Agendabundel
Tekst van het document
Daarnaast bepaalt het nieuwe artikel 12 lid 1, sub a dat geen voorziening wordt verstrekt wanneer de problematiek past bij de normale ontwikkelingsbehoeften van de jeugdige en geen sprake is van een onderliggende stoornis of beperking. Deze bepaling anticipeert op de voorgenomen wetswijziging vanuit de Hervormingsagenda Jeugd 2023-2028, waarin is beoogd de doelgroep van de Jeugdwet te beperken tot jeugdigen met complexe problematiek. Voor een rechtmatige toepassing moet het college conform artikel 9.2 - gestructureerd toetsen: eerst de inzet van eigen kracht, dan van gebruikelijke hulp en bovengebruikelijke hulp en pas daarna van individuele hulp.2
1 ECLl:NL:CRVB:2020:1749. 2 ECLl:NL:CRVB:2017:1477.
Pagina 2 van 7
gemeente roerdalen
Kwaliteitseisen gemeentelijke toegang en jeugdhulp: artikel 4 is nieuw toegevoegd en hiermee worden kwaliteitseisen gesteld aan de gemeentelijke toegang tot jeugdhulp. Onderzoek moet worden uitgevoerd door of onder verantwoordelijkheid van een geregistreerde professional met passende deskundigheid. Bij complexe hulpvragen gelden aanvullende eisen, zoals het gebruik van gevalideerde instrumenten en inzet van academisch opgeleide professionals. Het artikel bepaalt ook dat jeugdigen worden gehoord: vanaf 12 jaar verplicht en onder de 12 jaar tenzij dit niet mogelijk is of in strijd met het belang van de jeugdige. Besluitvorming mag niet worden overgedragen aan aanbieders en moet voldoen aan geldende richtlijnen van jeugdhulp. Afstemming met andere voorzieningen: artikel 11 is nieuw toegevoegd. Dit artikel beschrijft op welke wijze het college zorg draagt voor een zorgvuldige afstemming tussen jeugdhulp en aanpalende voorzieningen zoals gezondheidszorg, langdurige zorg, onderwijs, maatschappelijke ondersteuning en werk en inkomen. Daarbij wordt expliciet aandacht besteed aan de continuïteit van ondersteuning rondom de 18e verjaardag van de jeugdige, met als doel te voorkomen dat jongeren door veranderende wettelijke kaders tussen wal en schip raken. Niet gecontracteerde aanbod: het huidige artikel 5.2 wordt aangescherpt.
Jeugdhulp via nietgecontracteerde aanbieders wordt niet vergoed, tenzij aan PGB voorwaarden is voldaan én de gemeente geen passend gecontracteerd aanbod heeft. Hiermee wordt ongewenst instroom buiten het gemeentelijk kader voorkomen. Identificatie: het nieuwe artikel 7 borgt dat het college de identiteit van de jeugdige, diens ouder of wettelijk vertegenwoordiger op grond van de Jeugdwet en respectievelijk de dient op grond van de Wmo 2015 vaststelt aan de hand van een identiteitsdocument als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht. Deze verplichting volgt uit de Regeling Jeugdwet Artikel 2.3. en de systematiek van de Wmo 2015 op grond van het zorgvuldigheidsbeginsel uit de Algemene wet Bestuursrecht (hierna: Awb). Deze bepaling draagt bij aan een zorgvuldige en rechtmatige besluitvorming over het verlenen van Wmo of jeugdhulp. Bewezen effectieve interventies: In dit nieuwe lid 4 van artikel 9 is bepaald dat het college jeugdhulp uitsluitend toekent als de in te zetten voorziening naar verwachting doeltreffend is. Waar mogelijk wordt gekozen voor een bewezen effectieve interventie. Hiermee wordt invulling gegeven aan het uitgangspunt van verantwoorde hulp op basis van effectiviteit, zoals verankerd in de Jeugdwet en nader uitgewerkt in de Hervormingsagenda 2023-2028.
PGB-regeling: artikel 14, lid 2 bepaalt dat een PGB niet wordt verstrekt bij een aanzienlijke kans op belangenverstrengeling, zoals wanneer de budgetbeheerder niet onafhankelijk, nabij of voldoende gekwalificeerd is.3 Toezicht en handhaving: artikel 19, lid 10 is een nieuwe bepaling in de verordening omtrent toezicht en handhaving. Artikel 19, lid 10 bevat nieuwe maatregelen waarmee het college misbruik, oneigenlijk gebruik en niet-gebruik van voorzieningen op grond van de Jeugdwet actief kan
3
ECLl:NL:CRVB:2024:1491
Pagina 3 van 7
gemeente roerdalen
voorkomen en bestrijden - onder andere via controles, samenwerking met toezichthoudende instanties en het stellen van eisen aan pgb-aanbieders.
1.2 Algemene Maatregel van Bestuur (hierna: AMvB) reële prijzen Jeugdwet van krocht De inwerkingtreding van de AMvB reële prijzen Jeugdwet per 1 juli 2024 benadrukt het belang van een juridisch goed verankerd kader voor de bekostiging van jeugdhulp. De gewijzigde verordening bevat daartoe expliciete bepalingen over de verhouding tussen prijs en kwaliteit (artikel 24, lid 6), en sluit daarmee inhoudelijk aan op de eisen die voortvloeien uit de AMvB. Hoewel de AMvB geen directe wijziging van de verordening vereist, versterkt de verordening de juridische onderbouwing van het gemeentelijke inkoopbeleid en draagt zij bij aan een rechtmatige uitvoering van deze landelijke norm.
1.3 Aansluiting bij landelijke ontwikkelingen De gewijzigde verordening sluit aan bij landelijke ontwikkelingen zoals de Hervormingsagenda Jeugd en het Toekomstscenario Kind- en Gezin bescherming. Deze beleidskoersen zijn gericht op het structureel verbeteren en financieel houdbaar maken van het jeugdstelsel. Daarnaast wordt aangesloten bij de beweging om jeugdhulp nadrukkelijk te richten op jeugdigen en gezinnen in de meest kwetsbare situaties, zodat ondersteuning beschikbaar blijft waar die het hardst nodig is. De gewijzigde verordening biedt hiervoor ruimte aan: het normaliseren van opvoeden én het anders organiseren van jeugdhulp (betere samenwerking met gezinnen, keten partners en hulpverleners draagt bij aan eenvoud, effectiviteit en maatwerk).
Hervormingsagenda Jeugd De verordening biedt uitvoering aan de Hervormingsagenda Jeugd door de inzet van specialistische hulp te begrenzen tot situaties waarin lichtere ondersteuning onvoldoende is. Ook wordt de sociale basis versterkt, zodat meer hulp beschikbaar is in de directe leefomgeving van jeugdigen en gezinnen. Daarnaast wordt het normaliseren van opvoeden en opgroeien bevorderd: alleen wanneer het echt nodig is wordt specialistische hulp ingezet. De toegang tot jeugdhulp is in de verordening zorgvuldig en transparant geregeld. Hiermee draagt zij bij aan een uitvoerbaar, doelmatig en financieel houdbaar jeugdstelsel.
Toekomstscenario Kind- en Gezinsbescherming De verordening ondersteunt het Toekomstscenario Kind- en Gezinsbescherming door gezinsgerichte hulp centraal te stellen, samenhang in de ondersteuning te bevorderen en de route naar passende hulp te vereenvoudigen. Ook is in de verordening ruimte voor het anders organiseren van jeugdhulp, waarbij wordt ingezet op betere samenwerking met gezinnen, ketenpartners en het
Pagina 4 van 7
gemeente roerdalen
bredere zorg- en veiligheidsnetwerk. Daarmee sluit de verordening aan bij de beweging naar integrale, rechtvaardige en mensgerichte jeugdhulp.
1.4 Aanpassing van de kwaliteitseisen pgb n.a.v. gerechtelijke uitspraken. Mede door een recente uitspraak4 van CRvB, wordt artikel 14 over PGB aangescherpt en toegevoegd. Er worden artikelen toegevoegd over de voorwaarden waaraan de geboden hulp moet voldoen. Bovendien wordt PGB niet verstrekt als er een kans is op belangenverstrengeling. Tot slot worden de verschillende PGB categorieën samengevoegd.
1.5 De Adviesraad Sociaal Domein is meegenomen in het proces. Een adviesraad heeft weinig ruimte om te reageren op de inhoud van een verordening. Daarom zijn zij geïnformeerd over de belangrijkste wijzigingen. Dit betreft geen formele adviesvraag.
1.6 Uniforme uitvoering en regionale afstemming Met het oog op een uniforme uitvoering door het Centrum voor Jeugd en Gezin (CJG), dat de toegangstaken op het gebied van jeugdhulp uitvoert voor de zeven gemeenten in MiddenLimburg, zijn de voorgestelde wijzigingen regionaal afgestemd. De betrokken gemeenten hebben hierover gezamenlijk overleg gevoerd, waarbij is besloten om de wijzigingen gelijkluidend voor te stellen. Dit draagt bij aan eenduidigheid in de uitvoering.
5.
Kanttekeningen
1.1 Interpretatie en uitvoerbaarheid: noodzaak tot afstemming in de uitvoering. Begrippen zoals eigen kracht en gebruikelijke hulp blijven afhankelijk van individuele casussen en professionele inschattingen. Dit kan leiden tot interpretatieverschillen in de praktijk, zowel tussen de uitvoering en beleid als richting de inwoners. Om deze interpretatieverschillen in de praktijk te beperken, wordt het kader (No(male ontwikkeling en opvoedingsuitdagingen per leeftijdsgroep) van het Nederlands Jeugdinstituut (NJi) gebruikt. Dit kader biedt een duidelijke beschrijving van eigen kracht en de uitdagingen in opvoeden en opgroeien, wat bijdraagt aan een gedeeld begrippenkader tussen beleid en uitvoering en onze inwoners. Daarmee wordt recht gedaan aan rechtsgelijkheid en transparantie in de toekenning van jeugdhulp.
6.
Financiën
Dit voorstel heeft geen directe financiële gevolgen.
4
ECLl:NL:CRVB:2024:2376
Pagina 5 van 7
gemeente roerdalen
In de gewijzigde verordening is nauwkeurig uitgewerkt wanneer ouders of het sociale netwerk zelf verantwoordelijk zijn. Dit voorkomt dat jeugdhulp onterecht wordt ingezet als 'vangnet', en sluit aan bij het landelijke streven om hulp te reserveren voor gezinnen in kwetsbare situaties. Deze beperking aan de toegang heeft mogelijk kostenbeheersing tot gevolg. De veranderingen in de PGB bepalingen hebben ook geen financiële consequenties, omdat de tarieven van de categorieën die samengevoegd worden al gelijk waren. De gewijzigde verordening heeft invloed op het werk van de klantmanagers Wmo en consulenten CJG. De meeste wijzigingen hebben betrekking op jeugd. Het CJG is gedurende het proces meegenomen en heeft meegedacht over de wijzigingen. Hierdoor is het CJG goed op de hoogte. Hiervoor blijft ook aandacht gedurende accountgesprekken. Tevens zal het CJG de werkprocessen hierop aanpassen. Qua inhoudelijke werkzaamheden voor de klantmanagers Wmo hebben deze aanpassingen minder gevolgen.
7.
Eerdere besluitvorming Raadsbesluit d.d. 18-12-2019: Vaststellen verordening maatschappelijke ondersteuning en jeugdhulp gemeente Roerdalen 2020 Zie link: Vergaderingen - Gemeenteraad - 18 december 2019 - iBabs Raadsbesluit d.d. 15-12-2021: Wijziging Verordening maatschappelijke ondersteuning en jeugdhulp gemeente Roerdalen 2020 Zie link: Vergaderingen - Gemeenteraad - 15 december 2021 - iBabs Raadsbesluit d.d. 16-01-2023: Tweede wijziging Verordening maatschappelijke ondersteuning en jeugdhulp gemeente Roerdalen 2020 Zie link: Vergaderingen - Raadsadviescommissie - 16 januari 2023 - iBabs Raadsbesluit d.d. 18-04-2024 Derde wijziging Verordening maatschappelijke ondersteuning en jeugdhulp gemeente Roerdalen 2020 Zie link: Vergaderingen - Gemeenteraad - 18 april 2024 - iBabs
8.
Communicatie De wijzigingen van de verordening worden gepubliceerd via het elektronisch gemeenteblad.
9.
Planning en uitvoering
Nadat u de gewijzigde verordening heeft vastgesteld treedt deze inwerking op 1 januari 2026.
Pagina 6 van 7
gemeente roerdalen
10. Privacy Voor wat betreft de verordening: n.v.t.
11. (Wettelijk en/of beleidsmatig) kader Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 Jeugdwet
12. Bijlagen Bijlage 1- Raadsbesluit vierde wijzigingsverordening maatschappelijke ondersteuning en jeugdhulp gemeente Roerdalen 2020. Bijlage 2- Overzicht van wijzigingen verordening (was-/ wordt- overzicht)
Sint Odiliënberg, 21 oktober 2025
Burgemeester en wethouders van Roerdalen, De secretaris,
De burgemeester,
ing. L.H.C. Bijl
Ing. J.M.A. van Agtmaal
Pagina 7 van 7
Raadsbesluit
Jaar 2025/10/30
Zaaknummer: Z25-058951 Onderwerp: Vierde wijziging Verordening maatschappelijke ondersteuning en jeugdhulp gemeente Roerdalen 2020 De raad van de gemeente Roerdalen heeft; gezien het voorstel van het college van burgemeester en wethouders van 21 oktober 2025, gelet op het bepaalde in de Wmo 2015, de Jeugdwet en de Verordening Maatschappelijke ondersteuning gemeente Roerdalen 2020; het volgende besluit genomen:
Besluit: 1. Vast te stellen de navolgende Verordening maatschappelijke ondersteuning en jeugdhulp gemeente Roerdalen 2020, vierde wijziging: Artikel I De Verordening wordt als volgt gewijzigd: •
Artikel 1, onder f wordt gewijzigd in: bovengebruikelijke hulp: hulp die in omvang, intensiteit of frequentie uitstijgt boven wat als algemeen gebruikelijk geldt in vergelijkbare situaties.
•
Artikel 1 onder k wordt gewijzigd in: eigen kracht: het vermogen van een persoon om zelf of met het sociaal netwerk, mantelzorg, gebruikelijke hulp en/of algemene voorziening(en) oplossingen te vinden voor de hulpvraag en deze oplossingen (deels) zelf uit te voeren.
•
Artikel 3 lid 1. wordt gewijzigd in: 1. Na ontvangst van een hulpvraag, start het college het onderzoek volgens artikel 2.3.2 van de Wmo 2015 en artikel 2.3 lid 4 van de Jeugdwet. Een gesprek met de cliënt en eventueel zijn vertegenwoordiger, zijn mantelzorger(s), zijn familie en/of een onafhankelijke cliëntondersteuner maakt deel uit van het onderzoek. Voor zover het onderzoek plaatsvindt op grond van de Jeugdwet, worden daarbij tevens de aspecten zoals genoemd in Bijlage 3 in acht genomen.
•
In artikel 3 worden de leden 2 tot en met 5 vernummerd tot 3 tot en met 6, en wordt een nieuw lid ingevoegd, luidende: 2. Voor zover het een hulpvraag in het kader van de Jeugdwet betreft, is het college
Pagina 1 van 10
bevoegd de uitvoering van haar taken te mandateren aan een daartoe aangewezen instantie. Deze instantie handelt binnen de kaders van het mandaatbesluit en is gehouden aan de kwaliteitseisen zoals genoemd in artikel 4. •
Er wordt een nieuw artikel 3 lid 7 ingevoegd, dat luidt als volgt: 7. Voor de toepassing van de begrippen ‘eigen kracht’ en ‘gebruikelijk hulp’ in het kader van de Jeugdwet wordt uitgegaan van het gestelde in Bijlage 2 bij deze verordening. Bij de beoordeling hiervan wordt tevens aangesloten bij de uitgangspunten voor gebruikelijke zorg uit hoofdstuk 4 van de Beleidsregels indicatiestelling Wet langdurige zorg 2024, zoals deze luidde op 1 januari 2024.
•
Het huidige artikel 3 lid 6 wordt vernummerd naar lid 8.
•
Er wordt een nieuw artikel 4 ingevoegd, dat luidt als volgt: Artikel 4. Gemeentelijke toegang en kwaliteitseisen van toegang [Jeugdwet] 1. Het college draagt zorg voor de beschikbaarheid van relevante deskundigheid met betrekking tot: o a. opgroei- en opvoedingsproblemen, psychische problemen en stoornissen; o b. opvoedingssituaties waardoor jeugdigen mogelijk in hun ontwikkeling worden bedreigd; o c. taal- en leerproblemen; o d. somatische aandoeningen; o e. lichamelijke- of verstandelijke beperkingen, en o f. kindermishandeling en huiselijk geweld. 2. Indien het college besluit over het verzoek om een maatwerkvoorziening gelden de navolgende kwaliteitseisen: o a. Het onderzoek dient te worden uitgevoerd door of onder verantwoordelijkheid van een geregistreerde professional; o b. De geregistreerde professional beschikt bij de aanvraag over de passende deskundigheid en/of ervaring conform de indeling genoemd in lid 1; o c. Indien de geregistreerde professional deze kennis of ervaring niet zelf heeft, dient ten minste één andere geregistreerde professional te worden geraadpleegd en om advies te worden gevraagd over de aanvraag. Dit advies wordt opgenomen in de weergave van het onderzoek. 3. Om de deskundigheid van het besluit tot inzet van een voorziening te waarborgen geldt dat: o a.
Bij het onderzoek gebruik wordt gemaakt van gevalideerde instrumenten door een daartoe opgeleide professional; o b. Indien er geen instrument beschikbaar is wordt een daartoe opgeleide professional met relevante kennis en kundigheid over de gestelde hulpvraag betrokken bij de advisering over, bepaling van en het inzetten van voorzieningen; o c. Te allen tijde bij de vraag passende academisch opgeleide professionals beschikbaar zijn voor advisering en besluitvorming. 4. Voor de besluitvorming kan informatie van gecontracteerde aanbieders worden gebruikt, de besluitvorming mag niet aan deze aanbieders worden overgedragen. 5. Er dient te worden gehandeld conform de richtlijnen jeugdhulp en jeugdbescherming. 6. De betrokken jeugdigen worden waar mogelijk gesproken:
Pagina 2 van 10
o o
a. Vanaf 12 jaar gebeurt dit in ieder geval, tenzij de jeugdige niet tot een redelijke waardering van zijn belangen in staat is; b. Onder de 12 jaar wordt een jeugdige gehoord tenzij dit niet mogelijk is of in strijd is met het belang van het kind.
•
Het huidige artikel 4 wordt vernummerd naar artikel 5.
•
Het huidige artikel 5 lid 2 wordt gewijzigd als volgt: 2. Jeugdhulp die op verwijzing van de huisarts, medisch specialist of jeugdarts die is ingezet door een niet gecontracteerde of niet gesubsidieerde aanbieder, komt niet voor vergoeding in aanmerking. Dit is slechts anders als aan de voorwaarden voor een pgb wordt voldaan én het college geen vergelijkbare hulp kan aanbieden via een gecontracteerde of gesubsidieerde aanbieder.
•
Het huidige artikel 5.lid 3 wordt gewijzigd als volgt: 3. De jeugdhulpaanbieder beoordeelt de hulpvraag overeenkomstig deze verordening en handelt volgens de afspraken die hierover zijn vastgelegd in het met de gemeenten gesloten contract of de verleende subsidie.
•
Er wordt een nieuw artikel 6 ingevoegd, dat luidt als volgt: Artikel 6. Toegang jeugdhulp via de gecertificeerde instelling of kinderrechter [Jeugdwet] 1. Het college draagt, in overeenstemming met de Jeugdwet, zorg voor de inzet van jeugdhulp die rechter of de gecertificeerde instelling nodig acht bij de uitvoering van een kinderbeschermingsmaatregel, die de rechter, het openbaar ministerie, de selectiefunctionaris, de inrichtingsarts of de directeur van een justitiële inrichting nodig achten bij de uitvoering van een strafrechtelijke beslissing, of die de gecertificeerde instelling nodig acht bij de uitvoering van jeugdreclassering. 2. De gecertificeerde instelling is in beginstel gebonden aan de jeugdhulp die de gemeente heeft ingekocht.
•
Er wordt een nieuw artikel 7 ingevoegd, dat luidt als volgt: Artikel 7. Identificatie [Wmo/Jeugdwet] 1. Bij het onderzoek stelt het college de identiteit van de jeugdige en de ouder of wettelijk vertegenwoordiger grond van de Jeugdwet vast aan de hand van door hen ter inzage verstrekt document als bedoeld in artikel 1 van de Wet op identificatieplicht. 2. Voor cliënten op grond van de Wmo 2015 geldt dat het college de identiteit vaststelt met een geldig identiteitsdocument alvorens tot besluitvorming over te gaan op grond van het zorgvuldigheidsbeginsel uit de Awb.
•
Het huidige artikel 5 wordt vernummerd naar artikel 8.
•
Het huidige artikel 6 wordt vernummerd naar artikel 9.
•
In artikel 9 worden de leden 4 en 5 vernummerd tot 5 en 6, en wordt een nieuw lid 4 ingevoegd, luidende: Een maatwerkvoorziening op grond van de Jeugdwet wordt, met inachtneming van het gestelde in lid 2 en 3 van dit artikel, toegekend als deze naar het oordeel van het college doeltreffend is in het oplossen van de hulpvraag. Daarbij wordt in beginsel gekozen voor
Pagina 3 van 10
een bewezen effectieve voorziening. •
Het huidige artikel 7 wordt vernummerd naar artikel 10.
•
Er wordt een nieuw artikel 11 ingevoegd, dat luidt als volgt: Artikel 11: Afstemming met andere voorzieningen [Wmo/Jeugdwet] 1. Het college draagt zorg voor afstemming met: a. Gezondheidszorg: 1. Het college draagt zorg dat wanneer zij een besluit neemt over de inzet van zorg die vanaf de 18e verjaardag valt onder het basispakket van de Zorgverzekeringswet en er de reële verwachting is dat deze zorg na de 18e verjaardag van de jeugdige door zal lopen, het besluit voldoet aan de eisen die daaraan gesteld worden door de zorgverzekeraars; 2. Het college draagt er zorg voor dat in de gevallen bedoeld in het eerste lid de jeugdige en zijn ouders worden gewezen op de consequentie dat deze zorg vanaf de 18e verjaardag van de jeugdige onder de Zorgverzekeringswet valt, en spant zich in voor de continuïteit van de zorg indien noodzakelijk. b. Langdurige zorg: 1. Het college draagt zorg dat de lokale toegang de jeugdige of zijn ouders ondersteunt richting het Centraal Indicatieorgaan Zorg, indien er gegronde redenen zijn om aan te nemen dat de jeugdige in aanmerking kan komen voor zorg op grond van de Wet langdurige zorg; 2. Indien de jeugdige of zijn ouders weigeren mee te werken aan het verkrijgen van een besluit van het Centraal Indicatieorgaan Zorg, is het college niet gehouden een individuele voorziening toe te kennen op grond van deze verordening. c.
Voorschoolse voorzieningen en het onderwijs: 1. Het college draagt zorg dat locaties voor kinderopvang, primair en voortgezet onderwijs een contactpersoon/contactteam hebben bij de gemeentelijke toegang; 2. Afspraken over de afstemming van jeugdhulpvoorzieningen en onderwijszorg worden vastgelegd in het plan voor de jeugdhulp van de jeugdige en zijn ouders. d. Maatschappelijk ondersteuning: 1. Het college draagt zorg voor een goede afstemming tussen de lokale toegang en de Wet maat- schappelijke ondersteuning aanbieders, indien een jeugdige of zijn ouders naast jeugdhulp- voorzieningen ook in aanmerking komen voor voorzieningen op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning; 2. Het college draagt zorg dat wanneer de begeleiding van een jeugdige na het achttiende jaar voortgezet moet worden onder de Wet maatschappelijke ondersteuning, de continuïteit gewaarborgd wordt en de lokale toegang een besluit hiertoe zo nodig (mede)voorbereidt. e. Werk en inkomen: 1. Het college draagt zorg dat de lokale toegang en de gecertificeerde instellingen financiële belemmeringen voor het slagen van preventie en jeugdhulp vroegtijdig signaleren en waar nodig jeugdigen en hun ouders helpen de juiste ondersteuning vanuit de gemeentelijke voorzieningen – zoals schuldhulpverlening, inkomensvoorzieningen, minimaregelingen, begeleiding naar werk - te krijgen om deze belemmeringen weg te nemen.
Pagina 4 van 10
•
Er wordt een nieuw artikel 12 ingevoegd, dat luidt als volgt: Artikel 12: Voorwaarden en weigeringsgronden [Jeugdwet] 1. Het college verstrekt geen maatwerkvoorziening op grond van de Jeugdwet indien: a. sprake is van een hulpvraag die behoort tot de gebruikelijke opvoedingsopgaven en/ of normale ontwikkelingsuitdagingen van jeugdigen, zoals bedoeld in Bijlage 2; b. de jeugdige of zijn ouder of wettelijk vertegenwoordiger, al dan niet met inzet van het sociaal netwerk of van andere (hulpverlenende instanties), in voldoende mate in staat zijn de noodzakelijke hulp te organiseren die aansluit bij de hulpvraag; c. de noodzakelijk hulp naar het oordeel van het college op eigen kracht, met gebruikelijke hulp of met voorliggende, algemeen toegankelijke voorzieningen kan worden gerealiseerd; d. van de ouder of wettelijk vertegenwoordiger in redelijkheid kan worden verwacht dat deze zelf de benodigde hulp biedt, mede in het licht van hun wettelijke opvoedingsverantwoordelijkheid als bedoeld in de artikelen 82 en 247 van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek; e. redelijkerwijs van de ouder of wettelijk vertegenwoordiger kan worden verlangd dat deze zijn maatschappelijke activiteiten, waaronder werk, aanpassen om overbelasting te voorkomen of op te heffen; f.
de benodigde hulp op andere wijze wordt bekostigd, bijvoorbeeld via de Zorgverzekeringswet, de Wet langdurige zorg of de Wet kinderopvang; g. de ouder of wettelijk vertegenwoordiger beschikt over een aanvullende zorgverzekering die de benodigde hulp dekt, en gebruik hiervan in redelijkheid kan worden verlangd; h. de benodigde jeugdhulp uitsluitend voortkomt uit maatschappelijke, psychische of relationele problemen van de ouder of wettelijk vertegenwoordiger, en naar het oordeel van het college geen sprake is van een hulpvraag zoals bedoeld in de Jeugdwet. Dit geldt niet wanneer er, naast deze ouderproblematiek, sprake is van meervoudige problematiek in de context van het gezin.
•
Het huidige artikel 8 wordt vernummerd naar artikel 13.
•
In artikel 13 wordt lid 4 vernummerd naar lid 5, er wordt een nieuw lid ingevoegd, luidende: 4. De schriftelijke weergave van het onderzoek zoals bedoeld in artikel 2.3.2, negende lid, van de Wmo 2015 en artikel 3.4 van de Jeugdwet, maakt in zijn geheel deel uit van de beschikking.
•
Het huidige artikel 9 wordt vernummerd naar artikel 14.
•
In artikel 14 worden de leden 2 tot en met 5 vernummerd tot 3 tot en met 6, en wordt een nieuw lid ingevoegd, luidende: 2. Een budgethouder of een budgetbeheerder wordt in beginsel niet in staat geacht de aan een pgb verbonden taken verantwoord te kunnen uitvoeren als sprake is van één of meer van de volgende omstandigheden: a. het beheer wordt verricht door de persoon of organisatie die ook de jeugdhulp levert aan de budgethouder dan wel het beheer wordt verricht door de persoon of
Pagina 5 van 10
organisatie die geen onafhankelijke organisatorische of financiële relatie heeft met de persoon of organisatie die de jeugdhulp levert, tenzij I. hiervoor door het college toestemming is verleend of II. de persoon eerste of tweedegraads bloed- of aanverwant is van de jeugdige b. er sprake is van onvoldoende nabijheid tot de cliënt in de vorm van (fysieke) aanwezigheid en tijd; c. schuldenproblematiek; d. ernstige verslavingsproblematiek; e. aangetoonde fraude, in de zin van opzettelijke misleiding om financieel voordeel te verkrijgen, begaan in de vier jaar voorafgaand aan de aanvraag; f. een aanmerkelijke verstandelijke beperking; g. een ernstig psychiatrisch ziektebeeld; h. een vastgestelde, blijvende cognitieve stoornis; i. het onvoldoende machtig zijn van de Nederlandse taal in woord en geschrift; j. het niet verkrijgen van een Verklaring Omtrent het Gedrag. •
Het artikel 14 lid 5 wordt gewijzigd en luidt als volgt: 5. De hoogte van een pgb bedraagt voor: a. diensten, door: 1. een professionele organisatie: maximaal de kostprijs van de goedkoopst passende voorziening in natura, zoals door het college vastgesteld op grond van artikel 18 lid 1 van deze verordening dan wel gecontracteerd voor het betreffende jaar; 2. een gediplomeerde zzp’er of freelancer: maximaal 80% van de kostprijs zoals bedoeld in onderdeel 1.; 3. een niet-zorgprofessional in loondienst: het wettelijk minimumloon (incl. vakantiegeld en vakantie uren) en daarna vermeerderd met 20% van dat loon ten behoeve van werkgeverslasten; 4. naaste familie: het wettelijk minimumloon (incl. vakantiegeld); b. begeleiding, in afwijking van sub a van dit lid, door: 1. een professionele organisatie: maximaal een kostprijs van € 53,40 per uur voor begeleiding individueel en maximaal een kostprijs van € 35,97 per dagdeel voor begeleiding groep (prijspeil 2021), met een jaarlijkse indexering volgens de OVAindex (uitgaande van de voorlopige index zoals bekend op Prinsjesdag van het voorafgaande jaar en eventueel aangepast op grond van de definitieve OVAindex van het lopende jaar); 2. een gediplomeerde zzp’er of freelancer: maximaal 80% van de kostprijs zoals bedoeld in onderdeel; 3.
Niet-professional in loondienst en/of naaste familie: het uurloon van de hoogste periodiek behorende bij de Functie Waardering Gezondheidszorg (FWG 30) van de voor de betreffende periode geldende cao VVT (Verpleeg- en Verzorgingshuizen en Thuiszorg), te vermeerderen met vakantietoeslag en de tegenwaarde van de verlofuren. Indien werkgeverslasten moeten worden afgedragen, wordt het bedrag daarmee verhoogd. c. kortdurend verblijf, in afwijking van sub a van dit lid, door: 1. een professionele organisatie: maximaal een kostprijs van € 86,90 per etmaal (prijspeil 2021), met een jaarlijkse indexering volgens de OVA-index (uitgaande
Pagina 6 van 10
van de voorlopige index zoals bekend op Prinsjesdag van het voorafgaande jaar en eventueel aangepast op grond van de definitieve OVA-index van het lopende jaar). 2. een gediplomeerde zzp’er of freelancer: maximaal 80% van de kostprijs zoals bedoeld in onderdeel 1.; d. Hulp bij het huishouden, in afwijking van sub a van dit lid door: I. Niet-professional in loondienst en/of naaste familie: het uurloon van de hoogste periodiek behorende bij hulp bij het huishouden van de voor de betreffende periode geldende cao VVT (Verpleeg- en Verzorgingshuizen en Thuiszorg), te vermeerderen met vakantietoeslag en de tegenwaarde van de verlofuren. Indien werkgeverslasten moeten worden afgedragen, wordt het bedrag daarmee verhoogd. e. regulier vervoer van en naar de dagbesteding, in afwijking van sub a van dit lid: maximaal het bedrag van € 7,79 per dag (prijspeil 2021) met een jaarlijkse indexering volgens de OVA-index (uitgaande van de voorlopige index zoals bekend op Prinsjesdag van het voorafgaande jaar en eventueel aangepast op grond van de definitieve OVA-index van het lopende jaar); voor rolstoelvervoer maximaal het bedrag van € 21,73 per dag (prijspeil 2021) met een jaarlijkse indexering volgens de OVA-index (uitgaande van de voorlopige index zoals bekend op Prinsjesdag van het voorafgaande jaar en eventueel aangepast op grond van de definitieve OVA-index van het lopende jaar). f.
taxi- en rolstoeltaxivervoer, in afwijking van sub a van dit lid: maximaal de kostprijs van de goedkoopst passende maatwerkvoorziening in de vorm van zorg in natura zoals gecontracteerd voor het betreffende jaar, met een maximum van 2000 kilometers per jaar; g. een zaak: 1. maximaal het bedrag van de goedkoopst passende maatwerkvoorziening in de vorm van zorg in natura bij de leverancier waarmee de gemeente een overeenkomst heeft gesloten; 2. maximaal het bedrag van de kosten volgens de door het college geaccepteerde offerte als de gemeente voor de betreffende zaak geen overeenkomst heeft gesloten. •
Het huidige artikel 10 wordt vernummerd naar artikel 15. In artikel 15 komt lid 3 te vervallen.
•
Het huidige artikel 11 wordt vernummerd naar artikel 16.
•
Het huidige artikel 12 wordt gewijzigd en wordt vernummerd naar artikel 17. Lid 3 wordt gewijzigd en luidt als volgt: 3. Een cliënt is een bijdrage verschuldigd in de kosten voor het gebruik van een collectieve voorziening voor vervoer, ter hoogte van €0,94 per zone (prijspeil 2025), met een jaarlijkse indexering conform de Landelijke Tarieven Index (LTI).
•
Er wordt een nieuw artikel 18 ingevoegd, dat luidt als volgt: Artikel 18. Controle en toezicht [Wmo/Jeugdwet] 1. Het college onderzoekt, al dan niet steekproefsgewijs, of de verstrekte voorzieningen worden gebruikt dan wel besteed ten behoeve van het doel waarvoor ze verstrekt zijn.
Pagina 7 van 10
2. Het college onderzoekt, al dan niet steekproefsgewijs, of de verwijzingen door derden rechtmatig zijn. 3. Het college kan een onderzoek starten op basis van ontvangen informatie van andere instanties, zoals andere gemeenten, GGD, zorgverzekeraar of vanuit andere beleidsvelden zoals de Wmo 2015, de Participatiewet etc. 4. Het college kan nadere regels stellen met betrekking tot deze controle. 5. Het college kan toezichthoudende ambtenaren aanwijzen die belast zijn met he toezicht op de naleving van het bepaalde bij of op grond van artikel 2.9 van de Jeugdwet en artikel 6.1. van de Wmo 2015. 6. De aangewezen toezichthouder is, aanvullend op het gestelde in de Awb, Wmo 2015 en Jeugdwet, belast met: a. de bevoegdheid om de (cliënten)administratie te vorderen bij de zorgverlener; b. de bevoegdheid om de administratie te vorderen van de pgb-beheerder; c. controleren of de zorgverlener de verplichtingen uit de toekenningsbeschikking of de contracten met het college naleeft; d. ondersteuningsinhoudelijk controleren van de overeenkomsten die de pgbbeheerder heeft gesloten; voldoen deze aan bij de aanvraag geleverde gegevens en informatie. e. eenieder is verplicht om mee te werken aan het onderzoek van de toezichthouder. •
Het huidige artikel 13 wordt vernummerd naar artikel 19. In dit artikel 19 wordt lid 10 vernummerd naar lid 11, en er wordt een nieuw lid ingevoegd, luidende: 10. Ter voorkoming en bestrijding van misbruik, oneigenlijk gebruik of niet gebruik van voorzieningen op grond van de Jeugdwet kan het college maatregelen treffen. Deze maatregelen kunnen onder meer bestaan uit: a. Het vooraf toetsen, bij een pgb- aanvraag, van de regiemogelijkheden van de ouder, jeugdige of beoogd wettelijk vertegenwoordiger, en van de kwaliteit van de zorgovereenkomst, mede met het oog op de te bereiken resultaten; b. Het instellen van een meldpunt waar signalen over misbruik, oneigenlijk gebruik en niet- gebruik van voorzieningen kunnen worden gemeld
•
Het huidige artikel 14 wordt vernummerd naar artikel 20, en wordt een nieuw lid ingevoegd, luidende: 1. Aanbieders die voorzieningen leveren op grond van de Wmo 2015 of de Jeugdwet, zorgen voor een goede kwaliteit van dienstverlening. Dit houdt in ieder geval in dat: voorzieningen worden afgestemd op de persoonlijke situatie van de cliënt of jeugdige; a. Voorzieningen worden afgestemd op de persoonlijke situatie van de cliënt of jeugdige; b. voorzieningen worden afgestemd op andere vormen van zorg en ondersteuning, waaronder informele zorg, die de cliënt of jeugdige of diens ouder of wettelijke vertegenwoordiger ontvangt; c. beroepskrachten handelen in overeenstemming met de professionele standaard, voor zover van toepassing; d. voorzieningen veilig, doeltreffend, cliëntgericht en resultaatgericht worden geleverd; e. de aanbieder beschikt over een toegankelijke klachtenregeling en voorziet in cliëntmedezeggenschap, voor zover wettelijk vereist;
Pagina 8 van 10
f.
de aanbieder medewerking verleent aan het cliëntervaringsonderzoek van de gemeente; g. aanbieders voldoen aan de wettelijke verplichtingen ten aanzien van transparantie en verantwoording, waaronder de jaarverantwoording, tenzij zij vallen onder een wettelijke uitzondering. 2. Aanvullend op het eerste lid gelden voor aanbieders van jeugdhulp op grond van de Jeugdwet de volgende kwaliteitseisen: a. jeugdhulp wordt verleend in overeenstemming met paragraaf 4.1 van de Jeugdwet en artikel 5.1.1 van het Besluit Jeugdwet; b. beroepskrachten zijn, voor zover vereist, geregistreerd in het BIG-register of het Kwaliteitsregister Jeugd (SKJ); c. de aanbieder levert de verplichte gegevens aan voor de jaarverantwoording in de zorg, tenzij sprake is van een wettelijke uitzondering, zoals bij solistisch werkende jeugdhulpverleners; d. jeugdhulpaanbieders die zorg leveren vanuit het buitenland, voldoen aan het Afsprakenkader Buitenlands Verblijf Jeugd; e. jeugdhulp wordt niet geleverd door aanbieders die alle ondersteuning bieden buiten de lidstaten van de Europese Unie; f. de aanbieder voldoet aan de Wet normering topinkomens. 3. Het college ziet toe op de naleving van de in dit artikel genoemde eisen, onder meer door: a. periodiek overleg met aanbieders; b. het uitvoeren van cliëntervaringsonderzoek; c.
het uitvoeren van controles op geleverde voorzieningen, zo nodig in overleg met de cliënt, jeugdige, diens ouder of wettelijk vertegenwoordiger; d. het betrekken van inspectiegegevens en meldingen van derden bij het toezicht. 4. Het college kan in nadere regels aanvullende bepalingen opnemen ter uitvoering van dit artikel. •
De huidige artikelen 15 tot en met 18 worden vernummerd naar 21 tot en met 24.
•
Aan artikel 24 worden de leden 7 en 8 toegevoegd, en wordt lid 6 gewijzigd. Deze luiden als volgt: 6. Het college houdt in het belang van een goede prijs-kwaliteitverhouding de tarieven die het hanteert voor door derden te leveren jeugdhulp of uit te voeren kinderbeschermingsmaatregelen of jeugdreclassering op grond van de Jeugdwet, op ten minste de volgende kostprijselementen: a. cliëntgebonden en niet-cliëntgebonden kosten van beroepskrachten; b. cliëntgebonden kosten anders dan van beroepskrachten; c. overheadkosten; d. kosten voor indexering. 7. Het college bedingt bij de door hem gecontracteerde of gesubsidieerde aanbieders van preventie, jeugdhulpaanbieders of gecertificeerde instellingen dat zij het verlenen van preventie, jeugdhulp, kinderbeschermingsmaatregelen of jeugdreclassering alleen aan derden uitbesteden als zij die derden daarvoor een reële prijs betalen, die tot stand is gekomen met gebruikmaking van de kostprijselementen bedoeld in het eerste 6. 8. Het zesde en zevende lid gelden voor subsidies slechts voor zover zij worden verstrekt voor de daadwerkelijke verlening van preventie, jeugdhulp, kinderbeschermingsmaatregelen of jeugdreclassering aan jeugdigen of hun ouders en de
Pagina 9 van 10
omvang van de subsidie direct of indirect wordt gebaseerd op de hoeveelheid verrichte diensten. •
De huidige artikelen 19 tot en met 24 worden vernummerd naar 25 tot en met 30.
•
Toegevoegd worden bijlage 1 tot en met 3.
Artikel II Deze wijzigingsverordening treedt in werking op 1-1-2026 en wordt aangehaald als Vierde wijziging verordening maatschappelijke ondersteuning en jeugdhulp gemeente Roerdalen 2020. Aldus vastgesteld in de vergadering van 11 december 2025. De gemeenteraad van Roerdalen, De griffier,
De voorzitter,
mr. M. Heijnens-Coenjaerts
ing. J.M.A. van Agtmaal
Pagina 10 van 10
Artikel gewijzigde verordening
Bestaande tekst
Artikel 1.f.
Nieuwe tekst
Artikel 1. bovengebruikelijke hulp: hulp die in omvang, intensiteit of frequentie uitstijgt boven wat als algemeen gebruikelijk geldt in vergelijkbare situaties.
Artikel 1.k.
Artikel 3.1.
Toelichting
Artikel 1.k.
Artikel 1.k.
eigen kracht: het vermogen van een persoon om zelf of met het sociaal netwerk oplossingen te vinden voor de hulpvraag en deze oplossingen (deels) zelf uit te voeren.
eigen kracht: het vermogen van een persoon om zelf of met het sociaal netwerk, mantelzorg, gebruikelijke hulp en/of algemene voorziening(en) oplossingen te vinden voor de hulpvraag en deze oplossingen (deels) zelf uit te voeren.
Artikel 3.1.
Artikel 3.1.
Na ontvangst van een hulpvraag, start het college het onderzoek volgens artikel 2.3.2 van de Wmo 2015 en artikel 2.3 lid 4 van de
Na ontvangst van een hulpvraag, start het college het onderzoek volgens artikel 2.3.2 van de Wmo 2015 en
Met de toevoeging van lid f wordt verduidelijkt dat onder bovengebruikelijke hulp wordt verstaan: hulp die in omvang, intensiteit of frequentie uitstijgt boven wat als algemeen gebruikelijk geldt in vergelijkbare situaties. Hiermee wordt aangesloten bij jurisprudentie en beleidsregels waarin wordt uitgegaan van wat redelijkerwijs van huisgenoten of gezinsleden verwacht mag worden aan ondersteuning.
De definitie van eigen kracht is aangevuld ter verduidelijking dat ook mantelzorg, gebruikelijke hulp, en algemene voorzieningen hieronder kunnen vallen. Hiermee wordt aangesloten bij de systematiek van de Wmo 2015 als de Jeugdwet, waarin het uitgangspunt geldt dat eerst wordt bezien wat mensen zelf of met hun netwerk kunnen organiseren.
Bij een hulpvraag op grond van de Jeugdwet voert het college een zorgvuldig onderzoek uit, in
Jeugdwet. Een gesprek met de cliënt en eventueel zijn vertegenwoordiger, zijn mantelzorger(s), zijn familie en/of een onafhankelijke cliëntondersteuner maakt deel uit van het onderzoek.
Artikel 3.2.
artikel 2.3 lid 4 van de Jeugdwet. Een gesprek met de cliënt en eventueel zijn vertegenwoordiger, zijn mantelzorger(s), zijn familie en/of een onafhankelijke cliëntondersteuner maakt deel uit van het onderzoek. Voor zover het onderzoek plaatsvindt op grond van de Jeugdwet, worden daarbij tevens de aspecten zoals genoemd in Bijlage 3 in acht genomen.
Artikel 3.2. Voor zover het een hulpvraag in het kader van de Jeugdwet betreft, is het college bevoegd de uitvoering van haar taken te mandateren aan een daartoe aangewezen instantie. Deze instantie handelt binnen de kaders van het mandaatbesluit en is gehouden aan de kwaliteitseisen zoals genoemd in artikel 4.
Artikel 3.3.
Was artikel 3.2.
Artikel 3.4.
Was artikel 3.3.
Artikel 3.5.
Was artikel 3.4.
Artikel 3.6.
Was artikel 3.5.
Artikel 3.7.
samenspraak met de jeugdige en/of diens ouders/verzorgers. Daarbij worden de behoeften, persoonskenmerken en voorkeuren betrokken zoals uitgewerkt in bijlage 3 van de verordening. De werkwijze sluit aan bij de jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep (ECLI:NL:CRVB:2017:1477), waarin vijf onderzoekstappen zijn benoemd.
Dit lid maakt het mogelijk dat het college bepaalde taken op grond van de Jeugdwet kan mandateren aan een instantie, binnen de kaders van een mandaatbesluit. Hiermee wordt uitvoering gegeven aan de in de Jeugdwet geboden flexibiliteit voor gemeentelijke toegang en samenwerking met lokale partners.
Artikel 3.7. Voor de toepassing van de begrippen ‘eigen kracht’ en ‘gebruikelijk hulp’ in het kader van de Jeugdwet wordt uitgegaan van het gestelde in Bijlage 2 bij deze verordening. Bij de beoordeling hiervan wordt tevens aangesloten bij de uitgangspunten
Bijlage 2 bij deze verordening biedt een beoordelingskader voor het bepalen van wat onder eigen kracht en gebruikelijke hulp wordt verstaan binnen het kader van de Jeugdwet. De bijlage is gebaseerd op de ontwikkelingstaken van jeugdigen,
voor gebruikelijke zorg uit hoofdstuk 4 van de Beleidsregels indicatiestelling Wet langdurige zorg 2024, zoals deze luidde op 1 januari 2024.
Artikel 3.8. Artikel 4.
zoals beschreven door het Nederlands Jeugdinstituut. Deze bijlage is uitsluitend van toepassing op situaties die onder de Jeugdwet vallen en niet bedoeld voor toepassing binnen de Wmo 2015.
Was Artikel 3.6. Artikel 4. Gemeentelijke toegang en kwaliteitseisen van toegang [Jeugdwet] 1. Het college draagt zorg voor de beschikbaarheid van relevante deskundigheid met betrekking tot: a. opgroei- en opvoedingsproblemen, psychische problemen en stoornissen; b. opvoedingssituaties waardoor jeugdigen mogelijk in hun ontwikkeling worden bedreigd; c. taal- en leerproblemen; d. somatische aandoeningen; e. lichamelijke- of verstandelijke beperkingen, en f.
kindermishandeling en huiselijk geweld.
2. Indien het college besluit over het verzoek om een maatwerkvoorziening gelden de navolgende kwaliteitseisen: a. Het onderzoek dient te worden uitgevoerd door of onder verantwoordelijkheid van een geregistreerde professional; b. De geregistreerde professional beschikt bij de aanvraag over de passende deskundigheid en/of ervaring conform de indeling genoemd in lid 1;
Dit artikel is nieuw en hiermee worden kwaliteitseisen gesteld aan de gemeentelijke toegang tot jeugdhulp. Onderzoek moet worden uitgevoerd door of onder verantwoordelijkheid van een geregistreerde professional met passende deskundigheid. Bij complexe hulpvragen gelden aanvullende eisen, zoals het gebruik van gevalideerde instrumenten en inzet van academisch opgeleide professionals. Het artikel bepaalt ook dat jeugdigen worden gehoord: vanaf 12 jaar verplicht, onder de 12 jaar tenzij dit niet mogelijk is of in strijd met het belang van het kind. Besluitvorming mag niet worden overgedragen aan aanbieders en moet voldoen aan geldende richtlijnen van jeugdhulp.
c.
Indien de geregistreerde professional deze kennis of ervaring niet zelf heeft, dient ten minste één andere geregistreerde professional te worden geraadpleegd en om advies te worden gevraagd over de aanvraag. Dit advies wordt opgenomen in de weergave van het onderzoek.
3. Om de deskundigheid van het besluit tot inzet van een voorziening te waarborgen geldt dat: a. Bij het onderzoek gebruik wordt gemaakt van gevalideerde instrumenten door een daartoe opgeleide professional; b. Indien er geen instrument beschikbaar is wordt een daartoe opgeleide professional met relevante kennis en kundigheid over de gestelde hulpvraag betrokken bij de advisering over, bepaling van en het inzetten van voorzieningen; c.
Te allen tijde bij de vraag passende academisch opgeleide professionals beschikbaar zijn voor advisering en besluitvorming.
4. Voor de besluitvorming kan informatie van gecontracteerde aanbieders worden gebruikt, de besluitvorming mag niet aan deze aanbieders worden overgedragen. 5. Er dient te worden gehandeld conform de richtlijnen jeugdhulp en jeugdbescherming. 6. De betrokken jeugdigen worden waar mogelijk gesproken: a. Vanaf 12 jaar gebeurt dit in ieder geval, tenzij de jeugdige niet tot een redelijke waardering van zijn belangen in staat is;
b. Onder de 12 jaar wordt een jeugdige gehoord tenzij dit niet mogelijk is of in strijd is met het belang van het kind. Artikel 5.
Was artikel 4.
Artikel 5.2.
Artikel 5.2.
Artikel 5.2.
Op verzoek van de cliënt legt het college de te verlenen maatwerkvoorziening op grond van lid 1 van dit artikel, of het afwijzen daarvan, vast in een beschikking.
Jeugdhulp die op verwijzing van de huisarts, medisch specialist of jeugdarts die is ingezet door een niet gecontracteerde of niet gesubsidieerde aanbieder, komt niet voor vergoeding in aanmerking. Dit is slechts anders als aan de voorwaarden voor een pgb wordt voldaan én het college geen vergelijkbare hulp kan aanbieden via een gecontracteerde of gesubsidieerde aanbieder.
Artikel 5.3.
Artikel 5.3.
Als de te verlenen maatwerkvoorziening behandeling individueel zwaar (meer dan 50 uur) en/of verblijf betreft, stelt de aanbieder het college daarvan in kennis.
De jeugdhulpaanbieder beoordeelt de hulpvraag overeenkomstig deze verordening en handelt volgens de afspraken die hierover zijn vastgelegd in het met de gemeenten gesloten contract of de verleende subsidie.
Artikel 5.3.
Artikel 6.
Dit lid is aangescherpt. Jeugdhulp via niet- gecontracteerde aanbieders wordt niet vergoed, tenzij aan pgb voorwaarden is voldaan én de gemeente geen passend gecontracteerd aanbod heeft. Hiermee wordt ongewenst instroom buiten het gemeentelijk kader voorkomen.
Dit lid benadrukt dat de jeugdhulpaanbieder handelt binnen de kaders van deze verordening en de afspraken uit het contract of subsidie. Hiermee wordt een uniforme uitvoering gewaarborgd en wordt afwijking van gemeentelijk beleid voorkomen.
Artikel 6. Toegang jeugdhulp via de gecertificeerde instelling of kinderrechter [Jeugdwet] 1. Het college draagt, in overeenstemming met de Jeugdwet, zorg voor de inzet van jeugdhulp die rechter of de gecertificeerde instelling nodig acht bij de uitvoering van een kinderbeschermingsmaatregel, die de rechter, het openbaar ministerie, de selectiefunctionaris, de inrichtingsarts of de directeur van een justitiële inrichting nodig achten bij de uitvoering van een strafrechtelijke beslissing, of die de gecertificeerde
In het artikel is vastgelegd dat het college jeugdhulp inzet wanneer dit nodig wordt geacht door de rechter, het openbaar ministerie of een gecertifieerde instelling in het kader van kinderbescherming, reclassering of een strafrechtelijke beslissing. De gecertificeerde instelling is in beginsel gebonden aan het door de gemeente ingekochte aanbod.
instelling nodig acht bij de uitvoering van jeugdreclassering.
Hiermee wordt uitvoering gegeven aan artikel 3.5 van de Jeugdwet.
2. De gecertificeerde instelling is in beginstel gebonden aan de jeugdhulp die de gemeente heeft ingekocht. Artikel 7.
Artikel 7. Identificatie [Wmo/Jeugdwet] 1. Bij het onderzoek stelt het college de identiteit van de jeugdige en de ouder of wettelijk vertegenwoordiger grond van de Jeugdwet vast aan de hand van door hen ter inzage verstrekt document als bedoeld in artikel 1 van de Wet op identificatieplicht. 2. Voor cliënten op grond van de Wmo 2015 geldt dat het college de identiteit vaststelt met een geldig identiteitsdocument alvorens tot besluitvorming over te gaan op grond van het zorgvuldigheidsbeginsel uit de Awb.
Artikel 8.
Was artikel 5.
Artikel 9.
Was artikel 6.
Artikel 9.4.
Het artikel borgt dat het college de identiteit van de jeugdige, diens ouder of wettelijk vertegenwoordiger op grond van de Jeugdwet en respectievelijk de client op grond van de Wmo 2015 vaststelt aan de hand van een identiteitsdocument als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht. Deze verplichting volgt uit de Regeling Jeugdwet Artikel 2.3. en de systematiek van de Wmo 2015 op grond van het zorgvuldigheidsbeginsel uit de Awb. Deze bepaling draagt bij aan een zorgvuldige en rechtmatige besluitvorming over het verlenen van ondersteuning of jeugdhulp.
Artikel 9.4. Een maatwerkvoorziening op grond van de Jeugdwet wordt, met inachtneming van het gestelde in lid 2 en 3 van dit artikel, toegekend als deze naar het oordeel van het college doeltreffend is in het oplossen van de hulpvraag. Daarbij wordt in beginsel
In dit nieuw lid is bepaald dat het college jeugdhulp uitsluitend toekent als de voorziening naar verwachting doeltreffend is. Waar mogelijk wordt gekozen voor een bewezen effectieve interventie. Hiermee wordt invulling gegeven aan het
gekozen voor een bewezen effectieve voorziening. Artikel 9.5.
Was artikel 6.4.
Artikel 9.6.
Was artikel 6.5.
Artikel 10.
Was artikel 7.
Artikel 11.
uitgangspunt van verantwoorde hulp op basis van effectiviteit.
Artikel 11. Afstemming met andere voorzieningen [Wmo/Jeugdwet] 1. Het college draagt zorg voor afstemming met: a. Gezondheidszorg: 1. Het college draagt zorg dat wanneer zij een besluit neemt over de inzet van zorg die vanaf de 18e verjaardag valt onder het basispakket van de Zorgverzekeringswet en er de reële verwachting is dat deze zorg na de 18e verjaardag van de jeugdige door zal lopen, het besluit voldoet aan de eisen die daaraan gesteld worden door de zorgverzekeraars; 2.
Het college draagt er zorg voor dat in de gevallen bedoeld in het eerste lid de jeugdige en zijn ouders worden gewezen op de consequentie dat deze zorg vanaf de 18e verjaardag van de jeugdige onder de Zorgverzekeringswet valt, en spant zich in voor de continuïteit van de zorg indien noodzakelijk.
b. Langdurige zorg: 1. Het college draagt zorg dat de lokale toegang de jeugdige of zijn ouders ondersteunt richting het Centraal Indicatieorgaan Zorg, indien er gegronde
Dit artikel beschrijft op welke wijze het college zorg draagt voor een zorgvuldige afstemming tussen jeugdhulp en aanpalende voorzieningen zoals gezondheidszorg, langdurige zorg, onderwijs, maatschappelijke ondersteuning en werk en inkomen. Daarbij wordt expliciet aandacht besteed aan de continuïteit van ondersteuning rondom de 18e verjaardag van de jeugdige, met als doel te voorkomen dat jongeren door veranderende wettelijke kaders tussen wal en schip raken
redenen zijn om aan te nemen dat de jeugdige in aanmerking kan komen voor zorg op grond van de Wet langdurige zorg; 2. Indien de jeugdige of zijn ouders weigeren mee te werken aan het verkrijgen van een besluit van het Centraal Indicatieorgaan Zorg, is het college niet gehouden een individuele voorziening toe te kennen op grond van deze verordening. c. Voorschoolse voorzieningen en het onderwijs: 1. Het college draagt zorg dat locaties voor kinderopvang, primair en voortgezet onderwijs een contactpersoon/contactteam hebben bij de gemeentelijke toegang; 2. Afspraken over de afstemming van jeugdhulpvoorzieningen en onderwijszorg worden vastgelegd in het plan voor de jeugdhulp van de jeugdige en zijn ouders. d. Maatschappelijk ondersteuning: 1. Het college draagt zorg voor een goede afstemming tussen de lokale toegang en de Wet maat- schappelijke ondersteuning aanbieders, indien een jeugdige of zijn ouders naast jeugdhulp- voorzieningen ook in aanmerking komen voor voorzieningen op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning; 2. Het college draagt zorg dat wanneer de begeleiding van een jeugdige na het achttiende jaar voortgezet moet worden onder de Wet maatschappelijke ondersteuning, de continuïteit gewaarborgd wordt en de lokale toegang een besluit hiertoe zo nodig (mede)voorbereidt. e. Werk en inkomen:
1. Het college draagt zorg dat de lokale toegang en de gecertificeerde instellingen financiële belemmeringen voor het slagen van preventie en jeugdhulp vroegtijdig signaleren en waar nodig jeugdigen en hun ouders helpen de juiste ondersteuning vanuit de gemeentelijke voorzieningen – zoals schuldhulpverlening, inkomensvoorzieningen, minimaregelingen, begeleiding naar werk - te krijgen om deze belemmeringen weg te nemen.
Artikel 12.
Artikel 12. Voorwaarden en weigeringsgronden [Jeugdwet] 1. Het college verstrekt geen maatwerkvoorziening op grond van de Jeugdwet indien: a. sprake is van een hulpvraag die behoort tot de gebruikelijke opvoedingsopgaven en/ of normale ontwikkelingsuitdagingen van jeugdigen, zoals bedoeld in Bijlage 2; b. de jeugdige of zijn ouder of wettelijk vertegenwoordiger, al dan niet met inzet van het sociaal netwerk of van andere (hulpverlenende instanties), in voldoende mate in staat zijn de noodzakelijke hulp te organiseren die aansluit bij de hulpvraag; c. de noodzakelijk hulp naar het oordeel van het college op eigen kracht, met gebruikelijke hulp of met voorliggende, algemeen toegankelijke voorzieningen kan worden gerealiseerd; d. van de ouder of wettelijk vertegenwoordiger in redelijkheid kan worden verwacht dat deze zelf de benodigde hulp biedt, mede in het licht van hun wettelijke opvoedingsverantwoordelijkheid
Dit artikel bevat de gronden waarop het college een maatwerkvoorziening op grond van de Jeugdwet kan weigeren. Er is geen recht op jeugdhulp als de hulpvraag binnen de gebruikelijk opvoeding, op eigen kracht of met het netwerk kan worden opgelost, of als andere wettelijke voorzieningen toereikend zijn. Ook wordt bepaald dat problematiek van de ouder of wettelijk vertegenwoordiger op zichzelf geen grond vormt voor het toekennen van jeugdhulp, tenzij er sprake is van meervoudige problematiek binnen de gezinssituatie waarbij tevens een hulpvraag in de zin van de Jeugdwet bestaat.
als bedoeld in de artikelen 82 en 247 van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek; e. redelijkerwijs van de ouder of wettelijk vertegenwoordiger kan worden verlangd dat deze zijn maatschappelijke activiteiten, waaronder werk, aanpassen om overbelasting te voorkomen of op te heffen; f.
de benodigde hulp op andere wijze wordt bekostigd, bijvoorbeeld via de Zorgverzekeringswet, de Wet langdurige zorg of de Wet kinderopvang;
g. de ouder of wettelijk vertegenwoordiger beschikt over een aanvullende zorgverzekering die de benodigde hulp dekt, en gebruik hiervan in redelijkheid kan worden verlangd; h. de benodigde jeugdhulp uitsluitend voortkomt uit maatschappelijke, psychische of relationele problemen van de ouder of wettelijk vertegenwoordiger, en naar het oordeel van het college geen sprake is van een hulpvraag zoals bedoeld in de Jeugdwet. Dit geldt niet wanneer er, naast deze ouderproblematiek, sprake is van meervoudige problematiek in de context van het gezin. Artikel 13.
Was Artikel 8.
Artikel 13.4.
Artikel 13.4. De schriftelijke weergave van het onderzoek zoals bedoeld in artikel 2.3.2, negende lid, van de Wmo 2015 en artikel 3.4 van de Jeugdwet, maakt in zijn geheel deel uit van de beschikking.
Artikel 13.5.
Was Artikel 8.4.
In dit nieuwe lid wordt bepaald dat de schriftelijke weergave van het onderzoek volledig deel uitmaakt van de beschikking. Dit bevordert transparantie en maakt een besluit beter toetsbaar.
Artikel 14. Artikel 14.2.
Was Artikel 9. Artikel 14.2. Een budgethouder of een budgetbeheerder wordt in beginsel niet in staat geacht de aan een pgb verbonden taken verantwoord te kunnen uitvoeren als sprake is van één of meer van de volgende omstandigheden: a. het beheer wordt verricht door de persoon of organisatie die ook de jeugdhulp levert aan de budgethouder dan wel het beheer wordt verricht door de persoon of organisatie die geen onafhankelijke organisatorische of financiële relatie heeft met de persoon of organisatie die de jeugdhulp levert, tenzij I.
hiervoor door het college toestemming is verleend of
II.
de persoon eerste of tweedegraads bloedof aanverwant is van de jeugdige
b. er sprake is van onvoldoende nabijheid tot de cliënt in de vorm van (fysieke) aanwezigheid en tijd; c. schuldenproblematiek; d. ernstige verslavingsproblematiek;
Dit lid bepaalt dat een pgb niet verstrekt wordt als er een reëel risico is op belangenverstrengeling, zoals wanneer de budgetbeheer ook zorgverlener is, een financiële relatie heeft met de uitvoerder of onvoldoende toezicht kan houden. Dit waarborgt een doelmatige en rechtmatige besteding van het pgb Uitspraak ECLI:NL:CRVB:2024:1491
e. aangetoonde fraude, in de zin van opzettelijke misleiding om financieel voordeel te verkrijgen, begaan in de vier jaar voorafgaand aan de aanvraag; f.
een aanmerkelijke verstandelijke beperking;
g. een ernstig psychiatrisch ziektebeeld; h. een vastgestelde, blijvende cognitieve stoornis; i.
het onvoldoende machtig zijn van de Nederlandse taal in woord en geschrift;
j.
het niet verkrijgen van een Verklaring Omtrent het Gedrag.
Artikel 14.3.
Was Artikel 9.2.
Artikel 14.4.
Was Artikel 9.3.
Artikel 14.5.
Was Artikel 9.4.
Artikel 14.5.
De hoogte van een pgb bedraagt voor:
De hoogte van een pgb bedraagt voor:
a. diensten, door: 1. een professionele organisatie: maximaal de kostprijs van de goedkoopst passende voorziening in natura, zoals door het college vastgesteld op grond van artikel 18 lid 1 of lid 6 van deze verordening dan wel
a. diensten, door: 1. een professionele organisatie: maximaal de kostprijs van de goedkoopst passende voorziening in natura, zoals door het college vastgesteld op grond van artikel 18 lid 1 of lid 6 van deze verordening dan wel gecontracteerd voor het betreffende jaar;
Dit lid bepaalt op welke wijze de hoogte van een pgb wordt vastgesteld. Het uitgangspunt is dat het pgb toereikend moet zijn voor het inkopen van passende, veilige en kwalitatief verantwoorde ondersteuning, maar niet hoger is dan de kostprijs van de goedkoopst passende voorziening in natura. Ten opzichte van het vorig artikel (9.4) is de opbouw herzien en verduidelijkt:
gecontracteerd voor het betreffende jaar; 2. een gediplomeerde zzp’er of freelancer: maximaal 80% van de kostprijs zoals bedoeld in onderdeel 1. 3. een zorgprofessional in loondienst: maximaal 80% van de kostprijs zoals bedoeld in onderdeel 1.; 4. een niet-zorgprofessional in loondienst: het wettelijk minimumloon (incl. vakantiegeld en vakantie uren) en daarna vermeerderd met 20% van dat loon ten behoeve van werkgeverslasten; 5. naaste familie: het wettelijk minimumloon (incl. vakantiegeld). b. begeleiding, in afwijking van sub a van dit lid, door: 1. een professionele organisatie: maximaal een kostprijs van € 53,40 per uur voor begeleiding individueel en maximaal een kostprijs van € 35,97 per dagdeel voor begeleiding groep (prijspeil 2021), met een jaarlijkse indexering volgens de OVA-index (uitgaande van de voorlopige index zoals bekend op Prinsjesdag van het voorafgaande jaar en eventueel aangepast op grond van de
2. een gediplomeerde zzp’er of freelancer: maximaal 80% van de kostprijs zoals bedoeld in onderdeel 1.
-
De onderverdeling van categorieën aanbieders is aangepast. Zo zijn zorgprofessionals in loondienst nu niet langer apart benoemd, maar onderscheiden naar nietzorgprofessionals en naaste familie, met als norm het wettelijk minimum;
-
Daarnaast is voor nietzorgprofessionals in loondienst expliciet bepaald dat een toeslag van 20% op het minimumloon geldt voor werkgeverslasten;
-
Voor situaties waarin begeleiding of huishoudelijke hulp door niet- professionals of familie wordt geleverd, blijven de cao- normen uit de VVTsector het uitgangspunt;
-
De regels voor alphahulp, vervoer en het inkopen van een zaak zijn ongewijzigd gebleven, maar wel opnieuw gerangschikt voor consistentie.
-
Daarnaast is er toegevoegd dat in situaties waarbij de pgb zorgverleners die via een arbeidsovereenkomst werken, recht hebben op werknemersverzekeringen, het wordt verhoogd met de werkgeverslasten.
3. een niet-zorgprofessional in loondienst: het wettelijk minimumloon (incl. vakantiegeld en vakantie uren) en daarna vermeerderd met 20% van dat loon ten behoeve van werkgeverslasten. Indien werkgeverslasten moeten worden afgedragen, wordt het bedrag daarmee verhoogd.
4. naaste familie: het wettelijk minimumloon (incl. vakantiegeld). b. begeleiding, in afwijking van sub a van dit lid, door: 1. een professionele organisatie: maximaal een kostprijs van € 53,40 per uur voor begeleiding individueel en maximaal een kostprijs van € 35,97 per dagdeel voor begeleiding groep (prijspeil 2021), met een jaarlijkse indexering volgens de OVA-index (uitgaande van de voorlopige index zoals bekend op Prinsjesdag van het voorafgaande jaar en eventueel aangepast op grond van de definitieve OVA-index van het lopende jaar); 2. een gediplomeerde zzp’er of freelancer: maximaal 80% van de kostprijs zoals bedoeld in onderdeel; 3. Niet-professional in loondienst en/of naaste familie: het uurloon van de hoogste periodiek behorende bij de Functie Waardering Gezondheidszorg (FWG 30) van de voor de betreffende periode geldende cao VVT (Verpleeg- en Verzorgingshuizen en Thuiszorg), te vermeerderen met vakantietoeslag en de tegenwaarde van de verlofuren. Indien werkgeverslasten moeten worden