CConstaterende datRoerdalen
Koppel je AI →
Document · PDF

Ontwerp (concept) ruimtelijke onderbouwing

Gemeenteraad 10 maart 2022, gemeente RoerdalenBij agendapunt: Verklaring van geen bedenkingen expositiegebouw MERU27.950 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 4

MERU-TOREN

1/5

2/5

DATUM KENMERK

26 april 2021 HvZ_versie 20

PROJECT PROJECTLEIDER

mr. A.J.C.A. van Zitteren

OPDRACHTGEPROJECTNUMAUTEUR STATUS

Hans van Zitteren Definitief

3

Ruimtelijke onderbouwing t.b.v. omgevingsvergunning MERU-toren

Opdrachtgever: MERU – ir. G.J.M.W. Rieter Opsteller: Rho - mr. A.J.C.A. van Zitteren Versie 20

: 2021-04-26

Rho adviseurs voor leefruimte

20170697

4

Inhoudsopgave

Ruimtelijke onderbouwing Hoofdstuk 1

Inleiding

7

1.1

Aanleiding

7

1.2

Ligging planlocatie

12

1.3

Afstemming met bestemmingsplanprocedure

14

1.4

Vigerend bestemmingsplan

14

1.5

Juridische regeling

16

1.6

Leeswijzer

16

Hoofdstuk 2

Projectbeschrijving

17

2.1

Bestaande en beoogde situatie

17

2.2

Ruimtelijke inpasbaarheid

34

2.3

Conclusie ruimtelijke inpasbaarheid

45

Hoofdstuk 3

Beleidskader

47

3.1

Rijksbeleid

47

3.2

Provinciaal beleid

51

3.3

Gemeentelijk beleid

54

3.4

Welstandsnota Roerdalen

57

Hoofdstuk 4

Omgevingsaspecten

60

4.1

Archeologie en cultuurhistorie

60

4.2

Bodem

63

4.3

Natuur en ecologie

64

4.4

Externe veiligheid

69

4.5

Verkeer en parkeren

71

4.6

Luchtkwaliteit

72

4.7

Milieuzonering

75

4.8

Geur

76

4.9

Geluid

77

4.10

Kabels en leidingen

78

4.11

Waterhuishouding

79

4.12

Windhinder

84

4.13

Beoordeling m.e.r.

87

Hoofdstuk 5

Uitvoerbaarheid

91

5.1

Economische uitvoerbaarheid

91

5.2

Maatschappelijke uitvoerbaarheid

92

Hoofdstuk 6

Juridische regeling

93

6.1

Omgevingsvergunning

93

Rho adviseurs voor leefruimte

20170697

5

Bijlagen Bijlage 1

Natuurtoets MERU-toren

Bijlage 2

Bezonningstekeningen MERU-toren 54 meter

Bijlage 3

Bezonningstekeningen MERU-toren 35-54 meter

Bijlage 4

Foto's op verschillende hoogtes en richtingen

Bijlage 5

Verkennend bodemonderzoek MERU-toren

Bijlage 6

Besluitgebied MERU-toren op ondergrond

Bijlage 7

Besluitgebied MERU-toren op luchtfoto

Bijlage 8

Zichteffecten vanuit de omgeving 3D-onderzoek

Rho adviseurs voor leefruimte

20170697

6

Rho adviseurs voor leefruimte

20170697

7

Hoofdstuk 1

1.1

Inleiding

Aanleiding

De Stichting Maharishi European Research University (hierna: MERU) wenst op een plek (hierna: planlocatie) op haar campusterrein Station 24 te Vlodrop een (expositie)toren te bouwen met een bouwhoogte van 54 meter exclusief ornament en 57 meter inclusief ornament (hierna: MERU-toren). Zie figuur 1.1. De term (expositie)toren wordt hierna gebruikt indien gerefereerd wordt naar de gebruiksfunctie van de toren overeenkomstig de bestemmingsplanregeling. Het bouwvoornemen past niet binnen het vigerende bestemmingsplan en wijkt af van een op 24 juli 2014 verleende omgevingsvergunning voor de bouw van een 35 meter hoge (expositie)toren exclusief ornament op het campusterrein (hierna: vergunde toren).

Figuur 1.1: impressie van beoogde MERU-toren

Op basis van artikel 2.1 lid 1 onder a Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna: Wabo) is het verboden zonder omgevingsvergunning een project uit te voeren, voor zover dat geheel of gedeeltelijk bestaat uit het bouwen van een bouwwerk. Het is tevens verboden juncto artikel 2.1 lid 1 onder c Wabo gronden of bouwwerken te gebruiken in strijd met een bestemmingsplan. Het voornemen om de MERU-toren te bouwen op het campusterrein door MERU blijkt niet te passen binnen het vigerende bestemmingsplan en kan dientengevolge niet zonder meer vergund worden. De te realiseren MERU-toren wijkt af op de navolgende juridisch-planologische planonderdelen van het vigerend bestemmingsplan: 1. De bouwhoogte (zie figuur 1.2): de bouwhoogte wijkt af van de maximaal toegestane bouwhoogte op de planlocatie en de specifiek toegestane maximale bouwhoogte van 35 meter voor een (expositie)toren.

Rho adviseurs voor leefruimte

20170697

8

Figuur 1.2: vergelijking vergunde toren met MERU-toren qua bouwhoogte

2.

De positionering van de (expositie)toren (zie figuur 1.3): de positionering van een (expositie)toren met een bouwhoogte hoger dan 30 meter buiten het bouwaanduidingsvlak 'specifieke vorm van bouwen - toren'.

Figuur 1.3: uitsnede bestemmingplan met in rood globaal de planlocatie (situering MERU-toren)

Rho adviseurs voor leefruimte

20170697

9

3.

Een groter toegestaan maximaal oppervlak dan 125 m² voor een (expositie)toren: d.w.z. een groter toegestaan oppervlak voor de toren op een hoogte hoger dan 30 meter en tevens buiten het bouwaanduidingsvlak 'specifieke vorm van bouwen - toren'. Zie figuur 1.4.

Figuur 1.4: vergelijking vergunde toren met MERU-toren omvang oppervlak boven 30 meter

Wat ten opzichte van de vergunde situatie wijzigt:  Een groter te realiseren grondoppervlak: d.w.z. de te realiseren MERU-toren heeft ten opzichte van de vergunde toren vanuit ruimtelijke overwegingen een groter grondoppervlak. Zie figuur 1.5. Dit grondoppervlak kan echter op basis van de vigerende bestemmingsregeling gerealiseerd worden. Net zoals bij de vergunde toren. Afwijken van het bestemmingsplan op dit onderdeel voor de MERU-toren is dan ook niet noodzakelijk. Het bestemmingsplan (artikel 3.2.1) bepaald namelijk dat:  voor een bebouwde oppervlakte van maximaal 4.800 m² een bouwhoogte van maximaal 30 meter is toegestaan;  voor een bebouwde oppervlakte van maximaal 3.120 m² een bouwhoogte van maximaal 25 meter is toegestaan;  voor een bebouwde oppervlakte van maximaal 125 m² een bouwhoogte van maximaal 35 meter is toegestaan;  voor een bebouwde oppervlakte van maximaal 20.400 m² een bouwhoogte van maximaal 20 meter is toegestaan.

Rho adviseurs voor leefruimte

20170697

10

Figuur 1.5: verschil in grondoppervlakte van de vergunde toren en de nieuwe MERU-toren

De 20.400 m2 aan bebouwde oppervlakte is nog niet bereikt. Op basis van de huidige situatie is circa 12.000 m2 bebouwd. Wat ten opzichte van de vergunde toren niet wijzigt is:  De gebruiksfunctie: de te realiseren MERU-toren zal in gebruik genomen worden als een (expositie)toren passend binnen de bestemmingsomschrijving als bedoeld in artikel 3.1 sub b van het vigerend bestemmingsplan ("Vedische Universiteit"). Deze gebruiksfunctie is bovendien identiek aan de opgegeven gebruiksfunctie ten aanzien van de eerder vergunde toren.  De verschijningsvorm: de uiterlijke verschijningsvorm (detaillering/materialisering, stijlkenmerken/ gevelindelingen (zie figuur 1.2), uitgezonderd de in beperkte mate aangebrachte ledverlichting aan de toren (zie figuur 1.6). Dit laatste betreft echter een bouwtechnische en geen planologischjuridische afwijking ten opzichte van het bestemmingsplan.

Figuur 1.6: impressie verlichtingselementen MERU-toren

Rho adviseurs voor leefruimte

20170697

11

De bezettingscapaciteit van de (expositie)toren: de bezettingscapaciteit van de toren zoals afgestemd met de brandweer ten aanzien van het brandveiligheidsadvies bedraagt bij regulier gebruik maximaal 450 personen. Dit aantal is bepaald aan de hand van het ontwerp van de toren en de doorstroom- en opvangcapaciteit (zie tabel 1.1). Bij een evenement/congres bedraagt de maximale bezetting in de toren eveneens maximaal 450 personen. Gemiddeld zullen in de MERU-toren niet meer dan 175 personen aanwezig zijn, verdeeld over alle bouwlagen.

Tabel 1.1: tabel met personenaantallen voor gebruik MERU-toren (bron: brandveiligheidsadvies)

De bezettingscapaciteit van het planetarium: de omvang van het planetarium boven in de (expositie)toren met heeft een bezettingscapaciteit van 35 zitplaatsen (zie tabel 1.1 en figuur 1.7). Deze omvang is identiek als bij de vergunde toren. Deze omvang bepaalt in combinatie met de doorloopsnelheid in de MERU-toren mede de bezettingsomvang in de afzonderlijke expositieruimten en daarmee ook de feitelijke maximale bezettingsomvang in de MERU-toren op een bepaald moment.

Figuur 1.7: impressie omvang planetarium in top van MERU-toren

Rho adviseurs voor leefruimte

20170697

12

Daarnaast kan opgemerkt worden dat een aantal hierna genoemd indirecte effecten die het gevolg zijn van de bouw van de toren niet wijzigen ten opzichte van de situatie zoals vastgelegd in het vigerende bestemmingsplan en de vergunde toren op 24 juli 2014. Het betreft de onderdelen: 1.

De verkeersgeneratie en de effecten hiervan op de omgeving ten aanzien van de aspecten geluidhinder (wegverkeerslawaai en indirecte verkeershinder) en luchtkwaliteit Zoals hiervoor aangegeven is de maximale bezettingscapaciteit van de (expositie)toren afgestemd met de brandweer naar aanleiding van het brandveiligheidsadvies (maximaal 450 personen in de (expositie)toren) ten aanzien van de vergunde toren. Hierin is geen verandering c.q. wijziging voorzien ten aanzien van de te realiseren MERU-toren. De bezetting in de MERU-toren zal ook maximaal 450 personen bedragen. In die zin zal er geen verandering c.q. wijziging optreden ten aanzien van de aspecten geluidhinder (wegverkeerslawaai en indirecte verkeershinder) en luchtkwaliteit. Zie hiervoor tevens paragraaf 4.5 en 4.6. 2.

de parkeerbehoefte en de afwikkeling hiervan (bestaande situatie - vergunde situatie - toekomstige situatie) In het vigerend bestemmingsplan is de maximale uitvoerbaarheid van de toegestane functies in het plangebied beoordeeld. In dat kader is tevens de parkeerbalans (parkeerbehoefte - parkeernormering parkeeroplossing) beoordeeld en verantwoord. Uit hetgeen beschreven is in het vigerend bestemmingsplan kan opgemaakt worden dat de parkeerbehoefte behorende bij een (expositie)toren inclusief de toegelaten gebruiksfuncties met maximale invulling in dit bestemmingsplan op eigen terrein kan worden opgevangen. In deze situatie treedt geen verandering op ten aanzien van de realisatie van de MERU-toren op de planlocatie, aangezien de hoogte van de MERU-toren ten opzichte van de vergunde toren niet zal resulteren in een toename van het aantal bezoekers.

De maximale omvang aan bezoekers in de MERU-toren wordt namelijk bepaald door:  de maximale bezetting in het planetarium (hier treedt geen verandering in op ten opzichte van de vergunde situatie);  de doorloopsnelheid in de verschillende expositieruimtes (aantal expositieonderdelen/-thema's blijft hetzelfde, maar worden over meer verdiepingen met afzonderlijke ruimtes verdeeld);  alsmede de maximaal toegestane aantal bezoekers uit een oogpunt van brandveiligheid conform het advies van de brandweer (ook hier treedt geen verandering in op ten opzichte van de vergunde situatie). Ruimtelijke onderbouwing De gemeente Roerdalen kan op basis van artikel 2.10 lid 1 onder c juncto artikel 2.12 lid 1 onder a sub 3° van de Wabo een omgevingsvergunning verlenen in afwijking van het vigerende bestemmingsplan indien de activiteit niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening en het besluit een goede ruimtelijke onderbouwing bevat. De beschreven afwijkingen als hiervoor benoemd worden in dit document als de voorgenomen ontwikkeling in afwijking van het bestemmingsplan gezien. Dit document voorziet in de benodigde ruimtelijke onderbouwing behorende bij een aanvraag omgevingsvergunning aansluitend op de voorgestane ontwikkeling. In deze onderbouwing wordt aangetoond, dat voldaan kan worden aan de van toepassing zijnde ruimtelijke voorwaarden en relevante omgevingsaspecten.

1.2

Ligging planlocatie

De planlocatie (zie figuur 1.8) is gesitueerd op het terrein van MERU. Plaatselijk bekend Station 24 te Vlodrop en kadastraal bekend, Vlodrop, sectie C, perceelnummer 1946 (gemeente Roerdalen).

Rho adviseurs voor leefruimte

20170697

13

Figuur 1.8: kadastrale situatie MERU

Het MERU-terrein ligt te midden van het Nationaal Park De Meinweg in de nabijheid van Duitsland. Op onderstaande figuur is, gesitueerd in een bosrijke omgeving, de planlocatie (rode stip) op het terrein van MERU weergegeven op een uitsnede van de luchtfoto. Zie figuur 1.9.

Figuur 1.9: uitsnede omgeving met in rood aangegeven de planlocatie op het MERU-terrein (bron: Esri-luchtfoto)

Rho adviseurs voor leefruimte

20170697

14

Vanaf 1909 tot 1979 was het terrein van MERU in gebruik bij de paters franciscanen. Op dit terrein werd in de jaren 1905-1909 het College St. Ludwig gebouwd, een schoolgebouw met internaat voor jongens. Het terrein omvatte bovendien een boerderij waardoor de instelling vrijwel volledig zelfverzorgend was. In 1979 kocht de Nederlandse overheid (Rijksgebouwendienst) het betreffende terrein met gronden en bebouwing. Een groot gedeelte van omringende bossen, de begraafplaats en de begraafplaatskapel (Rijksmonument) werd vervolgens overgedragen aan Staatsbosbeheer. Het gebouw (College St. Ludwig) bleef na het vertrek van de franciscanen leeg staan. In 1984 wordt het College St. Ludwig met de daarbij behorende gronden door MERU van de Staat der Nederlanden gekocht. Op het aangekochte complex wordt de "Maharishi European Research University" gehuisvest en vinden gefaseerd (bouw)ontwikkelingen plaats. In 2015 is het College St. Ludwig op het terrein gesloopt.

1.3

Afstemming met bestemmingsplanprocedure

De afwijking van het vigerend bestemmingsplan als beschreven in paragraaf 1.1 zal in een toekomstig gewenst op te stellen bestemmingsplan voor het gehele MERU-terrein opgenomen worden. Deze herziening zal een nieuw planologisch-juridisch kader vormen voor het totale MERU-terrein gaan bevatten. Hierin zal de bestaande situatie vastgelegd worden, alsmede de wensen en voorziene ontwikkelingen op het terrein, voor zover toelaatbaar. Een en ander overeenkomstig het op dat moment van toepassing zijnde MERU-Masterplan (de eigen gebiedsvisie voor het terrein volgens MERU). Het consolideren en verder ontwikkelen van het van oorsprong aanwezige 'bospark' op het terrein zal hier mede onderdeel van gaan uitmaken. Het college van burgemeester en wethouders heeft bij schrijven van 25 februari 2014 laten weten hieraan in principe medewerking te willen verlenen. De diverse bouw- en gebruiksmogelijkheden zullen daarbij wel op inhoud getoetst, ruimtelijk onderbouwd en verantwoord moeten worden. Het plangebied van dit toekomstig nieuwe bestemmingsplan zal tevens de planlocatie van de MERU-toren bevatten en vastleggen. Voor de realisatie van de MERU-toren wordt vooruitlopend op voornoemd bestemmingsplantraject reeds gestart met een afzonderlijke procedure, door een 'omgevingsvergunning afwijking van het bestemmingsplan' aan te vragen.

De realisatie van de MERU-toren op de beoogde planlocatie zal overeenkomstig de daarvoor te verlenen omgevingsvergunning in het nieuw op te stellen bestemmingsplan voor het MERU-terrein als bestaande situatie opgenomen worden na vergunningverlening.

1.4

Vigerend bestemmingsplan

Ter plaatse van de planlocatie vigeert het bestemmingsplan 'Vedische Universiteit'. Dit bestemmingsplan is op 27 juni 2013 vastgesteld door de gemeenteraad van Roerdalen en bij besluit van de Afdeling rechtspraak van de Raad van State van 28 januari 2015 onherroepelijk geworden.

Rho adviseurs voor leefruimte

20170697

15

Figuur 1.10: uitsnede verbeelding vigerend bestemmingplan met in rood globaal aangeven de planlocatie. Het vigerend bouwaanduidingsvlak 'specifieke vorm van bouwen - toren' (situeringsvlak) is 20mx20m=400 m²

De planlocatie waar de MERU-toren is voorzien (zie figuur 1.10) heeft de bestemming 'Maatschappelijk' (artikel 3). Op basis van deze bestemming zijn de voor 'Maatschappelijk' aangewezen gronden bestemd voor:  maatschappelijke voorzieningen, alsmede de daaraan verbonden woonfunctie;  een (expositie)toren met een maximale bouwhoogte van 35 meter ter plaatse van de aanduiding 'specifieke bouwaanduiding - toren';  evenementen; met de daarbij behorende:  voorzieningen zoals (ontsluitings)wegen, paden, parkeervoorzieningen, groenvoorzieningen, tuinen, erven en water. Gebouwen mogen uitsluitend binnen het bestemmingsvlak worden gebouwd, waarbij de maximale bouwhoogte niet meer mag bedragen dan is aangegeven ter plaatse van de aanduiding 'maximale bouwhoogte' (= 20 meter), met dien verstande dat voor een bebouwde oppervlakte van maximaal:  4.800 m² een bouwhoogte van maximaal 30 meter is toegestaan;  3.120 m² een bouwhoogte van maximaal 25 meter is toegestaan;  125 m² een bouwhoogte van maximaal 35 meter is toegestaan ter plaatse van de aanduiding 'Specifieke bouwaanduiding - toren' (zie figuur 1.11) Overeenkomstig het vigerende bestemmingsplanregeling is derhalve een (expositie)toren ter plaatse van de planlocatie hoger dan 30 meter volgens de bouwbepalingen niet toegestaan.

Rho adviseurs voor leefruimte

20170697

16

1.5

Juridische regeling

Ruimtelijke onderbouwing Op basis van artikel 2.12 Wabo kan in bepaalde gevallen de strijdigheid met bestemmingsplannen worden opgeheven via een omgevingsvergunning. Dit kan op basis van:  binnenplanse afwijking (artikel 2.12, lid 1, onder a, sub 1°);  bij AMVB aangewezen gevallen (zogenaamde 'kruimellijst') en tijdelijk afwijken voor een termijn van 10 jaar (artikel 2.12, lid 1 onder a sub 2°);  buitenplanse afwijking (artikel 2.12, lid 1, onder a, sub 3°). Het vigerende bestemmingsplan biedt géén regeling (binnenplanse afwijking) om een 54 meter hoge MERU-toren te kunnen realiseren binnen het bestemmingsvlak en op de voorgestane planlocatie. Het project is bovendien ook niet onder te brengen bij de aangewezen gevallen in artikel artikel 2.12, lid 1 onder a, sub 2 Wabo juncto Bijlage II, artikel 4 Besluit omgevingsrecht (Bor). De zogenaamde 'kruimellijst'. Om af te kunnen wijken van de maximaal toegestane bouwhoogte binnen het bestemmingsvlak en op de voorgestane planlocatie ten behoeve van de realisatie van een 54 meter hoge MERU-toren exclusief ornament en 57 meter met ornament zal dientengevolge een afwijkingsbesluit genomen dienen te worden voorzien van een goede ruimtelijke onderbouwing. Dat wil zeggen een buitenplanse afwijking conform artikel 2.12, lid 1, onder a, sub 3° Wabo. Dit plandocument voorziet in een dergelijke ruimtelijke verantwoording.

Omgevingsvergunning Uit de aanvraag omgevingsvergunning moet duidelijk blijken, waarop de aanvraag betrekking heeft. Verder moet aangegeven worden wat de gevolgen zijn voor de ruimtelijke ordening (zie onderhavig document). In de Regeling omgevingsrecht zijn overigens de indieningsvereisten concreet aangegeven (art. 3.2 Mor).

1.6

Leeswijzer

Deze ruimtelijke onderbouwing is als volgt opgebouwd:  Hoofdstuk 2: Projectbeschrijving;  Hoofdstuk 3: Ruimtelijke beleidskaders;  Hoofdstuk 4: Omgevingsaspecten;  Hoofdstuk 5: Uitvoerbaarheidsaspecten;  Hoofdstuk 6: Juridische regeling.

Rho adviseurs voor leefruimte

20170697

17

Hoofdstuk 2

Projectbeschrijving

In dit hoofdstuk wordt ingegaan op de bestaande situatie van de toren alsmede de ruimtelijke inpasbaarheid van de boogde MERU-toren. Vanwege de beoogde inpassing van de MERU-toren wordt voorafgaand in paragraaf 2.1 ingegaan op het Masterplan van MERU, zijnde de eigen opgestelde gebiedsvisie voor het MERU-terrein.

2.1

Bestaande en beoogde situatie

2.1.1 MERU-terrein (bestaande situatie) Het MERU-terrein (zie figuur 2.1) ligt in de uitgestrekte bossen van het Meinweggebied (zie figuur 2.2), ongeveer 6 kilometer ten oosten van het dorp Vlodrop en nabij het buurtschap Vlodrop-Station.

Figuur 2.1: MERU-terrein in eigendom (blauw omlijnd gebied) met in rood de planlocatie

In 1990 is het Meinweggebied aangewezen als natuurgebied en vanaf 1995 is het een nationaal park. Geologisch is de Meinweg van grote betekenis door de aanwezigheid van het terrassenlandschap. Kenmerkend voor de Meinweg is de afwisseling tussen beekdalen, vennetjes, uitgestrekte bossen en heidevelden.

Rho adviseurs voor leefruimte

20170697

18

Figuur 2.2: het MERU-terrein gesitueerd in een omringend bosgebied

Sinds 1984 is op het terrein de hoofdvestiging van de Vedische Universiteit ("Maharishi European Research University" - MERU) gehuisvest. Vanuit de Vedische Universiteit worden wereldwijd omvangrijke projecten ontwikkeld, georganiseerd, gecoördineerd en geleid op het gebied van bewustzijnsontwikkeling, vrede, onderwijs, natuurlijke gezondheid, biologische landbouw, armoedebestrijding en architectuur. Ondersteunend voor deze activiteiten vinden daartoe op de locatie in Vlodrop cursussen, meditatie en bewoning plaats passend binnen de toegelaten gebruiksfunctie op het terrein volgens het vigerend bestemmingsplan. Dit zijn maatschappelijke voorzieningen, zijnde voorzieningen op het gebied van onderwijs, cultuur en lichamelijke en geestelijke gezondheid, met de daaraan verbonden woonfunctie.

Figuur 2.3: foto met zicht op het op campus-complex van MERU

Rho adviseurs voor leefruimte

20170697

19

Het grote open terreingedeelte op het MERU-terrein, het zogenaamde campus-complex (zie figuur 2.3) van de Maharishi Vedische Universiteit, is en wordt ingericht volgens de stedenbouwkundige en landschappelijke opzet zoals beschreven in het MERU-Masterplan met bebouwing, wegen, paden, siervijvers, (boom)beplanting en meubilair (zie hierna 2.1.2. - MERU-Masterplan, beschrijving beoogde situatie) met respect voor omliggende ruimtelijke waarden. Inmiddels is op het open terreingedeelte een groot deel van het MERU-Masterplan al gefaseerd gerealiseerd en in gebruik genomen. In de gerealiseerde gebouwen (zie figuren 2.4a t/m 2.4c) zijn ruimten en voorzieningen aanwezig voor de toegelaten gebruiksfuncties op het terrein volgens het bestemmingsplan. Op het terrein buiten de gebouwen vinden behalve wandelactiviteiten, kleinschalige groenteteelt en parkeren, geen andere activiteiten plaats. De nieuwbouw op het campus-complex maakt zich door de beperkte bouwhoogte en omvang per gebouw, de overeenkomstige oriëntatie en architectuurstijl en de inrichting van de omliggende tuinen en wegen los van de strakke, rechte bosranden met hoog opgaande bomen. De bosrand blijft echter de ruimtebeleving bepalen. De verharding en bebouwing doet op geen enkele wijze afbreuk aan de landschappelijke inbedding van het campus-complex; het is een autonome ruimtelijke invulling binnen een bosomgeving.

Figuur 2.4a: foto van bebouwing op het MERU-complex

Figuur 2.4b: foto van bebouwing op het MERU-complex

Rho adviseurs voor leefruimte

20170697

20

Figuur 2.4c: foto van bebouwing op het MERU-complex

Het open terreingedeelte heeft een maatschappelijke bestemming (bestemmingsvlak en tevens bouwvlak) en is geëxclaveerd. Dat wil zeggen: maakt geen deel uit van het Natura 2000-gebied Meinweg. Het gebied maakt tevens géén onderdeel uit van het Nationaal Park De Meinweg en het wordt ook niet aangemerkt als Natuurnetwerk Nederland (NNN), voorheen de Ecologische Hoofdstructuur (EHS). Het rondom het open terreingedeelte gelegen bosgebied aan de noord-, west- en zuidzijde bestaat voornamelijk uit een productiebos (naaldbos, gemengd bos) en is bestemd tot 'Natuur'.(zie figuur 2.5).

Figuur 2.5: foto bosgebied (bestemming 'Natuur') ten zuiden van het campus-complex

Aan de oostzijde bevindt zich een parkachtig bos in Engelse stijl aangelegd met paden, vijvers en andere elementen ingericht door de paters van het voormalige College St. Ludwig. Zie figuur 2.6.

Rho adviseurs voor leefruimte

20170697

21

Figuur 2.6: foto's van parkbos op het MERU-terrein

2.1.2 MERU-Masterplan (beoogde situatie) MERU beschikt, zoals eerder aangegeven, over een MERU-Masterplan gebaseerd op de principes van de Vedische architectuur. Dit MERU-masterplan is geen statisch document maar wordt aangepast op basis van de gewenste ontwikkelingen op dat moment. Het betreft dus een ruimtelijke onderlegger van de gewenste bebouwing/inrichting op het terrein op dat specifieke moment (zie onder meer de figuren 2.7 t/m 2.9 met verschillende data). Het MERU-Masterplan is een eigen gebiedsvisie voor het MERU-terrein met stedenbouwkundige en landschappelijk componenten. Door de beoogde oriëntatie, bouwstijl en het bouwvolume in samenhang met de onbebouwde ruimte wordt een bijzondere stedenbouwkundige opzet op het terrein beoogd. De buitenruimte (waaronder de verharding) en bebouwing in het MERU-Masterplan zijn gebaseerd op de architectuurregels van Maharishi Sthapatya Veda. Elk gebouw is daarbij naar het oosten georiënteerd en staat in zijn eigen "vastu". De term Vastu heeft te maken met het aspect van orde en intelligentie van een bouwplaats. Door de parallelle wegen die zo is/zijn ontstaan, is altijd vanuit elke weg in minstens een richting zicht naar de bosrand. Hierdoor is vanuit het gehele complex het landschap zichtbaar en voelbaar aanwezig. Het landschap is hierdoor medebepalend voor de sfeer en kwaliteit van de open ruimte binnen het complex.

De bestaande cultuurhistorische waarden (terrein bezien in de omgeving) worden dan ook niet aangetast door de gerealiseerde en nog te realiseren ontwikkelingen, met inbegrip van de te bouwen (expositie)toren. Sinds 13 maart 2008 is tijdens het overleg met de gemeente gesproken over de realisatie van een (expositie)toren. Dit heeft geresulteerd in de aanvraag bouwvergunning 17 december 2009 van een 30 meter hoge (expositie)toren. Zie figuur 2.7 volgens het destijds bijbehorende MERU-Masterplan (200912-15). Deze (expositie)toren is vergund op 14 augustus 2012.

Rho adviseurs voor leefruimte

20170697

22

Figuur 2.7: MERU-Masterplan (2009-12-15) behorende bij bouwaanvraag eerste fase 30 meter hoge (expositie)toren

Op 22 april 2014 is een aanvraag ingediend voor een 35 meter hoge (expositie)toren. Zie figuur 2.8 volgens het destijds bijbehorende MERU-Masterplan (2014-04-17). Op 24 juli 2014 is deze 35 meter hoge (expositie)toren vergund.

Figuur 2.8: MERU-Masterplan (2014-04-17) behorende bij aanvraag 35 meter hoge (expositie)toren

Rho adviseurs voor leefruimte

20170697

23

Thans wordt beoogd een 54 meter hoge MERU-toren. Deze MERU-toren is in het MERU-Masterplan (2018-03-23) opgenomen. Zie figuur.2.9.

Figuur 2.9: MERU-Masterplan (2018-03-23) behorende bij aanvraag 54 meter hoge MERU-toren

De kenmerkende strakke bosranden en het omliggende boslandschap met een rasterpatroon in de bosverkaveling en bospaden blijft ongewijzigd. Doordat verharding op voldoende afstand van de bosrand is gerealiseerd, blijft deze ook als eigen structuur herkenbaar. De lokale cultuurhistorische waarden zijn af te leiden uit de "Basiskaarten van de Limburgse Cultuurhistorie" van de provincie Limburg. Zie de figuren 2.10a en 2.10b.

Figuur 2.10a: cultuurhistorische waardenkaart provincie Limburg (bron: Gis viewer provincie Limburg)

Rho adviseurs voor leefruimte

20170697

24

Figuur 2.10b: cultuurhistorische waardenkaart provincie Limburg (bron: Gis viewer provincie Limburg)

Ten aanzien van het aspect welstand heeft het college van burgemeester en wethouders overigens op 6 juli 2010 de beleidsuitspraak gedaan dat voor de toetsing van nieuwbouw de vedische bouwkunst op het MERU-terrein leidend is. Aldus streven zowel gemeente als MERU de realisatie van het MERU-Masterplan na met inachtneming van de vedische bouwkunst. 2.1.3

MERU-toren op het terrein van MERU

2.1.3.1 MERU-Masterplan met beoogde (expositie)toren In januari 2008 is het oorspronkelijke ontwerp van een 54 meter hoge (expositie)toren exclusief ornament tot stand gekomen. Het ontwerp huisveste 12 exposities met de thema's onderwijs, gezondheidzorg, landbouw, communicatie, economie, bestuur, architectuur, defensie, muziek en kunst, religie en cultuur, recht en politiek. Daarbij had elk expositiethema een eigen bouwlaag. Boven in de (expositie)toren was bovendien een planetarium voorzien waarin de relatie tussen de kosmos, mens en bewustzijn centraal staat. Maharishi Mahesh Yogi plaatste deze kennis- en levensgebieden in het licht van de Vedische wetenschap, de kennis van bewustzijn. Dit heeft praktisch toepasbare wetenschap beschikbaar gemaakt die mogelijkheden biedt om in overeenstemming met de Natuurwet te leven en daarmee problemen in deze levensgebieden te voorkomen. Onder andere via interactieve media zullen de bezoekers van de (expositie)toren hiermee kennismaken. De kennis over de 12 thema's wordt in een logische volgorde van beneden naar boven aangeboden. Hierdoor is het voor alle directbetrokkenen duidelijk waarom Maharishi gekozen heeft voor het opnemen van een bouwwerk in de vorm en opzet van een (expositie)toren op het MERU-terrein in het MERUMasterplan.

In het MERU-Masterplan in 2008 was het bedoeling om de (expositie)toren te positioneren op de as van de twee hoofdgebouwen die het meest oostelijk gesitueerd zijn. Omdat het College St. Ludwig toen echter nog op het MERU terrein stond, moest de toren ongeveer 25 meter naar het westen opgeschoven worden.

Rho adviseurs voor leefruimte

20170697

25

Doordat het College St. Ludwig in 2015 gesloopt kon worden en gesloopt werd, is de MERU toren weer naar de oorspronkelijke gewenste plek terug geschoven. Nu kan de (exposite)toren weer geplaatst worden op de as van de twee hoofdgebouwen die het meest oostelijk gesitueerd zijn. Zie figuur 2.11 voor de versie van het MERU-Masterplan (2018-03-23).

Figuur 2.11: het MERU-Masterplan (2018-03-23) met situering van de (expositie)toren (rode cirkel) op de as (blauwe lijn) van de twee hoofdgebouwen die op het meest oostelijke deel van het MERU-Masterplan (2018-03-23) staan

2.1.3.2 Vergunde toren In 2008 stond het toen vigerende bestemmingsplan 'Vedische Universiteit Vlodrop', vastgesteld op 26 maart 1998 en goedgekeurd op 13 oktober 1998, slechts een maximale bouwhoogte van 30 meter toe volgens de bestemming "Bijzondere doeleinden" (artikel 3). Zie hiervoor figuur 2.12.

Rho adviseurs voor leefruimte

20170697

26

Figuur 2.12: afbeeldingen uit het bestemmingsplan 'Vedische Universiteit Vlodrop'

Een bestemmingsplanwijziging was, in relatie met het toen nog aanwezige College St. Ludwig, op dat moment niet aan de orde. De wens om een 54 meter hoge (expositie)toren te bouwen was al wel overgebracht en voorzien in de op dat moment aanwezige plannen. Om toch een (expositie)toren op korte termijn te kunnen bouwen, zijn vervolgens concessies gedaan. De toren zou 30 meter hoog worden conform de toegestane maximale bouwhoogte volgens het op dat moment vigerende bestemmingsplan en de (expositie)toren werd meer naar het oosten opgeschoven. Dit paste op dat moment beter in relatie tot de aanwezigheid van het College St. Ludwig. Bovendien werd er gekozen voor het tentoonstellen van 2 thema's per verdieping en verlaging van de verdiepingshoogte. Dit had tot gevolg dat voor de tentoonstellingsfunctie de verdiepingshoogtes relatief laag werden. De wens om een 54 meter hoge toren te bouwen was hiermee echter niet verdwenen. Op een aanvraag van 17 december 2009 is vervolgens op 22 maart 2010 door het bevoegd gezag een bouwvergunning 1e fase verleend voor een (expositie)toren (bouwplan passend binnen het vigerend bestemmingsplan en voldoet aan redelijke eisen van welstand) en op een aanvraag bouwvergunning 2e fase van 23 december 2011 op 14 augustus 2012 een reguliere bouwvergunning 2e fase verleend (bouwplan in overeenstemming met de Woningwet en het Bouwbesluit).

Hierdoor was er sprake van een vergunde situatie om een 30 meter hoge (expositie)toren met expositieruimten en een planetarium te realiseren. In 2012 werd van overheidswege een bestemmingsplanherzieningstraject opgestart (onder meer vanwege de digitaliseringverplichting). Op dat moment is de wens voor een 54 meter hoge toren door MERU opnieuw onder de aandacht van de gemeente gebracht. Het bestemmingsplanherzieningstraject resulteerde in onder meer in een verruiming van de bouwhoogte van 30 meter naar (slechts) 35 meter met instemming van gemeente en provincie. Aangesloten werd qua bouwhoogte bij de bestaande bouwhoogte van het College St. Ludwig. Vanuit cultuurhistorische waarden waren er geen zwaarwegende bezwaren tegen een dergelijk toren. Zie hiervoor figuur 2.13. In het bestemmingsplan 'Vedische Universiteit' werd hiervoor een maatvoeringsaanduiding met daaraan gekoppeld een maximale bouwhoogte van 35 meter opgenomen.

Rho adviseurs voor leefruimte

20170697

27

Figuur 2.13: vergelijking bouwhoogte College St. Ludwig en vergunde toren

De aanvankelijk vergunde 30 meter hoge (expositie)toren is vervolgens op verzoek van MERU gewijzigd tot een nieuw te vergunnen hoogte van 35 meter. Hiervoor is op 22 april 2014 een aanvraag voor een omgevingsvergunning ingediend voor het wijzigen van de verleende vergunning 2e fase van 14 augustus 2012. De omgevingsvergunning voor deze 35 meter hoge (expositie)toren is op 24 juli 2014 afgegeven.

Figuur 2.14: vergunde toren met een bouwhoogte van 35 meter

Rho adviseurs voor leefruimte

20170697

28

De verdiepingshoogtes werden hiermee teruggebracht zoals ze oorspronkelijk bedoeld waren, maar het bleef bij het tentoonstellen van 2 thema's per verdieping. Deze 35 meter bouwhoogte betreft de basishoogte van de (expositie)toren exclusief het daarop nog aanwezige ornament (zijnde een extra toevoeging van 2,62 meter). Zie figuur 2.14. De situering van de vergunde toren (zie figuur 2.15) bleef bovendien afwijken van de positionering zoals beoogd in het MERU-Masterplan (2008-03-23). Zie figuur 2.11. De (expositie)toren bleef meer naar het oosten opgeschoven. Dit paste op dat moment beter in relatie tot de aanwezigheid van het College St. Ludwig.

Figuur 2.15:

positionering vergunde toren volgens MERU-Masterplan (2014-04-17)

2.1.3.3 Beoogde situatie MERU-toren qua positionering, hoogte en oppervlak Positionering MERU-toren Vanwege de sloop van het voormalige College St. Ludwig, heeft het thans de voorkeur om de (expositie)toren weer terug te schuiven naar de oorspronkelijk geplande locatie op de as (zie blauwe lijn) tussen de meest vooruitgeschoven hoofdgebouwen die op het meest oostelijke deel van het MERUMasterplan van 2018-03-23 staan. Zie figuur 2.16.

Rho adviseurs voor leefruimte

20170697

29

Figuur 2.16:

gewenste positionering MERU-toren binnen het MERU-Masterplan met de bluawe as(2018-03-23)

Dit betekent een verschuiving van ongeveer 25 meter meer westelijk ten opzichte van de vergunde toren Zie hiervoor figuur 2.17.

Figuur 2.17:

verschuiving positie MERU-toren met circa 25 meter t.o.v. vergunde toren

Rho adviseurs voor leefruimte

20170697

30

De nieuwe positionering is hieronder op figuur 2.18 in de bestaande bebouwde toestand weergegeven.

Figuur 2.18: gewenste positionering MERU-toren op MERU-terrein (bestaande bebouwde situatie)

Bouwhoogte MERU-toren Ook de wens om een 54 meter hoge MERU-toren exclusief ornament en 57 meter inclusief ornament te kunnen bouwen komt weer nadrukkelijk in beeld. Nadat in mei 2015 het voormalige College St. Ludwig uiteindelijk werd gesloopt, ontstond voor MERU een nieuwe situatie. De oude plannen, die al voorzagen in een gebied zonder het voormalige College St. Ludwig, konden vanaf dat moment weer worden opgepakt. Daarin opgenomen was ook het voornemen om een 54 meter hoge MERU-toren exclusief ornament met 12 expositieruimten te kunnen realiseren. In de te realiseren 54 meter hoge MERU-toren krijgt zoals altijd beoogd, elk thema een eigen verdieping en daarmee de oorspronkelijk gewenste ruimte. Ondanks dat de (expositie)toren meer gebruiksvloeroppervlakte krijgt vanwege meer verdiepingen, komen er dus geen thema's bij. Elke functie kent zijn optimale architectonische maten. Met de keuze van de vorm van een toren, het gewenste aantal exposities en de op de functie afgestemde verdiepingshoogtes resulteren gezamenlijk in een expositietoren van 54 meter hoog. De keuze van de architect voor deze hoogte is daarmee optimaal voor de functies die in de toren gehuisvest worden. De architect heeft met de gekozen hoogte tevens een fijn-afstemming gevonden met het maat- en verhoudingensysteem van de Vedische architectuur.

Rho adviseurs voor leefruimte

20170697

31

De (expositie)toren die MERU voorstaat heeft zowel in de vergunde situatie als in de opnieuw te vergunnen situatie een ornament als afsluiting van het bouwwerk. De hoogte van dit ornament bij de MERU-toren is 2,88 meter en het bouwonderdeel is op het breedste punt 2,70 meter (zie figuur 2.19).

Figuur 2.19:

het ornamentdeel van de MERU-toren als ondergeschikt bouwonderdeel

Dit onderdeel van het bouwwerk (ornamentdeel) wordt aangemerkt als een ondergeschikt bouwdeel dat niet mee genomen wordt bij de bouwhoogtebepaling van het bouwwerk. De vergunde toren is namelijk overeenkomstig de bouwbepaling in het vigerend bestemmingsplan 'Vedische Universiteit' (zie hierna schuin gedrukt artikel 2.1 sub d) getoetst op een maximale bouwhoogte van 35 meter, waarbij het ornament als ondergeschikt bouwdeel niet is meegenomen bij de bouwhoogte toetsing. "Artikel 2.1 sub d van het bestemmingsplan 'Vedische Universiteit' de bouwhoogte van een bouwwerk: vanaf het peil tot aan het hoogste punt van een gebouw of van een bouwwerk, geen gebouw zijnde, met uitzondering van ondergeschikte bouwonderdelen, zoals schoorstenen, antennes en naar de aard daarmee gelijk te stellen bouwonderdelen" . Bij de te realiseren MERU-toren dient dit ornamentdeel, naar analogie van de bouwtoetsing ten aanzien van de vergunde toren, beschouwd te worden als bouwonderdeel van ondergeschikte betekenis bij de bouwplantoetsing en dientengevolge ook voor de toetsing van de ruimtelijke aanvaardbaarheid van de hoogte.

Rho adviseurs voor leefruimte

20170697

32

Oppervlak (expositie)toren In de vergunde situatie bedraagt het maximale oppervlak van de (expositie)toren op een hoogte boven 30 meter 115,35 m2 (10,74 x 10,74). Deze oppervlakte past binnen het toegestane maximale oppervlak van 125 m2 in het vigerende bestemmingsplan ter plaatse van de bouwaanduiding 'specifieke vorm van bouwen - toren'. Het grondoppervlak (footprint) van de vergunde toren bedraagt 438,48 m 2 (20,94 x 20,94) en is in overeenstemming met de bestemmingsplanbepaling (maximaal oppervlak met de daaraan gekoppelde hoogte van het bouwwerk). Zie hiervoor figuur 2.21. Door in bouwkundig opzicht de toren te verhogen van 35 meter naar 54 meter (exclusief ornament) neemt het oppervlak van de toren ook toe ten opzichte van de vergunde situatie op een hoogte hoger dan 30 meter alsmede ten aanzien van het grondoppervlak (footprint). Zie hiervoor figuur 2.20 en figuur 2.21.

Figuur 2.20: verschillen in (grond)oppervlak vergunde toren t.o.v. MERU-toren

In de voorgenomen ontwikkeling zal het maximale oppervlak van de doorsnede van de MERU-toren hoger dan 30 meter 173,19 m2 bedragen (13,16 x 13,16 = de oppervlakte berekend tussen de buitenwerkse gevelvlakken volgens de meetregel van het vigerend bestemmingsplan - artikel 2.1, sub e). Zie hiervoor figuur 2.22. Dit betekent een overschrijding van 48,19 m2 van het maximaal te bebouwen oppervlak van een (expositie)toren boven 30 meter overeenkomstig het vigerend bestemmingsplan (= 125 m²). Dit is een vergroting van 38% ten opzichte van het maximaal toegestane oppervlak in het vigerend bestemmingsplan.

Rho adviseurs voor leefruimte

20170697

33

Figuur 2.21:

omvang grondoppervlak (footprint) van de (expositie)toren (=geel) en omvang oppervlak bebouwd oppervlak op 30

meter hoogte (expositie)toren (paars = nieuw en rood is al vergund)

Ruimtelijke context De planlocatie ligt in het openterrein gedeelte van het MERU-terrein omringd door omvangrijk bosgebied. Het open terrein wordt op basis van het MERU-masterplan (2018-03-23) gefaseerd tot ontwikkeling gebracht. Hierbij wordt de bebouwing in samenhang gebracht qua oriëntatie, bouwstijl en het bouwvolume met de onbebouwde ruimte, waarmee een bijzondere stedenbouwkundige opzet op het terrein wordt bereikt. De te realiseren MERU-toren voegt zich goed in deze opzet. Het bouwvolume kent een omvang welke passend is in de stedenbouwkundige structuur en aansluit op de bestaande bebouwing grenzend aan en in de nabijheid van de MERU-toren. Qua verschijningsvorm oogt het gebouw van buitenaf te zijn opgebouwd uit drie torengedeelten. Een hoofdtoren bestaande uit 13 bouwlagen met ornament met aan weerszijden bescheiden zijtorens van drie bouwlagen met ornament. De sprong in hoogte van onderste horizontale bouwdeel (met een hoogte van circa 13,5 meter exclusief en 16 meter met ornament) naar het ranke torenelement (met een hoogte van circa 43,5 meter) met een alzijdige oriëntatie sluit aan op de schaal, functie en sfeer van de omringende bebouwing. De inrichting van de buitenruimte bij de MERU-toren sluit aan op de inrichting van de buitenruimte op het totale campuscomplex.

Zonder teveel te domineren manifesteert de MERU-toren zich als een markant hoogte element dat zich voegt in zowel het bebouwde campuscomplex als onbebouwde (bosrijke) omgeving. Architectonische context De architectuur van het bouwwerk sluit enerzijds aan bij de architectuur van de bestaande bebouwing en heeft anderzijds een eigen identiteit. De plint van het gebouw, de gevelbekleding, borstweringen, balkons, dakgoten en boeidelen worden uitgevoerd in sierbeton (marmer wit) met marmer wit voegwerk. De ramen/deuren worden in hout uitgevoerd (marmer wit) en de dakbedekking in gebroken aluminium (marmer wit). De gevelgeleding voorziet in verticale raampartijen en stijlelementen. De hoofdentree van het gebouw is op het oosten gericht.

Rho adviseurs voor leefruimte

20170697

34

Planologisch-juridisch kader In het toekomstige bestemmingsplan voor het MERU-terrein zal de vergunde MERU-toren vastgelegd worden op de verbeelding. Het verdient de voorkeur dit dan te doen door het opnemen van bouwaanduiding voor de toren met een oppervlak van 625 m 2 (25 x 25 meter) en een maatvoeringsaanduiding van maximaal 54 meter (dit is de bouwhoogte exclusief het ornament dat als ondergeschikt bouwdeel wordt beschouwd).

2.2

Ruimtelijke inpasbaarheid

In deze paragraaf wordt de ruimtelijke inpasbaarheid van de voorgestane MERU-toren in afwijking van het vigerend bestemmingsplan (bouwbepalingen) beschreven in het kader van een goede ruimtelijke ordening. Zie hiervoor paragraaf 1.1. Tevens wordt ingegaan op enkele wijzigingen ten opzichte van de vergunde toren met daaraan verbonden ruimtelijke effecten. Het betreft: 1. a. b.

Uitstraling MERU-toren (visuele aspecten), voor wat betreft: uiterlijk gebouw verlichting

2.

Positionering, omvang oppervlak en hoogte van de MERU-toren naar de omgeving (ruimtelijke aspecten), voor wat betreft: effect schaduwwerking effect horizon- of landschapsvervuiling (dagperiode en nachtperiode)

a. b.

ad 1a)

Uitstraling (expositie)toren - uiterlijk gebouw

Figuur 2.22: uiterlijke verschijningsvorm (expositie)toren

Rho adviseurs voor leefruimte

20170697

35

Een vergelijking van de voorgestane 54 meter hoge MERU-toren exclusief ornament met de 35 meter vergunde toren exclusief ornament laat zien dat de vorm en het ritme van de gevelindeling, ornamentatie en de torenopbouw hetzelfde is gebleven. Door de toename van de hoogte zal de 'gedrongenheid' die de 35 meter hoge toren in de ogen van MERU vertoonde verdwijnen. Hierdoor krijgt het object meer het aanzicht van een echte toren, d.w.z. een bouwwerk dat aanmerkelijk hoger is, dan het breed en lang is en boven andere gebouwen uitsteekt. Zie hiervoor figuur 2.22. Zowel bij de vergunde toren als de te realiseren MERU-toren (zie figuur 2.22) heeft het bouwwerk een ornament (zie figuur 2.19) dat als bouwonderdeel van ondergeschikte betekenis beschouwd dient te worden bij de bouwplantoetsing en dientengevolge ook voor toetsing van de ruimtelijke aanvaardbaarheid van de hoogte. ad 1b) Uitstraling (expositie)toren - verlichting De nieuw te realiseren MERU-toren zal aan de buitenzijde voorzien worden van ledverlichting in horizontale en verticale banen. Zie figuur 2.23. Deze ledverlichting brandt enkel van zonsondergang tot 23 uur en van 4 uur tot zonsopkomst met een verlichtingstand waardoor er maximaal 0,3 lux op de nabijgelegen bosrand valt. De MERU-toren zelf zal niet worden aangelicht met schijnwerpers vanaf de grond. Het effect van de torenverlichting op de omgeving is beoordeeld.

De conclusie van dit beoordelingsonderdeel is opgenomen in paragraaf 4.3 als onderdeel van een integrale effectenbeoordelingstoets die is opgenomen als onderdeel van de toelichting (bijlage 1 behorende bij deze ruimtelijke onderbouwing).

Figuur 2.23: impressie verlichtingselementen MERU-toren

Rho adviseurs voor leefruimte

20170697

36

ad 2a) Positionering en hoogte van MERU-toren naar de omgeving - effect schaduwwerking Door middel van een bezonningsstudie is het effect van de schaduwwerking van de te realiseren (expositie)toren in beeld gebracht. Deze bezonningstudie is integraal als bijlage 2 bij de ruimtelijke onderbouwing opgenomen. In de figuren 2.24 t/m 2.26 zijn enkele fragmenten uit deze studie opgenomen. In de bezonningstudie is de schaduwwerking van de MERU-toren op de omgeving op verschillende momenten van de dag op vier momenten in het jaar in beeld gebracht. Het oppervlak dat door schaduw van de toren wordt bestreken is in de periode van de winter, met het minst aantal zonne-uren, het grootst. In andere tijden van het jaar (lente en herfst) is het oppervlak in de vroege ochtend en late avond het grootst, maar dan is de lichtsterkte van de zon ook laag, waardoor het verschil tussen schaduw en de omgeving klein is. De schaduw in de zomerperiode, met het hoogste aantal zonne-uren en grootste lichtsterkte van de zon, blijft het grootste deel van de dag binnen het open terreingedeelte van het MERU-complex.

Op basis van de bezonningstudie blijkt dat de schaduwwerking van de te realiseren MERU-toren (met gewijzigde positie, oppervlak en hoogte) bezien vanuit de nieuwe planlocatie grotendeels op het open terreingedeelte van het MERU-complex ligt en slechts voor een klein en op een zeer beperkt deel van de dag op het bos haar werking heeft. Bovendien blijkt dat de verhoging van de MERU-toren ten opzichte van de vergunde toren (van 35 naar 54 meter exclusief ornament) vanwege de verschuiving van de vergunde toren met 25 meter naar het westen (verder van de bosrand) slechts een zeer beperkte verslechtering laat zien ten aanzien van de schaduwwerking op het omliggende bos.

Figuur 2.24: bezonning 22 december om 09.00 uur, 12.00 uur en 15.00 uur (van links naar rechts)

Figuur 2.25: bezonning 21 maart/23 september om 09.00 uur, 15.00 uur en 17.30 uur (van links naar rechts)

Rho adviseurs voor leefruimte

20170697

37

Figuur 2.26: bezonning 21 juni om 09.00 uur, 12.00 uur, 15.00 uur, 18.00 uur en 21.00 uur (van links naar rechts en boven naar beneden)

De verschillen zijn in een aparte bezonningsvergelijkingstudie verbeeld. Zie hiervoor een representatieve afbeelding (hieronder figuur 2.27) alsmede de gehele bezonningstudie in bijlage 3 van deze ruimtelijke onderbouwing. De effecten van de schaduwwerking op het omliggende bos en de daar te beschermen flora en fauna, alsmede de flora op het open terreingedeelte zijn dan ook verwaarloosbaar in vergelijking met de vergunde situatie. Het betreft een zeer kleine strook met boombeplanting op een beperkt aantal dagen in het jaar en gedurende een klein deel van de dag. Zie tevens hiervoor paragraaf 4.3.

Rho adviseurs voor leefruimte

20170697

38

Figuur 2.27: bezonning 21 maart/23 september om 17.30 uur (vergelijking 35 meter vergunde toren exclusief ornament en de nieuwe 54 meter MERU-toren exclusief ornament op de meer westelijke gesitueerde planlocatie

ad 2b) Positionering en hoogte van MERU-toren naar de omgeving - effect horizon- of landschapsvervuiling Horizonvervuiling (ook wel bekend als landschapsvervuiling) wordt beschouwd als het plaatsen van objecten of nemen van maatregelen die het beeld van de horizon of de harmonie van het landschap verstoren. Het betreft een subjectief begrip in de aanvaardbarheid van plaatsing objecten in een ruimtelijke omgeving. De te realiseren MERU-toren van 54 meter exclusief ornament zal, gelet op de hoogte van de bestaande boombeplanting, circa 30 meter boven de bestaande bomenkruinen van het omliggende bosgebied uitsteken. Zie hiervoor de hieronder opgenomen foto-referentiebeelden op 54 meter hoogte genomen (figuren 2.28 t/m 2.31). Tevens wordt verwezen naar bijlage 4 bij deze ruimtelijke onderbouwing met referentie aanzichten naar vier richtingen genomen op verschillende hoogtes.

Figuur 2.28: referentiebeeld zicht naar oostzijde op 54 meter hoogte

Rho adviseurs voor leefruimte

20170697

39

Figuur 2.29: referentiebeeld zicht naar zuidzijde op 54 meter hoogte

Figuur 2.30: referentiebeeld naar westzijde op 54 meter hoogte

Figuur 2.31: referentiebeeld naar noordzijde op 54 meter hoogte

Zicht op de omgeving Op fotobeelden (zie figuren 2.28 t/m 2.31) is het zicht op de omgeving weergegeven bezien vanuit de te realiseren MERU-toren. Gezien de uitgestrektheid van de omringende bossen zijn slechts in beperkte mate open terreinen in de omgeving waar te nemen. Daarnaast zijn hoge objecten op vergelijkbare hoogte als de te realiseren MERU-toren op korte afstand niet waarneembaar, maar ook niet of zeer slecht op verre afstand waar te nemen. De feitelijke zichthoogte vanuit de MER-toren zal overigens op circa 42 meter liggen bezien vanuit het ontwerp van de MERU-toren. Zie figuur 2.32.

Rho adviseurs voor leefruimte

20170697

40

Figuur 2.32: zichthoogte (42 meter) van de bezoeker vanuit de MERU-toren

Zicht vanuit de omgeving Het zicht vanuit de (verre) omgeving op de MERU-toren wordt niet alleen bepaald door de hoogte van de toren, maar ook door het volume, vorm en de breedte van het bouwwerk (torengedeelte en smalle ornament gedeelte). Maar ook het weer, mogelijke 'barrières' in het landschap, het effect van materiaal, de kleur en de verlichting beïnvloeden de zichtbaarheid van het gebouw. Al deze elementen kunnen van invloed zijn op de zichtbaarheid van de MERU-toren (de 'horizonimpact'). Gezien de positiebepaling (planlocatie) van de MERU-toren in de bestaande omgeving met een uitgestrekt omringend bosrijk gebied met weinig open terreingedeeltes wordt de waarneembaarheid ('het zichtbereik') van de MERU-toren in eerste aanleg bepaald door de aanwezigheid van open terreingedeelten, van waaruit op ooghoogte de MERU-toren mogelijk waarneembaar zou kunnen zijn. Vanaf ooghoogteniveau (gemiddeld 1,75 meter) is de waarneembaarheid van een 54 hoog object exclusief ornament en 57 meter hoog object inclusief ornament, dat deels uitsteekt boven de boskruin slechts vanaf verre afstand en vanuit een zeer open terreinlocatie zichtbaar. Het zicht op de MERU-toren dat boven de bestaande bomenkruin uitsteekt is op korte afstand niet waar te nemen.

Dit vanwege het omvangrijke bosareaal in de directe omgeving in combinatie met de hoogte van de boombeplanting die de zicht-/beeldhoek in de hoogte beperken. Het verstoren van het beeld van de horizon of de harmonie van het landschap c.q. de 'maximale' zichtbaarheid van een incidenteel object boven de bomenkruin te midden van een omvangrijk omringend bosgebied is dus uitsluitend waarneembaar vanuit zeer open terreinsituaties op enige afstand van de planlocatie. Met 'maximaal' wordt dan bedoeld de uiterste plekken vanaf waar de toren in theorie (onder ideale omstandigheden) zichtbaar zou zijn. Rho adviseurs voor leefruimte

20170697

41

Dergelijke zichtlocaties in zeer open terreingedeelten zijn binnen een straal van 4,8 kilometer van de positie van de voorgestane en te realiseren (expositie)toren (hoogte 54 meter exclusief ornament en 57 met inclusief ornament) niet aanwezig. In onderstaande figuur 2.33 zijn mogelijke locaties met afstanden van mogelijke zichtlocaties in beeld gebracht. Dergelijke locaties liggen op een afstand van meer dan 4 kilometer.

Figuur 2.33: afstanden vanuit open plekken tot locatie MERU-toren geel Rockwool (6.3 km) – blauw Tuincentrum Daniels (4 km) – rood Etsberg (4.8 km)

Uitgaande van de potentiele op verre afstand gesitueerde zichtlocaties wordt de zichtbaarheid van het object vervolgens bepaald door de hoogte en breedte van het object dat uitsteekt boven de bomenkruin. Deze maatvoering in combinatie met de zichtafstand beïnvloeden namelijk de manier waarop het object opdoemt aan de horizon. Wanneer een waarnemer op de grond (ooghoogte 1,75 meter) op een afstand van 5 kilometer het bovenste deel (max 12 meter breedte) van de toren ziet, dan ziet de waarnemer deze 12 meter breedte als een gering voorwerp. Dit is te vergelijken met het zien van een voorwerp van 2,8 centimeter breed op een afstand van 10 meter. Daarbij heeft ook nog de kromming van de aarde en de afstand tot de toren een invloed. Voor een waarnemer op de grond (ooghoogte 1,75 meter) is op aarde de afstand tot de horizon 4,7 kilometer (afstand in een rechte lijn zonder obstakels). Door de kromming van de aarde zal een object op een afstand van meer dan 4,7 meter theoretisch gezien echter afnemen ('verzinking'). Na 10 km zal een object 8 meter gezakt zijn en na 18 kilometer 25 meter gezakt zijn. De zichtbaarheid van het object wordt bij groter afstanden sterk vermindert. Op grote afstand beslaat het object slechts een zeer klein deel van het waargenomen beeld.

Het zicht op een bebouwingsobject is daarnaast niet alleen afhankelijk van de afstand tot het object maar ook van de weersomstandigheden. Bij neerslag, bewolking of heiig weer is de praktische zichtbaarheid nog geringer dan hiervoor aangegeven bezien vanaf de feitelijke zichtlocatie. Deze weersomstandigheden verminderen, in combinatie met de kleur van de MERU-toren (wit) en de versmalling aan de bovenzijde van de MERU-toren, de zichtbaarheid van de MERU-toren enorm. Een blauwe onbewolkte hemel geeft de meeste kans op enige waarneming van de MERU-toren. Dit zal echter, gezien de overwegende weersomstandigheden in Nederland, slechts in beperkte mate gedurende het jaar het geval zijn.

Rho adviseurs voor leefruimte

20170697

42

Tijdens een veldonderzoek in de omgeving zijn potentiële locaties in de omgeving bezocht waar een eventuele waarneming van de MERU-toren boven de bestaande bomenkruin van het omringende omvangrijke bosgebied zou kunnen worden waargenomen, dat wil zeggen het uitzicht op de MERU-toren vanuit een bepaald gezichtspunt. Het betreffen locaties op een afstand van 4 of meer kilometers van de planlocatie. Het betreft een zestal locaties (zie figuur 2.34).

Figuur 2.34: locaties van waaruit zichtbaarheid MERU-toren in het 3D-onderzoek beoordeeld is

Door middel van een 3D-onderzoek is vervolgens inzichtelijk gemaakt of de te realiseren MERU-toren zichtbaar is. Zie hiervoor het integrale onderzoek zoals opgenomen in bijlage 8 bij deze ruimtelijke onderbouwing. In het 3D-onderzoek zijn de zes verschillende locatiepunten onderzocht op basis van de beschreven werkwijze/meettechniek en berekeningen (zie figuur 2.35a) en met behulp van een fotomontage visueel in beeld gebracht (zie figuur 2.35b). Uit de beoordeling van deze fotomontages blijkt dat de beoogde MERU-toren (hoogte 54 meter en met ornament 57 meter) uitsluitend vanuit één open veld locatie (zichtpunt P3 - locatie Kloetenweg/ Schaapsweg/ Middenweg te Vlodrop) in zeer beperkte mate zichtbaar is (zie figuur 2.35b). Van beïnvloeding van mogelijke horizonvervuiling is, bezien vanaf deze onderzoeklocatie, bovendien geen sprake, aangezien de verstoring van de horizon al veroorzaakt wordt door andere bebouwingsobjecten dominanter in zichtbaarheid en hoogte, zoals het reuzenrad op de testlocatie van Vekoma, hoogspanningsmasten alsmede de Martinuskerktoren van Vlodrop (zie ook figuur 2.35b). Een gebouw van circa 57 meter hoog (inclusief ornament) in een bosrijke omgeving met hoge bomen heeft derhalve vanaf een zekere afstand dan ook geen relevant effect meer.

Het object is wel in zeer beperkte zin zichtbaar (onder 'maximale' dat wil zeggen ideale weersomstandigheden), maar heeft nauwelijks invloed op een bestaand landschapsbeeld en dientengevolge geen of een zeer beperkt negatieve invloed op de belevingswaardering van het landschap.

Rho adviseurs voor leefruimte

20170697

43

Figuur 2.35a:

zichtpunt P3 uit het 3D-onderzoek - methodiek inpassing en zichtbaarheid

Figuur 2.35b:

zichtpunt P3 uit het 3D-onderzoek - zichtbaarheid volgens fotomontage

Rho adviseurs voor leefruimte

20170697

44

Zicht in de avondperiode vanaf de planlocatie op de omgeving en vanuit de omgeving op de planlocatie De nieuw te realiseren MERU-toren zal aan de buitenzijde voorzien worden van ledverlichting in horizontale en verticale banen. Zie figuur 2.23. Op basis van bijgevoegde referentiebeelden (zie figuren 2.36 t/m 2.38) blijkt dat in de nachtperiode op een hoogte van 57 meter in de verre omgeving op ruime afstand (meer dan 6 kilometer) lichtbronnen waarneembaar zijn die toebehoren aan stedelijke gebieden. Solitaire lichtbronnen zijn niet waarneembaar op een grote afstand.

Figuur 2.36: overzichtskaart met zichtlijnen vanuit de planlocatie op omgeving (t.b.v. nachtsituatie)

Figuur 2.37: overzichtskaart met zichtlijnen vanuit de planlocatie op omgeving (t.b.v. nachtsituatie). De lampen in de blauwe elips zijn lampen op het MERU terrein zelf.

Rho adviseurs voor leefruimte

20170697

45

Figuur 2.38: overzichtskaart met zichtlijnen vanuit de planlocatie op omgeving (t.b.v. nachtsituatie). De lampen in de blauwe elips zijn lampen op het MERU terrein zelf.

Omgekeerd zal vanuit deze locaties de MERU-toren nauwelijks waarneembaar zijn in de avondperiode gelet op de beperkte lichtbronnen aan de toren en de lichtsterkte van de lichtbronnen (milicandela voor ledverlichting) die nog waarneembaar zijn op verre afstand. De ledverlichting aan de MERU-toren zal bovendien uitsluitend branden van zonsondergang tot 23 uur en van 4 uur tot zonsopkomst. Vanaf de grond zal de MERU-toren niet met schijnwerpers belicht worden. 2.3 Conclusie ruimtelijke inpasbaarheid Op basis van de beoogde te realiseren 57 meter hoge MERU-toren (=inclusief ornament) op de planlocatie is de ruimtelijke inpasbaarheid ervan beoordeeld. Daarbij is gekeken naar de positionering, maatvoering, het uiterlijk van het gebouw alsmede de uitstraling ervan naar de omgeving (met en zonder verlichting alsmede schaduwwerking). Daarnaast is de impact van de zichtbaarheid van de MERU-toren vanuit de omgeving, de zogenaamde horizon- of landschapsvervuiling, beschreven en beoordeeld. Bezien vanuit deze aspecten kan het volgende geconcludeerd worden:  de beoogde 57 meter hoge MERU-toren wordt alzijdig omringd door omvangrijk boombeplanting (in hoogte en breedte) en is derhalve uitsluitend zichtbaar vanuit open terreingedeelten op zee ruime afstand van de beoogde planlocatie van de MERU-toren.

Dergelijke locaties zijn in de omgeving beperkt aanwezig en liggen op forse afstand;  de maatvoeringen van het object dat boven de bomenkruin uitsteekt qua breedte (max 12 meter), hoogte (max 57 meter - minus bestaande hoogte bomen) en versmalling van het bovenste gedeelte van de MERU-toren (top gebouw en het ornament) alsmede de kleurstelling van het object (wit) in combinatie met de veelal niet-ideale weeromstandigheden in Nederland gedurende het jaar, zorgen ervoor dat de zichtbaarheid van de MERU-toren relatief gezien gering tot nauwelijks waarneembaar is, zowel in de dagperiode al avondperiode (met beperkte verlichting);  het bebouwingsobject kan vanuit het aspect 'horizonimpact' zich goed voegen in het landschap zonder te domineren zowel qua uitstraling, verlichting, omvang en hoogte en heeft dientengevolge een zeer geringe tot nauwelijks invloed op de belevingswaardering van het landschap;

Rho adviseurs voor leefruimte

20170697

46

de gevolgen voor de bezonning en schaduwwerking van het project zijn zeer beperkt door de gunstige positionering/oriëntatie van de (expositie)toren en leveren geen negatieve effecten op ten aanzien van de omliggende natuurwaarden.

De te realiseren MERU-toren op de voorgenomen planlocatie is dientengevolge uit een oogpunt van goede ruimtelijke ordening dan ook ruimtelijk inpasbaar, verantwoord en aanvaardbaar.

Rho adviseurs voor leefruimte

20170697

47

Hoofdstuk 3

Beleidskader

In dit hoofdstuk worden de voor het projectgebied ruimtelijk relevante beleidskaders samengevat, beoordeeld en voorzien van een conclusie ten aanzien van de (voorgenomen) ontwikkeling. Het gaat hierbij om relevante beleidsdocumenten op rijks-, provinciaal en gemeentelijk schaalniveau. Voor zover in dit hoofdstuk gesproken wordt over "(voorgenomen) ontwikkeling" of "planontwikkeling" wordt bedoeld de realisatie van de MERU-toren op de planlocatie als beschreven in paragraaf 1.1. respectievelijk 1.2.

3.1

Rijksbeleid

Op rijksniveau zijn op ruimtelijk gebied de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR), het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) en het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) de meest relevante beleidsdocumenten. 3.1.1 De Nationale Omgevingsvisie Naar verwachting treedt vanaf 2022 de nieuwe Omgevingswet in werking. Daarbij hoort ook één rijksvisie op de leefomgeving: de Nationale Omgevingsvisie (hierna: NOVI). Met de NOVI, vastgesteld op 11 september 2020, geeft het Rijk een langetermijnvisie op de toekomstige inrichting en ontwikkeling van de leefomgeving in Nederland. De NOVI is zelfbindend voor het Rijk. De rijksoverheid zet er wel op in dat provincies en gemeenten bij het vaststellen van hun eigen omgevingsvisies rekening houden met wat er in de NOVI staat. De NOVI stelt een nieuwe aanpak voor: integraal, samen met andere overheden en maatschappelijke organisaties, en met meer regie vanuit het Rijk. De belangrijkste speerpunten uit de NOVI zijn:  Een klimaatbestendige inrichting van Nederland. Dat betekent dat we Nederland zo inrichten dat ons land de klimaatveranderingen aankan. Daarvoor is nodig dat we functies meer in evenwicht met natuurlijke systemen (bodem en water) inpassen. Een voorbeeld hiervan is het op termijn verhogen van grondwaterstanden in veenweidegebieden;  De verandering van de energievoorziening.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Roerdalen&id=266e9f5a-b620-47c5-ab46-0e1219471029