CConstaterende datRoerdalen
Koppel je AI →
Document · PDF

Agendabundel

Gemeenteraad 12 maart 2026, gemeente Roerdalen25.931 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

het vaststellen van een uniform uitvoeringsniveau en een uniforme uitvoeringsmethode voor probleemanalyse, risicoanalyse, prioriteitstelling en programmering van het UTP; d. het vaststellen en ten minste eenmaal per twee jaar actualiseren van de productencatalogus; e. het, met inachtneming van artikel 55a van de wet, oprichten van en de deelneming in stichtingen, maatschappen, vennootschappen, verenigingen, coöperaties en onderlinge waarborgmaatschappijen indien dat in het bijzonder aangewezen is voor de behartiging van het daarmee te dienen openbaar belang; f. het met inachtneming van de hoofstukken VIII en IX van de wet deelnemen aan of treffen van een gemeenschappelijke regeling ter behartiging van ondersteunende processen; 4

g.

het bevorderen van de afstemming en stroomlijning van de beleidsuitgangspunten van de deelnemers; h. het bewaken van afspraken over de bestuurlijke vertegenwoordiging vanuit het werkgebied in overleggen en bijeenkomsten (provinciaal, landelijk); i. het uitvoeren van de geschillenregeling. 2. Voor de totstandkoming van de besluiten, genoemd in lid 1 sub b, c, d, e en f is een meerderheid van twee derde van de stemmen vereist. Artikel 11 Zienswijze 1. Het algemeen bestuur besluit niet tot het vaststellen van meerjarige strategische plannen of het deelnemen aan of treffen van een gemeenschappelijke regeling dan nadat de raden onderscheidenlijk provinciale staten gedurende twaalf weken in de gelegenheid zijn gesteld om schriftelijk op het concept hun zienswijzen ter kennis van het dagelijks bestuur te brengen. 2. Het algemeen bestuur beslist niet over een voorstel alvorens de raden onderscheidenlijk provinciale staten om zienswijzen zijn gevraagd, wanneer ten minste een vijfde van de gemeenteraden, provinciale staten inbegrepen, het dagelijks bestuur hierom verzoekt. In spoedeisende gevallen kan het dagelijks bestuur afzien van het vragen van zienswijzen. Het dagelijks bestuur stelt de raden en provinciale staten hiervan schriftelijk en gemotiveerd op de hoogte. 3.

Indien het tweede lid wordt toegepast, dan hebben de raden en provinciale staten twaalf weken de tijd hun zienswijzen bij het dagelijks bestuur naar voren te brengen. Voorafgaande aan het nemen van het besluit waarover de zienswijzen gegeven zijn, stelt het dagelijks bestuur de raden, provinciale staten en het algemeen bestuur schriftelijk en gemotiveerd in kennis van het oordeel over de zienswijzen, alsmede van de eventuele conclusies die het daaraan verbindt. §2 Het Dagelijks Bestuur Artikel 12 Samenstelling Dagelijks Bestuur 1. Het dagelijks bestuur bestaat uit de voorzitter en vier andere leden, door en uit het algemeen bestuur aan te wijzen. 2. De directeur neemt als secretaris en adviseur deel aan de vergaderingen van het dagelijks bestuur. Artikel 13 Zittingsduur 1. Het (plaatsvervangend) lidmaatschap van het dagelijks bestuur eindigt zodra het lidmaatschap van het algemeen bestuur eindigt of wanneer het lid van het dagelijks bestuur als zodanig ontslag neemt. 2. De aanwijzing van leden van het dagelijks bestuur ter vervulling van plaatsen die door overlijden, ontslag of om een andere reden tussentijds zijn opengevallen vindt plaats binnen twee maanden na het tijdstip waarop de vacature is ontstaan. Een tussentijds tot lid van het dagelijks bestuur benoemd lid treedt af op het moment waarop degene in wiens plaats hij is benoemd zou aftreden. 3.

Een lid van het dagelijks bestuur kan te allen tijde ontslag nemen. Hij doet daarvan schriftelijk mededeling aan het algemeen bestuur. 4. Het algemeen bestuur kan één of meer leden van het dagelijks bestuur ontslag verlenen, indien deze het vertrouwen van het algemeen bestuur niet meer bezitten. Artikel 14 Werkwijze 1. Het dagelijks bestuur vergadert zo dikwijls de voorzitter of ten minste twee leden dit nodig oordelen. 5

2. Het dagelijks bestuur stelt een reglement van orde vast voor zijn vergaderingen. Dit reglement wordt medegedeeld aan het algemeen bestuur. 3. De voorzitter en elk lid hebben één stem. In het geval dat de stemmen staken, heeft de voorzitter een doorslaggevende stem. 4. De vergaderingen van het dagelijks bestuur worden met gesloten deuren gehouden, tenzij het dagelijks bestuur anders bepaalt. 5. In de vergaderingen van het dagelijks bestuur kan slechts worden beraadslaagd en besloten, indien meer dan de helft van het aantal zitting hebbende leden aanwezig is. 6. Indien het vereiste aantal leden niet aanwezig is, belegt de voorzitter, onder verwijzing naar dit artikel, opnieuw een vergadering welke binnen één week dient plaats te vinden. 7. Bij het doen van benoemingen, keuzen, voordrachten en aanbevelingen betreffende personen wordt schriftelijk gestemd, in de overige gevallen mondeling. Artikel 15 Bevoegdheden Dagelijks Bestuur Onverminderd het bepaalde in artikel 57b van de wet, heeft het dagelijks bestuur de volgende bevoegdheden: a. het behartigen van de belangen van de Omgevingsdienst bij andere overheden, instellingen of personen, waarmee contact voor de Omgevingsdienst van belang is; b. de zorg voor het beheer van inkomsten en uitgaven van de Omgevingsdienst; c.

de zorg, voor zover dat niet aan anderen toekomt, voor de controle op het geldelijk beheer en de boekhouding, en; d. de ambtelijke organisatie van de Omgevingsdienst in te richten en de werkwijze van de ambtelijke organisatie te bepalen en in dat kader instructies uit te vaardigen. §3 De voorzitter Artikel 16 De voorzitter 1. De voorzitter wordt door en uit het algemeen bestuur aangewezen. 2. De voorzitter is tevens voorzitter van het algemeen bestuur en voorzitter van het dagelijks bestuur. 3. Bij afwezigheid of ontstentenis van de voorzitter wordt hij vervangen door de plaatsvervangende voorzitter. Deze wordt aangewezen tijdens de eerste vergadering van het algemeen bestuur. 4. De stukken die van het algemeen bestuur of het dagelijks bestuur uitgaan, worden door de voorzitter ondertekend. 5. De voorzitter vertegenwoordigt het openbaar lichaam in en buiten rechte. Hij kan deze vertegenwoordiging aan een door hem aan te wijzen gemachtigde opdragen. §4 De commissies Artikel 17 Commissies van advies 1. Het algemeen bestuur, het dagelijks bestuur en de voorzitter kunnen commissies van advies instellen, zulks met inachtneming van artikel 52 juncto artikel 24 van de wet. 2. Het algemeen bestuur regelt de samenstelling, zittingsduur, werkwijze en taken. Artikel 18 Bestuurscommissies 1.

Het algemeen bestuur kan commissies instellen met het oog op de behartiging van bepaalde belangen, voor zover deze niet zijn voorbehouden aan het algemeen bestuur. 2. Het algemeen bestuur gaat niet over tot het instellen van een commissie als bedoeld in het eerste lid dan nadat de raden en provinciale staten van dit voornemen op de hoogte zijn gesteld 6

en gedurende twaalf weken in de gelegenheid zijn gesteld hun wensen en bedenkingen ter kennis van het algemeen bestuur te brengen. 3. Het algemeen bestuur regelt, met inachtneming van artikel 52 juncto artikel 25 van de wet, hun bevoegdheden en samenstelling. §5 Inlichtingen- en verantwoordingsplicht en participatie Artikel 19

Inlichtingenplichten

1. Het bestuur geeft de raden en provinciale staten schriftelijk alle inlichtingen die de raden onderscheidenlijk provinciale staten nodig hebben voor de uitoefening van hun taken. 2. Het dagelijks bestuur geeft, ieder tezamen en afzonderlijk, uit eigen beweging dan wel op verzoek van het algemeen bestuur of een of meer leden daarvan, aan het algemeen bestuur alle inlichtingen die nodig zijn voor een juiste beoordeling van het door het dagelijks bestuur gevoerde beleid. 3. Het bestuur geeft de raden, respectievelijk provinciale staten op verzoek van de raden, respectievelijk provinciale staten of één of meer leden daarvan zo spoedig mogelijk schriftelijk de door hen gevraagde inlichtingen.Een lid van het algemeen bestuur verschaft het college respectievelijk gedeputeerde staten dat hem heeft aangewezen alle inlichtingen die door het college, respectievelijk gedeputeerde staten of een of meer leden daarvan worden verlangd, op de wijze die door dit bestuursorgaan is bepaald. 4. Ieder college, respectievelijk gedeputeerde staten is bevoegd een door hem aangewezen lid in het algemeen bestuur ontslag te verlenen, indien dit lid het vertrouwen van de raad, respectievelijk provinciale staten niet meer bezit. In dat geval zijn de artikelen 49 en 50 van de Gemeentewet, respectievelijk de Provinciewet van overeenkomstige toepassing. Artikel 20

Verantwoordingsplichten

1. De colleges, raden, gedeputeerde staten en provinciale staten kunnen een lid van het algemeen bestuur dat zij hebben aangewezen ter verantwoording roepen voor het door hem in het algemeen bestuur gevoerde beleid, op de wijze die door dat bestuursorgaan is bepaald. 2. De leden van het dagelijks bestuur zijn, tezamen en afzonderlijk, aan het algemeen bestuur verantwoording schuldig voor het door het dagelijks bestuur gevoerde beleid. Het reglement van orde van het algemeen bestuur regelt de wijze waarop uitvoering wordt gegeven aan deze bepaling. 3. De aflegging van verantwoording als bedoeld in het tweede lid geschiedt op de wijze zoals is aangegeven in het reglement van orde voor de vergaderingen van het algemeen bestuur. Artikel 21 Inspraak 1. Ingezetenen van de provincie en de gemeenten en belanghebbenden kunnen via de reguliere procedures bij gedeputeerde staten en provinciale staten respectievelijk de raden en de colleges betrokken worden bij de voorbereiding, uitvoering en evaluatie van beleid. 2. In afwijking van het eerste lid kan het dagelijks bestuur besluiten dat bij de voorbereiding, uitvoering en evaluatie van beleid met ingrijpende gevolgen een apart participatietraject wordt doorlopen. 3. Het tweede lid vindt ook toepassing wanneer ten minste een vijfde van de gemeenteraden, provinciale staten inbegrepen, het dagelijks bestuur hierom verzoeken. 4.

Het dagelijks bestuur informeert de deelnemers zo spoedig mogelijk omtrent zijn voornemen tot het mogelijk maken van inspraak als bedoeld in het tweede of het derde lid en de wijze waarop 7

deze inspraak voor ingezetenen van de provincie en de gemeenten en belanghebbenden zal worden vormgegeven. Hoofdstuk 4

Organisatiebepalingen

Artikel 22 De directeur 1. De Omgevingsdienst heeft een directeur die onder verantwoordelijkheid van het dagelijks bestuur belast is met de leiding van de Omgevingsdienst en met de zorg voor een juiste taakvervulling door de Omgevingsdienst. 2. De directeur van de Omgevingsdienst fungeert als secretaris van het algemeen bestuur en het dagelijks bestuur en is leidinggevende van de medewerkers van de ambtelijke organisatie. Het dagelijks bestuur kan de instructie van de directeur vastleggen in een directiestatuut. 3. Het dagelijks bestuur benoemt, schorst en ontslaat de directeur. Hoofdstuk 5

Financiën

Artikel 23 Organisatie financieel beheer 1. Het algemeen bestuur stelt de nodige voorschriften vast met betrekking tot de organisatie van de financiële administratie en het geldelijk beheer van de Omgevingsdienst. 2. Bij de in het eerste lid bedoelde voorschriften wordt bepaald wie met het doen van ontvangsten en betalingen voor de Omgevingsdienst en met de zorg voor de boekhouding zijn belast. 3. Ten aanzien van de controle op het geldelijk beheer en de boekhouding zijn de artikelen 190 tot en met 219 van de Provinciewet van overeenkomstige toepassing. Artikel 24 Bijdrage van deelnemers De benodigde middelen voor de uitvoering van de taken van de Omgevingsdienst worden verschaft door de deelnemers door het verstrekken van jaarlijkse bijdragen, op basis van de begroting. Daarvoor gelden de volgende uitgangspunten: a. de deelnemers dragen alle kosten voor de uitvoering van de taken van de Omgevingsdienst; b. de deelnemers dragen ervoor zorg dat de Omgevingsdienst te allen tijde over voldoende middelen beschikt om aan al zijn verplichtingen te kunnen voldoen; c. de jaarlijkse bijdrage bestaat uit de volgende drie componenten: 1. De bedrijfsvoeringskosten. Deze kosten worden opgenomen in de begroting.

Voor de verdeling van de bedrijfsvoeringskosten wordt de volgende staffel gehanteerd: 5% van het totaal van de bedrijfsvoeringskosten komt voor rekening van gedeputeerde staten en 95% van het totaal van de bedrijfsvoeringskosten komt voor rekening van de colleges. Voor de berekening van het percentage van de bedrijfsvoeringskosten dat per college dient te worden voldaan, wordt dezelfde staffel gebruikt als hierna onder 3. voor de niet- locatiegebonden activiteiten omschreven. 2. De innovatiekosten. Deze kosten worden opgenomen in de begroting en voor de verdeling van de innovatiekosten geldt dezelfde staffel als de staffel die hiervoor is opgenomen voor de bedrijfsvoeringskosten. 3. De kosten van de uitvoering van het UTP. Deze kosten worden eveneens opgenomen in de begroting. Voor de berekening van het percentage van de kosten van de uitvoering van het UTP, wordt een gewogen staffel per deelnemer gehanteerd. Daarbij wordt een onderscheid gemaakt tussen: (i) de locatiegebonden activiteiten in een gemeente, en; 8

(ii) de niet-locatiegebonden activiteiten in een gemeente. De jaarlijkse bijdrage voor de locatiegebonden activiteiten wordt berekend op basis van een locatieprijs en de niet-locatiegebonden activiteiten worden per deelnemer berekend op basis van de volgende staffel: − 45% op basis van het inwoneraantal van de betreffende gemeente; − 45% op basis van het aantal in de betreffende gemeente gelegen bedrijven, en; − 10% op basis van het oppervlak van de betreffende gemeente. d. de deelnemers betalen, na ontvangst van een factuur van de Omgevingsdienst, bij wijze van voorschot jaarlijks voor 15 januari en voor 15 juli telkens de helft van de voor dat jaar geraamde bijdrage, en; e. bij het niet overeenkomstig het bepaalde onder d tijdig voldoen van de voorschotten wordt aan de desbetreffende deelnemer rente in rekening gebracht. De rente wordt berekend conform de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119, eerste en tweede lid, van het BW en artikel 6:120, eerste lid, van het BW. Artikel 25 Begroting 1. Het dagelijks bestuur zendt de ontwerpbegroting en bijbehorende stukken ten minste twaalf weken voordat deze aan het algemeen bestuur worden aangeboden, doch uiterlijk 30 april van het jaar voorafgaande aan het jaar waarvoor de ontwerpbegroting geldt, toe aan de colleges en raden onderscheidenlijk aan gedeputeerde staten en provinciale staten. 2.

De ontwerpbegroting wordt door de colleges en gedeputeerde staten voor eenieder ter inzage gelegd en, tegen betaling van de kosten, ook algemeen verkrijgbaar gesteld. 3. De raden en provinciale staten kunnen bij het dagelijks bestuur hun zienswijze over de ontwerpbegroting naar voren brengen. Het dagelijks bestuur voegt de commentaren waarin deze zienswijze is vervat bij de ontwerpbegroting, zoals deze aan het algemeen bestuur ter vaststelling wordt aangeboden. 4. Het dagelijks bestuur stelt de raden en provinciale staten voorafgaande aan het aststellen van de begroting schriftelijk en gemotiveerd in kennis van zijn oordeel over de zienswijze, bedoeld in het derde lid, alsmede van de eventuele conclusies die het daaraan verbindt. 5. Het algemeen bestuur stelt jaarlijks de begroting vast in het jaar voorafgaande aan dat waarvoor zij dient. 6. Binnen twee weken na vaststelling, doch in ieder geval vóór de in artikel 58, tweede lid, van de wet genoemde datum zendt het dagelijks bestuur de begroting aan de minister. 7. Nadat de begroting is vastgesteld zendt het algemeen bestuur de begroting aan de raden en aan provinciale staten, die ter zake bij de minister hun zienswijze naar voren kunnen brengen. 8.

Het bepaalde in het eerste, derde, vierde, zesde en zevende lid van dit artikel is, met uitzondering van de in het eerste en het zesde lid genoemde termijnen, van overeenkomstige toepassing op besluiten tot wijziging van de begroting. 9. Het achtste lid is niet van toepassing op wijzigingen van de begroting, die niet leiden tot een overschrijding van de jaarlijkse bijdragen van de deelnemers. Artikel 26 Jaarrekening en jaarverslag 1. Van de baten en lasten van de Omgevingsdienst wordt door het dagelijks bestuur over elk begrotingsjaar verantwoording afgelegd aan het algemeen bestuur, onder overlegging van de conceptjaarrekening en het jaarverslag met daarbij behorende bescheiden, zoals vermeld in artikel 217 van de Provinciewet. Na de eigen oordeelsvorming zendt het dagelijks bestuur de voorlopige jaarrekening jaarlijks vóór de in artikel 58b van de wet genoemde datum toe aan de raden en provinciale staten. 2. Het dagelijks bestuur zendt de jaarrekening binnen twee weken na de vaststelling, doch in ieder geval vóór de in artikel 58, vierde lid, van de wet genoemde datum het jaar volgende op het jaar 9

waarop de jaarrekening betrekking heeft aan de minister en voorts aan de raden en provinciale staten. 3. Behoudens later in rechte gebleken onregelmatigheden, ontlast de vaststelling van de jaarrekening de leden van het dagelijks bestuur ten aanzien van het daarin verantwoorde financieel beheer. Artikel 27 Verrekening exploitatiesaldo Het algemeen bestuur kan besluiten: a. de blijkens de jaarrekening behaalde negatieve resultaten geheel of ten dele: 1. af te boeken van de algemene reserve, voor zover deze voldoende middelen bevat; 2. ten laste te brengen van de deelnemers, naar rato van ieders jaarlijkse bijdrage in het jaar waarop de jaarrekening betrekking heeft, of; b. de blijkens de jaarrekening behaalde positieve resultaten geheel of ten dele: 1. te bestemmen in de algemene reserve; 2. uit te keren aan de deelnemers naar rato van ieders jaarlijkse bijdrage in het jaar waarop de jaarrekening betrekking heeft. c. De reserve in enig jaar bedraagt niet meer dan tien procent van de gezamenlijke bijdragen van de deelnemers van dat jaar. Hoofdstuk 6

Overige bepalingen

Artikel 28 Archief 1. Het dagelijks bestuur is verplicht de onder hem berustende archiefbescheiden in goede, geordende en toegankelijke staat te brengen en te bewaren, alsmede zorg te dragen voor de vernietiging van daarvoor in aanmerking komende archiefbescheiden. 2. Overeenkomstig een door het algemeen bestuur vast te stellen verordening, welke aan gedeputeerde staten wordt medegedeeld, draagt het dagelijks bestuur zorg voor de archiefbescheiden van het bestuur van de Omgevingsdienst. 3. De kosten, verbonden aan de uitoefening van de in het tweede lid bedoelde zorg, komen ten laste van de Omgevingsdienst. 4. Voor de bewaring van de op grond van artikel 12, eerste lid en artikel 13, eerste lid van de Archiefwet 1995, over te brengen archiefbescheiden van het bestuur van de Omgevingsdienst wijst het dagelijks bestuur een archiefbewaarplaats van een van de deelnemers aan. 5. Ten aanzien van het beheer van de archiefbescheiden van het bestuur van de Omgevingsdienst, voor zover deze archiefbescheiden niet zijn overgebracht naar een archiefbewaarplaats, is, onder de bevelen van het dagelijks bestuur, met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens de Archiefwet 1995 belast de archivaris. Met betrekking tot dit toezicht stelt het algemeen bestuur een verordening vast, welke aan gedeputeerde staten wordt medegedeeld. 6.

De archivaris wordt door het dagelijks bestuur benoemd, geschorst en ontslagen. 7. In afwijking van het vorige lid kan het dagelijks bestuur ook de archivaris van de deelnemer als bedoeld in het vierde lid aanwijzen als archivaris van de Omgevingsdienst. Artikel 29 Toetreding 1. Het betreffende bestuursorgaan dat wil toetreden, dient hiertoe een verzoek in bij het dagelijks bestuur. Het betreffende bestuursorgaan voegt hierbij het besluit tot toestemming van zijn vertegenwoordigend orgaan. 2. Het dagelijks bestuur brengt het verzoek ter kennis van het algemeen bestuur en geeft daarbij een advies over de toetreding. 3. Toetreding kan geschieden nadat het algemeen bestuur hiertoe bij unanimiteit heeft besloten. 10

4. Een lid van het algemeen bestuur kan slechts voor toetreding stemmen, nadat hij hiervoor de instemming van het bestuursorgaan van de deelnemer die hem heeft aangewezen heeft verkregen. Dit bestuursorgaan kan deze instemming pas verlenen na verkregen toestemming van zijn vertegenwoordigend orgaan. Artikel 30 Uittreding 1. Een college of gedeputeerde staten kan besluiten tot uittreding uit de regeling, onverminderd het bepaalde in artikel 51 van de wet en bij of krachtens artikel 18.21 van de Omgevingswet. 2. De uittredende deelnemer zendt het besluit tot uittreding aangetekend aan het algemeen bestuur. Daarbij wordt een opzegtermijn van twee jaar, ingaande op 1 januari van het eerstvolgende kalenderjaar, in acht genomen, tenzij de deelnemers unaniem een andere opzegtermijn overeenkomen of de wet tot een andere datum dwingt. 3. Het dagelijks bestuur inventariseert de gevolgen van de uittreding, de wijze waarop met deze gevolgen kan of moet worden omgegaan en de voorwaarden voor uittreding, welke nadien worden vastgesteld in een door het algemeen bestuur vast te stellen uittredingsplan. 4. Uiterlijk zes maanden na het moment van uittreding stelt het algemeen bestuur het uittredingsplan vast. De daarin voor de uittredende deelnemer omschreven financiële verplichtingen zijn bindend. 5.

Nadat het uittredingsplan is vastgesteld, is de uittredende deelnemer gehouden om binnen zes maanden de daarin voor de uittredende deelnemer omschreven financiële verplichtingen aan de regeling te voldoen. Artikel 31 Procedure voor opstellen en vaststellen uittredingsplan 1. Het in artikel 30, lid 3 vermelde uittredingsplan bevat de financiële, juridische, personele en organisatorische gevolgen die gedurende een termijn van vijf jaar het directe gevolg zijn van de uittreding. Tevens bevat het uittredingsplan de uittreedsom die betaald moet worden door de uittredende deelnemer. 2. Voor het opstellen van het uittredingsplan wijst het algemeen bestuur een onafhankelijke adviseur aan die in opdracht van het algemeen bestuur het concept-uittredingsplan voorbereidt. De kosten voor het uittredingsplan komen voor rekening van de uittredende deelnemer. 3. Het algemeen bestuur wijst de onafhankelijke adviseur aan op basis van een gezamenlijke voordracht van de uittredende deelnemer en de directeur. Indien geen overeenstemming kan worden bereikt over een gezamenlijke voordracht, wijst het algemeen bestuur de onafhankelijke adviseur aan op basis van een bindende voordracht van een selectiecommissie bestaande uit drie leden van het algemeen bestuur, waaronder in ieder geval een vertegenwoordiger in het algemeen bestuur van de uittredende deelnemer. 4.

De onafhankelijke adviseur neemt bij het bepalen van de uittreedsom het bepaalde in dit artikel en in artikel 30 in acht en baseert zich daarbij op de jaarrekening van het begrotingsjaar direct voorafgaand aan het moment van uittreding. Tevens past de onafhankelijke adviseur bij de berekening van de uittreedsom een risico-opslag van 10% op de uittreedsom toe om eventueel onvoorziene toekomstige kosten gerelateerd aan de uittreding te ondervangen. Deze opslag vrijwaart de uittredende deelnemer van alle toekomstige onvoorzienbare kosten. 5. Het algemeen bestuur is gehouden redelijkerwijs al het mogelijke te doen om de uittreedsom zo laag mogelijk te houden. Het algemeen bestuur onderzoekt in dat kader met de uittredende deelnemer de mogelijkheid tot overname van personeel, activa en contracten. Het voorgaande behoeft echter niet te leiden tot wijziging van overeenkomsten met en verplichtingen jegens anderen die zijn aangegaan respectievelijk bepaald voorafgaand aan het tijdstip van ontvangst door het algemeen bestuur van het besluit tot uittreding van de deelnemer. 11

Artikel 32 Opheffing en liquidatie 1. Deze regeling kan worden opgeheven met instemming van alle deelnemers minus één, onverminderd het bepaalde bij of krachtens artikel 18.21 van de Omgevingswet. Het besluit tot opheffing wordt niet genomen voordat de raden onderscheidenlijk provinciale staten gedurende twaalf weken in de gelegenheid zijn gesteld om schriftelijk op de voorgestelde opheffing hun zienswijze bij het college, respectievelijk gedeputeerde staten naar voren te brengen. 2. Door het algemeen bestuur wordt een liquidatieplan opgesteld. Het bepaalde in de artikelen 30 en 31 is zoveel mogelijk van overeenkomstige toepassing. 3. Het liquidatieplan voorziet in de verplichting van de deelnemers tot deelneming in de financiële gevolgen van de opheffing. Het liquidatieplan voorziet ook in de gevolgen die de opheffing heeft voor het personeel. 4. Het liquidatieplan regelt tevens de overdracht van archiefbescheiden aan een door het algemeen bestuur aangewezen archiefbewaarplaats, conform de Archiefwet 1995. 5. Toewijzing van personeel aan de deelnemers vindt plaats bij besluit van het algemeen bestuur. 6. Bij de ontbinding van het openbaar lichaam in verband met opheffing van de regeling of anderszins, blijft het openbaar lichaam voortbestaan voor zover dat voor de vereffening van het vermogen noodzakelijk is. Artikel 33 Wijziging 1.

Wijziging van de regeling kan plaatsvinden bij daartoe strekkende instemmende besluiten van alle deelnemers minus één. 2. Zowel het dagelijks bestuur, als de bestuursorganen van de deelnemers kunnen voorstellen doen tot wijziging van de regeling. 3. Een besluit tot wijziging dat conform het gestelde in het eerste lid tot stand is gekomen, treedt in werking nadat het wijzigingsbesluit is bekendgemaakt. Artikel 34 Geschillen 1. Indien een deelnemer de afspraken en contracten die vallen onder de reikwijdte van deze regeling niet nakomt, dan wel er anderszins een conflict ontstaat tussen een of meerdere deelnemers met de Omgevingsdienst of directeur, wordt de kwestie voorgelegd aan het algemeen bestuur. 2. Het algemeen bestuur doet in beginsel binnen drie maanden een voorstel voor een oplossing van het gerezen geschil. 3. lndien (een) deelnemer(s) zich niet kan/kunnen vinden in het voorstel van het algemeen bestuur of indien het algemeen bestuur niet zelf binnen drie maanden een voorstel doet, kan het geschil worden voorgelegd aan de bevoegde rechter.

Hoofdstuk 7

Slotbepalingen

Artikel 35 Slotbepalingen 1. Het algemeen bestuur beslist in alle gevallen waarin deze regeling niet voorziet. 2. Deze regeling wordt getroffen voor onbepaalde tijd. 3. De wettelijk voorgeschreven bekendmaking van deze regeling als bedoeld in artikel 52 juncto artikel 26 van de wet, geschiedt door gedeputeerde staten. 4. Het dagelijks bestuur is belast met de registratie van de regeling overeenkomstig artikel 52 juncto artikel 26, tweede lid, en artikel 136 van de wet. 5. De werking van de regeling zal om de vijf jaar geëvalueerd worden, voor het eerst in 2030. Het dagelijks bestuur zal daartoe een onderzoeksvoorstel en de daarmee gepaard gaande financiële 12

consequenties aan de deelnemers voorleggen. Artikel 36 Citeertitel Deze regeling wordt aangehaald als: Gemeenschappelijke regeling Omgevingsdienst Noord- en Midden-Limburg.

Aldus vastgesteld door de Colleges van Burgemeester en Wethouders van de gemeenten Beesel, Bergen (L), Echt-Susteren, Gennep, Horst aan de Maas, Leudal, Maasgouw, Mook en Middelaar, Nederweert, Peel en Maas, Roerdalen, Roermond, Venlo, Venray en Weert en het College van Gedeputeerde Staten van de provincie Limburg.

13

Toelichting Algemeen deel De RUD Limburg-Noord transformeert per 1 april 2026 van een netwerkorganisatie naar een robuuste Omgevingsdienst. Om te komen tot een robuuste Omgevingsdienst is een wijziging van de gemeenschappelijke regeling vereist. Aan de wijziging van de gemeenschappelijke regeling liggen de volgende leidende principes ten grondslag: -

UTP (Uniform takenpakket) Uitgangspunt voor de wijziging van de GR is dat de Omgevingsdienst wordt belast met de uitvoering van het Uniform takenpakket (UTP), hetgeen bestaat uit: a. het Landelijk Basistakenpakket, en; b. voor de deelnemende gemeenten, de overige milieutaken. Het uitvoeren van het UTP is nodig, om aan de robuustheidscriteria te kunnen voldoen. Wil een Omgevingsdienst robuust zijn, dan dient zij aan de volgende criteria te voldoen: - zij dient een bepaalde minimale omvang te hebben; - zij dient te werken volgens de kwaliteitscriteria voor VTH; - zij dient in te zetten op innovatie met daarbij een innovatieagenda en bijpassend budget; - zij dient een financiële buffer te hebben; - zij dient informatiegestuurd te werken, en; - zij dient aan te sluiten bij de identiteit van het werkgebied. Met de uitvoering van het UTP wordt geborgd dat de Omgevingsdienst NML aan de robuustheidscriteria kan voldoen. Van belang is dat de deelnemers ten aanzien van de omvang van het UTP de autonomie niet uit handen geven. Bij de invulling van het UTP is de lokale inbreng namelijk voortdurend geborgd via het vaststellen van de uitvoerings- en handhavingsstrategie, het uitvoeringsprogramma en de evaluatierapportage. Al deze documenten dienen namelijk door de colleges en gedeputeerde staten zelf te worden vastgesteld.

De voormelde documenten vormen vervolgens de basis van het vast te stellen uitvoeringsprogramma. Hetgeen de uitwerking van het UTP vormt. Vanwege de belangrijke rol van het uitvoeringsprogramma, is in de GR opgenomen dat het doen van voostellen voor het vaststellen van het uitvoeringsprogramma door het AB met 2/3e meerderheid dient te geschieden (zie artikel 10).

-

Modelmandaat Het volgende belangrijke uitgangspunt is, dat het mandaatbesluit van de robuuste Omgevingsdienst op hoofdlijnen zal aansluiten bij het modelmandaat dat is voorgeschreven door het IBP VTH. Uitgangspunt van dit modelmandaat is dat de volledige proceslijn (dus van 14

het voorbereiden en nemen van besluiten tot aan een eventueel beroep bij de Raad van State) in mandaat bij de Omgevingsdienst wordt belegd.

-

Financiële bijdrage Tot slot wordt een herijking van de jaarlijkse financiële bijdrage voorgesteld. de vaste jaarlijkse bijdrage gaat enerzijds uit van de vaste componenten 'bedrijfsvoeringskosten' en 'innovatiekosten' en gaat anderzijds uit van een jaarlijkse bijdrage voor de jaarlijkse kosten van de uitvoering van het UTP. Voor de berekening van de kosten voor het UTP wordt een onderschheid gemaakt tussen locatiegebonden en niet-locatiegebonden activitetien in een gemeente. Voor de niet-locatiegebonden activteiten is de kostenverdeelsleutel opgebouwd uit meerdere objectieve criteria: • • •

Het aantal en de zwaarte van de bedrijven binnen de gemeentegrenzen; Het inwoneraantal, en; de oppervlakte van de gemeente.

Daarmee is er gekozen voor een transparante, voorspelbare verdeelsleutel die aansluit op de wensen en kenmerken van het werkgebied van de Omgevingsdienst NML. Artikelsgewijze toelichting Artikel 1 Definities De definities zijn aangepast als gevolg van de wijziging van he takenpakket dat de Omgevingsdienst voor de deelnemers gaat uitvoeren. Van belang zijn ook de termen "locatiegebonden activiteit" en "niet-locatiegebonden activiteit". Locatiegebonden activiteiten zijn activiteiten die continu op een bekende locatie plaatsvinden met de daaraan gekoppelde VTH-taken van de Omgevingsdienst. Naast bedrijfslocaties betreft dit bijvoorbeeld ook activiteiten als het saneren van bodem. Niet-locatiegebonden activiteiten zijn activiteiten op wisselende locaties, zoals mobiel puinbreken en het slopen van werken waarbij asbest vrijkomt, met de daaraan gekoppelde VTH-taken van de Omgevingsdienst. Deze autonoom gedefinieerde termen zijn van belang voor de berekening van de jaarlijkse financiële bijdrage. Artikel 2 Belang In artikel 2 wordt het belang waarvoor de Omgevingsdienst is ingesteld, beschreven. Voor de omschrijving van het belang is aangesloten bij de doelstellingen van de Omgevingswet, meer in het bijzonder het in artikel 18.21 omschreven doel. Artikel 3 UTP in artikel 3 zijn de taken omschreven waarmee de Omgevingsdienst is belast.

Dit betreft, kort gezegd, het UTP, zoals in de algemene toelichting omschreven. In het derde lis is tevens vermeld dat er aparte mandaten zullen worden verleend. Daarbij zal worden aangesloten bij het modelmandaat, zoals in de algemene toelichting is vermeld. Artikel 4 Werkzaamheden voor derden 15

In artikel 4 is opgenomen dat de Omgevingsdienst werkzaamheden voor derden kan verrichten. Daarbij wordt enkel gedacht aan werkzaamheden voor andere openbare lichamen (zoals het waterschap of een naburige Omgevingsdienst). Vandaar dat de term "derde" in de begripsbepalingen van artikel 1 is gedefinieerd als een openbaar lichaam. Artikel 6 en 7 Zittingsduur en werkwijze In artikel 6 en 7 lid 4 was een regeling opgenomen omtrent onverenigbare functies. Artikel 52 jo. artikel 20 van de Wet gemeenschappelijke regelingen kent hiervoor een uitputtende regeling, waardoor deze artikelleden zijn geschrapt. Artikel 8 Vergaderquorum Met dit artikel wordt nu aangesloten bij artikel 52 jo. artikel 22 jo. artikel 20 van de Provinciewet. De regeling omtrent het quorum is nu gelijk aan de regels in gemeentelijke en provinciale verhoudingen. Artikel 9 Besluitvorming In het derde lid is verwijderd dat de voorzitter een doorslaggevende stem heeft bij het staken van de stemmen. Nu wordt aangesloten bij artikel 31 en 32 van de Gemeentewet respectievelijk Provinciewet. Artikel 10 Taken en bevoegdheden algemeen bestuur De taken en bevoegdheden van het algemeen bestuur zijn herzien. Aan de hand van de verplichtingen uit de Omgevingswet en het Omgevingsbesluit zijn de taken van het algemeen bestuur vormgegeven.

Uit artikel 13.5, 13.8 en 13.11 volgt dat de deelnemers aan een omgevingsdienst gezamenlijk een uitvoerings- en handhavingsstrategie, een uitvoeringsprogramma en evaluatierapportage moeten vaststellen. Om die reden is in artikel 10 lid 1 sub b opgenomen dat het AB voorstellen doet om te komen tot de voormelde besluiten. Zodoende wordt de eenheid en uniformiteit van het UTP onder de deelnemers geborgd. Tot slot is in artikel 10 lid 1 sub f de bevoegdheid opgenomen voor het AB om te besluiten over het deelnemen aan of treffen van een gemeenschappelijke regeling. Daarbij wordt vooral gedacht aan regelingen voor ondersteunende processen (archief, ICT). Wel is in dat geval een aanvullende zienswijze van de raden nodig (zie artikel 11). In het tweede lid van artikel 10 is opgenomen in welke gevallen besluitvorming plaatsvindt bij gekwalificeerde meerderheid. Paragraaf 4, commissies Alle artikelen met betrekking tot de adviesraad zijn vervangen door een algemene regeling voor het instellen van commissies. Indien ervoor wordt gekozen om een commissie (zoals een adviesraad) in te stellen, dan dient dat te geschieden via een apart instellingsbesluit en niet in de GR zelf, omdat het AB (of soms het DB) over de instelling gaat.

Artikel 21 Inspraak Artikel 21 biedt een kader voor inspraak bij uitzonderlijke situaties waarin de Omgevingsdienst zelf beleidskeuzes maakt met ingrijpende gevolgen, zoals bij de vaststelling van een nieuwe productencatalogus met grote impact op de uitvoering. Hoofdstuk 5 Financiën

16

Aan hoofdstuk 5 zijn 3 nieuwe artikelen toegevoegd, te weten artikel 23, 24 en 27. Dit in verband met de nieuwe financieringssystematiek voor de Omgevingsdienst. Artikel 23 is een standaardbepaling en ziet op de organisatie van het financieel beheer en de bevoegdheid van het AB om de nodige voorschriften vast te stellen. Artikel 24 regelt de jaarlijkse bijdrage van de deelnemers, zoals ook in het algemeen deel van de toelichting uiteen is gezet. Artikel 27 ziet op de mogelijkheid van verrekening van positieve en negatieve resultaten. Van belang is dat expliciet is bepaald dat de reserve in enig jaar niet meer mag bedragen dan tien procent van de gezamenlijke bijdragen van de deelnemers van dat jaar. (voorheen) artikel 38 Beëindiging deeltaken Artikel 38 (oud) is vervallen. Vanwege het uitgangspunt om te transformeren naar een robuuste Omgevingsdienst en inbreng van eenieder van het UTP, is artikel 38 verwijderd. De beëindiging van deeltaken is daarom niet meer mogelijk. Artikel 33 Geschillen Tot slot is de geschillenregeling herijkt. Deze gaat eerst uit van een bemiddelende rol van het AB, alvorens het geschil kan worden voorgelegd aan een bevoegde rechter.

17

1. Inleiding De afgelopen maanden hebben de colleges van burgemeester en wethouders en het college van gedeputeerde staten aan de raden en staten verzocht een zienswijze ten aanzien van de wijziging van de gemeenschappelijke regeling RUD Limburg-Noord. Tegelijk is door het Dagelijks Bestuur van de RUD Limburg-Noord een zienswijze gevraagd ten aanzien van het daarmee samenhangende bedrijfsplan op hoofdlijnen. Vervolgens is een viertal zienswijzen ingediend. Deze zijn behandeld door een juridische werkgroep van de RUD Limburg-Noord, bestaande uit twee medewerkers van de RUD Limburg-Noord en medewerkers van de deelnemers. De ter zienswijze voorgelegde stukken vinden hun oorsprong in het interbestuurlijk programma vergunningen, toezicht en handhaving (afgekort IBP-VTH). Daarin is een beschrijving opgesteld van wat noodzakelijk is om nu en in de toekomst op een goede wijze invulling te geven aan de taken die een omgevingsdienst heeft. In deze beschrijving is een aantal criteria opgenomen welke, als daaraan wordt voldaan, het mogelijk maken een zogeheten robuuste omgevingsdienst te vormen. Door het Rijk wordt voorgestaan dat alle omgevingsdiensten robuust zijn per 1 april 2026. Binnen deze criteria is het niet mogelijk gebleken de bestaande netwerk-RUD robuust te maken. Daarvoor is het noodzakelijk een fysieke dienst in te stellen.

De aan de orde zijnde tweede wijziging van de Gemeenschappelijke Regeling Regionale Uitvoeringsdienst Limburg Noord is een noodzakelijke stap om de inrichting en sturing van de Omgevingsdienst Midden en Noord-Limburg, zoals de RUD-LN na aangaan van de gewijzigde regeling gaat heten, te regelen. Tot deze noodzakelijke wijziging moet voor 1 april 2026 door de deelnemers worden besloten. In dat verband zijn al een aantal belangrijke stappen gezet: 1. op 26 juni jl. heeft het Algemeen Bestuur van de RUD Limburg-Noord het bedrijfsplan vastgesteld voor de bouw van een nieuwe Omgevingsdienst voor Noord- en Midden-Limburg: de ODNML. Gelijktijdig werd besloten om voor te stellen om de Gemeenschappelijke Regeling te wijzigen opdat nieuwe, robuuste afspraken worden gemaakt over de samenwerking; 2. vervolgens zijn zowel de raden als provinciale staten gevraagd hun zienswijzen te geven op het ontwerp bedrijfsplan en de ontwerpwijziging van de gemeenschappelijke regeling; 3. de vervolgstap is dat de zienswijzen worden beantwoord en dat het bedrijfsplan en de regeling waar nodig worden aangepast; 4. samen met de zienswijzennota zal de ontwerpregeling aan de raden van de deelnemende gemeenten en provinciale staten worden aangeboden voor toestemming; 5.

na het verlenen van toestemming kunnen de colleges van de deelnemende gemeenten en gedeputeerde staten besluiten tot het vaststellen van het bedrijfsplan in het Algemeen Bestuur en tot de wijziging van de gemeenschappelijke regeling. Het streven is erop gericht dat stappen 4 en 5 voor 1 april 2026 worden doorlopen. Wordt deze datum niet gehaald, dan heeft de staatssecretaris van Infrastructuur & Waterstaat in de kamerbrief van 23 september 2025 uiteengezet welke acties richting de regio's worden ondernomen: 1 "Op het moment dat een omgevingsdienst niet aan de robuustheidscriteria voldoet, is het aan de opdrachtgevers – gemeenten en provincies – op grond van de eerdergenoemde bestuurlijke afspraken ervoor te zorgen dat dit wel gaat gebeuren. Een van de robuustheidscriteria heeft op dit moment al een wettelijke grondslag, namelijk het voldoen aan de kwaliteitscriteria door de 1 Kamerstuk II 22343, nr. 431.

omgevingsdiensten. Die kwaliteitscriteria zijn door gemeenten en provincies vastgesteld. Omgevingsdiensten moeten daaraan dus niet alleen voldoen op basis van de interbestuurlijke afspraken, maar ook op basis van gemeentelijke en provinciale verordeningen. In situaties waarin een provincie onrechtmatige besluiten neemt of nalatig is in haar handelen, kan de ILT interbestuurlijk toezicht (IBT) opstarten. IBT richt zich nadrukkelijk op de uitvoering van medebewindstaken en intervenieert alleen in specifieke gevallen of concrete casussen. Inzet van IBT gebeurt op basis van algemene beleidskaders waarin de te doorlopen stappen en kaders staan beschreven. Als mij informatie bereikt dat een provincie niet voldoet aan haar wettelijke verplichtingen, heb ik de mogelijkheid de ILT hierover te berichten." Gezien het voorgaande en de uitgesproken ambitie om over te gaan tot het oprichten van een robuuste omgevingsdienst, is 1 april 2026 een belangrijke datum die niet uit het oog mag worden verloren. NOTA BEANTWOORDING ZIENSWIJZEN Alle gemeenteraden en de Staten zijn in de gelegenheid gesteld zienswijzen in te dienen. In deze Zienswijzenota wordt ingegaan op de gegeven zienswijzen. 2.

Raad van de gemeente Bergen De Raad van de gemeente Bergen heeft ten aanzien van het bedrijfsplan het volgende punt ingebracht: in de uitwerking van het bedrijfsplan dienen werkprocessen zodanig ingeregeld te zijn dat nabijheid van dienstverlening en integrale klantbenadering in afstemming tussen gemeente en omgevingsdienst zijn geborgd. De Raad raakt hier een belangrijk punt dat in de voorbereiding van het bedrijfsplan ook zeker is onderkend. De missie van de nieuwe Omgevingsdienst begint immers ook met de passage: “De Omgevingsdienst Noord- en Midden-Limburg is een dienstverlenende organisatie dichtbij”. Op dit moment worden er nadere afspraken gemaakt over de werkprocessen en rollen - bij zowel deelnemers alsook de omgevingsdienst - die eraan moeten gaan bijdragen dat vanuit partnerschap en nabijheid wordt samengewerkt aan de dienstverlening en integrale klantbenadering. Zoals ook uit de beantwoording van de hiernavolgende zienswijzen zal volgen, is het vaststellen van het bedrijfsplan en het wijzigen van de gemeenschappelijke regeling een hele belangrijke stap in de ambitie om op 1 april 2026 in formele zin een robuuste omgevingsdienst te zijn. Maar de ambities gaan verder. De ODNML gaat namelijk alle milieutaken voor haar deelnemers verrichten en niet alleen de wettelijk verplichte basistaken. De bouw van de ODNML is op 1 april 2026 dan ook nog niet ‘afgerond’.

Sterker nog: de dienstverlening zal een ingroeifase kennen. Het doel is dat de ODNML tot 2030 groeit naar een volwaardige organisatie. Dit vraagt geduld, van bestuurders, raden en staten en van de medewerkers. De ODNML investeert in mensen. De ODNML bouwt een bedrijfsvoering op en ontwikkelt nieuwe werkprocessen en een nieuwe organisatiecultuur waarbij nabijheid van dienstverlening en integrale klantbenadering zeker zullen worden geborgd. De ODNML wil namelijk partnerschap met haar deelnemers opbouwen, waarbij de dienstverlening aan alle deelnemers, ondernemers en inwoners voortdurend wordt verbeterd. In 2030 staat er een organisatie waar onze regio Noord- en Midden-Limburg trots op is! Overigens is in de AB-vergadering van 26 juni jl. ook uitgesproken om in 2030 de gemeenschappelijke regeling te evalueren. Deze evaluatie is ook als zodanig opgenomen in de regeling van de gewijzigde

gemeenschappelijke regeling ODNML. Thans leidt de zienswijze van de gemeenteraad van Bergen niet tot een aanpassing van het bedrijfsplan.

3. Raad van de gemeente Horst a/d Maas De Raad van de gemeente Horst aan de Maas heeft ten aanzien van het bedrijfsplan het volgende ingebracht: Wij kunnen instemmen met het ontwerp Bedrijfsplan op hoofdlijnen Omgevingsdienst Noord- en Midden-Limburg met uitzondering van het huisvestingsvraagstuk. Wij kunnen niet instemmen met de keuze voor één hoofdlocatie met twee nevenlocaties. In het Bedrijfsplan op hoofdlijnen wordt vermeld dat de nieuwe Omgevingsdienst Noord- en MiddenLimburg ervoor kiest om - naast een centrale hoofdlocatie – twee decentrale locaties in te richten: “…….voorgesteld wordt om voor de circa 174 medewerkers vanuit twee nevenlocaties en één hoofdlocatie te gaan werken. … We denken daarbij vanuit een hoofdlocatie centraal in de regio …. Én we denken aan twee nevenlocaties, die er voor zorgen dat er altijd een werkplek nabij is in onze langgerekte regio. Voor deze locaties wordt onderzocht of gemeenten bereid zijn om onze medewerkers in hun gemeentehuis een werkruimte/verdieping beschikbaar te stellen….”. Wij zijn van mening, dat decentrale huisvesting c.q. het huisvesten van medewerkers op drie verschillende locaties, niet leidt tot één omgevingsdienst. Zeker niet als die medewerkers, zoals nu, weer in een gemeentehuis worden gehuisvest.

Feitelijk leidt het huisvesten van medewerkers in verschillende gemeentehuizen er ook toe, dat de oude situatie gecontinueerd wordt. We streven naar een robuuste uitvoeringsorganisatie, waarbij de medewerkers van de OD elkaar snel weten te vinden en de lijnen kort zijn. Huisvesting op één locatie draagt daar aan bij. Wij vinden decentrale huisvesting onbespreekbaar en gaan hier niet mee akkoord. Wij verzoeken u om dit onderdeel in het Bedrijfsplan op hoofdlijnen aan te passen. Uit deze zienswijze blijkt dat, onbewust en ongewild, in het bedrijfsplan een beeld is geschetst waaruit blijkt dat de gemeenschappelijke regeling op drie locaties wordt gehuisvest. Dat beeld is niet correct. Er is geen sprake van decentrale huisvesting. In het aangepaste bedrijfsplan wordt daarom niet meer gesproken van hoofdlocatie en nevenlocaties, maar van de hoofdlocatie en aanlandplekken. Deze aanlandplekken zullen worden ingericht als een plek waar, terwijl op weg voor de uitvoering van werkzaamheden, een toezichthouder een rapport uit kan werken. Deze aanlandplekken zullen uitdrukkelijk geen volwaardige kantoren worden die als alternatief voor de hoofdvestiging zouden kunnen dienen: er is maar één daadwerkelijke hoofdvestiging. Het bedrijfsplan wordt in voornoemde zin aangepast.

4. Raad van de gemeente Venlo De Raad van de gemeente Venlo heeft in de zienswijze twee punten opgenomen: 1. Nu er een relatie is gelegd tussen de verrekening van de kosten en de omvang van het takenpakket, is dit het natuurlijke moment om ook de stemverhouding aan te passen. De toezegging in het bedrijfsplan om in 2030 de stemverhouding voor een herziening te agenderen doet geen recht aan het belang van de gemeente Venlo als grootste opdrachtgever. De gemeenteraad van Venlo doet een dringende oproep om de stemverhoudingen zo spoedig mogelijk aan te passen en hierbij rekening te houden met de taken die voor de afzonderlijke deelnemers worden uitgevoerd en/of het financiële belang

van de afzonderlijke deelnemers. De gemeenteraad verzoekt hierbij om de Gemeenschappelijk Regeling Omgevingsdienst Zuid-Limburg als voorbeeld te nemen. 2. De voorliggende concept-wijziging van de GR is onder tijdsdruk tot stand gekomen. De vaststelling van de gewijzigde GR kan later plaatsvinden. Het is niet uit te sluiten dat een aantal punten in de nu voorliggende conceptwijziging nog voor verbetering vatbaar is. Gelet op de lange procedure voor het wijzigen van de GR bevelen wij aan na te gaan of er nog verbeteringen moeten worden doorgevoerd in de conceptwijziging, voordat de GR ter vaststelling wordt aangeboden. In haar eerste punt stelt de Raad van de gemeente Venlo voor de voorgestelde stemverhouding nu te wijzigen. In dat verband is in de eerste plaats van belang dat de stemverhoudingen in het AB niet wijzigen ten opzichte van de huidige situatie. De stemverhouding is expliciet bestuurlijk aan de orde geweest. In de AB-vergadering van 26 juni jl. is echter unaniem geconcludeerd de al bestaande stemverhouding tot 2030 te continueren. De wijziging van de stemverhouding in dit stadium heeft tot gevolg dat het gehele wijzigingstraject voor de gemeenschappelijke regeling opnieuw moet worden opgestart en er wederom opnieuw zienswijzen van alle andere raden en provinciale staten moeten worden gevraagd.

De door het ministerie van I&W gestelde datum van 1 april 2026 wordt in dat geval geenszins gehaald. Desondanks wordt de wens van de raad van Venlo onderkend dat een wijziging van de stemverhoudingen aangewezen zou kunnen zijn. Om meerdere redenen is daar op dit moment echter nog niet voor gekozen. In de AB-vergadering van 26 juni jl. is echter wel uitgesproken om in 2030 de gemeenschappelijke regeling te evalueren. Deze evaluatie is ook als zodanig opgenomen in de regeling van de gewijzigde gemeenschappelijke regeling ODNML. In haar tweede punt constateert de Raad van de gemeente Venlo dat er hoge druk staat op de wijziging en dat dit kan hebben geleid tot onvolkomenheden. Dat is natuurlijk een feit dat wijzigingen onder druk dit risico meer inhouden dan wijzigingen waar ruim de tijd voor is. Toch hebben wij geprobeerd dit te voorkomen door het inschakelen van een brede juridische werkgroep vanuit de deelnemende bestuursorganen, inhoudelijk deskundigen en het betrekken van een terzake deskundig advocaat. Toch kunnen wij niet geheel uitsluiten dat er de komende jaren punten naar voren komen die een verdere wijziging of optimalisatie van de regeling noodzakelijk maken. ODNML stuurt erop aan dat de eventueel te constateren optimalisaties worden meegenomen in de voor 2030 geplande evaluatie.

Indien die evaluatie ertoe leidt dat een wijziging van de regeling noodzakelijk is, dan zal het daarvoor noodzakelijke wijzigingsproces worden doorlopen. Nadere beschouwing van de regeling heeft wel een aantal voor tekstuele verbeteringen opgeleverd. Deze zijn in paragraaf 6 benoemd. Samenvattend leidt de zienswijze van de gemeenteraad van Venlo niet tot een wijziging van de ontwerpregeling. Wel wordt – nogmaals – de toezegging gedaan dat zowel de inhoud van de regeling als de stemverhoudingen in 2030 zullen worden geëvalueerd. Indien uit die evaluatie volgt dat een nadere wijziging van de regeling noodzakelijk is, dan zal het daarvoor noodzakelijke wijzigingsproces worden doorlopen. 5. Provinciale Staten van de Provincie Limburg In de zienswijze van Provinciale Staten van de Provincie Limburg zijn twee punten opgenomen: 1. In het concept-bedrijfsplan staat dat de start van de nieuwe fysieke en robuuste Omgevingsdienst Noord- en Midden-Limburg (ODNML) op 1 april 2026 is gepland en dat de omgevingsdienst kan voldoen aan de landelijke robuustheidscriteria. Wij zijn van mening dat de RUD Limburg Noord met het vaststellen van het concept-bedrijfsplan een belangrijke en noodzakelijke stap zet in de transformatie van een netwerkorganisatie naar een fysieke en

robuuste omgevingsdienst. Voor het volledig afronden van deze transformatie moet de RUD Limburg-Noord echter nog de nodige stappen zetten en de nodige besluiten nemen, Hoewel wij zien dat de huidige projectorganisatie voortvarend aan de slag is, hebben wij vernomen dat het ministerie van lnfrastructuur en Waterstaat voorlopig inschat dat de RUD Limburg Noord op 1 april 2026 nog niet aan alle robuustheidscriteria voldoet. Dit baart ons zorgen. Wij realiseren ons dat het niet eenvoudig zal zijn om de transformatie naar een fysieke en robuuste omgevingsdienst uiterlijk 1 april 2026 te voltooien, maar roepen u op om alles in het werk te stellen deze transformatie overeenkomstig het concept-bedrijfsplan voor dit moment af te ronden. 2. Wij stellen vast dat in artikel 3 van de ontwerpwijziging van de gemeenschappelijke regeling onderscheid wordt gemaakt tussen de taken die worden ingebracht door Gedeputeerde Staten en door de "colleges" (waarmee wordt bedoeld "de colleges van burgemeester en wethouders"). Wij zijn van oordeel dat dit duidelijker in de tekst moet staan en stellen u daarom voor dat de term "bevoegde gezagen" in artikel 3 van de ontwerpwijziging gemeenschappelijke regeling wordt gewijzigd in de term "colleges". Daarmee wordt tevens ondervangen dat de term "bevoegde gezagen" nergens in de gemeenschappelijke regeling is gedefinieerd.

Ten aanzien van het eerste ingebrachte punt onderschrijft de ODNML dat samen alles in het werk moeten worden gesteld om voor 1 april 2026 te voldoen aan de landelijke criteria. Uw gedeputeerde Marc van Caldenberg omschreef het treffend: “Dit vraagt een marathon in sprintsnelheid”. Alle betrokkenen hebben de afgelopen periode grote vooruitgang geboekt. Zo is eind november de 1e wijziging van de begroting 2026 aan de raden en provinciale staten toegezonden ter zienswijze. Deze stap draagt bij aan het streven op 1 april 2026 in formele zin een robuuste omgevingsdienst te zijn. Maar de ambities gaan verder. De ODNML gaat namelijk alle milieutaken voor haar deelnemers verrichten en niet alleen de wettelijk verplichte basistaken. De bouw is nog niet op 1 april 2026 ‘afgerond’. Sterker nog: de dienstverlening zal een ingroeifase kennen. Het doel is dat de ODNML tot 2030 groeit naar een volwaardige organisatie. Dit vraagt geduld, van bestuurders, raden en staten en van de medewerkers. De ODNML investeert in mensen. De ODNML bouwt een bedrijfsvoering op en ontwikkelt nieuwe werkprocessen en een nieuwe organisatiecultuur. De ODNML wil partnerschap met haar deelnemers opbouwen, waarbij de dienstverlening aan alle deelnemers, ondernemers en inwoners voortdurend wordt verbeterd.

In 2030 staat er een organisatie waar onze regio Noord- en Midden-Limburg trots op is! Het tweede ingebrachte punt vraagt om een verduidelijking van de tekst van artikel 3 in lijn met de bedoeling ervan. Wij stellen vast dat deze wijziging de tekst inderdaad verduidelijkt wat de bedoeling is van dit artikel en de wijziging van de gemeenschappelijke regeling wordt dan ook conform dit voorstel gewijzigd. Deze zienswijze leidt tot wijziging van artikel 3. De term ‘bevoegd gezag’ wordt daar gewijzigd in ‘colleges’. 6. Overige wijzigingen Aan de ter zienswijze toegezonden versie van de wijziging van de gemeenschappelijke regeling zijn nog enige tekstuele wijzigingen aangebracht. Hieronder zijn die wijzigingen opgenomen. 1

Invoegen definitie Landelijk basistakenpakket, verwijderen definitie Wettelijk basistakenpakket

Wijziging om de termen in overeenstemming te brengen met de landelijk gebruikte termen.

3 eerste lid 3 eerste lid

Wijziging terminologie Verwijdering tekst

3 tweede lid 10 24

Wijziging tekst Wijziging tekst verwijzing "onder 2." gewijzigd naar "onder 3." Wijziging tekst

Toelichting

Daarnaast zijn enkele schrijffouten verbeterd.

Zie art., 1 Tekst regeling en uit toelichting kenbare bedoeling in overeenstemming brengen Verbetering leesbaarheid Verbetering leesbaarheid Kennelijke verschrijving verbeterd Zie art. 1

GGGGGRIFFIE

GRIFFIE OPLEGVEL RAADSVOORSTEL Raadsvergadering:

12 maart 2026

Agendapunt:

7

Onderwerp:

Wijziging verordening adviesraad sociaal domein

Commissiebehandeling Raadsadviescommissie:

10 februari 2026

Fracties afwezig bij commissiebehandeling:

n.v.t.

Advies commissie: 1. Onderwerp rijp voor behandeling in gemeenteraad

Ja

2. Wijze van agendering voor de raad

Hamerstuk

Inhoudelijk commissieadvies: Blijkens het raadsvoorstel stelt het college van burgemeester en wethouders de gemeenteraad voor: De Verordening Adviesraad Sociaal Domein gemeente Roerdalen, eerste wijziging vast te stellen. De fracties van het CDA, Democraten Roerdalen, Ons Roerdalen, PvdA-GroenLinks en Roerstreek Lokaal! adviseren positief over het raadsvoorstel. Bijzonderheden (indien van toepassing): N.v.t.

Pagina 1

Raadsvoorstel Zaaknummer Onderwerp: Datum: Indiener agendapunt: Portefeuillehouder: Gevraagd besluit: Bijlage(n):

Z25-059134 Eerste wijziging verordening adviesraad Sociaal Domein 20 januari 2026 College van Burgemeester en wethouders Roerdalen L. Vestjens De Verordening Adviesraad Sociaal Domein gemeente Roerdalen, eerste wijziging vast te stellen Bijlage 1: raadsbesluit wijziging verordening adviesraad Sociaal Domein gemeente Roerdalen Bijlage 2: juridisch memo

Toelichting bij het raadsvoorstel 1. Onderwerp Eerste wijziging verordening adviesraad Sociaal Domein 2. Inleiding Wij hechten veel waarde aan een goed functionerende en onafhankelijke adviesraad Sociaal Domein. Deze adviesraad heeft een cruciale rol in het versterken van inwonerparticipatie, het signaleren van knelpunten in het sociaal beleid en het geven van gevraagd en ongevraagd advies aan ons. In de afgelopen periode hebben wij gewerkt aan het verbeteren van de samenwerking met de adviesraad. Zoals past in onze koers Samen Doen! De afgelopen jaren kende de samenwerking met de adviesraad enkele uitdagingen als gevolg van wisselingen in samenstelling van de adviesraad en het verloop van beleidsmedewerkers in het sociaal domein. Inmiddels is er een nieuwe, gemotiveerde adviesraad aangetreden met een duidelijke ambitie om actief en constructief bij te dragen aan beleidsvorming. Deze ontwikkeling markeert een nieuw begin waarin beide partijen zich willen inzetten voor een duurzame en effectieve samenwerking. In gesprekken met de adviesraad kwamen knelpunten naar voren bij de uitvoering van de huidige verordening: • •

De (achteraf) betaling van de vacatievergoeding levert knelpunten op bij de leden van de adviesraad, maar ook bij de gemeente zelf. Daarnaast moet de adviesraad op grond van de verordening een jaarlijkse begroting vóór 1 oktober indienen. In die begroting zit ook de vergoeding voor de inzet. Aangezien de

Pagina 1 van 4

•

hoogte van de jaarlijkse vergoedingen volgens het Rechtspositiebesluit pas in januari bekend worden gemaakt, kan de begroting dan niet vóór 31 december worden vastgesteld. Het moeten indienen van declaraties achteraf wordt als onnodig werk en als bureaucratisch gezien. Leden moeten bedragen zelf voorschieten, wat niet wenselijk is.

De Adviesraad is met een voorstel gekomen. De gesprekken hierover hebben geleid tot de wijzigingen die nu worden voorgesteld. Namelijk het uitbetalen van de vaste vrijwilligersvergoeding van € 1.250,- per jaar, met daarin een reiskostenvergoeding in plaats van een vacatievergoeding per deelgenomen vergadering. Hierdoor hebben de leden van de adviesraad meer zekerheid, zijn de administratieve lasten minder en waarderen we hun toegenomen inzet.

3. Beslispunten De raad besluit: 1. De verordening Adviesraad Sociaal Domein gemeente Roerdalen, eerste wijziging vast te stellen. 4. Argumenten 1.1 De leden van de Adviesraad hebben meer zekerheid. De adviesraad is een afspiegeling van de samenleving. Er zijn ook leden die minder financiële draagkracht hebben. Voorschieten van gemaakte kosten en wachten op de uitbetaling van declaraties kan financiële zorgen opleveren. 1.2 Vermindering administratieve lasten. Een vaste vrijwilligersvergoeding per maand zorgt voor minder administratie. Zowel voor de adviesraad als voor de gemeente. De adviesraad kan zich hierdoor meer richten op de inhoudelijke rol. 1.3 We erkennen dat de rol van de Adviesraad meer is dan alleen de reguliere vergaderingen. De Adviesraad wil meer in contact komen met (maatschappelijke) organisaties en inwonerinitiatieven in het sociaal domein. Dit betekent meer inzet naast de reguliere vergaderingen. Met een vaste vrijwilligersvergoeding steunen we deze inzet. 5. Kanttekeningen 1.1 We wijken af van wettelijk kader. Bij een adviesraad/commissie in de zin van artikel 84 van de Gemeentewet is het Rechtsbesluit decentrale politieke ambtsdragers van toepassing. Op grond daarvan ontvangen commissieleden een vastgestelde vergoeding voor het bijwonen van vergaderingen en een reiskostenvergoeding.

Hiervan afwijken kan worden beschouwd als een aanvaardbaar juridisch risico.

Pagina 2 van 4

Verreweg de meeste gemeenten, zo ook gemeente Maasgouw en Echt-Susteren, hanteren een vrijwilligersvergoeding voor de adviesraden sociaal domein. 1.2 De vaste vrijwilligersvergoeding kost meer dan de vacatievergoeding. De vrijwilligersvergoeding zal een hoger beslag leggen op het jaarlijks budget van de adviesraad. De verwachting is echter dat het beschikbare budget toereikend is. Er was de afgelopen jaren immers sprake van onderuitputting van het budget. 6. Financiën Met dit voorstel verandert er niets aan de begrotingspost van de adviesraad sociaal domein. In de gemeentebegroting wordt jaarlijks een budget voor de adviesraad opgenomen. In 2026 bedraagt dit budget € 13.556,03. 7. Eerdere besluitvorming Niet van toepassing. 8. Communicatie Deze wijziging zal worden gepubliceerd in het elektronisch gemeenteblad. 9. Planning en uitvoering Met de adviesraad is afgesproken om de gewijzigde werkwijze na 1 jaar te evalueren. 10. Privacy n.v.t. 11. (Wettelijk en/of beleidsmatig) kader -

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Roerdalen&id=537db0e0-7d69-4a34-9650-a3284c044672