Bijlage 2.3. Toelichting
Tekst van het document
4.2.4.2
Ontwikkeling buiten bestaand stedelijk gebied Aard en omvang zijn ongeschikt voor stedelijk gebied De op stilte en meditatie gerichte activiteiten vragen om een plek weg van druk verkeer en gelegen in een natuurlijk gebied dat rust en ruimte uitstraalt, waar de stiltegroep niet gestoord wordt in de beleving van hun activiteit. Rust en stilte zijn belangrijke uitgangspunten. Voor de stiltegroep is het belangrijk, dat de locatie een schoon gebied is; met schone lucht, schone grond en weinig straling van onder- en bovengrondse kabels/leidingen. Een bedrijventerrein of een stads- of dorpskern zijn derhalve ongeschikt voor een Stiltecentrum. Verder is het voor de stiltegroep belangrijk dat ze ook niet ergens geheel afgesloten van de buitenwereld zit. Ondanks dat de activiteiten voornamelijk naar binnen zijn gericht, is het belangrijk dat op een vrij eenvoudige manier contact gelegd kan worden met de buitenwereld indien dit nodig is, dan wel als hier behoefte aan is. Los van het feit dat het voor de organisatie als onwenselijk wordt gezien voorliggend initiatief binnen bestaand stedelijk gebied te realiseren, is het gezien de aard en de omgang van de beoogde bebouwing ook niet mogelijk. Om de 50 vrouwen van huisvesting met bijbehorende voorzieningen te voorzien, kan voorliggend initiatief niet binnen bestaand stedelijk gebied gerealiseerd worden.
Een ander niet onbelangrijk punt is dat met de nieuwbouw de Vedische bouwprincipes kunnen worden geborgd. Deze organisatie streeft ernaar om zoveel mogelijk de kennis en levensfilosofie toe te passen die Maharishi Mahesh Yogi heeft ontwikkeld op alle levensgebieden. De voorkeur binnen de organisatie gaat daarom uit om te wonen in een Vastu gebouw. De Vedische manier van bouwen gaat uit van de volgende basisprincipes: 1. Oriëntatie: gericht naar het Oosten. Daar waar de zon opkomt; 2. De uitlijning, plaatsing van gebouwen op de Noord Zuid as evenwijdig aan de evenaar; 3. Plaatsing van de kamers; daar waar bepaalde kwaliteiten van de zon op bepaalde tijden van de
Bestemmingsplan Paarloweg 3 te Sint Odiliënberg Aelmans Ruimte, Omgeving & Milieu BV
31
M199046.002.001/ASE
dag aanwezig zijn; 4. Verhouding en symmetrie; 5. Gezonde, duurzame bouwmaterialen; 6. Parameters van het gebied, zoals bijvoorbeeld de juiste ligging van water; 7. Stedelijke ontwikkeling; in een Vastu stad of dorp liggen alle wegen Noord- Zuid of Oost west i.v.m. met juiste oriëntatie van huizen ten opzichte van de zon. Op basis van deze uitgangspunten van de organisatie, wordt een locatie binnen bestaand stedelijk gebied als niet geschikt beschouwd. De locatie Paarloweg 3 voldoet aan alle eisen van de Vastu principes, waarbij de oriëntatie naar de zon (met weinig schaduw), de windrichtingen, het water gunstig is. De locatie ligt in een rustige omgeving in het buitengebied, in de nabijheid van de kern Sint-Odiliënberg en wordt omgeven en begrensd door een groot en langgerekt stiltegebied. De locatie is gunstig gepositioneerd ten opzichte van de Roer. Deze locatie wordt om die redenen beschouwd als de perfecte plek voor de activiteiten die initiatiefnemer beoogt. Geen hergebruik van bestaande bebouwing mogelijk Het aanvankelijke idee was om de voormalige boerderij ’t Hemke te renoveren voor de Stiltegroep uit Heibloem. Het oude gebouw had op basis van de Vastu principes een gunstige ligging.
Door een overstroming ten gevolge van een waterleidingbreuk in de winter van 2017 en de weken van opvolgende vorst, was de toch al slechte toestand van het gebouw zodanig ver achteruit gegaan, dat renovatie geen optie meer was. Derhalve was het niet meer mogelijk om gebruik te maken van ’t Hemke om de groep uit Heibloem te huisvesten en is de voormalige boerderij geamoveerd. Op dat moment werd tevens bekend dat de stiltegroep in Zwitserland (Seelisberg) ook op zoek was naar een nieuwe locatie, waarna het idee is ontstaan om de twee stiltegroepen uit Zwitserland en Heimbloem te huisvesten in een nieuw te realiseren Stiltecentrum ter plaatse van het voormalige Hemke aan de Paarloweg 3. Voor de huisvesting van de twee groepen kan geen gebruik kan worden gemaakt van de planologisch-juridische mogelijkheden van de zusterorganisatie binnen het onherroepelijk bestemmingsplan van de Vedische Universiteit in Vlodrop (MERU). Er is geen direct/rechtstreeks verband tussen de twee organisaties. De enkele overeenkomst tussen MERU en de International Womens Organisation is dat iedereen het Transcendente Meditatie (TM) programma beoefent. De functie van beide organisaties en de locaties zijn verschillend en ook de dynamiek van de organisaties is totaal anders.
MERU is een levendig Kenniscentrum, waar sprake is van een constante stroom van komende en vertrekkende mensen die zich daar ontmoeten en onderling samenwerken. Dit is naar de buitenwereld gericht. De groepen van De International Women’s Organisation leven meer een soort van kloosterleven en bewegen ook weinig naar buiten (met auto’s en/of andere vervoermiddelen). Ze zijn meer naar binnen gericht. Om die reden is de locatie van MERU niet geschikt voor dit soort groepen.
32
Bestemmingsplan Paarloweg 3 te Sint Odiliënberg Aelmans Ruimte, Omgeving & Milieu BV
M199046.002.001/ASE
Maatschappelijke en landschappelijke meerwaarde Met voorliggend initiatief is het van belang dat de invloed van het toekomstig gebruik op het omliggend landschap in beeld wordt gebracht. Allereerst wordt met de ontwikkeling van een Stiltecentrum de mogelijkheid tot uitoefenen van agrarische bedrijfsactiviteiten ter plaatse beëindigd. Met de transformatie van agrarisch gebied naar een Stiltecentrum wordt hiermee een positieve bijdrage geleverd aan de leefomgeving van de plek zelf en het gebied er om heen. Ook leidt het initiatief tot economische meerwaarde voor lokale bedrijven. Deze kunnen hun diensten leveren (o.a. voedingsmiddelen, onderhouden bebouwing en tuin, vervoer etc.) Daarnaast zullen met voorliggend plan de ruime agrarische bebouwingsmogelijkheden uit het vigerende bestemmingsplan vervallen, waardoor het bebouwingsoppervlak beperkt wordt van ruim 9.300 m2 naar ruim 2.500 m2 . De bebouwingsdichtheid neemt hiermee met meer dan 70% af. Ten opzichte van de bestaande bouwmogelijkheden op onderhavig perceel betreft dit een beperkte verruiming. Qua bouwhoogte is de beoogde bebouwing ondergeschikt aan de bouwhoogte uit het vigerende bestemmingsplan.
Het verwijderen van de agrarische bebouwingsmogelijkheden en het aanzienlijk terugbrengen van het bebouwingspercentage zijn in dit gebied met veel omliggende natuurwaarden evidente pluspunten welke tot aanzienlijk minder (potentiële) verstening van het buitengebied leiden. Dit dient een duidelijk maatschappelijk belang. Daar komt bij dat bij de vormgeving van de voorgenomen ontwikkeling eveneens rekening is gehouden met een goede landschappelijke inpassing. Om en nabij het plangebied zal worden voorzien in nieuwe aanplant waarmee zorg wordt gedragen voor een inpassing van de te realiseren bebouwing. Dat inpassingsplan is als bijlage 3 bij deze toelichting gevoegd. Doordat er geen grootschalige agrarische bedrijfsbebouwing meer kan worden opgericht en de nieuwe qua oppervlakte beperktere bebouwing wordt voorzien van een goede landschappelijke inpassing, levert het samenstel van ontwikkelingen een duidelijke bijdrage aan de kernkwaliteiten van het Limburgs landschap. Het verschil tussen droge en natte gebieden wordt behouden en versterkt. Bestaande lijnstructuren worden daar waar mogelijk behouden en versterkt en de landschappelijke maatregelen worden zoveel mogelijk rondom de bebouwing gesitueerd. Ook wordt de omgeving van de bebouwing overwegend natuurlijk ingericht vanwege de overgang naar de omliggende bos-/natuurgebieden.
Als bijlage 13 is een Visual Streetview aan de toelichting toegevoegd welke, gezien vanaf de Paarloweg, het aanzicht van de nieuwe bebouwing geeft na realisatie en volgroeiing van de landschappelijke inpassing. Op grond van vorenstaande overwegingen wordt vastgesteld, dat wordt voldaan aan de uitgangspunten van de Ladder voor duurzame verstedelijking.
Bestemmingsplan Paarloweg 3 te Sint Odiliënberg Aelmans Ruimte, Omgeving & Milieu BV
33
M199046.002.001/ASE
4.2.5
Limburgs Kwaliteitsmenu Voor (ruimtelijke) ontwikkelingen buiten de zogenaamde ‘rode contouren’ was tot medio 2012 het Limburgs Kwaliteitsmenu van kracht. In dit Kwaliteitsmenu gaf de provincie de Limburgse gemeenten een handreiking op welke wijze deze om moeten gaan met ontwikkelingen in het buitengebied. Gemeenten dienen in een structuurvisie dit provinciale beleidskader te verwerken en aan te geven op welke wijze zij toepassing gaven aan het Limburgs Kwaliteitsmenu. De gemeenteraad van Roerdalen heeft op 8 juli 2021 de ‘Omgevingsvisie Roerdalen 2050’ vastgesteld waarin het provinciale ‘Limburgs Kwaliteitsmenu’ is vertaald in het ‘Kwaliteitskader Roerdalen. In paragraaf 4.3.2 (gemeentelijk beleid) wordt hier nader op ingegaan.
4.2.6
Landschapskader Noord- en Midden Limburg In het Landschapskader Noord- en Midden Limburg worden handvaten gegeven ter verhoging van de verschillende in Limburg aanwezige landschappelijke kwaliteiten om daarmee de dagelijkse leefomgeving van vele mensen en ook van planten en dieren een kwaliteitsimpuls te geven. Het Landschapskader heeft tot doel op een beknopte wijze inzicht te geven in het hoe en waarom van het huidige landschap en daarmee grip te krijgen op de kansen die dat zelfde landschap biedt voor de toekomst. Het vormt hiermee een inspiratiebron om tot kwaliteitsverbeteringen te komen voor het Noord- en Midden-Limburgse landschap. Aan de hand van zowel kenmerkende beelden van de huidige situatie als aansprekende ontwikkelingsmogelijkheden voor de toekomst inspireert het Landschapskader initiatiefnemers en beleidsmakers tot passende ruimtelijke ontwikkelingen die bijdragen aan een aantrekkelijker landschap om in te wonen, te werken en te recreëren. In het landschapskader wordt een overzicht gegeven van de ontstaansgeschiedenis en de kwaliteiten van het landschap. Dit aan de hand van een viertal kaarten, namelijk ‘natuurlijk fundament’, ‘gebruik en patroon in de tijd’, ‘ruimte-massa in huidige situatie’ en ‘landschapstypen en kwaliteiten’.
In paragraaf 2 van het landschappelijk inpassingsplan (bijlage 3 bij de toelichting) worden deze kaarten beschouwd in het licht van voorliggend planvoornemen. Bij de verdere uitwerking van de landschappelijke inpassing en de compensatie is hier rekening mee gehouden. Het plan is passend binnen randvoorwaarden van het Landschapskader Noord- en midden Limburg.
4.2.7
Conclusie provinciaal beleid Gelet op vorenstaande uiteenzetting van het vigerende provinciale beleid, bestaan er geen onoverkomelijke belemmeringen met betrekking tot voorliggende ontwikkeling. De ter plekke van onderhavig plangebied van toepassing zijnde provinciale zonering ‘zilvergroene natuurzone’ impliceert geen belemmeringen vanuit beleidsoogpunt. Voorts is geen sprake van strijdigheid met de uitgangspunten van het ‘Stiltegebied’ en het beschermingsgebied ‘Roerdalslenk zone III’. Ook voldoet onderhavige ontwikkeling aan de ladder voor duurzame verstedelijking.
34
Bestemmingsplan Paarloweg 3 te Sint Odiliënberg Aelmans Ruimte, Omgeving & Milieu BV
M199046.002.001/ASE
4.3
Gemeentelijk planologisch beleid
4.3.1
Omgevingsvisie Roerdalen 2050 De gemeente Roerdalen heeft haar beleid nader geconcretiseerd in de ‘Omgevingsvisie Roerdalen 2050’. In die Omgevingsvisie wordt voorop gesteld dat binnen de gemeente Roerdalen ruimte wordt geboden aan nieuwe ontwikkelingen op het gebied van gezondheid. Dit vanuit de overtuiging dat gezonde en gelukkige inwoners een positieve bijdrage leveren aan de maatschappij. Daarbij staan een gezonde leefstijl en het mentale welbevinden van inwoners centraal. Roerdalen wil een aantrekkelijke woongemeente zijn. Daarbij hoort een prettig woon- en leefklimaat om te wonen, te werken en te ondernemen. Dit in een omgeving van rust, ruimte en groen en een goede infrastructuur. De Omgevingsvisie geeft daarnaast aan dat voor agrarische bedrijven die activiteiten staken perspectief noodzakelijk is om invulling te geven aan vrijkomende agrarische bebouwing (VABlocaties). Uitgangspunt is het voorkomen van leegstand, verloedering en ondermijning. Afhankelijk van de locatie zijn kleinschalige recreatie, wonen én kleinschalige bedrijvigheid mogelijke alternatieve invullingen. Voor deze alternatieven geldt uiteraard een goede ruimtelijke inpasbaarheid en het scheppen van duidelijke kaders zodat de ruimtelijke kwaliteit, ook naar de toekomst toe geborgd blijft.
Het transformeren van Vrijkomende Agrarische Bebouwing (VAB) naar een woonfunctie is vanuit het werkveld Wonen niet vanzelfsprekend omdat wonen bij voorkeur wordt gerealiseerd in de bebouwde gebieden. Locaties in het buitengebied die voor herontwikkeling in aanmerking komen kunnen wel kansen bieden voor alternatieve of nieuwe woonvormen. Onderhavige ontwikkeling speelt daar concreet op in. Het betreft een VAB-locatie in het buitengebied die voor herontwikkeling in aanmerking komt. Daartoe wordt er op deze locatie een alternatieve woonvorm gerealiseerd. Er wordt bebouwing opgericht ten behoeve van het verblijf van vrouwen in een woongroep. De vrouwen in deze woongroep hebben een gezamenlijk doel, namelijk het gezamenlijk beoefenen van de transcendente meditatietechniek en het leiden van een teruggetrokken leven. Onderhavig planvoornemen ziet op het realiseren van een verblijfsgebouw en een facilitair gebouw. Het verblijfsgebouw zal bestaan uit 50 individuele kamers van ongeveer 20-30 m2 per persoon. Daarnaast zijn in het facilitaire gebouw 7 aanvullende kamers aanwezig voor cursisten of personeel. Op elke kamer verblijft één persoon. Op elke kamer zijn beperkte eigen voorzieningen aanwezig, waaronder een slaapgelegenheid, sanitaire voorzieningen en eventueel een aparte studieruimte.
Daarnaast zijn in beide gebouwen gemeenschappelijke ruimten aanwezig waar gezamenlijk wordt gegeten en waar transcendente meditatie programma’s worden gevolgd. Gelet op het feit dat de beoogde kamers niet over alle noodzakelijke voorzieningen beschikken, maar een aantal voorzieningen gemeenschappelijk van aard zijn, kan niet worden gesproken van 57 separate wooneenheden. Daarnaast voorziet onderhavige ontwikkeling in een goede ruimtelijke en landschappelijke inpassing. Onderhavig voornemen tot realisatie van deze alternatieve woonvorm is dan ook in overeenstemming met de ‘Omgevingsvisie Roerdalen 2050’.
Bestemmingsplan Paarloweg 3 te Sint Odiliënberg Aelmans Ruimte, Omgeving & Milieu BV
35
M199046.002.001/ASE
4.3.2
Kwaliteitskader Roerdalen Het gemeentelijk kwaliteitsmenu van de gemeente Roerdalen is verankerd in de ‘Omgevingsvisie Roerdalen 2050’. Het Kwaliteitskader Roerdalen richt zich op initiatieven in het buitengebied en is van toepassing op ontwikkelingen in het buitengebied die middels een planologische procedure mogelijk worden gemaakt. Onderhavige locatie is gelegen in het buitengebied van de kern Sint Odiliënberg. In het ‘Kwaliteitskader Roerdalen’ wordt voor ruimtelijke ontwikkelingen in het buitengebied onderscheid gemaakt in een aantal soorten ruimtelijke ontwikkelingen. Tot de categorie ‘Overig (gebouwde) functies’ behoort onder andere de categorie ‘Commerciële maatschappelijke voorzieningen’. Bij deze module geldt als uitgangspunt dat iedere m2 erf gecompenseerd moet worden met € 1,- en iedere m2 extra bebouwing met € 25,-. Ten behoeve van onderhavig planvoornemen heeft bureau Kragten een gebiedsanalyse opgesteld waarin nader wordt ingegaan op het ontstaan van het complex ’t Hemke. Daarmee kan de huidige omgeving en het landschap ter plaatse in het juiste perspectief worden geplaatst. Betreffende gebiedsanalyse is bijgevoegd als bijlage 2. Rekening houdend met deze landschapsanalyse is voor onderhavig plangebied een landschapsplan opgesteld, hetgeen is bijgevoegd als bijlage 3. Initiatiefnemer is bereid om onderhavig plangebied ruimtelijk en landschappelijk in te passen.
De beoogde landschappelijke inpassing kenmerkt zich onder andere door het aanplanten van inheems struweel, het realiseren en onderhouden van een moestuin, het inzaaien van bloemrijk grasland en het aanplanten van oude fruitrassen. Met behulp van het aanplanten van inheemse plantensoorten wordt onderhavig plangebied op passende wijze landschappelijk ingepast. De Omgevingscommissie MER heeft op 28 januari 2020 aangegeven dat zij kan instemmen met het landschappelijk planvoornemen en het landschapsplan in relatie tot de nieuwbouw als goed doordacht beschouwd. Wel wijst zij op een aantal aandachtspunten waar bij de landschappelijke inpassing rekening mee moet worden gehouden. Naar aanleiding van het advies van de Omgevingscommissie MER is het landschapsplan daarop aangepast. Verder is het landschapsplan nog aangepast naar aanleiding van de met de omwonenden gevoerde omgevingsdialoog. Dit heeft uiteindelijk geresulteerd in het landschapsplan van 6 maart 2023 (zie bijlage 3). Dit aangepaste plan is op 23 maart 2023 voorgelegd aan de Omgevingscommissie. Deze heeft het gewijzigde plan geaccordeerd. Dit goedkeurende advies van de LKM is als bijlage 4 toegevoegd aan de toelichting.
4.3.3
Conclusie gemeentelijk beleid Gelet op het vorenstaande uiteenzetting van het gemeentelijke beleid wordt geconcludeerd dat onderhavige planontwikkeling niet strijdig is met dit beleid.
36
Bestemmingsplan Paarloweg 3 te Sint Odiliënberg Aelmans Ruimte, Omgeving & Milieu BV
M199046.002.001/ASE
5
Milieutechnische aspecten Bij de realisering van een planontwikkeling moet in de eerste plaats rekening worden gehouden met aspecten uit de omgeving die een negatieve invloed kunnen hebben op het plangebied. Dit geldt omgekeerd ook voor de uitwerking die het project heeft op zijn omgeving. Voor de locatie zijn in dit hoofdstuk de milieuaspecten bodem, geluid, milieuzonering, luchtkwaliteit en externe veiligheid onderzocht.
5.1
Besluit Milieueffectrapportage Onderhavig project kan, hoewel er sprake is van een maatschappelijke functie, vanuit MERperspectief het best vergeleken worden met een woningbouwproject daar er een aantal eenheden worden gerealiseerd waar mensen langdurig in verblijven. Bij woningbouw kan er sprake zijn van een stedelijk ontwikkelingsproject, zoals aangegeven in onderdeel D 11.2, kolom 1: ‘De aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen.’ Als de ontwikkeling ook voldoet aan kolom 2 (de drempel), dan is er sprake van een m.e.r.-plicht. Dit is het geval als de activiteit betrekking heeft op: 1. een oppervlakte van 100 hectare of meer; 2. een aaneengesloten gebied en 2000 of meer woningen omvat; of 3. een bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m² of meer. Onderhavig planvoornemen voorziet in de realisatie van een verblijfsgebouw en een facilitair gebouw met een bijbehorend bouwwerk (schuur). De voorgenomen activiteit blijft hiermee ruimschoots onder de drempel en daarmee is sprake van een informele m.e.r.-beoordeling. Dit wordt ook wel de vorm-vrije m.e.r.-beoordeling genoemd. Met de aanpassing van het Besluit m.e.r., zoals deze 7 juli 2017 in werking is getreden, gelden deze procedurele en inhoudsvereisten ook voor activiteiten onder de drempelwaarden.
Bij elk nieuwbouwplan dient een vormvrije m.e.r.-beoordeling plaats te vinden, bestaand uit een apart besluit in een zo vroeg mogelijke planfase waarin expliciet wordt aangetoond of er sprake is van belangrijke nadelige milieueffecten nadat er een afweging heeft plaatsgevonden aangaande de volgende drie criteria: a. de kenmerken van de projecten; b. de plaats van de projecten; c. de kenmerken van de potentiële effecten. Ad. a. de kenmerken van het project • De omvang van het project: Het plangebied is circa 12.300 m² groot. Ter plaatse was een voormalig agrarisch bedrijf aanwezig. Het perceel heeft de bestemming ‘Agrarisch met waarden – Natuur – en landschapswaarden’ (met bouwvlak). De bestaande bebouwing is gesloopt.
Bestemmingsplan Paarloweg 3 te Sint Odiliënberg Aelmans Ruimte, Omgeving & Milieu BV
37
M199046.002.001/ASE
•
De cumulatie met andere projecten: In en om het plangebied zijn geen relevante activiteiten of projecten waarmee rekening moet worden gehouden in de beoordeling.
•
Het gebruik van natuurlijke hulpbronnen: Het gebruik van natuurlijke hulpbronnen verandert niet als gevolg van de realisatie van de nieuwe bebouwing. Dit onderdeel geeft geen aanleiding aanzienlijke gevolgen voor het milieu te veronderstellen, zodanig dat daarvoor een milieueffectrapportage moet worden doorlopen.
•
De productie van afvalstoffen: Zowel in de realisatiefase als in de gebruiksfase vindt er geen productie plaats van afvalstoffen, anders dan regulier bouw- en huishoudelijk afval.
•
Verontreiniging en hinder: Tijdens de realisatiefase is er wellicht enige hinder in de vorm van geluid en mogelijk trillingen. Het (aannemers)bedrijf welke verantwoordelijk is voor de uitvoering van de realisatie zal zich daarbij moeten houden aan de algemene wet en regelgeving en de geldende milieuwetgeving.
•
Risico van ongevallen, met name gelet op de gebruikte stoffen of technologieën Een verblijfsgebouw is geen risicobron. In paragraaf 5.5 (Externe veiligheid) hieronder is daarnaast geconcludeerd dat er geen belemmeringen zijn vanuit het plaatsgebonden en groepsrisico ten aanzien van inrichtingen, transportassen en buisleidingen.
Ad. b. de plaats van het project • Het bestaand grondgebruik: Het gebied was in gebruik als agrarische bouwkavel met omliggend weiland. Het plangebied wordt omgeven door landbouwgrond, natuur en andere agrarische bedrijven. •
Natuurlijke hulpbronnen: Ter plaatse van het plangebied zijn geen relevante natuurlijke hulpbronnen die bijdragen aan het project dan wel een effect hebben op het project.
•
Opnamevermogen/gevoeligheid van het milieu: Uit de beoordeling van de planologisch relevante milieuaspecten in de volgende paragrafen komt naar voren dat het planvoornemen deze aspecten niet belemmert.
Ad. c. de kenmerken van de potentiële effecten Beoogd wordt met het planvoornemen een verblijfsgebouw en facilitair gebouw te realiseren. Bij de realisatie wordt zowel aan de geldende algemene wet- en regelgeving als aan de geldende milieuwetgeving voldaan. In de volgende paragrafen wordt ingegaan op de verschillende milieu- en omgevingsaspecten. Gelet op de kenmerken van het project, de locatie van het project en de kenmerken van de effecten van het project, moet worden geconcludeerd dat het project niet leidt tot milieueffecten van
38
Bestemmingsplan Paarloweg 3 te Sint Odiliënberg Aelmans Ruimte, Omgeving & Milieu BV
M199046.002.001/ASE
dusdanige omvang, dat sprake kan zijn van ‘belangrijke nadelige milieugevolgen’. Er is daarom geen aanleiding of noodzaak voor het doorlopen van een formele m.e.r.-beoordelingsprocedure of m.e.r.procedure.
5.2
Bodem Indien sprake is van een planologische functiewijziging, dient te worden bezien of de milieuhygiënische kwaliteit van de bodem ter plaatse geschikt is voor het voorgenomen gebruik. Onderhavige ontwikkeling is gericht op het vestigen van een locatie van het ‘Women’s International Center for Inner Happiness’ op de locatie Paarloweg 3 te Sint Odiliënberg. Om onderhavige ontwikkeling mogelijk te maken dient de bestemming ‘Agrarisch met waarden – Natuur- en landschapswaarden’ te worden gewijzigd naar de gevoeligere bestemming ‘Maatschappelijk’. Aangezien ter plekke van onderhavig plangebied een functiewijziging moet plaatsvinden, dient te worden bezien of de milieuhygiënische kwaliteit van de bodem ter plaatse geschikt is voor het voorgenomen gebruik. Ten behoeve van voorliggende ontwikkeling is een verkennend bodem- en asbestonderzoek verricht door Aelmans ECO B.V.. De rapportage van het verrichte onderzoek is bijgevoegd als bijlage 5; rapport d.d. 14 mei 2020. Op grond van dat onderzoek zijn de volgende conclusies en aanbevelingen gedaan. Bovengrond Wat betreft de bovengrond is gebleken dat de concentraties kobalt, nikkel en zink de achtergrondwaarden overschrijden doch niet de bodemindex en/of interventiewaarden. De bovengrond kan als klasse wonen dan wel klasse AW2000 grond gekwalificeerd worden.
Ondergrond In de ondergrond zijn marginaal verhoogde concentraties kobalt en/of nikkel aangetroffen. Deze overschrijdingen zijn dermate marginaal dat deze weliswaar de achtergrondwaarden overschrijden doch niet de bodemindex en/of interventiewaarden. Op basis van een indicatieve toetsing aan het Besluit bodemkwaliteit kan de ondergrond als klasse AW2000 grond bestempeld worden. PFAS Diverse licht verhoogde concentraties PFAS zijn aangetroffen welke de detectiegrens overschrijden doch niet de achtergrondwaarden. De aangetroffen concentraties zijn van dien aard dat deze geen invloed hebben op de uiteindelijke kwalificatie van de te onderzoeken bodemlagen. Grondwater In het grondwater zijn marginale overschrijdingen aangetroffen met xylenen. Deze overschrijdingen zijn van dien aard dat deze als te verwaarlozen beschouwd kunnen worden.
Bestemmingsplan Paarloweg 3 te Sint Odiliënberg Aelmans Ruimte, Omgeving & Milieu BV
39
M199046.002.001/ASE
Asbest Tijdens het verrichten van het bodemonderzoek zijn zintuiglijk geen specifieke asbestverdachte materialen aangetoond. Derhalve kan de hypothese “onverdacht” met betrekking tot asbest worden bevestigd. Geconcludeerd wordt dat er geen aanleiding bestaat om over te gaan tot het uitvoeren van een nader onderzoek. Gelet op vorenstaande vormt het aspect bodem geen belemmeringen voor de beoogde planontwikkeling.
5.3
Geluid Onderhavige planontwikkeling is gericht op het realiseren van een Stiltecentrum op de locatie Paarloweg 3 te Sint Odiliënberg, bestaande uit een verblijfgebouw en een facilitair gebouw. Ter plekke kunnen vrouwen van verschillende culturele achtergronden cursussen/lezingen volgen op het gebied van persoonlijkheidsontwikkeling. Omdat onderhavige organisatie internationaal georiënteerd is, hebben deelnemers de mogelijkheid om voor korte respectievelijk middellange periodes op onderhavige locatie te verblijven. In de Wet Geluidhinder wordt aangegeven welke objecten in het kader van de Wet geluidhinder beschermd worden. Dit betreft woningen en een ‘ander geluidsgevoelig gebouw’. Op basis van het Besluit geluidhinder moeten onder ‘ander geluidsgevoelig gebouw’ worden verstaan: onderwijsgebouwen; ziekenhuizen en verpleeghuizen; verzorgingstehuizen; psychiatrische inrichtingen; kinderdagverblijven. Onderhavig initiatief, het geven van trainingen en cursussen/lezingen voor langere perioden, wordt niet genoemd in artikel 1.2 van het Besluit geluidhinder. Dit neemt niet weg dat naast de vrouwen die permanent op de locatie verblijven, deelnemers aan de trainingen en cursussen/lezingen ook tijdelijk zullen verblijven op onderhavige locatie. Derhalve wordt hieronder alsnog ingegaan op het aspect geluid.
Met betrekking tot het aspect geluid kan sprake zijn van geluidbelasting als gevolg van wegverkeerslawaai, industrielawaai en spoorweglawaai. Bij voorliggende ontwikkeling speelt het aspect wegverkeerslawaai een rol. Ten aanzien van alle wegen, behalve 30 km/u wegen en wegen behorende bij een woonerf, geldt een geluidszone, die ook wettelijk is vastgelegd in de Wet geluidhinder. Voor wegen die buitenstedelijk zijn gelegen en die bestaan uit één of twee rijstroken, geldt een wettelijk vastgestelde geluidzone van 250 meter aan weerszijden van de weg (gemeten vanuit de wegas). Wegen waarop een maximum snelheid geldt van 30 km/u zijn niet voorzien van geluidzones. Wanneer er ontwikkelingen worden gerealiseerd binnen geluidzones van wegen, zal middels een akoestisch onderzoek moeten worden aangetoond, dat de gevelbelasting vanwege het wegverkeerslawaai niet zodanig is dat de, in de Wet geluidhinder opgenomen, voorkeursgrenswaarde van 48 dB voor burgerwoningen wordt overschreden. Is dit wel het geval, dan zal een procedure voor het vaststellen van een Hogere Waarde gevolgd dienen te worden.
40
Bestemmingsplan Paarloweg 3 te Sint Odiliënberg Aelmans Ruimte, Omgeving & Milieu BV
M199046.002.001/ASE
De locatie van de beoogde bebouwing is op ruime afstand, circa 100 meter, gelegen van de Paarloweg. Voor deze weg geldt een maximum snelheid van 60 km/u. Dergelijke wegen zijn op basis van de Wet geluidhinder gezoneerd. Met inachtneming van de geluidkaart van het RIVM kan een indicatie worden verkregen van de geluidkwaliteit op een bepaalde locatie. Deze geluidkwaliteit is gebaseerd op een indeling in klassen van 5 dB van de totale gecumuleerde geluidbelasting van wegverkeer, railverkeer, luchtvaart, windturbines en industrie. De indicatie van geluidkwaliteit heeft betrekking op de situatie buitenshuis.
Geluidkaart RIVM met aanduiding plangebied
Gelet op de geluidkaart van het RIVM is indicatief de geluidkwaliteit ter plekke van onderhavig plangebied in zijn algemeenheid ‘zeer goed (<45 dBA)’. De projectlocatie wordt omgeven door een stiltegebied. De bebouwing en het erf liggen voor een klein gedeelte in dat stiltegebied. Gelet op de ligging aangrenzend aan een stiltegebied is besloten om middels een kwantitatieve akoestische onderbouwing aan te tonen dat de activiteit (incl. verkeersgeneratie) geen extra verstoring van het stiltegebied boven de 35 dB(A) oplevert. Daartoe is een indicatieve berekening gemaakt met betrekking tot de ontwikkeling aan de Paarloweg 3 te Sint Odiliënberg in relatie tot het stiltegebied. De daarbij gehanteerde geluidsbronnen zijn (worst case): - 60 voertuigbewegingen per etmaal met een personenauto - Gedurende 8 uur per etmaal stemgeluiden op het buitenterrein Op basis van deze uitgangspunten wordt op 30 meter van het bestemmingsvlak een geluidniveau berekend van 30 dB. De norm voor stiltegebieden betreft 35 dB op 30 meter afstand. Oftewel met
Bestemmingsplan Paarloweg 3 te Sint Odiliënberg Aelmans Ruimte, Omgeving & Milieu BV
41
M199046.002.001/ASE
deze uitgangspunten resteert er nog een (extra) geluidsruimte van 5 dB. De ligging nabij het stiltegebied leidt daarmee niet tot extra verstoring in het stiltegebied. In onderstaande afbeelding de geluidcontouren weergegeven.
Figuur met geluidscontour in relatie tot het stiltegebied
Met inachtneming van vorenstaande uiteenzetting vormt het aspect geluid geen belemmeringen voor de beoogde ontwikkeling. Er zijn geen redenen om te twijfelen aan het verblijfklimaat ter plekke van de nieuw op te richten bebouwing. Gelet op vorenstaande vormt het aspect geluid geen belemmeringen voor de beoogde planontwikkeling.
5.4
Milieuzonering Milieuzonering zorgt ervoor dat nieuwe bedrijven een passende locatie in de nabijheid van woningen krijgen en dat (andersom) nieuwe woningen op een verantwoorde afstand van bedrijven gesitueerd worden. Het waar mogelijk scheiden van bedrijven en woningen bij nieuwe ontwikkelingen dient twee doelen: -
42
het reeds in het ruimtelijke spoor voorkomen of zoveel mogelijk beperken van hinder en gevaar voor woningen; het tegelijk daarmee aan de bedrijven voldoende zekerheid bieden dat zij hun activiteiten duurzaam binnen aanvaardbare voorwaarden kunnen uitoefenen.
Bestemmingsplan Paarloweg 3 te Sint Odiliënberg Aelmans Ruimte, Omgeving & Milieu BV
M199046.002.001/ASE
De gemeente beslist zelf of zij op een bepaalde locatie bedrijven of woningen wil mogelijk maken. Dit besluit dient echter wel zorgvuldig te worden afgewogen en te worden verantwoord. Teneinde te bepalen of een goed woon- en leefklimaat in de nieuw te realiseren bebouwing aanwezig is, dient bestaande bedrijvigheid in de (directe) omgeving van onderhavig plangebied te worden beoordeeld. Daartoe kan gebruik worden gemaakt van de VNG-publicatie ‘Bedrijven en milieuzonering (editie 2009)’. Initiatiefnemer is voornemens om op de locatie Paarloweg 3 te Sint Odiliënberg een Stiltecentrum op te richten. Vrouwen die deelnemen aan deze cursussen/lezingen kunnen voor korte (minimaal 6 maanden) respectievelijk middellange periodes (meerdere jaren) verblijven op onderhavige locatie. Gedurende deze periode volgen zij cursussen/lezingen op het gebied van Transcendente Meditatie. Vooropgesteld moet worden dat onderhavige ontwikkeling een beperkte verkeersaantrekkende werking tot gevolg heeft. Dit omdat de deelnemers aan betreffende cursussen/lezingen voor korte, maar ook middellange periodes verblijven op onderhavige locatie en er derhalve geen sprake is van dagelijkse verkeersbewegingen van de mensen die op deze locatie verblijven. Vanuit dat oogpunt is bij voorliggende planontwikkeling sprake van een goede ruimtelijke ordening.
Daarnaast kan worden gewezen op het feit dat onderhavige locatie vrij solitair is gelegen met als gevolg dat in de directe omgeving geen woningen respectievelijk bedrijfslocaties zijn gelegen. Wel is relevant dat op de locatie Paarloweg 5 een pluimveebedrijf is gevestigd. De afstand van de dichtstbijzijnde nieuw op te richten bebouwing (het facilitair gebouw) tot de grens van de inrichting van dit pluimveebedrijf bedraagt circa 100 meter. Uitgaande van brochure ‘Bedrijven en milieuzonering (editie 2009) dient voor het fokken en houden van pluimvee (SBI-2008: 0147) voor het aspect geur een minimale (richt)afstand van 200 meter te worden aangehouden tot nabijgelegen gevoelige objecten. Voor het aspect fijn stof moet een minimale (richt)afstand van 30 meter in ogenschouw worden genomen. Aangezien in onderhavige situatie niet aan de richtafstand voor het aspect geur wordt voldaan, is door Aelmans ROM B.V. nader onderzoek verricht naar de aspecten geur en fijn stof van het pluimveebedrijf op onderhavig plangebied. De uitkomsten van deze onderzoeken zijn bijgevoegd als bijlage 6. Geur Wat betreft het aspect geur zijn twee berekeningen uitgevoerd. Allereerst is gekeken naar de geurbelasting van de vigerende vergunning op basis van de Wet milieubeheer van de locatie Paarloweg 5 op de beoogde gevoelige bebouwing en verblijfsruimten.
Daarnaast is de geurbelasting van de vergunde situatie conform de Wet natuurbescherming vanaf de hoek van het bouwvlak bij de locatie Paarloweg 5 jegens de gevoelige bebouwing en de verblijfruimten onderzocht. Vooropgesteld moet worden dat ter plaatse van onderhavige locatie geen geurverordening van toepassing is met als gevolg dat de maximum toegestane geurnorm 14 odeur units per m3 lucht mag bedragen. Rekening houdend met de vigerende vergunning Wet milieubeheer bedraagt de geurbelasting voor het verblijfsgebouw 1,1 odeur units per m3 lucht en voor de overige verblijfsruimten 1,9 odeur units per m3 lucht. Rekening houdend met de vergunde situatie conform de Wet natuurbescherming vanaf de hoek van het bouwvlak Paarloweg jegens het verblijfsgebouw en de verblijfsruimten kan worden gewezen op het feit dat de geurbelasting op het verblijfsgebouw 1,3 odeur units per m3 lucht bedraagt en voor de overige verblijfsruimten 4,5 odeur units per m3 lucht. Aangezien de maximum toegestane
Bestemmingsplan Paarloweg 3 te Sint Odiliënberg Aelmans Ruimte, Omgeving & Milieu BV
43
M199046.002.001/ASE
geurnorm van 14 odeur units per m3 lucht niet wordt overschreden, wordt voldaan aan het aspect geur. Daar komt bij dat de afstand van de gevel van het beoogde Stiltecentrum voor persoonlijkheidsontwikkeling tot de gevel van een dierenverblijf in het buitengebied minimaal 25 meter dient te bedragen. Aan dit criterium wordt eveneens ruim voldaan. Fijn stof Wat betreft het aspect fijn stof zijn twee berekeningen uitgevoerd, namelijk de fijn stofemissie in de vigerende situatie van de locatie Paarloweg 5 jegens Paarloweg 3 en daarnaast is een worst-case berekening uitgevoerd waarbij rekening is gehouden met de hoek van het bouwvlak van de locatie Paarloweg 5. Rekening houdend met de vigerende situatie blijkt dat voor het verblijfsgebouw ( ‘zorghotel’) en de overige verblijfsruimte sprake is van een concentratie (microgram/m3) van 16,82 respectievelijk 17,06 microgram/m3. Deze concentraties blijven ver onder de ter plaatse maximum toegestane concentratie van 40 microgram/m3. Daarnaast kan worden gewezen op het feit dat voor zowel het verblijfsgebouw als de verblijfsruimte sprake is van een overschrijding van 6,1 dagen. Deze overschrijding blijft ver onder de ter plaatse maximum toegestane overschrijding van 35 dagen.
Wanneer rekening wordt gehouden met de hoek van het bouwvlak van de locatie Paarloweg 5 kan worden gewezen op het feit dat voor het zorghotel respectievelijk de verblijfsruimte sprake is van een concentratie (microgram/m3) van 16,99 respectievelijk 18,13 microgram/m3. Deze concentraties blijven ver onder de ter plaatse maximum toegestane concentratie van 40 microgram/m3. Daarnaast kan worden gewezen op het feit dat voor het verblijfsgebouw (‘zorghotel’) en de overige verblijfsruimte sprake is van een overschrijding van 6,1 respectievelijk 6,9 dagen. Deze overschrijding blijft eveneens ver onder de ter plaatse maximum toegestane overschrijding van 35 dagen. Tot slot kan worden gewezen op het feit dat de realisatie van een Stiltecentrum aan de Paarloweg 3 geen (extra) belemmeringen voor bedrijven en woningen in de omgeving. In de brochure ‘Bedrijven en milieuzonering (editie 2009)’ is geen categorie opgenomen die volledig de lading dekt van onderhavig initiatief. De categorie ‘Artsenpraktijken, klinieken en dagverblijven’ (SBI-2008: 8621, 8622, 8623) sluit het meest aan bij onderhavig planvoornemen. Voor deze activiteiten dient een minimale (richt)afstand van 10 meter te worden aangehouden tot nabijgelegen gevoelige objecten. In dit kader kan voor het realiseren van een Stiltecentrum eveneens een richtafstand van 10 meter richting omliggende gevoelige functies worden gehanteerd.
In onderhavige situatie wordt aan deze afstand meer dan ruim voldaan. Gelet op vorenstaande vormt het aspect milieuzonering geen belemmering voor de voorgenomen planontwikkeling.
5.5
Luchtkwaliteit
5.5.1
Algemeen Sinds 15 november 2007 zijn de belangrijkste bepalingen inzake de luchtkwaliteit opgenomen in hoofdstuk 5, titel 5.2 van de Wet milieubeheer (hierna ook: Wm). Omdat de luchtkwaliteitseisen op zijn genomen in titel 5.2 van de Wm, staat deze ook wel bekend als de ‘Wet luchtkwaliteit’.
44
Bestemmingsplan Paarloweg 3 te Sint Odiliënberg Aelmans Ruimte, Omgeving & Milieu BV
M199046.002.001/ASE
Het doel van titel 5.2 Wm is om de mensen te beschermen tegen de negatieve gevolgen van luchtverontreiniging op hun gezondheid. In de wet- en regelgeving zijn de richtlijnen uit de Europese regelgeving opgenomen, waaraan voorgenomen ontwikkelingen dienen te voldoen. Als aan minimaal één van de volgende voorwaarden wordt voldaan, vormen de luchtkwaliteitseisen in beginsel geen belemmering voor het uitoefenen van de bevoegdheid van een bestuursorgaan ex. artikel 5.16 Wm: • er is geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van de grenswaarde; • een project leidt al dan niet per saldo, niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit; • een project draagt ‘niet in betekenende mate’ (NIBM) bij aan de verslechtering van de luchtkwaliteit; • een project past binnen het NSL (Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit) of een regionaal programma van maatregelen.
5.5.2
Het besluit NIBM Deze Algemene maatregel van Bestuur (AmvB) legt vast wanneer een project ‘niet in betekenende mate’ bijdraagt aan de toename van concentraties van bepaalde stoffen in de lucht. Een project is NIBM wanneer het aannemelijk is dat het een toename van de concentratie veroorzaakt van maximaal 3%. De 3% grens wordt gedefinieerd als 3% van de grenswaarde voor de jaargemiddelde concentratie van fijn stof (PM10) of stikstofdioxide (NO2). Dit komt overeen met 1,2 microgram/m3 voor zowel PM10 als NO2. Het NSL is vanaf augustus 2009 van kracht, zodat de 3% grens aangehouden dient te worden. In de regeling NIBM is (onder andere) aangegeven dat een plan tot 1.500 woningen niet in betekenende mate bijdraagt aan de toename van de concentratie fijn stof en stikstofdioxide in de lucht. NIBM-tool InfoMil Ook zal het plan niet leiden tot een dusdanig aantal toenemende verkeersbewegingen dat de grenswaarde van de luchtkwaliteit daarmee wordt overschreden. InfoMil heeft een NIBM-tool ontwikkeld waarmee een ‘worst-case’ berekening kan worden verricht voor de bijdrage van het extra verkeer als gevolg van een plan op de luchtkwaliteit. Dit rekenmodel toont aan dat tot 1.655 extra voertuigen (weekdaggemiddelde) niet in betekenende mate bijdragen aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Hierbij wordt uitgegaan van 0% vrachtverkeer.
Van een dergelijk aantal verkeersbewegingen is vanwege onderhavig project geenszins sprake.
5.5.3
Besluit gevoelige bestemmingen Dit besluit is gericht op de beperking van de vestiging in de nabijheid van provinciale en rijkswegen van gevoelige bestemmingen, zoals gebouwen voor kinderopvang, scholen, verzorgings- of verpleegtehuizen. Het besluit gevoelige bestemmingen is op onderhavig ontwikkeling niet van toepassing.
Bestemmingsplan Paarloweg 3 te Sint Odiliënberg Aelmans Ruimte, Omgeving & Milieu BV
45
M199046.002.001/ASE
5.5.4
Conclusie Gelet op de aard van onderhavig project mag worden aangenomen dat dit NIBM is. Het realiseren van Stiltecentrum heeft geen invloed op de luchtkwaliteit. Gelet op het vorenstaande vormt het aspect luchtkwaliteit geen belemmeringen voor onderhavig planvoornemen.
5.6
Externe veiligheid In onderhavig geval is sprake van het realiseren van een zogenaamd kwetsbaar object. Het beleid is derhalve van toepassing en er is een afweging gemaakt of de planontwikkeling ertoe leidt dat er een onaanvaardbaar risico ontstaat in het kader van de externe veiligheid.
5.6.1
Beleid Het beleid in het kader van de externe veiligheid is gericht op het beperken en beheersen van risico’s voor de omgeving voor wat betreft handelingen met gevaarlijke stoffen. Deze handelingen kunnen zowel betrekking hebben op het gebruik, de opslag en de productie van gevaarlijke stoffen, als op het vervoer van deze stoffen. Uit het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) en de richtlijnen voor het vervoer van gevaarlijke stoffen, vloeit de verplichting voort om in het kader van ruimtelijke plannen in te gaan op de risico’s in het plangebied als gevolg van handelingen met gevaarlijke stoffen. Deze risico’s worden beoordeeld op twee soorten risico: het groepsrisico en het plaatsgebonden risico.
5.6.2
Groepsrisico Het groepsrisico beschrijft de kans dat een groep van 10 of meer personen tegelijkertijd komt te overlijden als gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Dit risico geeft een indicatie van de maatschappelijke ontwrichting in geval van een ramp. Het groepsrisico wordt uitgedrukt in een grafiek. In het Bevi is een verantwoordingsplicht binnen het invloedsgebied opgelegd, i.c. het gebied binnen de zogenaamde 1%-letaliteitsgrens, zijnde de afstand vanaf een risicobedrijf waarop nog slechts 1% van de blootgestelde mensen in de omgeving overlijdt bij een ongeval op het risicobedrijf. Voor elke verandering van het groepsrisico, dit kan een af- of toename zijn, in het invloedsgebied moet verantwoording worden afgelegd. Deze verantwoording ziet toe op de wijze waarop de toelaatbaarheid van de verandering van het groepsrisico in de besluitvorming is betrokken. Samen met de hoogte van het groepsrisico, worden ook andere aspecten meegewogen in de beoordeling van het groepsrisico. Hieronder vallen onder meer de zelfredzaamheid en de bestrijdbaarheid van een calamiteit.
5.6.3
Plaatsgebonden risico Het plaatsgebonden risico beschrijft de kans dat een onbeschermd individu in een jaar komt te overlijden als gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Het plaatsgebonden risico wordt uitgedrukt in risicocontouren rondom de risicobron. Voorbeelden van risicobronnen zijn bedrijven, wegen en spoorlijnen. De 10-6-contour is de maatgevende grenswaarde, binnen welke contour geen kwetsbare objecten mogen worden opgericht.
46
Bestemmingsplan Paarloweg 3 te Sint Odiliënberg Aelmans Ruimte, Omgeving & Milieu BV
M199046.002.001/ASE
(Beperkt) kwetsbare objecten Er moet getoetst worden aan de richtlijnen voor vervoer van gevaarlijke stoffen, waarbij de realisatie van (beperkt) kwetsbare objecten wordt toegestaan. Voorbeelden van dergelijke objecten zijn woningen, ziekenhuizen, scholen, hotels en restaurants. Transport over wegen De locatie van de nieuw op te richten bebouwing is gelegen op een afstand van circa 570 meter van de N293, zijnde de provinciale weg van Roermond naar Karken (Duitsland). Uit de vervoersgegevens van Rijkswaterstaat blijkt dat over de N293 de stofcategorieën LF1, LF2 en GF3 worden vervoerd. De brandbare gassen bepalen in dit geval de begrenzing van het invloedsgebied. Uit tabel 4-2 van de Handreiking Risicoanalyse Transport (HART) volgt dat voor deze stofcategoriëen een grootste afstand van 355 meter in acht moet worden genomen. In onderhavige situatie wordt aan deze afstand ruim voldaan. Transportleidingen Op 1 januari 2011 is het Besluit externe veiligheid buisleidingen in werking getreden. Deze AMvB regelt onder andere welke veiligheidsafstanden moeten worden aangehouden rond buisleidingen met gevaarlijke stoffen, zoals aardgas.
Bij de vaststelling van een bestemmingsplan of verlening van een omgevingsvergunning, op grond waarvan de bouw van een kwetsbaar object bij een buisleiding wordt toegelaten: • wordt een waarde in acht genomen van 10-6 per jaar met betrekking tot het plaatsgebonden risico voor kwetsbare objecten ofwel binnen de PR-contour is de bouw van een woning/kwetsbaar object niet toegestaan; • wordt tevens het groepsrisico in het invloedgebied van de buisleiding verantwoord (invloedsgebied: het gebied waarin personen worden meegeteld voor de berekening van het groepsrisico van de buisleiding tot de grens waarbinnen de letaliteit van die personen 1% is). Uit bestudering van de Risicokaart volgt dat zich op een afstand van circa 780 meter ten zuidoosten van het plangebied een transportleiding voor gevaarlijke stoffen (aardgasleiding) bevindt. Deze aardgasleiding heeft een diameter van 24,02 inch en een maximale werkdruk van 66,2 bar. Gelet op de ruime afstand tussen deze aardgasleiding en onderhavig plangebied vormt deze geen belemmeringen voor het planvoornemen.
5.6.4
Resultaten en conclusies externe veiligheid Als gevolg van onderhavige ontwikkeling ontstaan er geen (extra) risico’s in het kader van externe veiligheid. Daarbij kan worden gesteld dat de zelfredzaamheid in casu goed te noemen is. Ook is de bereikbaarheid van de locatie bij een eventuele calamiteit goed. Hierdoor is de ontwikkeling in het kader van de externe veiligheid verantwoord te noemen. Gelet op vorenstaande vormt het aspect externe veiligheid geen belemmeringen voor onderhavige ontwikkeling.
Bestemmingsplan Paarloweg 3 te Sint Odiliënberg Aelmans Ruimte, Omgeving & Milieu BV
47
M199046.002.001/ASE
Uitsnede Risicokaart Limburg met aanduiding plangebied
48
Bestemmingsplan Paarloweg 3 te Sint Odiliënberg Aelmans Ruimte, Omgeving & Milieu BV
M199046.002.001/ASE
6
Overige ruimtelijke aspecten Naast de diverse milieutechnische aspecten, zoals uiteengezet in hoofdstuk 5, dient tevens te worden gekeken naar de overige ruimtelijke aspecten. In dit hoofdstuk wordt ingegaan op de aspecten archeologie, kabels en leidingen, verkeer en parkeren, waterhuishouding, natuur- en landschap, flora en fauna en duurzaamheid.
6.1
Archeologie Archeologische waarden zijn bij wet beschermd (Monumentenwet 1988, hoofdstuk vijf ‘Archeologische monumentenzorg’). Gemeenten zijn verantwoordelijk voor hun eigen bodemarchief. De gemeente is dus het bevoegde gezag indien het gaat om het toetsen van de archeologische onderzoeken en Programma’s van Eisen. Voorheen werd dit door de provincie gedaan, maar deze beperkt zich momenteel tot zaken die van provinciaal belang zijn. Voor (gemeentelijke) bestemmingsplannen (daaronder tevens begrepen: wijzigingsplannen) betekent dit concreet het volgende: • de gemeenteraad dient bij de vaststelling van bestemmingsplannen rekening te houden met de in de grond aanwezige dan wel te verwachten archeologische waarden en monumenten; • in een bestemmingsplan kan in het belang van de archeologie een vergunningenstelsel worden opgenomen. De aanvrager van een vergunning, waarbij bodemverstoring plaats vindt, kan langs de weg van het bestemmingsplan de verplichting krijgen tot het laten uitvoeren van een archeologisch (voor)onderzoek. Zo nodig kunnen aan dergelijke vergunningen regels worden verbonden ter bescherming van de archeologische waarden en monumenten. Op basis van het geldende bestemmingsplan ‘Buitengebied Roerdalen – 2e herziening’ is ter plekke van onderhavig plangebied de dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie – 5’ van kracht.
Op basis van de dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie – 5’ geldt als uitgangspunt dat het verboden is om, zonder of in afwijking van een besluit om van de bouwregels af te wijken, te bouwen of te laten bouwen op de voor ‘Waarde – Archeologie – 5’ mede bestemde gronden. Dit verbod is echter niet van toepassing indien de oppervlakte van de bebouwing maximaal 1.000m2 bedraagt én de ondergrondse bouwdiepte maximaal 40 cm bedraagt. Aangezien het te verstoren gebied een oppervlakte heeft van circa 1,23 hectare, heeft ArcheoPro een archeologisch onderzoek (rapport d.d. 26 maart 2020) verricht, bijgevoegd als bijlage 7. Uit het verkennend booronderzoek blijkt dat de bodem binnen het plangebied, voor zover onderzocht buiten de actieve slooplocatie, bestaat uit een nagenoeg intacte podzolbodem. Opvallend is daarbij de dunne A-horizont waardoor ook eventuele steentijdresten in behoudenswaardige toestand aanwezig kunnen zijn. De (middel)hoge verwachting dient derhalve te worden behouden. Op basis van de geconstateerde sloopwerkzaamheden kan voor het deelgebied met de boerderij de verwachting worden bijgesteld naar laag. Eventuele archeologische resten zullen hier door de voortgaande sloopwerkzaamheden dusdanig verstoord zijn/worden, dat de
Bestemmingsplan Paarloweg 3 te Sint Odiliënberg Aelmans Ruimte, Omgeving & Milieu BV
49
M199046.002.001/ASE
verwachte kenniswinst bij vervolgonderzoek laag zal zijn. Aan de hand van de resultaten van het archeologisch onderzoek wordt geadviseerd om ter plekke van onderhavig plangebied vervolgonderzoek uit te voeren. Met inachtneming van de resultaten van het verkennend booronderzoek dient de archeologische verwachting voor een deel van het plangebied te worden behouden. Derhalve dient de dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie’ op de verbeelding van onderhavig bestemmingsplan te worden gehandhaafd. Aangezien op een deel van het plangebied archeologische indicatoren zijn aangetroffen wordt geadviseerd om ter plaatse van dit deel van het plangebied een archeologisch vervolgonderzoek uit te voeren in de vorm van een proefsleuvenonderzoek. Dit proefsleuvenonderzoek dient te worden uitgevoerd alvorens in dit gebied grondverstoringen plaatsvinden welke dieper reiken dan 40 cm-mv. Gelet op vorenstaande uiteenzetting en het feit dat is vastgesteld dat (alvorens bebouwing en aanleg van infra kan plaatsvinden) er nader onderzoek moet plaatsvinden, wordt onderhavig bestemmingsplan niet belemmerd door het aspect archeologie.
6.2
Kabels en leidingen Door het plangebied lopen geen boven- en/of ondergrondse leidingen. Er is op dat gebied derhalve geen sprake van bijbehorende (planologische) beschermingszones en/of belangen van derden op dit punt. De aanwezigheid van kabels en leidingen met betrekking tot de nutsvoorzieningen in de omgeving is evident. Indien aanpassingen aan de bestaande aansluitingen moeten worden doorgevoerd, dient met de verschillende netwerkbeheerders contact te worden opgenomen.
6.3
Verkeer en parkeren Met betrekking tot onderhavige planontwikkeling dienen de (eventuele) gevolgen voor de verkeersstructuur alsmede het parkeren inzichtelijk te worden gemaakt. In dat verband mag de verkeersgeneratie vanwege een ruimtelijke ontwikkeling niet leiden tot verkeersproblemen, alsook dient de extra parkeerbehoefte op eigen terrein te kunnen worden opgevangen.
6.3.1
Verkeersstructuur Onderhavig plangebied wordt ontsloten via de Paarloweg welke een oostelijke aftakking vormt van de provinciale weg N293, zijnde de verbindingsweg van Roermond naar Karken (Duitsland). De beoogde, nieuw op te richten, bebouwing kan worden bereikt via de Paarloweg en via de bestaande, zuidelijk gelegen, in-uitritconstructie. Het bestaande wegennet is zodanig dat het de verkeersstromen als gevolg van het nieuwe Stiltecentrum kan opvangen.
50
Bestemmingsplan Paarloweg 3 te Sint Odiliënberg Aelmans Ruimte, Omgeving & Milieu BV
M199046.002.001/ASE
6.3.2
Parkeren De CROW-publicatie ‘Kencijfers parkeren en verkeersgeneratie’ voorziet niet direct in parkeerkencijfers voor een Stiltecentrum. Het Stiltecentrum kan gezien worden als een gesloten woongemeenschap (afzonderlijke kamers en gemeenschappelijke voorzieningen) dat onder de Hoofdgroep gezondheidszorg en (sociale) voorzieningen kan worden geschaard. Derhalve wordt in onderhavige situatie aangesloten bij de parkeerkencijfers die daarvoor gelden. Onderhavige locatie is gelegen in ‘niet stedelijk gebied’ en in de categorie ‘buitengebied’. Voor een gesloten woongemeenschap in een niet stedelijk/buitengebied gelden de volgende parkeercijfers: Gesloten woongemeenschap (per 10 kamers) min. 3,4 pp en max. 3,9 pp. De parkeernorm voor het Stiltecentrum ten behoeve van 57 te huisvesten personen bedraagt dan (57/10) x 3,4 pp = minimaal 19,38 parkeerplaatsen; afgerond 20 parkeerplaatsen en maximaal 23 parkeerplaatsen. Derhalve moet worden uitgegaan van een parkeerbehoefte van minimaal 23 parkeerplaatsen. Op het buitenterrein van onderhavig perceel is voldoende ruimte aanwezig om de parkeerbehoefte op te vangen waardoor zich problemen in de openbare ruimte ten gevolge van onderhavige ontwikkeling niet voordoen. Er worden daartoe al minimaal 27 vaste parkeerplaatsen aangelegd. Voor incidenteel parkeren is er voldoende overige ruimte beschikbaar.
Overigens komen veel vrouwen uit het buitenland. Deze reizen met het openbaar vervoer en worden op stations opgehaald met een taxi. De benodigde parkeerbehoefte op grond van de CROW wordt daardoor ruim overschat.
6.4
Waterhuishouding
6.4.1
Nationaal Waterplan 2016-2021 In het Nationaal waterplan is het (strategische) waterbeleid van het Rijk vastgelegd. De hoofdlijnen van het Nationaal waterplan luiden als volgt (artikel 4.1, lid 2 Waterwet): a. een aanduiding, in het licht van de wettelijke doelstellingen en normen, van de gewenste ontwikkeling, werking en bescherming van de watersystemen, alsmede van de bijbehorende termijnen; b. een uiteenzetting van de maatregelen en voorzieningen, die met het oog op die ontwikkeling, werking en bescherming nodig zijn; c. een aanduiding van de redelijkerwijze te verwachten financiële en economische gevolgen van het te voeren beleid; d. een visie op de gewenste ontwikkelingen in verband met de voorkoming en waar nodig beperking van overstromingen en waterschaarste, voor een periode van ten minste veertig jaren mede in verband met de verwachte klimaatveranderingen. Het Nationaal waterplan kent een looptijd van 2016 tot 2021 en vormt het kader voor de regionale waterplannen en de beheerplannen.
Bestemmingsplan Paarloweg 3 te Sint Odiliënberg Aelmans Ruimte, Omgeving & Milieu BV
51
M199046.002.001/ASE
6.4.2
Provinciaal beleid De provincie Limburg kent als uitgangspunt dat verdroging zo veel mogelijk moet worden tegengegaan en dat de waterkwaliteit, met het oog op een duurzaam gebruik in de toekomst, erg belangrijk is. Verder sluit de provincie aan bij het beleid van de Vierde Nota Waterhuishouding om infiltratie van water in de bodem te bevorderen en water meer terug te brengen in stedelijk gebied. Binnen de waterbeheersplannen van Limburg is integraal waterbeheer een belangrijk begrip. Ook hier speelt verdroging en waterkwaliteit een belangrijke rol in het beleidsproces. Ter invulling van (specifiek) ecologische functies stelt het Waterschap onder andere dat, ter voorkoming van verdroging, grondwaterstanden (daar waar dat mogelijk is) verhoogd moeten worden door peilbeheer. Ook dient het rioleringsbeheer door gemeenten op en aan de aan watergangen en plassen toegekende functies, afgestemd te worden. Naast die ecologische functie dienen er ook mensgerichte hoofdfuncties ten behoeve van industrie of drinkwater ingepast te worden. Tevens dient er plaats te zijn voor mensgerichte nevenfuncties.
6.4.3
Watertoets Waterschap Limburg Vanaf 1 november 2003 zijn de overheden wettelijk verplicht om alle ruimtelijke plannen, die van invloed zijn op de waterhuishouding, voor advies voor te leggen aan de waterbeheerders. Tot juli 2004 kwam het voor dat voor de watertoets verschillende waterbeheerders (waterschapsbedrijf, waterschap, provincie en Rijkswaterstaat) apart moesten worden benaderd. Die gaven dan afzonderlijke wateradviezen. Dat zorgde voor veel onduidelijkheid en papieren rompslomp. Daarom hebben de Limburgse waterbeheerders afgesproken om alle aanvragen in het hun betreffende gebied af te handelen via één loket: het zogenaamde watertoetsloket. Het loket is ondergebracht bij het waterschap. Niet alle ruimtelijke plannen behoeven de watertoets te doorlopen. Daartoe heeft het waterschap een stroomschema, met daarbij behorende notitie ondergrens, opgesteld waaruit het toepassingsbereik van de watertoets blijkt. Ook zijn per gemeente waterkaarten opgesteld waaruit de verschillende waterbelangen op een bepaalde locatie zijn af te lezen. Aan de hand van het ‘meldformulier watertoets’ kunnen (ruimtelijke) plannen vervolgens voor advies worden voorgelegd aan het betreffende waterschap. Om te bepalen of een plan aan het watertoetsloket moet worden voorgelegd, is de ‘digitale watertoets’ ontwikkeld.
Door middel van het intekenen van het plangebied en het beantwoorden van vragen wordt bepaald welke procedure van toepassing is. Gelet op de waterkaart is een beperkt deel van onderhavig plangebied gelegen in het waterschapsbelang ‘invloedszone primaire wateren’. De zone is ook publiekrechtelijk vastgelegd in het bestemmingsplan ‘Buitengebied Roerdalen – 2e herziening’ middels dubbelbestemming ‘Waterstaat – Inundatiezone en meanderzone’.
52
Bestemmingsplan Paarloweg 3 te Sint Odiliënberg Aelmans Ruimte, Omgeving & Milieu BV
M199046.002.001/ASE
Waterkaart digitale watertoets met aanduiding plangebied
Kaart met aanduiding plangebied (rood) en dubbelbestemming ‘Waterstaat – Inundatiezone en meanderzone’
De regels van de dubbelbestemming ‘Waterstaat – Inundatiezone en meanderzone’ schrijven voor dat deze gronden mede zijn bestemd voor het op natuurlijke wijze meanderen van de Roer en de daarvoor benodigde herinrichting en het onder water zetten bij hoge waterstanden en de daarvoor benodigde herinrichting. Op deze gronden mogen uitsluitend bouwwerken, geen gebouwen zijnde, worden gebouwd met een bouwhoogte van ten hoogste 3 meter.
Bestemmingsplan Paarloweg 3 te Sint Odiliënberg Aelmans Ruimte, Omgeving & Milieu BV
53
M199046.002.001/ASE
De dubbelbestemming ‘Waarde – Inundatiezone en meanderzone’ is vlak achter de voormalige bebouwing op de locatie Paarloweg 3 te Sint Odiliënberg gelegen. Deze dubbelbestemming wordt in het huidige plan gehandhaafd. In dat verband kan worden gewezen op het feit dat initiatiefnemer voornemens is om de bouwcontouren van de nieuwe bebouwing iets in zuidelijke richting te verschuiven. Daartoe zijn op de verbeelding concrete maatvoeringsaanduidingen voor de goot- en bouwhoogte van de op te richten gebouwen opgenomen. Die maatvoeringsaanduidingen liggen buiten de dubbelbestemming ‘Water-Inundatiezone meanderzone’ zodat die waarden niet in het gedrang komen. Derhalve wordt geconcludeerd dat onderhavig bouwplan niet voorziet in het oprichten van bebouwing binnen de voor ‘Waterstaat – Inundatiezone en meanderzone’ aangewezen gronden. Daarmee wordt de bescherming van de ter plaatse gelegen inundatiezone en meanderzone gewaarborgd. In voorliggend bestemmingsplan wordt de vigerende juridische regeling overgenomen zodat ook deze bescherming van kracht blijft en het Waterschapsbelang niet wordt geschaad. Tot slot kan worden gewezen op het feit dat binnen het plangebied niet meer dan 2.000 m2 verhard oppervlak worden aangebracht, waardoor het project niet behoeft te worden voorgelegd aan het Waterschap Limburg.