Agendabundel
Tekst van het document
Correctie sociale lasten In het verleden werden bepaalde kostensoorten in zijn totaliteit begroot. Tijdens het opstellen van de begroting 2023, de bestuursrapportage Q4 2021 en de jaarstukken 2021 is een groeiende discrepantie naar voren gekomen in de verhouding tussen de bruto lonen en de sociale lasten. Waar in de begrotingen tot en met 2022 steeds is gerekend met een percentage aan sociale lasten van nog geen 23%, blijkt uit de realisatie sprake te zijn van ca. 32%; een verschil van bijna 10%. Een en ander werkt financieel-technisch aanzienlijk door vanwege het feit dat de personeelskosten bijna de helft van de totale begrote kosten van BsGW zijn. Een diepere analyse is gemaakt. De conclusie hieruit is dat het opnemen van 32% de reële toerekening is. Het financieel effect bedraagt € 973.000,- en is structureel.
Ontwerpbegroting BsGW 2023 en MJR 2023-2027
pagina 5 van 78
b. Overige GDI-voorzieningen Voor GDI waren in de voorgaande meerjarenbegroting twee begrotingsposten opgenomen van elk € 300 duizend; één betreft de doorbelasting van de beheerskosten voor Digipoort, DigiD, MijnOverheid (vanaf 2018), de andere post betreft een te verwachte doorbelasting inzake de overige GDIvoorzieningen. In de afgelopen twee jaar is deze laatste post (overige voorzieningen) nooit in rekening gebracht door het ministerie van BZK en is de verwachting dat BsGW in 2023 ook geen factuur meer ontvangt voor deze voorzieningen1. Het is daarom verantwoord om de tweede post te laten vervallen. Overigens zijn de tarieven van de doorbelaste beheerskosten de afgelopen jaren gestegen, echter deze kunnen opgevangen worden binnen de huidige begrote € 300 duizend (zie ook mededeling 3.a.4 AB-vergadering 9 december 2021). c. Uitvoeringskosten extra WOZ-bezwaren en -beroepen Eveneens zijn door de toegenomen (meer dan begrote) WOZ-bezwaren en -beroepen ook de hieraan gelieerde uitvoeringskosten toegenomen, zoals extra inzet van KCC-medewerkers, taxateurs, ICT-ers en juridisch medewerkers). d.
Implementatiekosten programma Aanbesteding Hosting en Applicaties De verwachte implementatiekosten van het programma Aanbesteding Hosting en Applicaties (voortaan genoemd: AHA) zijn ingeschat op € 2,775 miljoen, waarvan naar verwachting € 500 duizend in 2022 en € 2,275 miljoen in 2023 zullen drukken op de begroting. Hiervoor wordt een bestemmingsreserve gevormd. Aangezien het de verwachting is dat de kosten daadwerkelijk in 2022 en 2023 worden gemaakt, zal de volledige bestemmingsreserve hiervoor worden aangewend in die jaren, waardoor deze bestemmingsreserve logischerwijze niet zichtbaar is op de geprognosticeerde balans (bijlage 12). Per saldo stijgen de netto-kosten 2023, en daarmee ook de bijdragen van de deelnemers, met minimaal € 3,989 miljoen ten opzichte van de begroting 2022 als gevolg van de volgende posten: 1. Loonindexering
€ 336 duizend
2. Correctie sociale lasten
€ 973 duizend
3. Indexering goederen en diensten
€ 191 duizend
4. Afschrijvingen 5. Overige GDI-voorzieningen
€
96 duizend
- € 300 duizend
6. Uitvoeringskosten extra WOZ-bezwaren en -beroepen
€ 418 duizend
7. Implementatiekosten AHA
€ 2,275 miljoen
Op de gebruikelijke wijze zijn de netto-kosten vervolgens via de kostenverdeelmethode toegerekend aan de bijdragen van de deelnemers aan BsGW. Het benodigde weerstandsvermogen is conform besluitvorming gebaseerd op een jaarlijks bij het opstellen van de begroting uitgevoerde risicoanalyse. Het berekende weerstandsvermogen komt hiermee op € 1,421 miljoen en behoeft daarmee een aanvulling van € 91 duizend. Tot slot: Ten tijde van het opstellen van deze begroting bestaat de verwachting dat de ingerekende indexen onder druk komen te staan, alleen al als gevolg van de actualiteit in de Oekraïne. De indexen zijn
1
Op basis van de laatste informatie van het ministerie van BZK zal de GDI naar alle waarschijnlijkheid vanaf 2023 centraal gefinancierd worden, hetgeen betekent dat de verrekening rechtstreeks met de deelnemers zal plaatsvinden en niet meer in de begroting van BsGW wordt opgenomen.
Ontwerpbegroting BsGW 2023 en MJR 2023-2027
pagina 6 van 78
vanwege de te grote toekomstige onzekerheden niet aangepast, maar een winstwaarschuwing wordt hierbij wel afgegeven. Bedragen x € 1.000
Meerjarenperspectief
Realisatie
Begroting
Begroting
2021
2022
2023
2024
2025
2026
2027
Lasten
103%
Personeelskosten
12.018
13.427
14.736
15.060
15.391
15.730
16.123
Huisvestingkosten
669
793
808
824
841
858
874
Afschrijvingkosten
357
261
357
357
357
357
357
ICT-kosten
3.293
3.227
5.271
3.101
3.079
3.140
3.225
Overige operationele kosten
1.205
1.205
1.228
1.253
1.278
1.303
1.328
Diensten door derden
2.630
436
863
880
898
916
933
Tegemoetkoming proceskosten
2.501
3.000
3.057
3.118
3.181
3.244
3.306
Overige operationele kosten
6.335
4.641
5.148
5.251
5.356
5.463
5.567
Algemene kosten
534
768
781
795
808
823
837
Bank- en rentekosten
149
300
306
311
317
323
329
0
0
0
0
0
0
0
23.354
23.417
27.406
25.699
26.149
26.693
27.310
Toevoegingen aan voorzieningen Totale lasten Baten Renteopbrengsten
0
13
13
13
13
13
13
Diensten aan derden
102
0
0
0
0
0
0
Bijdragen van derden
0
0
0
0
0
0
0
Opbrengst vervolgingskosten
2.068
2.162
2.162
2.162
2.162
2.162
2.162
Totale baten
2.170
2.175
2.175
2.175
2.175
2.175
2.175
Netto kosten
21.184
21.242
25.231
23.524
23.974
24.518
25.136
0
0
0
0
0
0
0
Gemeente Beek
209
234
284
265
270
276
283
Gemeente Beekdaelen
457
513
624
582
593
607
622
Gemeente Beesel
189
212
255
238
242
248
254
Gemeente Bergen
166
186
224
209
213
218
224
Gemeente Brunssum
414
464
557
519
529
541
555
Gemeente Echt-Susteren
442
495
592
552
562
575
589
Gemeente Eijsden-Margraten
399
441
543
506
516
527
541
Gemeente Gennep
233
259
312
291
297
304
311
Gemeente Gulpen-Wittem
191
214
257
240
244
250
256
Gemeente Heerlen
1.442
1.609
1.917
1.788
1.822
1.863
1.910
Gemeente Kerkrade
742
829
1.001
933
951
973
997
Gemeente Landgraaf
507
568
682
636
648
663
679
Gemeente Leudal
439
494
593
553
563
576
591
Gemeente Maasgouw
321
359
431
402
409
419
429
Gemeente Maastricht
1.758
1.970
2.361
2.202
2.244
2.295
2.352
Gemeente Meerssen
310
339
400
373
380
389
398
Gemeente Mook en Middelaar
105
118
146
136
138
141
145
Gemeente Nederweert
208
233
283
264
269
275
282
Gemeente Peel en Maas
531
599
720
671
684
700
717
Gemeente Roerdalen
276
309
372
347
353
361
371
Gemeente Roermond
795
887
1.058
986
1.005
1.028
1.054
Waarvan incidentele baten/lasten (saldo)
Gemeente Simpelveld
146
163
196
182
186
190
195
1.381
1.540
1.844
1.719
1.752
1.792
1.837
Gemeente Stein
358
397
473
441
450
460
471
Gemeente Vaals
165
184
225
210
214
219
224
Gemeente Valkenburg a/d Geul
232
262
315
294
299
306
314
1.889
2.054
2.403
2.240
2.283
2.335
2.394
Gemeente Voerendaal
162
181
217
202
206
211
216
Gemeente Weert
671
747
887
827
842
861
883
4.383
4.381
5.059
4.716
4.807
4.916
5.040
Totaal bijdragen
19.520
21.242
25.231
23.524
23.974
24.518
25.136
Exploitatieresultaat (+ is winst/ - is verlies)
-1.664
0
0
0
0
0
0
Gemeente Sittard-Geleen
Gemeente Venlo
Waterschap Limburg
In bovenstaande tabel zijn de gerealiseerde, nog niet door de accountant gecontroleerde, cijfers opgenomen. In de definitieve meerjarenbegroting 2023-2027 worden uiteraard de gecontroleerde cijfers opgenomen. Voor een nadere toelichting en ontwikkelingen verwijzen we u naar hoofdstuk 3 en 4.
Ontwerpbegroting BsGW 2023 en MJR 2023-2027
pagina 7 van 78
2. Inleiding 2.1 Algemeen Voor u ligt de meerjarenbegroting 2023-2027 van Belastingsamenwerking Gemeenten en Waterschappen (BsGW). Deze is volledig opgesteld binnen de kaders van de door het Algemeen Bestuur vastgestelde kadernota 2023. Belastingsamenwerking Gemeenten en Waterschappen (BsGW) is 1 april 2011 opgericht als samenwerkingsverband op belastinggebied voor gemeenten en waterschappen in de vorm van een gemeenschappelijke regeling. BsGW is een openbaar lichaam op grond van de Wet Gemeenschappelijke Regelingen. Per 1 januari 2021 zijn Waterschap Limburg en de gemeenten Beek, Beekdaelen, Beesel, Bergen, Brunssum, EchtSusteren, Eijsden-Margraten, Gennep, Gulpen-Wittem, Heerlen, Kerkrade, Landgraaf, Leudal, Maasgouw, Maastricht, Meerssen, Mook & Middelaar, Nederweert, Peel & Maas, Roerdalen, Roermond, Simpelveld, Sittard-Geleen, Stein, Vaals, Valkenburg aan de Geul, Venlo, Voerendaal, Weert deelnemers in BsGW. De begroting 2023 is gebaseerd op bovenstaande 30 deelnemers. BsGW behartigt als uitvoeringsorganisatie van het waterschap en de deelnemende gemeenten de zorg voor optimaal beheer en verwerking van (basis)gegevens en informatie, het heffen, innen en afdragen van de opbrengsten van lokale belastingen en het waarderen van belastingobjecten in het kader van de wet WOZ, dit alles op basis van bedrijfseconomische principes.
2.2 Indeling van de begroting Aangezien BsGW een samenwerking is voor zowel gemeenten als een waterschap, volgt uit de wetgeving dat verslaggeving dient plaats te vinden conform Besluit Begroting en Verantwoording provincies en gemeenten (BBV). De begroting is dan ook ingedeeld volgens het BBV en bestaat uit een beleidsbegroting en een financiele begroting. In de beleidsbegroting worden het productplan en de paragrafen weergegeven. De financiële begroting omvat het overzicht van baten en lasten plus een uiteenzetting van de financiële positie per programma. In het geval van BsGW betreft dit het programma lasten heffing en invordering belastingen. (Bron: Hoofdlijnen vernieuwing Besluit Begroting en Verantwoording blz. 19)
2.3 Leeswijzer Hoofdstuk 1 bevat de samenvatting. Hoofdstuk 3 bevat de beleidsbegroting met de (reken)uitgangspunten en de ontwikkelingen, waarmee daar waar mogelijk rekening is gehouden in de (financiële) begroting. Deze paragraaf bevat daarnaast de vaste rubrieken waarin de (kostprijs van de) producten van BsGW worden beschreven, naast een toelichting op het (benodigde) weerstandsvermogen en de financiering. De financiële begroting wordt tot slot in hoofdstuk 4 nader toegelicht.
Het Dagelijks Bestuur BsGW
Roermond, 28-02-2022.
dhr. N.M.J.G. Lebens, directeur
mevr. M.H.E. Pelzer, voorzitter
Ontwerpbegroting BsGW 2023 en MJR 2023-2027
pagina 8 van 78
3. Beleidsbegroting 3.1 Uitgangspunten De begroting 2023 en meerjarenbegroting 2023-2027 van BsGW is opgesteld binnen de kaders van de door het Algemeen Bestuur vastgestelde kadernota 2023. Onderstaand zijn de nadere uitgangspunten benoemd: 1. Een minimale, maar wel realistisch onderbouwde begroting waarmee BsGW invulling geeft aan de doelstelling om de bijdragen van de deelnemers zo laag mogelijk te houden. 2. Financiële consequenties van zekere ontwikkelingen en bestuursbesluiten worden in de begroting meegenomen. Zekere ontwikkelingen, waarvan de (financiële) effecten nog een mate van onzekerheid hebben, worden eveneens zo veel mogelijk gekwantificeerd. Mogelijke ontwikkelingen worden alleen voor zover deze zijn in te schatten in de begroting meegenomen. Voor zover deze mogelijke ontwikkelingen niet zijn in te schatten, worden deze pas in de (gewijzigde) begroting opgenomen, zodra de desbetreffende ontwikkeling is geformaliseerd en de financiële consequenties kunnen worden vastgesteld. 3. De kaders voor de begroting van BsGW worden meer dan een jaar voor het eigenlijke begrotingsjaar opgesteld en aangeboden aan het bestuur. In deze periode kunnen zich afwijkingen voordoen van de in de Kadernota en begroting opgenomen rekenuitgangspunten, dan wel onvoorziene ontwikkelingen die onafwendbaar dan wel onuitstelbaar zijn.
Om eventuele, niet voorziene ontwikkelingen op te kunnen vangen, en zo tussentijdse begrotingswijzigingen zoveel als mogelijk te voorkomen, is de post onvoorzien opgevoerd in de begroting van BsGW. 4. Als basis voor de begroting 2023 en meerjarenraming 2023-2027 van BsGW dient de jaarschijf 2023 uit de vastgestelde begroting 2022 en meerjarenbegroting 2022-2026. 5. Financiering Alleen voor investeringen kan BsGW eventueel een langlopende lening aantrekken. Hiervoor is een bestuursbesluit nodig. 6. De indexering voor loonontwikkeling en de indexering goederen en diensten is gebaseerd op de meest actuele, (meerjaren)gegevens van het Centraal Plan Bureau (CPB), respectievelijk de loonvoet sector overheid en de Consumenten Prijsindex (CPI). De in de Kadernota opgenomen indexering benadert daarmee zo veel als mogelijk de realiteit. De index voor wat betreft ICT-leveranciers wordt hierbij separaat berekend op basis van de index over de afgelopen 3 jaar, aangezien deze gemiddeld genomen hoger ligt dan de CPI. 7. Een jaarlijkse risicoanalyse maakt onderdeel uit van de begroting, waarbij wordt getoetst of het weerstandsvermogen toereikend is om de geïdentificeerde risico’s te kunnen afdekken.
Voor het beleidsmatige kader zie de Kadernota risicomanagement en weerstandsvermogen, februari 2022, welke mede tot stand is gekomen door de waardevolle en gewaardeerde inbreng van een aantal deelnemers te weten het Waterschap Limburg en de gemeenten Venlo, Sittard-Geleen en Beesel. 8. Het Ondernemings- en Ontwikkelplan (OOP) BsGW 2018-2020 en de wijze van financiering hiervan, is vastgesteld door het Algemeen Bestuur van BsGW in de AB-vergadering van 14-12-2017. De uitvoering van het OOP was een separaat traject en behoorde niet tot de reguliere bedrijfsvoe-
Ontwerpbegroting BsGW 2023 en MJR 2023-2027
pagina 9 van 78
ring van BsGW. Het OOP raakt de begroting 2023 en meerjarenraming 2023-2027 van BsGW daarom niet en vormt daarmee geen onderdeel van deze ontwerpbegroting. De taakstellende kostenreductie, die BsGW zich heeft gesteld in het OOP, zal vanaf 2028 tot uiting komen. 9. BsGW is namens de gemeenten gevraagd om de regie van de beheerfase waarderen op gebruiksoppervlakte te voeren. De kosten voor de aanschaf van het regieportaal zijn in de begroting opgenomen en zullen conform afspraak op de gebruikelijke wijze via de kostenverdeelmethode worden doorbelast aan de deelnemers op basis van het aandeel in het totale aantal WOZ-objecten. Het regieportaal vormt mede de voorloper van de SOR. Het is evenwel de vraag of de beoogde ingangsdatum van 1 januari 2025 van de SOR realistisch is. Op nationaal niveau is in grote mate overeenstemming over de inhoud en architectuur van de SOR. Dat geldt evenwel niet voor de governance en financiering van de implementatie en het beheer van de SOR. Uit oogpunt van zekerheid en continuïteit wordt het regieportaal begrotingstechnisch ook voor de jaren 2025 tot en met 2027 gecontinueerd. Hiertoe wordt een post à € 250 duizend per jaar opgenomen. 10.
De gewijzigde kostenverdeelmethode wordt gehanteerd, zoals die is vastgesteld in de ABvergadering van 25 juni 2020, waarbij de WOZ-proceskosten voor 100% aan het product Waarderen worden toebedeeld en de beheerkosten GDI worden verdeeld conform de verdeelsleutel 40% gemeenten en 60% Waterschap. In dezelfde AB-vergadering is tevens afgesproken dat er een nieuwe kostenverdeelmethode aan de orde zal komen. Recent is gestart om te bezien welke mogelijkheden er zijn om tot harmonisatie van de beleids- en uitvoeringsregels te komen. Herijking van de kostenverdeelmethode volgt nadat harmonisatie zijn beslag heeft gekregen en het basispakket een feit is. Logischerwijs kan derhalve nog niet op de uitkomsten en de doorwerking hiervan in een nieuwe kostenverdeelmethode worden vooruitgelopen (zie hoofdstuk 4).
Ontwerpbegroting BsGW 2023 en MJR 2023-2027
pagina 10 van 78
3.2 Rekenuitgangspunten In de begroting 2023 en de meerjarenraming 2023-2027 wordt gerekend met de volgende rekenuitgangspunten: MJB 2023-2027 Rekenuitgangspunten
2022
2023
2024
2025
2026
2027
A
indexering salariskosten
2,2%
2,5%
2,5%
2,5%
2,5%
2,5%
B
sociale lasten
22,9%
32%
32%
32%
32%
32%
C
indexering goederen en diensten
2,0%
1,9%
1,9%
1,9%
1,9%
1,9%
indexering ICT
n.v.t.
2,7%
2,7%
2,7%
2,7%
2,7%
0%
0%
0%
0%
0%
0%
0,5%
0,5%
0,5%
0,5%
0,5%
0,5%
D
indexering opbrengsten
E
rente kredieten / leningen lang
F
reserves en voorzieningen
G
afschrijvingstermijn
H
jaarlijkse actualisering
automatisering
5 jaar
5 jaar
5 jaar
5 jaar
5 jaar
5 jaar
inventaris
10 jaar
10 jaar
10 jaar
10 jaar
10 jaar
10 jaar
immateriele activa
< 5 jaar
< 5 jaar
< 5 jaar
< 5 jaar
< 5 jaar
< 5 jaar
1,4%
1,4%
1,4%
1,4%
1,4%
1,4%
onvoorzien
Toelichting: a) Indexering salariskosten Het gemiddelde percentage van de loonvoet overheidssector over de jaren 2020-2022 en 20182022 bedraagt 2,5% (bron: Centraal Plan Bureau, Macro Economische Verkenning 2021 september 2021). Vanaf 2023 voorspelt het CPB zelf een gemiddelde van 2,7%. Gekozen is om de index aan te houden van 2,5%. b) Sociale lasten In de afgelopen jaren is het procentuele aandeel van de sociale lasten te laag begroot. Derhalve is vanaf 2023 een opwaartse correctie gemaakt en is deze gebaseerd op het gemiddelde van de afgelopen 4 jaar, waarmee deze uitkomt op 32%. c)
Indexering goederen en diensten In de begroting 2023-2027 wordt gerekend met een indexering van 1,9%, gebaseerd op de ontwikkeling van de Consumenten Prijsindex van het CPB van de afgelopen jaren (bron: Centraal Plan Bureau, Macro Economische Verkenning 2021 september 2021). Vanaf 2023 voorspelt het CPB eveneens een gemiddelde van 1,9%. Derhalve is gekozen om de index aan te houden van 1,9%. De ICT-index is berekend op basis van de gemiddeld in rekening gebrachte index van de leveranciers van de afgelopen 3 jaar en komt daarmee uit op 2,7%. Momenteel is er sprake van een sterk gestegen gasprijs. In de begroting 2023 is hiermee geen rekening gehouden vanwege de te grote onzekerheid over de ontwikkeling hierin.
Ontwerpbegroting BsGW 2023 en MJR 2023-2027
pagina 11 van 78
d) Indexering opbrengsten De opbrengsten van BsGW worden niet geïndexeerd. De bankrente, opbrengst vervolgingskosten en invorderingsrente worden realistisch geraamd. Gedurende de periode maart 2020 tot en met 31 december 2021 is de invorderingsrente verlaagd van 4% naar 0,01%. De invorderingsrente gaat met ingang van 31 december 2021 stapsgewijs terug naar het oude niveau. Met een aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid wordt het percentage invorderingsrente per 1 januari 2022 op 1% vastgesteld, per 1 juli 2022 op 2%, per 1 januari 2023 op 3% en per 1 januari 2024 op 4%. e) Rentekredieten/leningen lang Investeringen worden, indien nodig, afgedekt via financiering gelijk aan de afschrijvingstermijn, meestal 5 jaar. Voor de jaren 2023-2027 wordt een interne rekenrente van 0,5% gehanteerd. f)
Reserves en voorzieningen Jaarlijks wordt op basis van de risicoanalyse het benodigde weerstandsvermogen berekend. Op basis hiervan wordt het al gevormde vermogen aangevuld of afgeroomd.
g) Afschrijvingstermijn Voor activa, die gedurende het lopende jaar in gebruik worden genomen, start de afschrijvingsperiode 1 januari van het daaropvolgende jaar. h) Onvoorzien Het budget onvoorzien wordt gesteld op 1,4% van het bruto-begrotingstotaal.
3.3 Definities: reserves, voorzieningen, weerstandscapaciteit/-vermogen, post onvoorzien Reserves kunnen worden omschreven als vermogensbestanddelen die als eigen vermogen zijn aan te merken en die vrij zijn te besteden. Reserveren betekent geld opzij leggen: -
om later een (grote) investering te doen;
-
voor moeilijke tijden (weerstandsvermogen. Dit is het weerstandsvermogen en dit betreft alleen de algemene reserve);
-
om risico’s op te vangen;
-
voor onverwachte zaken.
Voorzieningen zijn passiefposten in de balans (vreemd vermogen), die een inschatting geven van voorzienbare lasten in verband met risico’s en verplichtingen waarvan de omvang en/of het tijdstip van optreden min of meer onzeker zijn. Bij voorzieningen is er sprake van een oorzaak uit het verleden: er is iets gebeurd wat niet terug te draaien is en wat waarschijnlijk leidt tot lasten in de toekomst die niet waren voorzien (begroot). Ook kan een voorziening ingesteld worden ter egalisatie van pieken in de kosten in de begroting. Deze kosten dienen zeker plaats te vinden. Van een vrije keuze bij het instellen van een voorziening is derhalve geen sprake. Wel kunnen soms de gevolgen nog beïnvloed worden. Bij het bepalen van de noodzakelijke omvang van de voorziening wordt hiermee ook rekening gehouden.
Ontwerpbegroting BsGW 2023 en MJR 2023-2027
pagina 12 van 78
Weerstandscapaciteit is de mate waarin BsGW over middelen beschikt of kan beschikken om niet voorziene tegenvallers op te vangen. Er wordt hierbij onderscheid gemaakt tussen de post onvoorzien en het weerstandsvermogen. De post onvoorzien mag worden opgevat als een buffer voor onvoorziene externe tegenvallers: onvoorzien, onvermijdelijk en onuitstelbaar. De post onvoorzien moet een soepele uitvoering van de begroting vergemakkelijken en zorgt zodoende voor een beetje flexibiliteit. Er kunnen zich gezien de tijdspanne tussen het opstellen van de kadernota (laatste kwartaal van begrotingsjaar t-2), de (ontwerp-) begroting en realisatie (begrotingsjaar t), altijd tegenvallers voordoen als gevolg van bijvoorbeeld wijzigingen in wet-/regelgeving. Tussentijdse begrotingswijzigingen worden hiermee zoveel als mogelijk voorkomen. Het weerstandsvermogen is in principe bedoeld als buffer voor het opvangen van risico's, waarvan de financiële gevolgen vooraf niet redelijkerwijs zijn in te schatten. Jaarlijks wordt deze post berekend aan de hand van de door het bestuur vastgestelde risico-analyse. Hierbij worden de risico’s (kwalitatief) en de bedragen plus de inschatting van de kans dat een risico zich daadwerkelijk voordoet (kwantitatief) in kaart gebracht. Zie ook paragraaf 3.6.1 en bijlage 9.
Ontwerpbegroting BsGW 2023 en MJR 2023-2027
pagina 13 van 78
3.4 Ontwikkelingen Er doen zich de komende jaren ontwikkelingen voor die invloed hebben op de bedrijfsvoering van BsGW. Voor het opstellen van de begroting is het van belang om onderscheid te maken in de volgende twee categorieën toekomstige ontwikkelingen: o
Zekere ontwikkelingen Deze ontwikkelingen zijn zeker en/of geformaliseerd via een bestuursbesluit. De financiële consequenties worden verwerkt in de begroting 2023 en de meerjarenraming 20232027. De financiële effecten die nog een mate van onzekerheid hebben, worden zoveel mogelijk gekwantificeerd en opgenomen in de (meerjaren)begroting. Dit om tussentijdse begrotingswijzigingen te voorkomen (Proces tussentijdse begrotingswijzigingen; DB BsGW 28-02-2019, agendapunt 5b).
o
Mogelijke ontwikkelingen Op het moment van opstellen van deze begroting zijn deze ontwikkelingen nog niet geformaliseerd door een bestuursbesluit of zijn de uitkomsten nog onzeker. Deze ontwikkelingen zullen alleen daar waar dit op redelijkheid kan worden ingeschat, worden meegenomen in de begroting 2023 en de meerjarenraming 2023-2027. Daar waar deze niet op redelijkheid zijn in te schatten zullen deze pas, wanneer deze zijn geformaliseerd en de (financiële) consequenties zijn vastgesteld, worden opgenomen in de begroting (middels een begrotingswijziging).
Onderstaand worden deze ontwikkelingen kort beschreven. Voor meer details over de meeste onderwerpen zie bijlage 3. 3.4.1 Zekere ontwikkelingen Loonontwikkeling In de begroting wordt gerekend met het 5-jaars-gemiddelde percentage van de loonvoet overheidssector (CPB, MEV september 2021) en bedraagt 2,5%. Voor de sociale lasten wordt gerekend met een percentage van 32%, op basis van het 4jaarsgemiddelde en te verwachte ontwikkelingen. Indexering goederen en diensten In de begroting wordt gerekend met twee indexen: één voor ICT-kosten en één voor de overige goederen. Voor ICT wordt vanaf 2023 met een hogere index gerekend aangezien deze bovengemiddeld ligt ten opzichte van de overige leveranciers van BsGW. De index van de overige leveranciers is gebaseerd op de 5-jaarsgemiddelde CPI van het CPB. Proceskosten en gelieerde uitvoeringskosten Door wijzigingen in de wetgeving, meer in het bijzonder als gevolg van het afschaffen van de Fierensdrempel, is het voor de zogenaamde ncnp-bedrijven rendabel geworden om namens de burger bezwaar te maken tegen de WOZ-waarde, waarbij deze bedrijven de tegemoetkoming van de proceskosten krijgen. De ontwikkelingen met betrekking tot de hausse aan proceskosten, waarmee BsGW met name de laatste jaren wordt geconfronteerd, is en blijft nog steeds een belangrijk aandachtspunt. Het aantal ingediende bezwaren neemt nog steeds toe.
Deze ontwikkeling is ook landelijk zichtbaar, zowel qua toename van het totaal aantal ingediende bezwaren als ook het feit dat steeds meer burgers en ondernemers gebruik maken van een ncnp-bedrijf of een andere gemachtigde. Het behoeft dan ook geen nader betoog dat ook het aantal ncnp-bedrijven toeneemt. Gezien deze ontwikkelingen
Ontwerpbegroting BsGW 2023 en MJR 2023-2027
pagina 14 van 78