Agendabundel
Tekst van het document
definitieve OVA-index van het lopende jaar); 2. een gediplomeerde zzp’er of freelancer: maximaal 80% van de kostprijs zoals bedoeld in onderdeel; 3. een zorgprofessional in loondienst: maximaal 80% van de kostprijs zoals bedoeld in onderdeel 1 (n.v.t. voor begeleiding groep); 4. Niet-professional in loondienst en/of naaste familie: het uurloon van de hoogste periodiek behorende bij de Functie Waardering Gezondheidszorg (FWG 30) van de voor de betreffende periode geldende cao VVT (Verpleeg- en Verzorgingshuizen en Thuiszorg), te vermeerderen met vakantietoeslag en de tegenwaarde van de verlofuren. c. kortdurend verblijf, in afwijking van sub a van dit lid, door: 1. een professionele organisatie: maximaal een kostprijs van € 86,90 per etmaal (prijspeil 2021), met een jaarlijkse indexering volgens de OVA-index (uitgaande van de voorlopige index zoals bekend op Prinsjesdag van het voorafgaande jaar en eventueel aangepast op grond van de definitieve OVA-index van het lopende jaar).
afgedragen, wordt het bedrag daarmee verhoogd.
c. kortdurend verblijf, in afwijking van sub a van dit lid, door: 1. een professionele organisatie: maximaal een kostprijs van € 86,90 per etmaal (prijspeil 2021), met een jaarlijkse indexering volgens de OVAindex (uitgaande van de voorlopige index zoals bekend op Prinsjesdag van het voorafgaande jaar en eventueel aangepast op grond van de definitieve OVA-index van het lopende jaar). 2. een gediplomeerde zzp’er of freelancer: maximaal 80% van de kostprijs zoals bedoeld in onderdeel 1.; d. Hulp bij het huishouden, in afwijking van sub a van dit lid door: 1. Niet-professional in loondienst en/of naaste familie: het uurloon van de hoogste periodiek behorende bij hulp bij het huishouden van de voor de betreffende periode geldende cao VVT (Verpleeg- en Verzorgingshuizen en Thuiszorg), te vermeerderen met vakantietoeslag en de tegenwaarde van de verlofuren. Indien werkgeverslasten moeten worden afgedragen, wordt het bedrag daarmee verhoogd.
2. regulier vervoer van en naar de dagbesteding, in afwijking van sub a van dit lid: maximaal het bedrag van € 7,79 per dag (prijspeil 2021) met een jaarlijkse indexering volgens de OVA-index (uitgaande van de voorlopige index zoals bekend op Prinsjesdag van het voorafgaande jaar en eventueel aangepast op grond van de definitieve OVA-index van het lopende jaar); voor rolstoelvervoer maximaal het bedrag van € 21,73 per dag (prijspeil 2021) met een jaarlijkse indexering volgens de OVA-index (uitgaande van de voorlopige index zoals bekend op Prinsjesdag van het voorafgaande jaar en
2. een gediplomeerde zzp’er of freelancer: maximaal 80% van de kostprijs zoals bedoeld in onderdeel 1.; d. Hulp bij het huishouden, in afwijking van sub a van dit lid door: 1. Niet-professional in loondienst en/of naaste familie: het uurloon van de hoogste periodiek behorende bij hulp bij het huishouden van de voor de betreffende periode geldende cao VVT (Verpleeg- en Verzorgingshuizen en Thuiszorg), te vermeerderen met vakantietoeslag en de tegenwaarde van de verlofuren. e. regulier vervoer van en naar de dagbesteding, in afwijking van sub a van dit lid: maximaal het bedrag van € 7,79 per dag (prijspeil 2021) met een jaarlijkse indexering volgens de OVA-index (uitgaande van de voorlopige index zoals bekend op Prinsjesdag van het voorafgaande jaar en eventueel aangepast op grond van de definitieve OVA-index van het lopende jaar); voor rolstoelvervoer maximaal het bedrag van € 21,73 per dag (prijspeil 2021) met een jaarlijkse indexering volgens de OVA-index (uitgaande van de voorlopige index zoals bekend op Prinsjesdag van het voorafgaande jaar en eventueel aangepast op grond van de definitieve OVA-index van het lopende jaar). f.
taxi- en rolstoeltaxivervoer, in afwijking van sub a van dit lid: maximaal de kostprijs van de
eventueel aangepast op grond van de definitieve OVA-index van het lopende jaar). 3. taxi- en rolstoeltaxivervoer, in afwijking van sub a van dit lid: maximaal de kostprijs van de goedkoopst passende maatwerkvoorziening in de vorm van zorg in natura zoals gecontracteerd voor het betreffende jaar, met een maximum van 2000 kilometers per jaar; e. een zaak: 1. maximaal het bedrag van de goedkoopst passende maatwerkvoorziening in de vorm van zorg in natura bij de leverancier waarmee de gemeente een overeenkomst heeft gesloten; 2. maximaal het bedrag van de kosten volgens de door het college geaccepteerde offerte als de gemeente voor de betreffende zaak geen overeenkomst heeft gesloten.
goedkoopst passende maatwerkvoorziening in de vorm van zorg in natura zoals gecontracteerd voor het betreffende jaar, met een maximum van 2000 kilometers per jaar; g. een zaak: 1. maximaal het bedrag van de goedkoopst passende maatwerkvoorziening in de vorm van zorg in natura bij de leverancier waarmee de gemeente een overeenkomst heeft gesloten; 2. maximaal het bedrag van de kosten volgens de door het college geaccepteerde offerte als de gemeente voor de betreffende zaak geen overeenkomst heeft gesloten.
Artikel 14.6.
Was Artikel 9.5.
Artikel 15.
Was Artikel 10.
Artikel 15.3.
Was Artikel 10.3.
Artikel 16.
Was Artikel 11.
Artikel 17.
Was Artikel 12.
Artikel 16.3.
1. Een cliënt is een bijdrage verschuldigd in de kosten voor het gebruik van een collectieve voorziening voor vervoer, ter hoogte van €0,91 per zone (prijspeil 2024), met een jaarlijkse indexering
3. Een cliënt is een bijdrage verschuldigd in de kosten voor het gebruik van een collectieve voorziening voor vervoer, ter hoogte van €0,94 per zone (prijspeil 2025),
vervalt
Dit lid vervalt omdat, er geen toeslag wordt toegekend.
De tarieven zijn aangepast naar 2025.
conform de Landelijke Tarieven Index (LTI). Artikel 18.
met een jaarlijkse indexering conform de Landelijke Tarieven Index (LTI). Artikel 18. Controle en toezicht [Wmo/Jeugdwet]
1. Het college onderzoekt, al dan niet steekproefsgewijs, of de verstrekte voorzieningen worden gebruikt dan wel besteed ten behoeve van het doel waarvoor ze verstrekt zijn. 2. Het college onderzoekt, al dan niet steekproefsgewijs, of de verwijzingen door derden rechtmatig zijn. 3. Het college kan een onderzoek starten op basis van ontvangen informatie van andere instanties, zoals andere gemeenten, GGD, zorgverzekeraar of vanuit andere beleidsvelden zoals de Wmo 2015, de Participatiewet etc. 4. Het college kan nadere regels stellen met betrekking tot deze controle. 5. Het college kan toezichthoudende ambtenaren aanwijzen die belast zijn met he toezicht op de naleving van het bepaalde bij of op grond van artikel 2.9 van de Jeugdwet en artikel 6.1. van de Wmo 2015.
Dit artikel regelt het toezicht op het gebruik van voorzieningen. Voor de Wmo 2015 mag het college zowel rechtmatigheid als doelmatigheid controleren. Bij jeugdhulp is het toezicht op grond van artikel 2.9 van de Jeugdwet beperkt tot rechtmatigheid. Het college kan toezichthoudende ambtenaren aanwijzen met specifieke bevoegdheden, waaronder het opvragen van administraties en het controleren van naleving van beschikkingen en overeenkomsten. Medewerking aan het toezicht is verplicht. Deze bepaling beoogt de rechtmatige en doelmatige besteding van publieke middelen te waarborgen.
6. De aangewezen toezichthouder is, aanvullend op het gestelde in de Awb, Wmo 2015 en Jeugdwet, belast met: a. de bevoegdheid om de (cliënten)administratie te vorderen bij de zorgverlener; b. de bevoegdheid om de administratie te vorderen van de pgb-beheerder; c. controleren of de zorgverlener de verplichtingen uit de toekenningsbeschikking of de contracten met het college naleeft; d. ondersteuningsinhoudeli jk controleren van de overeenkomsten die de pgb-beheerder heeft gesloten; voldoen deze aan bij de aanvraag geleverde gegevens en informatie. e. Eenieder is verplicht om mee te werken aan het onderzoek van de toezichthouder.
Artikel 19.
Was Artikel 13.
Artikel 19.10.
Artikel 19.10. Ter voorkoming en bestrijding van misbruik, oneigenlijk gebruik of niet gebruik van voorzieningen op grond van de Jeugdwet kan het college maatregelen treffen. Deze maatregelen kunnen onder meer bestaan uit: a. Het vooraf toetsen, bij een pgb- aanvraag, van de regiemogelijkheden van de ouder, jeugdige of beoogd wettelijk vertegenwoordiger, en van de kwaliteit van de zorgovereenkomst, mede met het oog op de te bereiken resultaten;
Dit lid geeft het college aanvullende mogelijkheden om misbruik, oneigenlijk gebruik of niet gebruik van voorzieningen te voorkomen. Zo mag het college een pgb- aanvraag vooraf toetsen of de jeugdige of diens ouder of wettelijk vertegenwoordiger voldoende regie kan voeren en of de zorgovereenkomst passend is. Daarnaast kan het college een meldpunt instellen voor signalen van misbruik of onjuist gebruik. Deze bepalingen versterken het toezicht en dragen bij aan rechtmatige uitvoering van de Jeugdwet.
b. Het instellen van een meldpunt waar signalen over misbruik, oneigenlijk gebruik en niet- gebruik van voorzieningen kunnen worden gemeld; Artikel 19.11.
Was Artikel 13.10.
Artikel 20.
Was Artikel 14.
Artikel 20.
1. Aanbieders zorgen voor een goede kwaliteit van voorzieningen, waaronder eisen met betrekking tot de deskundigheid van beroepskrachten. Dit wordt onder meer bereikt door:
1. Aanbieders die voorzieningen leveren op grond van de Wmo 2015 of de Jeugdwet, zorgen voor een goede kwaliteit van dienstverlening. Dit houdt in ieder geval in dat:
a. het afstemmen van voorzieningen op de
a. voorzieningen worden afgestemd op de
Het artikel bevat geactualiseerde en uitgebreide bepalingen over de kwaliteit van dienstverlening door aanbieders. Nieuw ten opzichte van het oude artikel is de expliciete normering van veilige, doeltreffende, cliëntgerichte en resultaatgerichte levering van voorzieningen. Ook is de verplichting tot een klachtenregeling, medezeggenschap
persoonlijke situatie van de cliënt; b. het afstemmen van voorzieningen op andere vormen van zorg en ondersteuning, waaronder informele zorg, die de cliënt ontvangt; c. erop toe te zien dat beroepskrachten tijdens hun werkzaamheden in het kader van het leveren van voorzieningen handelen in overeenstemming met de professionele standaard; d. voor zover van toepassing, erop toe te zien dat de kwaliteit van de voorzieningen en de deskundigheid van beroepskrachten tenminste voldoen aan de voorwaarden om in aanmerking te komen voor de in de toepasselijke sector erkende keurmerken. 2. Naast andere handhavingsbevoegdheden ziet het college toe op de naleving van deze eisen door periodieke overleggen met de aanbieders, een jaarlijks cliëntervaringsonderzoek, en het zo nodig in overleg met de cliënt ter plaatse controleren van de geleverde voorzieningen. 3. Het college kan in nadere regels aanvullende bepalingen opnemen op wat in dit artikel is bepaald.
persoonlijke situatie van de cliënt of jeugdige; b. voorzieningen worden afgestemd op andere vormen van zorg en ondersteuning, waaronder informele zorg, die de cliënt of jeugdige of diens ouder of wettelijke vertegenwoordiger ontvangt; c. beroepskrachten handelen in overeenstemming met de professionele standaard, voor zover van toepassing; d. voorzieningen veilig, doeltreffend, cliëntgericht en resultaatgericht worden geleverd; e. de aanbieder beschikt over een toegankelijke klachtenregeling en voorziet in cliëntmedezeggenschap, voor zover wettelijk vereist; f.
de aanbieder medewerking verleent aan het cliëntervaringsonderzoek van de gemeente;
g. aanbieders voldoen aan de wettelijke verplichtingen ten aanzien van transparantie en
en jaarverantwoording verduidelijkt. Voor jeugdhulpaanbieders gelden aanvullende eisen, zoals een registratie in het BIG- register of SKJ, het voldoen aan het afsprakenkader Buitenlands Verblijf Jeugd en de Wet normering topinkomens. Verder zijn buitenlandse aanbieders buiten de EU uitgesloten. Het toezicht is versterkt door expliciete verwijzing naar gebruik van inspectiegegevens en meldingen van derden.
verantwoording, waaronder de jaarverantwoording, tenzij zij vallen onder een wettelijke uitzondering. 2. Aanvullend op het eerste lid gelden voor aanbieders van jeugdhulp op grond van de Jeugdwet de volgende kwaliteitseisen: a. jeugdhulp wordt verleend in overeenstemming met paragraaf 4.1 van de Jeugdwet en artikel 5.1.1 van het Besluit Jeugdwet; b. beroepskrachten zijn, voor zover vereist, geregistreerd in het BIGregister of het Kwaliteitsregister Jeugd (SKJ); c. de aanbieder levert de verplichte gegevens aan voor de jaarverantwoording in de zorg, tenzij sprake is van een wettelijke uitzondering, zoals bij solistisch werkende jeugdhulpverleners; d. jeugdhulpaanbieders die zorg leveren vanuit het buitenland, voldoen aan het Afsprakenkader Buitenlands Verblijf Jeugd;
e. jeugdhulp wordt niet geleverd door aanbieders die alle ondersteuning bieden buiten de lidstaten van de Europese Unie; f.
de aanbieder voldoet aan de Wet normering topinkomens.
3. Het college ziet toe op de naleving van de in dit artikel genoemde eisen, onder meer door: a. periodiek overleg met aanbieders; b. het uitvoeren van cliëntervaringsonderzoek; c. het uitvoeren van controles op geleverde voorzieningen, zo nodig in overleg met de cliënt, jeugdige, diens ouder of wettelijk vertegenwoordiger; d. het betrekken van inspectiegegevens en meldingen van derden bij het toezicht. 4. Het college kan in nadere regels aanvullende bepalingen opnemen ter uitvoering van dit artikel. Artikel 21.
Was Artikel 15.
Artikel 22.
Was Artikel 16.
Artikel 23.
Was Artikel 17.
Artikel 24.
Was Artikel 18.
Artikel 24.6.
Was Artikel 18.6.
Artikel 24.6.
Het college houdt in het belang van een goede prijs-kwaliteitverhouding en de kwaliteit van de uitvoering bij de vaststelling van de tarieven die het college hanteert voor door derden te leveren jeugdhulp of uit te voeren kinderbeschermingsmaatregelen of jeugdreclassering, in ieder geval rekening met:
Het college houdt in het belang van een goede prijs-kwaliteitverhouding de tarieven die het hanteert voor door derden te leveren jeugdhulp of uit te voeren kinderbeschermingsmaatregelen of jeugdreclassering op grond van de Jeugdwet, op ten minste de volgende kostprijselementen:
a. de aard en omvang van de te verrichten taken; b. de voor de sector toepasselijke Caoschalen in relatie tot de zwaarte van de functie.
a. cliëntgebonden en nietcliëntgebonden kosten van beroepskrachten;
Dit lid geeft een nadere invulling aan het vereiste van een reële prijs voor jeugdhulp, kinderbeschermingsmaatregelen en jeugdreclassering. Door de genoemde kostprijselementen expliciet te benoemen wordt geborgd dat het college bij het vaststellen van de tarieven rekening houdt met de daadwerkelijke kosten van kwalitatieve dienstverlening.
b. cliëntgebonden kosten anders dan van beroepskrachten; c. overheadkosten; d. kosten voor indexering.
Artikel 24.7.
Artikel 24.7. Het college bedingt bij de door hem gecontracteerde of gesubsidieerde aanbieders van preventie, jeugdhulpaanbieders of gecertificeerde instellingen dat zij het verlenen van preventie, jeugdhulp, kinderbeschermingsmaatregelen of jeugdreclassering alleen aan derden uitbesteden als zij die derden daarvoor een reële prijs betalen, die
Dit lid verplicht aanbieders die door het college zijn gecontracteerd of gesubsidieerd om bij uitbesteding van hun taken aan derden eveneens een reële prijs te hanteren. Deze prijs dient gebaseerd te zijn op dezelfde kostprijselementen als bedoeld in lid 6. Hiermee wordt voorkomen dat kwaliteit en arbeidsvoorwaarden onder druk
tot stand is gekomen met gebruikmaking van de kostprijselementen bedoeld in het eerste 6.
Artikel 24.8.
komen te staan door onderbetaling binnen de onderaanneming.
Artikel 24.8. Het zesde en zevende lid gelden voor subsidies slechts voor zover zij worden verstrekt voor de daadwerkelijke verlening van preventie, jeugdhulp, kinderbeschermingsmaatregelen of jeugdreclassering aan jeugdigen of hun ouders en de omvang van de subsidie direct of indirect wordt gebaseerd op de hoeveelheid verrichte diensten.
Artikel 25.
Was Artikel 19.
Artikel 26.
Was Artikel 20.
Artikel 27.
Was Artikel 21.
Artikel 28.
Was Artikel 22.
Artikel 29.
Was Artikel 23.
Artikel 30.
Was Artikel 24.
Bijlage 1.
Was Bijlage 1. Beschikbare voorzieningen Jeugd
Dit bepaalt dat de bepalingen uit lid 6 en 7 ook van toepassing zijn op subsidies, voor zover deze betrekking hebben op directe hulp aan jeugdigen of ouders of wettelijk vertegenwoordigers en het subsidiebedrag is gekoppeld aan de omvang van de verrichte prestaties. Hiermee wordt gewaarborgd dat ook via subsidieconstructies een reële prijs en daarmee adequate kwaliteitsborging geldt.
Bijlage 1. Beschikbare voorzieningen op grond van de Jeugdwet.
Deze bijlage specificeert welke algemene voorzieningen en maatwerkvoorzieningen beschikbaar zijn in het kader van de Jeugdwet. Ze vormt daarmee een nadere
Voorzieningen op grond van de Jeugdwet
concretisering van het aanbod binnen het jeugddomein. De opsomming biedt duidelijkheid over het type hulp en de toegang daartoe. In onderdeel 3 is toegelicht dat het college bij inkoop of subsidie afspraken maakt over doelgroep, inhoud, duur, intensiteit en kwaliteit van de hulp. Daarmee sluit de bijlage aan op de wettelijke eisen van passende en doeltreffende jeugdhulp. Dyslexiezorg is als afzonderlijk onderdeel uitgewerkt vanwege de specifieke wettelijke kaders en toegangscriteria. Dit voorkomt onduidelijkheid over de doelgroep (leerlingen van 7-13 jaar) en het vereiste leerlingendossier. Vervoer is uitgewerkt om vast te leggen wanneer de gemeente aanvullend vervoer kan toekennen en onder welke voorwaarden dit past binnen het eigen kracht- beginsel. Hiermee wordt voorkomen dat vervoer automatisch als voorziening wordt toegekend als er nog eigen of voorliggende mogelijkheden zijn.
Bijlage 2.
Bijlage 2. Normale ontwikkeling en opvoedingsuitdagingen per leeftijdsgroep
Deze bijlage biedt een overzicht van ontwikkelingstaken en opvoedingsopgaven per leeftijdsgroep, gebaseerd op het Nederlands Jeugdinstituut. Het overzicht is bedoeld als hulpmiddel bij de beoordeling van wat in redelijkheid verwacht mag worden van jeugdigen, diens ouders of wettelijke vertegenwoordiger. De opsomming is niet uitputtend en moet altijd in samenhang met de
individuele situatie worden geïnterpreteerd. De bijlage ondersteunt professionals bij het beoordelen van gebruikelijke hulp en de inzet van eigen kracht. Daarbij sluit de gemeente aan bij de uitgangspunten voor gebruikelijke zorg uit de Beleidsregels indicatiestelling Wet langdurige zorg (versie 1 januari 2024). De levensfasen zijn ingedeeld naar de contexten waarin jeugdigen zich doorgaans ontwikkelen (gezin, school, peergroep, e.d.). Ontwikkeling verloopt niet bij ieder kind op dezelfde manier of in hetzelfde tempo. Dat vraagt om maatwerk bij de toepassing van dit overzicht. Bijlage 3.
Bijlage 3. Onderzoek naar behoeften, persoonskenmerken en voorkeuren Jeugdwet.
Deze bijlage geeft uitvoering aan de onderzoeksverplichting van het college op grond van artikel 2.3. van de Jeugdwet. Het onderzoek richt zich op de hulpvraag van de jeugdige, diens ouders of wettelijk vertegenwoordiger, hun behoeften, omstandigheden en eigen mogelijkheden. Indien van toepassing worden ook psychiatrische, psychosociale of opvoedproblemen betrokken. De resultaten worden vastgelegd in een verslag, dat tevens als aanvraag geldt. Bij pgb wordt een budgetplan toegevoegd. Het college zorgt voor een begrijpelijke en tijdige verslaglegging, conform de procedurevoorschriften.
gemeente roerdalen
Raadsvoorstel Zaaknummer Onderwerp: Datum: Indiener agendapunt: Portefeuillehouder: Gevraagd besluit:
225-060701 Verordening leerlingenvervoer gemeente Roerdalen 2026 21 oktober 2025 College van Burgemeester en wethouders Roerdalen L. Vestjens
1.
2.
Bijlage(n):
De Verordening leerlingenvervoer 2026 gemeente Roerdalen vast te stellen en in werking te laten treden per 1 januari 2026. De Verordening voorzieningen leerlingenvervoer 2021 in te trekken per 1 januari 2026.
Bijlage 1: Verordening leerlingenvervoer gemeente Roerdalen 2026 Bijlage 2: Ledenbrief nieuwe modelverordening VNG
Toelichting bij het raadsvoorstel
1.
Onderwerp
Verordening leerlingenvervoer gemeente Roerdalen 2026 2.
Inleiding
De gemeenteraad heeft op grond van de diverse onderwijswetten de verplichting om een regeling vast te stellen voor de bekostiging van het leerlingenvervoer. In 2021 heeft uw raad daartoe de huidige Verordening leerlingenvervoer gemeente Roerdalen 2021 vastgesteld. Hoewel deze verordening nog relatief recent is, heeft de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) op 7 mei 2024 een nieuwe modelverordening gepubliceerd (zie bijlage 2, Ledenbrief nieuwe modelverordening VNG). Deze nieuwe modelverordening vervangt de versie uit december 2020 en sluit beter aan bij de actuele wet- en regelgeving, waaronder de inwerkingtreding van de Wet voortgezet onderwijs 2020. De publicatie van de nieuwe modelverordening was aanleiding om te komen tot één uniforme verordening voor het leerlingenvervoer. Deze verordening is opgesteld in samenwerking met de gemeenten Roermond, Weert, Nederweert, Echt-Susteren, Maasgouw en Roerdalen die vanaf schooljaar 2024-2025 het leerlingenvervoer gezamenlijk hebben ondergebracht bij de gemeenschappelijke regeling Omnibuzz (hierna: Omnibuzz).
Pagina 1 van 5
l l lll llllll lllll l lll lllll l llll llll l llll 1111111111111111111111
gemeente roerdalen
3.
Beslispunten
De raad heeft besloten: 1. De Verordening leerlingenvervoer 2026 gemeente Roerdalen vast te stellen en in werking te laten treden per 1 januari 2026. 2. De Verordening voorzieningen leerlingenvervoer 2021 in te trekken per 1 januari 2026. 4.
Argumenten
1.1 De huidige verordening leerlingenvervoer is aan actualisatie toe. Invoering per 1 januari 2026 van de verordening is wenselijk, omdat de huidige verordening al verouderd is door gewijzigde wet- en regelgeving en maatschappelijke ontwikkelingen. De nieuwe Verordening Leerlingenvervoer 2026 sluit beter aan bij de landelijke modelverordening van de VNG, bevordert gelijke behandeling van aanvragers, en biedt meer duidelijkheid over de verantwoordelijkheden van ouders en gemeente. Hiermee wordt de uitvoerbaarheid voor zowel ouders als ambtenaren verbeterd en wordt recht gedaan aan de principes van zelfredzaamheid en maatwerk. Er zijn ook wijzigingen aangebracht in andere artikelen, maar deze zijn voornamelijk tekstueel van aard. Een opsomming van de belangrijkste wijzigingen is als volgt: 1.
Leeftijdsgrens van 9 naar 10 jaar voor het opstellen van een vervoersontwikkelplan (artikel 3, lid 4 verordening): Door de leeftijdsgrens voor het opstellen van een persoonlijk vervoersontwikkelingsplan te verhogen van 9 naar 10 jaar, ontstaat er meer tijd om het ontwikkelingsperspectief van de leerling beter in kaart te brengen. Dit plan wordt opgesteld in overleg met ouders en - indien wenselijk - de leerling zelf. Het doel is om maatwerk te leveren dat aansluit bij de mogelijkheden van de leerling en bijdraagt aan diens zelfstandigheid.
2.
Vergoeding openbaar vervoer bij zelfstandigheid (artikel 9, lid 2 a en b verordening): Leerlingen in het voortgezet speciaal onderwijs (vso) die verder dan 6 kilometer van school wonen, behouden het recht op een vergoeding voor openbaar vervoer, mits zij zelfstandig kunnen reizen. Deze wijziging stimuleert het gebruik van reguliere vervoermiddelen waar mogelijk en sluit aan bij het uitgangspunt van de gemeenten dat leerlingen zo zelfstandig mogelijk reizen.
Voor de volledige tekst inclusief toelichting van de verordening zie bijlage 1 (Verordening Leerlingenvervoer gemeente Roerdalen 2026).
1.2 De Verordening leerlingenvervoer 2026 is integraal tot stand gekomen De Verordening leerlingenvervoer 2026 is opgesteld na uitvoerig overleg met de verschillende samenwerkingspartners: de zes deelnemende gemeenten, Omnibuzz, de uitvoering en de juridisch adviseurs.
Pagina 2 van 5
gemeente roerdalen
1.3 Harmonisatie van de verordening leerlingenvervoer bevordert de samenwerking met Omnibuzz In de basis blijft de werkwijze voor het toekennen van een voorziening leerlingenvervoer gelijk met de vorige verordening. Met de toetreding van meerdere gemeenten tot Omnibuzz voor de uitvoering van het leerlingenvervoer vanaf schooljaar 2024-2025, is er een duidelijke behoefte ontstaan aan een zo uniform mogelijke verordening. Door de verordening leerlingenvervoer 2026 af te stemmen met de andere aangesloten gemeenten - Roermond, Weert, Nederweert, Maasgouw, Echt-Susteren en Roerdalen - bevordert de samenwerking binnen Omnibuzz. Ouders en leerlingen krijgen meer duidelijkheid en worden gelijk behandeld. Ook wordt het werk beter en op dezelfde manier uitgevoerd. Dit zorgt voor een duidelijke en gezamenlijke aanpak van het leerlingenvervoer in de regio en sluit aan bij het uitgangspunt van de gemeenten dat leerlingen zo zelfstandig mogelijk reizen. 2.1 De nieuwe verordening vervangt de regeling voorzieningen leerlingenvervoer 2021 De nieuwe Verordening leerlingenvervoer vervangt vanaf 2026 de bestaande verordening Leerlingenvervoer 2021. De intrekking van de huidige verordening voorkomt dat er twee regelingen naast elkaar bestaan, wat verwarring en onduidelijkheid bij ouders, scholen en uitvoerende instanties zou kunnen veroorzaken. 5.
Kanttekeningen
1.1 Ondanks de wens voor uniformiteit kunnen er bestuurlijk per gemeente andere besluiten worden genomen. Hoewel de voorgestelde verordening tot stand is gekomen in nauwe samenwerking tussen de betrokken ambtelijke organisaties van de Omnibuzz-gemeenten, blijft het uiteindelijke besluitvormingsproces een bestuurlijke verantwoordelijkheid. Dit betekent dat individuele colleges of gemeenteraden, op basis van lokale politieke overwegingen of specifieke gemeentelijke belangen, kunnen besluiten om af te wijken van de voorgestelde uniforme lijn. Het is daarom van belang om bij de implementatie van de verordening en beleidsregels rekening te houden met mogelijke verschillen in besluitvorming tussen gemeenten, en om flexibel te blijven in de afstemming en communicatie tussen de partners binnen Omnibuzz. 1.2 De Ingangsdatum van de verordening valt in het lopend schooljaar Het vaststellen van een nieuwe verordening met ingang van een datum die midden in het schooljaar valt (1 januari 2026), kan gevolgen hebben voor de rechtszekerheid en verwachtingen van ouders, leerlingen en scholen. Zij baseren hun keuzes en aanvragen vaak op het beleid dat geldt bij de start van het schooljaar. Een wijziging halverwege kan leiden tot: • Onzekerheid over welke regels van toepassing zijn op lopende aanvragen of bestaande vervoersafspraken.
• Communicatie-uitdagingen, omdat ouders en scholen goed geïnformeerd moeten worden over de overgang en eventuele gevolgen.
Pagina 3 van 5
gemeente roerdalen
•
Uitvoeringsproblemen, bijvoorbeeld bij het beoordelen van aanvragen die zijn ingediend vóór de ingangsdatum, maar waarop pas daarna wordt beslist.
Invoering van de verordening per 1 januari 2026 is toch wenselijk, omdat de huidige verordening al verouderd is door gewijzigde wet- en regelgeving en maatschappelijke ontwikkelingen. Daarom is in de verordening een artikel opgenomen dat voorziet in een overgangsregeling voor ouders en leerlingen. 6.
Financiën
Uit de wijziging van de Verordening Leerlingenvervoer Midden-Limburg, gemeente Roerdalen 2026 vloeien op zichzelf geen directe financiële risico's voort. De voorgestelde werkwijze is erop gericht om, waar mogelijk, leerlingen te stimuleren zelfstandig te reizen met het openbaar vervoer of de fiets. In de ideale situatie zal dit ertoe leiden dat minder leerlingen gebruikmaken van het aangepast vervoer, wat een directe kostenbesparing oplevert voor de gemeente. Tegelijkertijd kan het stimuleren en faciliteren van zelfstandig reizen en de inzet van aangepast vervoer waar nodig kostenverhogend werken. De kostenverlagende en kostenverhogende gevolgen van de werkwijze zijn beperkt en blijven naar verwachting marginaal. Daarom is de verwachting dat deze kosten en baten per saldo elkaar grotendeels in evenwicht zullen houden. 7.
Eerdere besluitvorming
Raadsbesluit 2014/07 /10/06 - Verordening leerlingenvervoer gemeente Roerdalen 2021 Vergaderingen - Gemeenteraad - 29 september 2021 - iBabs.
8.
Communicatie 1.
Terugkijken De nieuwe verordening is in samenspraak met de genoemde gemeenten en Omnibuzz tot stand gekomen en uitgebreid besproken met de uitvoering. De adviesraad sociaal domein is geïnformeerd over de wijzigingen in de verordening. Daar dit een regionale regeling betreft, zijn zij enkel geïnformeerd over de wijzigingen en hebben ze de verordening ter informatie ontvangen. Zij hebben aangegeven de onderbouwing voor de wijzigingen inhoudelijk goed te kunnen volgen.
2.
Vooruitkijken Mits de gemeenteraad positief besluit in de raadsvergadering van 11 december 2025 zal de verordening worden gepubliceerd in ons elektronisch gemeentebladen in werking treden op 1 januari 2026.
Pagina 4 van 5
., gemeente roerdalen
9.
Planning en uitvoering
In samenwerking met de uitvoering zal overleg plaatsvinden over de wijze van implementatie van de verordening, evenals over de bijbehorende communicatie richting ouders die gebruikmaken van het leerlingenvervoer. 10. Privacy N.v.t. 11. (Wettelijk en/of beleidsmatig) kader De nieuwe verordening Leerlingenvervoer sluit beter aan bij de actuele wet- en regelgeving, waaronder de Wet voortgezet onderwijs 2020. De publicatie van de nieuwe modelverordening en de regionale samenwerking met Omnibuzz met betrekking tot het leerlingenvervoer was reden om te komen tot één uniformere verordening. 12. Bijlagen Bijlage 1: Verordening leerlingenvervoer gemeente Roerdalen 2026. Bijlage 2: Ledenbrief nieuwe modelverordening VNG
Sint Odiliënberg, 21 oktober 2025
Burgemeester en wethouders van Roerdalen, De secretaris,
De burgemeester,
ing. L.H.C. Bijl
Ing. J.M.A. van Agtmaal
Pagina 5 van 5
Raadsbesluit
2021/09/29/08
Zaaknummer: Z21-023267 Onderwerp: Verordening Leerlingenvervoer gemeente Roerdalen 2021 De raad van de gemeente Roerdalen heeft; gezien het voorstel van het college van burgemeester en wethouders van 20 juli 2021, gelet op artikel 4 van de Wet op het primair onderwijs, artikel 4 van de Wet op de expertisecentra en artikel 4 van de Wet op het voortgezet onderwijs het volgende besluit genomen:
Besluit: 1. De Verordening leerlingenvervoer gemeente Roerdalen, zoals vastgesteld op 10 juli 2014, in te trekken; 2. De navolgende Verordening leerlingenvervoer gemeente Roerdalen 2021 vast te stellen.
Verordening Leerlingenvervoer gemeente Roerdalen 2021 Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen Artikel 1. Definities In deze verordening wordt verstaan onder: a. aangepast vervoer: vervoer per besloten busvervoer, schoolbusvervoer, taxi, taxibus, bustaxi of touringcar; b. afstand: afstand tussen de woning en de school, gemeten langs de kortste voor de leerling voldoende begaanbare en veilige weg; c. begeleider: ouder of persoon die door de ouders wordt ingezet om de leerling tijdens het vervoer te begeleiden; d. deskundige: onafhankelijk medisch of pedagogisch deskundige, de school of de in het OOGO bepaalde onafhankelijk deskundige; e. eigen vervoer: vervoer per eigen motorvoertuig of fiets; f. leerling met een beperking: een leerling als bedoeld in dit artikel, die door een structurele lichamelijke, verstandelijke, zintuiglijke of psychische beperking niet, of niet zelfstandig van het openbaar vervoer of de fiets gebruik kan maken; g. inkomen: inkomensgegeven als bedoeld in artikel 21, aanhef en onder e, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen, in het peiljaar, bedoeld in artikel 4, zevende lid, van de Wet op het primair onderwijs; h. leerling: de leerling die is ingeschreven bij een school als bedoeld in dit artikel; i.
ontwikkelingsperspectief: een voor de leerling van het primair onderwijs, speciaal onderwijs, voortgezet speciaal onderwijs dan wel voortgezet onderwijs vastgesteld plan
Pagina 1 van 44
als bedoeld in artikel 40a van de Wet op het primair onderwijs, artikel 41a van de Wet op de expertisecentra of artikel 26 van de Wet op het voortgezet onderwijs, dat door het bevoegd gezag en na op overeenstemming gericht overleg met de ouders is opgesteld. Ingeval van het speciaal en voortgezet speciaal onderwijs adviseert hierin de commissie voor de begeleiding dan wel de commissie van onderzoek; j. OOGO: het Op Overeenstemming Gericht Overleg tussen het samenwerkingsverband en de gemeenten binnen het samenwerkingsverband als bedoeld in artikel 18a, negende lid, van de Wet op het primair onderwijs en artikel 17a, negende lid, van de Wet op het voorgezet onderwijs; k. openbaar vervoer: voor een ieder openstaand personenvervoer; l. opstapplaats: plaats aangewezen door het college, vanaf waar de leerling gebruik kan maken van het vervoer. De opstapplaats bevindt zich op een veilige en beschutte locatie en op een redelijke loopafstand van de woning van de leerling en biedt voldoende ruimte voor een eventuele begeleider; m. ouders: ouder(s), voogden of verzorgers van de leerling; n.
reistijd: totale tijdsduur die ligt tussen het verlaten van de woning en de aanvang van de schooldag volgens de schoolgids, minus maximaal 10 minuten, indien en voor zover de leerling het schoolgebouw met bijbehorend terrein gewoonlijk eerder bereikt dan de schoolgids aangeeft, dan wel de totale tijdsduur die ligt tussen het einde van de schooldag volgens de schoolgids en de aankomst bij de woning, plus een eventuele wachttijd voor het openbaar vervoer of maximaal 10 minuten bij gebruikmaking van aangepast vervoer; o. samenwerkingsverband: 1. voor het primair onderwijs: samenwerkingsverband als bedoeld in artikel 18a van de Wet op het primair onderwijs; 2. voor het speciaal en voortgezet speciaal onderwijs: samenwerkingsverband als bedoeld in artikel 28a van de Wet op de expertisecentra; of 3. voor het voortgezet onderwijs: samenwerkingsverband als bedoeld in artikel 17a van de Wet op het voortgezet onderwijs; p. school: de schoollocatie waar de leerling onderwijs volgt. Dit is: 1. het primair onderwijs: basisschool of speciale school voor basisonderwijs als bedoeld in de Wet op het primair onderwijs; 2. het speciaal onderwijs: school voor speciaal onderwijs of het speciaal onderwijs binnen een school voor speciaal en voortgezet speciaal onderwijs als bedoeld in de Wet op de expertisecentra; 3.
het voortgezet speciaal onderwijs: school voor voortgezet speciaal onderwijs of voortgezet speciaal onderwijs binnen een school voor speciaal en voortgezet speciaal onderwijs als bedoeld in de Wet op de expertisecentra; of 4. het voortgezet onderwijs: school voor voortgezet onderwijs als bedoeld in de Wet op het voortgezet onderwijs; q. stage: praktische leertijd bij de beroepsopleiding; r. toegankelijke school: school waarop de leerling is aangewezen van de verlangde godsdienstige of levensbeschouwelijke richting dan wel de openbare school; s. vervoer: openbaar vervoer, aangepast vervoer of eigen vervoer tussen de woning dan wel de opstapplaats en de school dat plaatsvindt in aansluiting op het begin en einde van de schooldag volgens de schoolgids, tenzij de structurele handicap van een leerplichtige leerling die aansluiting onmogelijk maakt; t. vervoersvoorziening:
Pagina 2 van 44
1. bekostiging van de goedkoopst mogelijke wijze van openbaar vervoer voor de leerling en zo nodig diens begeleider; 2. aanbieding van aangepast vervoer dat de gemeente verzorgt of doet verzorgen; of 3. gehele of gedeeltelijke bekostiging van de door het college noodzakelijk geachte vervoerkosten van de leerling en zo nodig diens begeleider; u. woning: plaats waar de leerling feitelijk en structureel verblijft. Artikel 2. Doelstelling Deze verordening heeft tot doel op basis van een beoordeling op grond van in de verordening bepaalde criteria en op basis van een onderzoek naar de individuele situatie van de leerling een gehele of gedeeltelijke bekostiging toe te kennen aan de ouders. De bepaalde bekostiging wordt toegekend voor het goedkoopst passend vervoer van de leerling van de woning dan wel de opstapplaats naar de dichtstbijzijnde toegankelijke school voor de leerling en terug. De bekostiging wordt toegekend met inachtneming van het bepaalde in deze verordening. Hoofdstuk 2. Aanvraag van de vervoersvoorziening Artikel 3. Aanvraagprocedure 1. Een aanvraag voor een vervoersvoorziening wordt gedaan in de gemeente waar de leerling zijn woning heeft, door indiening bij het college van een volledig ingevuld en door de ouders of de meerderjarige en handelingsbekwame leerling ondertekend papieren of digitaal formulier, voorzien van de op het formulier vermelde gegevens. 2.
Als dit voor een juiste beoordeling van de aanvraag noodzakelijk is, kan het college de ouders verzoeken aanvullende gegevens te verstrekken. 3. De gegevens voortvloeiend uit de aanvraag voor een vervoersvoorziening worden slechts gebruikt om de aanvraag te kunnen beoordelen en uitvoering te kunnen geven aan de vervoersvoorziening voor de leerling. 4. Het college besluit binnen acht weken na ontvangst van de aanvraag voor een vervoersvoorziening. 5. Het college kan het in het vorige lid bedoelde besluitvormingstermijn met ten hoogste vier weken opschuiven. Het college stelt de aanvrager hiervan schriftelijk in kennis. 6. Als een vervoersvoorziening wordt toegekend geldt deze: a. wanneer het een bekostiging betreft, met ingang van de door de ouders verzochte datum, met dien verstande dat de datum niet ligt vóór de datum van ontvangst van de aanvraag; b. wanneer het aanbieding van aangepast vervoer betreft, met ingang van een datum die zo mogelijk aansluit bij de door de ouders verzochte datum. Artikel 4. Voorwaarden voor het verstrekken van de vervoersvoorziening 1. Ten behoeve van het schoolbezoek kent het college aan de ouders van de in de gemeente verblijvende leerling op aanvraag een vervoersvoorziening toe met inachtneming van het bepaalde in deze verordening. 2.
De bepalingen in deze verordening laten onverlet de verantwoordelijkheid van de ouders voor het schoolbezoek van hun kinderen. 3. Als de leerling een meerderjarige en handelingsbekwame leerling is, wordt de vervoersvoorziening op aanvraag toegekend aan de leerling. 4. Het college verstrekt een vervoersvoorziening voor het vervoer van de leerling van de woning naar de dichtstbijzijnde toegankelijke school en terug. 5. Het college kan ten behoeve van de uitvoering van deze verordening nadere regels stellen.
Pagina 3 van 44
Hoofdstuk 3. Beoordelingsfase: beoordeling van de aanspraak op vervoersvoorziening Artikel 5. Gesprek over zelfstandigheid en zelfredzaamheid 1. Bij de beoordeling van een aanvraag voor een vervoersvoorziening voor de leerling en eventueel een begeleider, wordt rekening gehouden met de zelfstandigheid en zelfredzaamheid van de leerling en die van het gezin. 2. Het college kan bij een eerste aanvraag in een gesprek, met de ouders, desgewenst de leerling en een deskundige, de noodzakelijk te achten vervoersvoorziening onderzoeken als bedoeld in de onderzoeksfase. 3. Bij gewijzigde omstandigheden kan het gesprek als bedoeld in het tweede lid opnieuw plaatsvinden. 4. Voor zover de leerling naar het oordeel van het college in voldoende mate zelfstandig en zelfredzaam is, wordt de aanvraag voor een vervoersvoorziening afgewezen. Artikel 6. Vervoersvoorziening naar de dichtstbijzijnde toegankelijke school 1. Een vervoersvoorziening wordt toegekend over de afstand tussen de woning van de leerling dan wel de opstapplaats en de dichtstbijzijnde voor de leerling toegankelijke school, tenzij vervoer naar een verder weggelegen school voor de gemeente minder kosten met zich mee brengt en de ouders met het vervoer naar die school schriftelijk instemmen. 2.
Als de ouders vanwege een specifieke onderwijskundige behoefte van de leerling een vervoersvoorziening aanvragen naar een school op een grotere afstand, dan de dichtstbijzijnde toegankelijke school van de onderwijssoort waarop de leerling is aangewezen, wordt deze slechts toegekend als is voldaan aan de volgende voorwaarden: a. aan het college is door de ouders de specifieke en noodzakelijke onderwijskundige onderwijsbehoefte van de leerling schriftelijk onderbouwd; b. aan het college is door ouders genoegzaam aangetoond dat de dichtstbijzijnde school van de onderwijssoort waarop de leerling is aangewezen niet toegankelijk is vanwege het niet kunnen bieden van het noodzakelijke specifieke onderwijsaanbod; en c. in het OOGO zijn afspraken gemaakt over de deskundige en is overleg gevoerd over het aanbod voor onderwijs bij de dichtstbijzijnde toegankelijke school van de onderwijssoort waarop de leerling is aangewezen als bedoeld in artikel 265, derde lid. Artikel 7. Afstandsgrens 1. Een vervoersvoorziening wordt toegekend als de afstand van de woning naar de dichtstbijzijnde toegankelijke school voor: a. basisonderwijs als bedoeld in de Wet op het primair onderwijs meer bedraagt dan zes kilometer; b. speciale basisonderwijs als bedoeld in de Wet op het primair onderwijs meer bedraagt dan zes kilometer; of c.
speciaal onderwijs of voortgezet (speciaal) onderwijs als bedoeld in de Wet op de expertisecentra en de Wet op het voorgezet onderwijs meer bedraagt dan zes kilometer. 2. In afwijking van het eerste lid wordt geen afstandsgrens gehanteerd wanneer aan het college genoegzaam is aangetoond dat het een leerling met een beperking betreft. Zo nodig kan het college hierover advies vragen aan een onafhankelijk medisch deskundige. De deskundige betrekt in zijn advies de mogelijkheden van de leerling met een beperking om zelfstandig, al dan niet met begeleiding, met de fiets of het openbaar vervoer te reizen.
Pagina 4 van 44
Artikel 8. Aanwijzing opstapplaats 1. Het college kan bij het verstrekken van aangepast vervoer een opstapplaats aanwijzen van waaruit de leerling gebruik maakt van de vervoersvoorziening. 2. De ouders dragen er zorg voor dat de leerling naar en op de opstapplaats wordt begeleid als dit noodzakelijk is. 3. Het college wijst geen opstapplaats aan als door de ouders wordt aangetoond dat begeleiding van de leerling door henzelf of anderen onmogelijk is dan wel tot ernstige benadeling van het gezin zal leiden en een andere oplossing niet mogelijk is. 4. Het college wijst tijdelijk geen opstapplaats aan als het gebruik van een opstapplaats leidt tot hogere kosten dan aangepast vervoer vanaf de woning van de leerling. Artikel 9. Vervoer naar een tweede afzetadres in Roerdalen 1. Ouders van een leerling, die op grond van deze verordening aanspraak maken op aangepast vervoer, kunnen bij de aanvraag een tweede afzetadres opgeven in de gemeente Roerdalen. 2. Het vervoer naar de tweede opvanglocatie vindt op één vast adres en op vaste dagen gedurende het schooljaar plaats. De dagen waarop vervoer naar het tweede afzetadres gewenst is dient jaarlijks schriftelijk bij de aanvraag voor een vervoersvoorziening door de ouders aangegeven te worden. Artikel 10.
Peildatum leeftijd leerling Voor het verstrekken van een vervoersvoorziening op basis van artikel 17 en 18 is de leeftijd van de leerling op 1 augustus van het schooljaar waarop de vervoersvoorziening betrekking heeft bepalend. Artikel 11. Andere vergoedingen De aanspraak op een toelage, voor zover die voor de betreffende leerling betrekking heeft op de reiskosten, wordt op een bekostiging in mindering gebracht, dan wel als eigen bijdrage in rekening gebracht. Artikel 12. Schooltijden en wachttijden 1. Bekostiging van het aangepast vervoer vindt plaats op standaard schooldagen en schooltijden, zoals deze zijn opgenomen in de schoolgids van de school die de leerling bezoekt. 2. Ingeval er binnen een school sprake is van verschillende lesroosters binnen de vaste schooltijden, kan het college besluiten met de inzet van het aangepaste vervoer een wachttijd aan te houden van één of meerdere lesuren, om zodoende aan te sluiten op het reguliere leerlingenvervoer. 3. Het aangepast vervoer op schooldagen en schooltijden die afwijken van de in de schoolgids genoemde dagen en tijden wordt niet bekostigd, tenzij de ouders bewijs overleggen waaruit blijkt dat de structurele beperking van een leerplichtige leerling de aansluiting op de standaard schooltijden onmogelijk maakt. Artikel 13. Tijdelijk verblijf buiten de gemeente 1.
Het college kan een tijdelijke vervoersvoorziening voor een periode van maximaal zes weken toekennen aan de ouders van een leerling, die als gevolg van een crisissituatie tijdelijk buiten de gemeente verblijft, mits aan de volgende voorwaarden is voldaan: a. de leerling blijft zijn eigen school bezoeken; b. in de periode, voorafgaand aan het tijdelijke verblijf buiten de gemeente, is een vervoersvoorziening toegekend op grond van deze verordening; en
Pagina 5 van 44
c. de intentie bestaat dat de leerling terugkeert naar de oorspronkelijke gemeente. 2. Het besluit waarin de vervoersvoorziening is toegekend voorafgaand aan een tijdelijke vervoersvoorziening wordt opgeschort met ingang van de datum van tijdelijk verblijf buiten de gemeente en herleeft weer zodra de leerling terugkeert in de gemeente, tenzij de geldigheidsduur van dit besluit is verstreken. Artikel 14. Vervoersvoorziening naar stageadres 1. Als er al aanspraak bestaat op een vervoersvoorziening naar een school voor voortgezet speciaal onderwijs of een school voor voortgezet onderwijs kan op verzoek een vervoersvoorziening worden toegekend voor het vervoer naar een stageadres. Hiervoor wordt een afzonderlijke aanvraag ingediend. 2. In afwijking van het bepaalde in artikel 3, eerste lid, kan een aanvraag voor stagevervoer bovendien door de school voor voortgezet speciaal onderwijs of de school voor voortgezet onderwijs gedaan worden. 3. De vervoersvoorziening naar een stageadres wordt slechts toegekend als er wordt voldaan aan de volgende voorwaarden: a. de stage is onderdeel van het onderwijsprogramma zoals opgenomen in de schoolgids van de school of in het stagecontract; b. de stagetijden komen overeen met de reguliere schooltijden; c. de stage vindt plaats op één stageadres; en d. het stageadres is gelegen op de route van de woning naar de school.
Als wordt aangetoond dat dit niet mogelijk is, dan kan het college een voorziening voor vervoer toekennen naar een stageadres zo dicht mogelijk bij huis of school. 4. Een vervoersvoorziening wordt slechts toegekend over de afstand tussen de woning van de leerling en het dichtstbijzijnde voor de leerling toegankelijke stageadres. 5. Het college kan het stagecontract opvragen. Hoofdstuk 4. Onderzoeksfase: verstrekking aard en omvang van de vervoersvoorziening Artikel 15. Verstrekking van de vervoersvoorziening 1. Het college kan bij de verstrekking van de vervoersvoorziening het eventuele persoonlijk vervoersontwikkelingsplan of vervoersadviezen van deskundigen betrekken die voor de onderzoekfase van belang zijn. 2. Als begeleiding in het vervoer vereist is, vergoedt het college geen andere kosten dan de vervoerskosten die verbonden zijn aan de begeleiding van de leerling in het vervoer. Artikel 16. Bekostiging van de kosten van openbaar vervoer en vervoer per fiets 1. Als voldaan is aan de afstandsgrens genoemd in artikel 7, eerste lid, verstrekt het college aan de ouders van de leerling die een school voor primair onderwijs of speciaal onderwijs bezoekt bekostiging op basis van de kosten van het openbaar vervoer. 2.
Als aanspraak bestaat op bekostiging zoals bedoeld in het eerste lid en de leerling naar het oordeel van het college, onder begeleiding, gebruik kan maken van het vervoer per fiets, verstrekt het college de ouders bekostiging op basis van de kosten van het vervoer per fiets. 3. De kilometervergoeding voor de fiets is gelijk aan de laatst bekende fietskilometervergoeding genoemd in de Reisregeling Binnenland gemeten langs de kortste afstand.
Pagina 6 van 44