CConstaterende datRoerdalen
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 3: Bijlagen ruimtelijke onderbouwing - Verklaring van geen bedenkingen Zonnepark Kleine Bergerweg Sint Odiliënberg

Gemeenteraad 2 juli 2025, gemeente RoerdalenBij agendapunt: Verklaring van geen bedenkingen Zonnepark Kleine Bergerweg Sint Odiliënberg27.712 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 4

Instandhoudingsbeheer • Er wordt gefaseerd beheerd. Zo bloeit altijd een deel van de vegetatie waardoor langer nectar, stuifmeel voorradig is voor insecten en dekking voor vogels en kleine zoogdieren. • Bij een goed ontwikkelde kruidenrijke vegetatie 1 à 2 keer maaien en afvoeren per jaar (1 keer bij schrale grond / 2 keer als deze niet schraal is). • Als de vegetatie vergrast dan wordt er opnieuw bijgezaaid. • Waar ongewenste soorten domineren worden maatregelen genomen als extra maaien, uitsteken, wegbranden of behandelen met kokend water. • Een alternatief voor machinaal maaien is drukbegrazing, indien er een lokale schaapherder aanwezig is. Drukbegrazing houdt in dat schapen een paar keer per jaar, voor slecht een aantal dagen achtereen, op hetzelfde perceel grazen. Hierdoor ontstaat structuurvariatie in de vegetatie en kunnen bloemen tot bloei komen. • Solar Provider Group is voornemens om het kruidenrijk grasland door schapen te laten begrazen. Hiervoor zijn zij in contact met verschillende schapenherders om dit te organiseren. • Insecten profiteren van deze natuurlijke vorm van beheer. Tegelijkertijd geeft dit geen ruimte aan de ontwikkeling van ruigten met bramen en bomen en verschraalt de bodem, wat resulteert in ecologische waardevoller gevarieerd grasland.

Projectnummer: 203863 | 30 november ‘24 | Eelerwoude

Zonnepark Kleine Bergerweg Beplanting en beheer Bomenrij langs openbare weg

Langs de Kleine Bergerweg en de ‘s Heerenkampsweg de noordzijde van het plangebied zijn in aansluiting van de bestaande bomenrijen extra bomen aangeplant. Dit ter versterking van de landschapslijnen en voor de ecologische verbinding. Uit cultuurhistorisch oogpunt zijn dit landschappelijk wenselijke groenelementen die behoudenswaardig zijn.

Ned. naam

Wet. Naam

Winterlinde

Tillia cordata

Fladderiep

Ulmus laevis

Winterlindes - Kleine Bergerweg De bestaan de bomenrij bestaat uit esdoorns. Voor de diversiteit wordt deze rij aan de oostzijde aangevuld met een andere soort, de winterlinde (tilia cordata). Deze bomen worden met een onderlinge afstand van 10 meter aangeplant. De linde heeft een grote ecologische betekenis voor met name insecten en vogels. Fladderiep - s Heerenkampsweg Aan de noordewest zijde wordt ‘s Heerenkampsweg beplant met de Fladderiep (Ulmus laevis). Dit om weer een extra boomsoort toe te voegen. Deze bomenrij vormt samen met de bestaande esdoorns en de linden een gesloten rij die de twee bospartijen met elkaar verbindt. Ontwikkelings- en instandhoudingsbeheer • De bomen worden periodiek gesnoeid, minimaal eenmaal per 5 jaar. • Na het snoeien beslaat de blijvende kroon altijd minimaal twee derde van de totale lengte van de boom. • Snoeiwerkzaamheden worden alleen verricht in de periode tussen 15 juli en 15 maart.

Referentiebeeld lindes in een rij

Projectnummer: 203863 | 30 november ‘24 | Eelerwoude

Zonnepark Kleine Bergerweg Beplanting en beheer Wadi

De wadi wordt aan de zuidwestzijde behouden (zie blauwe cirkel). Dit is het laagst gelegen gedeelte van het plangebied. Deze wadi heeft een profiel met een flauwe oever zodat er veel gradiënten ontstaan. De verwachting is dat deze plek over het algemeen net wat natter is dan het overige gedeelte. Door hier wat te gaan verdiepen versterkt dit de verschillende gradiënten en hierdoor de diverse flora en fauna. Ontwikkelingsbeheer (jaar 0 t/m 2-4) Om de wadi open te houden en de gewenste vegetatiegroei te krijgen, is onderhoud van een natuurvriendelijke oever noodzakelijk. Het ontwikkelingsbeheer is er op gericht een geschikt milieu te scheppen voor het kiemen en vestigen van de gewenste plantengroei. • De eerste twee jaar kan de vegetatie met rust worden gelaten zodat de zaadbank zich goed kan ontwikkelen. • Opschot van jonge bomen verwijderen. Instandhoudingsbeheer (vanaf jaar 2-4) • Jaarlijks in het najaar de oever maaien. Hierbij minimaal 30% tot maximaal 75% van de oever maaien. • Bij zeer voedselrijke grond twee maal per jaar maaien. De extra maaibeurt vindt bij voorkeur vóór de zomer plaats.

Referentiebeeld wadi

Projectnummer: 203863 | 30 november ‘24 | Eelerwoude

Zonnepark Kleine Bergerweg Beplanting en beheer Herinrichting voor landbouwkundig gebruik

Het beleid op zonnepark steld dat naar 30 jaar het zonnepark weer ontmanteld moet worden en het terrein weer geschikt gemaakt wordt tot landbouwperceel. Daarbij worden verschillende landschappelijke elementen van de inpassing van het zonnepark behouden. De rest van het plangebied kan weer geschiktgemaakt worden voor landbouwkundig gebruik. Bij de keuze voor het behoud van landschappelijke elementen uit de inpassing is er gekeken naar welke elementen belangrijke ecologische verbindingen vormen met de omgeving, het toekomstige landbouwkundige gebruik van de kavels en welke elementen uit cultuurhistorisch oogpunt de meeste waarde vertegenwoordigen voor het landschap. hierin is vooral de kenmerkende blokverkaveling in het gebied leidend. De bruine vlakken geven de oppervlaktes weer die weer in landbouwkundig gebruik genomen kunnen worden.

Projectnummer: 203863 | 30 november ‘24 | Eelerwoude

Zonnepark Kleine Bergerweg Beplanting en beheer Totaal overzicht

In deze kaart zijn alle elementen bij elkaar weergegeven. Zo is goed te zien dat er een robuuste groene omzoming blijft bestaan, waarbij duidelijke en werkbare landbouwkundige percelen aanwezig zijn die aansluiten op de landschappelijke structuur van het landschap. Te weten: Lichtgroen vlak: kruidenrijk grasland Bruin vlak: Landbouwgrond Donkergroen vlak: Heestergroepen Groene bollen: Bomenrij Groene lijn: Landschappelijke haag Blauwe circel: Poel

Projectnummer: 203863 | 30 november ‘24 | Eelerwoude

Quickscan Wet natuurbescherming Zonneveld Kleine Bergerweg

Opdrachtgever: SP Development Europe B.V. G. Overbeke Europalaan 40 3526 KS Utrecht

Opdrachtnemer: Eelerwoude Onze vestigingen 088-1471100 info@eelerwoude.nl www.eelerwoude.nl

Projectgegevens: Projectnummer: Datum: Aanvulling: Projectleider: Opgesteld: Gecontroleerd: Status:

203882 6-9-2024 15-8-2024 T. Rood J. Blankestijn N. Otten Definitief

© 2024 Eelerwoude Dit rapport is enkelzijdig opgemaakt.

Inhoudsopgave 1

Aanleiding .................................................................................................................................................. 4

2

Huidige situatie en ontwikkeling ................................................................................................................ 5

2.1

Huidige situatie .......................................................................................................................................5

2.2

Voorgenomen ontwikkeling ...................................................................................................................7

3

Natuurwetgeving en -beleid ...................................................................................................................... 8

3.1

Inleiding ..................................................................................................................................................8

3.2

Bescherming van soorten .......................................................................................................................8

3.3

Bescherming van gebieden .....................................................................................................................8

3.4

Bescherming van houtopstanden ...........................................................................................................9

3.5

Natuurnetwerk Nederland .....................................................................................................................9

4

Methode .................................................................................................................................................. 11

4.1

Inleiding ................................................................................................................................................11

4.2

Bureauonderzoek .................................................................................................................................11

4.3

Terreinbezoek .......................................................................................................................................11

5

Beschermde soorten ................................................................................................................................ 12

5.1

Inleiding ................................................................................................................................................12

5.2

Planten..................................................................................................................................................12

5.3

Zoogdieren ............................................................................................................................................12

5.4

Vogels ...................................................................................................................................................17

5.5

Reptielen...............................................................................................................................................20

5.6

Amfibieën .............................................................................................................................................20

5.7

Vissen ....................................................................................................................................................20

5.8

Ongewervelden ....................................................................................................................................21

6

Conclusie .................................................................................................................................................. 22

6.1

Beschermde soorten.............................................................................................................................22

6.2

Bescherming gebieden .........................................................................................................................23

6.3

Bescherming houtopstanden ...............................................................................................................23

6.4

Natuurnetwerk Nederland ...................................................................................................................23

6.5

Uitvoerbaarheid van de plannen ..........................................................................................................23

6.6

Geldigheid rapportage ..........................................................................................................................24

7

Literatuurlijst ............................................................................................................................................ 25

Bijlage 1 Wettelijk kader natuurwetgeving ........................................................................................................... 26

Zonneveld Kleine Bergerweg| Eelerwoude | 3

1 Aanleiding De opdrachtgever is voornemens een zonnepark te ontwikkelen op een aantal landbouwpercelen gelegen in de gemeente Roerdalen ten zuidoosten van de A73 direct ten westen van Sint Odiliënberg (Afbeelding 1). In verband met deze voorgenomen ontwikkeling is een toetsing van de plannen aan de natuurwetgeving en het natuurbeleid noodzakelijk. Met deze toetsing moet duidelijk worden hoe de ontwikkeling gerealiseerd kan worden binnen de kaders van de natuurbescherming. Eerste stap in deze toetsing is het uitvoeren van een verkennend onderzoek. Op basis van een bureauonderzoek en een veldbezoek wordt aan de hand van aanwezige terreintypen en toevallige waarnemingen van soorten zo goed mogelijk ingeschat welke beschermde gebieden en plant- en diersoorten aanwezig (kunnen) zijn. Op basis daarvan worden uitspraken gedaan over de (mogelijke) effecten van de voorgenomen ontwikkeling en de eventueel noodzakelijke vervolgstappen. Voorliggende rapportage gaat hier verder op in.

Afbeelding 1: Begrenzing plangebied in roze kader (Esri).

Zonneveld Kleine Bergerweg| Eelerwoude | 4

2 Huidige situatie en ontwikkeling 2.1 Huidige situatie Het plangebied ligt in de provincie Limburg, ten zuiden van Roermond en valt binnen de gemeente Roerdalen. Het plangebied ligt achteraf in het buitengebied met in de omgeving een afwisseling van bossen, bosschages, lanen en landbouwpercelen. Hierbij bestaat het grotendeel uit uitgestrekte landbouwpercelen. Het plangebied zelf bestaat uit landbouwpercelen. Daarnaast is een bosstrook aanwezig welke een scheiding maakt tussen twee percelen, welke geen onderdeel uitmaakt van het plangebied. Deze dichte strook bestaat uit berken en fijnsparren met een ondergroei van braam en gewone vlier. De landbouwpercelen waren tijdens het veldbezoek recent bewerkt waardoor er geen begroeiing of gewassen op stonden met uitzondering van een enkel perceel welke bestond uit Engels raaigras.

Afbeelding 2a. Impressie plangebied, situatie op 04/03/2022.

Zonneveld Kleine Bergerweg| Eelerwoude | 5

Afbeelding 2b. Impressie plangebied, situatie op 04/03/2022.

Zonneveld Kleine Bergerweg| Eelerwoude | 6

2.2 Voorgenomen ontwikkeling De opdrachtgever is voornemens op de landbouwpercelen een natuurinclusief zonnepark te ontwikkelen. Hiervoor is door Eelerwoude een landschapsplan ontworpen met een natuurinclusieve indeling. Deze is hieronder weergeven (Afbeelding 3). Bij dit ontwerp is vanaf het begin een ecoloog betrokken en is er intensief overleg geweest over de aangetroffen natuurwaarden. Deze worden in hoofdstuk 5 verder besproken. Daarnaast zijn ook de omwonende betrokken geweest in de planvorming. Resultaat hiervan zijn een aantal zones en maatregelen die worden getroffen. Er worden een tweetal zones aangelegd specifiek voor de das. En een tweetal zones voor akker en weidevogel. De rode lijn die het midden van het plangebied doorkruist is een doorsteek welke open blijft voor mogelijke migratie. Daarnaast wordt nog een dassentunnel gerealiseerd, een bijenhotel, een wadi en een gradiënten-zone. Rondom het park worden op een aantal delen nog een landschappelijke haag gerealiseerd en bomen aangeplant in de vorm van winterlindes en (fladder)iepen.

Afbeelding 3. Schetsontwerp zonnepark kleine bergerweg (Eelerwoude, juli 2024).

Zonneveld Kleine Bergerweg| Eelerwoude | 7

3 Natuurwetgeving en -beleid 3.1 Inleiding De Wet natuurbescherming bestaat uit drie onderdelen: de bescherming van soorten, de bescherming van gebieden en de bescherming van houtopstanden. De kern van het natuurbeleid wordt gevormd door het Natuurnetwerk Nederland, dat een samenhangend netwerk vormt van natuurgebieden. De provincies zijn het bevoegd gezag. Alleen in een aantal situaties, zoals bij ruimtelijke ingrepen waarmee grote nationale belangen zijn gemoeid, is het Rijk het bevoegd gezag. In dit hoofdstuk wordt kort ingegaan op de relevante wetgeving en het natuurbeleid voor het plangebied.

3.2 Bescherming van soorten Het uitgangspunt bij het onderdeel soortenbescherming is dat geen schade mag worden toegebracht aan beschermde dieren of planten. De wet kent een drietal beschermingsregimes; beschermingsregime soorten Vogelrichtlijn, beschermingsregime soorten Habitatrichtlijn en beschermingsregime “andere soorten”. Elk beschermingsregime heeft zijn eigen verbodsbepalingen. Voor ieder ruimtelijk plan of ruimtelijke ontwikkeling is het verplicht om te toetsen of deze kan leiden tot overtreding van de betreffende verbodsbepalingen. Wanneer sprake is of kan zijn van een overtreding, dan dient er onderzocht te worden of een vrijstelling geldt. Indien er geen vrijstelling geldt, kan het aanvragen van een ontheffing noodzakelijk zijn. Bijlage 1 gaat verder in op het wettelijk kader bij toetsing aan de Wet natuurbescherming, onderdeel soortenbescherming. Gevolgen plangebied De Wet natuurbescherming is een nationale wet. Indien negatieve effecten worden verwacht door activiteiten of ontwikkelingen is een toetsing aan de Wet natuurbescherming noodzakelijk. In hoofdstuk 5 wordt verder ingegaan op de aanwezigheid van beschermde soorten en welke effecten de voorgenomen ontwikkeling heeft op deze soorten.

3.3 Bescherming van gebieden Met het onderdeel gebiedsbescherming worden binnen de Wet natuurbescherming de Natura 2000-gebieden beschermd. Natura 2000 is een samenhangend netwerk van natuurgebieden in Europa. Natura 2000 bestaat uit gebieden die zijn aangewezen in het kader van de Europese Vogelrichtlijn (79/409/EEG) en gebieden die zijn aangemeld op grond van de Europese Habitatrichtlijn (92/43/EEG). Voor alle gebieden gelden instandhoudingsdoelstellingen. De kern van de bescherming is dat deze instandhoudingsdoelstellingen niet in gevaar mogen worden gebracht. Activiteiten mogen geen negatieve effecten hebben op de waarden waarvoor het gebied is aangewezen. Voor activiteiten of projecten die schadelijk zijn voor de beschermde natuur geldt een vergunningplicht. Hierdoor is in Nederland een zorgvuldige afweging gegarandeerd bij projecten die gevolgen kunnen hebben voor natuurgebieden.

Zonneveld Kleine Bergerweg| Eelerwoude | 8

Gevolgen plangebied Niet stikstof-gerelateerde effecten: In de directe omgeving van het plangebied liggen diverse Natura 2000-gebieden. Op ongeveer 1,5 km afstand ligt het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied; Roerdal. De aard van de voorgenomen werkzaamheden en ontwikkeling maken dat de effecten uitsluitend tot het plangebied of in de zeer directe zone eromheen beperkt blijven. Gezien de afstand tot de Natura 2000-gebieden, de invulling van de tussenliggende gebieden en de voorgenomen werkzaamheden is er geen sprake van mogelijk negatieve effecten op de instandhoudingsdoelstellingen van het Natura 2000-gebied. Een toetsing op grond van de Wet natuurbescherming van niet stikstof-gerelateerde effecten wordt daarom niet noodzakelijk geacht. Stikstof-gerelateerde effecten Na 2 november 2022 is de aanlegfase voor projecten niet meer vrijgesteld. Hierdoor is het noodzakelijk een stikstofberekening te doen voor de aanleg van het zonnepark. Het in gebruik nemen van het zonnepark brengt (extra)verkeersbewegingen naar en van de locatie voor beheer en onderhoud. Deze uitstoot maakt geen onderdeel uit van een tijdelijk project. Of deze een significante stikstofdepositie veroorzaken dient berekend te worden middels een stikstofberekening in het programma AERIUS-Calculator. De uitwerking van deze berekening maakt geen onderdeel uit van deze rapportage.

3.4 Bescherming van houtopstanden Het kappen of rooien van bomen is niet zomaar toegestaan in de Wet natuurbescherming. Dit geldt ook bij het rooien of het verrichten van handelingen die de dood of ernstige beschadiging van bomen tot gevolg hebben. Hieronder valt ook beschadiging door vee. Onder bos wordt verstaan: • alleen bossen die buiten de ‘bebouwde kom Boswet’ liggen; • alle beplantingen van bomen die groter zijn dan 10 are (1.000 m2); • bomen in een rijbeplanting, als de rij uit meer dan 20 bomen bestaat. Gevolgen plangebied Er worden binnen het plangebied geen bomen gekapt. Een nadere toetsing van houtopstanden is daarom niet noodzakelijk.

3.5 Natuurnetwerk Nederland Het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is het Nederlands netwerk van bestaande en nieuw aan te leggen natuurgebieden. Het netwerk moet natuurgebieden beter met elkaar en met het omringende agrarisch gebied verbinden. Dit Natuurnetwerk is de kern van het Nederlandse natuurbeleid. De provincies zijn verantwoordelijk voor de begrenzing en de ontwikkeling van het Natuurnetwerk en hebben hiervoor soms een andere benaming. In of in de directe nabijheid van het NNN geldt het ‘nee, tenzij’- principe. In principe zijn geen ontwikkelingen toegestaan als zij de wezenlijke kenmerken of waarden van het gebied aantasten. Een toetsing aan het natuurbeleid is alleen noodzakelijk als de ontwikkeling in strijd is met het bestemmingsplan. Daarnaast moet het plangebied in het NNN of een andere door de provincie beschermde natuurzone liggen. In een aantal provincies kent het natuurbeleid externe werking. Dit betekent dat in die provincie bij een ontwikkeling waarvoor een bestemmingsplanwijziging noodzakelijk is altijd een toetsing aan het natuurbeleid moet worden uitgevoerd.

Zonneveld Kleine Bergerweg| Eelerwoude | 9

Gevolgen plangebied De ontwikkeling is in strijd met het bestemmingsplan, maar het plangebied ligt niet binnen het NNN. Binnen de provincie Limburg is ook geen sprake van een externe werking. Een toetsing aan het natuurbeleid is daarom niet noodzakelijk.

Zonneveld Kleine Bergerweg| Eelerwoude | 10

4 Methode 4.1 Inleiding De aanwezige natuurwaarden zijn in beeld gebracht op basis van bestaande inventarisatiegegevens en een verkennend veldbezoek.

4.2 Bureauonderzoek Voor het bureauonderzoek is (indien beschikbaar) gebruikgemaakt van landelijke, provinciale en regionale verspreidingsinformatie: • NDFF (Nationale Databank Flora en Fauna);

4.3 Terreinbezoek Op basis van een éénmalig veldbezoek is de geschiktheid van het onderzoeksgebied voor de verwachte soorten en/of soortgroepen beoordeeld. Het veldbezoek is overdag door J. Loeffen uitgevoerd, ecologisch adviseur bij Eelerwoude (Kader – Ecologisch deskundige). Het veldbezoek is uitgevoerd op 04/03/2022 bij 8°C, onbewolkt weer en windkracht 1-2 Bft. Het gaat hier om een deskundigenoordeel op basis van de fysieke gesteldheid van het terrein (biotopenonderzoek). Daarnaast zijn de aangetroffen belangwekkende soorten genoteerd. Op 24 mei 2023 is opnieuw een veldbezoek gebracht aan de burcht om na te gaan of de situatie gelijk is gebleven en om na te gaan of sprake is van activiteit van das in of rond het plangebied. Ten opzicht van eerdere bevindingen (maart 2022) waren er nieuwe pijpen waargenomen (zie 5.3.2.). Tot slot is op 24 mei 2024 een veldbezoek uitgevoerd naar de ligging van burchten in de omgeving en controle naar de aanwezigheid van oehoe. Ook is een bezoek gebracht aan de burcht in het plangebied om na te gaan of de situatie is gewijzigd. Kader – Ecologisch deskundige De veldmedewerkers van Eelerwoude beschikken over een uitgebreide ervaring met de betreffende soortgroepen en voldoen aan de criteria van ‘ecologisch deskundige’.

Met een ecologisch deskundige wordt bedoeld een persoon die voor de situatie en soorten ten aanzien waarvan hij of zij gevraagd is te adviseren en/of te begeleiden, aantoonbare ervaring en kennis heeft op het gebied van soortspecifieke ecologie. De ervaring en kennis dienen te zijn opgedaan doordat de deskundige:

• •

op HBO- dan wel universitair niveau een opleiding heeft genoten met als zwaartepunt (Nederlandse) ecologie; en/of op MBO-niveau een opleiding heeft afgerond met als zwaartepunt de Wet natuurbescherming, soortenherkenning en zorgvuldig handelen ten opzichte van die soorten; en/of

•

als ecoloog werkzaam is voor een ecologisch adviesbureau, zoals bijvoorbeeld een bureau welke is aangesloten bij het Netwerk Groene Bureaus; en/of

•

zich aantoonbaar actief inzet op het gebied van de soortenbescherming en is aangesloten bij en werkzaam voor de daarvoor in Nederland bestaande organisaties (zoals bijvoorbeeld Zoogdiervereniging, RAVON, Stichting Das en Boom, Vogelbescherming Nederland, Vlinderstichting, Natuurhistorisch Genootschap, KNNV, NJN, IVN EIS Nederland, FLORON, SOVON, STONE, Staatsbosbeheer, Natuurmonumenten, De Landschappen en Stichting Beheer Natuur en Landelijk Gebied; en/of

•

zich aantoonbaar actief inzet op het gebied van de soortenmonitoring en/of -bescherming.

Zonneveld Kleine Bergerweg| Eelerwoude | 11

5 Beschermde soorten 5.1 Inleiding Dit hoofdstuk beschrijft de tijdens het veldbezoek waargenomen soorten, al dan niet aangevuld met gegevens uit de literatuur en andere informatiebronnen. Vervolgens worden eventuele effecten beschreven als gevolg van de voorgenomen ontwikkeling.

5.2 Planten Voorkomen en functie Er zijn tijdens het veldbezoek geen beschermde plantensoorten aangetroffen. Tijdens het veldbezoek is een deskundigenbeoordeling van de potentiële aanwezigheid van beschermde planten in het plangebied uitgevoerd op basis van een biotoopanalyse. Gelet op de aanwezige terreintypen, het beheer en de functie van het plangebied (agrarisch) is het onwaarschijnlijk dat binnen het plangebied beschermde plantensoorten voorkomen. Alle beschermde plantensoorten zijn zeer zeldzaam en komen uitsluitend voor in zeer specifieke biotopen als hoogvenen, kalkgraslanden, eeuwenoude muren en voedselarme wateren. Effecten en ontheffing In het plangebied zijn geen beschermde plantensoorten aangetroffen. Deze worden op basis van het aanwezige biotoop uitgesloten, waardoor geen sprake is van negatieve effecten op beschermde planten. Nader onderzoek of een ontheffing Wet natuurbescherming is niet aan de orde. Conclusie: nader onderzoek of het aanvragen van een ontheffing is in het kader van de Wet natuurbescherming voor beschermde planten niet noodzakelijk.

5.3 Zoogdieren 5.3.1 Vleermuizen Voorkomen en functie In het plangebied is tijdens het dagbezoek beoordeeld of de locatie geschikt is voor vleermuizen. Hierbij is onderscheid gemaakt in: verblijfplaats, vliegroute en foerageergebied. In het plangebied kunnen de volgende vleermuissoorten voorkomen: gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis, rosse vleermuis, laatvlieger, watervleermuis, gewone grootoorvleermuis, en mogelijk ook franjestaart. Verblijfplaatsen Vleermuizen maken gedurende het jaar gebruik van een netwerk van vaste rust- en verblijfplaatsen (Kader Vleermuisverblijfplaatsen). Deze verblijfplaatsen kunnen de volgende functies hebben: • kraamverblijfplaats; • zomerverblijfplaats; • paar- en/of baltsverblijfplaats; • winterverblijfplaats.

Zonneveld Kleine Bergerweg| Eelerwoude | 12

Kader - Vleermuisverblijfplaatsen Onder de vleermuizen zijn gebouw bewonende en/of boom bewonende soorten aanwezig. Gewone dwergvleermuis en laatvlieger zijn hoofdzakelijk gebouw bewonend. Rosse vleermuis en watervleermuis zijn voornamelijk boom bewonende en gewone grootoorvleermuis, franjestaart en ruige dwergvleermuis bewonen zowel bomen als gebouwen. Voorbeelden van verblijfplaatsen in gebouwen zijn ruimtes in spouwmuren en achter boeiboorden en gevelbetimmering. Holten en spleten in bomen en ruimtes achter loszittend schors zijn voorbeelden van verblijfplaatsen in bomen. Vanuit de verschillende functies van de verblijfplaats worden weer andere eisen gesteld aan bijvoorbeeld het klimaat, de toegankelijkheid en de expositie van het verblijf ten opzichte van de zon. Als kraamverblijfplaats worden meestal gebouwen en/of bomen uitgekozen waarbinnen een constant klimaat heerst. Bij gebouwen zijn dit voornamelijk woningen met een spouwmuur of een geïsoleerd dak. Sommige vleermuizen hebben aan een opening van 1-2 cm voldoende om naar binnen te kruipen. Bij bomen gaat het meestal om dikke, oude bomen met een dikke restwand.

In het plangebied zijn geen gebouwen aanwezig. In het plangebied zijn dan ook geen verblijfplaatsen van gebouw bewonende vleermuizen aanwezig. Wel komt binnen het gebied beplanting voor, een aantal ook van omvang die potentie bieden als verblijfplaats voor boombewonende vleermuizen. Er worden echter geen bomen gekapt. Potentiële verblijfplaatsen blijven daardoor te allen tijde behouden; voor, tijdens en na de ontwikkeling. Foerageergebieden en vliegroutes De randen van het plangebied zijn geschikt als foerageergebied voor vleermuizen (Kader – Foerageergebied en vliegroute). Grote delen van het plangebied zelf en de omgeving zijn hiervoor niet/minder geschikt. Dit komt door de openheid van het terrein. Vleermuizen foerageren bij voorkeur in luwe zones langs beplanting. Vleermuizen gebruiken lijnvormige elementen om zich langs te verplaatsen, zoals houtsingels, welke als vliegroute kan dienen. Het is mogelijk dat de beplantingen binnen en rondom het plangebied onderdeel uitmaken van een vliegroute. Kader - Foerageergebieden en vliegroutes Foerageergebieden en vliegroutes van vleermuizen zijn beschermd indien bij het verdwijnen ook een verblijfplaats ongeschikt wordt. Bijvoorbeeld door het onderbreken van een vliegroute wordt een foerageergebied onbereikbaar, waardoor de vleermuizen onvoldoende voedsel kunnen vinden.

Bij het verdwijnen van foerageergebieden of vliegroutes wordt derhalve onderzocht of er voldoende bereikbare alternatieven zijn. Vleermuizen maken gebruik van lijnvormige landschapselementen zoals bomenrijen en singels om zich langs te verplaatsen. Een aaneengesloten kronendak heeft hierbij de voorkeur. Van vleermuizen is bekend dat onderbrekingen in de lijnstructuur maximaal 100 tot 200 meter mogen bedragen (kleinere en langzaam vliegende soorten 50 meter). Wanneer de onderbrekingen groter zijn dan deze afstand kunnen sommige soorten deze afstand niet overbruggen en zullen ze uitwijken naar alternatieve vliegroutes en foerageergebieden.

Effecten en ontheffing Verblijfplaatsen Verblijfplaatsen van vleermuizen in gebouwen zijn niet aanwezig doordat deze ontbreken. Mogelijk zijn binnen het plangebied wel verblijfplaatsen van vleermuizen aanwezig binnen of rondom het plangebied in de hier aanwezige bomen. Deze blijven behouden bij de ontwikkeling van een zonnepark. Nader onderzoek of het aanvragen van een ontheffing in het kader van de Wet natuurbescherming is dan ook niet aan de orde. Het plangebied wordt mogelijk door meerdere vleermuissoorten gebruikt als foerageergebied en/of vliegroute. Doordat bestaande lijnstructuren behouden blijven en er geen bomen worden gekapt, blijven eventuele vliegroutes en foerageergebied behouden.

Zonneveld Kleine Bergerweg| Eelerwoude | 13

Conclusie: nader onderzoek of het aanvragen van een ontheffing is in het kader van de Wet natuurbescherming voor beschermde vleermuizen niet noodzakelijk.

5.3.2 Grondgebonden zoogdieren Voorkomen en functie Soorten waarvoor een provinciale vrijstelling geldt Op basis van het aanwezige biotoop, sporen, literatuurgegevens en expertise zijn onder andere de volgende algemeen voorkomende zoogdieren binnen het plangebied aanwezig of te verwachten: ree, haas, konijn, egel en diverse algemene muizen en spitsmuizen. Deze soorten kunnen het plangebied gebruiken als (onderdeel van hun) leef- en foerageergebied. Daarnaast maken een aantal van het plangebied gebruik als migratieroute. Soorten waarvoor geen provinciale vrijstelling geldt Beschermde soorten waarvoor geen vrijstelling geldt, zoals das en wild zwijn, of gedeeltelijk een vrijstelling geldt zoals eekhoorn en steenmarter, worden wel in het plangebied verwacht. Das Burchten van dassen liggen vaak in een bosrand of in een houtwal of singel, in de buurt van een weiland of akkerland. Het voedselaanbod voor das is vooral op bemeste grasweiden (regenwormen) en in maïsakkers (maïskolven) van het agrarische gebied te vinden. Met name maisvelden zijn, voor een bepaald deel van het jaar, geschikt en van belang voor het opbouwen van een vetlaag om de winterperiode mee door te komen. Het plangebied bestaat uit agrarische percelen waar afwisselend aardappelen, tarwe, bieten, rogge, gerst en groenten worden geteeld (Boerenbunder).

In de omgeving van het plangebied is het voorkomen van das bekend (NDFF, 2018 – 2022). Rond het plangebied bevinden zich bosstroken waar das mogelijk gebruik van maakt. Tijdens het veldbezoek in 2022 en 2023 zijn aan de zuidwestkant van het plangebied, in de bosstrook welke een splitsing vormt tussen een landbouwperceel (afbeelding 4), sporen aangetroffen van das. Gezien de grootte gaat waarschijnlijk om een (bij)burcht. Echter, met het veldbezoek op 24 mei 2024 is gezien dat de burcht is gegroeid: er zijn 7 pijpen waargenomen in plaats van 3. Gezien de omvang en groei kan de burcht ook een functie hebben als kraamburcht.

Zonneveld Kleine Bergerweg| Eelerwoude | 14

Afbeelding 4: Locatie dassenburcht binnen het plangebied (links) en foto van een dassenpijp welke is aangetroffen binnen het plangebied op 04/03/2022 (rechts).

Wild zwijn Wild zwijn is een schemer- en nachtdier en is niet territoriaal. Wild zwijn rust overdag in dichte dekking, bij voorkeur in droge, jonge ongedunde naaldhoutaanplant. Daar bouwt hij een dagrustplaats of ‘ketel’; een uitholling in de bodem die ze in de bladlaag of in de kale grond uitschrapen en soms bedekken met takken. Wild zwijn is een alleseter. Hij eet voornamelijk plantaardig voedsel zoals eikels, kastanjes, gras, knollen, wortels en truffels, vruchten, bessen en groene plantendelen. Maar ook dierlijk voedsel zoals aas, regenwormen, insectenlarven, amfibieën, vogels en kleine knaagdieren. In de omgeving van het plangebied is het voorkomen van wild zwijn bekend (NDFF, 2018 – 2022). Tijdens het veldbezoek zijn geen dagrustplaatsen of ‘ketels’ in het plangebied aangetroffen. Het groen rond het plangebied en de percelen met verschillende gewassen maken mogelijk wel deel uit van leefgebied, zoals foerageergebied en migratieroute. Steenmarter Steenmarter maakt voor diens verblijfplaats gebruik van oudere, open schuren, daken of zolders, boomholten of holten in de grond en/of houtstapels. De dieren hebben in provincie Limburg een gedeeltelijke vrijstelling. Dat houdt in dat zij alleen in de periode 15 augustus tot en met februari zijn vrijgesteld. Deze periode valt buiten de kwetsbare voortplantingsperiode.

In de omgeving van het plangebied is het voorkomen van steenmarter bekend (NDFF, 2022). Van de steenmarter zijn geen sporen aangetroffen die duiden op een verblijfplaats. Er bevindt zich geen bebouwing zoals oude schuren of zolder binnen het plangebied en er zijn ook geen verblijfplaatsen aangetroffen in de beboste delen in bijvoorbeeld takkenhopen of zeer dichte struwelen. Eekhoorn Eekhoorns komen voor in loofbos, naaldbos of gemengd bos maar ook in tuinen, parken en houtwallen in de buurt van bos. Hun voedsel bestaat hoofdzakelijk uit boomzaden zoals eikels, noten en kegels van naaldbomen. Ook eten ze als aanvulling daarop (afhankelijk van het jaargetijde) knoppen, bladeren, bessen, schors, Zonneveld Kleine Bergerweg| Eelerwoude | 15

paddenstoelen, rupsen, vogeleieren en jonge vogels. Eekhoorns maken bolvormige nesten in bomen, op minstens 5 meter hoogte, voorkeur voor hoog in de boomtoppen. De dieren hebben in provincie Limburg een gedeeltelijke vrijstelling. Dat houdt in dat zij alleen in de periode maart - april en juli tot en met november zijn vrijgesteld. Deze periode valt buiten de voortplantingsperiode. In de omgeving van het plangebied is het voorkomen van eekhoorn bekend (NDFF, 2018 – 2019). Van de eekhoorn zijn verblijfplaatsen in de vorm van nesten niet waargenomen aan de randen van het plangebied. Effecten en ontheffing Soorten waarvoor een provinciale vrijstelling geldt De ingreep zal naar verwachting leiden tot een beperkt en vooral tijdelijk verlies van leefgebied van de genoemde (algemeen) voorkomende zoogdieren met het beschermingsregime “andere soorten”. Voor deze beschermde soorten is bij een ruimtelijke inrichting door de provincie Limburg een vrijstelling van de ontheffingsplicht opgesteld. Soorten waarvoor geen provinciale vrijstelling geldt Soorten waarvoor geen vrijstelling geldt, wild zwijn, of een gedeeltelijke vrijstelling, steenmarter en eekhoorn, geldt dat (dag)verblijfplaatsen of indicaties van verblijfplaatsen (latrines, nesten) niet zijn waargenomen binnen of rondom het plangebied. Het plangebied kan wel onderdeel uitmaken van het leefgebied van deze soorten.

Echter, er is geen sprake van een essentiële functie doordat in het plangebied zelf weinig voedselaanbod is door de wissel teelt en in de directe omgeving voldoende, geschikt voedsel aanwezig is. Nader onderzoek of het aanvragen van een ontheffing is dan ook niet aan de orde. Das In de bosstrook aan de westkant van het plangebied is burcht aanwezig van hoogstwaarschijnlijk das. De burcht blijft behouden evenals de bosstrook waar deze burcht zich in bevindt. Om aantasting te voorkomen worden binnen 20 meter van de burcht geen werkzaamheden uitgevoerd, zowel niet bovengronds als ondergronds. Voor werkzaamheden tussen 20 en 200 meter (Kennisdocument Das, 2017) van de dichtstbijzijnde ingang van de burcht geldt: • Er vindt een ecologische check plaats voorafgaand aan de werkzaamheden (eventueel intekenen nieuwe dassenpijpen/wissels). • Werkzaamheden mogen alleen plaatsvinden tussen zonsopkomst en zonsondergang. • Werkzaamheden dienen zo kort mogelijk te duren. • Als het bij de uitvoering van de werkzaamheden nodig is om een burcht visueel te markeren, bijvoorbeeld met linten, dan kan dit zo kort mogelijk voor aanvang van de werkzaamheden worden gedaan en zo spoedig mogelijk na voltooiing van de werkzaamheden ongedaan worden gemaakt. Ook kan een markering buiten een straal van 20 meter van de burcht worden aangebracht.

• Vegetatiestructuur en bodem zo veel als mogelijk ontzien tijdens de activiteit of werkzaamheden (zoveel mogelijk werken met rijplaten). • Voor zonsondergang, maar niet later dan 19.00 uur, de menselijke activiteiten afronden zodat wissels weer toegankelijk zijn, afval is opgeruimd en gebruikte machines en voertuigen uit het gebied zijn verwijderd. Overige richtlijnen: • Werken met ecologisch werkprotocol. Dit ecologisch werkprotocol wordt apart van deze rapportage opgesteld. • Ecologische begeleiding bij werkzaamheden; ecologische begeleiding bestaat uit een startoverleg met de aannemers, het markeren van de oude en eventuele nieuwe dassenpijpen en tussentijdse controles. • Het nieuw te realiseren zonnepark dient volledig toegankelijk te zijn voor de das om wissels niet ongeschikt te maken. Toegang tot dit park voor de das moet worden opgenomen in het definitieve inrichtingsplan. Zonneveld Kleine Bergerweg| Eelerwoude | 16

•

Alle maatregelen moeten worden opgenomen in een ecologisch werkprotocol en er dient voor de werkzaamheden bepaald te worden of de kwetsbare periode van de das voorbij is, door een ter zake deskundige. Dit kan door wildcamera’s op te hangen voor het gebruik van de burcht en om te bepalen of de jongen zijn opgegroeid.

Voor de das maakt het plangebied ook onderdeel uit van foerageergebied. Dit betreft geen essentieel leefgebied gezien het aanbod en de afwisseling van agrarische gronden en boselementen in de nabije omgeving. Bij de inrichting van het plangebied wordt rekening gehouden met de biodiversiteit door stroken kruidenrijk grasland te ontwikkelen en een patrijsakker met keverbank. Doordat het stapelvoedsel van dassen bestaat uit regenwormen welke zij halen uit kort gemaaid (5 cm hoog) gras dat wordt bemest, zal een das minder profiteren van een dergelijke inrichting. Echter, bij vorst en zeer hete dagen trekken regenwormen zich terug waardoor zij voor dassen moeilijk tot niet bereikbaar zijn. De kruidenrijke graslanden bieden op die momenten meer voedsel voor de das in de vorm van kevers, en dragen bij aan het voedselaanbod. Optimaal foerageergebied dat bestaat uit kort gemaaid gras of goed vergraafbare grond blijft meer dan voldoende aanwezig in de omliggende percelen. Daarnaast foerageren dassen van 1,5 tot 12 km nabij de burcht. Het is hierbij belangrijk dat het zonnepark geen obstakel wordt die toegang tot omliggende percelen verhinderd of bemoeilijkt waardoor dassen ver moeten omlopen. Om de toegang tot omliggend foerageergebied niet te verhinderen en de das hier vrije mogelijkheid geeft om naar toe te migreren wordt het ontwerp hiervoor aangepast.

Deze punten staan hieronder beschreven. Ontwerpaanpassingen Het ontwerp is in meerdere overleggen afgestemd om de das niet te verstoren in de nieuwe situatie. Op advies van diverse ecologen van Eelerwoude zijn de volgende uitgangspunten meegenomen in het ontwerp: • Er moet rondom de dassenburcht een strook komen waarin geen ontwikkelingen worden gerealiseerd. In het ontwerp is deze aan de noord- en zuidzijde aanwezig. Daarnaast moet het park toegankelijk worden gemaakt voor de das. Dit biedt de das ruimte om te migreren en nabij de burcht rust te ondervinden. In het ontwerp wordt er om de 50 meter een doorsteek in het hek gemaakt waardoor de das toegang heeft tot het park. • In de NDFF is het merendeel van de waarnemingen van dode/ aangereden dieren. Hiervoor wordt een dassentunnel gerealiseerd om het veiliger te maken voor de das. De doorsnee van deze tunnel is minimaal 40 cm. • Door het park loopt een doorsteek waar geen panelen voorkomen. Dit zorgt voor een open migratieroute voor de das maar ook overige soorten, en verbindt de noordelijke gelegen gebieden met de zuidelijke. Omdat met het ontwerp en de uitvoering van de werkzaamheden voldoende rekening wordt gehouden met das is nader onderzoek of een ontheffing in het kader van de Wet natuurbescherming niet aan de orde. Met de

bovenstaande maatregelen blijf de dassenburcht behouden, blijft er voldoende foerageergebied beschikbaar, en blijft toegang tot deze omliggende gebieden behouden. Wissels worden niet aangetast doordat het park vrij toegankelijk wordt gemaakt voor de das. Hiernaast wordt alles vastgelegd in een ecologisch werkprotocol en zal er begeleiding plaatsvinden mits er onvoorziene zaken zich voordoen. Conclusie: Mits genoemde voorwaarden worden gehandhaafd, is nader onderzoek niet noodzakelijk.

5.4 Vogels Voorkomen en functie Alle vogels zijn als soort beschermd in de Wet natuurbescherming. Onderscheid wordt gemaakt tussen vogels met jaarrond beschermde nesten, vogels met jaarrond beschermde functionele leefomgeving en overige (broed)vogels.

Zonneveld Kleine Bergerweg| Eelerwoude | 17

Onder de vogels met jaarrond beschermde nesten vallen onder andere soorten die hun nesten ook buiten het broedseizoen gebruiken, soorten die elk jaar op dezelfde plaats broeden en daarin zeer honkvast zijn en soorten die steeds van hetzelfde nest gebruik maken en niet of nauwelijks zelf een nest kunnen bouwen. Onder de vogels met jaarrond beschermde leefomgeving vallen soorten die weliswaar vaak terugkeren naar de plaats die zij het jaar daarvoor hebben gebruikt of de directe omgeving daarvan, maar die wel over voldoende flexibiliteit beschikken om, als de broedplaats verloren is gegaan, zich elders te vestigen. Jaarrond beschermde nesten Verblijfplaatsen van vogelsoorten, of aanwijzingen (braakballen of uitwerpselen) hiertoe, die jaarrond van vaste rust- en verblijfplaatsen gebruikmaken zijn niet aangetroffen binnen het plangebied. Wel is er in een bosrand een mogelijke horst waargenomen in het boselement in het noordoosten van het plangebied. Waarschijnlijk betreft dit een oude horst van buizerd, het is mogelijk dat naast buizerd andere soorten welke niet zelf nesten bouwen hier gebruik van maken of gaan maken, zoals ransuil en boomvalk. Verder is het mogelijk dat enkele soorten jaarrond beschermde nesten wel het plangebied gebruiken als onderdeel van hun leefgebied, zoals buizerd, boomvalk, kerkuil, steenuil, ransuil en sperwer.

De veldronde op 24 mei 2024 heeft extra aandacht besteed aan de oehoe, welke in de omgeving gezien/bekend zou zijn. Conform data uit de NDFF is op ruim 2 kilometer ten oosten van het plangebied oehoe roepend waargenomen (februari, 2022). Oehoes maken voor hun broedlocatie gebruik van richels van bergen of steengroeves, soms een oud nest van bijvoorbeeld een roofvogel. Incidenteel broeden ze op de grond. Bij het veldbezoek is gezocht naar sporen die erop wijzen dat er een (mogelijk) grondnest aanwezig is. Deze zijn niet aangetroffen. Het horst in de boom is van onvoldoende omvang om geschikt te zijn voor oehoe.

Afbeelding 5: de locatie van het aangetroffen horst, cirkel van 75 meter rondom en een foto.

Jaarrond beschermde functionele leefomgeving In deze situatie zijn enkele vogelsoorten aangetroffen dan wel te verwachten waarvan de functionele leefomgeving jaarrond beschermd is. Het gaat om soorten als; koolmees, pimpelmees, boomklever, boomkruiper en diverse spechten.

Zonneveld Kleine Bergerweg| Eelerwoude | 18

Overige (broed)vogels De aangetroffen vogels binnen en direct rondom het plangebied vallen onder de algemene broedvogels van bossen, struwelen en het agrarisch gebied. Onder andere de volgende vogelsoorten kunnen gebruikmaken van het plangebied; houtduif, merel, roodborst, kievit, graspieper, gele kwikstaart, veldleeuwerik, patrijs en winterkoning. Effecten en ontheffing Vogels met jaarrond beschermde nesten Van een aantal vogelsoorten zijn de nesten het hele jaar door beschermd. Ook de functionele leefomgeving is daarbij beschermd. Bij de aantasting van de nestlocatie en/of de functionele leefomgeving is een ontheffing Wet natuurbescherming noodzakelijk. Bij de ontwikkeling worden deze nesten niet aangetast en bevindt de gevonden horst zich buiten het plangebied. Om verstoring tegen te gaan moeten werkzaamheden binnen 75 meter van deze horst buiten het broedseizoen worden uitgevoerd. Aangezien het op dit moment niet duidelijk is of het nest bezet wordt en door welke soort wordt aanbevolen om tijdens het broedseizoen te controleren of het nest bezet wordt, en door welke soort, zodat hier vervolgens adequaat gehandeld kan worden. Vogels met jaarrond beschermde functionele leefomgeving Gelet op de beperkte omvang van de projectlocatie en het beperkte aanbod aan geschikt leefgebied voor deze soorten, gaat het om slechts enkele broedparen van genoemde algemeen voorkomende soorten.

In de omgeving zijn voldoende alternatieve nestmogelijkheden en leefgebied aanwezig. Genoemde soorten zijn bovendien goed in staat alternatieve nestplaatsen te vinden. Compenserende maatregelen of het aanvragen van een ontheffing is om deze redenen dan ook niet aan de orde. Overige (broed)vogels Alle vogelsoorten in Nederland zijn beschermd onder de Wet natuurbescherming. Voor alle beschermde inheemse (ook algemeen voorkomende) vogelsoorten geldt een verbod op handelingen die opzettelijk nesten, rustplaatsen en eieren vernielen of beschadigen, alsook op het wegnemen van nesten van vogels. Daarnaast is het verboden vogels opzettelijk te storen, tenzij de verstoring niet van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de desbetreffende vogelsoort. Door verstorende werkzaamheden buiten het broedseizoen uit te voeren kan in veel situaties worden voorkomen dat gehandeld wordt in strijd met deze verbodsbepaling. De periode van 1 maart tot 15 juli wordt over het algemeen beschouwd als broedseizoen 1. Werkzaamheden binnen het broedseizoen zijn mogelijk indien is vastgesteld dat er met deze werkzaamheden geen nesten van broedvogels worden verstoord. Voor de Wet natuurbescherming zijn echter alle bewoonde vogelnesten beschermd, ongeacht het tijdstip van het jaar en ongeacht de zeldzaamheid van de soort.

Grond broedende soorten als graspieper, veldleeuwerik en kievit kunnen niet worden uitgesloten. hierdoor wordt met klem geadviseerd om het terrein bouw klaar te maken voor de start van het broedseizoen. Hierdoor wordt voorkomen dat grond broedende soorten het plangebied bezetten tijdens de werkzaamheden. Conclusie: bij de werkzaamheden binnen 75 meter van de horst dient buiten het broedseizoen gewerkt te worden (1 maart – 15 juli). Grond broedende soorten als graspieper, veldleeuwerik en kievit kunnen niet worden uitgesloten. Hierdoor wordt met klem geadviseerd om het terrein bouw klaar te maken voor de start van het broedseizoen. Hierdoor wordt voorkomen dat grond broedende soorten het plangebied bezetten tijdens de werkzaamheden.

1 In het kader van de Wet natuurbescherming wordt voor het broedseizoen geen standaardperiode gehanteerd. Van belang

is of een broedgeval verstoord wordt, ongeacht de datum. Globaal gaat het echter om de periode van 1 maart tot 15 juli. Zonneveld Kleine Bergerweg| Eelerwoude | 19

5.5 Reptielen Voorkomen en functie Beschermde reptielen, zoals ringslang, gladde slang, levendbarende hagedis en hazelworm, zijn gebonden aan specifieke terreinen. In het plangebied ontbreekt dergelijk geschikt biotoop zoals heideterreinen, goed ontwikkelde waterlopen en venranden. Er zijn ook geen verspreidingsgegevens bekend van reptielen in en rondom het plangebied (NDFF). Effecten en ontheffing Op basis van het aanwezige biotoop kunnen beschermde reptielen worden uitgesloten. Negatieve effecten op reptielen zijn dan ook niet aanwezig. Nader onderzoek of een ontheffing Wet natuurbescherming is voor reptielen niet aan de orde. Conclusie: nader onderzoek of het aanvragen van een ontheffing is in het kader van de Wet natuurbescherming voor reptielen niet noodzakelijk.

5.6 Amfibieën Voorkomen en functie Soorten waarvoor een provinciale vrijstelling geldt Een aantal soorten zoals bruine kikker, bastaardkikker, gewone pad en kleine watersalamander kunnen het plangebied gebruiken als landbiotoop. In het plangebied zelf zijn geen waterelementen aanwezig. Soorten waarvoor geen provinciale vrijstelling geldt Beschermde soorten amfibieën waarvoor geen vrijstelling geldt, zoals kamsalamander of poelkikker, worden niet verwacht in het plangebied vanwege de aanwezige, ongeschikte habitat voor deze soorten. Zo ontbreken waterelementen in het plangebied. Er zijn ook geen verspreidingsgegevens bekend van beschermde amfibieën rondom het plangebied (NDFF). Effecten en ontheffing Soorten waarvoor een provinciale vrijstelling geldt De ingreep zal naar verwachting leiden tot een beperkt verlies van leefgebied van de genoemde (algemeen) voorkomende amfibieën met het beschermingsregime “andere soorten”. Voor deze beschermde soorten is bij een ruimtelijke inrichting door de provincie Limburg een vrijstelling van de ontheffingsplicht opgesteld. Soorten waarvoor geen provinciale vrijstelling geldt Beschermde amfibieën waarvoor geen vrijstelling geldt, kunnen op basis van de aanwezige biotoop worden uitgesloten, waardoor er geen sprake is van negatieve effecten. Nader onderzoek of een ontheffing Wet natuurbescherming is voor amfibieën niet aan de orde.

Conclusie: nader onderzoek of het aanvragen van een ontheffing is in het kader van de Wet natuurbescherming voor amfibieën niet noodzakelijk.

5.7 Vissen Voorkomen en functie Binnen het plangebied zijn geen watervoerende elementen (sloten, poelen, enzovoort) aanwezig. Derhalve ontbreekt geschikt leefgebied voor vissen en zijn deze dan ook niet aanwezig.

Zonneveld Kleine Bergerweg| Eelerwoude | 20

Effecten en ontheffing Beschermde vissen zijn niet in het plangebied aanwezig. Er worden dan ook geen effecten op beschermde vissen verwacht. Nader onderzoek of een ontheffing Wet natuurbescherming voor vissen is niet aan de orde. Conclusie: nader onderzoek of het aanvragen van een ontheffing is in het kader van de Wet natuurbescherming voor beschermde vissen niet noodzakelijk.

5.8 Ongewervelden Voorkomen en functie Van de groep ongewervelden (dagvlinders, libellen, kevers, kreeftachtigen en weekdieren) worden beschermde soorten als grote vos en kleine ijsvogelvlinder niet verwacht. Dit door het ontbreken van geschikt habitat met waardplanten. Er zijn ook geen verspreidingsgegevens bekend van beschermde ongewervelden in en rondom het plangebied. Effecten en ontheffing In het plangebied zijn geen beschermde ongewervelden aanwezig. Er is geen sprake van negatieve effecten op beschermde ongewervelden. Nader onderzoek of een ontheffing Wet natuurbescherming is voor ongewervelden niet aan de orde. Conclusie: nader onderzoek of het aanvragen van een ontheffing is in het kader van de Wet natuurbescherming voor beschermde ongewervelden niet noodzakelijk.

Zonneveld Kleine Bergerweg| Eelerwoude | 21

6 Conclusie 6.1 Beschermde soorten 6.1.1 Soorten waarvoor een provinciale vrijstelling geldt De ontwikkeling zal naar verwachting leiden tot een beperkt verlies van leefgebied van een aantal beschermde soorten waarvoor een provinciale vrijstelling geldt. Het betreft soorten als ree, haas, konijn, egel en diverse algemene muizensoorten. De ingreep heeft geen invloed op de gunstige staat van instandhouding van deze soorten omdat er sprake is van een tijdelijke, en plaatselijke verstoring, voldoende leefgebied aanwezig blijft en het relatief algemene soorten betreft.

6.1.2 Soorten waarvoor geen provinciale vrijstelling geldt Met de volgende soorten en/of soortgroepen dient rekening te worden gehouden. Das Aangezien er zich een (bij)burcht bevindt aan de rand het plangebied gelden de volgende voorwaarden: • Binnen 20 meter van de burcht vinden zowel bovengronds als ondergronds geen werkzaamheden plaats. Voor werkzaamheden tussen 20 en 50 meter van de dichtstbijzijnde ingang van de burcht geldt: • Er vindt een ecologische check plaats voorafgaand aan de werkzaamheden (eventueel intekenen nieuwe dassenpijpen/wissels). • Werkzaamheden mogen alleen plaatsvinden tussen zonsopkomst en zonsondergang. • Werkzaamheden dienen zo kort mogelijk te duren. • Als het bij de uitvoering van de werkzaamheden nodig is om een burcht visueel te markeren, bijvoorbeeld met linten, dan kan dit zo kort mogelijk voor aanvang van de werkzaamheden worden gedaan en zo spoedig mogelijk na voltooiing van de werkzaamheden ongedaan worden gemaakt. Ook kan een markering buiten een straal van 20 meter van de burcht worden aangebracht. • Vegetatiestructuur en bodem zo veel als mogelijk ontzien tijdens de activiteit of werkzaamheden (zoveel mogelijk werken met rijplaten).

• Voor zonsondergang, maar niet later dan 19.00 uur, de menselijke activiteiten af ronden zodat wissels weer toegankelijk zijn, afval is opgeruimd en gebruikte machines en voertuigen uit het gebied zijn verwijderd. Overige richtlijnen: • Werken met een ecologisch werkprotocol. Dit ecologisch werkprotocol wordt apart van deze rapportage opgesteld. • Ecologische begeleiding bij werkzaamheden; ecologische begeleiding bestaat uit een startoverleg met de aannemers, het markeren van de oude en eventuele nieuwe dassenpijpen en tussentijdse controles. • Het nieuw te realiseren zonnepark dient toegankelijk te zijn voor de das om wissels niet ongeschikt te maken. Toegang tot dit park voor de das moet worden opgenomen in het definitieve inrichtingsplan. • Alle maatregelen moeten worden opgenomen in een ecologisch werkprotocol en er dient voor de werkzaamheden bepaald te worden of de kwetsbare periode van de das voorbij is, door een ter zake deskundige. Dit kan door wildcamera’s op te hangen voor het gebruik van de burcht en om te bepalen of de jongen zijn opgegroeid.

Broedvogels Jaarrond beschermde nesten Zonneveld Kleine Bergerweg| Eelerwoude | 22

Bij de werkzaamheden binnen 75 meter van de horst dient buiten het broedseizoen gewerkt te worden (1 maart – 15 juli). Broedvogels overige broedvogels Grond broedende soorten als graspieper, veldleeuwerik en kievit kunnen niet worden uitgesloten. Hierdoor wordt met klem geadviseerd om het terrein bouw klaar te maken voor de start van het broedseizoen. Hierdoor wordt voorkomen dat grond broedende soorten het plangebied bezetten tijdens de werkzaamheden.

6.1.3 Zorgplicht In de Wet natuurbescherming is in artikel 1.11 een omschrijving opgenomen over de algemene zorgplicht. Deze zorgplicht houdt in dat iedereen ‘voldoende zorg’ in acht neemt voor alle in het wild levende dieren en planten, dus ook niet-beschermde soorten, en hun directe leefomgeving. Dit is een algemene verantwoordelijkheid die voor iedereen geldt. Het betekent bijvoorbeeld dat er niet onnodig dieren en planten worden gedood, wanneer redelijkerwijs een andere oplossing voor is, bijvoorbeeld de dieren te verplaatsen naar een ander gebied.

6.2 Bescherming gebieden Niet stikstof-gerelateerde effecten: Gezien de afstand tot het dichtstbijzijnde de Natura 2000-gebied (1,5 km), de invulling van de tussenliggende gebieden en de voorgenomen werkzaamheden is er geen sprake van mogelijk negatieve effecten op de instandhoudingsdoelstellingen van het Natura 2000-gebied, zij het door een rechtstreekse invloed, cumulatieve invloed of externe werking. Een toetsing op grond van de Wet natuurbescherming van niet stikstofgerelateerde effecten wordt daarom niet noodzakelijk geacht. Stikstof-gerelateerde effecten Na 2 november 2022 is de aanlegfase voor projecten niet meer vrijgesteld. Hierdoor is het noodzakelijk een stikstofberekening te doen voor de aanleg van het zonnepark. Het in gebruik nemen van het zonnepark brengt (extra)verkeersbewegingen naar en van de locatie voor beheer en onderhoud. Deze uitstoot maakt geen onderdeel uit van een tijdelijk project. Of deze een significante stikstofdepositie veroorzaken dient berekend te worden middels een stikstofberekening in het programma AERIUS-Calculator. De uitwerking van deze berekening maakt geen onderdeel uit van deze rapportage.

6.3 Bescherming houtopstanden Er worden binnen het plangebied geen bomen gekapt. Een nadere toetsing van houtopstanden is daarom niet noodzakelijk.

6.4 Natuurnetwerk Nederland De ontwikkeling is in strijd met het bestemmingsplan, maar het plangebied ligt niet binnen het NNN Binnen de provincie Limburg speelt ook geen externe werking. Een toetsing aan het natuurbeleid is daarom niet noodzakelijk.

6.5 Uitvoerbaarheid van de plannen Mits rekening gehouden wordt met de voorgenoemde maatregelen en werkwijze is geen overtreding van de natuurwetten en natuurbeleid aan de orde. Vanuit de eisen van de natuurbescherming is het plan derhalve uitvoerbaar. Zonneveld Kleine Bergerweg| Eelerwoude | 23

6.6 Geldigheid rapportage Dit rapport gaat in op de effecten van de ontwikkeling zoals beschreven in hoofdstuk 2.2. Wijzigingen of aanpassingen in de ontwikkeling kunnen tot andere conclusies ten aanzien van de effecten op beschermde soorten leiden.

Zonneveld Kleine Bergerweg| Eelerwoude | 24

Literatuurlijst Esri. (sd). Luchtfoto. Luchtfoto 25cm. Esri, Redlands, USA. (2017). Kennisdocument Buizerd. Bij12. (2017). Kennisdocument Das. Bij12. (2017). Kennisdocument levendbarende hagedis. Bij12. LNV. (2022, Oktober 27). Natura 2000. Opgehaald van Gebieden : https://www.natura2000.nl/gebieden Ministerie van LNV. (2020). Besluit 14 oktober 2020; Houdenden vaststelling van een geactualiseerde rode lijst zoogdieren. Ministerie van landbouw, natuur en voedselkwaliteit. Nationale databank flora en fauna. (2022, 08 05). Opgehaald van NDFF: https://www.ndffecogrid.nl/ Natuur Netwerk Nederland. (2022, Oktober 31). Opgehaald van Atlasomgeving: https://www.atlasleefomgeving.nl/kaarten?config=3ef897de-127f-471a-959b93b7597de188&gm-x=150000&gm-y=455000&gm-z=3&gmb=1544180834512,true,1;1553765981928,true,0.8;&activateOnStart=layermanager,info &activeTools=layercollection,search,info,bookmark,measur Zoogdierenvereniging. (2022). Opgehaald van Eekhoorn: https://www.zoogdiervereniging.nl/zoogdiersoorten/eekhoorn

Zonneveld Kleine Bergerweg | Eelerwoude | 25

Bijlage 1 Wettelijk kader natuurwetgeving Bescherming van soorten Zorgplicht De Wet natuurbescherming erkent de intrinsieke waarde van in het wild levende planten- en diersoorten, of de soort nu beschermd is of niet (= zorgplicht). Deze zorgplicht houdt in dat eenieder voldoende zorg in acht moet nemen voor de in het wilde levende dieren en planten, alsmede voor hun directe leefomgeving. Overtreding van de zorgplicht is niet strafbaar gesteld, maar kan door toepassing van bestuursdwang wel worden gehandhaafd. Beschermingsregimes Op het onderdeel soortbescherming deelt de Wet natuurbescherming soorten in drie beschermingsregimes in: 1.

Beschermingsregime soorten Vogelrichtlijn Alle vogels cf. artikel Vogelrichtlijn 2. Beschermingsregime soorten Habitatrichtlijn Soorten uit Bijlage IV Habitatrichtlijn, Bijlage I en II van het Verdrag van Bern en Bijlage II van het Verdrag van Bonn. In de bijlagen van de Verdragen van Bern en Bonn worden ook vogels genoemd 2. 3. Beschermingsregime “andere soorten” Soorten die uit nationaal oogpunt bescherming behoeven. Elk van deze beschermingsregimes heeft zijn eigen verbodsbepalingen en vereisten voor vrijstelling of ontheffing van de verboden. Verbodsbepalingen De Wet natuurbescherming gaat uit van het ‘nee, tenzij-principe’. In de wet worden ten aanzien van de beschermde soorten een aantal verbodsbepalingen genoemd (figuur 1). De verbodsbepalingen zijn gekoppeld aan het beschermingsregime van de soort (resp. Vogelrichtlijn, Habitatrichtlijn of de groep ‘Overige soorten’). Dat betekent dat deze verbodsbepalingen niet overtreden mogen worden, tenzij voor de soort(en): • een vrijstelling geldt; • er gewerkt wordt met een goedgekeurde Gedragscode (feitelijk een collectieve ontheffing); • een ontheffing is verkregen.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Roerdalen&id=56c9c21e-af1a-436d-9f80-7f03c480e952