Bijlage 2.3: Toelichting
Tekst van het document
Eventuele werkzaamheden aan de zwemvijver dienen – reeds op basis van andere wettelijke kaders en verplichtingen – in nauw overleg te geschieden met het Waterschap Limburg (vanuit waterbeheer) en de Provincie Limburg (vanuit ecologie). Gelet op bovenstaande vormt het aspect water geen belemmering voor onderhavige ontwikkeling.
4.5 Bodem De bodemkwaliteit is in het kader van de Wet ruimtelijke ordening (Wro) van belang indien er sprake is van functieveranderingen (op basis van functie-klasse in het kader van de Wet bodembescherming) en/of een ander gebruik van de gronden. De bodem moet geschikt zijn voor de functie. Mocht er een verontreiniging te verwachten zijn dan wel mocht deze feitelijk aanwezig zijn, dan dient voor vaststelling van een plan en/of het nemen van het besluit inzichtelijk gemaakt te worden of de bodemverontreiniging de voorgenomen functieen/of bestemmingswijziging in het kader van gezondheid en/of financieel gezien in de weg staat. Hierbij dient inzichtelijk gemaakt te worden of sprake is van een te verwachten of feitelijke verontreiniging. Voor het plangebied is een verkennend onderzoek uitgevoerd door Milon (rapport in de bijlage met nummer 20211911, d.d. 19 juli 2021). Het onderzoek heeft geleid tot voldoende inzicht in de bodemopbouw en een goed beeld van de kwaliteit van de grond ter plaatse. Er zijn ten hoogste licht verhoogde gehaltes PCB aangetoond. Deze passen bij de locatie en de omgeving. Vervolgonderzoek wordt niet zinvol geacht. Op basis van de vastgestelde milieuhygiënische bodemkwaliteit kan worden geconcludeerd dat er geen belemmeringen aanwezig zijn voor het huidige en toekomstige gebruik van de locatie.
30
4.6 (Ondergrondse) infrastructuur Er liggen in het besluitgebied en de omgeving geen planologisch beschermde leidingen die een belemmering vormen voor de voorgenomen functiewijziging. Met de aanwezige kabels en leidingen is c.q. wordt rekening gehouden bij de ontwikkeling van het plangebied.
4.7 Bedrijven en milieuzonering In het kader van een goede ruimtelijke ordening dient tussen kwetsbare of gevoelige objecten, zoals de bedrijfswoningen uit voorliggend plan, en bepaalde functies en bedrijven voldoende afstand te worden gehouden. Deze afstand is enerzijds nodig om het woon- en leefklimaat ter plaatse van het gevoelige object niet aan te tasten, anderzijds is deze afstand nodig om het bedrijf of de functie niet te beperken in de betreffende (bedrijfs)activiteiten. Als uitgangspunt worden de richtafstanden uit publicatie ‘Bedrijven en milieuzonering’ (2009) van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) genomen. In de VNGpublicatie is voor de aspecten geur, stof, geluid en gevaar een richtafstand gegeven, waarbij de grootste richtafstand leidend is. De VNG maakt onderscheid tussen de omgevingstypen ‘Rustige woonwijk / rustig buitengebied’ en ‘Gemengd gebied’. Bij het eerste type is er duidelijk sprake van functiescheiding. Bij het tweede is sprake van functiemenging en komen direct naast woningen ook andere functies voor zoals winkels, horeca en (kleine) bedrijven. In de VNG-publicatie is aangegeven dat wanneer er sprake is van een ‘gemengd gebied’, de richtafstand met één afstandsstap mag worden verminderd. Het plangebied van onderhavig initiatief kan aangemerkt worden als ‘gemengd gebied’.
Het plangebied zelf kent momenteel al een recreatieve functie met daaraan grenzend de locatie van de tennisvereniging. Aan de andere zijde van de verharde Meinweg is een horecagelegenheid gelegen en bevindt zich het voormalige recreatiepark ‘Reewoude’ dat in het verleden is omgezet naar een woongemeenschap waar permanente bewoning mag plaatsvinden. Verder zijn er agrarische gronden gelegen en is het gebied aan de overige zijde met name omzoomd door bos. In de VNG-uitgave ‘Bedrijven en milieuzonering’ zijn richtafstanden opgenomen voor vakantiecentra. Vakantiecentra worden gerekend tot milieucategorie 3.1. Vervolgens is er voor geluid een richtafstand opgenomen van minimaal 50 meter. Dit is de grootste afstand. Aan deze richtafstand wordt niet voldaan aangezien de bestaande woningen aan Reewoude op kortere afstand zijn gelegen ten opzichte van het recreatiepark. Deze afstand bedraagt ruim 20 meter van gevel tot recreatiebestemming. Kijkend naar het vigerende bestemmingsplan vinden er echter geen wijzigingen plaats in de planomvang of mogelijkheden. Nieuwe accommodaties worden ook niet op kortere afstand geplaatst van de reeds bestaande gevoelige objecten. Daarnaast is er een bufferzone gelegen (in de vorm van een bos) tussen de woningen aan Reewoude aan het dagrecreatieve deel van het recreatiepark. Deze buffer is ook geborgd in het landschappelijk inpassingsplan.
Met deze bufferzone wordt voldaan aan de richtafstanden en vinden er tevens geen wijzigingen plaats ten opzichte van de al bestaande situatie. Het plan voorziet dan ook in een goede ruimtelijke ordening wat betreft het aspect bedrijven en milieuzonering.
31
4.8 Geurhinder De Wet geurhinder veehouderij (Wgv) vormt vanaf 1 januari 2007 het toetsingskader voor de milieuvergunning, als het gaat om geurhinder vanwege dierenverblijven van veehouderijen. Het tijdstip van inwerkingtreding van de wet is vastgesteld bij Koninklijk Besluit van 12 december 2006. Op 18 december 2006 is de Wet geurhinder en veehouderij gepubliceerd. De Wet geurhinder en veehouderij geeft normen voor de geurbelasting die een veehouderij mag veroorzaken op een geurgevoelig object (bijvoorbeeld een woning). De geurbelasting wordt berekend en getoetst met het verspreidingsmodel V-Stacks vergunning. Dit geldt alleen voor dieren waarvoor geuremissiefactoren zijn opgenomen in de Wet geurhinder en veehouderij. Voor dieren zonder geuremissiefactor gelden minimaal aan te houden afstanden. Hiervoor dienen de minimale afstanden van 50 meter tot een geurgevoelig object buiten de bebouwde kom, en 100 meter tot een geurgevoelig object binnen de bebouwde kom te worden aangehouden. Deze afstanden gelden van emissiepunt van het dierenverblijf tot de gevel van het gevoelige object. Tussen de gevel van het dierenverblijf en de gevel van het gevoelige object geldt een minimale afstand van 50 meter bij objecten binnen de bebouwde kom en 25 meter bij objecten buiten de bebouwde kom. Bij de voorgenomen ontwikkeling is sprake van een recreatieve functie.
Hiermee wordt geen geurhinder veroorzaakt richting de omgeving. Hiermee zal de voorgenomen ontwikkeling niet leiden tot een toename van de geurbelasting aan gevoelige objecten in de omgeving. In de naaste omgeving is verder ook geen veehouderij gelegen die geurhinder zou kunnen veroorzaken op de recreatieparken. Het aspect geurhinder vormt derhalve geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.
4.9 Geluid Een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling, waarbij sprake is van de realisatie of uitbreiding van geluidgevoelige objecten dient te worden getoetst aan de Wet geluidhinder (Wgh). In deze wet wordt aangegeven hoe voor een gebied waar een ruimtelijke ontwikkeling plaatsvindt dient te worden omgegaan met geluidhinder als gevolg van wegverkeer, industrie en spoorwegen. Met voorliggende plan wordt planologisch gezien geen nieuw geluidsgevoelig object gecreëerd. De verblijfsaccommodaties (logiesfunctie) zijn geen gevoelige objecten in de zin van de Wgh. Bovendien vindt een afname van het aantal accommodaties plaats hetgeen tot gevolg heeft dat richting de omgeving de belasting afneemt. Zulks blijkt ook uit een uitgevoerd verkeersonderzoek (zie hierna). Als gevolg van de nieuwe inrichting vindt een verandering plaats van de verkeersstromen. Dit heeft als belangrijk gevolg dat de geluidsbelasting op de omgeving (woningen in de nabijheid van het plangebied) afneemt. Gelet op voorgaande kan gesteld worden dat geen sprake is van een invloed op een goed woon- en leefklimaat. 32
4.10 Luchtkwaliteit De Eerste Kamer heeft op 9 oktober 2007 het wetsvoorstel voor de wijziging van de Wet milieubeheer (Wm) goedgekeurd (Stb. 2007, 414) en vervolgens is de wijziging op 15 november 2007 in werking getreden. Met name paragraaf 5.2 uit Wm is veranderd. Omdat paragraaf 5.2 handelt over luchtkwaliteit staat de nieuwe paragraaf 5.2 bekend als de 'Wet luchtkwaliteit'. De Wet luchtkwaliteit introduceert het onderscheid tussen 'kleine' en 'grote' projecten. Kleine projecten dragen 'niet in betekenende mate' (NIBM) bij aan de luchtkwaliteit. Een paar honderd grote projecten dragen juist wel 'in betekenende mate' bij aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Het gaat hierbij vooral om bedrijventerreinen en infrastructuur (wegen). De Eerste Kamer is op 9 oktober 2007 akkoord gegaan met het wetsvoorstel over luchtkwaliteitseisen. Projecten die 'niet in betekenende mate bijdragen' (NIBM) aan de luchtverontreiniging, hoeven volgens het wetsvoorstel niet meer afzonderlijk getoetst te worden aan de grenswaarden voor de buitenlucht. Het Besluit NIBM omschrijft het begrip nader: een project dat minder dan 3% van de grenswaarden bijdraagt is NIBM. Dit komt overeen met 1,2 microgram per kubieke meter lucht (µg/m³) voor fijnstof en stikstofoxiden (NO2).
Projecten die wel 'in betekenende mate' bijdragen, zijn vaak al opgenomen in het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL). Het NSL is erop gericht om overal de Europese grenswaarden te halen. Daarom is ook een pakket aan maatregelen opgenomen: zowel (generieke) rijksmaatregelen als locatiespecifieke maatregelen van gemeenten en provincies. Dit pakket aan maatregelen zorgt ervoor dat alle negatieve effecten van de geplande ruimtelijke ontwikkelingen ruim worden gecompenseerd. Bovendien worden alle huidige overschrijdingen tijdig opgelost. In het NSL worden de effecten van alle NIBMprojecten verdisconteerd in de autonome ontwikkeling. Het NSL omvat dus alle cumulatieve effecten van (ruimtelijke) activiteiten op de luchtkwaliteit. 4.10.1 Luchtkwaliteit vanuit de inrichting De voorgenomen ontwikkeling betreft geen grootschalige infrastructurele of industriële ontwikkeling en geen ontwikkeling van een veehouderij (strikt genomen zelfs een planologische sanering van een veehouderij). De uitstoot van fijnstof zal met de voorgenomen ontwikkeling niet in onevenredige mate toenemen, waarmee sprake is van een zogenaamde NIBM-ontwikkeling. Gezien sprake is van een NIBM-project zal bij de voorgenomen ontwikkeling geen sprake zijn van een onevenredige toename van de uitstoot van fijnstof en stikstofoxiden. 4.10.2.
Luchtkwaliteit ter plaatse van de inrichting Bij ruimtelijke ontwikkelingen dient te worden aangetoond dat sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Dit is alleen van toepassing bij het oprichten van nieuwe gevoelige objecten.
33
Gekeken is naar de achtergrondconcentratie aan fijnstof en stikstofoxiden om te bepalen of sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat ter plaatse. Vanuit de landelijke wetgeving is sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat wanneer de achtergrondconcentratie niet meer dan 40 microgram per kubieke meter lucht (µg/m³) bedraagt. Volgens gegevens van de grootschalige depositiekaarten, zoals zijn opgenomen in de Atlas van de Leefomgeving van het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM) bedraagt de achtergrondconcentratie van fijnstof ter plaatse minder dan de gestelde norm. Aangezien de achtergrondconcentratie van zowel fijnstof als stikstofoxiden (aanzienlijk) minder dan bedragen is ter plaatse sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat.
4.11 Externe veiligheid Externe Veiligheid heeft betrekking op de veiligheid rondom opslag, gebruik, productie en transport van gevaarlijke stoffen. De daaraan verbonden risico's dienen aanvaardbaar te blijven. Het externe veiligheidsbeleid bestaat uit twee onderdelen: het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR). Het plaatsgebonden risicobeleid bestaat uit harde afstandseisen tussen risicobron en (beperkt) kwetsbaar object. Het groepsrisico is een maat die aangeeft hoe groot de kans is op een ongeval met gevaarlijke stoffen met een bepaalde groep slachtoffers. In de wet is geregeld wanneer de verantwoordingsplicht van toepassing is. Omdat de wettelijke basis per risicobron verschilt, verschillen per risicobron ook de voorwaarden die verantwoording wel of niet verplicht stellen. Omdat de gevolgen van een ongeluk met gevaarlijke stoffen groot kunnen zijn, zijn de aanvaardbare risico's vastgelegd in diverse besluiten. De belangrijkste zijn: • Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi); • Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb); • Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt).
Daarnaast wordt in het kader van een 'goede ruimtelijke ordening' getoetst aan eventueel van toepassing zijnde veiligheidsafstanden uit het Activiteitenbesluit milieubeheer, Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro), effectafstanden uit de 'Circulaire effectafstanden LPG-tankstations'. Met het invullen van de verantwoordingsplicht wordt antwoord gegeven op de vraag in hoeverre externe veiligheidsrisico's in het plangebied worden geaccepteerd en welke maatregelen getroffen zijn om het risico zoveel mogelijk te beperken. Het invullen van de verantwoordingsplicht is een taak van het bevoegd gezag (veelal de gemeente). Door de verantwoordingsplicht worden gemeenten gedwongen het externe veiligheidsaspect mee te laten wegen bij het maken van ruimtelijke keuzes. Deze verantwoording is kwalitatief en bevat verschillende onderdelen die aan bod kunnen of moeten komen. Ook bestaat er een adviesplicht voor de regionale brandweer. In de Handreiking verantwoordingsplicht groepsrisico zijn de onderdelen van de verantwoording nader uitgewerkt en toegelicht.
34
In de volgende figuur is de risicokaart weergegeven, waarop mogelijke risicovolle inrichtingen weergegeven zijn.
Figuur: 12: Uitsnede Risicokaart
4.11.1. Risicovolle inrichtingen Op de locatie bevinden zich uitsluitend twee gastanks welke behoren tot de eigen inrichting. Bij de inrichting van het plangebied is hiermee rekening gehouden. Verder bevinden zich geen risicovolle inrichtingen in de omgeving van het plangebied. Daarnaast geldt alleen voor bedrijven die vallen onder het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) de verantwoordingsplicht wanneer binnen het invloedsgebied een ruimtelijk besluit genomen wordt. Er is geen sprake van ligging binnen het invloedsgebied van bedrijven welke vallen onder Bevi. Tevens worden bij de voorgenomen ontwikkeling geen installaties en/of inrichtingen opgericht die vallen onder het Bevi en/of waarvoor veiligheidsafstanden van toepassing zijn vanuit het Activiteitenbesluit Milieubeheer. Er is daarmee geen sprake van een inrichting of installatie die mogelijk zal leiden tot risico's aan de omgeving. 4.11.2 Transport (spoor-, vaar- en autowegen) en buisleidingen Het externe veiligheidsbeleid bij vervoer gevaarlijke stoffen over de weg, spoor en water is vastgelegd in het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt). Het externe veiligheidsbeleid bij vervoer gevaarlijke stoffen door transport- en buisleidingen is vastgelegd in het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb).
In het Bevt en het Bevb zijn veiligheidsafstanden vastgesteld en risicoplafonds die gebruikt moeten worden voor de berekening van het groepsrisico. Nabij de locatie is verder geen transportweg of buisleiding gelegen. Het groepsrisico hoeft op deze grond dan ook verder niet verantwoord te worden.
35
4.12 Verkeer en parkeren In beginsel vindt de ontsluiting van het terrein plaats vanuit de bestaande in-/uitritten. En parkeren geschiedt volledig op eigen terrein. Ten behoeve van het opstellen van dit bestemmingsplan is het wenselijk gebleken de verkeerskundige consequenties met betrekking tot verkeersgeneratie, verkeersafwikkeling en de parkeerbehoefte inzichtelijk te maken. Om dit te doen is een onderzoek uitgevoerd door Grenspaal12. Het onderzoeksrapport is als bijlage bij de toelichting gevoegd. Conclusie van het rapport luidt dat op basis van het verkeerskundig onderzoek: • Het benodigd aantal parkeerplaatsen op eigen terrein over het gehele plangebied afneemt met 268 tot 335 parkeervakken. Inzake het parkeren op eigen terrein wordt dan ook geen probleem verwacht. • Inzake de verkeersgeneratie en afwikkeling van het verkeer van het plangebied kan worden geconcludeerd dat er sprake is van een toename van maximaal 124 motorvoertuigen per etmaal. Deze toename vindt plaats aan de ingang van het ‘Vakantiepark Boschbeek’. Ter hoogte van de ingang van ‘Huttopia Camping De Meinweg’ neemt het aantal verkeersbewegingen drastisch af. • Voor de toekomstige situatie betekent dit binnen het worstcasescenario een toename van 31% tot 524 motorvoertuigen.
Gezien de theoretische capaciteit van 3.000 tot 5.000 motorvoertuigen per etmaal van De Meinweg zal deze toename niet tot problemen zal leiden. Verkeerskundige aspecten staan dus niet in de weg aan de planontwikkeling.
36
5.
JURIDISCHE ASPECTEN
5.1 Wettelijk kader Het bestemmingsplan wordt vastgesteld op grond van artikel 3.1 Wet ruimtelijke ordening.
5.2 Analoge verbeelding Op de verbeelding zijn de volgende onderdelen weergegeven: • De grens van het plangebied; • De bestemmingen van de in het plangebied gelegen gronden.
5.3 Planregels De planregels zijn als volgt opgebouwd. Hoofdstuk 1: Inleidende regels • Begrippen. Definiëring van begrippen, voor zover deze begrippen afwijken van het ‘normale’ spraakgebruik en/of een specifieke juridische betekenis hebben. Bij de toetsing van het bestemmingsplan wordt uitgegaan van de begripsdefinitie in dit hoofdstuk; • Wijze van meten. Hoofdstuk 2: Bestemmingsregels. Regels behorende bij de verschillende bestemmingen die zijn opgenomen in dit bestemmingsplan. Per hoofdfunctie is een bestemmingsregeling opgenomen die bestaat uit: • Bestemmingsomschrijving. Beschrijving gebruik betreffende gronden en bijbehorende gebouwen; • Bouwregels. Beschrijving van de toelaatbare bouwwerken met indien van toepassing • Nadere eisen voor bouwen; • Afwijken van de bouw- en gebruiksregels; • Specifieke gebruiksregels; • Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk; • Wijzigingsbevoegdheden, mogelijk om van het bestemmingsplan af te wijken. Dit hoofdstuk is inhoudelijk als volgt opgebouwd: Artikel ‘Recreatie – Verblijfsrecreatie - 5’ Artikel ‘Recreatie – Verblijfsrecreatie – 10’ Artikel ‘Sport’ Artikel ‘Waarde – Archeologie 5’ Ten aanzien van de regels is zoveel mogelijk aangesloten bij de regels uit van de betreffende bestemmingen uit het vigerende bestemmingsplan. Hoofdstuk 3: Algemene regels. Algemene bepalingen die van toepassing zijn op alle bestemmingen.
Deze bepalingen zijn overgenomen uit het vigerende bestemmingsplan. 37
Hoofdstuk 4: Overgangs- en slotbepalingen. Deze bepalingen zijn overgenomen uit het vigerende bestemmingsplan. Bijlage(n) bij de regels.
38
6.
ECONOMISCHE UITVOERBAARHEID
Bij onderhavige ontwikkeling is sprake van een 'bouwplan' als bedoeld in artikel 6.2.1 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro). In dat kader is voor de wijziging van het bestemmingsplan met beide exploitanten binnen het plangebied een anterieure overeenkomst gesloten. Het vaststellen van een nieuw bestemmingsplan kan ertoe leiden dat een belanghebbende zogenaamde planschade ondervindt. Daarbij kan het gaan om waardevermindering van een onroerende zaak (bijvoorbeeld een woning) of inkomensderving. Een deel van deze schade valt wettelijk gezien echter binnen het normaal maatschappelijk risico en is dus niet te verhalen. Voor de overige schade kan een tegemoetkoming worden aangevraagd bij het college van burgemeesters en wethouders. Indien het bestemmingsplan niet wordt geïnitieerd door de gemeente, dan zal de gemeente de schade verhalen op de initiatiefnemer van het plan. Dit is in de gesloten anterieure overeenkomst geregeld. Tevens zijn in de anterieure overeenkomst afspraken gemaakt over de borging van de landschappelijke inpassing en de planvorming (planning en uitvoering). Daarnaast is in de overeenkomst opgenomen welke kosten voldaan dienen te worden voor het in procedure brengen van het bestemmingsplan.
39
7.
MAATSCHAPPELIJKE UITVOERBAARHEID
7.1 Vooroverleg In artikel 3.1.1 van het Besluit op de ruimtelijke ordening (Bro) is aangegeven dat een bestuursorgaan bij de voorbereiding van een bestemmingsplan overleg dient te plegen met de besturen van betrokken gemeenten en waterschappen en diensten van de provincie en het Rijk voor zover belangen van deze overheden in het geding zijn. Vooroverleg Provincie Limburg Om invulling te geven aan het begrip van belangen hanteert de Provincie Limburg sinds 2008 een zogenaamde belangenstaat. In deze belangenstaat zijn onderwerpen en gevallen benoemd wanneer de provincie van mening is dat wettelijk vooroverleg gevoerd moet worden. In andere gevallen vindt de Provincie Limburg zelf op voorhand dat ze geen belang heeft en dat dus vooroverleg niet aan de orde is. Voor het plan ‘Recreatie aan de Meinweg’ is geoordeeld dat er geen sprake is van een provinciaal belang uit de belangenstaat waarvoor vooroverleg aan de orde is. De belangenstaat geeft aan dat ten aanzien van het onderwerp vrijetijdseconomie sprake is van een provinciaal belang bij een ruimtelijke ontwikkelingen buiten bestaand bebouwd gebied. Hiervan is in dit geval geen sprake. Voorliggende situatie betreft een herstructurering.
De belangenstaat geeft verder aan dat er bij een ruimtelijke ontwikkeling in het beleidsthema Goudgroen Natuurzone een provinciaal belang is wanneer de ruimtelijke ontwikkelingen in of grenzend aan het gebied plaatsvindt. Het plangebied van ‘Recreatie aan de Meinweg’ ligt niet in de goudgroene zone en grenst er ook niet aan. Het plangebied ligt enkel in de nabijheid. Een provinciaal belang waarvoor wettelijk vooroverleg aan de orde is, is derhalve niet aanwezig geacht. Volledigheidshalve wordt opgemerkt dat met medewerkers van de provincie veelvuldig contact is geweest over voorliggende ontwikkeling gedurende het gehele traject van herontwikkeling. Vooroverleg Waterschap Limburg Ten aanzien van de belangen van het Waterschap Limburg wordt opgemerkt dat deze geborgd zijn met beschermingswaarden in de verbeelding en de planregels. Een en ander in lijn met de geldende regeling. Daarnaast wordt opgemerkt dat Huttopia in contact staat met het Waterschap om eventuele mogelijkheden rondom de bestaande zwemvijver te bespreken. Juridisch-planologisch verandert op dit onderdeel evenwel niets. Conclusie Een verder strekkende formele vorm van vooroverleg is voor voorliggend bestemmingsplan dan ook niet aan de orde.
40
7.2 Procedure Het bestemmingsplan, ex artikel 3.1 van de Wet ruimtelijke ordening doorloopt de volgende procedure: • Ontwerp: o Publicatie en terinzagelegging van het ontwerp-wijzigingsplan overeenkomstig afdeling 3.4 Algemene wet bestuursrecht en de Wet ruimtelijke ordening; o Gedurende deze terinzagelegging kan eenieder een zienswijze indienen bij de gemeenteraad; • Vaststelling: o Vaststelling van het bestemmingsplan door de gemeenteraad; o Publicatie en terinzagelegging van het vaststellingsbesluit en vastgestelde bestemmingsplan. Eventueel kan gedurende de beroepstermijn beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van state. Het bestemmingsplan treedt in werking daags na afloop van de beroepstermijn. Inwerkingtreding op de dag na afloop van de beroepstermijn, zijnde 6 weken na de bekendmaking, tenzij binnen deze termijn een verzoek om een voorlopige voorziening is ingediend bij de Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
7.3 Inspraak- en zienswijzenprocedure Vanwege de aard en geringe impact van het project wordt geen (facultatieve) inspraakprocedure gevolgd. Onderhavig bestemmingsplan heeft als ontwerp voor de duur van zes weken ter inzage gelegen (van 8 juli 2021 tot 20 augustus 2021), na voorafgaande publicatie in het Gemeenteblad, op de gemeentepagina en in de Staatscourant. Gedurende deze periode heeft eenieder de mogelijkheid gehad een zienswijzen op het plan kenbaar te maken. Van deze mogelijkheid is 6 keer gebruik gemaakt. Naar aanleiding van de ingekomen zienswijzen is het plan aangevuld / aangepast, waarna het bestemmingsplan ter vaststelling is aangeboden aan de gemeenteraad.
41