CConstaterende datRoerdalen
Koppel je AI →
Document · PDF

3. Toelichting

Raadsadviescommissie 29 augustus 2023, gemeente RoerdalenBij agendapunt: Vaststelling bestemmingsplan 'Het Brombemke te Sint Odiliënberg'19.331 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

Aangezien de Schaapsweg als 30-km weg buiten de toetsing van de Wgh valt, is het aanvragen van hogere grenswaarde niet mogelijk. Wel dient aangetoond te worden dat binnen de woningen sprake zal zijn van een aanvaardbaar woonen leefklimaat. In het kader van een goede ruimtelijke ordening wordt geadviseerd in een nader onderzoek naar de geluidwering van de buitengevels in het kader van het Bouwbesluit, aan te tonen dat het binnenniveau gewaarborgd blijft. Deze geluidbelasting kan als uitgangspunt dienen voor de berekening van de noodzakelijke geluidwering. Alle woningen beschikken over een geluidluwe achtergevel. Een goed woon- en leefklimaat in de tuinen is daarmee eveneens gegarandeerd. Om een goed woon- en leefklimaat te kunnen waarborgen wordt conform het Bouwbesluit een binnenniveau van 33 dB voor nieuwbouwwoningen aangeraden bij wegverkeer. De geluidwering dient hierbij aan maximaal 55 - 33 = 22 te bedragen ter plaatse van toetspunt T13. Conform opgave worden de toekomstige woningen zonder dauerluft uitgevoerd. De geluidwering kan daarmee met ‘standaard’ bouwmaterialen van huidige stand der techniek, ruimschoots voldoen aan de gestelde eisen van het Bouwbesluit.

5

M-tech, Akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai ingevolge de Wet geluidhinder in het kader van een bestemmingsplanwijziging voor de projectlocatie ‘t Sittert te St. Odiliënberg (gemeente Roerdalen), rapportnummer Bro.StO.21.AO BP-02, d.d. 17 mei 2022.

Hoofdstuk 4

35

Conclusie Vanuit het aspect ‘geluidhinder’ bestaan er geen belemmeringen voor onderhavige ontwikkeling. 4.1.3

Luchtkwaliteit

Algemeen Sinds 15 november 2007 is de Wet luchtkwaliteit in werking getreden en staan de hoofdlijnen voor regelgeving rondom luchtkwaliteitseisen beschreven in de Wet milieubeheer (hoofdstuk 5 Wm). Artikel 5.16 Wm (lid 1) geeft weer, onder welke voorwaarden bestuursorganen bepaalde bevoegdheden (uit lid 2) mogen uitoefenen. Als aan minimaal één van de volgende voorwaarden wordt voldaan, vormen luchtkwaliteitseisen in het beginsel geen belemmering voor het uitoefenen van de bevoegdheid; a) Er is geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde. b) Een project leidt – al dan niet per saldo – niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit. c) Een project draagt ‘niet in betekenende mate’ (NIBM) bij aan de luchtverontreiniging. d) Een project past binnen het NSL (Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit), of binnen een regionaal programma van maatregelen. Het Besluit NIBM De wet stelt bij een (dreigende) grenswaardenoverschrijding aanvullende eisen en beperkingen voor ruimtelijke plannen die "in betekenende mate" (IBM) leiden tot verslechtering van de luchtkwaliteit. Daarnaast moet uit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening afgewogen worden of het aanvaardbaar is het plan op deze plaats te realiseren.

Hierbij speelt de blootstelling aan luchtverontreiniging een rol, ook als het plan "niet in betekende mate" (NIBM) bijdraagt aan de luchtverontreiniging. Op 1 augustus 2009 is het nationaal samenwerkingsprogramma luchtkwaliteit (NSL) in werking getreden. Hierdoor dient bij plannen die de luchtkwaliteit beïnvloeden niet langer te worden uit gegaan van de normen uit de interim-periode. Nu het NSL in werking is getreden is een project NIBM, als aannemelijk is dat het project een toename van de concentratie veroorzaakt van maximaal 3%. De 3% grens wordt gedefinieerd als 3% van de grenswaarde voor de jaargemiddelde concentratie van fijnstof (PM10) of stikstofdioxide (NO2). Dit komt overeen met 1,2 microgram/m3 voor zowel fijnstof en NO2. Als de 3% grens voor PM10 of NO2 niet wordt overschreden, dan hoeft geen verdere toetsing aan grenswaarden plaats te vinden. Regeling NIBM Binnen de getalsmatige grenzen van de Regeling NIBM draagt een project altijd niet in betekenende mate bij aan een verslechtering van de luchtkwaliteit. Voor woningen gelden in de Regeling NIBM de volgende getalsmatige grenzen:

Woningen (maximaal)

Hoofdstuk 4

Minimaal 1 ontsluitingsweg 3%-norm 1500

minimaal 2 ontsluitingsweg 3%-norm 3000

36

Bij de voorgenomen ontwikkeling is er slechts sprake van zestien wooneenheden, waarmee binnen het 3% criterium van de NIBM-grens gebleven wordt. De voorgenomen ontwikkeling draagt hierdoor ‘niet in betekenende mate’ (NIBM) bij aan de luchtkwaliteit. Achtergronden In het kader van een goede ruimtelijke ordening dient te worden bezien of de luchtkwaliteit ter plaatse goed genoeg is om een goed woon- en leefmilieu te kunnen waarborgen. Volgens de kaarten van het planbureau voor de leefomgeving bedraagt de concentratie PM 10 ter plaatse tussen de 16 en 18 µg/m³, de concentratie PM2,5 tussen 10 en 12 µg/m³ en de concentratie NO2 tussen 13 en 15 µg/m³. In de Wet milieubeheer is de jaargemiddelde grenswaarde voor PM10 en NO2 40 µg/m³ en is de jaar gemiddelde grenswaarde voor PM2,5 25 µg/m³. Volgens de kaarten van het planbureau voor de leefomgeving is de luchtkwaliteit ter plaatse dus goed te noemen. Conclusie De voorgenomen ontwikkeling heeft geen significant negatieve invloed op de luchtkwaliteit. Vanuit het aspect luchtkwaliteit bestaan er geen belemmeringen voor de voorgenomen ontwikkeling. 4.1.4

Externe veiligheid

Het beleid voor externe veiligheid is gericht op het beperken en beheersen van risico’s voor de omgeving vanwege handelingen met gevaarlijke stoffen. De handelingen kunnen zowel betrekking hebben op het gebruik, de opslag en de productie, als op het transport van gevaarlijke stoffen. Beleid Uit het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi), het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) en het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) vloeit de verplichting voort om in ruimtelijke plannen in te gaan op de risico’s in het plangebied ten gevolge van handelingen met gevaarlijke stoffen. De risico’s dienen te worden beoordeeld op twee maatstaven, te weten het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Verder is op 1 april 2015 het Basisnet in werking getreden. De Wet Basisnet voegt een nieuw hoofdstuk toe aan de Wet vervoer gevaarlijke stoffen. Deze toevoeging omvat regels voor het vaststellen van het maximaal toegestane risico door het vervoer van gevaarlijke stoffen. Plaatsgebonden risico Het plaatsgebonden risico beschrijft de kans per jaar dat een onbeschermd individu komt te overlijden door een ongeval met gevaarlijke stoffen. Het plaatsgebonden risico wordt uitgedrukt in risicocontouren rondom de risicobron (bedrijf, weg, spoorlijn etc.), waarbij de 10-6 contour (kans van 1 op 1 miljoen op overlijden) de maatgevende grenswaarde is.

Groepsrisico Het groepsrisico beschrijft de kans dat een groep van 10 of meer personen gelijktijdig komt te overlijden ten gevolge van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Het groepsrisico geeft een indicatie van de maatschappelijke ontwrichting in geval van een ramp. Het groepsrisico wordt uitgedrukt in een grafiek, het overlijden van een bepaalde groep (bijvoorbeeld 10, 100 of 1000 personen) wordt afgezet tegen

Hoofdstuk 4

37

de kans daarop. Voor het groepsrisico geldt de oriëntatiewaarde als ijkpunt in de verantwoording (géén norm). Toetsing Inrichtingen In de omgeving rond het plangebied zijn geen risicovolle inrichtingen gelegen die een belemmering kunnen vormen voor de voorgenomen ontwikkeling. De meest dichtbij gelegen inrichting betreft een bedrijf met een bovengrondse propaantank aan Het Sittert. Deze inrichting ligt op ruim 230 meter ten zuiden van de locatie. De plaatsgebonden risicocontour 10-6 van deze tank is 25 meter en reikt hiermee niet tot het plangebied. Gezien de grote tussenliggende afstand ligt de locatie niet binnen het invloedsgebied van deze inrichting. Voor het overige zijn er in de omgeving geen risicovolle inrichtingen aanwezig die een belemmering kunnen vormen voor dit plan. Risicovol transport over wegen Op circa 570 meter ten oosten van het plangebied vindt vervoer van gevaarlijke stoffen plaats over de N293. De plaatsgebonden risicocontour 10-6 van deze weg bedraagt 0 meter en het groepsrisico is kleiner dan 0,1 maal de oriëntatiewaarde. De ligging ten opzichte van deze weg levert daarom geen belemmeringen op. Gezien de beperkte mate waarin vervoer van gevaarlijke stoffen plaatsvindt over de N293, in combinatie met de grote tussenliggende afstand, ligt het plangebied ook niet binnen het invloedsgebied van deze weg.

Risicovol transport over spoor- en vaarwegen In de wijde omgeving rond het plangebied zijn geen spoor- of vaarwegen gelegen waarover risicovol transport plaatsvindt. Vanuit dit kader zijn er dan ook geen belemmeringen. Risicovol transport door buisleidingen Op circa 730 meter ten zuiden van het plangebied vindt transport van aardgas door twee buisleidingen plaats. Deze leidingen maken deel uit van de transportroute A-520 en hebben een 1% letaliteitsgrens van 310 meter. Het plangebied ligt hierdoor buiten het invloedsgebied van de aardgasleidingen. Conclusie Het aspect externe veiligheid vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling. 4.1.5

Milieuzonering

Algemeen Goede ruimtelijke ordening voorziet in het voorkómen van hinder en gevaar. Door bij nieuwe ontwikkelingen voldoende afstand in acht te nemen tussen milieubelastende activiteiten (zoals bedrijven) en gevoelige functies (zoals woningen) kan goede ruimtelijke ordening gerealiseerd worden. Het is aan de ene kant zaak om te voorkomen dat er hinder en gevaar voor gevoelige bestemmingen ontstaat en aan de andere kant dient aan bedrijven voldoende zekerheid te worden geboden dat zij niet in hun activiteiten worden beperkt door nieuwe gevoelige functies. Om te bepalen of tussen de milieubelas-

Hoofdstuk 4

38

tende activiteiten en de gevoelige functies voldoende afstand in acht wordt genomen, is gebruik gemaakt van de VNG-publicatie ‘Bedrijven en milieuzonering’ uit 2009. In deze publicatie worden de richtafstanden gegeven voor de vier ruimtelijk relevante milieuaspecten geur, stof, geluid en gevaar. In de onderstaande tabel zijn de richtafstanden van milieucategorie 1 tot en met 3.2 weergegeven, zoals deze gelden voor een rustige woonwijk en voor een gemengd gebied. Milieucategorie

Richtafstand tot gevoelige functies in

Richtafstand tot gevoelige

een rustige woonwijk

functies in gemengd gebied

1

10 meter

0 meter

2

30 meter

10 meter

3.1

50 meter

30 meter

3.2

100 meter

50 meter

Toetsing In dit geval dient te worden uitgegaan van het omgevingstype ‘gemengd gebied’ vanwege de ligging in de nabijheid van bestaande bedrijven. De beoogde zestienwoningen zijn geen functies die volgens de (indicatieve) brochure ‘Bedrijven en Milieuzonering’ gezoneerd dienen te worden ten opzichte van milieugevoelige functies in de omgeving. De wooneenheden betreffen daarentegen wel milieugevoelige functies. Medewerking aan het planvoornemen is pas mogelijk indien blijkt dat een goed woon- en leefklimaat in de zelfstandige woonruimte gegarandeerd is en de nieuwe woonfunctie bedrijven in de omgeving niet in hun activiteiten frustreert. In de navolgende tabel zijn de bedrijven met de van toepassing zijnde richtafstanden in een gemengd gebied weergegeven. Tevens is aangegeven wat de afstand is van de perceelsgrens van deze bedrijven tot aan de plangrens van onderhavig plangebied. Adres

Functie

Categorie

Richtafstanden in gemengd gebied (m)

Afstand tot plangebied (m)

Schaapsweg 36

Notariskantoor

1

0

12

’t Sittert 2

Bedrijf in ramen en deuren

2

10

10

’t Sittert 4

Installatiebedrijf

2

10

10

’t Sittert 6

Aannemersbedrijf

3.1

30

10

’t Sittert 10

Carwash

2

10

74

’t Sittert 12-14

Autogaragebedrijf

2

10

74

Hoofdstuk 4

39

Schaapsweg 36 Notariskantoor (milieucategorie 1) Dit betreft een kantoor. De richtafstanden voor dit bedrijf zijn; Geur: 0 meter, Stof: 0 meter, Geluid: 10 meter en Gevaar: 0 meter. In een gemengd gebied bedraagt de richtafstand 0 meter. Er wordt aan alle richtafstanden voldaan. ’t Sittert 2 Bedrijf in ramen en deuren (milieucategorie 2) Dit bedrijf betreft een kleine werkplaats die wat verder op het perceel is gesitueerd. De richtafstanden voor dit bedrijf zijn; Geur: 0 meter, Stof: 10 meter, Geluid: 30 meter en Gevaar: 10 meter. In een gemengd gebied bedraagt de richtafstand 10 meter. Er wordt aan alle richtafstanden voldaan. ’t Sittert 4 Installatiebedrijf (milieucategorie 2) Een dergelijk bedrijf is vergelijkbaar met de categorie ‘werkplaat kleiner dan 1.000 m 2. De richtafstanden voor dit bedrijf zijn; Geur: 0 meter, Stof: 10 meter, Geluid: 30 meter en Gevaar: 10 meter. In een gemengd gebied bedraagt de richtafstand 10 meter. Er wordt aan alle richtafstanden voldaan. ’t Sittert 6 Aannemersbedrijf (milieucategorie 3.1) Het bedrijf heeft een werkplaats kleiner dan 1.000 m 2 (circa 630 m2). De richtafstanden voor dit bedrijf zijn; Geur: 0 meter, Stof: 10 meter, Geluid: 50 meter en Gevaar: 10 meter. In een gemengd gebied bedraagt de richtafstand 30 meter. Aan de richtafstanden van geur, stof en gevaar wordt voldaan.

Er wordt niet voldaan aan de richtafstand van geluid, omdat enkele woningen binnen de richtafstand van 30 meter zijn gelegen. ’t Sittert 10 Carwash (milieucategorie 2) Voor een autowasserij gelden de volgende richtafstanden: Geur: 10 meter, Stof: 0 meter, Geluid: 30 meter en Gevaar: 0 meter. In een gemengd gebied bedraagt de richtafstand 10 meter. Er wordt aan alle richtafstanden voldaan. 't Sittert 12-14 Autogaragebedrijf (milieucategorie 2) Voor een autogarage gelden de volgende richtafstanden: Geur: 10 meter, Stof: 0 meter, Geluid: 30 meter en Gevaar: 10 meter. In een gemengd gebied bedraagt de richtafstand 10 meter. Er wordt aan alle richtafstanden voldaan. Uit het voorgaande volgt dat voor wat betreft de aspecten geur, stof en gevaar in alle gevallen wordt voldaan aan de richtafstanden. Voor wat betreft het aspect geluid zijn enkele woningen gelegen binnen de richtafstand (30 meter) van het installatiebedrijf aan ’t Sittert 6. Derhalve is alleen onderzoek verricht naar het aspect geluid.6 Hierbij is tevens gekeken naar piekgeluiden in verband met parkeren in relatie tot de reeds bestaande woningen aan de Jezuïetenstraat.

6

M-Tech, Notitie akoestisch onderzoek ’t Brombemke te Sint Odiliënberg, d.d. 12 oktober 2022

Hoofdstuk 4

40

Het volledige rapport is als bijlage toegevoegd. Hierna wordt volstaan met een korte samenvatting. Resultaten langtijdgemiddelde bestaande inrichtingen op beoogde woningen (omgekeerde werking) Uit de berekening blijkt dat de berekende geluidbelasting van de bestaande inrichtingen ter plaatse van de beoogde woningen maximaal 50 dB(A) bedraagt. Hiermee kan voldaan worden aan de gestelde eisen. Piekgeluiden ten gevolge van bestaande inrichtingen op beoogde nieuwbouw (omgekeerde werking) Het doel van dit onderzoek is het inzichtelijk maken van de gevolgen van piekgeluiden van parkeren ter plaatse van de bestaande inrichtingen op de nieuwe ontwikkeling. Uit het onderzoek volgt dat een tuinmuur nodig is om te kunnen voldoen aan piekniveau’s in de nachtperiode, met dien verstande dat alleen bij toetspunt T01 niet kan worden voldaan aan de gestelde eis van 60 dB(A) voor piekgeluiden in de nachtperiode. Dit is echter de tuin en uitgaande van een minimale geluidwering conform Bouwbesluit van 20dB, wordt binnen in de woning wel ruimschoots voldaan aan de grenswaarde van 55/50/45 (dag/avond/nacht).

T01

Piekgeluiden van beoogde ontwikkeling op bestaande bebouwing. (LAMAX) In het kader van een goede ruimtelijke ordening zijn ten behoeve van het beoogde nieuwbouwplan, de piekgeluiden inzichtelijk gemaakt. Hierin zijn piekgeluiden van parkeren ter plaatse van de beoogde woningen op de bestaande woningen aan de Jezuïetenstraat beoordeeld. Bij de berekening is rekening gehouden met een tuinmuur van 2 meter hoog tussen de parkeerplaats en de bestaande tuinen van de woningen aan de Jezuïetenstraat.

Hoofdstuk 4

41

Voor het gemiddelde niveau van parkeren ter plaatse van de nieuwe woningen, is worst case uitgegaan 2 personenauto’s per woning. Uit de berekeningsresultaten blijkt dat het gemiddelde beoordelingsniveau ruimschoots voldoet aan de gestelde eis van 50dB(A) etmaalwaarde. Uitgaande van een geluidwerende voorziening ter hoogte van de bestaande woonpercelen aan de Jezuïetenstraat, kadastraal bekend als sectie c, nrs. 4195 t/m 4199, wordt voldaan aan de van toepassing zijnde geluidnormen. Het benodigde geluidscherm is weergeven op de navolgende situatie.

Conclusie Uit het akoestisch onderzoek industrielawaai volgt een aantal overschrijdingen. Door het treffen van voorzieningen kunnen belemmeringen worden weggenomen. Ter plaatse van kavel 1 (toetspunten T01 en T02) en ter plaatse van de bestaande woningen aan de Jezuïetenstraat, kadastraal bekend als sectie C nrs. 4195 t/m 4199, wordt een geluidscherm gerealiseerd met een hoogte van 2 meter. Dit wordt in het bestemmingsplan geborgd door respectievelijk de aanduiding ‘geluidscherm - 1’ en ‘geluidscherm – 2’. Met inachtneming van het voorgaande bestaan er in het kader van de milieuzonering geen belemmeringen ten aanzien van het voorgenomen initiatief. 4.1.6 M.e.r.-plicht Het voorliggende bestemmingsplan maakt de ontwikkeling van woningbouw mogelijk. Dit kan leiden tot een m.e.r.-plicht.

Hoofdstuk 4

42

Ontwikkeling van woningen De beoogde ontwikkeling en de hiervan deel uitmakende onderdelen komen in lijst C van de bijlage van het Besluit m.e.r. niet als activiteit voor. Met betrekking tot de ontwikkeling is in onderdeel D (11.2) van de bijlage van het Besluit m.e.r. het volgende opgenomen: “de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen.” In het voorliggende geval is sprake van een netto toename van 16 wooneenheden. Gezien de omvang van het project, mede afgezet tegen de oppervlakten en aantallen die worden genoemd in categorie 11.2, onderdeel D, van de bijlage bij het Besluit m.e.r., is sprake van een kleinschalig project. Daarnaast is er geen sprake is van significante milieueffecten als gevolg van de ontwikkeling en is ook geen sprake van een ligging binnen of in de nabijheid van een kwetsbaar gebied . Wet natuurbescherming (passende beoordeling en plan-m.e.r.-plicht) Naast het Besluit m.e.r. is de Wet natuurbescherming van belang om te bepalen of een plan-MER noodzakelijk is. In de Wet natuurbescherming is opgenomen dat wanneer significante effecten op Natura 2000-gebieden niet zijn uit te sluiten een plan-MER in procedure dient te worden gebracht. Wanneer aangetoond kan worden dat er geen significante effecten zijn te verwachten is een plan-MER niet noodzakelijk.

Uit paragraaf 4.4 ‘Ecologie’ blijkt dat van significante effecten die kunnen leiden tot een noodzaak tot het uitvoeren van een passende beoordeling of plan-m.e.r.-plicht geen sprake is. Conclusie De ontwikkeling heeft een relatief beperkte omvang en wordt mogelijk gemaakt binnen de kern in een overwegend woongebied. Daarnaast zijn er geen belemmerende milieuaspecten voorzien, welke een negatieve invloed hebben op de beoogde ontwikkeling of omliggende omgeving. Gezien de aard, omvang, milieugevolgen en ligging kan gesteld worden dat onderhavig initiatief niet kan worden aangemerkt als een `stedelijk ontwikkelingsproject¿ als bedoeld in categorie D11.2 van het Besluit m.e.r. Er hoeft dan ook geen milieueffectrapport te worden opgesteld en er hoeft ook geen m.e.r.-beoordeling te worden doorlopen. M.e.r.-beoordeling Op basis van paragraaf 7.6 van de Wet milieubeheer (Wm), dient degene die een activiteit wil ondernemen, aangewezen krachtens artikel 7.2, eerste lid, onder b, en voornemens is een verzoek in te dienen tot het nemen van een besluit als bedoeld in het vierde lid van dat artikel, dit voornemen schriftelijk mee te delen aan het bevoegd gezag. Bij de mededeling dient in ieder geval de informatie te worden verstrekt zoals omschreven in artikel 7.16 lid 2 tot en met 4 Wm.

Op basis van artikel 7.17 Wm, dient het bevoegd gezag uiterlijk zes weken na de datum van ontvangst een beslissing te nemen omtrent de vraag of bij de voorbereiding van het betrokken besluit voor de activiteit, vanwege de belangrijke nadelige gevolgen die zij voor het milieu kan hebben, een milieueffectrapport moet worden gemaakt. Middels deze paragraaf wordt invulling gegeven aan de vereisten van artikel 7.16 Wm, op basis waarvan het bevoegd gezag op grond van artikel 7.17 Wm een beslissing kan nemen.

Hoofdstuk 4

43

De achterliggende gedachte bij de m.e.r.-beoordeling is dat ook kleine projecten het milieu relatief zwaar kunnen belasten en ook bij kleine projecten van geval tot geval moet worden beoordeeld of een m.e.r.-procedure nodig is. Deze m.e.r.-beoordeling kan tot twee conclusies leiden:  Belangrijke nadelige milieugevolgen zijn uitgesloten: er is geen m.e.r.(-beoordeling) noodzakelijk.  Belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu zijn niet uitgesloten: er moet een m.e.r.(-beoordeling) plaatsvinden. In deze paragraaf wordt getoetst of op basis van de criteria die genoemd zijn in bijlage III van de EEGrichtlijn milieueffectbeoordeling een m.e.r.-beoordeling uitgevoerd moet worden. Het gaat hierbij om de volgende criteria (zie ook onderstaande tabel): 1. De kenmerken van het project; 2. De plaats van het project; 3. De kenmerken van het potentiële effect. Kenmerken van het project 

Omvang van het project

Cumulatie met andere projecten

Gebruik van natuurlijke grondstoffen

Productie van afvalstoffen

Verontreiniging en hinder

Risico van ongevallen, mede gelet op de gebruikte stoffen en technologieën

Plaats van het project 

Bestaand grondgebruik

Relatieve rijkdom aan kwaliteit en het regeneratievermogen van de natuurlijke hulpbronnen van het gebied

Het opnamevermogen van het natuurlijke milieu, met in het bijzonder aandacht voor gevoelige gebieden (wetlands, kustgebieden, berg- en bosgebieden, reservaten en natuurparken, Habitat- en Vogelrichtlijngebieden), gebieden waarin bij communautaire wetgeving vastgestelde normen inzake milieukwaliteit reeds worden overschreden, gebieden met een hoge bevolkingsdichtheid, landschappen van historisch, cultureel of archeologisch belang

Kenmerken van het potentiële effect 

Bereik van het effect (geografische zone en grootte van de getroffen bevolking)

Grensoverschrijdende karakter van het effect

Waarschijnlijkheid van het effect

Duur, frequentie en de omkeerbaarheid van het effect

Criteria EEG-richtlijn milieueffectbeoordeling.

De m.e.r.-beoordeling is opgesteld op basis van de onderzoeken die uitgevoerd zijn in het kader van het bestemmingsplan.

Hoofdstuk 4

44

Kenmerken van het project Criteria

Toets

Omvang van het project

Het plangebied heeft een oppervlakte van circa 0,75 hectare. Het project richt zich op de realisatie van 16 woningen met tuinen, openbare ruimte en parkeervoorzieningen. De planlocatie bestaat uit een voormalige schoollocatie en een kinderboerderij.

Cumulatie met andere projecten

Nee.

Gebruik van natuurlijke hulpbronnen

N.v.t. Bij de ontwikkeling wordt niet permanent gebruik gemaakt van natuurlijke hulpbronnen.

Productie van afvalstoffen

Naast het reguliere afval van de toekomstige bebouwing en functies zal geen sprake zijn van de productie van andere afvalstoffen.

Verontreiniging en hinder

Tijdens de aanlegfase is er mogelijk sprake van tijdelijke hinder als gevolg van bouwverkeer en bouwwerkzaamheden, maar dit betreft geen hinder groter dan bij reguliere bouwwerkzaamheden.

Luchtkwaliteit (zie ook paragraaf 4.1.3): Met voorliggend plan wordt geen significante invloed op de luchtkwaliteit uitgeoefend. De ontwikkeling draagt niet in betekenende mate bij aan de verslechtering van de luchtkwaliteit.

Geluid wegverkeer (zie ook paragraaf 4.1.2): Er zijn geen beperkingen op dit onderdeel nu de woningen zonder dauerluft worden uitgevoerd

Geluid industrielawaai (zie ook paragraaf 4.1.5): Er zijn overschrijdingen en derhalve worden geluidwerende voorzieningen getroffen in de vorm van een geluidwerende erfafscheiding / geluidscherm ter plaatse van de kavel 3.1 aan de zijde van ’t Sittert en een scherm ter bescherming van bestaande woonhuizen aan de Jezuïetenstraat t.b.v. de parkeervoorziening aan de achterzijde van deze woningen.

Verkeersaantrekkende werking (zie ook paragraaf 4.5): Wat betreft profiel en capaciteit zijn de omliggende wegen berekend op een toename van het aantal verkeersbewegingen als gevolg van de realisatie van de woningen. Het plangebied is verder ook goed ontsloten voor langzaam verkeer.

Risico van ongevallen

Er is sprake van de ontwikkeling van woningen. Er is geen sprake van de realisatie van een nieuwe risicobron.

Plaats van het object Criteria

Toets

Bestaand grondgebruik

In de huidige situatie is de voormalige school (noordelijke deel) niet meer in gebruik en de rest van de gronden (zuidelijke deel) zijn in gebruik als kinderboerderij.

Hoofdstuk 4

45

Plaats van het object Criteria

Toets

Relatieve rijkdom aan kwaliteit en het

N.v.t.

regeneratievermogen van de natuurlijke hulpbronnen van het gebied Het opnamevermogen van het natuurlijke milieu, met in het bijzonder aandacht voor: 

gevoelige gebieden (wetlands,

Het plangebied ligt niet binnen de invloedssfeer van door Wet natuurbescherming

kustgebieden, berg- en bosgebie-

beschermde gebieden. Wat betreft stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden in de

den, reservaten en natuurparken,

omgeving is middels een AERIUS-berekening aangetoond dat er geen sprake is

Habitat- en Vogelrichtlijngebieden)

van effecten groter dan 0,00 mol/ha/j. Zie ook paragraaf 4.4 ‘Ecologie’.

gebieden waarin bij communau-

Nee.

taire wetgeving vastgestelde normen inzake milieukwaliteit reeds worden overschreden 

gebieden met een hoge bevol-

N.v.t.

kingsdichtheid 

landschappen van historisch, cul-

Archeologie (zie ook paragraaf 4.2.1): Het archeologisch belang is door middel van

tureel of archeologisch belang

een archeologisch bureauonderzoek betrokken. Het noordelijke deel is onderzocht in de vorm van een verkennend booronderzoek. Dit deel is dermate diep verstoord dat er in dit deel van het plangebied geen behoudenswaardige archeologische resten aanwezig zijn. Het zuidelijke deel, waar de kinderboerderij is gelegen, zal nog nader onderzocht worden. Ter bescherming van eventueel aanwezige archeologische waarden is een dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie 5’ opgenomen. Cultuurhistorie (zie ook paragraaf 4.2.2): De voorliggende ontwikkeling heeft geen negatieve effecten op cultuurhistorische waarden of landschappen in het plangebied en de directe omgeving.

In onderdeel A van de bijlage bij het Besluit m.e.r. is bepaald wat verstaan wordt onder een gevoelig gebied. Als gevoelig gebied zijn gebieden aangewezen die beschermd worden op basis van de natuurwaarden, landschappelijke waarden, cultuurhistorische waarden en waterwingebieden. Gevoelig gebied (conform onderdeel A van de bijlage bij het Besluit m.e.r.) Gevoelig gebied

Toets

Beschermd natuurmonument

Nee.

Habitat en vogelrichtlijngebieden

Nee, zie paragraaf 4.4 ‘Ecologie’.

Hoofdstuk 4

46

Gevoelig gebied (conform onderdeel A van de bijlage bij het Besluit m.e.r.) Gevoelig gebied

Toets

Watergebied van internationale beteke-

Nee.

nis Natuurnetwerk Nederland

Het plangebied ligt niet binnen of in de nabijheid van het Natuurnetwerk Nederland

(voormalige EHS)

(NNN). Zie paragraaf 4.4 ‘Ecologie’.

Landschappelijk waardevol gebied

Het plangebied maakt geen onderdeel uit van landschappelijk waardevol gebied.

Waterwinlocaties. waterwingebieden,

Nee, zie paragraaf 4.6 ‘Waterhuishouding’.

en grondwaterbeschermingsgebieden Beschermd monument

Er zijn binnen het plangebied geen beschermde monumenten aanwezig. Ook zijn in de directe nabijheid van het plangebied geen beschermde monumenten aanwezig waarop een negatieve invloed zou kunnen worden uitgeoefend.

Belvedère-gebied

Nee.

Kenmerken van het potentiële effect Criteria

Toets

Bereik van het effect (geografische

N.v.t.

zone en grootte van de getroffen bevolking) Grensoverschrijdende karakter van het

Nee.

effect Waarschijnlijkheid van het effect

Van onevenredige effecten voor de omgeving is geen sprake.

Duur, frequentie en de omkeerbaarheid

Er is sprake van permanente nieuwbouw, waarbij de effecten blijvend zijn. Zoals

van het effect

echter al verwoord in het voorgaande, zijn deze effecten niet van dien aard dat sprake is van een onevenredige aantasting.

Gezien het vorenstaande en indien het plan wordt vergeleken met de drempelwaarden uit onderdeel D van het Besluit m.e.r. kan worden geconcludeerd dat er, rekening houdend met: 1. de kenmerken van het project; 2. de plaats van het project; en 3. de kenmerken van het potentiële effect; Sprake is van een wezenlijk ander schaalniveau en een activiteit die vele malen kleinschaliger is. Bij elk plan is sprake van invloed op het milieu, maar deze is niet zodanig dat normen worden overschreden. De potentiële effecten van het plan, in relatie tot de kenmerken en de plaats van het plan, zijn dusdanig beperkt van aard en omvang dat dit geen significant nadelige milieugevolgen tot gevolg heeft die het doorlopen van een m.e.r.-procedure noodzakelijk maken.

Hoofdstuk 4

47

4.2 Archeologie en cultuurhistorie 4.2.1 Archeologie Algemeen Sinds de inwerkingtreding van de Wet op de archeologische monumentenzorg (Wamz) per 1 september 2007 is de gemeente verantwoordelijk voor het archeologiebeleid en heeft de provincie zich hiervan teruggetrokken. In de Wet op de Archeologische Monumentenzorg is een raamwerk gegeven dat regelt hoe Rijk, provincies en gemeenten om moeten gaan met het aspect archeologie in ruimtelijke plannen. De uitgangspunten van de Wet op de Archeologische Monumentenzorg zijn als volgt: de archeologische waarden dienen zoveel mogelijk in de bodem te worden bewaard; er dient vroeg in het proces van de ruimtelijke ordening al rekening te worden gehouden met het aspect archeologie. Op 1 juli 2016 is de Erfgoedwet in werking getreden. Een aantal onderdelen van de Monumentenwet 1988 gaat over naar de Omgevingswet. Tot de inwerkingtreding van de Omgevingswet blijven deze onderdelen van kracht binnen het overgangsrecht van de Erfgoedwet.

Voor archeologie gaat het onder meer om:  het meewegen van het archeologische belang bij het opstellen van bestemmingsplannen;  de mogelijkheid om voorschriften te verbinden aan de omgevingsvergunning ter bescherming van archeologie;  de mogelijkheid van de Minister van OCW om bij (dreigende) schade aan archeologische monumenten na een toevalsvondst voorschriften te stellen aan de uitvoering de werkzaamheden of die stil te leggen;  de mogelijkheid van het bevoegd gezag of de Minister van OCW om toegang tot een terrein af te dwingen om archeologisch onderzoek te kunnen doen. Vigerend bestemmingsplan ‘1e herziening Kernen Roerdalen’ In het vigerende bestemmingsplan geldt over het gehele plangebied de dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie 5’. Ter plaatse geldt een onderzoeksplicht bij bodemverstoringen groter dan 1.000 m 2 en dieper dan 40 centimeter. Omdat de bodemverstoringen groter zullen zijn dan 1.000 m 2 en dieper zullen reiken dan 40 centimeter, geldt er een onderzoeksplicht. Archeologische beleidskaart Binnen het plangebied ligt op basis van de Archeologische beleidskaart van de gemeente Roerdalen de aanduiding “hoog”. Deze categorie omvat gebieden met een hoge verwachting. Daarbij geldt er geen planologisch regime voor desbetreffend gebied.

Hoofdstuk 4

48

Uitsnede Archeologische beleidskaart met ligging locatie (zwart omlijnd)

Toetsing Gelet op de hoge archeologische waarde is een archeologisch bureau- en booronderzoek uitgevoerd.7 Hierna volgt een kort samenvatting. Het onderzoeksrapport is als bijlage toegevoegd. Het bureauonderzoek toont aan dat er zich mogelijk archeologische waarden in het plangebied zouden kunnen bevinden. In het bijzonder verhoogt de ligging van het plangebied op een dalvlakterras aan de rand van een gradiëntsituatie de kans daarop. Daarom is aansluitend een inventariserend veldonderzoek in de vorm van een verkennend booronderzoek uitgevoerd in dat deel van het plangebied dat betreden kon worden. De aangetroffen bodemopbouw in het door middel van een booronderzoek onderzochte deel van het plangebied is dermate diep verstoord dat er in dit deel van het plangebied geen behoudenswaardige archeologische resten, die vanaf het maaiveld konden voorkomen, meer worden verwacht. Over het niet onderzochte deel van het plangebied kunnen geen uitspraken worden gedaan. Dit deel behoud zijn hoge trefkans. In het plangebied, waar nog archeologische waarden worden verwacht, adviseert Econsultancy om hier alsnog een Inventariserend veldonderzoek, verkennend uit te voeren. Voor het deel van het plangebied waarbinnen het booronderzoek is uitgevoerd wordt vrijgave geadviseerd.

7

Econsultancy, Archeologisch onderzoek Hoek Schaapsweg / ‘t Sittert te Sint Odiliënberg, rapportnummer 14071.003, d.d. 13 maart 2022

Hoofdstuk 4

49

Conclusie Het plangebied is niet volledig onderzocht, omdat een deel van het plangebied niet betreden kon worden. Na sloop van de bestaande bebouwing wordt in het kader van de aanvraag om een omgevingsvergunning verder onderzoek verricht. Derhalve is voor het niet onderzochte deel de dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie 5’ gehandhaafd. Voor wat betreft het reeds onderzochte deel vormt het aspect archeologie geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling. 4.2.2 Cultuurhistorie Volgens de cultuurhistorische waardenkaart van de provincie Limburg zijn ter plaatse van het plangebied geen monumentale of andere cultuurhistorische waardevolle bouwwerken gelegen. Het Sittert en de Schaapsweg zijn ter hoogte van de locatie aangewezen als een ‘andere weg ouder dan 1806’. Op beide wegen worden middels de voorliggende ontwikkeling geen invloed uitgeoefend. Conclusie In het plangebied bestaan er voor de voorziene ontwikkeling geen belemmeringen in relatie tot het aspect cultuurhistorie.

4.3 Leidingen en infrastructuur Er zijn blijkens het geldende bestemmingsplan en de Risicokaart Nederland in het plangebied geen leidingen gelegen die een zodanige bescherming behoeven dat zij voorzien zijn van een beschermingszone. Conclusie Leidingen en infrastructuur vormen geen belemmering voor het initiatief.

4.4 Ecologie Natuurwetgeving De bescherming van de natuur is per 1 januari 2017 in Nederland vastgelegd in de ‘Wet natuurbescherming’ (Wnb). Deze wet vormt voor wat betreft soortenbescherming en gebiedsbescherming een uitwerking van de Europese Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn. Daarnaast vindt beleidsmatige gebiedsbescherming plaats door middel van het Natuurnetwerk Nederland (NNN), de voormalige Ecologische Hoofdstructuur (EHS). Gebiedsbescherming Het projectgebied is niet gelegen binnen de grenzen van een gebied dat aangewezen is als Natura 2000-gebied. De meest nabijgelegen Natura 2000-gebieden, ‘Roerdal’ en ‘Meinweg’ bevinden zich

Hoofdstuk 4

50

respectievelijk op 460 meter ten noorden, en 5,5 kilometer ten noordoosten van het projectgebied. Indien er sprake zou zijn van een effect, betreft dit een extern effect, zoals toename van geluid, licht of depositie van stikstof. Aangezien de voorgenomen ontwikkeling de sloop van de bestaande bebouwing betreft en de realisatie van zestien grondgebonden woningen, kan een significante toename aan stikstofdepositie tijdens zowel de aanlegfase als de gebruiksfase op omliggende Natura 2000-gebieden niet op voorhand worden uitgesloten. Mede gezien de korte afstand tot het projectgebied zijn eveneens externe effecten als licht en geluid niet uitgesloten. Derhalve is er een vervolgonderzoek8 in de vorm van een AERIUS-berekening uitgevoerd om te onderzoeken of er een toename van stikstofdepositie plaatsvindt. De resultaten van het onderzoek worden hieronder kort beschreven. Voor meer informatie wordt verwezen naar de volledige onderzoeksrapportage in de bijlage. Berekening aanlegfase Het rekenresultaat van de aanlegfase bedraagt 0,01 mol/ha/jaar. De grootste depositie bedraagt 0,01 mol/ha/jaar ter plaatse van het Natura 2000 gebied ‘Roerdal’. Derhalve is er sprake van een overschrijding van de geldende norm (0,00 mol/ha/jaar).

Dit betekent dat er sprake is van een significant verstorend effect van het planvoornemen op de instandhoudingsdoelstellingen van de nabijgelegen Natura 2000-gebieden. Het planvoornemen is op dit punt in strijd met de Wet natuurbescherming. Echter door middel van toepassing van het uitvoeren van een verschilberekening (salderen) is het mogelijk om het planvoornemen mogelijk te maken in lijn met de Wet natuurbescherming. Berekening gebruiksfase Het rekenresultaat van de gebruiksfase bedraagt 0,01 mol/ha/jaar. De grootste depositie bedraagt 0,01 mol/ha/jaar ter plaatse van het Natura 2000 gebied ‘Roerdal’. Derhalve is er sprake van een overschrijding van de geldende norm (0,00 mol/ha/jaar). Dit betekent dat er sprake is van een significant verstorend effect van het planvoornemen op de instandhoudingsdoelstellingen van de nabijgelegen Natura 2000-gebieden. Het planvoornemen is op dit punt in strijd met de Wet natuurbescherming. Echter door middel van toepassing van het uitvoeren van een verschilberekening (salderen) is het mogelijk om het planvoornemen mogelijk te maken in lijn met de Wet natuurbescherming. Verschilberekening In het kader van de verschilberekening is de reeds vergunde situatie van de voormalige schoollocatie (referentiesituatie) opgenomen en vergeleken ten opzichte van het beoogde gebruik (toekomstige situatie).

8

BRO, AERIUS-notitie ‘t Brombemke Sint Odiliënberg, projectnr. P03570, d.d. 22 februari 2023

Hoofdstuk 4

51

Uit de uitgevoerde verschilberekeningen blijkt dat het voormalige schoolgebouw met kinderdagopvang ter plaatse van de nabijgelegen Natura 2000-gebieden een grotere depositiebijdrage heeft dan de beoogde activiteiten in de toekomstige situatie. Resumerend houdt dit in dat er als gevolg van het salderen per saldo dus geen verslechtering optreedt ten aanzien van de stikstofdepositie ter plaatse van de nabijgelegen Natura 2000-gebieden. Gebiedsbescherming provinciaal Het plangebied is niet gelegen binnen de goudgroene natuurzone. Het dichtstbijzijnde onderdeel van de goudgroene natuurzone ligt ongeveer 170 meter ten westen van de locatie. Gezien de aard van de voorgenomen plannen zullen de omgevingscondities redelijkerwijs gelijk blijven, waardoor de wezenlijke kenmerken en waarden van de goudgroene natuurzone niet worden aangetast. Vervolgonderzoek in het kader van de goudgroene natuurzone wordt dan ook niet noodzakelijk geacht. Beschermde houtopstanden Ter plaatse van de beoogde ontwikkeling zijn bomen aanwezig. Aangezien het plangebied zich binnen de bebouwde kom bevindt is toetsing aan het onderdeel houtopstanden conform de Wet natuurbescherming bij dit plan niet aan de orde. Het aspect beschermde houtopstanden vormt geen belemmering voor onderhavig planvoornemen.

Soortenbescherming Quickscan Flora en fauna Ten behoeve van onderhavige ontwikkeling is door BRO een quickscan Flora en Fauna uitgevoerd. 9 Deze quickscan is als bijlage aan deze toelichting toegevoegd. Hierna wordt volstaan met de conclusies en aanbevelingen. Conclusie Gelet op de potentiële ecologische waarden kan het voorgenomen plan alleen in overeenstemming met de nationale natuurwetgeving en het provinciale natuurbeleid worden uitgevoerd, mits voorafgaand en tijdens het uitvoeren van de werkzaamheden het bepaalde in de Wet natuurbescherming in acht wordt genomen:  Ten aanzien van broedvogels dient, om overtreding op voorhand redelijkerwijs te voorkomen, het verwijderen van nestgelegenheid buiten het broedseizoen te worden uitgevoerd, of een controle moet de aanwezigheid van een broedgeval kunnen uitsluiten.  In het kader van de algemene zorgplicht is het noodzakelijk om voldoende zorg te dragen voor aanwezige individuen. Dit houdt in dat al het redelijkerwijs mogelijke gedaan dient te worden om het doden van individuen te voorkomen. Aanbevelingen De te slopen gebouwen bieden in de huidige situatie geen vaste nest- en verblijfsmogelijkheden voor huismus, gierzwaluw en vleermuizen, terwijl de ligging en omgeving van het plangebied zich hier wel

9

BRO, Quickscan flora en fauna ‘Het Brombemke’ te Sint Odiliënberg, projectnr. P03570, d.d. 14 december 2020

Hoofdstuk 4

52

voor lenen. Met een geringe inspanning, bijvoorbeeld door het inbouwen van neststenen of vleermuiskasten en/of de dakranden/spouwmuren toegankelijk te maken, kan de nieuwbouw wel gaan fungeren als vaste rust- en verblijfplaats voor huismussen, gierzwaluwen en/of vleermuizen. Gelet op het steeds verder verdwijnen van broed- en verblijfsgelegenheid kunnen relatief eenvoudige maatregelen een positief effect hebben op de lokale populatie van een soort. Vogelbescherming Nederland heeft samen met BAM Utiliteitsbouw een checklist ontwikkeld, waarmee een bouwonderneming zijn projecten en de directe omgeving natuurvriendelijker kan maken. Door middel van het beantwoorden van enkele ja/nee vragen, kunnen eenvoudige maatregelen worden toegepast die goed zijn voor de stadsnatuur en speciaal voor vogels. Deze checklist is voor iedereen gratis te downloaden van de website van Vogelbescherming (www.vogelbescherming.nl/checklist/). Daarnaast is er tevens een brochure beschikbaar omtrent het vleermuisvriendelijk bouwen. Deze brochure is onder andere te vinden op de website van de Zoogdiervereniging (www.zoogdiervereniging.nl/brochure-verschenen-over-vleermuisvriendelijk-bouwen/). Aangetroffen zwaluwnest In het gebouw van de kinderboerderij is gedurende de ontwerpprocedure van het bestemmingsplan een zwaluwnest aangetroffen. Ten behoeve van deze ontwikkeling moet het gebouw worden gesloopt.

Alvorens er kan worden gesloopt moet op basis van nader onderzoek beoordeeld worden of deze zwaluwen (jaarrond) beschermd zijn, welke mitigerende maatregelen mogelijk zijn en of een ontheffing door de provincie moet worden verleend voor het verwijderen van de nestlocatie. Om deze ecologische waarden te borgen is in het bestemmingsplan een voorwaardelijke verplichting opgenomen met de hiervoor vermelde strekking. De voorwaardelijke verplichting is van toepassing op het zuidelijke deel van het plangebied en op de verbeelding aangeduid als ‘overige zone – ecologie’. Indien gevolg is gegeven aan deze voorwaardelijke verplichting kan het gebouw worden gesloopt en kunnen de beoogde woningen ter plaatsen worden gerealiseerd. Conclusie Gelet op het voorgaande is geen nader onderzoek benodigd met betrekking tot Natura2000 gebieden en soortenbescherming voor een groot deel van het plangebied. Evenmin is er sprake van een noodzaak tot het indienen van een ontheffingsaanvraag ten aanzien van houtopstanden dan wel een vergunningsaanvraag in het kader van gebiedsbescherming. Voor een groot deel van het plangebied zijn er vanuit het aspect ecologie dan ook geen belemmeringen. Gelet op het aangetroffen zwaluwnest in het zuidelijk deel van het plangebied is binnen dit deel, aangeduid als ‘overige zone – ecologie’, wel nog nader onderzoek nodig.

Hoofdstuk 4

53

4.5 Verkeer en parkeren Verkeer Het plangebied wordt ontsloten op Het Sittert aan de westzijde. Het Sittert is verder weer (via de Schaapsweg) ontsloten op de Rijksweg (N293). Het Sittert en de Schaapsweg betreffen beide een 30 km/uur-weg. Als gevolg van de woningbouw zal er sprake zijn van een toename van het aantal verkeersbewegingen. De verwachte verkeersaantrekkende werking van het planvoornemen is berekend op basis van de CROW-publicatie 381 "Toekomstbestendig parkeren". Hierbij is uitgegaan van zestien twee-onderéén-kap woningen, overeenkomend met CROW-type: twee-onder-één-kap koopwoningen, in het gebiedstype ‘rest bebouwde kom’ in de gemeente Roerdalen (niet stedelijke gemeente). In totaal worden maximaal circa 131 (8,2 per woning) verkeersbewegingen per etmaal gegenereerd op een gemiddelde weekdag met de voorgenomen ontwikkeling. Wat betreft profiel en capaciteit zijn de omliggende wegen berekend op een toename van het aantal verkeersbewegingen als gevolg van de realisatie van de woningen. Het plangebied is verder ook goed ontsloten voor langzaam verkeer. Daarnaast was de locatie eerder in gebruik als kinderdagopvang en was dus reeds sprake van verkeersbewegingen in de vorm van brengen / ophalen kinderen (met busjes en personenauto’s), alsmede personeel.

Ingevolge de CROW-publicatie 381 "Toekomstbestendig parkeren" bedraagt de verkeersgeneratie per etmaal gemiddeld genomen 35,6 verkeersbewegingen per 100 m 2 bvo. Het gebouw waarin het kinderdagcentrum gevestigd was heeft een totaal oppervlak van ruim 1.300 m 2. Het bvo is niet bekend, maar bij een bvo van 400 m 2 is de verkeersgeneratie al hoger dan bij het realiseren van 16 woningen. Hieruit volgt dat met onderhavige ontwikkeling de verkeersgeneratie afneemt in vergelijking met de voormalige functie als kinderdagcentrum. Parkeren De gemeente Roerdalen hanteert geen eigen parkeerbeleid. Derhalve zijn parkeernormen berekend op basis van de CROW-publicatie 381 "Toekomstbestendig parkeren". Hierbij is uitgegaan van zestien twee-onder-één-kap woningen. Overeenkomend met CROW-type: zestien twee-onder-één-kap koopwoningen, in het gebiedstype ‘rest bebouwde kom’ in de gemeente Roerdalen (niet stedelijk). Op basis van de CROW-norm zijn in totaal 42 parkeerplaatsen benodigd (2,6 per woning). De nacht wordt echter als maatgevend beschouwd en dan zijn 35 parkeerplaatsen afdoende. Elke woning heeft de beschikking over een oprit met ruimte voor één auto. In het openbaar gebied worden 16 parkeerplaatsen aangelegd. Hiermee is sprake van een totaal van 32 parkeerplaatsen. Het openbaar gebied bied ruimte voor de aanleg van extra parkeerplaatsen.

Daarnaast betreft het hier woningen voor senioren en betreft het dus met name tweepersoonshuishoudens met in de meeste gevallen één eigen auto. De verwachting is dan ook dat met de realisering van 32 parkeerplaatsen (2 per woning) in voldoende mate kan worden voorzien in de benodigde parkeerplaatsen.

Hoofdstuk 4

54

Conclusie De aspecten verkeer en parkeren vormen geen belemmering voor het initiatief.

4.6 Waterhuishouding In deze paragraaf wordt beschreven op welke wijze het waterhuishoudkundige systeem in het plangebied opgebouwd is en hoe rekening is gehouden met de (ruimtelijk) relevante aspecten van (duurzaam) waterbeheer. Een beknopte beschrijving van de kenmerken van het watersysteem kan het benodigde inzicht geven in het functioneren van dit systeem. Beleidskader Het Nationaal Waterplan 2016-2021 heeft de status van een structuurvisie en is de opvolger van het Nationaal Waterplan 2009-2015. Met dit Nationaal Waterplan zet het Rijk een volgende ambitieuze stap in het robuust en toekomstgericht inrichten van ons watersysteem, gericht op een goede bescherming tegen overstromingen, het voorkomen van wateroverlast en droogte en het bereiken van een goede waterkwaliteit en een gezond ecosysteem als basis voor welzijn en welvaart. De ambitie is dat overheden, bedrijven en burgers zich in 2021 meer bewust zijn van de kansen en bedreigingen van het water in hun omgeving. Iedereen neemt zijn eigen verantwoordelijkheid om samen te komen tot een water robuuste ruimtelijke inrichting, het beperken van overlast en rampen en verstandig handelen in extreme situaties.

Relevante beleidsstukken op het gebied van water zijn het Waterbeheerplan 2016-2021 van Waterschap Limburg, de Provinciale Omgevingsvisie Limburg (POVI 2021), het Nationaal Waterplan, WB21, Nationaal Bestuursakkoord Water en de Europese Kaderrichtlijn Water. Belangrijkste gezamenlijke punt uit deze beleidsstukken is dat water een belangrijk sturend element is in de ruimtelijke ordening. Water legt een ruimteclaim op het (stads)landschap waaraan voldaan moet worden. De bekende drietrapsstrategieën zijn leidend:  Vasthouden-bergen-afvoeren (waterkwantiteit);  Voorkomen-scheiden-zuiveren (waterkwaliteit). Daarnaast is de Beleidsbrief regenwater en riolering nog relevant. Hierin staat hoe het best omgegaan kan worden met het hemelwater en het afkoppelen daarvan. Ook hier gelden de driestapsstrategieën. Kenmerken van het watersysteem De kenmerken van de watersystemen, zoals die voorkomen in het plangebied (en omgeving), kunnen het beste beschreven worden door een onderverdeling te maken in de soorten van water die in het gebied aanwezig zijn. De belangrijkste zijn: grondwater en waterkwaliteit, oppervlaktewater, hemel- en afvalwater.

Hoofdstuk 4

55

Grondwater en waterkwaliteit De locatie ligt niet binnen waterwingebied of grondwaterbeschermingsgebied. De locatie is wel gelegen binnen de ‘boringsvrije zone Roerdalslenk II’. Ter plaatse van deze zone is het niet toegestaan om boorputten dieper dan 30 meter te graven of werken uit te voeren die schade kunnen toebrengen aan de ‘Bovenste Brunssumklei’. Onderhavige ontwikkeling voorziet enkel in de realisatie van zestien woningen. Het is van belang in het plangebied verontreiniging als gevolg van afstromend hemelwater te voorkomen. Om de waterkwaliteit te garanderen wordt geadviseerd bij de aanleg van de in het plangebied te realiseren gebouwen geen gebruik te maken van uitlogende materialen. Daarnaast dient het gebruik van strooizout en chemische onkruidbestrijdingsmiddelen in het plangebied zoveel mogelijk te worden voorkomen. Oppervlaktewater In het plangebied zelf is geen primair oppervlaktewater aanwezig. Daarnaast wordt in de toekomstige situatie ook niet voorzien in nieuw oppervlaktewater binnen het plangebied. Ook uit de Omgevingsverordening Limburg 2014 volgen geen belemmeringen voor het plangebied. Hemel- en afvalwater Het (huishoudelijk) afvalwater wordt aangesloten op de riolering. Het hemelwater dat terechtkomt op de nieuw op te richten bebouwing wordt niet afgevoerd via het riool, maar afgekoppeld.

Via daken en dakgoten wordt het hemelwater naar een infiltratievoorziening op eigen terrein geleid en geïnfiltreerd in de bodem. Conform de richtlijnen van het Waterschap Limburg dienen toekomstige hemelwatervoorzieningen in Noord- en Midden-Limburg gedimensioneerd te worden op een bui van 100 mm per vierkante meter verhard oppervlak met een leegloop/beschikbaarheid binnen 24 uur. Binnen het plan worden een tweetal wadi’s aangelegd om aan deze normen te kunnen voldoen. De nadere uitwerking daarvan geschiedt bij de aanvraag om een omgevingsvergunning in de vorm van een civieltechnisch plan. Binnen het plangebied zal voorzien worden in een gescheiden rioleringsstelsel voor de gescheiden afvoer van afval- en hemelwater.

4.7 Duurzaamheid Het Bouwbesluit stelt eisen aan de energiezuinigheid van nieuwe woningen. De belangrijkste eis daarvoor is de Energie Prestatie Coëfficiënt (EPC). De beoogde woning dient te voldoen aan de vereiste energieprestatie die op het moment van vergunningaanvraag geldig is. De beoogde woningen dienen te voldoen aan de vereiste energieprestatie die op het moment van vergunningaanvraag van toepassing is. Voor woningen geldt momenteel een EPC-waarde van 0,4.

Hoofdstuk 4

56

Naast de Energie Prestatie Coëfficiënt zijn in het Bouwbesluit eisen opgenomen ten aanzien van de ventilatie, luchtdichtheid en isolatie van woningen. Ook deze aspecten zijn van belang in het kader van duurzaamheid. Zo zorgt een goed ventilatiesysteem voor de juiste balans in luchtkwaliteit, comfort en energieprestatie van gebouwen en wordt door ‘kierdicht’ te bouwen voorkomen dat lucht, vocht of warmte ongewenst het gebouw binnenkomt of verlaat. Een goede isolatie zorgt daarnaast voor meer comfort en lagere energiekosten. Verder stelt het Bouwbesluit eisen aan de milieuprestaties van een gebouw. Hierbij geldt als voorwaarde dat bij nieuwbouw de belasting van het milieu wordt beperkt door de in het bouwwerk toe te passen materialen. Voor nieuwbouwwoningen groter dan 100 m² geldt dat een zogeheten Milieuprestatieberekening (MPG) bij de aanvraag voor een omgevingsvergunning dient te worden ingediend. Tot slot is op basis van de ‘Wet voortgang energietransitie’ de gasaansluitplicht komen te vervallen. Dit volgt uit het nieuwe lid 7 van artikel 10 van de Gaswet, waarin is bepaald dat de aansluittaak van de netbeheerders niet van toepassing is op het aansluiten van (onder meer) nieuwbouwwoningen. Dit betekent in de praktijk dat de te realiseren woningen niet zullen worden aangesloten op het gasnet.

Hoofdstuk 4

57

5.

JURIDISCHE ASPECTEN 5.1 Planonderdelen Het bestemmingsplan bestaat uit de toelichting, de regels en de verbeelding. De toelichting heeft géén bindende werking; de toelichting maakt juridisch ook geen onderdeel uit van het bestemmingsplan, maar heeft wel een belangrijke functie bij de weergave en onderbouwing van het plan en ook bij de uitleg van bepaalde bestemmingen en regels. De regels bevatten het juridisch instrumentarium voor het regelen van het gebruik van de gronden, bepalingen omtrent de toegelaten bebouwing en regelingen betreffende het gebruik van de aanwezige bouwwerken. De regels zijn onderverdeeld in vier hoofdstukken. Per hoofdstuk worden de diverse bepalingen artikelsgewijs besproken. De verbeelding heeft een ondersteunende rol voor toepassing van de regels, alsmede de functie van visualisering van de bestemmingen. Op de verbeelding zijn de bestemmingen weergegeven. De verbeelding vormt samen met de regels het voor de burgers bindende deel van het bestemmingsplan. Het bestemmingsplan is opgesteld conform de landelijke richtlijn voor bestemmingsplannen (SVBP 2012), alsmede de Wet ruimtelijke ordening (Wro), Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) en het Besluit ruimtelijke ordening (Bro).

5.2 Toelichting op de verbeelding De analoge verbeelding is getekend op een bijgewerkte en digitale kadastrale ondergrond, schaal 1: 500. Opgenomen is een woonbestemming met daarin een bouwvlak waar de nieuwe wooneenheden, alsmede verkeer-, parkeer- en groenvoorzieningen zijn toegestaan. Door middel van aanduidingen zijn aanvullende (bouw)regels, waaronder het maximum aantal woningen, de goothoogte, het achtererf en een bebouwingsvrije zone weergegeven.

5.3 Toelichting op de planregels De regels leggen de gebruiksmogelijkheden van de gronden en de bouwmogelijkheden en de gebruiksmogelijkheden van de aanwezige en/of op te richten bebouwing vast. De toelichting heeft weliswaar geen bindende werking, maar heeft wel een belangrijke functie bij de weergave en onderbouwing van het bestemmingsplan en bij de uitleg van de verbeelding en regels.

Hoofdstuk 5

58

De regels zijn onderverdeeld in 4 hoofdstukken, te weten:  Hoofdstuk 1: Inleidende regels;  Hoofdstuk 2: Bestemmingsregels;  Hoofdstuk 3: Algemene regels;  Hoofdstuk 4: Overgangs- en slotregels. 5.3.1 Inleidende regels De inleidende regels behelzen de begrippen en de wijze van meten. Begrippen In dit artikel zijn bepalingen (begrippen) opgenomen welke in het algemeen spraakgebruik onvoldoende vastliggen en waarbij verschillen in interpretatie bij toepassing van de planregels mogelijk zijn. Wijze van meten Hierin wordt aangegeven op welke manier hoogte, lengte, breedte, inhoud en oppervlakte van bouwwerken / percelen gemeten moeten worden. 5.3.2 Bestemmingsregels De regels van een bestemming worden als volgt opgebouwd en benoemd:  bestemmingsomschrijving;  bouwregels;  nadere eisen;  afwijken van de bouwregels;  specifieke gebruiksregels;  afwijken van de gebruiksregels;  omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden;  omgevingsvergunning voor het slopen van een bouwwerk;  wijzigingsbevoegdheid. Duidelijk zal zijn dat een bestemmingsregel niet alle elementen hoeft te bevatten. Dit kan per bestemming verschillen. De bestemmingsomschrijving betreft de centrale bepaling van elke bestemming. Het betreft een omschrijving waarin limitatief de functies worden genoemd, die binnen de bestemming zijn toegestaan.

De bouwregels zijn direct gerelateerd aan de bestemmingsomschrijving. Ook het gebruik van gronden en bebouwing is gekoppeld aan de bestemmingsomschrijving. In de bouwregels staan uitsluitend bepalingen die betrekking hebben op het bouwen. Bouwregels zijn dan ook alleen van toepassing bij de toetsing van aanvragen voor een omgevingsvergunning. De afwijking van de bouwregels geven het bevoegd gezag de bevoegdheid om onder voorwaarden afwijking te verlenen van een specifieke regel.

Hoofdstuk 5

59

De specifieke gebruiksregels vormen een nadere concretisering van het toegestane gebruik. De afwijking van de gebruiksregels heeft tot doel bepaald gebruik wat eerder is uitgesloten onder voorwaarden wel toe te laten. Onderstaand worden de regels van de opgenomen bestemming nader toegelicht. ‘Groen’ De voor 'Groen' aangewezen gronden zijn bestemd voor plantsoenen, groenvoorzieningen, beplantingen, straatmeubilair en objecten van beeldende kunst, fiets- en voetpaden, toegangswegen en -paden naar percelen, water, waterberging en waterhuishoudkundige voorzieningen, speelvoorzieningen, speelveldjes, hondenuitlaatplaatsen, bladkorven en ondergrondse inzamelcontainers, nutsvoorzieningen, evenementen en tuinen. Er zijn bouwregels opgenomen voor gebouwen en bouwwerken geen gebouw zijnde. ‘Verkeer’ De voor 'Verkeer' aangewezen gronden zijn bestemd voor wegen, straten en paden met hoofdzakelijk een verkeersfunctie, voet- en rijwielpaden, parkeervoorzieningen, bermen en beplanting, water en waterhuishoudkundige voorzieningen, straatmeubilair, ondergrondse inzamelcontainers, nutsvoorzieningen, overkluisde watergang, evenementen, standplaatsen, terrassen, markten, tuinen en een geluidscherm ter plaatse van de aanduiding 'geluidscherm-2'. Er zijn bouwregels opgenomen voor gebouwen en bouwwerken geen gebouw zijnde.

Daarnaast zijn in het kader van geluid binnen het plangebied, waaronder binnen de bestemming ‘Verkeer’, enkele geluidschermen benodigd. Derhalve is een aanduiding ‘geluidscherm-2’ opgenomen. Deze is noodzakelijk ten behoeve van het realiseren van een parkeerplaats. De realisering en instandhouding van het geluidscherm is als voorwaardelijke verplichting opgenomen. ‘Wonen’ De voor 'Wonen' aangewezen gronden zijn bestemd voor ‘wonen’. Binnen de enkelbestemming zijn, naast woningen binnen het bouwvlak, voorzieningen voor de infiltratie van hemelwater, paden, verhardingen en in- en uitritten toegestaan conform de regels uit het bestemmingsplan ‘1e herziening kernen Roerdalen’ (vastgesteld door de gemeenteraad van Roerdalen op 17 juni 2016). Daarnaast zijn binnen de enkelbestemming gebouwen en daarbij behorende bijgebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde toegestaan. In het kader van geluid zijn binnen het plangebied enkele geluidschermen benodigd, waaronder ook binnen de bestemming ‘Wonen’. Derhalve is een aanduiding ‘geluidscherm-1’ en ‘geluidscherm-2’ opgenomen. De eerste is noodzakelijk voor afscherming van het bedrijventerrein en de tweede ten behoeve van het realiseren van een parkeerplaats. De realisering en instandhouding van beide geluidschermen is als voorwaardelijke verplichting opgenomen.

Aan de achterzijde van de 4 woningen aan de Schaapsweg moet een gezamenlijke uniforme erfafscheiding worden geplaatst zonder poorten, doorgangen, e.d. Voor de realisering en instandhouding is derhalve een voorwaardelijke verplichting opgenomen. Op de verbeelding is ter plaatse de aanduiding ‘specifieke vorm van wonen – erfafscheiding’ opgenomen.

Hoofdstuk 5

60

Daarnaast is een voorwaardelijke verplichting opgenomen ten aanzien van het geluid van installaties voor warmte- of koudeopwekking indien deze aan de buitenzijde van de woning worden geplaatst. De nieuwbouwwoningen mogen pas in gebruik worden genomen indien rekening is gehouden met de in de voorwaardelijke verplichting opgenomen geluidsniveau’s. Tenslotte is een voorwaardelijke verplichting opgenomen ten behoeve van de bescherming van ecologische waarden zoals omschreven in paragraaf 4.4. Aan de zuidelijk gelegen woonvlek is derhalve de aanduiding ‘overige zone – ecologie’ toegekend. Op basis van de woningbouwcompensatieregeling is de bevoegdheid opgenomen om het bestemmingsplan te wijzigen indien de onderhavige bouwtitel niet of deels niet wordt benut. Middels deze wijzigingsbevoegdheid is het mogelijk de onderhavige locatie te bestemmen als groen of naar een woonbestemming zonder bouwvlak en/of de mogelijkheid woningen te realiseren. Waarde – Archeologie 5 Binnen deze dubbelbestemming zijn regels opgenomen ter bescherming van archeologische waarden. 5.3.3 Algemene regels In de algemene regels is een aantal standaardbepalingen opgenomen te weten, de antidubbeltelregel, algemene bouwregels, algemene gebruiksregels, algemene afwijkingsregels, algemene wijzigingsregels, algemene procedureregels en overige regels.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Roerdalen&id=8a28a7c8-6da3-4a13-8ef4-59e46e81b67c