelen en infiltreren van hemelwater wordt in paragraaf 4.10 nader ingegaan. Conclusie De (voorgenomen) ontwikkeling, met de daarbij behorende uitvoering (zie verder paragraaf 4.10), voldoet aan de doelstellingen zoals benoemd in het gemeentelijk rioleringsplan.

Visie belevingspark de Meinweg (juni 2020) De gemeente heeft samen met lokale ondernemers een gebiedsvisie gemaakt om het Nationaal Park De Meinweg en omgeving te ontwikkelen tot een grensverleggend én grensoverschrijdend Belevingspark De Meinweg (voorheen ‘Gouden Driehoek’). Het park gaat fungeren als een inspiratiebron voor een nieuwe, actieve en gezonde samenleving. Het wordt een belevingsprak van de toekomst met symbiose tussen natuur, landschap en grensoverschrijdend excellent ondernemerschap: recreëren, economie en vrijetijdsbesteding op een duurzaam en kwalitatief hoogwaardig niveau. Gezocht wordt naar nieuwe ontwikkelingen en initiatieven die hieraan een bijdrage kunnen leveren De visie sluit nauw aan bij de ambitie van de Provincie Limburg. De provincie wil dat Limburg de meest vernieuwende, aantrekkelijkste en gezondste provincie wordt. Uitvoering van de visie vindt plaats aan de

Rho adviseurs voor leefruimte

20170697

58

hand van projecten en plannen op korte (2020-2025) en middellange termijn (2025-2035). Daarbij wordt onder meer gedacht aan nieuwe fietsverbindingen, een rolstoelpad en een route van uitkijkpunten. Beoordeling De bouw van een (expositie)toren door de MERU (Maharishi European Research University) op haar terrein is zo’n ontwikkeling. In de (expositie)toren kunnen bezoekers via interactieve media kennismaken met de Vedische wetenschap en de verschillende facetten van ons bestaan ervaren. Met de komst van de (expositie)toren toont de MERU daarmee ambitie in haar streven naar een meer open karakter om bezoekers en de leefgemeenschappen in de omgeving deelgenoot te maken van de mogelijkheden die de Vedische wetenschap een ieder te bieden heeft. Dit is ten opzichte van de huidige situatie een verandering aangezien het terrein nu nog betrekkelijk besloten is en alleen toegankelijk voor werknemers en wetenschappers. Conclusie De (voorgenomen) ontwikkeling is opgenomen in de Visie belevingspark Meinweg en levert een bijdrage aan het vergroten van de beleving van het Nationaal Park De Meinweg en omgeving.

3.4

Welstandsnota Roerdalen

De architectonische verschijning wordt gewaarborgd door middel van een welstandsnota. Met ingang van 1 juli 2004 is het voor elke gemeente in Nederland verplicht een (vastgestelde) welstandsnota te hebben. Is dit niet het geval, dan is de gemeente niet meer bevoegd een bouwplan op welstand te toetsen. Op 17 december 2015 is de 'Welstandsnota Roerdalen 2016' door de gemeente Roerdalen vastgesteld en in werking getreden. In de vergadering heeft de gemeenteraad besloten de gebieden met welstandniveau 2, 3 en 4 voor een periode van 2 jaar welstandsvrij te verklaren. Dit betekent dat uitsluitend de wettelijk verplichte monumenten en de plannen binnen een 'niveau 1 gebied' aan de omgevingscommissie ter beoordeling worden voorgelegd. Uit een evaluatie is gebleken dat dit een permanent karakter kan krijgen. Deze insteek wordt derhalve in de 'Welstandnota Roerdalen 2018' geformaliseerd. Beoordeling Onderhavige ontwikkeling valt binnen welstandniveau 3 (doorsnee welstandsgebied, bestaande beleving behouden) volgens de 'Welstandsnota Roerdalen 2016' en het welstandsvrije gebied volgens de 'Welstandsnota Roerdalen 2018'. Dit betekent dat de locatie welstandsvrij is verklaard. Wel is de excessenregeling van kracht in het kader van repressief welstandsbeleid.

Dit betekent dat het college van burgemeester en wethouders de eigenaar van een bouwwerk, dat "in ernstige mate in strijd is met redelijke eisen van welstand", kan aanschrijven om de strijdige situatie ongedaan te maken op grond van artikel 13a van de Woningwet. Het moet dan gaan om een buitensporige situatie (exces) in het aanzien van een bouwwerk, waarbij het ook voor niet-deskundigen overduidelijk is dat een (deel van een) bouwwerk op zichzelf, maar ook in relatie tot de omgeving, ernstig in strijd is met redelijke eisen van welstand en afbreuk doet aan de ruimtelijke kwaliteit van een gebied. In het kader van de vergunningverlening van de oorspronkelijke (expositie)toren op het MERU-complex (35 meter exclusief ornament - juli 2014) heeft welstandstoetsing plaatsgevonden. Door de welstandscommissie is toen geoordeeld dat de bebouwing voldoet aan redelijke eisen van welstand. De realisatie van de nieuwe (expositie)toren wijkt qua hoogte en het maximaal oppervlak boven 30 meter bouwhoogte af van de reeds vergunde bebouwing. Het uiterlijk van de toren blijft ongewijzigd. De verhoging van de bouwhoogte is het gevolg van het aanbrengen van enkele extra bouwlagen met de dezelfde opbouwstructuur, detaillering en verschijningsvorm van de etages in de vergunde situatie.

Hierdoor blijft het uiterlijk van de bebouwing ongewijzigd (zie eerder figuur 2.23) en kan geconcludeerd worden dat de bebouwing in gelijke mate zal voldoen aan redelijke eisen van welstand indien er sprake zou zijn van een welstandtoetsing.

Rho adviseurs voor leefruimte

20170697

59

Tevens kan er geen sprake zijn van een zogenaamd exces volgens de excessenregeling gezien de eerdere positieve welstandsbeoordeling op de minder hoge vergunde toren. Conclusie Met de (voorgenomen) ontwikkeling kan voldaan worden de gewenste beeldkwaliteit voor de bebouwde en onbebouwde omgeving binnen de gemeente Roerdalen.

Rho adviseurs voor leefruimte

20170697

60

Hoofdstuk 4

Omgevingsaspecten

Bij elke ruimtelijke ingreep is het noodzakelijk om in beeld te brengen wat de invloed van deze ruimtelijke ingreep is op de omgeving. In de volgende paragrafen wordt ingegaan op de relevante omgevingsaspecten. Voor zover in dit hoofdstuk gesproken wordt over "ontwikkeling" wordt bedoeld de realisatie van de MERU-toren op de planlocatie als beschreven in paragraaf 1.1. respectievelijk paragraaf 1.2.

4.1

Archeologie en cultuurhistorie

4.1.1

Archeologie

Regelgeving en beleid Algemeen Het Verdrag van Valletta (Malta) verplicht de Europese overheden tot het beschermen van archeologisch erfgoed. Hierbij wordt als uitgangspunt gehanteerd dat archeologische waarden in situ bewaard moeten blijven. Dat wil zeggen, dat ernaar gestreefd moet worden om de waarden op de locatie te behouden. Als dit niet mogelijk blijkt, bijvoorbeeld bij bouwplannen, dan moeten de waarden worden opgegraven en ex situ worden bewaard. Het Verdrag van Valletta is vertaald in de Monumentenwet 1988, zoals deze gewijzigd is in september 2007. Sinds deze wijziging van september 2007 is de gemeente bevoegd gezag op het gebied van cultuurhistorie en archeologie. Monumentenwet 1988 In de Monumentenwet 1988 wordt voorgeschreven dat in het ruimtelijk beleid zorgvuldig met het archeologische erfgoed moet worden omgegaan. Voor gebieden waar archeologische waarden voorkomen of waar reële verwachtingen bestaan dat ter plaatse archeologische waarden aanwezig zijn, moet voorafgaand aan bodemingrepen archeologisch onderzoek worden uitgevoerd. Gemeentelijk archeologiebeleid Sinds 2007 is de Wet op de Archeologische Monumentenzorg van kracht (WAMZ). Het doel van deze wet is te voorkomen dat archeologische waarden uit het verleden verloren gaan. In deze wet zijn de gemeenten verantwoordelijk voor het beheer van het bodemarchief binnen hun grondgebied.

Voor een goed beheer van dit bodemarchief gebruikt de gemeente een archeologische beleidskaart. De archeologische beleidskaart geeft een gemeente breed overzicht van bekende en te verwachten archeologische waarden. De kaart maakt inzichtelijk waar en bij welke ruimtelijke ingrepen een archeologisch onderzoek verplicht is en wordt als toetsingskader gebruikt voor ruimtelijke procedures. De gemeente Roerdalen heeft een archeologische beleidskaart opgesteld voor het totale grondgebied. Het archeologisch beleid zoals geregeld in de Archeologieverordening 2011 van de gemeente Roerdalen (vastgesteld op 10 november 2011) is gekoppeld aan de archeologische verwachtingskaart. In deze verordening is opgenomen dat er een instandhoudingsbepaling/onderzoekplicht is opgenomen voor gebieden met een archeologische verwachting, zoals weergegeven op de archeologische verwachtingswaardenkaart, wanneer de bodem verstoord wordt door werkzaamheden. Door middel van een tabel is aangegeven welke 'ondergrenzen' gelden (beiden dienen aan de orde te zijn).

Rho adviseurs voor leefruimte

20170697

61

Figuur 4.1 : archeologische verwachtingenkaart - gemeente Roerdalen - locatie MERU en omgeving

Beoordeling Op de planlocatie is geen dubbelbestemming 'Waarde-Archeologie' van toepassing (zie figuur 4.2). De planlocatie is gesitueerd in een gebied met een lage verwachtingswaarde (zie figuur 4.1).

Figuur 4.2: planologische regeling op planlocatie - geen dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie'

Conclusie Vanuit archeologisch perspectief zijn er géén belemmeringen ten aanzien van de voorgenomen ontwikkeling. Wel geldt ten aanzien van archeologie een meldingsplicht voor archeologische toevalvondsten. Mochten tijdens eventuele grondwerkzaamheden archeologische resten worden aangetroffen, dan dienen deze (op grond van de meldingsplicht ingevolge art. 5.10 Erfgoedwet 2016) direct gemeld te worden aan de Minister van OCW en de gemeente. Vervolgens zal bepaald worden of, en zo ja welke, aanvullende maatregelen getroffen dienen te worden. Rho adviseurs voor leefruimte

20170697

62

4.1.2

Cultuurhistorie

Regelgeving en beleid De relatie tussen cultuurhistorische waarden – ook wel aangeduid als cultureel erfgoed – en de ruimtelijke ordening is vastgelegd in de Wet ruimtelijke ordening (Wro) en het Besluit ruimtelijke ordening (Bro), die op 1 januari 2012 in werking zijn getreden. De Wro spreekt van een samenhangende afweging van alle belangen – inclusief cultuurhistorie. In het Bro is de opdracht aan overheden verwoord om “rekening te houden met aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten”. De facetten historische (steden)bouwkunde en historische geografie dienen te worden meegenomen in de belangenafweging bij planontwikkelingen. Hierbij gaat het om zowel beschermde als niet formeel beschermde objecten en structuren. Er wordt dus van de gemeenten expliciet gevraagd verantwoording af te leggen over de manier waarop met de cultuurhistorische waarden wordt omgegaan. Cultuurhistorische elementen en structuren zijn belangrijke aspecten van stad en landschap. Ze dragen bij aan de herkenbaarheid, ze vormen oriëntatiepunten en ze zorgen ervoor dat bewoners en bezoekers zich met een stad, dorp of streek kunnen identificeren. Beoordeling Volgens de cultuurhistorische waardenkaart van de provincie (CHW) ligt de planlocatie niet in een gebied of aan een lijnstructuur met cultuurhistorische waarde.

In het gebied zijn wel enkele objecten met cultuurhistorische waarde volgens de waardenkaart aanwezig. Het betreft het voormalige College St. Ludwig. Dit object had een monumentstatus (rijksmonument) maar is inmiddels gesloopt, zodat er geen sprake meer is van een cultuurhistorisch waardevol aanwezig object. Het terrein behorende bij het voormalige College St. Ludwig bevat verder nog één gemeentelijk monument, te weten het oude bijenhuisje. Dit bijenhuisje (circa 1910) dient op het MERU-terrein nog een definitieve plek te krijgen. Buiten het terrein van MERU, in het bosgebied, is nog de begraafplaatskapel (rijksmonument) behorende bij het voormalige College St. Ludwig gesitueerd. Zie figuur 4.3.

Figuur 4.3: cultuurhistorische waardenkaart provincie Limburg (CHW)

Rho adviseurs voor leefruimte

20170697

63

Binnen de directe invloedsfeer van de voorgenomen ontwikkeling zijn verder geen andere rijks- dan wel gemeentelijke monumenten gesitueerd, waarmee rekening gehouden zou moeten worden. Conclusie Vanuit cultuurhistorisch perspectief zijn er géén belemmeringen ten aanzien van de (voorgenomen) ontwikkeling.

4.2

Bodem

Regelgeving en beleid Algemeen De tijd dat elke vervuiling moest worden aangepakt ligt achter ons. Belangrijkste criterium hierbij is of de vervuiling zodanig is dat er sprake is van risico's voor gezondheid of milieu. In de praktijk blijken er vrijwel nooit risico's te zijn voor de gezondheid van mensen. Milieurisico's (verspreiding en ecologie) komen wel voor, maar meestal gaat het erom dat eventuele vervuilingen afstemming vereisen met bepaalde ontwikkelingen. Op dit moment is er sprake van een omslag van saneren naar beheren en behoeven alleen de zogeheten "ernstige vervuilingen" in meer of mindere mate aangepakt te worden. De maatregelen worden daarbij afgestemd op de functie. Besluit ruimtelijke ordening Volgens artikel 3.1.6 Besluit ruimtelijke ordening (Bro) zijn gemeenten verplicht om in een ruimtelijke onderbouwing een paragraaf over de bodemkwaliteit op te nemen. Uitgangspunt van een goede ruimtelijke ordening is dat de bodemkwaliteit geschikt is voor de beoogde gebruiksvormen (functie). Dit betekent dat het aspect bodemkwaliteit voor vrijwel alle nieuwe ontwikkelingen, die ruimtelijk mogelijk worden gemaakt, onderzocht moet worden (d.w.z. onderzoek naar de bodemgesteldheid).

Wet bodembescherming In de Wet bodembescherming is bepaald dat indien de desbetreffende bodemkwaliteit niet voldoet aan de norm voor de beoogde functie, de grond zodanig dient te worden gesaneerd dat zij kan worden gebruikt door de desbetreffende functie (functiegericht saneren). Woningwet (omgevingsvergunning bouwen) Bij de aanvraag van een omgevingsvergunning bouwen dient in veel gevallen een rapport van een recent uitgevoerd verkennend bodemonderzoek bijgevoegd te worden. De gemeente zal in het kader van de Woningwet toetsen of er na de bouw geen risico's ontstaan voor de gebruikers van het object door eventueel aanwezige verontreiniging (zgn. geschiktheidsverklaring voor activiteit bouwen volgens woningwet/bouwverordening/bouwbesluit). Het onderzoek dient te worden uitgevoerd volgens NEN 5740, voorafgegaan door een vooronderzoek volgens NVN 5725. Bij een bodemonderzoek kunnen vier onderzoeken worden onderscheiden: vooronderzoek, verkennend onderzoek, nader onderzoek en saneringsonderzoek Een bodemonderzoek is niet verplicht in de volgende situaties:  Er wordt geen grond ontgraven, verplaatst of afgevoerd.  De bestaande vloeren blijft (grotendeels) intact.  Er worden geen activiteiten verricht waarbij grond vrijkomt.  Er zijn geen ondergrondse tanks aanwezig op de locatie.  Er zijn geen bodemverontreinigingen bekend.

De plicht tot het indienen van een bodem onderzoeksrapport als bedoeld in artikel 2.4, onder d van de Regeling omgevingsrecht geldt bovendien niet volgens de Bouwverordening van de gemeente Roerdalen

Rho adviseurs voor leefruimte

20170697

64

indien het bouwen betrekking heeft op een bouwwerk dat naar aard en omvang gelijk is aan een bouwwerk als genoemd in het Besluit omgevingsrecht, artikelen 2 en 3 van bijlage II. Beoordeling Binnen het projectgebied vindt een activiteit plaats op grond waarvan volgens wet- en regelgeving een bodemonderzoek moet worden uitgevoerd. In het kader van de vergunningverlening voor de (expositie)toren van 35 meter in juli 2014 heeft onderzoek naar de bodem plaatsgevonden. De resultaten van dit onderzoek gaven geen aanleiding om te veronderstellen dat de bodem ter plaatse zodanig is verontreinigd dat schade of gevaar is te verwachten voor de gezondheid van de gebruikers van de gronden c.q. de daarop opgerichte bebouwing. De voorgenomen ontwikkeling, behelst de realisatie van de MERU-toren van 54 meter op een locatie westelijker gesitueerd ten opzichte van de locatie van de vergunde toren. Op deze locatie is in opdracht van MERU een recent (november 2017) verkennend bodemonderzoek uitgevoerd. Dit onderzoek is integraal als bijlage 5 bij deze ruimtelijke onderbouwing gevoegd. Op basis van de resultaten uit dit verkennend bodemonderzoek kan worden geconcludeerd dat er geen milieuhygiënische belemmeringen bestaan voor het huidige en geplande gebruik van de locatie, d.w.z. wat gevaar zou (kunnen) opleveren voor de gezondheid van de toekomstige gebruikers van de bebouwing en gronden.

Conclusie Vanuit het perspectief bodemkwaliteit zijn er (vooralsnog) géén belemmeringen ten aanzien van de (voorgenomen) ontwikkeling.

4.3

Natuur en ecologie

Regelgeving en beleid Bij de voorbereiding van een ruimtelijk ontwikkeling dient onderzocht te worden of de Wet natuurbescherming (hierna: Wnb) en het beleid van de provincie ten aanzien van de bescherming van dier- en plantensoorten en de bescherming van het Natuurnetwerk Nederland de uitvoering van de ontwikkeling niet in de weg staan. In elk geval moet aannemelijk zijn dat vergunning of ontheffing van de van de bij of krachtens deze wet geldende verbodsbepalingen kan worden verkregen voor de activiteiten die mogelijk worden gemaakt. Dit is anders indien uit de Wnb voortvloeit dat een passende beoordeling moet worden gemaakt. Deze dient te zijn verricht ten tijde van vaststelling van een bestemmingsplan. Met de Wnb zijn alle bepalingen met betrekking tot de bescherming van natuurgebieden en dier- en plantensoorten samengebracht in één wet. De Wnb implementeert diverse Europeesrechtelijke regelgeving, zoals de Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn in de Nederlandse wetgeving. Gebiedsbescherming De Wnb kent diverse soorten natuurgebieden, te weten: a. Natura-2000 gebieden. b. Natuurnetwerk Nederland (NNN); ad a) Natura-2000 gebieden De Minister van Economische Zaken (EZ) wijst gebieden aan die deel uitmaken van het Europese netwerk van natuurgebieden: Natura 2000.

Een dergelijk besluit bevat de instandhoudingsdoelstellingen voor de leefgebieden van vogelsoorten (Vogelrichtlijn) en de instandhoudingsdoelstellingen voor de natuurlijke habitats en habitats van soorten (Habitatrichtlijn). Een bestemmingsplan dat afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied, kan uitsluitend vastgesteld worden indien uit een

Rho adviseurs voor leefruimte

20170697

65

passende beoordeling de zekerheid is verkregen dat het plan, onderscheidenlijk het project de natuurlijke kenmerken van het gebied niet zal aantasten. Indien deze zekerheid niet is verkregen, kan het plan worden vastgesteld, indien wordt voldaan aan de volgende drie voorwaarden: 1. alternatieve oplossingen zijn niet voor handen; 2. het plan is nodig om dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard, en 3. de nodige compenserende maatregelen worden getroffen om te waarborgen dat de algehele samenhang van het Natura 2000-netwerk bewaard blijft. De bescherming van deze gebieden heeft externe werking, zodat ook ingrepen die buiten deze gebieden plaatsvinden verstoring kunnen veroorzaken en moeten worden getoetst op het effect van de ingreep op soorten en habitats. De Minister van Economische Zaken (EZ) kan buitenom de gebieden die deel uitmaken van het Europese netwerk van natuurgebieden Natura 2000, ook gebieden aanwijzen als Bijzonder nationaal natuurgebied wanneer het gebied is opgenomen op een lijst als bedoeld in artikel 4, eerste lid, van de Habitatrichtlijn of het gebied onderwerp is van een procedure als bedoeld in artikel 5 van de Habitatrichtlijn. De beschermende werking die geldt voor gebieden die behoren tot Natura 2000, geldt in dat geval ook voor het bijzondere nationaal natuurgebied.

ad b) Natuurnetwerk Nederland (NNN) Het Natuurnetwerk Nederland (NNN), voorheen de Ecologische Hoofdstructuur (EHS), is een wettelijk voorgeschreven samenhangend netwerk van bestaande en toekomstige natuurgebieden in Nederland. Het vormt de basis voor het nationale natuurbeleid. Streven is de ernstig bedreigde biodiversiteit in Nederland te stabiliseren. Vanaf 2014 zijn de provincies hiervoor verantwoordelijk, de rijksoverheid heeft de taken met betrekking tot de verdere ontwikkeling van het netwerk aan hen overgedragen. De Ecologische Hoofdstructuur is opgebouwd uit kerngebieden, natuurontwikkelingsgebieden en verbindingszones en heeft een planologische bescherming. Gebieden die deel uitmaken van het Natuurnetwerk Nederland (NNN) worden aangewezen in de provinciale verordening. Voor dit soort gebieden geldt het 'nee, tenzij' principe, wat inhoudt dat binnen deze gebieden in beginsel geen nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen mogen plaatsvinden. In het POL2014 van de provincie Limburg is de "Goudgroene natuurzone" opgenomen waarmee invulling wordt gegevens aan de opdracht die de provincies van het rijk hebben gekregen voor de begrenzing van het Natuurnetwerk Nederland, en de verankering daarvan in het provinciale planologische beleid.

Met de aanwijzing van de zilvergroene en bronsgroene natuur- en landschapszones stimuleert de provincie het behoud en de ontwikkeling van natuur en landschap ook buiten de goudgroene zone. De goudgroene natuurzone vormt het Limburgse deel van het Natuurnetwerk Nederland. Binnen de goudgroene zone streeft de provincie naar behoud en beheer van de reeds aanwezige natuur, en de ontwikkeling van nieuwe natuur. Soortenbescherming In de Wnb wordt een onderscheid gemaakt tussen:  soorten die worden beschermd in de Vogelrichtlijn;  soorten die worden beschermd in de Habitatrichtlijn; en  de bescherming van overige soorten. De Wnb bevat onder andere verbodsbepalingen ten aanzien van het opzettelijk vernielen of beschadigen van nesten, eieren en rustplaatsen van vogels als bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn. Gedeputeerde Staten kunnen hiervan ontheffing verlenen en bij verordening kunnen Provinciale Staten vrijstelling verlenen van dit verbod. De voorwaarden waaraan voldaan moet worden om ontheffing of vrijstelling te kunnen verlenen zijn opgenomen in de Wnb en vloeien direct voort uit de Vogelrichtlijn. Verder is het

Rho adviseurs voor leefruimte

20170697

66

verboden in het wild levende dieren van soorten, genoemd in bijlage IV, onderdeel a, bij de Habitatrichtlijn, bijlage II bij het Verdrag van Bern of bijlage I bij het Verdrag van Bonn, in hun natuurlijk verspreidingsgebied opzettelijk te doden of te vangen of te verstoren. Gedeputeerde Staten kunnen hiervan ontheffing verlenen en bij verordening kunnen Provinciale Staten vrijstelling verlenen van dit verbod. De gronden voor verlening van ontheffing of vrijstelling zijn opgenomen in de Wnb en vloeien direct voort uit de Habitatrichtlijn. Ten slotte is een verbodsbepaling opgenomen voor overige soorten. Deze soorten zijn opgenomen in de bijlage onder de onderdelen A en B bij de Wnb. De provincie kan ontheffing verlenen van deze verboden. Verder kan bij provinciale verordening vrijstelling worden verleend van de verboden. De noodzaak tot ontheffing of vrijstelling kan hierbij ook verband houden met handelingen in het kader van de ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden. Houtopstanden De Wet natuurbescherming beschermt houtopstanden met een oppervlakte van minimaal 10 are (1.000 m2) en rijbeplantingen die bestaan uit meer dan 20 bomen (art. 1.1). Indien dergelijke houtopstanden worden verwijderd dient dit bij de Provincie te worden gemeld (artikel 4.2 van de Wet natuurbescherming).

Natuurtoets Sinds de inwerkingtreding van de Wet natuurbescherming op 1 januari 2017, bepalen de provincies voor hun gebied wat wel en niet mag in de natuur. Zij zijn verantwoordelijk voor de vergunningen en ontheffingen. De Rijksoverheid is alleen nog verantwoordelijk voor de ontheffingsaanvragen en de gedragscodes. Met het Besluit natuurbescherming (“Bnb“), is tevens het onderliggende besluit bij de Wabo, het Besluit omgevingsrecht (“Bor“), gewijzigd. In het Bor is nu geregeld dat de Natura 2000-toets en de flora- en faunatoets onderdeel zijn van de omgevingsvergunning ingeval degene die de desbetreffende activiteit verricht daarvoor kiest (artikel 2.1, eerste lid, onder i, Wabo, jo. artikel 2.2aa Bor). Indien daarvoor wordt gekozen geldt geen verplichting om nog separaat een Natura 2000-vergunning of een flora- en faunaontheffing aan te vragen. Indien voor een project zowel een omgevingsvergunning nodig is als een vergunning ingevolge de Wnb kan worden gekozen voor twee wegen: 1. Ofwel er wordt eerst een Wnb-vergunning aangevraagd en vervolgens een omgevingsvergunning. In dat geval gelden twee aparte procedures en worden uiteindelijk twee aparte vergunningen verleend. 2. Ofwel er wordt eerst een omgevingsvergunning aangevraagd, waarna de Wnb-vergunning verplicht “aanhaakt” en de hiervoor uitgelegde procedure gaat lopen (vvgb, etc.).

In dat geval loopt één procedure en wordt uiteindelijk één vergunning verleend: de omgevingsvergunning. Voor onderhavig projectplan is ervoor gekozen de aanvraag Wnb-vergunning niet aan te haken aan de omgevingsvergunning bouwen voor de MERU (expositie)toren. Dit betekent dat de natuurtoets (zie bijlage 1) alsmede aanvullende stukken zoals stikstof berekeningen voor de aanleg- en gebruiksfase van onder meer de MERU (expositie)toren op het MERU-terrein separaat zijn ingediend bij de provincie ter beoordeling en besluitvorming. Hieronder wordt wel kort ingegaan op de conclusies van de natuurtoets ten aanzien van mogelijke effecten ten aanzien van de gebiedsbescherming en soortenbescherming op grond van de Wet natuurbescherming voor wat betreft de realisatie van de MERU-toren.

Gebieds- en soortenbescherming De planlocatie is omringd door een gebied dat aangewezen is als Natura 2000-gebied. Het betreft het Natura 2000-gebied 'Meinweg' dat beheerd wordt door Staatsbosbeheer. Zie figuur 4.4. De planlocatie van de toren is evenwel gesitueerd in het omgrensd bestemmingsvlak ('Maatschappelijk') tevens bouwvlak dat is geëxclaveerd, dat wil zeggen is uitgesloten van een gebied waarvoor een

Rho adviseurs voor leefruimte

20170697

67

restrictieve regelgeving geldt. De reden voor het exclaveren was dat het gebied geen wezenlijk deel uitmaakt van het leefgebied van de desbetreffende te beschermen soorten.

Figuur 4.4: Natura 2000-gebied 'Meinweg'

De planlocatie is ook niet gelegen binnen het Natuurnetwerk Limburg. Dit natuurnetwerk ligt buiten het vlak buitengebied waarbinnen de MERU-toren wordt gerealiseerd. Zie figuur 4.5. Effecten op het NNN zijn derhalve op voorhand uitgesloten. Het NNN wordt hier verder niet behandeld.

Figuur 4.5: Natuurnetwerk Limburg

Omdat de planlocatie grenst aan het door de Wet natuurbescherming beschermde gebied Meinweg dient bij de (voorgenomen) ontwikkeling/activiteit op de planlocatie rekening gehouden te worden met mogelijke externe werking op Meinweg. Tevens kunnen de bouw en het gebruik van de tentoonstellingstoren effecten hebben op door de Wet natuurbescherming beschermde soorten.

Rho adviseurs voor leefruimte

20170697

68

Er is een natuurtoets uitgevoerd naar de mogelijk te verwachten effecten van de voorgestane ontwikkeling op de te beschermen gebieden en de te beschermen natuurwaarden binnen deze gebieden. De toetsing is een effectbepaling en -beoordeling op basis van de huidige aanwezigheid van beschermde soorten planten en dieren op en in de directe omgeving van de planlocatie, de functie van de planlocatie en de directe omgeving voor deze soorten en de voorgenomen ingreep, zijnde de aanleg en het gebruik van de tentoonstellingstoren. De toetsing is opgesteld op basis van eerder door Bureau Waardenburg uitgevoerd veldonderzoek, de huidige ter beschikking staande kennis en inschattingen van deskundigen. Deze natuurtoets met effectbeoordeling is integraal als bijlage 1 bij de ruimtelijke onderbouwing gevoegd.

Figuur 4.6: Bomen en heesters op planlocatie

Verder vinden binnen het projectgebied geen fysieke ingrepen plaats die een negatief effect op de natuurwaarden hebben c.q. kunnen hebben. De planlocatie is volledig onbebouwd. De aanwezige 9 bomen (paardenkastanjes) en enkele heesters (zie figuur 4.6) worden buiten het broedseizoen en vóór aanvang van de aanleg van de (expositie)toren verwijderd. De planlocatie heeft dan geen betekenis meer voor broedvogels. Er is bovendien geen sprake van areaal verlies van een gekwalificeerd habitattype dan wel geluidsverstoring ten gevolge van de realisatie respectievelijk gebruiksfunctie van de (expositie)toren. Het oppervlak en het aantal bomen dat wordt verwijderd voldoen niet aan de minima voor houtopstanden die bescherming onder de Wet natuurbescherming genieten. Bovendien staan ze op het terrein van MERU. De regels ten aanzien van houtopstanden zijn daarom niet van toepassing. Een melding bij de Provincie is niet noodzakelijk. Beoordeling effecten Voor de inhoud van de effectenboordeling wordt verwezen naar bijlage 1 van de toelichting.

Conclusies naar aanleiding van de effectenbeoordeling Functie van de planlocatie De planlocatie en de directe omgeving daarvan vervult een functie als nestplaats van algemene broedvogels (beschermingsregime 'soorten van de Vogelrichtlijn') en voor jagende en passerende gewone dwergvleermuizen, rosse vleermuizen en laatvliegers (beschermingsregime 'soorten van de Habitatrichtlijn'). Voor soorten behorende tot het beschermingsregime 'Andere soorten' vervult de planlocatie en directe omgeving géén functie.

Rho adviseurs voor leefruimte

20170697

69

Volledigheid onderzoeksgegevens De onderzoeken van de afgelopen jaren geven, samen met de waarnemingen aanwezig in de Nationale Databank Flora en Fauna voldoende inzicht in het mogelijke voorkomen en gebruik van beschermde soorten op de planlocatie en de directe omgeving daarvan. Aanvullend onderzoek is niet nodig. Reikwijdte van de ingreep De bouw van een (expositie)toren op de planlocatie binnen het MERU-terrein heeft geen negatieve gevolgen voor de beschermde soorten die hier voorkomen. Overtreding verbodsbepalingen  Ten aanzien van soorten van de Vogelrichtlijn worden geen verbodsbepalingen overtreden, omdat potentiële nestplaatsen afwezig zijn.  Ten aanzien van vleermuizen worden geen verbodsbepalingen overtreden. Voor andere soorten van dit beschermingsregime vervult de planlocatie en directe omgeving geen functie.  Voor soorten van het beschermingsregime andere soorten die mogelijk op de planlocatie of directe omgeving voorkomen geldt in de Provincie Limburg een vrijstelling bij ingrepen in het kader van ruimtelijke ontwikkeling en inrichting. Ontheffingsaanvraag Een ontheffingsaanvraag inzake de Wet natuurbescherming is niet nodig. Conclusie (algemeen) Negatieve effecten ten gevolge van de (voorgenomen) ontwikkeling zijn ten aanzien van de beschermde gebieden en beschermde soorten (die ter plaatse voorkomen) uitgesloten.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Roerdalen&id=266e9f5a-b620-47c5-ab46-0e1219471029