CConstaterende datRoerdalen
Koppel je AI →
Document · PDF

4. Toelichting

Gemeenteraad 30 maart 2023, gemeente RoerdalenBij agendapunt: Vaststellen bestemmingsplan Etsberg 38, Vlodrop18.877 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

Bij een ontwikkeling in de bronsgroene landschapszone moet het landschap er in ieder geval op vooruit gaan. Met het initiatief wordt meer bebouwing gesloopt dan opnieuw wordt opgericht wat zorgt voor een ontstening van het landschap. Daarnaast wordt met de aanwezige landschappelijke kwaliteiten rekening gehouden bij de inrichting en inpassing van het plangebied, door middel van een landschappelijke inpassing. Extensiveringsgebied intensieve veehouderij In extensiveringsgebieden krijgt in hoofdzaak de natuur de ruimte. In extensiveringsgebieden is zowel nieuwvestiging als uitbreiding van intensieve veehouderijen niet toegestaan. Aangezien in onderhavig bestemmingsplan geen intensieve veehouderij wordt opgericht of vergroot is dit niet van toepassing. Met het saneren van de mogelijkheid om op deze locatie een veehouderij te exploiteren wordt zelfs bijgedragen aan de doelstellingen voor de benoemde extensiveringsgebieden. Boringsvrije zone Roerdalslenk III Het is in het gebied Roerdalslenk III binnen en buiten inrichtingen verboden: a. Een boorput, een bodemenergiesysteem of aardwarmtesysteem te maken of hebben of de grond te roeren, diepen dan de bovenkant van de Bovenste Brunssumklei en/of dieper dan 80 meter beneden maaiveld;

Vastgesteld

22

b.

Werken op of in de bodem uit tevoren of te doen uitvoeren waarbij ingrepen worden verricht of stoffen worden gebruikt die de beschermende werking van de bovenste Brunssumklei kunnen aantasten.

Met onderhavige ontwikkeling worden geen van bovenstaande ontwikkelingen mogelijk gemaakt. Daarnaast worden er geen ingrepen verricht of stoffen gebruikt die de beschermende werking mogelijk zouden aantasten. De gebiedsaanduiding ‘milieuzone – Roerdalslenk III’ is opnieuw van toepassing verklaard voor het plangebied. Regionale wateroverlast In de Omgevingsverordening is voor verschillende te onderscheiden gebieden een norm opgenomen waarin is aangegeven waarop de bergings- en afvoercapaciteit van de regionale wateren moeten zijn ingericht. In de Bronsgroene landschapszone waar geen natuurbeek is gelegen (dit zijn overwegend beekdalen) is de norm (1:10) afgestemd op het meest geëigende en meest toegepaste grondgebruik, namelijk grasland. Voor de overige landbouwpercelen in het buitengebied geldt de referentienorm voor akkerbouw (1:25). Voor belangrijke glastuinbouwgebieden is de referentienorm voor hoogwaardige land- en tuinbouw (1:50) toegepast. Voor bebouwde kernen is meestal de referentienorm voor bebouwd gebied (1:100) vastgesteld. De norm is uitgedrukt als de maximale kans per jaar dat wateroverlast mag optreden. In veel gebieden is de daadwerkelijke kans op wateroverlast kleiner dan de norm aangeeft. Het plangebied ligt in het buitengebied van Etsberg, gedeeltelijk binnen de bronsgroene landschapszone.

Voor de bronsgroene landschapszone is de referentienorm voor wateroverlast vastgesteld op 1:10. Binnen het plangebied is de maximale kans vastgesteld op eens in de 10 jaar. Het plangebied is daarnaast gelegen in een zone waarvoor geen normering is opgenomen. Binnen het plangebied kan dan ook een goed woon- en leefklimaat worden gegarandeerd. Overig In artikel 2.2.2 van de verordening is bepaald dat een ruimtelijk plan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, rekening moet houden met het bepaalde in artikel 3.1.6, tweede lid van het Bro (ladder duurzame verstedelijking). Onderhavig initiatief is getoetst aan de ladder voor duurzame verstedelijking, zie paragraaf 4.1.3. Er is sprake van een functiewijziging van agrarisch bedrijf naar woondoeleinden. Er is geen sprake van nieuw ruimtebeslag en van een stedelijke ontwikkeling, waardoor de ladder niet van toepassing is. 4.2.4

Structuurvisie Wonen Midden-Limburg 2022 tot en met 2025

De gemeente Roerdalen heeft samen met de gemeenten in Midden-Limburg (Echt-Susteren, Leudal, Maasgouw, Nederweert, Roermond en Weert) afspraken gemaakt over de regionale woningmarkt. In 2014 resulteerde dit in de ‘Structuurvisie Wonen, Zorg en Woonomgeving Midden-Limburg’. Inmiddels is de Structuurvisie Wonen Midden-Limburg 2022 tot en met 2025 opgesteld. Deze structuurvisie kan na verwachting in het 2 e kwartaal van 2022 worden vastgesteld. In de structuurvisie Wonen is een terugblik van de regio opgenomen, waarin wordt ingegaan op de daadwerkelijke ontwikkelingen in de periode 2018 tot en met 2020. Daarnaast wordt ingegaan op de koers voor 2022 en verder, op de kwantitatieve en kwalitatieve kaders, op instrumenten voor regie en op een uitvoeringsparagraaf. In de Structuurvisie Wonen Midden-Limburg zijn enkele opgaven geformuleerd ten aanzien van specifieke doelgroepen: 1. Het vergoten van het aandeel huurwoningen; 2. Woonwagenstandplaatsen; 3. Statushouders; 4. Starterts; 5. Wonen met zorg; 6. Internationale werknemers; 7. Transformatie van vastgoed en herstructurering; Vastgesteld

23

8. 9.

Verduurzaming bestaande woningvoorraad; Geen permanente bewoning in recreatiewoningen.

Onderhavige ontwikkeling voorziet niet in het toevoegen van een woning, maar in een functiewijziging van een reeds bestaande bedrijfswoning. In opgave 7 is opgenomen dat het transformeren van Vrijkomende Agrarische Bebouwing (VAB) naar een woonfunctie vanuit het werkveld Wonen niet vanzelfsprekend is omdat wonen bij voorkeur wordt gerealiseerd in de bebouwde gebieden. Locaties in het buitengebied die voor herontwikkeling in aanmerking komen kunnen wel kansen bieden voor alternatieve of nieuwe woonvormen. Volgens de Structuurvisie Wonen Midden-Limburg is het omzetten van een bestaande bedrijfswoning naar een burgerwoning passend mits een passende oplossing wordt gezocht voor de vrijkomende agrarische bebouwing. Initiatiefnemer is voornemens om een deel van de agrarische bebouwing te behouden c.q. te vernieuwen. Daarnaast wordt een deel van de voormalige bedrijfsbebouwing gesloopt. Het initiatief is daarom niet in strijd met de Regionale Woonvisie.

4.3

Gemeentelijk beleid

4.3.1 Omgevingsvisie Roerdalen 2050 In 2020 en 2021 is de Omgevingsvisie Roerdalen 2050 tot stand gekomen en op 8 juli 2021 is de omgevingsvisie vastgesteld. De omgevingsvisie is gericht op de kwaliteit en ontwikkeling buiten (de fysieke leefomgeving) voor de lange termijn. De omgevingsvisie heeft betrekking op alle terreinen van de leefomgeving en gaat in op de samenhang tussen ruimte, water, milieu, natuur, landschap, verkeer en vervoer, infrastructuur (wegen, sporen etc.) en cultureel erfgoed. In de omgevingsvisie staat wat de gemeente Roerdalen voor de lange termijn belangrijk vindt voor de fysieke leefomgeving. De koers die de gemeente de komende jaren wil gaan uitzetten is uitgewerkt in zeven leidende thema’s: 1. Samen Roerdalen 2. Wonen in Roerdalen 3. Landelijk en natuurlijk Roerdalen 4. Recreatief Roerdalen 5. Ondernemend Roerdalen 6. Duurzaam Roerdalen 7. Gezond en veilig Roerdalen. Deze thema’s vormen de basis voor het toekomstig omgevingsbeleid. Landelijk en natuurlijk Roerdalen De komende decennia neemt de druk op het buitengebied van Roerdalen toe. Veel functies vragen immers fysiek om ruimte. Allereerst is er het ‘traditionele spanningsveld’ tussen agrarisch grondgebruik en de ontwikkeling van natuur en ecologische verbindingen. De energietransitie vraagt de gemeente om de wijze waarop energie wordt opgewekt te verduurzamen.

Zon- en windenergie zijn hierin veelvuldige genoemde oplossingen. Beide oplossingen vragen, in meer of mindere mate om ruimte én hebben tevens impact op het landschap. De agrarische sector staat voor een aantal stevige uitdagingen die ook hun weerslag (gaan) hebben op de fysieke leefomgeving. Denk aan rentabiliteit, de verduurzamingsopgave, de noodzaak om te innoveren, het maatschappelijk draagvlak, veranderingen in wet- en regelgeving én bedrijfsopvolging. Uitgangspunt in de omgevingsvisie is dat wordt toegewerkt naar een innovatieve, duurzame en toekomstbestendige sector met gezonde agrarische familiebedrijven (functionele agrarische bedrijven). Voor agrariërs die activiteiten staken is perspectief noodzakelijk om invulling te geven aan vrijkomende agrarische bebouwing. Uitgangspunt is het voorkomen van leegstand, verloedering en ondermijning. Afhankelijk van de locatie zijn kleinschalige recreatie, wonen én kleinschalige bedrijvigheid mogelijke alternatieve invullingen. Voor deze alternatieven geldt uiteraard een goede ruimtelijke inpasbaarheid en het scheppen van duidelijke kaders zodat de ruimtelijke kwaliteit, Vastgesteld

24

ook naar de toekomst toe geborgd blijft. Voor het herinvullen van vrijkomende agrarische bebouwing wordt nadat de omgevingsvisie is afgerond separaat beleid opgesteld. Aangezien de gemeente Roerdalen nog bezig is met het opstellen van beleid ten aanzien van vrijkomende agrarische bebouwing is in het kader van onderhavig initiatief getoetst aan de wijzigingsvoorwaarden zoals opgenomen in het vigerende bestemmingsplan (zie paragraaf 3.3) en aan de Omgevingsvisie Roerdalen 2050 (zie hieronder). Het voornemen bestaat om een agrarische bedrijfslocatie te saneren en de locatie te gaan gebruiken voor woondoeleinden. De bedrijfswoning zal in dat kader worden benut als een burgerwoning. Ondergeschikt aan het woongebruik wenst initiatiefnemer een beroep aan huis uit te oefenen. In de omgevingsvisie geeft de gemeente Roerdalen aan dat afhankelijk van de locatie kleinschalige recreatie, wonen én kleinschalige bedrijvigheid alternatieve invullingen zijn voor vrijkomende agrarische bedrijfslocaties. Er dient echter wel sprake te zijn van een goede ruimtelijke inpasbaarheid. Het initiatief is getoetst aan diverse milieuaspecten (zie paragraaf 5) en wordt passend geacht in de omgeving. Daarnaast wordt de locatie landschappelijk ingepast zodat het initiatief een bijdrage levert aan de landschappelijke kwaliteiten van de omgeving. Het initiatief is daarmee passend binnen de omgevingsvisie.

4.3.2 Kwaliteitskader Roerdalen De provincie verlangt van de Limburgse gemeentes om uitwerking en uitvoering te geven aan het Limburgs Kwaliteitsmenu (LKM). Het LKM wordt uitgewerkt in een gemeentelijk kwaliteitsmenu dat wordt verankerd in de gemeentelijke structuurvisie. Het Limburgs Kwaliteitsmenu van de provincie heeft dan ook zijn uitwerking naar lokaal niveau gekregen in het gemeentelijk Kwaliteitsmenu Roerdalen. Dit is het echter nog het kwaliteitsmenu dat is vastgesteld bij de structuurvisie Roerdalen 2030. Inmiddels is de Omgevingsvisie Roerdalen 2050 in werking getreden. Daarbij is het oude kwaliteitsmenu vervangen door een nieuw kwaliteitskader. Het Kwaliteitskader Roerdalen is de vervanger/opvolger van het Limburgs Kwaliteitsmenu / Gemeentelijk Kwaliteitsmenu. Het Kwaliteitskader Roerdalen richt zich op initiatieven in het buitengebied en is van toepassing op (niet onaanvaardbare) ontwikkelingen in het buitengebied die middels een planologische procedure mogelijk worden gemaakt. Het gaat om ontwikkelingen die niet rechtstreeks of via een flexibiliteitsbepaling zijn toegestaan in het vigerende bestemmingsplan/omgevingsplan. Bij het kwaliteitskader van de gemeente Roerdalen is een tabel opgezet met daarin de ruimtelijke ontwikkeling en de noodzakelijke kwaliteitsbijdrage.

Bij de toepassing van alle modules geldt dat er altijd sprake is van ruimtelijke en landschappelijke inpassing van het initiatief, evenals zorgen voor de opvang van hemelwater. Indien er sprake is van een ontwikkeling in een cultuurlandschap moet een oppervlakte ter grootte van minimaal 10% van het bouwvlak worden ingezet als inpassing. Bestaand aanwezig kwalitatief en inheems groen telt daarin mee. Voor een ontwikkeling in een bosen mozaïek landschap is dat ter grootte van minimaal 15% van het bouwvlak en in het beekdallandschap en natuurlandschap minimaal 20% van het bouwvlak. Onderhavig initiatief heeft betrekking op het herbestemmen van een bedrijfswoning tot burgerwoning. Bij het gehele perceel van de initiatiefnemers wordt de bestemming ‘Agrarisch met waarden – Natuur en landschapswaarden’ gewijzigd in de bestemming ‘Wonen – Buitengebied’. De woonbestemming sluit beter aan bij het toekomstige beeld van de initiatiefnemers. Binnen de woonbestemming wordt een nieuw bouwvlak aan de locatie toegekend die gelijk is aan het huidige bouwvlak. Het is noodzakelijk om het gehele perceel van de initiatiefnemers te voorzien van een woonbestemming en van een gelijkwaardig bouwvlak zodat de toekomstige mogelijkheden behouden blijven.

Het is uitgesloten om binnen het plangebied meer bebouwing te realiseren echter initiatiefnemer willen graag een flexibele inzet behouden met oog op de toekomst. Daarbij wordt het echter wel vastgelegd dat de oppervlakte van de te behouden bebouwing (750 m2) het maximaal aantal bebouwing betreft. Ondergeschikt aan de woonfunctie willen initiatiefnemers een beroep aan huis uitoefenen. Vastgesteld

25

Het initiatief komt overeen met punt 10 sub c, functiewijziging naar (recreatie)woning. Bij een dergelijke ontwikkeling is het uitgangspunt dat de bestaande woning mag worden voortgezet. In het kwaliteitskader is opgenomen dat bij een functiewijziging naar een burgerwoning maximaal 750 m2 aan bebouwing is toegestaan. Het gebruiken van het gehele perceel ten behoeve van woondoeleinden en het behouden van 750 m2 aan bebouwing is op basis van het kwaliteitskader toegestaan mits de locatie landschappelijk wordt ingepast. De locatie is gelegen in een bos- en mozaïeklandschap derhalve dient 15% van het bouwvlak landschappelijk ingepast te worden. Voor de locatie is een landschappelijk inpassingsplan opgesteld (zie paragraaf 3.3). Middels een voorwaardelijke verplichting wordt geborgd dat het gebruik van de locatie voor woondoeleinden pas is toegestaan indien de landschappelijke inpassing is uitgevoerd en in stand wordt gehouden conform het landschappelijk inpassingsplan. Binnen het plangebied is dan ook de aanduiding ‘'specifieke vorm van groen - landschappelijke inpassing Etsberg 38 Vlodrop’ toegekend. Het initiatief is in lijn met het kwaliteitsmenu van de gemeente Roerdalen.

Vastgesteld

26

5.

RANDVOORWAARDEN / RESULTATEN ONDERZOEKEN

Met de bestemmingswijziging dient rekening gehouden te worden met (milieu-)aspecten vanuit de omgeving en op de omgeving. Het onderzoek naar de milieuaspecten bodem, geluid, lucht, externe veiligheid en milieuzonering voor het plangebied wordt in de navolgende paragrafen beschreven. Eveneens is gekeken naar de gevolgen van het initiatief voor de aspecten archeologie, leidingen en infrastructuur, natuur, waterhuishouding en verkeer. De hieruit voortkomende bevindingen worden in onderstaande paragrafen toegelicht.

5.1

Milieuaspecten

5.1.1 Milieueffectrapportage Op basis van artikel 7.17 Wm, dient het bevoegd gezag een beslissing te nemen omtrent de vraag of bij de voorbereiding van het betrokken besluit voor de activiteit, vanwege de belangrijke nadelige gevolgen die zij voor het milieu kan hebben, een milieueffectrapport moet worden gemaakt. Middels deze paragraaf wordt invulling gegeven aan de vereisten van artikel 7.16 Wm, op basis waarvan het bevoegd gezag op grond van artikel 7.17 Wm een beslissing kan nemen. Deze paragraaf bevat een toetsing aan de selectiecriteria als bedoeld in bijlage III bij de EEG-richtlijn milieueffectbeoordeling (zie hierna).

Kenmerken van het project ▪ Omvang van het project ▪ Cumulatie met andere projecten ▪ Gebruik van natuurlijke grondstoffen ▪ Productie van afvalstoffen ▪ Verontreiniging en hinder ▪ Risico van ongevallen, mede gelet op de gebruikte stoffen en technologieën Plaats van het project ▪ Bestaand grondgebruik ▪ Relatieve rijkdom aan kwaliteit en het regeneratievermogen van de natuurlijke hulpbronnen van het gebied ▪ Het opnamevermogen van het natuurlijke milieu, met in het bijzonder aandacht voor gevoelige gebieden (wetlands, kustgebieden, berg- en bosgebieden, reservaten en natuurparken, Habitat- en Vogelrichtlijngebieden), gebieden waarin bij communautaire wetgeving vastgestelde normen inzake milieukwaliteit reeds worden overschreden, gebieden met een hoge bevolkingsdichtheid, landschappen van historisch, cultureel of archeologisch belang Kenmerken van het potentiële effect ▪ Bereik van het effect (geografische zone en grootte van de getroffen bevolking) ▪ Grensoverschrijdende karakter van het effect ▪ Waarschijnlijkheid van het effect ▪ Duur, frequentie en de omkeerbaarheid van het effect De beoogde ontwikkeling en de hiervan deel uitmakende onderdelen komen in lijst C van de bijlage van het Besluit m.er. niet als activiteit voor. Met betrekking tot de ontwikkeling is in onderdeel D (11.2) van de bijlage van het Besluit m.e.r.

het volgende opgenomen: “de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen.” De voorgenomen ontwikkeling ligt ver onder de drempelwaarde die is opgenomen in kolom 2, namelijk een oppervlakte van 100 hectare of meer, een aaneengesloten gebied en 2.000 woningen of meer of een bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m² of meer. Omdat het initiatief onder de drempelwaarden valt zoals aangegeven in categorie D11.2 van het Besluit m.e.r., volgt hierna een toets of op basis van de hiervoor genoemde criteria

Vastgesteld

27

een m.e.r.-beoordeling uitgevoerd moet worden. Deze paragraaf is mede opgesteld op basis van de onderzoeken die uitgevoerd zijn in het kader van het bestemmingsplan. Kenmerken van het project Criteria Omvang van het project

Cumulatie met andere projecten Gebruik van natuurlijke grondstoffen Productie van afvalstoffen

Verontreiniging en hinder Risico van ongevallen

Toets Het project heeft betrekking op het saneren van een agrarische bedrijfslocatie en het omzetten van de aanwezige bedrijfswoning naar een burgerwoning. Om de ontwikkelingen mogelijk te maken wordt de bestemming ‘Agrarisch met waarden – Natuur- en landschapswaarden’ omgezet naar een woonbestemmingen. Ondergeschikt aan de woonfunctie zal een beroep aan huis worden uitgeoefend. Het project valt onder de drempelwaarden zoals genoemd in de D-lijst voor stedelijke ontwikkelingsprojecten Nee Nee Nee, behoudens (regulier) huishoudelijk afval wat door erkende verwerkers opgehaald en verwerkt zal worden. Ook de (tijdelijke) afvalstoffen die ontstaan door de bouw worden door erkende verwerkers opgehaald en verwerkt. Daarbij vindt zoveel mogelijk als kan recycling plaats Er is geen sprake van een activiteit die leidt tot verontreiniging of hinder voor het milieu Nee, het plangebied bevindt zich buiten plaatsgebonden risicocontouren en er is geen sprake van een verslechtering van het groepsrisico

Conclusie: vanuit de kenmerken van het project zijn er geen negatieve effecten op het milieu te verwachten. Plaats van het project Criteria Bestaand grondgebruik Relatieve rijkdom aan kwaliteit en het regeneratievermogen van de natuurlijke hulpbronnen van het gebied Het opnamevermogen van het natuurlijke milieu, met in het bijzonder aandacht voor: ▪ gevoelige gebieden (wetlands, kustgebieden, bergen bosgebieden, reservaten en natuurparken, Habitat- en Vogelrichtlijngebieden) ▪ gebieden waarin bij communautaire wetgeving vastgestelde normen inzake milieukwaliteit reeds worden overschreden Gebieden met een hoge bevolkingsdichtheid Landschappen van historisch, cultureel of archeologisch belang

Toets Agrarisch N.v.t.

Nee, uit de onderzoeken die in het kader van het initiatief zijn uitgevoerd, blijkt dat het project geen significante effecten veroorzaakt voor de omgeving (zie hiervoor betreffende aspecten in hoofdstuk 5 van deze toelichting)

Nee Nee

Conclusie: vanuit de plaats van het project zijn er geen negatieve effecten op het milieu te verwachten.

Vastgesteld

28

Gevoelig gebied (conform onderdeel A van de bijlage bij het Besluit m.e.r.) Criteria Beschermd natuurmonument Habitat- en Vogelrichtlijngebieden Watergebied van internationale betekenis EHS Landschappelijk waardevol gebied

Toets Nee Nee Nee Nee Ja, het plangebied is gelegen in de bronsgroene landschapszone. Het initiatief wordt landschappelijk ingepast en heeft derhalve geen nadelige effecten op het landschappelijk waardevol gebied

Waterwinlocaties, waterwingebieden en grondwaterbeschermingsgebieden

Ja, plangebied is gelegen in grondwaterbeschermingsgebied Roerdalslenk III. Diepe boringen zijn daarom uitgesloten en in het kader van het initiatief dus niet aan de orde

Beschermd monument Belvédère-gebied

Nee Nee

Conclusie: het plangebied is niet gelegen binnen een gevoelig gebied en op een zodanige afstand van gevoelige gebieden dat er geen negatieve effecten te verwachten zijn. Conclusie milieueffectrapportage 1. De ontwikkeling komt niet voor in onderdeel C van de bijlage bij het Besluit m.e.r.. Er hoeft dus geen MER te worden opgesteld; 2. De activiteit valt wel onder categorie D11.2 van onderdeel D van de bijlage bij het Besluit m.e.r.. De daarbij genoemde drempelwaarden worden niet overschreden; 3. Ter voldoening aan het bepaalde in artikel 2, lid 5, aanhef onder b. van het Besluit m.e.r. is voor dit initiatief een vormvrije m.e.r.-beoordeling uitgevoerd. Uit de uitgevoerde vormvrije m.e.r.-beoordeling blijkt dat er geen negatieve effecten te verwachten zijn en dat een MER niet zinvol is. 5.1.2 Bodemkwaliteit Bij de toetsing of een initiatief uitvoerbaar is moet worden nagegaan of er mogelijk sprake is van bodemverontreiniging. Bij functiewijzigingen en nieuwe ontwikkelingen dient daarom te worden bekeken of de bodemkwaliteit past binnen het toekomstige gebruik van de bodem en of deze optimaal op elkaar kunnen worden afgestemd. Uitgangspunt van een goede ruimtelijke ordening is dat de bodemkwaliteit geschikt is voor de beoogde bestemming en de daarin toegestane gebruiksvormen.

Dit betekent dat bij een functiewijziging van, in dit geval een agrarisch bedrijf naar woondoeleinden, het aspect bodemkwaliteit onderzocht, beoordeeld en beschreven moet worden. Voor de nieuwe woonbestemming is derhalve een verkennend bodemonderzoek1 uitgevoerd. Deellocatie A Geconcludeerd wordt dat de hypothese 'verdachte locatie' voor het verkennend bodemonderzoek stand houdt. In de bovengrond is een matige verontreiniging met nikkel en zijn lichte verontreinigingen met zware metalen, minerale olie, PCB en PAK aangetoond. In de ondergrond zijn geen verontreinigingen aangetoond. De matige verontreiniging met nikkel is mogelijke te relateren aan de bijmenging met baksteen. Gelet op het feit dat het matig verhoogd gehalte in een separaat monsters is aangetroffen en de meest verdachte laag is geanalyseerd, mag worden aangenomen dat er geen sprake is van een ernstig geval van bodemverontreiniging. 1 HMB Groep, verkennend bodemonderzoek (asbest) Etsberg 38 Vlodrop,3 mei 2022, kenmerk: 22215101A

Vastgesteld

29

In het grondwater is een lichte verontreiniging met barium aangetoond. Het aantreffen van verhoogde gehalten metalen in het grondwater is een bekend verschijnsel in de provincie Limburg, derhalve mag worden aangenomen dat de verontreiniging in het grondwater verhoogde achtergrondgehalten betreffen. Tevens wordt opgemerkt dat ter plaatse van boring 09 asbestverdacht materiaal is aangetroffen. Op basis van de analyse bleek het echter niet om asbest te gaan. De locatie is derhalve niet verdacht op het voorkomen van asbest. Deellocatie B t/m H druppelzones en hemelwaterafvoer (asbest) Tijdens de graafwerkzaamheden is het uitkomende materiaal beoordeeld op de aanwezigheid van asbestverdachte materialen. Ter plaatse van de proefgaten van de deellocaties B, C, E, F, G, H is zowel zintuiglijk als analytisch geen asbest aangetroffen. In de bovengrond van de proefgaten ter plaatse van deellocatie D is asbest aangetroffen. Het gewogen gehalten is boven het detectielimiet echter blijft ruimschoots onder de norm voor nader onderzoek (grenswaarde) en/of de interventiewaarde. Slotconclusie De vastgestelde milieuhygiënische bodemkwaliteit vormt geen belemmering voor de voorgenomen wijziging van het bestemmingsplan.

5.1.3 Bedrijven en milieuzoneringen Milieuzonering is het aanbrengen van een noodzakelijke ruimtelijke scheiding tussen milieubelastende en milieugevoelige functies ter bescherming of vergroting van de kwaliteit van de leefomgeving. Als hulpmiddel voor de inpassing van bedrijvigheid in haar fysieke omgeving of van gevoelige functies nabij bedrijven, heeft de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG), in samenwerking met de Ministeries van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer en Economische zaken, in 2009 een indicatieve bedrijvenlijst opgesteld. Om een milieuzonering in een concrete situatie te kunnen uitwerken bevat de VNG publicatie bouwstenen. De drie belangrijkste bouwstenen zijn: 1. de richtafstandenlijst; 2. twee omgevingstypen; 3. een lijst van toelaatbare activiteiten in gemengd gebied met het oog op functiemenging. De belangrijkste bouwstenen voor milieuzonering zijn de twee richtafstandenlijsten die zijn opgenomen in bijlage 1 van de VNG publicatie. Dit zijn afstanden ten opzichte van een rustige woonwijk (of een vergelijkbaar omgevingstype). In de bijlagen wordt onderscheid gemaakt naar richtafstanden voor de ruimtelijke relevante milieuaspecten geur, stof, geluid en gevaar. De grootste van deze vier richtafstanden is bepalend voor de indeling van een activiteit in een milieucategorie.

Het plangebied is te typeren met het omgevingstype rustig buitengebied. Woningen betreffen een functie welke geen milieuhinder veroorzaakt voor de omgeving. De nieuwe woning die ontstaat met het initiatief kan wel milieuhinder ondervinden van functies gelegen in de omgeving. Ter plaatse van het plangebied dient daarom aangetoond te worden dat er sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat ten gevolge van bestaande milieubelastende functies. De milieuruimte van de milieubelastende functies in de omgeving is geïnventariseerd aan de hand van de grootste bijbehorende richtafstand voor geur, stof, geluid en gevaar.

Vastgesteld

30

Functie Pension / bed en breakfast

Adres Rothenbacherweg 4

Pluimveehouderij (opfok)

Etsberg 18

Groothandel in bloemen en planten

Rothenbacherweg 3a

Café

Etsberg 7

Camping en recreatieterrein

Waldseestraße 7

Aan te houden afstanden ▪ Geur 10 meter ▪ Stof 0 meter ▪ Geluid 10 meter ▪ Gevaar 10 meter ▪ Geur 200 meter ▪ Stof 30 meter ▪ Geluid 50 meter ▪ Gevaar 0 meter ▪ Geur 10 meter ▪ Stof 10 meter ▪ Geluid 30 meter ▪ Gevaar 0 meter ▪ Geur 0 meter ▪ Stof 0 meter ▪ Geluid 10 meter ▪ Gevaar 10 meter ▪ Geur 30 meter ▪ Stof 0 meter ▪ Geluid 50 meter ▪ Gevaar 30 meter

Afstand tot plangebied 155 meter

200 meter

230 meter

250 meter

400 meter

Onderzocht is of de richtafstanden het plangebied overlappen. Aan alle richtafstanden wordt voldaan. Omliggende milieubelastende functies vormen daarmee geen belemmering voor het garanderen van een goed woon- en leefklimaat in de woning. 5.1.4

Wegverkeerslawaai

De Wet geluidhinder (Wgh) bevat geluidsnormen en richtlijnen over de toelaatbaarheid van geluidsniveaus als gevolg van wegen, spoorwegen, gezoneerde industrieterreinen en luchthavens. Diverse wegen in en om het plangebied zijn zoneplichtige wegen in het kader van de Wet geluidhinder. Dit betekent dat bij het oprichten van een gevoelige bestemming binnen de zone altijd een akoestisch onderzoek is vereist. De huidige bedrijfswoning betreft reeds een geluidsgevoelig object. Door de bestemmingswijziging van agrarische bedrijfswoning naar burgerwoning is er dus geen sprake van een nieuw geluidsgevoelig object. De woning blijft zoals aanwezig in stand. Er hoeft derhalve niet getoetst te worden aan de Wet geluidhinder. Een akoestisch onderzoek naar (spoor)wegverkeerslawaai is daarom niet benodigd. 5.1.5

Luchtkwaliteit

Algemeen Op 15 november 2007 is de Wet luchtkwaliteit in werking getreden en sindsdien staan de hoofdlijnen voor regelgeving rondom luchtkwaliteitseisen beschreven in de Wet milieubeheer (hoofdstuk 5 Wm). Artikel 5.16 Wm (lid 1) geeft weer, onder welke voorwaarden bestuursorganen bepaalde bevoegdheden (uit lid 2) mogen uitoefenen. Als aan minimaal één van de volgende voorwaarden wordt voldaan, vormen luchtkwaliteitseisen in beginsel geen belemmering voor het uitoefenen van de bevoegdheid: a. er is geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde; b. een project leidt – al dan niet per saldo – niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit; c. een project draagt 'niet in betekenende mate' (NIBM) bij aan de luchtverontreiniging; d. een project past binnen het NSL (Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit), of binnen een regionaal programma van maatregelen. Vastgesteld

31

Het Besluit NIBM Deze AMvB legt vast, wanneer een project niet in betekenende mate (NIBM) bijdraagt aan de concentratie van een bepaalde stof. De achtergrond van het beginsel 'Niet in betekende mate' is dat de gevolgen van een ontwikkeling voor de luchtkwaliteit in een aantal gevallen (beschreven in de ministeriële Regeling NIBM) worden tenietgedaan door de ontwikkeling van bijvoorbeeld schonere motoren in het gehele land. Op 1 augustus 2009 is het nationaal samenwerkingsprogramma luchtkwaliteit (NSL) in werking getreden. Hierdoor dient bij plannen die de luchtkwaliteit beïnvloeden niet langer te worden uitgegaan van de normen uit de interimperiode. Nu het NSL in werking is getreden is een project NIBM, als aannemelijk is dat het project een toename van de concentratie veroorzaakt van maximaal 3%. De 3% grens wordt gedefinieerd als 3% van de grenswaarde voor de jaargemiddelde concentratie van fijn stof (PM10) of stikstofdioxide (NO2). Dit komt overeen met 1,2 microgram/m3 voor zowel fijn stof en NO2. Als de 3% grens voor PM10 of NO2 niet wordt overschreden, dan hoeft geen verdere toetsing aan grenswaarden plaats te vinden. Regeling NIBM Binnen de getalsmatige grenzen van de Regeling NIBM draagt een project altijd niet in betekenende mate bij aan een verslechtering van de luchtkwaliteit. Voor woningen gelden in de Regeling NIBM de volgende getalsmatige grenzen:

Woningen (maximaal)

Minimaal 1 ontsluitingsweg 3%-norm 1.500

Minimaal 2 ontsluitingswegen 3%-norm 3.000

Woningbouw draagt pas IBM bij aan de luchtkwaliteit als er meer dan 1.500 woningen gebouwd worden. In dit geval is geen sprake van nieuwe woningen. Er is uitsluitend sprake van een bestaande woning waarvan alleen de soort bewoning wijzigt. In plaats van dat een agrariër de woning bewoond zal een burger de woning bewonen. Daarnaast vallen de verkeersbewegingen van en naar het agrarisch bedrijf weg. De bestemmingswijziging valt daarom onder de 3% norm. Het initiatief draagt zodoende ‘niet in betekenende mate’ (NIBM) bij aan de luchtverontreiniging. Achtergrondwaarden Het toetsingskader voor luchtkwaliteit wordt gevormd door hoofdstuk 5.2 luchtkwaliteitseisen van de Wet milieubeheer (ook wel Wet luchtkwaliteit genoemd, Wlk). De Wlk bevat grenswaarden voor zwaveldioxide, stikstofdioxide en stikstofoxiden, fijn stof, lood en koolmonoxide en benzeen. Hierbij zijn in Nederland met name de grenswaarden voor stikstofdioxide (NO2) en fijn stof (PM2,5 en PM10) van belang. De vigerende grenswaarden voor stikstofdioxide en fijn stof zijn in de navolgende tabel weergegeven. De grenswaarden gelden voor de buitenlucht, met uitzondering van een werkplek in de zin van de Arbeidsomstandighedenwet en op plaatsen die niet toegankelijk zijn voor publiek en waar geen vaste bewoning is, zoals akkerland en de rijbaan en ontoegankelijke middenbermen van wegen. Tabel 1.

Jaargemiddelde concentratie van fijn stof en stikstofdioxide

Stof Stikstofdioxide (NO2) Fijn stof (PM10) Fijn stof (PM2,5)

Toetsing van Jaargemiddelde concentratie Jaargemiddelde concentratie Jaargemiddelde concentratie

Grenswaarde 40 µg/m3 40 µg/m3 25 µg/m3

Rondom het plangebied bevinden zich diverse wegen als emissiebronnen van luchtverontreinigende stoffen (uitlaatgassen van verkeer). Deze bronnen zijn opgenomen in de achtergrondconcentraties, zoals die door het RIVM jaarlijks in kaart worden gebracht. Normaal gesproken zijn er in het oosten en zuiden van Nederland geen knelpunten op het gebied van de luchtkwaliteit met betrekking tot fijn stof en stikstofdioxide te verwachten. De grootschalige concentratiekaart Nederland (GCN) geeft per km-vak de huidige achtergrondconcentraties weer.

Vastgesteld

32

Volgens de kaarten van het RIVM bedraagt momenteel de concentratie fijn stof (PM2,5) ter plaatse 9,1 µg/m³, de concentratie fijn stof (PM10) 15,3 µg/m³ en de concentratie stikstofdioxide (NO2) 9,3 µg/m³. Volgens de kaarten van het RIVM is de luchtkwaliteit ter plaatse voldoende. Conclusie luchtkwaliteit Gezien de bestaande concentraties is er geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde en wordt voldaan aan het bepaalde in artikel 5.16 Wm lid 1 onder a. De voorgenomen ontwikkeling zal ook -in vergelijking met het huidige gebruik als agrarisch bedrijf- nagenoeg geen extra verkeer aantrekkende werking met zich meebrengen. Daarnaast draagt het initiatief niet in betekende mate bij aan de luchtkwaliteit, waarmee wordt voldaan aan het bepaalde in artikel 5.16 Wm, lid 1 onder c. Uit bovenstaande kan worden geconcludeerd dat het initiatief niet bezwaarlijk is in het kader van de luchtkwaliteitseisen uit de Wet milieubeheer en dat aanvullend onderzoek niet noodzakelijk is. 5.1.6

Geur

Geur kan hinder veroorzaken in de leefomgeving. Wanneer deze hinder inderdaad ondervonden wordt, kan dit zelfs invloed hebben op de gezondheid. Geurhinder dient daarom zoveel mogelijk beperkt te worden door regels te stellen aan de uitstoot van geuremissies en bepaalde afstanden aan te houden ten opzichte van geurgevoelige objecten. De Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) kent bescherming toe aan geurgevoelige objecten. De Wet geurhinder en veehouderij stelt de gemeente in staat om middels gemeentelijk geurbeleid te sturen op geuremissies afkomstig uit stallen bij veehouderijen en daarmee op de geurbelasting op de omgeving. Op 17 december 2009 is door de gemeenteraad van de Gemeente Roerdalen de Verordening Wet geurhinder en veehouderij vastgesteld. De grondslag voor het opstellen van de verordening is gelegen in het rapport "Gebiedsvisie Wet geurhinder en veehouderij" en het rapport "Aanvulling op de gebiedsvisie Wet geurhinder en veehouderij". De geurverordening bevat de geur- en afstandsnormen waaraan getoetst wordt in het kader van vergunningverlening. Het plangebied valt onder het buitengebied. In de verordening is bepaald dat voor het buitengebied een maximale waarde geldt voor de geurbelasting van een veehouderij ten aanzien van een geurgevoelig object van 14 Ou/m3 (voorgrondbelasting).

Dit betekent dat iedere individuele veehouder 14 OU/m3 mag emitteren op een geurgevoelig object buiten de bebouwde kom. De geurbelasting op een geurgevoelig object kan uitsluitend berekend worden bij een veehouderij waar dieren met geuremissiefactoren worden gehouden (dit betreffen doorgaans de intensieve veehouderijen). Bij een veehouderij waar dieren zonder geuremissiefactoren worden gehouden geldt een minimale vaste onderlinge afstand van 25 meter (gevel stal) en 50 meter (emissiepunt stal). De woning binnen het plangebied kan geurhinder ondervinden van omliggende veehouderijen. In de directe omgeving (200 meter van het plangebied) zijn echter geen veehouderijen gelegen. Geconcludeerd kan worden door de grote afstanden tot veehouderijen dat ter plaatse geen sprake kan zijn van geuroverlast. Effect voor veehouderijen Hierboven is gemotiveerd dat, om een acceptabel woon- en leefklimaat te garanderen, de afstand tussen een grondgebonden veehouderij en een geurgevoelig object minimaal 50 meter dient te bedragen (afstand tussen emissiepunten veehouderij en een geurgevoelig object). Indien geurgevoelige objecten dichter dan 50 meter bij een veehouderij worden opgericht zullen deze geurgevoelige objecten de bedrijfsvoering en ontwikkelingsmogelijkheden binnen een agrarisch bouwvlak van betreffende veehouderij belemmeren.

Het is dan namelijk niet toegestaan voor betreffende veehouderij emissiepunten te realiseren. De afstand van de veehouderijen waar dieren zonder geuremissiefactoren worden gehouden, tot het plangebied, bedraagt ruimschoots meer dan 50 meter. Aan de geureisen uit de Wgv voor wat betreft deze inrichtingen wordt ruimschoots voldaan.

Vastgesteld

33

Daarnaast geldt dat bestaande geurgevoelige objecten welke in de directe omgeving van de intensieve veehouderijen zijn gelegen, de bepalende objecten zijn voor wat betreft eventuele toekomstige uitbreidingsmogelijkheden van deze veehouderijen. De woning, welke verder van de intensieve veehouderijen is gepositioneerd dan bestaande woningen, heeft derhalve geen beperkende invloed voor wat betreft de uitbreidingsmogelijkheden van de intensieve veehouderijen. 5.1.7

Externe veiligheid

Bij de ruimtelijke planvorming moet rekening gehouden worden met het aspect externe veiligheid. De risico’s voor de bevolking, die verbonden zijn aan gevaar veroorzakende activiteiten moeten in beeld worden gebracht. De volgende bronnen kunnen aan de orde zijn: ▪ Inrichtingen; ▪ Transportactiviteiten met gevaarlijke stoffen; ▪ Vuurwerkopslagplaatsen; ▪ Opslagplaatsen ontplofbare stoffen voor civiel gebruik. Hoewel de kans om komen te overlijden als gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen zeer klein is, gelden er toch bepaalde minimaal aan te houden afstanden tot locaties waar gevaarlijke stoffen worden opgeslagen of getransporteerd. Deze minimaal aan te houden afstanden worden plaatsgebonden risicocontouren genoemd. De grootte van deze plaatsgebonden risicocontouren verschilt per situatie. Zo speelt de hoeveelheid opgeslagen of vervoerde gevaarlijke stoffen een rol, maar daarnaast bijvoorbeeld ook de wijze van opslag en eventuele aanwezige veiligheidsystemen. Wanneer er een ongeval met gevaarlijke stoffen plaatsvindt, dan kunnen de effecten veel verder reiken dan de plaatsgebonden risicocontour. De afstand tot waar een ongeval met een gevaarlijke stof nog onder 1% van de blootgestelden dodelijke slachtoffers kan veroorzaken vormt het invloedsgebied.

Het plaatsgebonden risico zegt dus niets over het aantal mensen dat kan komen te overlijden tijdens een ongeval met gevaarlijke stoffen. Hiervoor is het groepsrisico bedoeld. Het groepsrisico is een maat voor de maatschappelijke ontwrichting en wordt weergegeven in een grafiek. In een dergelijke grafiek is de kans op een calamiteit weergegeven tegenover de hoeveelheid mensen die kan komen te overlijden als gevolg van die calamiteit. Het groepsrisico is geen harde norm, maar vormt de basis voor een verantwoording van de aanwezige risico's door de gemeente. Het gemeentebestuur heeft beleidsruimte bij het toepassen van de hoogte van het groepsrisico bij ruimtelijke ontwikkelingen. Echter, het gemeentebestuur is wel verplicht voor het invloedsgebied verantwoording af te leggen over de hoogte van het groepsrisico, de te nemen maatregelen om de effecten van deze risico's te reduceren en de eventuele restrisico's.

Afbeelding 15. Ligging risicovolle bedrijvigheid ten opzichte van het plangebied

Vastgesteld

34

Risicovolle bedrijvigheid rond het plangebied Met behulp van de provinciale risicokaart is bepaald of het plangebied binnen de plaatsgebonden risicocontouren, dan wel invloedsgebieden van omliggende risicovolle inrichtingen is gelegen. In de uitsnede in van afbeelding 15 is de ligging van relevante inrichtingen in de wijde omgeving van het plangebied weergegeven. Uit de afbeelding blijkt dat binnen het plangebied een opslagtank aanwezig is. De opslagtank heeft een inhoud van 5.000 liter en slaat propaan op. Voor de propaantank bedraagt de plaatsgebonden risicocontour 10 meter. De plaatsgebonden risicocontour van de propaantank reikt over de vrijstaande schuur en over de schuur die aan de woning vastzit. Bij een propaantank tot 13 m3 is geen sprake van een invloedsgebied in het kader van het groepsrisico. Bij propaantanks met een inhoud tussen de 13 m3 en 50 m3 is het invloedsgebied vastgesteld op 150 meter. Als het plangebied binnen 150 meter van een propaantank met een inhoud >13 m3 is gelegen dient het groepsrisico verantwoord te worden. De schuur, die aan de aanbouw en woning vast zit, wil initiatiefnemer slopen waardoor de risicocontour niet meer tot hier reikt. De vrijstaande schuur wordt gerenoveerd of gesloopt en op de zelfde locatie teruggebouwd en blijft daarmee binnen de plaatsgebonden risicocontour van de propaantank.

Echter initiatiefnemer is voornemens om de opslagtank op termijn te verwijderen in het kader van het verduurzamingstraject. Met de verwijdering van de opslagtank vervalt de plaatsgebonden risicocontour waardoor dit geen risico meer vormt voor het initiatief. Het aspect externe veiligheid vormt derhalve geen belemmering in het kader van onderhavig bestemmingsplan.

5.2

Kabels en leidingen

Grotere kabels en leidingen krijgen in een bestemmingsplan veelal een planologische beschermingszone door middel van een dubbelbestemming. Hiermee wordt de bedrijfszekerheid en de veiligheid van de betreffende leiding gewaarborgd. Op basis van het vigerende bestemmingsplan is er geen sprake van een dergelijke dubbelbestemming in of in de nabijheid van het plangebied. Blijkens kaarten van Gasunie, TenneT en Waterschapsbedrijf Limburg bevinden er zich in of in de nabijheid van het plangebied geen belangrijke (ondergrondse) leidingen.

5.3

Natuur

De Europese natuurwetgeving is in Nederland, op het gebied van soort- en gebiedsbescherming, uitgewerkt in de Wet natuurbescherming. Deze wet heeft tot doel alle in Nederland in het wild voorkomende planten- en diersoorten en natuurgebieden (Natura2000-gebieden) te beschermen en in stand te houden. 5.3.1 Flora en fauna Om het voorkomen van flora en fauna aan te tonen en het effect van het initiatief hierop te onderzoeken is een quickscan flora- en fauna2 uitgevoerd. Algemeen voorkomende grondgebonden zoogdieren en amfibieën In het plangebied komen mogelijk zoogdieren en amfibieën voor, die onder de Wet natuurbescherming zijn beschermd. Het gaat om algemeen voorkomende soorten (zogenaamde A-soorten), waarvoor in Limburg een vrijstelling geldt in geval van ruimtelijke ontwikkeling en beheer en onderhoud. Dit houdt in dat deze soorten verstoord mogen worden, zonder 2 Faunaconsult, Flora- en fauna-inspectie Etsberg 38 te Vlodrop, 11 augustus 2022

Vastgesteld

35

dat daar vooraf een ontheffing voor is verkregen. Wel geldt altijd de Zorgplicht (artikel 1.11 Wnb); deze houdt in dat nadelige gevolgen voor dieren en planten altijd zoveel mogelijk moeten worden voorkomen. Om aan de algemene zorgplicht te voldoen, moeten dieren die tijdens de werkzaamheden worden aangetroffen, zo snel mogelijk naar een aangrenzende locatie buiten het plangebied worden verplaatst. Vogels In het plangebied komen mogelijk beschermde vogelnesten voor tijdens het broedseizoen. Het gaat om vogels waarvan het nest niet jaarrond wordt beschermd of als strenger beschermd wordt beschouwd. Hiervoor zijn maatregelen die negatieve effecten voorkomen wel verplicht. Verstoring van broedvogels en vernietiging van vogelnesten kan worden voorkomen door de rooiwerkzaamheden (het rooien van de essen en de laurierkersen) buiten de periode 15 maart – 15 juli (het broedseizoen van de meeste vogels) uit te voeren. Door naleving van deze maatregel worden ten aanzien van vogels geen overtredingen op de Wet natuurbescherming begaan. Vleermuizen Wanneer binnen het plangebied enkele bomen/struiken worden verwijderd, zal dit geen noemenswaardige aantasting aan een vaste vliegroute opleveren.

Om verstoring van vleermuizen te voorkomen, mag er tot op een afstand van 10 meter van de bomen naast de Rothenbach alleen vleermuisvriendelijke buitenverlichting worden geplaatst; van de bomen af omlaag gerichte straatverlichting, met een scherpe bundel, zoals ledlampen. Hierbij kan worden gekozen voor amberkleurige UV-vrije led armaturen (Zoogdiervereniging, 2011) of rood licht (Spoelstra et al, 2017). 5.3.2 Natura2000 Binnen een afstand van 10 km van het plangebied zijn de volgende Natura2000-gebieden gelegen: ▪ Roerdal, afstand 60 meter; ▪ Meinweg, afstand 940 kilometer; ▪ Schaagbachtal (Duitsland) 3,8 kilometer; ▪ Helpensteiner Bachtal-Rothenbach, 4,8 kilometer; ▪ Schwalm-Nette-Platte mit Grenzwald u. Meinweg (Duitsland), afstand 5,0 kilometer. In de Wnb is voorgeschreven dat voor alle activiteiten die mogelijk een negatief effect hebben op Natura 2000-gebieden een Wnb-vergunning vereist is. Over een afstand van bijna 60 meter of meer zijn negatieve effecten vanuit het plangebied op de Natura2000-gebieden uit te sluiten, behoudens wat betreft verzuring en/of vermesting. Verzuring en vermesting zijn een van de mogelijk negatieve effecten van een initiatief op een Natura2000-gebied en kan een groot bereik hebben daar stikstof (in de vorm van NOx of NH3), welke verzuring en vermesting veroorzaakt, door de atmosfeer kan neerslaan in een Natura2000-gebied.

Voor ieder habitattype binnen een Natura2000-gebied dat gevoelig is voor verzuring en/of vermesting is een kritische depositiewaarde (KDW) vastgesteld. De KDW geeft de grens aan waarboven het risico bestaat dat de kwaliteit van het habitat significant wordt aangetast door de verzurende en/of vermestende invloed van atmosferische stikstofdepositie. Door middel van het rekeninstrument AERIUS Calculator wordt de stikstofdepositie op Natura2000-gebieden als gevolg een initiatief berekend. Met onderhavig initiatief wordt een agrarische bedrijfswoning omgezet naar een burgerwoning. Initiatiefnemer is daarnaast voornemen om de woning en aanbouw te renoveren en enkele bijgebouwen te slopen. De exacte effecten van de sloop, (ver)bouw- en gebruiksfase op de Natura2000- gebieden is berekend middels AERIUS Calculator. Sloopfase Initiatiefnemer is voornemens om twee schuren en de afdaken te slopen. Bij de sloop van de bijgebouwen wordt gebruik gemaakt van meerdere (mobiele) werktuigen en vinden van en naar de locatie verkeersbewegingen plaats. Dit zorgt voor een emissie van stikstof. Deze emissie is berekend.

Vastgesteld

36

Voor de inzet van (mobiele) werktuigen is uitgegaan van een gemiddeld gebruik van mobiele werktuigen bij de sloop van een (bij)gebouwen (tabel 1). In het kader van het initiatief wordt uitsluitend één dag van 8 uur gebruik gemaakt van een minigraver. De overige werkzaamheden worden uitgevoerd door elektrisch aangedreven machines, zoals een elektrische hoogwerker. Elektrisch aangedreven machines hebben geen uitstoot NOx. Voor de inzet van (mobiele) werktuigen is uitgegaan van een gemiddeld gebruik van mobiele werktuigen bij de sloop van de bebouwing (tabel 2).

60

16,82

8

135

0

Totale emissie (kg/j)

100

Adblue verbruik (l/j)

Brandstof verbruik (l/u)*

Diesel

Brandstofve rbruik (l/j)

Belasting (%)

2014

Draaiuren (u/j)

Vermogen (kW)

Minigraver Totaal

Brandstof

Werktuig

Bouwjaar

Tabel 2. Te gebruiken mobiele werktuigen voor de sloop

4,5 4,5

* Op basis van de Emissiefactoren NOx en NH3 uitstoot mobiele machines van de TNO

Ten tijde van de sloopfase vinden ook verkeersbewegingen plaats, onder andere in de vorm van vrachtwagens en busjes. Dagelijks zal personeel (bouwvakkers) de bouwlocatie bezoeken om bouwwerkzaamheden aldaar te verrichten. Er is uitgegaan van 1 bedrijfsbusje per etmaal, dit betreft middelzwaar verkeer. Naar de locatie rijden ook diverse vrachtauto’s voor het aan- en afvoeren van materialen. Er wordt uitgegaan dat op de drukste dag 1 vrachtwagen aanwezig is.

Afbeelding 16. Uitsnede berekening AERIUS Calculator sloopfase

Tijdens de sloopfase is sprake van een toename van 5,0 kg NOx. Dit leidt op basis van AERIUS Calculator niet tot een toename van stikstofdepositie ter plaatse van de Natura2000-gebieden. Er is derhalve geen merkbaar c.q. negatief effect voor wat betreft stikstofdepositie ter plaatse van de Natura2000-gebieden door het initiatief. (ver)bouwfase Initiatiefnemer is voornemens om de woning en aanbouw te renoveren en de vrijstaande schuur te renoveren of te slopen en een nieuwe schuur te realiseren. In het kader van het initiatief is gekeken naar de verbouwing van de woning en de aanbouw en de bouw van een nieuwe schuur. Voor de inzet van (mobiele) werktuigen is uitgegaan van een gemiddeld gebruik van mobiele werktuigen bij de verbouwing van een woning en de bouw van een nieuw bijgebouw (tabel 1). In het kader van het initiatief wordt gebruik gemaakt van de volgende gegevens: ▪ I loader gedurende 2 uur; ▪ 1 graafmachine gedurende 4 uur; ▪ 1 betonstorter gedurende 8 uur; De overige werkzaamheden worden uitgevoerd door elektrisch aangedreven machines, zoals een elektrische hoogwerker. Elektrisch aangedreven machines hebben geen uitstoot NOx.

Vastgesteld

37

16,65 16,82

2 4

33 67

Totaal

emissie (kg/j)

60 60

Adblue verbruik (l/j) Totale

100 100

Brandstofv erbruik (l/j)

Vermogen (kW)

Diesel Diesel

Draaiuren (u/j)

Brandstof

2015 2014

Brandstofv erbruik (l/u)*

Bouwjaar

Loader Graafmachine

Belasting

Werktuig

Tabel 3. Mobiele werktuigen

0 0

1,1 2,2 3,3

* Op basis van de Emissiefactoren NOx en NH3 uitstoot mobiele machines van de TNO

Ten tijde van de bouwfase vinden ook verkeersbewegingen plaats, onder andere in de vorm van vrachtwagens en busjes. Dagelijks zal personeel (bouwvakkers) de bouwlocatie bezoeken om bouwwerkzaamheden aldaar te verrichten. Daarnaast kunnen ook nog overige bezoekers naar de locatie komen. Er is uitgegaan van twee bedrijfsbusjes per etmaal, dit betreft middelzwaar verkeer. Naar de locatie rijden ook diverse vrachtauto’s voor het aan- en afvoeren van materialen en het laden en lossen van materialen ect. Er wordt uitgegaan van één vrachtauto per dag.

Afbeelding 17. Uitsnede berekening AERIUS Calculator (ver)bouwfase

Tijdens de bouwfase is sprake van een toename van 4,0 kg NOx. Dit leidt op basis van AERIUS Calculator niet tot een toename van stikstofdepositie ter plaatse van de Natura2000-gebieden. Er is derhalve geen merkbaar c.q. negatief effect voor wat betreft stikstofdepositie ter plaatse van de Natura2000-gebieden door het initiatief. Gebruiksfase In de bestaande situatie is sprake van een agrarisch bedrijf met bedrijfswoning. In de beoogde situatie is het niet meer mogelijk om de locatie aan te wenden voor agrarische bedrijfsactiviteiten. Daarnaast wordt de bestaande woning omgezet naar een burgerwoning. In de beoogde en bestaande situatie is en blijft sprake van één woning. Er is dan ook geen toename van verkeer van en naar de woning. De enige toename betreft het verkeer van en naar het beroep aan huis. Initiatiefnemer is voornemens om binnen het plangebied een yogastudio te exploiteren. De yogalessen vinden plaats in groepen van maximaal twaalf personen en vinden uitsluitend plaats op afspraak. Het voornemen bestaat om één yogales per dag te geven echter het kan voorkomen dat op één dag twee lessen worden gegeven (zie voor een uitgebreide uitleg paragraaf 5.6 verkeer).

Uitgaande van een worst-case benadering genereert de yogastudio dagelijks 48 verkeersbewegingen, veroorzaakt door 24 voertuigen (elk arriverend voertuig vertrekt weer en genereert dus per saldo 2 verkeersbewegingen). Vanwege het karakter van het initiatief wordt verondersteld dat de voertuigen van en naar de locatie lichte voertuigen betreffen (personenauto’s). Uit de ingevoerde gegevens blijkt dat door de toename van het verkeer de emissie NOx met 1,0 kg/jaar toeneemt vanuit de locatie.

Vastgesteld

38

Afbeelding 18. Uitsnede berekening AERIUS Calculator

Conclusie Door middel van het rekeninstrument AERIUS Calculator wordt de stikstofdepositie op Natura2000-gebieden als gevolg een initiatief berekend. Met de ingevoerde gegevens geeft AERIUS Calculator aan dat er geen sprake is van een toename van stikstofdepositie op omliggende Natura2000 gebieden.

5.4

Water

In deze paragraaf wordt beschreven op welke wijze het waterhuishoudkundig systeem in het plangebied opgebouwd is en hoe rekening is gehouden met de (ruimtelijk) relevante aspecten van (duurzaam) waterbeheer. Een beknopte beschrijving van de kenmerken van het watersysteem kan de benodigde inzicht geven in het functioneren van dit systeem. Het plangebied ligt binnen het beheersgebied van het Waterschap Limburg. In het kader van het beleid van het waterschap dient binnen het plangebied een duurzaam waterhuishoudkundig systeem gerealiseerd te worden. 5.4.1 Beleidskader Relevante beleidstukken op het gebied van water zijn het Waterbeheerplan 2022-2027 van het waterschap, De Provinciale Omgevingsvisie Limburg (POVI), het Nationaal Waterplan, WB21, Nationaal Bestuursakkoord Water en de Europese Kaderrichtlijn Water. Belangrijkste gezamenlijke punt uit deze beleidsstukken is dat water een belangrijk sturend element is in de ruimtelijke ordening. Water legt een ruimteclaim op het landschap waaraan voldaan moet worden. De bekende drietrapsstrategieën zijn leidend: ▪ Vasthouden-bergen-afvoeren (waterkwantiteit); ▪ Voorkomen-scheiden-zuiveren (waterkwaliteit). Tevens wordt thans gewerkt met de trits, hergebruik-bergen-infiltreren-afvoeren. Daarnaast is de Beleidsbrief regenwater en riolering nog relevant.

Hierin staat hoe het best omgegaan kan worden met het hemelwater en het afkoppelen daarvan. Ook hier gelden de driestapsstrategieën. Het waterbeleid in de POVI sluit aan op de Europese Kaderrichtlijn Water en het Nationaal Waterplan. Het provinciaal waterbeleid omvat de volgende strategische doelen: ▪ herstel sponswerking: het voorkomen van wateroverlast en watertekort in het regionale watersysteem, anticiperend op veranderde klimatologische omstandigheden; ▪ herstel van de natte natuur: het bereiken van ecologisch gezonde watersystemen en grondwaterafhankelijk natuur; ▪ schoon water: het bereiken van een goede chemische kwaliteit voor water en sediment; ▪ duurzame watervoorziening: het beschermen van water voor menselijke consumptie, zodanig dat voldoende water van de vereiste kwaliteit via eenvoudige zuiveringstechnieken beschikbaar is; ▪ een veilige Maas: het streven naar een acceptabel risico voor overstromingen in het rivierbed van de Maas.

Vastgesteld

39

Conform de Omgevingsverordening Limburg 2014 maakt het plangebied en omgeving onderdeel uit van een boringsvrije zone. Binnen deze boringsvrije zone is het niet toegestaan om een boorput of bodemenergiesysteem te maken (of te hebben) die dieper zijn dan de bovenkant van de Bovenste Brunssumklei. Daarnaast is het niet toegestaan om werken op of in de bodem uit te voeren waarbij ingrepen worden verricht of stoffen worden gebruikt die de beschermende werking van de Bovenste Brunssumklei kunnen aantasten. Met het initiatief wordt geen boorput of bodemenergiesysteem gerealiseerd. Daarnaast zijn er geen werken op of in de bodem beoogd die de Bovenste Brunssumklei aantasten. 5.4.2 Kenmerken van het watersysteem (huidige situatie) Bodemgesteldheid De bodem binnen het plangebied bestaat uit holtpodzolgronden bestaande uit lemig fijn zand, ooivaaggronden bestaande uit lichte zavel en poldervaaggronden bestaande uit zware zavel. Oppervlaktewater Op de leggerkaarten van Waterschap Limburg is te zien dat binnen het plangebied geen oppervlaktewater ligt. Op 10 meter ten zuiden en 53 meter ten westen van het plangebied stroomt de Rode beek. Dit betreft een primaire watergang van het waterschap. Op basis van de Keur mag binnen een zone van 5 meter van de insteek van deze watergang niet zonder vergunning van het waterschap worden gebouwd.

Het plangebied bevindt zich ruimschoots buiten deze zones. Een vergunning van het waterschap is derhalve niet benodigd. 5.4.3 Water in relatie tot de ontwikkeling (nieuwe situatie) Hemelwater Met onderhavig initiatief wordt een bestaand agrarisch bedrijf gesaneerd en de aanwezige bedrijfswoning wordt omgezet naar een burgerwoning. Een deel van de agrarische bedrijfsbebouwing zal gerenoveerd al dan niet vervangen worden en een deel van de bedrijfsbebouwing zal gesloopt worden. In totaal wordt circa 379 m2 aan bebouwing gesloopt. Gezien het feit dat met het initiatief sprake is van een afname van bebouwing is de locatie waterhuishoudkundig gezien niet relevant. Opgemerkt wordt dat het hemelwater, overeenkomstig de huidige situatie, via de bestaande bebouwing op het maaiveld terecht komt. Op het maaiveld krijgt het hemelwater de mogelijkheid te infiltreren. Dit leidt in de huidige situatie niet tot overlast op het eigen of aangrenzende percelen. Concluderend kan gesteld worden dat door de bestemmingswijziging geen knelpunten ontstaan tussen grondgebruik en de waterhuishouding.

5.5

Archeologie en cultuurhistorie

5.5.1 Archeologie Sinds 1 september 2007 is de Wet op de Archeologische Monumentenzorg in werking getreden. De Wet op de Archeologische Monumentenzorg is de Nederlandse uitwerking van het Verdrag van Malta (1992). De wet is een raamwet die regelt hoe rijk, provincie en gemeente bij hun ruimtelijke plannen rekening moeten houden met het erfgoed in de bodem. Om te kunnen voldoen aan het gestelde in de Wet op de Archeologische Monumentenzorg dienen de gemeenten te beschikken over archeologiebeleid en een archeologische beleidskaart. De raad van de gemeente Roerdalen heeft binnen dit kader op 10 november 2011 de ´Archeologieverordening 2011’ vastgesteld. In deze verordening is het archeologisch beleid voor het gehele gemeentelijke grondgebied geregeld. Aan het beleid is tevens een archeologische verwachtingskaart gekoppeld. Vastgesteld

40

Op deze kaart is te zien aan welke gebieden archeologische waarden en archeologische verwachtingswaarden zijn toegekend. Daarnaast heeft de raad een onderzoekskader vastgesteld. Afhankelijk van de aan de gronden toegekende (verwachtings)waarden wordt hierbij aangegeven in welke gevallen archeologisch onderzoek vereist is.

Afbeelding 19. Uitsnede archeologische beleidskaart gemeente Roerdalen

Op de archeologische beleidskaart is het plangebied gelegen in een gebied met een hoge, middelhoge en lage archeologische verwachtingswaarde. In gebieden met een hoge archeologische verwachting en een middelhoge archeologische verwachting voor natte landschappen dient archeologisch onderzoek plaats te vinden indien het terrein voor een oppervlakte van 1.000 m2 dieper dan 0,4 m verstoord wordt. Voor gebieden met een lage archeologische verwachting zijn geen restricties opgenomen. De gestelde ondergrens wordt met onderhavig initiatief niet overschreden. Derhalve is thans geen archeologisch onderzoek uitgevoerd. Om de archeologische waarde echter te blijven borgen is de vigerende archeologische dubbelbestemming opnieuw voor het plangebied van toepassing verklaard. 5.5.2 Cultuurhistorie Met de komst van de Erfgoedwet is het verplicht om de facetten historische (steden)bouwkunde en historische geografie mee te nemen in de belangenafweging. Hierbij gaat het om zowel beschermde als niet formeel beschermde objecten en structuren. De provincie richt zich op de bescherming van objecten en de bescherming, benutting en ontwikkeling van structuren en ensembles van een grotere schaal.

De bestaande woning is opgenomen in het Monumenten Inventarisatie Project (MIP) van de provincie Limburg. De uit 1923 stammende woning is daarin beschreven als een project in de bouwstijl traditionalisme dat van belang is omdat het een specimen van een bouwtraditie betreft. Bij de renovatie van de woning zal zoveel mogelijk rekening worden gehouden met de karakteristieke elementen van het pand.

5.6

Verkeer en parkeren

Verkeer In de bestaande situatie is sprake van een agrarisch bedrijf met bedrijfswoning. In de beoogde situatie is het niet meer mogelijk om de locatie aan te wenden voor agrarische bedrijfsactiviteiten. Daarnaast wordt de bestaande woning omgezet naar een burgerwoning. In de beoogde en bestaande situatie is en blijft sprake van één woning. Er is dan ook geen toename van verkeer van en naar de woning. De huidige woning is gelegen aan en bereikbaar vanaf de Etsberg. Dit blijft zoals in de huidige situatie in stand. Via de huidige oprit is de woning goed toegankelijk. Ook hier wijzigt niets aan. Vastgesteld

41

De enige toename betreft het verkeer van en naar het beroep aan huis. Initiatiefnemer is voornemens om binnen het plangebied een yogastudio te exploiteren. De yogalessen vinden plaats in groepen van maximaal twaalf personen en vinden uitsluitend plaats op afspraak. Er zal dan ook geen sprake zijn van een grootschalige yogastudio waar mensen zelf kunnen beslissen om yoga te gaan doen, maar juist van een kleine yogastudio waar op afspraak en in kleine groepen lessen kunnen worden gevolgd. De yogalessen zullen verspreid over de week plaats vinden, voornamelijk op doordeweekse dagen. Het voornemen bestaat om één yogales per dag te geven echter het kan voorkomen dat op één dag twee lessen worden gegeven (één in de ochtend en één in de avond). Uitgaande van een worst-case benadering genereert de yogastudio dagelijks 48 verkeersbewegingen, veroorzaakt door 24 voertuigen (elk arriverend voertuig vertrekt weer en genereert dus per saldo 2 verkeersbewegingen). Vanwege het karakter van het initiatief wordt verondersteld dat de voertuigen van en naar de locatie lichte voertuigen betreffen (personenauto’s). De praktijkruimte zal eveneens worden ontsloten middels de Etsberg.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Roerdalen&id=cda46438-3e1f-4c54-bb1d-f564b7b5fd2c