4.2 Ruimtelijke onderbouwing
Tekst van het document
Ruimtelijke onderbouwing realiseren 2 woningen Hoofdstraat Posterholt Gemeente Roerdalen
Ruimtelijke onderbouwing realiseren 2 woningen Hoofdstraat Posterholt Gemeente Roerdalen
Rapportnummer:
P04164
Datum:
9 juni 2021
Opdrachtgever:
Particulier
Projectteam BRO:
HLe
Concept:
april 2021, mei 2021
Definitief:
juni 2021
Bron foto kaft:
BRO
Beknopte inhoud:
Ruimtelijke onderbouwing ten behoeve van de realisatie van twee woningen aan de Hoofdstraat in Posterholt, gemeente Roerdalen.
BRO Hoofdvestiging Bosscheweg 107 5282 WV Boxtel T +31 (0)411 850 400 E info@bro.nl
Inhoudsopgave
pagina
1. INLEIDING 1.1 Aanleiding 1.2 Plangebied 1.3 Vigerend bestemmingsplan 1.4 Leeswijzer
3 3 4 4 5
2. PLANBESCHRIJVING 2.1 Huidige situatie 2.2 Planopzet 2.3 Ruimtelijke effecten
5 6 7 9
3. BELEIDSKADER 3.1 Rijksbeleid
10 10
3.1.1 Nationale Omgevingsvisie (NOVI) 3.1.2 Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) 3.1.3 Regeling algemene regels ruimtelijke ordening (Rarro) 3.1.4 Ladder voor duurzame verstedelijking 3.1.5 Wet milieubeheer 3.2 Provinciaal beleid
10 11 12 12 12 14
3.2.1 Provinciale Omgevingsvisie Limburg 2014 (POL2014) 3.2.2 Omgevingsverordening Limburg 2014 3.2.3 Ontwerp Provinciale Omgevingsvisie (POVI) 3.3 Regionaal beleid
14 15 16 18
3.3.1 Structuurvisie Wonen Midden-Limburg 2018 tot en met 2021 3.4 Gemeentelijk beleid
18 19
3.4.1 Structuurvisie Roerdalen 2030 3.4.2 Beleidsregel compensatie woningbouwinitiatieven gemeente Roerdalen (2019) 3.4.3 Gemeentelijke uitwerking LKM
4. OMGEVINGSASPECTEN 4.1 Bodem
24 24
4.1.1 Algemeen 4.1.2 Toetsing en conclusie 4.2 Geluid
24 24 24
4.2.1 Algemeen 4.2.2 Onderzoek 4.2.3 Conclusie
Inhoudsopgave
19 21 22
24 25 25
1
4.3 Luchtkwaliteit 4.4 Bedrijven en milieuzonering
25 27
4.4.1 Algemeen 4.4.2 Onderzoek 4.4.3 Conclusie 4.5 Geur agrarisch
27 28 28 28
4.5.1 Algemeen 4.5.2 Toetsing en conclusie 4.6 Kabels en leidingen 4.7 Externe veiligheid 4.8 Ecologie
28 29 29 29 30
4.8.1 Algemeen 4.8.2 Onderzoek 4.8.3 Conclusie 4.9 Verkeer en parkeren
30 32 33 33
4.9.1 Verkeer 4.9.2 Parkeren 4.10 Water
33 33 34
4.10.1 Algemeen 4.10.2 Conclusie 4.11 Archeologie en cultuurhistorie
34 35 35
4.11.1 Archeologie 4.11.2 Cultuurhistorie 4.12 Toetsing Besluit m.e.r. / Vormvrije m.e.r.-beoordeling
35 36 37
5. UITVOERBAARHEID 5.1 Economische uitvoerbaarheid
38 38
5.1.1 Kostenverhaal 5.2 Maatschappelijke uitvoerbaarheid
38 38
BIJLAGEN Bijlage 1: AERIUS-berekening stikstofdepositie Bijlage 2: Akoestisch onderzoek wegverkeers- en industrielawaai
Inhoudsopgave
2
1.
INLEIDING 1.1 Aanleiding Het voornemen bestaat om twee grondgebonden levensloopbestendige seniorenwoningen te realiseren aan de Hoofdstraat ong. in Posterholt.
Figuur 1.1: Uitsnede topografische kaart met globale ligging plangebied
De beoogde levensloopbestendige woningen worden gerealiseerd op een locatie waar per abuis een bouwtitel is komen te vervallen. Deze bouwtitel wordt middels een reparatieplan hersteld. Binnen dat nieuwe reparatieplan wordt een bouwvlak opgenomen, zodat ter plaatse weer een bouwtitel van kracht is. Ter plaatse is dan één nieuwbouwwoning toegestaan. Het onderhavige planvoornemen voorziet echter in het toevoegen van twee levensloopbestendige woningen. De extra toe te voegen woning dient conform het gemeentelijk briefadvies separaat in een ruimtelijke onderbouwing planologisch (en milieukundig) gemotiveerd te worden. De gemeente Roerdalen schept dan de mogelijkheid om de bouw van de extra woning mee te laten liften binnen het gemeentelijk reparatieplan. Dit betekent dat in het nieuwe reparatieplan niet één bouwtitel maar twee bouwtitels voor deze locatie worden opgenomen. Volledigheidshalve zijn dus beide woningen in deze ruimtelijke onderbouwing nader beschouwd. Met name ook omdat sprake is van één bouwstroom. Deze onderbouwing zal als bijlage worden toegevoegd aan het reparatieplan.
Hoofdstuk 1
3
1.2 Plangebied Het plangebied is gelegen aan de Hoofdstraat ong. in de kern van Posterholt. Het perceel waarop de woningen zijn voorzien, staat kadastraal bekend als Posterholt, sectie D, nr. 3376.
Figuur 1.2: Luchtfoto met ligging plangebied (rood omlijnd)
1.3 Vigerend bestemmingsplan De locatie ligt in het geldende bestemmingsplan ‘1e herziening Kernen Roerdalen’, zoals vastgelegd op 21 april 2016. Daarnaast is het plan gelegen binnen het facetbestemmingsplan ‘Vervallen bestemmingsplanregeling huisvesting (buitenlandse) werknemers’, zoals vastgesteld op 23 mei 2019. Volgens het bestemmingsplan ‘1e herziening Kernen Roerdalen’ zijn op het plangebied de enkelbestemmingen ‘Wonen’ en ‘Tuin’, alsmede de dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie 4’ gevestigd. Daarnaast liggen op de planlocatie de aanduidingen ‘geluidzone – industrie’ en milieuzone – Roerdalslenk II’. Op grond van de bestemming ‘Wonen’ mogen uitsluitend nieuwe woningen worden opgericht ter plaatse van de aanduiding ‘maximum aantal wooneenheden’. Daarnaast is een hoofdgebouw uitsluitend binnen het bouwvlak toegestaan. Op de beoogde locatie is geen bouwvlak gelegen en ook de aanduiding ontbreekt. Het realiseren van een nieuwe woning is derhalve niet toegestaan. Ter plaatse van de gebiedsaanduiding ‘geluidzone – industrie’ mogen woningen uitsluitend gerealiseerd worden wanneer voldaan wordt aan de geluidsbepalingen, zoals bedoeld in artikel 36.3.2 van
Hoofdstuk 1
4
de planregels. De realisatie van een woning is hierdoor niet zondermeer toegestaan binnen deze geluidzone.
Figuur 1.3: Uitsnede bestemmingsplan ‘1e herziening Kernen Roerdalen’ met ligging planlocatie (rood omlijnd)
1.4 Leeswijzer Na dit inleidende hoofdstuk volgt hoofdstuk 2 waarin een beschrijving van het plan is opgenomen. In hoofdstuk 3 wordt het Rijks-, provinciaal-, regionaal- en gemeentelijk beleid beschreven. In hoofdstuk 4 wordt inzicht gegeven in diverse planologische aspecten die van belang zijn voor het ruimtelijke onderbouwing. Tot slot beschrijft hoofdstuk 5 de uitvoerbaarheid van het plan.
Hoofdstuk 1
5
2.
PLANBESCHRIJVING 2.1 Huidige situatie Het plangebied is gelegen aan de Hoofdstraat tussen de huisnummers 29a en 33. Het plangebied staat kadastraal bekend als Posterholt, sectie D, nr. 3376 en heeft een oppervlakte van circa 533 m2. Het plangebied is gelegen aan de westzijde van de kern Posterholt in de gemeente Roerdalen. Posterholt is een van de zes dorpskernen van deze gemeente.
Figuur 2.1: Luchtfoto locatie plangebied (rode marker) en de omgeving.
Tot in 2001 was op het perceel een boerderij gevestigd. De boerderij, met huisnummer 31, is in juni/juli van 2001 gesloopt.
Figuur 2.2: Foto's oude situatie
Hoofdstuk 2
6
Sinds de sloop is er geen nieuwe bebouwing op het terrein gerealiseerd en is er sprake van een braakliggend terrein. Het plangebied wordt omringd door woningen. Aan de achterzijde / noordzijde van het perceel betreft het aaneengebouwde en vrijstaande woningen aan de Heerbaan. De Hoofdstraat is aan de zuidzijde van het plangebied gelegen. Figuur 2.3 geeft een weergave van het perceel en het straatbeeld aan de Hoofdstraat. Het aanzicht betreft een straat met voornamelijk vrijstaande woningen.
Figuur 2.3: Overzicht situatie Hoofdstraat en het plangebied
2.2 Planopzet Het voornemen bestaat om twee levensbestendige woningen te realiseren. Middels een reparatieplan wordt op de onderhavige planlocatie de bouw van twee woningen mogelijk gemaakt. Er wordt een bouwvlak opgenomen waarbinnen de twee beoogde woningen kunnen worden gerealiseerd.
Hoofdstuk 2
7
Figuur 2.4: Nieuwe situatie
De bouwhoogte van de woningen wordt maximaal 9 meter en de goothoogte wordt maximaal 4 meter. De woningen krijgen een oppervlakte van circa 120 m2. Daarnaast zal achter in de tuin van woning 1 een berging worden gerealiseerd van 5 m 2. Achter woning 2 zal een garage van 21 m 2 worden gerealiseerd. Op de begane grond zullen de woningen voorzien zijn van een badkamer, slaapkamer, toilet, woonkamer en keuken. Op de eerste verdieping komt nog een slaapkamer en optioneel nog een badkamer.
Figuur 2.5: Plattegrond begane grond en eerste verdieping van beide woningen.
Hoofdstuk 2
8
Figuur 2.5 laat zien dat de twee woningen levensloopbestendig zijn. Dit kan worden geconcludeerd op basis van het feit dat alle basisvoorzieningen (slaapkamer, badkamer, keuken) op de begane grond gesitueerd zijn. Het is daarmee uitermate geschikt voor senioren.
2.3 Ruimtelijke effecten Het plangebied bestaat op dit moment uit een braakliggend terrein. Het is gelegen midden in een woongebied. De bouw van twee woningen past daarmee in de omgeving. Daarnaast wordt voor de voorgevel de voortuin voorzien van groen en er is voorzien in parkeren op eigen terrein. De beoogde ontwikkeling van twee levensloopbestendige woningen past zowel ruimtelijk, functioneel als vanuit stedenbouwkundig oogpunt in de omgeving.
Figuur 2.6: Stedenbouwkundig ontwerp
Hoofdstuk 2
9
3.
BELEIDSKADER In dit hoofdstuk wordt het beleidskader dat relevant is voor het plan toegelicht en wordt het plan hieraan getoetst. Er is sprake van een doorwerking van beleid dat is vastgesteld op verschillende niveaus van bestuur.
3.1 Rijksbeleid 3.1.1
Nationale Omgevingsvisie (NOVI)
Op 11 september 2020 heeft het Rijk vooruitlopend op de inwerkingtreding van de Omgevingswet de Nationale Omgevingsvisie (NOVI) vastgesteld. De NOVI omvat een langetermijnvisie op de toekomstige ontwikkeling van de leefomgeving in Nederland. De intentie van het Rijk is om met de NOVI een perspectief te bieden om grote maatschappelijke opgaven aan te pakken. Bij die opgaven kan worden gedacht aan grote en complexe opgaven met betrekking tot klimaatverandering, energietransitie, circulaire economie, bereikbaarheid en woningbouw. Een centraal aspect van de NOVI is de focus op een nieuwe aanpak van vraagstukken in de fysieke leefomgeving. Werken op basis van integraliteit met betrekking tot verschillende vraagstukken in plaats van sectorale aanpakken voor individuele vraagstukken vormt de kern van deze nieuwe aanpak. Het streven naar integraliteit dat onderdeel is van de NOVI valt samen in vier verschillende prioriteiten waartussen een onderscheid wordt gemaakt in de NOVI, te weten: Ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie; Duurzaam economisch groeipotentieel; Sterke en gezonde steden en regio’s; Toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied. Binnen de NOVI worden drie afwegingsprincipes gehanteerd om te komen tot weloverwogen beleidskeuzes. Die zouden moeten helpen bij het afwegen en prioriteren van verschillende belangen en opgaven: 1.
Combinaties van functies gaan voor enkelvoudige functies; 2. Kenmerken en identiteit van een gebied staan centraal; 3. Afwentelen wordt voorkomen. De nationale overheid richt zich in de NOVI op 21 verschillende nationale belangen: 1. Bevorderen van een duurzame ontwikkeling van Nederland als geheel en van alle onderdelen van de fysieke leefomgeving; 2. Realiseren van een goede leefomgevingskwaliteit; 3. Waarborgen en versterken van grensoverschrijdende en internationale relaties; 4. Waarborgen en bevorderen van een gezonde en veilige fysieke leefomgeving; 5. Zorg dragen voor een woningvoorraad die aansluit op de woonbehoeften; 6. Waarborgen en realiseren van een veilig, robuust en duurzaam mobiliteitssysteem;
Hoofdstuk 3
10
7. In stand houden en ontwikkelen van de hoofdinfrastructuur voor mobiliteit; 8. Waarborgen van een goede toegankelijkheid van de leefomgeving; 9. Zorg dragen voor nationale veiligheid en ruimte bieden voor militaire activiteiten; 10. Beperken van klimaatverandering; 11. Realiseren van een betrouwbare, betaalbare en veilige energievoorziening, die in 2050 CO₂-arm is, en de daarbij benodigde hoofdinfrastructuur; 12. Waarborgen van de hoofdinfrastructuur voor transport van stoffen via (buis)leidingen; 13. Realiseren van een toekomstbestendige, circulaire economie; 14. Waarborgen van de waterveiligheid en de klimaatbestendigheid (inclusief vitale infrastructuur voor water en mobiliteit); 15. Waarborgen van een goede waterkwaliteit, duurzame drinkwatervoorziening en voldoende beschikbaarheid van zoetwater; 16. Waarborgen en versterken van een aantrekkelijk ruimtelijk-economisch vestigingsklimaat; 17. Realiseren en behouden van een kwalitatief hoogwaardige digitale connectiviteit; 18. Ontwikkelen van een duurzame voedsel- en agroproductie; 19. Behouden en versterken van cultureel erfgoed en landschappelijke en natuurlijke kwaliteiten van (inter)nationaal belang; 20. Verbeteren en beschermen van natuur en biodiversiteit; 21. Ontwikkelen van een duurzame visserij.
Conclusie Bij de realisatie van het voorliggende initiatief is sprake van een dermate kleinschalige ontwikkeling dat geen nationale belangen in het spel zijn. De beoogde ontwikkeling is dan ook niet in strijd met de nationale belangen zoals verwoord in de Nationale Omgevingsvisie. 3.1.2
Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro)
De AMvB Ruimte wordt in juridische termen aangeduid als het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro). Het besluit is op 30 december 2011 in werking getreden en in de jaren daarna hebben nog diverse wijzigingen plaatsgevonden. In de AMvB Ruimte zijn de nationale belangen die juridische borging vereisen opgenomen. De AMvB Ruimte is gericht op doorwerking van de nationale belangen in bestemmingsplannen. De onderwerpen in het Barro betreffen: Rijksvaarwegen, Project Mainportontwikkeling Rotterdam, Kustfundament, Grote Rivieren, Waddenzee en waddengebied, Defensie, Hoofdwegen en landelijke spoorwegen, Elektriciteitsvoorziening, Buisleidingen van nationaal belang voor vervoer van gevaarlijke stoffen, Natuurnetwerk Nederland, Primaire waterkeringen buiten het kustfundament, IJsselmeergebied (uitbreidingsruimte), Erfgoederen van uitzonderlijke universele waarde en Ruimtereservering parallelle Kaagbaan. Conclusie Het plangebied is niet gelegen in of nabij gebieden waarbinnen de bescherming van nationale belangen is vastgelegd in het Barro of het Rarro. Het plan is niet in strijd met de AMvB Ruimte.
Hoofdstuk 3
11
3.1.3
Regeling algemene regels ruimtelijke ordening (Rarro)
De Rarro is gebaseerd op het Barro. In het Barro is bepaald dat bij ministeriële regeling verschillende militaire terreinen en objecten, hoofdwegen en Nationaal Natuurnetwerk-gebieden worden aangewezen, waar gemeenten bij de vaststelling van bestemmingsplannen rekening mee moeten houden. In het Rarro wordt daar uitvoering aan gegeven. Op dit bestemmingsplan zijn geen belangen uit de Rarro van toepassing. 3.1.4
Ladder voor duurzame verstedelijking
Om zorgvuldig ruimtegebruik te bevorderen is per 1 oktober 2012 de ladder voor duurzame verstedelijking in het Besluit ruimtelijke ordening (artikel 3.1.6 Bro) opgenomen. De ladder ziet op een zorgvuldige afweging en transparante besluitvorming bij alle ruimtelijke en infrastructurele besluiten. De ladder is een motiveringsinstrument dat verplicht moet worden toegepast bij elk ruimtelijk besluit dat een ‘nieuwe stedelijke ontwikkeling’ mogelijk maakt. Wat er onder een nieuwe stedelijke ontwikkeling wordt verstaan, is in artikel 1.1.1 Bro bepaald: “De ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen.” Uit de jurisprudentie komt naar voren dat het wel een nieuwe stedelijke ontwikkeling van enige omvang moet zijn.1 Per 1 juli 2017 is een gewijzigde Ladder in werking getreden.
Hierin is de tekst van de Ladder teruggebracht naar de essentie, namelijk de noodzaak om aan te geven dat de voorgenomen nieuwe stedelijke ontwikkeling voorziet in een behoefte plus een motivering indien de stedelijke ontwikkeling niet binnen bestaand stedelijk gebied kan worden gerealiseerd: “De toelichting bij een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, bevat een beschrijving van de behoefte aan die ontwikkeling, en, indien het bestemmingsplan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien.” (artikel 3.1.6 lid 2 Bro). Conclusie Onderhavig initiatief ziet op het realiseren van twee woningen. Nu er pas vanaf twaalf woningen sprake is van een stedelijke ontwikkeling, is de Ladder voor duurzame verstedelijking op dit initiatief dan ook niet van toepassing. 3.1.5
Wet milieubeheer
In artikel 7.2, lid 1 van de Wet milieubeheer is bepaald dat bij algemene maatregel van bestuur de activiteiten worden aangewezen: a) die belangrijke nadelige gevolgen kunnen hebben voor het milieu; b) ten aanzien waarvan het bevoegd gezag moet beoordelen of zij belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kunnen hebben.
1
O.a. ABRS 1 juni 2016 (ECLI:NL:RVS:2016:1503), ABRS 18 februari 2015 (ECLI:NL:RVS:2015:428) en ABRS 24 augustus 2016 (ECLI:NL:RVS:2016:2319).
Hoofdstuk 3
12
In het Besluit milieueffectrapportage zijn in artikel 2, lid 1 als activiteiten die belangrijke nadelige gevolgen kunnen hebben voor het milieu (en waarvoor op grond van de Wet milieubeheer dus de verplichting geldt om een milieueffectrapportage op te stellen), aangewezen de activiteiten die behoren tot een in onderdeel C van de bijlage bij het Besluit genoemde categorie. In lid 2 van hetzelfde artikel zijn als activiteiten ten aanzien waarvan het bevoegd gezag moet beoordelen of zij belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kunnen hebben (en waarvoor op grond van de Wet milieubeheer dus een m.e.r.-beoordelingsplicht geldt), aangewezen de activiteiten die behoren tot een in onderdeel D van de bijlage bij het Besluit genoemde categorie. In artikel 2, lid 5, aanhef en onder b. van het Besluit milieueffectrapportage, is vastgelegd dat de m.e.r.-beoordelingsplicht ook geldt voor plannen die weliswaar vallen onder een van de in onderdeel D genoemde activiteiten maar waarbij het project valt onder de drempelwaarden zoals genoemd in onderdeel D, indien: 'op grond van selectiecriteria als bedoeld in bijlage III bij de EEG-richtlijn milieueffectbeoordeling niet kan worden uitgesloten dat de activiteit belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kan hebben'.
Conclusie De afweging met betrekking tot de m.e.r.-(beoordelings)plichtigheid van dit initiatief, is opgenomen in paragraaf 4.12.
Hoofdstuk 3
13
3.2 Provinciaal beleid 3.2.1
Provinciale Omgevingsvisie Limburg 2014 (POL2014)
Op 12 december 2014 hebben Provinciale Staten van de provincie Limburg het Provinciaal Omgevingsplan Limburg 2014 (POL2014) vastgesteld. In het POL2014 is onderscheid gemaakt in zeven soorten gebieden, elk met eigen herkenbare kernkwaliteiten. Voor de verschillende zones liggen er heel verschillende opgaven en ontwikkelingsmogelijkheden.
Figuur 3.1: Uitsnede POL2014 met ligging plangebied
Conclusie Het plangebied is gelegen in de zone ‘Overig bebouwd gebied’. De zone ziet op gemengde woon/werkgebieden met voorzieningen, deels met een stedelijk karakter, deels met een dorps karakter. De accenten liggen in dit gebied op (1) transformatie regionale woningvoorraad, (2) bereikbaarheid, (3) balans voorzieningen en detailhandel, (4) stedelijk groen en water en op (5) kwaliteit leefomgeving. Onderhavig initiatief voorziet in het toevoegen van twee woningen binnen overig bebouwd gebied. Tevens draagt het planvoornemen bij aan de kwaliteit van de leefomgeving, omdat invulling wordt gegeven aan een braakliggend terrein binnen een bestaand stedelijke structuur. De beoogde ontwikkeling is dan ook in lijn met de principes, zoals beschreven in het POL 2014.
Hoofdstuk 3
14
3.2.2
Omgevingsverordening Limburg 2014
De provincie Limburg heeft op 12 december 2014 ook de Omgevingsverordening Limburg 2014 vastgesteld. Hierin staan de regels die nodig zijn om het omgevingsbeleid van POL2014 juridische binding te geven. Ladder voor duurzame verstedelijking In de omgevingsverordening is een verwijzing opgenomen naar de Ladder voor duurzame verstedelijking en hierbij is in artikel 2.2.2 van de verordening het navolgende bepaald: 1. Een ruimtelijk plan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, houdt rekening met het bepaalde in artikel 3.1.6, tweede lid, van het Besluit ruimtelijke ordening. 2. Bij een ruimtelijk plan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, worden tevens de mogelijkheden van herbenutting van leegstaande monumentale en beeldbepalende gebouwen, zoals bedoeld in artikel 2.2.3, onderzocht. 3. De toelichting bij het ruimtelijk plan bevat een verantwoording over de wijze waarop invulling is gegeven aan het bepaalde in het eerste en tweede lid. Bestuursafspraken In het Provinciaal Omgevingsplan Limburg 2014 (POL2014) zijn, na een proces van co-creatie, eind 2014 de hoofdlijnen voor de ambities, opgaven, rolopvatting en aanpak vastgesteld door Provinciale Staten. Samen met stakeholders hebben de gemeenten en provincie geconstateerd dat voor diverse thema’s meer uitvoeringsgerichte regionale bestuursafspraken nodig en wenselijk zijn.
Het gaat om 8 thema's: wonen, detailhandel, bedrijventerreinen, kantoren, energie, land- en tuinbouw, vrijetijdseconomie en Nationaal Landschap Zuid-Limburg. De bestuursafspraken maken onderdeel uit van het samenwerkingsmodel gemeenten – Provincie dat de afgelopen jaren op het gebied van omgevingsbeleid is gegroeid. Het POL2014 schetst de ambities, opgaven, aanpak op hoofdlijnen en principes. Het is in co-creatie met de gemeenten tot stand gekomen. De gemeenten nemen vervolgens het stokje over en stellen regionale uitwerkingen op in de vorm van structuurvisies, visies of anderszins. De Provincie is partner in die regioprocessen en faciliteert deze. Vanuit de regierol ziet de provincie toe op de samenhang tussen de aanpak per regio en die in aangrenzende gebieden. Meer specifiek ten aanzien van het thema wonen hebben de bestuursafspraken geresulteerd in de vaststelling van een drietal woonvisies voor respectievelijk Noord-, Midden- en Zuid-Limburg. De gemeente Roerdalen maakt onderdeel uit van de regio Midden-Limburg en binnen deze regio is de ‘Structuurvisie Wonen Midden-Limburg 2018 tot en met 2021’ vastgesteld. In het kader van deze regionale uitwerking zijn in artikel 2.4.2 van de verordening de navolgende bestuursafspraken (per regio) vastgelegd: 1.
Een ruimtelijk plan voor een gebied gelegen in de regio Noord-Limburg voorziet niet in de toevoeging van woningen aan de bestaande voorraad woningen alsmede aan de bestaande planvoorraad woningen anders dan op de wijze zoals beschreven in de door de gemeenteraden vastgestelde Regionale Structuurvisie Wonen Noord-Limburg. 2. Een ruimtelijk plan voor een gebied gelegen in de regio Midden-Limburg voorziet niet in de toevoeging van woningen aan de bestaande voorraad woningen alsmede aan de bestaande planvoorraad woningen anders dan op de wijze zoals beschreven in de door de gemeenteraden vastgestelde Structuurvisie Wonen, Zorg en Woonomgeving Midden-Limburg.
Hoofdstuk 3
15
3. Een ruimtelijk plan voor een gebied gelegen in de regio Zuid-Limburg voorziet niet in de toevoeging van woningen aan de bestaande voorraad woningen alsmede aan de bestaande planvoorraad woningen anders dan op de wijze zoals beschreven in de door de gemeenteraden vastgestelde Regionale Structuurvisie Wonen Zuid-Limburg. 4. Als een ruimtelijk plan niet voldoet aan het gestelde in het eerste, tweede of derde lid , kunnen Gedeputeerde Staten, rekening houdend met het standpunt van het Regionaal Bestuurlijk Overleg, gelegenheid bieden voor maatwerk in afwijking van het bepaalde in die leden. 5. De toelichting bij het ruimtelijke plan voor een gebied gelegen in de regio Noord-Limburg respectievelijk de regio Midden-Limburg respectievelijk de regio Zuid-Limburg, dat betrekking heeft op het toevoegen van woningen aan de bestaande voorraad woningen alsmede aan de bestaande planvoorraad woningen, bevat een verantwoording van de wijze waarop invulling is gegeven aan het bepaalde in het eerste lid respectievelijk het tweede lid respectievelijk het derde lid, dan wel van de wijze waarop invulling is gegeven aan het bepaalde in het vierde lid. 6.
De toelichting bij het ruimtelijk plan bevat tevens een verantwoording van de bijdrage die met de vaststelling van dat ruimtelijk plan wordt geleverd aan de regionale opgave gericht op het terugdringen van de planvoorraad van nog onbenutte bouwmogelijkheden voor woningen en als het vierde lid van toepassing is, van het versterken van de kwalitatieve woningvoorraad. Boringsvrije zone Roerdalslenk II Het is in de boringsvrije zone Roerdalslenk II verboden om een boorput, een bodemenergiesysteem of een aardwarmtesysteem te maken of hebben of de grond te roeren, dieper dan de bovenkant van de Bovenste Brunssumklei. Daarnaast is het verboden om werken op of in de bodem uit te voeren of te doen uitvoeren, waarbij ingrepen worden verricht of stoffen worden gebruikt die de beschermende werking van de Bovenste Brunssumklei kunnen aantasten. Tot slot moet het voornemen tot het maken van een boorput, het aanleggen van een bodemenergiesysteem of het roeren van grond in de Roerdalslenk dieper dan 30 meter (in zone II) tot aan de Bovenste Brunssumklei vier weken tevoren schriftelijk gemeld worden aan gedeputeerde staten. Conclusie In hoofdstuk 3.3 wordt het regionale woonbeleid nader toegelicht en toegepast op onderhavig voornemen. De ladder voor duurzame verstedelijk is besproken in paragraaf 3.1.4. Deze ruimtelijke onderbouwing ziet op het toevoegen van twee woningen.
De ladder voor duurzame verstedelijking moet worden toegepast als er 12 of meer woningen worden toegevoegd. De ladder voor duurzame verstedelijking is derhalve niet van toepassing. De ligging binnen de boringsvrije zone Roerdalslenk II vormt geen belemmering voor het planvoornemen. Er zijn namelijk geen grondboringen van dergelijke diepte voorzien. Voorgenomen ontwikkeling past binnen de Omgevingsverordening Limburg 2014. 3.2.3
Ontwerp Provinciale Omgevingsvisie (POVI)
Met de komst en invoering van de Omgevingswet dient elke provincie haar eigen provinciale omgevingsvisie op te stellen. In de periode 7 september 2020 tot en met 18 oktober 2020 heeft de provincie Limburg een ontwerp provinciale omgevingsvisie ter inzage gelegd: ‘de Provinciale omgevingsvisie Limburg.’ Dit document is een lange termijnvisie, met als doelstelling invulling geven over hoe de provincie Limburg in de periode 2030-2050 op een integrale en toekomstbestendige manier kan door ontwikkelen. De Provinciale Omgevingsvisie Limburg vervangt na vaststelling van deze Omgevingsvisie, het huidige ‘Provinciaal Omgevingsplan Limburg (POL2014).’
Hoofdstuk 3
16
De omgevingsvisie is dynamisch en flexibel, aangezien dit mogelijkheden biedt om het document te actualiseren met het oog op toekomstige veranderingen. De vaststelling van deze omgevingsvisie is beoogd in het eerste kwartaal van 2021. Daarnaast wordt een omgevingsverordening uitgewerkt om het beleid juridisch te verankeren. De inwerkingtreding van de nieuwe Omgevingsverordening is gelijk aan de inwerkingtreding van de Omgevingswet: 1 januari 2022. Tot die tijd blijft de huidige Omgevingsverordening van kracht. Hoofdopgaven In de provinciale omgevingsvisie Limburg zijn een aantal hoofdopgaven te onderscheiden, namelijk: - Het creëren van een aantrekkelijke, sociale, gezonde en veilige omgeving, zowel in het landelijk als in het bebouwde gebied; - Een toekomstbestendige, innovatieve en duurzame economie (inclusief landbouwtransitie); - Klimaatadaptatie en energietransitie. Deze opgaven, die Limburg-breed spelen, dienen met inachtneming van de specifieke eigenschappen die Limburg bezit op een integrale en toekomstbestendige manier te worden geïmplementeerd. Participatie tussen de overheid, de markt en de inwoners van Limburg is hierbij een belangrijk uitgangspunt. In de Provinciale omgevingsvisie Limburg wordt daarnaast een toekomstbeeld van 2030-2050 geschetst.
Inhoud De Omgevingsvisie Limburg bestaat uit twee delen: - Een thematisch deel waarin gedetailleerd wordt ingegaan op de provinciale ambities en opgaven voor de diverse thema’s; - Een gebiedsgericht deel waarin de thema’s op hoofdlijnen verbonden worden op regionale schaal voor de drie regio’s Noord-, Midden en Zuid-Limburg. Wonen en leefomgeving De POVI houdt vast aan een dynamisch en flexibel woonbeleid, de woonbehoeften van de Limburger zijn daarbij leidend. Verder liggen hierin ook mogelijkheden bij te dragen aan klimaat-, energie-, en duurzaamheidsdoelstellingen. Vanuit de wetgeving is de rol van de provincie op dit terrein beperkt. Daarom opereert de provincie, met betrekking tot dit thema, vanuit een agenderende, stimulerende, meesturende en verbindende rol. De POVI is hierbij een op hoofdlijnen richtinggevend kader. Aangezien de toekomst onderhevig zal zijn aan veranderingen, en elke specifieke regio voor een andere aanpak vraagt zijn meer gerichte uitwerkingen in provinciale, regionale en/of gemeentelijke programma’s, agenda’s en instrumenten noodzakelijk. Wonen Op het gebied van wonen wordt er specifiek gekeken naar welke behoeften er zijn. De grootste opgave op korte- en middellange termijn zit in het toekomstgeschikt maken van de verouderde en nietcourante bestaande woningvoorraad.
Uitgangspunten zijn dat deze woningen in eerste instantie levensloopbestendig dienen te worden gemaakt, en daarna ook verduurzaamd. Getalsmatig zijn er voldoende woningen, kwalitatief gezien zijn dit echter niet overal de juiste woningen en de juiste plannen.
Hoofdstuk 3
17
Met name in de middenhuur en sociale huur is er een steeds diverser wordende groep mensen aangewezen op nieuwe woon(zorg)concepten. Verder is er ook speciale aandacht voor de betaalbaarheid van woningen, aangezien kansen voor sommige doelgroepen afnemen door de stijgende prijzen. Een belangrijk instrument om de kwaliteit van het bebouwde gebied op orde te maken is de ladder voor duurzame verstedelijking. Hierdoor wordt de ruimte in bebouwd gebied optimaal benut. Uitgangspunt hierbij is dat leegstaand vastgoed wordt hergebruikt en herbestemd wordt. Wonen is in principe alleen toegestaan in daarvoor bestemde woongebieden, hierop kunnen – tijdelijke – uitzonderingen worden gemaakt in de vorm van een flexibele schil. Conclusie De beoogde woningen wordt gerealiseerd binnen bebouwd gebied en meer specifiek binnen een woongebied. Daarnaast is de woning levensloopbestendig. De onderhavige woningbouwontwikkeling past dan ook binnen de toekomstige Provinciale Omgevingsvisie.
3.3 Regionaal beleid 3.3.1
Structuurvisie Wonen Midden-Limburg 2018 tot en met 2021
Ter uitvoering van de bestuursafspraken tussen provincie en gemeenten is in regionaal verband de ‘Structuurvisie Wonen Midden-Limburg 2018 tot en met 2021’ vastgesteld. In Roerdalen is deze door de raad vastgesteld op 4 juli 2019. De samenwerkende gemeenten in Midden-Limburg (Echt-Susteren, Leudal, Maasgouw, Nederweert, Roerdalen, Roermond en Weert) hebben middels de ‘Structuurvisie Wonen Midden-Limburg 2018 tot en met 2021’ de nota ‘Structuurvisie Wonen, Zorg en Woonomgeving Midden-Limburg’ uit 2014 geactualiseerd. Daartoe is een woningmarktonderzoek uitgevoerd (2018) met ondersteuning van de Provincie Limburg. Binnen de ‘Structuurvisie Wonen Midden-Limburg 2018 tot en met 2021’ worden de leermomenten uit de nota ‘Structuurvisie Wonen, Zorg en Woonomgeving Midden-Limburg’ meegenomen. Daarnaast zijn concrete afspraken gemaakt voor de periode 2018 tot en met 2021 en er wordt een doorkijk gegeven op de verwachte woningbouwbehoefte tot 2030. De structuurvisie geeft richting aan de kwalitatieve en kwantitatieve opgave waar de gemeenten woningbouwprojecten de komende jaren wenselijk vinden en de wijze waarop het aantal woningbouwplannen wordt afgestemd op de behoefte. Dit betekent dat beleidsmatig is vastgelegd hoe de planvoorraad voor woningen wordt afgebouwd. In 2018 zijn de resultaten van het woningbehoefte onderzoek bekend geworden.
Daaruit blijkt dat het aantal huishoudens in de gemeente Roerdalen afneemt. Er moet derhalve terughoudend worden gehandeld ten aanzien van het toevoegen van woningen aan de voorraad en er dient rekening gehouden te worden met de kwaliteit van de toe te voegen woningen. Het onderzoek heeft eveneens opgeleverd dat er behoefte gaat ontstaan aan appartementen met lift en grondgebonden seniorenwoningen, en dat er tegelijkertijd een overschot gaat ontstaan aan vrijstaande woningen, 2 onder 1 kap woningen, rijwoningen en appartementen zonder lift.
Hoofdstuk 3
18
Conclusie Uit het woningbehoefte onderzoek volgt voor de kern Posterholt dat er behoefte bestaat aan appartementen met lift en aan grondgebonden seniorenwoningen. Het voornemen beoogt het laatste type woning. Hiermee is onderhavig initiatief in lijn met de ‘Structuurvisie Wonen Midden-Limburg 2018 tot en met 2021’.
3.4 Gemeentelijk beleid 3.4.1
Structuurvisie Roerdalen 2030
In de ‘Structuurvisie Roerdalen 2030’ (vastgesteld op 20 december 2012) heeft de gemeente Roerdalen de gewenste ruimtelijke structuur voor de komende 10 tot 15 jaar vastgelegd. In de structuurvisie wordt de visie op alle kernen in de gemeente voor de periode tot 2030 beschreven. Het grondgebied van de gemeente Roerdalen bestaat grotendeels uit een bijzonder aantrekkelijk buitengebied. Het Nationaal Park De Meinweg, het Roerdal, het Vlootbeekdal, het Munnichsbos, het Sweeltje en de Linnerheide vormen hierin landschappelijke eenheden van formaat met belangrijke landschappelijke en natuurlijke kwaliteiten. Roerdalen heeft een afwisselend buitengebied waarin besloten bosgebieden, vergezichten en beken elkaar afwisselen. Het aantrekkelijke landschap vormt hiermee een visitekaartje voor de gemeente. Het is van grote waarde voor de woon- en leefomgeving van de eigen burgers, en voor het (recreatief-toeristisch) imago van Roerdalen naar buiten toe. Onderhavig besluitgebied is gelegen binnen het kerkdorp ‘Posterholt’. In de structuurvisie wordt voor de kernen nagestreefd om het eigen karakter van de zes dorpen te behouden. De inwoners voelen zich sterk betrokken bij hun eigen dorp en dat moet zo blijven. Daarnaast kunnen de dorpen zich ontwikkelen op een manier die het beste past bij de specifieke kenmerken van het betreffende dorp.
Ieder dorp doet waar het goed in is, en samen wordt zo binnen Roerdalen een uitgebreid scala aan kwaliteiten en voorzieningen geboden. Hiermee wordt een oplossingsrichting geboden voor teruglopende levensvatbaarheid voor alle voorzieningen in alle dorpen. Structuurvisiekaart Het ruimtelijk raamwerk van Roerdalen, zoals dit in de Nota Bouwstenen is weergegeven, heeft de leidraad gevormd voor de toekomstige ontwikkeling van de gemeente. De uitwerking van het ruimtelijk
Hoofdstuk 3
19
raamwerk is verbeeld op de structuurvisiekaart. Het is belangrijk vast te stellen dat de structuurvisiekaart geen bestemmingsplankaart is en dat deze daardoor geen ontwikkelingen onwrikbaar vastlegt. Het gaat om de hoofdlijnen van beleid, die verder worden uitgewerkt in andere plannen zoals bestemmingsplannen. Op de structuurvisie kaart is de locatie aangewezen als ‘kern’. Zonder een verdere specifieke functie of ontwikkelinrichting.
Figuur 3.2: Uitsnede Structuurvisie Roerdalen 2030
Woonvisie In een landelijke regio als Roerdalen geldt in het algemeen de regel dat zoveel woningen gebouwd mogen worden als nodig is voor de natuurlijke bevolkingsgroei. Het bestaande woningbouwprogramma omvat reeds meer woningen dan is benodigd. Prioriteit krijgt herstructurering van de bestaande woon- en leefomgeving. Belangrijk is verder dat hergebruik van leegstaande woningen voor sloop en nieuwbouw gaat. Daarentegen is sloop en nieuwbouw niet altijd te voorkomen bij het streven naar kwalitatief goede woningen. Verder gaat inbreiding voor uitbreiding, waarbij het ook belangrijk is om voldoende groene ruimtes en ‘lucht in het dorp’ te waarborgen of te ontwikkelen als deze ontbreken. Per saldo is in de dorpen dus meer aandacht nodig voor de kwaliteit van de bestaande woningvoorraad. Deze voldoet als gevolg van een veranderende bevolkingssamenstelling niet geheel meer aan de huidige en toekomstige eisen, terwijl de woonkwaliteit een belangrijke invloed heeft op de leefbaarheid en vitaliteit van de gemeente. De gemeente Roerdalen hanteert derhalve de navolgende spelregels in haar woonvisie: Bouwen voor doelgroepen; De bouw van woningen moet aansluiten op de behoefte van het doelgroepenbeleid per kern. Provinciale/regionale afspraken; De bouw van woningen moet zijn afgestemd op de provinciale/regionale afspraken over woningbouw. Hergebruik gaat boven sloop en nieuwbouw;
Hoofdstuk 3
20
Door hergebruik van leegstaande woningen te laten prevaleren boven de bouw van nieuwe woningen wordt het totale aantal woningen (en dus overcapaciteit) zoveel mogelijk voorkomen. Kwaliteit gaat boven hergebruik; De woonkwaliteit is een belangrijk onderdeel van de leefkwaliteit. Sloop en nieuwbouw is niet altijd te voorkomen bij het streven naar kwalitatief goede woningen. Inbreiding gaat boven uitbreiding; Door uitbreiding van de kernen te vermijden wordt verstening en verrommeling van het landschap voorkomen. Daarnaast kan terugloop van bewoners (en daarmee gepaard gaand de voorzieningen), in de kernen worden beperkt door inbreiding in de kernen de voorkeur te geven.
Conclusie Er is sprake van een verantwoorde stedenbouwkundige inbreiding. In figuur 2.5 is het stedenbouwkundig ontwerp opgenomen. Het definitief stedenbouwkundig ontwerp maakt deel uit van de privaatrechtelijke overeenkomst. Daarnaast passen de woningen binnen de provinciale/regionale afspraken. In paragraaf 3.3.1 zijn de regionale afspraken, zoals opgenomen in de Structuurvisie Wonen Midden-Limburg 2018-2021, nader beschreven. Uit deze paragraaf is gebleken dat er in Posterholt behoefte bestaat aan grondgebonden seniorenwoningen. De woningen passen derhalve binnen de provinciale/regionale afspraken en dit sluit aan bij de behoefte van het doelgroepenbeleid per kern. De financiële bijdrage als bedoeld in het gemeentelijk Kwaliteitsmenu wordt besproken is paragraaf 3.4.3. Er kan derhalve worden geconcludeerd dat het initiatief in lijn is met de Structuurvisie Roerdalen 2030. 3.4.2
Beleidsregel compensatie woningbouwinitiatieven gemeente Roerdalen (2019)
Met het oog op het aanpassen van de woningvoorraad heeft de raad op 12 december 2019 de ‘Beleidsregel compensatie woningbouwinitiatieven gemeente Roerdalen (2019)’ vastgesteld. De beleidsregel is een nadere uitwerking van hetgeen is bepaald in de regionale ‘Structuurvisie Wonen MiddenLimburg 2018-2021’ en is van toepassing op alle woningbouwontwikkelingen die niet zijn opgenomen in de planvoorraadlijst. Conclusie De te repareren bouwtitel valt op de planvoorraadlijst onder de transformatiecontigenten, waardoor er geen sprake is van een toename van de planvoorraad. De realisatie van de extra woning leidt wel tot een toename van de planvoorraad. Aan het initiatief kan daarom uitsluitend medewerking worden verleend wanneer voldaan wordt aan de voorwaarden zoals opgenomen in artikel 4 ‘Nee, tenzij – principe’ van de beleidsregel: 1. De ruimtelijke kwaliteit en locatie moeten akkoord zijn Er is sprake van een inbreidingslocatie en er is sprake van een aanvaardbaar stedenbouwkundig ontwerp. Aan deze voorwaarde wordt derhalve voldaan. 2. De extra woning moet passen in de kwaliteitsenvelop zoals opgenomen in bijlage 5 van de ‘Structuurvisie Wonen Midden-Limburg 2018 – 2021’.
Hoofdstuk 3
21
Uit de kwaliteitsenvelop volgt dat er behoefte bestaat aan de grondgebonden seniorenwoningen. Wel dient aangetoond te worden dat de extra woning voldoet aan de definitie van een grondgebonden seniorenwoning zoals opgenomen in de beleidsregel. Voldoet de woning niet aan de definitie dan is er sprake van een twee-aaneen woning. Aan dit type woning bestaat op basis van de kwaliteitsenvelop in Posterholt geen behoefte. Onderhavig initiatief voldoet aan de definitie van de grondgebonden seniorenwoning. Dit zijn woningen met een bruto vloeroppervlak van maximaal 120 m2 en met maximaal drie kamers (woonkamer én slaapkamers) en alle basisvoorzieningen (slaapkamer, badkamer, keuken) op de begane grond, incl. een evt. inpandige berging. Voor grondgebonden seniorenwoningen bedraagt het compensatiebedrag € 0,- . 3. Het gaat om de toevoeging van maximaal 20 woningen per project Hier wordt aan voldaan. Er worden twee woningen toegevoegd. 4. Compensatie door fysieke onttrekking van een woning dan wel de uitruil met een planologische vastgelegde bouwtitel is niet mogelijk Onderhavige woningen worden gerealiseerd binnen een per abuis vervallen bouwvlak. Aan dit bouwvlak, waarbinnen één woning was toegestaan, wordt een extra woning toegevoegd. Voor wat betreft die extra woning is het niet mogelijk om elders een bouwtitel te schrappen of fysiek een woning te onttrekken.
De initiatiefnemer beschikt namelijk niet over een woning die bijvoorbeeld kan worden gesloopt of een woningbouwtitel die uitgeruild kan worden. 5. Het woningbouwinitiatief voldoet aan minimaal drie van de vijf criteria uit de kwaliteitszeef zoals bedoeld in de ‘Structuurvisie Wonen Midden-Limburg 2018-2021’: a. Er moet sprake zijn van inbreiding; b. Bestaand vastgoed wordt hergebruikt; c. Er moet sprake zijn van een herstructuringslocatie; d. Het plan moet onderscheidend zijn op basis van duurzaamheid; e. Er moet sprake zijn van levensloopbestendig wonen. Op onderhavig voornemen zijn criteria a, d en e van toepassing. Aan criterium a. wordt voldaan. Onderhavig plan vindt plaats binnen stedelijk gebied. Aan criterium d wordt ook voldaan. Het plan is onderscheidend op basis van duurzaamheid. De woningen worden gasloos opgeleverd. Daarnaast worden de woningen uitstekend geïsoleerd en worden ze voorzien van een aanzienlijk aantal zonnepanelen. Hiermee wordt een hoge score behaald in categorie 3 van de BENG berekening. Tevens wordt aan criterium e voldaan aangezien er sprake is van levensloopbestendige woningen. Op grond van artikel 6 van de beleidsregel bedraagt de financiële bijdrage voor de bouw van de geplande woning € 0,-, mits er sprake is van een grondgebonden seniorenwoning. Hiervan is sprake waardoor er geen financiële bijdrage in rekening gebracht zal worden. 3.4.3
Gemeentelijke uitwerking LKM
De provincie verlangt van de Limburgse gemeentes om uitwerking en uitvoering te geven aan het Limburgs Kwaliteitsmenu (LKM). Het LKM is uitgewerkt in een gemeentelijk kwaliteitsmenu voor Roerdalen, dat verankerd is in de gemeentelijke structuurvisie.
Hoofdstuk 3
22
Het LKM stelt voorwaarden aan de gemeentelijke uitwerking. Deze voorwaarden zijn: De gemeente werkt het LKM als gemeentelijk beleid uit en verankert dit in de gemeentelijke structuurvisie. De gemeente respecteert de in het LKM opgenomen drempelwaarden. De gemeente maakt gebruik van een regionale kwaliteitscommissie. De gemeente rapporteert aan de provincie. Grondprincipe van het kwaliteitsmenu is dat bepaalde ontwikkelingen in het buitengebied ter plaatse leiden tot verlies aan omgevingskwaliteit, wat moet worden gecompenseerd door een kwaliteit verbeterende maatregel en/of financiële bijdrage. De provincie verlangt van de Limburgse gemeentes uitwerking en uitvoering te geven aan het Limburgs Kwaliteitsmenu (LKM). Het LKM is uitgewerkt in een gemeentelijk kwaliteitsmenu voor Roerdalen, dat is verankerd in de gemeentelijke structuurvisie. Conclusie In onderhavig plan is in eerste instantie sprake van de reparatie van een vervallen bouwvlak. Binnen dit bouwvlak worden twee woningen gerealiseerd. Omdat er geen extra bouwvlak toegevoegd hoeft te worden voor de realisatie van de ‘extra’ woning, is op de beoogde ontwikkeling het LKM+ niet van toepassing.
Hoofdstuk 3
23
4.
OMGEVINGSASPECTEN In dit hoofdstuk worden de diverse relevante omgevingsaspecten aangehaald en wordt het plan hieraan getoetst.
4.1 Bodem 4.1.1
Algemeen
In het Besluit ruimtelijke ordening (artikel 3.1.6 lid 1 onder d) is bepaald dat voor de uitvoerbaarheid van een plan rekening gehouden moet worden met de bodemgesteldheid in het plangebied. Bij functiewijzigingen dient te worden bepaald of de bodemkwaliteit voldoende is voor de beoogde functie en moet worden bepaald of nader onderzoek en eventueel saneringen noodzakelijk zijn. In de Wet bodembescherming is bepaald dat indien de desbetreffende bodemkwaliteit niet voldoet aan de norm voor de beoogde functie, de grond zodanig dient te worden gesaneerd dat zij kan worden gebruikt door de desbetreffende functie (functiegericht saneren). Nieuwe bestemmingen dienen bij voorkeur op schone grond te worden gerealiseerd. 4.1.2
Toetsing en conclusie
Het gebruik van de grond blijft qua bodemfunctieklasse gelijk. Op dit moment heeft het plangebied reeds de bestemming ‘Wonen’. Gezien het feit dat in onderhavig plan geen (bodem)functiewijziging plaatsvindt en geen vermoeden van een ernstige bodemverontreiniging aanwezig is, wordt in dit kader geen bodemonderzoek noodzakelijk geacht. De bodemkwaliteit wordt verondersteld voldoende goed te zijn voor het beoogde gebruik en vanuit het aspect bodem zijn er derhalve geen belemmeringen ten aanzien van het plan.
4.2 Geluid 4.2.1
Algemeen
Een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling, waarbij sprake is van de realisatie van geluidsgevoelige objecten dient te worden getoetst aan de Wet geluidhinder. In deze wet wordt aangegeven hoe voor een gebied waar een ruimtelijke ontwikkeling plaatsvindt dient te worden omgegaan met geluidhinder als gevolg van wegverkeer, industrie en spoorwegen. Bij een ruimtelijke ontwikkeling waarbij sprake is van de ontwikkeling van geluidsgevoelige objecten binnen een onderzoekszone van een (spoor)weg, dient een onderzoek te worden uitgevoerd naar de geluidsbelasting op deze gebouwen of terreinen. In de Wet geluidhinder (Wgh) is bepaald dat elke weg een onderzoekszone heeft, met uitzondering van woonerven en wegen waar een maximumsnelheid van 30 km/u voor geldt. Bij een ruimtelijke ontwikkeling waarbij sprake is van de ontwikkeling van geluidsgevoelige objecten zoals woningen binnen een dergelijke onderzoekszone, dient een onderzoek te worden uitgevoerd naar de geluidsbelasting op deze gebouwen of terreinen.
Hoofdstuk 4
24
4.2.2
Onderzoek
Door K+ Adviesgroep is een akoestisch onderzoek2 uitgevoerd. Deze is als bijlage aan deze ruimtelijke onderbouwing toegevoegd. Hoofdstraat Er is sprake van een 30 km/h zone, zodat niet hoeft te worden getoetst aan de Wet geluidhinder. In het kader van een goede ruimtelijke ordening is de weg wel meegenomen en zijn de optredende gevelbelastingen beschouwd volgens de systematiek van de Wet geluidhinder. De voorkeursgrenswaarde wordt niet overschreden, zou getoetst worden aan de Wet geluidhinder. De geluidbelasting is ten hoogste 53 dB (excl. art. 110g Wgh). Zou de aftrek gehanteerd mogen worden is de belasting 48 dB (incl. art. 110g), waarmee deze waarde onder de voorkeursgrenswaarde ligt. Heerbaan Er is sprake van een 30 km/h zone, zodat niet hoeft te worden getoetst aan de Wet geluidhinder. In het kader van een goede ruimtelijke ordening is de weg wel meegenomen en zijn de optredende gevelbelastingen beschouwd volgens de systematiek van de Wet geluidhinder. De voorkeursgrenswaarde wordt niet overschreden, zou getoetst worden aan de Wet geluidhinder. De geluidbelasting is ten hoogste 39 dB (excl. art. 110g Wgh). Zou de aftrek gehanteerd mogen worden is de belasting 34 dB (incl. art. 110g), waarmee deze waarde onder de voorkeursgrenswaarde ligt.
Industrieterrein Middenweg Uit het akoestisch onderzoek is gebleken dat de geluidbelasting ten gevolge van het industrieterrein maximaal 48 dB(A) bedraagt. De waarde ligt onder de voorkeursgrenswaarde, waardoor geen hogere grenswaarde aangevraagd hoeft te worden. De Wet geluidhinder legt geen restricties op aan het plan ten gevolge van industrielawaai. Er is sprake van een goed woon- en leefklimaat. 4.2.3
Conclusie
Het aspect ‘Geluid’ vormt geen belemmering voor onderhavig voornemen.
4.3 Luchtkwaliteit Algemeen De hoofdlijnen voor regelgeving rondom luchtkwaliteitseisen zijn beschreven in de Wet milieubeheer (hoofdstuk 5 Wm). Artikel 5.16 Wm (lid 1) geeft weer, onder welke voorwaarden bestuursorganen bepaalde bevoegdheden (uit lid 2) mogen uitoefenen. Als aan minimaal één van de volgende voorwaarden wordt voldaan, vormen luchtkwaliteitseisen in beginsel geen belemmering voor het uitoefenen van de bevoegdheid: a. Er is geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde; b. Een project leidt – al dan niet per saldo – niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit; 2
K+ Adviesgroep, Hoofdstraat ong. te Posterholt Akoestisch onderzoek optredende gevelbelasting, referentienr.: Rm210116aaA0.davh_01_002, d.d. 9 juni 2021
Hoofdstuk 4
25
c. Een project draagt ‘niet in betekenende mate’ (NIBM) bij aan de luchtverontreiniging; d. Een project past binnen het NSL (Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit), of binnen een regionaal programma van maatregelen. Het Besluit NIBM De wet stelt bij een (dreigende) grenswaardenoverschrijding aanvullende eisen en beperkingen voor ruimtelijke plannen die "in betekenende mate" (IBM) leiden tot verslechtering van de luchtkwaliteit. Daarnaast moet uit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening afgewogen worden of het aanvaardbaar is het plan op deze plaats te realiseren. Hierbij speelt de blootstelling aan luchtverontreiniging een rol, ook als het plan "niet in betekenende mate" (NIBM) bijdraagt aan de luchtverontreiniging. Op 1 augustus 2009 is het nationaal samenwerkingsprogramma luchtkwaliteit (NSL) in werking getreden. Hierdoor dient bij plannen die de luchtkwaliteit beïnvloeden niet langer te worden uit gegaan van de normen uit de interim-periode. Nu het NSL in werking is getreden is een project NIBM, als aannemelijk is dat het project een toename van de concentratie veroorzaakt van maximaal 3%. De 3% grens wordt gedefinieerd als 3% van de grenswaarde voor de jaargemiddelde concentratie van fijnstof (PM10) of stikstofdioxide (NO2). Dit komt overeen met 1,2 microgram/m3 voor zowel fijnstof en NO2.
Als de 3% grens voor PM10 of NO2 niet wordt overschreden, dan hoeft geen verdere toetsing aan grenswaarden plaats te vinden. Regeling NIBM Binnen de getalsmatige grenzen van de Regeling NIBM draagt een project altijd niet in betekenende mate bij aan een verslechtering van de luchtkwaliteit. Voor woningen gelden in de Regeling NIBM de volgende getalsmatige grenzen:
Woningen (maximaal)
Minimaal 1 ontsluitingsweg 3%-norm 1500
Minimaal 2 ontsluitingswegen 3%-norm 3000
Bij de voorgenomen ontwikkeling is er slechts sprake van de realisatie van één extra woningen, waarmee binnen het 3% criterium van de NIBM-grens gebleven wordt. De voorgenomen ontwikkeling draagt hierdoor ‘niet in betekenende mate’ (NIBM) bij aan de luchtkwaliteit.
Hoofdstuk 4
26
Achtergrondwaarden In het kader van een goede ruimtelijke ordening dient te worden bezien of de luchtkwaliteit ter plaatse goed genoeg is om een goed woon- en leefmilieu te kunnen waarborgen. Ingevolge de Wet milieubeheer bedraagt de jaargemiddelde grenswaarde voor PM2,5 25 μg/m³ en voor PM10 40 μg/m³. Voor NO2 bedraagt de jaargemiddelde grenswaarde eveneens 40 μg/m³. In het kader van een goede ruimtelijke ordening dient bepaald te worden of de kwaliteit van de lucht ter plaatse goed genoeg is voor de vestiging van de beoogde functie. Volgens de kaarten van het RIVM lag de concentratie PM2,5 in 2020 ter plaatse onder de 10 μg/m³, de concentratie PM10 onder de 18 μg/m³ en de concentratie NO2 tussen de 10 en 15 μg/m³. Volgens de kaarten van het RIVM is de luchtkwaliteit ter plaatse ruimschoots voldoende. Daarnaast zal naar verwachting de luchtkwaliteit in de toekomst nog verder verbeteren door voortschrijdende technologie. Conclusie De luchtkwaliteit ter plaatse is ruim voldoende om te spreken van een goed woon- en leefklimaat. Het initiatief draagt niet in betekenende mate bij aan de verslechtering van de luchtkwaliteit en de eventuele verslechtering heeft niet tot gevolg dat de grenswaarden uit de Wet milieubeheer in het gedrang komen. Vanuit het aspect luchtkwaliteit bestaan er geen belemmeringen ten aanzien van het plan.
4.4 Bedrijven en milieuzonering 4.4.1
Algemeen
Onder milieuzonering wordt verstaan het waar nodig zorgen voor een voldoende ruimtelijke scheiding tussen enerzijds bedrijven of overige milieubelastende functies en anderzijds milieugevoelige functies zoals woningen. Bij de planontwikkeling dient rekening te worden gehouden met milieuzonering om de kwaliteit van het woon- en leefmilieu te handhaven en te bevorderen en daarnaast bedrijven voldoende zekerheid te bieden dat zij hun activiteiten duurzaam binnen aanvaardbare voorwaarden kunnen uitvoeren. Richtafstanden Bij de milieuzonering wordt gebruik gemaakt van de door de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) opgestelde publicatie ‘Bedrijven en milieuzonering’ 3. In de publicatie is een lijst opgenomen met bedrijfstypen. Voor de bedrijfstypen zijn indicatieve (richt)afstanden bepaald voor de milieuaspecten geur, stof, geluid en gevaar. De richtafstanden vormen een indicatie van de aanvaardbaarheid in de situatie dat gevoelige functies in de nabijheid van milieubelastende functies worden gesitueerd. Indien bekend is welke activiteiten concreet worden beoogd of aanwezig zijn, kan gemotiveerd worden uitgegaan van de daadwerkelijk te verwachten milieubelasting (in plaats van de richtafstanden).
Omgevingstype De richtafstanden zijn afgestemd op de omgevingskwaliteit zoals die wordt nagestreefd in een rustige woonwijk of een vergelijkbaar omgevingstype (zoals een rustig buitengebied, een stiltegebied of een natuurgebied). Een rustige woonwijk is een woonwijk die is ingericht volgens het principe van functie-
3
‘Bedrijven en Milieuzonering’, Uitgave VNG, Den Haag, 2009.
Hoofdstuk 4
27
scheiding. Afgezien van wijkgebonden voorzieningen komen vrijwel geen andere functies (zoals bedrijven en kantoren) voor. Binnen gemengde gebieden heeft men te maken met milieubelastende en milieugevoelige functies die op korte afstand van elkaar zijn gesitueerd. Direct naast woningen komen andere functies voor zoals winkels, horeca en kleine bedrijven. Voorbeelden van gebieden met functiemenging zijn horecaconcentratiegebieden, stadscentra, winkelcentra en winkelgebieden van dorpskernen, woon-werkgebieden met kleinschalige ambachtelijke bedrijvigheid, gebieden langs stadstoegangswegen met meerdere functies en lintbebouwing in het buitengebied met veel agrarische en andere bedrijvigheid. 4.4.2
Onderzoek
Op circa 60 meter van het plangebied is het gezoneerde industrieterrein Middenweg gelegen. Gelet op de afstand heeft een onderzoek industrielawaai plaatsgevonden. Voor dit onderzoek wordt verwezen naar paragraaf 4.2.2. Op meer dan 50 meter afstand van de planlocatie is een tenniscomplex gelegen aan de Heerbaan. Volgens de VNG brochure geldt voor tennisbanen (met verlichting) een maximale richtafstand van 50 meter. Hiermee wordt voldaan aan de richtafstand van geluid voor tennisbanen. 4.4.3
Conclusie
Vanuit het aspect ‘Bedrijven en Milieuzonering’ bestaan geen belemmeringen voor het planvoornemen.
4.5 Geur agrarisch 4.5.1
Algemeen
Voor veehouderijen is de regelgeving ten aanzien van het specifieke aspect geur vastgelegd in de Wet geurhinder en veehouderij (Wgv). Bij nieuwe planologische projecten in het kader van de Wet ruimtelijke ordening dient te worden gekeken naar de aanvaardbaarheid van deze plannen in verband met omliggende geurbronnen, de zogenaamde omgekeerde werking. In de Wgv zijn voor verschillende dieren geuremissienormen opgenomen die de maximale geurbelasting op een gevoelig object bepalen. Als de geuremissie van een dier niet bekend is, stelt de wet minimumafstanden tussen een veehouderij en een geurgevoelig object. Als die geuremissie wel bekend is, dan moet de geurbelasting worden berekend .De emissie van geurstoffen uit een veehouderijbedrijf wordt uitgedrukt in geureenheden. De berekende geurbelasting wordt getoetst aan de norm (de maximale belasting die het bedrijf mag veroorzaken). Gemeenten mogen, binnen bepaalde bandbreedten, van deze wettelijke normen afwijken als er een gebiedsvisie is opgesteld en een geurverordening is vastgesteld. Op 17 december 2009 heeft de gemeenteraad van Roerdalen de verordening Wet geurhinder en veehouderij vastgesteld.
Hoofdstuk 4
28
4.5.2
Toetsing en conclusie
Onderhavig initiatief maakt geen veehouderij mogelijk. Het plangebied is tevens niet gelegen binnen de geurcirkel van veehouderijen. Vanuit het aspect geurhinder en veehouderijen bestaan er geen belemmeringen tegen het planvoornemen.
4.6 Kabels en leidingen Door het plangebied lopen geen boven- en/of ondergrondse leidingen. Er is op dat gebied derhalve geen sprake van bijbehorende (planologische) beschermingszones en/of belangen van derden op dit punt.
4.7 Externe veiligheid Algemeen Externe veiligheid beschrijft de risico's die ontstaan als gevolg van de opslag van of handelingen met gevaarlijke stoffen. Dit kan betrekking hebben op inrichtingen (bedrijven) of transportroutes. Op beide categorieën is landelijke wet- en regelgeving van toepassing. In de landelijke wet- en regelgeving zijn kwaliteitseisen en normen op het gebied van externe veiligheid geformuleerd. Doel is om bepaalde risico's, waaraan burgers in hun leefomgeving worden blootgesteld, tot een aanvaardbaar minimum te beperken. Deze bedoelde risico's hangen vooral samen met: activiteiten met gevaarlijke stoffen in inrichtingen; transport van gevaarlijke stoffen door buisleidingen; transport van gevaarlijke stoffen over de weg, het spoor en het water. Ook zijn er onder meer landelijke regels voor de opslag en verkoop van vuurwerk. Verder wordt bij de plaatsing van windmolens ook de externe veiligheid in ogenschouw genomen. De risico's voor externe veiligheid komen tot uitdrukking via het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Het plaatsgebonden risico kan op de kaart worden weergeven met zogeheten risicocontouren: lijnen die punten verbinden met eenzelfde plaatsgebonden risico. Via het plaatsgebonden risico wordt een basisbeschermingsniveau gewaarborgd.
Bij het groepsrisico wordt wel beoordeeld hoeveel personen zich, redelijkerwijs, feitelijk in de omgeving kunnen bevinden. Voor het groepsrisico geldt geen grenswaarde, maar een oriëntatiewaarde. Dit is een ijkwaarde waaraan veranderingen getoetst kunnen worden. Deze oriëntatiewaarde mag overschreden worden, mits goed beargumenteerd door het bevoegd gezag. Samen met de hoogte van groepsrisico moet andere kwalitatieve aspecten worden meegewogen in de beoordeling van het groepsrisico. Onder deze aspecten vallen zelfredzaamheid en bestrijdbaarheid. Deze argumentatie is een onderdeel van de verantwoording van het groepsrisico. Onderdeel van deze verantwoording is overleg met (advies vragen aan) de regionale brandweer. Het plaatsgebonden risico (PR) is de kans, per jaar, op overlijden van een onbeschermd individu ten gevolge van ongevallen met gevaarlijke stoffen. De aanwezigheid van een persoon is fictief. Niet wordt beoordeeld hoe groot de kans op de aanwezigheid van een persoon feitelijk is.
Hoofdstuk 4
29
Het groepsrisico (GR) is een maat voor de kans per jaar dat een groep van bijvoorbeeld 10, 100 of 1000 personen het slachtoffer wordt van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Het groepsrisico wordt ook beschouwd als een maat voor de maatschappelijke ontwrichting.
Toetsing Risicovolle inrichtingen Op circa 400 meter, aan de Roermondseweg 16, is een autobedrijf gevestigd met een vul- en afleverpunt voor LPG. De te hanteren risicoafstand reikt het plangebied niet en vormt derhalve geen belemmering voor onderhavig plan. Risicovol transport over (spoor- en water)wegen Het plangebied is op circa 400 meter afstand gelegen van de N293 (Karkenerweg). Over de N293 vindt transport van gevaarlijke stoffen plaats (categorie LF1, LF2 en GF3). Het transport van deze stoffen levert geen PR 10-6 contour op voor de transportroute. Gelet op het beperkte hoeveelheden transport van brandbaar gas en de aanwezige objecten in het invloedsgebied zal het groepsrisico minimaal zijn. Het transport van gevaarlijke stoffen over de N293 levert dan ook geen belemmering op voor onderhavig planvoornemen. Risicovol transport buisleiding Binnen 1.000 meter afstand van het plangebied is geen buisleiding aanwezig met risicovol transport. Conclusie Het aspect externe veiligheid vormt geen belemmering voor onderhavig planvoornemen.